Rijkswet van 14 juni 1990, tot herziening van het militair tuchtrecht
- BWB-id
- BWBR0004788
- Type
- rijkswet
- Ministerie
- Defensie
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2020-04-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0004788
- ELI
- /eli/nl/rijkswet/1991/wet-militair-tuchtrecht
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/rijkswet/1991/wet-militair-tuchtrecht/2020-04-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0004788&g=2020-04-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0004788&z=2026-06-06&g=2020-04-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0004788/2020-04-01
Absolute ELI: /eli/nl/rijkswet/1991/wet-militair-tuchtrecht
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 Wetboek van Militair Strafrecht Artikel 61 van het Wetboek van Militair Strafrecht De zowel in deze rijkswet als in hetvoorkomende uitdrukkingen hebben in beide dezelfde betekenis.is van toepassing. 2013 25 24-01-2013 13-12-2012 33429 2013 51 15-02-2013 08-02-2013 01-07-2013
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 De straffen, in deze rijkswet voorzien, zijn van toepassing op de militair die een gedragsregel van deze rijkswet schendt. 2013 25 24-01-2013 13-12-2012 33429 2013 51 15-02-2013 08-02-2013 01-07-2013
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 De gedragsregels van deze rijkswet zijn van toepassing: a. gedurende de tijd waarin de militair dienst doet of behoort te doen; b. op een militaire plaats; c. anders dan in de gevallen, genoemd onder a en b, indien en voorzover de rijkswet de toepassing voorschrijft. 2 Onder de tijd waarin de militair dienst doet of behoort te doen, wordt in deze rijkswet mede verstaan de tijd waarin de militair in uniform gekleed gaat. 3 Onder militaire plaats wordt in deze rijkswet verstaan een gebouw, terrein, vaartuig, luchtvaartuig of voertuig, dat in gebruik is bij of ten behoeve van de krijgsmacht, of dat de militair tot verblijf of gebruik dient bij de vervulling van zijn taak in internationaal verband of waar de militair zich in krijgsgevangenschap bevindt. 2013 25 24-01-2013 13-12-2012 33429 2013 51 15-02-2013 08-02-2013 01-07-2013
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 artikel 49 In deze rijkswet wordt onder commandant verstaan de militair die ingevolgetot straffen bevoegd is. 2 In deze rijkswet wordt onder beklagmeerdere verstaan de onmiddellijk boven de commandant gestelde bevelvoerende meerdere. Onze Minister van Defensie kan bij ministeriële regeling andere militairen aanwijzen als beklagmeerderen. In dat geval treedt de onmiddellijk boven de commandant gestelde bevelvoerende meerdere niet meer op als beklagmeerdere. 2013 25 24-01-2013 13-12-2012 33429 2013 51 15-02-2013 08-02-2013 01-07-2013
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 In deze rijkswet wordt onder beschuldigde verstaan de militair aan wie een beschuldiging is uitgereikt op grond van het op feiten of omstandigheden gebaseerde vermoeden dat hij een in deze rijkswet omschreven gedragsregel heeft geschonden. 2013 25 24-01-2013 13-12-2012 33429 2013 51 15-02-2013 08-02-2013 01-07-2013
Artikel 5a — Artikel 5a#
Artikel 5a Hoofdstuk II van deze rijkswet Indien een Nederlandse militair behoort tot een internationaal militair samenwerkingsverband wordt ten aanzien van die Nederlandse militair voor de toepassing vanmede verstaan onder: a. andere militair: de vreemde militair die behoort tot dat internationaal militair samenwerkingsverband; b. krijgsmacht: dat internationaal militair samenwerkingsverband. 2013 25 24-01-2013 13-12-2012 33429 2013 51 15-02-2013 08-02-2013 01-07-2013
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die enig gegeven, de dienst betreffende, mededeelt aan of ter beschikking stelt van iemand die tot kennisneming daarvan niet bevoegd is, voor zover de verplichting tot geheimhouding uit de aard der zaak volgt. 2 Het eerste lid is mede van toepassing op de militair die geen dienst doet of behoort te doen, en zich niet bevindt op een militaire plaats. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die ongeoorloofd afwezig is. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair aan wiens schuld het is te wijten dat hij niet in staat is dienstverplichtingen te vervullen. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die zich onttrekt aan dienstverplichtingen, deze verplichtingen zonder toestemming niet vervult of ophoudt te vervullen. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich hij die zijn taak als militair onzorgvuldig verricht. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die een andere militair of iemand, die anderszins bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam is, geen hulp verleent, indien en voor zover deze nodig is en kan worden gevergd. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die zich door lijdelijkheid of onwilligheid tegen militaire diensten verzet. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die de uitvoering van een in het belang van de militaire dienst genomen maatregel belet, belemmert of verijdelt. 2 Het eerste lid is mede van toepassing op de militair die geen dienst doet of behoort te doen, en zich niet bevindt op een militaire plaats. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die een andere militair of iemand, die anderszins bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam is, zonder noodzaak hindert bij de uitoefening van zijn taak. 2 Het eerste lid is mede van toepassing op de militair die geen dienst doet of behoort te doen, en zich niet bevindt op een militaire plaats. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die een dienstbevel niet opvolgt. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Het voorgaande artikel is niet toepasselijk indien de bevolen gedraging onrechtmatig is of door de militair te goeder trouw als onrechtmatig werd beschouwd. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 Indien twee of meer onderling strijdige dienstbevelen zijn gegeven, is het niet opvolgen van een bevel dat voorafgaat aan het laatst gehandhaafde geen met de militaire tucht strijdige gedraging. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die een dienstvoorschrift niet opvolgt. 2 Het eerste lid is mede van toepassing op de militair die geen dienst doet of behoort te doen, en zich niet bevindt op een militaire plaats, indien het in het dienstvoorschrift gegeven ge- of verbod betrekking heeft op het gedrag van de militair die zich voor de uitoefening van zijn dienst buiten Nederland bevindt. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 Het voorgaande artikel is niet toepasselijk indien een van het dienstvoorschrift afwijkend dienstbevel is opgevolgd. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die een andere militair of iemand, die anderszins bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam is, in het openbaar of in zijn tegenwoordigheid met enig kwaad bedreigt, uitscheldt of bespot. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die tegen beter weten in een aantijging tegen of een klacht over een andere militair of iemand, die anderszins bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam is inbrengt of inzendt. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die de persoon van een andere militair of iemand, die anderszins bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam is, aantast. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die een andere militair of iemand, die anderszins bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam is, nodeloos in gevaar brengt. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die een mededeling, die hij uit hoofde van zijn ambt moet doen, niet of onjuist doet. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die door misbruik van zijn invloed als meerdere tegenover een mindere deze overhaalt iets te doen, niet te doen of te dulden, indien daaruit enig nadeel voor de dienst, de mindere of een derde kan ontstaan. 2 Het eerste lid is mede van toepassing op de militair die geen dienst doet of behoort te doen, en zich niet bevindt op een militaire plaats. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die door gift, belofte, bedreiging of misleiding een andere militair: a. weerhoudt van het ter kennis van de commandant brengen van een inbreuk op een gedragsregel, omschreven in deze rijkswet; b. overhaalt tot het valselijk ter kennis van de commandant brengen van een inbreuk op een gedragsregel, omschreven in deze rijkswet; c. overhaalt tot of weerhoudt van het instellen van beroep, het doen van een beklag of het indienen van een verzoek. 2 Het eerste lid is mede van toepassing op de militair die geen dienst doet of behoort te doen, en zich niet bevindt op een militaire plaats. 2013 25 24-01-2013 13-12-2012 33429 2013 51 15-02-2013 08-02-2013 01-07-2013
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die, wetende dat een mindere inbreuk maakt of heeft gemaakt op een gedragsregel van deze rijkswet, nalaat maatregelen te nemen. 2013 25 24-01-2013 13-12-2012 33429 2013 51 15-02-2013 08-02-2013 01-07-2013
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die een onrechtmatig bevel geeft aan een mindere. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die wanordelijkheden veroorzaakt of daaraan deelneemt. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die een andere militair mondeling of bij geschrifte opruit tot een inbreuk op enige in deze rijkswet omschreven gedragsregel, alsmede de militair die een dergelijk geschrift verspreidt. 2 Het eerste lid is mede van toepassing op de militair die geen dienst doet of behoort te doen, en zich niet bevindt op een militaire plaats. 2013 25 24-01-2013 13-12-2012 33429 2013 51 15-02-2013 08-02-2013 01-07-2013
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die een geschrift verspreidt of op enige andere wijze openbaar maakt op een plaats, een tijdstip of een wijze, waaromtrent bij dienstvoorschrift een verbod is gegeven in het belang van het verkeer of ter voorkoming van belemmering van de dienst of ter bescherming van rijksgoederen of goederen van derden. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die inbreuk maakt op de regels die bij dienstvoorschrift zijn vastgelegd inzake meningsuiting die anders dan door middel van geschrift plaatsvindt, voorzover die regels niet de inhoud van de uiting betreffen, en zijn gegeven in het belang van het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van ongeregeldheden en verstoringen van het ordelijk verloop van de dienst. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 1 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die een betoging organiseert of daaraan deelneemt, indien deze op een militaire plaats gehouden wordt zonder dat toestemming is gevraagd van het bevoegd gezag, dan wel indien de toestemming is geweigerd in het belang van het verkeer, of omdat redelijkerwijs is te verwachten dat ongeregeldheden zullen plaatsvinden of het ordelijk verloop van de dienst zal worden verstoord. 2 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die buiten een militaire plaats in uniform deelneemt aan een betoging, tenzij deze in het land waar de militair is aangesteld dan wel waar hij als dienstplichtige in werkelijke dienst is gekomen plaatsvindt en uitsluitend tot onderwerp heeft de voor de militairen algemeen geldende arbeidsvoorwaarden. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die een vergadering organiseert of daaraan deelneemt, indien die op een militaire plaats wordt gehouden zonder dat toestemming is gevraagd van het bevoegd gezag, dan wel indien de toestemming is geweigerd in het belang van het verkeer, of omdat redelijkerwijs is te verwachten dat ongeregeldheden zullen plaatsvinden of het ordelijk verloop van de dienst zal worden verstoord. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 1 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die, zich voor de uitoefening van de dienst op het gebied van een vreemde mogendheid bevindend, enige, niet het Koninkrijk betreffende, politieke activiteit ontplooit. Onder politieke activiteit is niet begrepen het uitoefenen van het actief en passief kiesrecht. 2 Het eerste lid is mede van toepassing op de militair die geen dienst doet of behoort te doen, en zich niet bevindt op een militaire plaats. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 1 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die zonder daartoe gerechtigd te zijn gebruik maakt van goederen of diensten van de krijgsmacht, van een andere militair of van iemand, die anderszins bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam is, dan wel deze goederen wegneemt. 2 Voorzover het goederen of diensten van de krijgsmacht betreft is het eerste lid mede van toepassing op de militair die geen dienst doet of behoort te doen, en die zich niet bevindt op een militaire plaats. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die enig goed, in gebruik bij of ten behoeve van de krijgsmacht, onzorgvuldig behandelt of onderhoudt. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die in uniform nodeloos slordig gekleed gaat. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 1 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die enig goed, in gebruik bij of ten behoeve van de krijgsmacht, van een andere militair of van iemand, die anderszins bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam is, vernielt, beschadigt, onbruikbaar of onklaar maakt dan wel wegmaakt. 2 Voorzover het een goed in gebruik bij of ten behoeve van de krijgsmacht betreft is het eerste lid mede van toepassing op de militair die geen dienst doet of behoort te doen, en zich niet bevindt op een militaire plaats. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die de aan een andere militair of iemand, die anderszins bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam is, voor persoonlijk gebruik ter beschikking gestelde ruimte niet respecteert. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 De straffen zijn: a. berisping; b. geldboete; c. strafdienst; d. uitgaansverbod. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 1 De berisping bestaat uit een geschrift waarvan het model door Onze Minister van Defensie wordt vastgesteld. 2 De tenuitvoerlegging van de berisping geschiedt door de uitreiking van het geschrift tegelijk met de uitreiking van het afschrift van de uitspraak. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 1 Het bedrag van de geldboete is ten minste € 3 en ten hoogste € 350. In Aruba zijn deze bedragen AWG 6 en AWG 770. In Curaçao en Sint Maarten zijn deze bedragen ANG 6 en ANG 770. In de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn deze bedragen USD 3 en USD 430. 2 Een geldboete kan niet worden opgelegd indien daardoor de som van de geldboetes, ingevolge deze rijkswet in een kalendermaand aan de militair opgelegd, een bedrag van € 700 dan wel ANG 1540, AWG 1540 onderscheidenlijk USD 860 te boven zou gaan. 3 Ingeval de schending van een gedragsregel plaatsvindt terwijl de militair deelneemt aan een operatie in internationaal verband buiten het Koninkrijk is, in afwijking van het eerste lid, het bedrag van de geldboete ten hoogste € 700 dan wel ANG 1540, AWG 1540 onderscheidenlijk USD 860. Een geldboete met toepassing van de voorgaande volzin kan niet worden opgelegd indien daardoor de som, bedoeld in het tweede lid, een bedrag van € 1400 dan wel ANG 3080, AWG 3080 onderscheidenlijk USD 1720 te boven zou gaan. 2010 339 01-09-2010 07-07-2010 32186 2010 388 01-10-2010 30-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking om 00:00 uur in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba en
om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk.
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 1 De geldboete moet binnen drie dagen na de uitreiking van het afschrift van de uitspraak door de gestrafte worden betaald. 2 De commandant kan de gestrafte op zijn verzoek eenmaal uitstel van betaling verlenen voor ten hoogste achtentwintig dagen. 3 De geldboete moet in ieder geval worden betaald als het feitelijk verblijf onder de wapenen van de gestrafte eindigt. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 1 Bij gebreke van betaling binnen de bij of ingevolge het voorgaand artikel gestelde termijn worden de niet betaalde geldboetes op de militaire bezoldiging van de gestrafte ingehouden. 2 De inhouding geschiedt door de functionaris belast met de uitbetaling van de militaire bezoldiging. 3 Op het in te houden bedrag wordt een toeslag berekend van tien procent met een minimum van € 0,45, ANG 1, AWG 1, onderscheidenlijk USD 1 welke op gelijke wijze als de geldboete op de aan een gestrafte toekomende bezoldiging wordt ingehouden. 2010 339 01-09-2010 07-07-2010 32186 2010 388 01-10-2010 30-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking om 00:00 uur in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba en
om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk.
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 Bij of krachtens algemene maatregel van Rijksbestuur worden regels gesteld met betrekking tot de invordering, de inhouding, de verantwoording en de bestemming van de ingevorderde of ingehouden gelden. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 1 De strafdienst bestaat uit het verrichten van dienst door de gestrafte in overeenstemming met zijn rang, stand of functie, buiten de voor hem geldende diensturen. 2 De strafdienst wordt opgelegd voor de duur van ten hoogste drie uren op ten hoogste tien werkdagen. 3 Een militair ondergaat op dezelfde dag niet meer dan een straf van strafdienst. 4 Een militair ondergaat per kalendermaand de straf van strafdienst niet gedurende meer dan vijftien werkdagen. 5 Indien een militair op grond van het bepaalde in het vorige lid in een kalendermaand een hem opgelegde straf van strafdienst niet volledig ondergaat, zal hij het resterende deel in de volgende kalendermaand ondergaan. 6 De tenuitvoerlegging van de strafdienst vangt zo spoedig mogelijk aan na de uitreiking van het afschrift van de uitspraak en vindt voor zover mogelijk plaats op achtereenvolgende werkdagen. Strafdienst wordt niet ten uitvoer gelegd tijdens verlofdagen. 7 Het ondergaan van de straf van strafdienst is dienst. 8 In geval van ontslag uit de militaire dienst eindigt de tenuitvoerlegging van de strafdienst van rechtswege op het moment waarop dat ontslag ingaat. 9 Onverminderd het bepaalde in het vorige lid kan de beklagmeerdere het feitelijk verblijf onder de wapenen van degene die de straf van strafdienst ondergaat, verlengen totdat die straf is ondergaan. 10 Op de dag waarop de straf van uitgaansverbod wordt ondergaan, kan niet ook de straf van strafdienst worden ondergaan. 11 Onttrekking aan strafdienst schorst van rechtswege de straf. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 1 Het uitgaansverbod bestaat uit de verplichting om op de door de commandant aan te wijzen militaire plaats of gedeelten daarvan aanwezig te zijn en te blijven. 2 Aan de militair die gestraft is met de straf van uitgaansverbod, kan worden opgedragen gedurende de tijd, dat hij die straf ondergaat, dienst te verrichten in overeenstemming met zijn rang, stand of functie. 3 Het uitgaansverbod wordt opgelegd voor de duur van ten hoogste vier aaneengesloten dagen. 4 Een militair ondergaat per kalendermaand de straf van uitgaansverbod niet gedurende meer dan acht dagen, en voor zover de tenuitvoerlegging geheel of ten dele in het weekend plaatsvindt, gedurende niet meer dan twee opeenvolgende weekenden. 5 derde, vijfde, zevende, achtste, negende, tiende en elfde lid van artikel 47 zesde lid van artikel 47 Hetzijn van overeenkomstige toepassing. Hetis van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de tenuitvoerlegging ook plaatsvindt op vrije dagen niet zijnde verlofdagen. 6 artikel 7 artikel 79, eerste lid Ingeval schending van de gedragsregel vanwordt afgedaan met toepassing van, of indien er nog geen 90 dagen zijn verlopen nadat aan de militair een uitspraak is uitgereikt waarin hij schuldig werd verklaard aan schending van diezelfde gedragsregel is, indien de straf van uitgaansverbod wordt opgelegd, in afwijking van het derde en vierde lid, het aantal op te leggen dagen ten hoogste acht en het aantal in een kalendermaand te ondergane dagen uitgaansverbod ten hoogste twaalf. 2009 207 19-05-2009 23-04-2009 31504 2009 244 16-06-2009 08-06-2009 01-07-2009
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 1 De bevoegdheid tot het opleggen van straffen aan onder zijn bevelen staande militairen komt toe aan: a. de bevelvoerende militair van een oorlogsschip, inrichting van de zeemacht, compagnie, eskadron, batterij of squadron; b. de door Onze Minister van Defensie aangewezen bevelvoerende militair van een andere militaire eenheid dan onder a genoemd. 2 Aan boord van een oorlogsschip komt de bevoegdheid tot het opleggen van straffen aan militairen, die op dat schip zijn ingescheept, uitsluitend toe aan de bevelvoerende militair van dat schip. 3 Indien een bevelvoerende militair als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, zelf degene is van wie wordt vermoed dat hij een in deze rijkswet omschreven gedragsregel heeft geschonden, komt de bevoegdheid tot het opleggen van straffen toe aan de onmiddellijk boven hem gestelde bevelvoerende meerdere. 4 artikelen 20-23 De bevoegdheid tot het opleggen van straffen komt toe aan de onmiddellijk boven een in het eerste lid bedoelde bevelvoerende militair gestelde bevelvoerende meerdere indien het betreft een in een van deomschreven gedraging tegen de persoon van de in het eerste lid bedoelde bevelvoerende militair. 5 Indien een militair van wie wordt vermoed dat hij een in deze rijkswet omschreven gedragsregel heeft geschonden hoger of ouder in rang is dan de in het eerste lid bedoelde bevelvoerende militair komt de bevoegdheid tot het opleggen van straffen toe aan de onmiddellijk boven laatstbedoelde militair gestelde bevelvoerende meerdere van hogere rang dan eerstbedoelde militair. 6 artikel 53, eerste lid Indien in de gevallen bedoeld in het derde, vierde of vijfde lid de aldaar aangewezen bevelvoerende militair geen tuchtproces kan doen aanvangen binnen de in, genoemde termijn, wordt: a. het tuchtproces gehouden door de in het eerste lid bedoelde bevelvoerende militair zelf in het geval bedoeld in het vierde lid; b. deze termijn verlengd met 21 dagen in de gevallen bedoeld in het derde of vijfde lid. 2013 25 24-01-2013 13-12-2012 33429 2013 51 15-02-2013 08-02-2013 01-07-2013
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 1 artikel 80a, eerste lid artikel 74, derde lid De bevoegdheid om, hetzij de tenuitvoerlegging van een straf van een geldboete hoger dan € 35, ANG 75, AWG 75, onderscheidenlijk USD 42, van strafdienst of van uitgaansverbod op te schorten of te schorsen, hetzij, na verloop van de termijn bedoeld in, en buiten het geval dat tegen de uitspraak beklag is gedaan, een strafoplegging teniet te doen, te wijzigen in de straf van berisping, binnen de opgelegde strafsoort de strafmaat te verminderen of te wijzigen in een beslissing als bedoeld in, komt toe aan: a. de commandant; b. de beklagmeerdere. 2 artikel 74, derde lid artikel 98 Bij tenietdoening of vermindering van de straf dan wel wijziging in de straf van berisping of in een beslissing als bedoeld in, isvan overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor gerecht wordt gelezen degene die vermindert, teniet doet, wijzigt of beslist geen straf op te leggen. 2010 339 01-09-2010 07-07-2010 32186 2010 388 01-10-2010 30-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking om 00:00 uur in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba en
om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk.
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 1 Het tuchtproces in eerste aanleg vangt aan met de uitreiking door of namens de commandant aan de militair, van wie wordt vermoed dat hij een in deze rijkswet omschreven gedragsregel heeft geschonden, van een schriftelijk stuk, de beschuldiging, hetwelk een omschrijving inhoudt van deze schending. 2 De commandant behoudt een afschrift van de beschuldiging. 3 De datum van de uitreiking wordt aangetekend op het afschrift bedoeld in het voorgaande lid. 4 Terzake van dezelfde gedraging kan slechts eenmaal een beschuldiging worden uitgereikt. 5 artikel 52, onder b Wijziging van de beschuldiging is voor de aanvang van het onderzoek mogelijk. In geen geval worden wijzigingen toegelaten die ten gevolge hebben dat de beschuldiging niet langer dezelfde gedraging in de zin vanzou inhouden. De wijziging wordt onverwijld, doch in ieder geval voor de aanvang van het onderzoek, aan de beschuldigde schriftelijk meegedeeld. 2013 25 24-01-2013 13-12-2012 33429 2013 51 15-02-2013 08-02-2013 01-07-2013
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 De beschuldiging vermeldt: a. de naam, rang en militaire eenheid van de betreffende militair; b. de omschrijving van een of meer gedragingen die vermoedelijk de schending van een of meer gedragsregels inhouden met vermelding van feiten en omstandigheden waarop dat vermoeden is gegrond en met opgave van tijd en plaats waarop die gedraging of gedragingen hebben plaatsgevonden; c. de mededeling dat de commandant heeft besloten terzake een onderzoek te houden; d. het artikel of de artikelen op grond waarvan de beschuldiging wordt uitgereikt. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 1 artikel 49, zesde lid artikelen 6 23 26 37 39 artikel 78, eerste lid 79, eerste lid Behoudens, wordt geen beschuldiging uitgereikt indien er 21 dagen zijn verlopen nadat de gedraging heeft plaatsgevonden of, voor zover het betreft een vermoedelijke schending van een van de gedragsregels omschreven in de,,,of, indien er 21 dagen zijn verlopen nadat de gedraging werd ontdekt of, indien toepassing is gegeven aan, of, indien er 21 dagen zijn verlopen nadat de beslissing van het openbaar ministerie ter kennis is gekomen van de commandant. 2 Geen beschuldiging wordt uitgereikt aan degene die feitelijk niet meer onder de wapenen verblijft. 3 De in het eerste lid bedoelde termijn bedraagt 60 dagen indien in de beschuldiging is aangegeven dat de gedraging heeft plaatsgevonden terwijl de militair deelneemt aan een operatie in internationaal verband buiten het Koninkrijk en de militair en de commandant zich om redenen van dienst niet in hetzelfde land bevinden op het tijdstip waarop de gedraging volgens de beschuldiging eindigde. 4 Voor de bepaling van de duur van de termijn waarbinnen een beschuldiging kan worden uitgereikt als bedoeld in het eerste lid, worden de dagen waarop verlof is verleend aan de militair aan wie de commandant voornemens is een beschuldiging uit te reiken, of de dagen waarop deze militair door ziekte of ongeoorloofde afwezigheid niet bij zijn eenheid aanwezig is, niet meegeteld. 5 Geen beschuldiging wordt uitgereikt indien uit feiten of omstandigheden blijkt of redelijkerwijze moet worden vermoed dat er 60 dagen zijn verlopen nadat de gedraging heeft plaatsgevonden. 6 artikel 78, eerste lid 79, eerste lid Ingeval toepassing is gegeven aan, of, wordt de in het vijfde lid genoemde termijn met 30 dagen verlengd. 7 Een beschuldiging, uitgereikt in strijd met de voorgaande leden, wordt ingetrokken. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 1 Het tuchtproces in eerste aanleg eindigt: a. artikelen 53, zevende lid 76, eerste lid 78, tweede lid 80, zesde lid met een beslissing als bedoeld in de,,, of; b. artikel 76, eerste lid artikelen 59, tweede lid 64, tweede of derde lid 80, eerste lid van rechtswege indien er na 21 dagen sedert de aanvang van het tuchtproces geen beslissing is genomen als bedoeld in, behoudens de verlenging van deze termijn ingevolge de,, of; c. van rechtswege bij ontslag uit de militaire dienst. 2 artikel 76, eerste lid Behoudens in het geval uitspraak is gedaan als bedoeld in, deelt de commandant aan de beschuldigde schriftelijk mee dat het tuchtproces is geëindigd. 2013 25 24-01-2013 13-12-2012 33429 2013 51 15-02-2013 08-02-2013 01-07-2013
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 artikel 80, eerste lid Het feitelijk verblijf onder de wapenen kan door de beklagmeerdere worden verlengd voor het houden van een tuchtproces in eerste aanleg, behoudens in het geval bedoeld in. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 1 De beschuldigde kan zich in ieder stadium van het tuchtproces in eerste aanleg doen bijstaan door een vertrouwensman. 2 Het bepaalde in het voorgaande lid wordt de beschuldigde bij het uitreiken van de beschuldiging medegedeeld. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 1 De vertrouwensman kan door de beschuldigde worden gekozen uit het militair en burgerpersoneel, in dienstbetrekking bij het departement van defensie en gelegerd of tewerkgesteld op hetzelfde schip, in dezelfde inrichting of kazerne, dan wel op dezelfde basis of bij hetzelfde onderdeel als de beschuldigde. 2 In bijzondere gevallen kan de commandant ook andere personen als vertrouwensman toelaten. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 Medebeschuldigden in dezelfde zaak worden niet als vertrouwensman toegelaten. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 1 De commandant kan de vertrouwensman voor de verdere duur van het tuchtproces in eerste aanleg uitsluiten wegens verstoring van de ordelijke behandeling van de zaak. 2 artikel 54, eerste lid, onder b Ingeval van uitsluiting van zijn vertrouwensman wordt de beschuldigde op zijn verzoek in de gelegenheid gesteld binnen 24 uur een nieuwe vertrouwensman te kiezen. De termijn bedoeld in, wordt in dat geval met een dag verlengd. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 Het optreden als vertrouwensman is dienst. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 1 Artikel 67 De commandant kan de beschuldigde doen horen ter voorbereiding van het onderzoek.is van overeenkomstige toepassing. 2 De commandant kan getuigen en deskundigen horen of doen horen in ieder stadium van het tuchtproces. 3 De verklaringen van de op grond van het eerste of tweede lid gehoorde personen worden schriftelijk vastgelegd. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 62 — Artikel 62#
Artikel 62 De beschuldigde en zijn vertrouwensman kunnen na de uitreiking van de beschuldiging de op de zaak betrekking hebbende stukken inzien, tenzij het belang van geheimhouding van gegevens of het belang van derden zich daartegen verzet. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 63 — Artikel 63#
Artikel 63 1 De commandant roept de beschuldigde schriftelijk op voor het onderzoek. 2 Het onderzoek vangt niet eerder aan dan 24 uur na de uitreiking van de beschuldiging. 3 Indien de beschuldigde om een eerdere behandeling verzoekt, kan de commandant daartoe besluiten. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 64 — Artikel 64#
Artikel 64 1 De beschuldigde is verplicht te verschijnen. 2 artikel 54, eerste lid, onder b Indien de beschuldigde niet verschijnt wegens een gewichtige reden van verhindering, schort de commandant het onderzoek op of schorst hij dit. De termijn bedoeld in, wordt in dat geval voor de duur van de opschorting of schorsing, doch ten hoogste 21 dagen verlengd. 3 Indien de beschuldigde niet verschijnt zonder een gewichtige reden van verhindering, schort de commandant het onderzoek op of schorst hij dit voor bepaalde tijd en wordt de beschuldigde nogmaals schriftelijk opgeroepen. Hij is bevoegd de medebrenging van de beschuldigde te gelasten. De tweede volzin van het voorgaande lid is van toepassing. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 65 — Artikel 65#
Artikel 65 1 De commandant roept de getuigen en deskundigen op wier verschijning hij nodig oordeelt. 2 De beschuldigde en zijn vertrouwensman kunnen verzoeken dat ook andere getuigen en deskundigen worden gehoord. De commandant voldoet aan dit verzoek, tenzij het onderzoek daardoor wordt geschaad of het verzoek kennelijk onredelijk is. 3 De opgeroepen getuigen en deskundigen zijn verplicht te verschijnen. 4 artikelen 217-219 van het Wetboek van Strafvordering Ten aanzien van getuigen en deskundigen zijn devan overeenkomstige toepassing. 5 De vergoeding van door getuigen en deskundigen gemaakte onkosten geschiedt volgens regelen te stellen bij algemene maatregel van Rijksbestuur. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 66 — Artikel 66#
Artikel 66 1 De commandant houdt het onderzoek op de grondslag van de beschuldiging. 2 Het onderzoek is niet openbaar. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 67 — Artikel 67#
Artikel 67 De beschuldigde is niet verplicht te antwoorden. Dit wordt hem voor of bij de aanvang van het onderzoek ter kennis gebracht. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 68 — Artikel 68#
Artikel 68 1 De commandant hoort de beschuldigde, de getuigen en de deskundigen. 2 Hij stelt de beschuldigde en de vertrouwensman in de gelegenheid de getuigen en deskundigen, door zijn tussenkomst, vragen te stellen. 3 Hij stelt de vertrouwensman in de gelegenheid het woord te voeren. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 69 — Artikel 69#
Artikel 69 De beschuldigde wordt voor de sluiting van het onderzoek in de gelegenheid gesteld het laatste woord te voeren. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 70 — Artikel 70#
Artikel 70 Als bewijsmiddelen worden alleen erkend: a. eigen waarneming door de commandant van een in de beschuldiging omschreven gedraging; b. eigen waarneming door de commandant tijdens het onderzoek; c. verklaringen van de beschuldigde; d. verklaringen van een getuige; e. verklaringen van een deskundige; f. geschriften. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 71 — Artikel 71#
Artikel 71 Op zichzelf leveren voldoende grondslag voor de overtuiging dat de in de beschuldiging omschreven gedraging heeft plaatsgevonden: a. a de eigen waarneming genoemd in het voorgaande artikel onder; b. de in een getuigenverklaring of in een geschrift opgenomen waarneming van een in de beschuldiging omschreven gedraging, door een militair of andere ambtenaar, die uit hoofde van zijn functie of rang met enig toezicht op de naleving van gedragsregels is belast. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 72 — Artikel 72#
Artikel 72 Feiten of omstandigheden van algemene bekendheid behoeven geen bewijs. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 73 — Artikel 73#
Artikel 73 artikel 70 Na sluiting van het onderzoek beraadt de commandant zich of hij door de inhoud van de ingenoemde bewijsmiddelen de overtuiging heeft gekregen dat een in de beschuldiging omschreven gedraging van de beschuldigde heeft plaatsgevonden en, in bevestigend geval, of zulks de schending van een gedragsregel oplevert. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 74 — Artikel 74#
Artikel 74 1 Is de commandant van oordeel dat een gedragsregel is geschonden, dan beraadt hij zich over de oplegging van straf. 2 Acht de commandant de beschuldigde strafbaar, dan legt hij een straf voorzien in deze rijkswet op. 3 Indien de commandant dit in verband met de geringe betekenis van de gedraging of gelet op de persoon van de beschuldigde of zijn persoonlijke omstandigheden raadzaam acht, legt hij geen straf op. 4 In andere gevallen dan bedoeld in het tweede en derde lid spreekt de commandant de beschuldigde vrij. 2013 25 24-01-2013 13-12-2012 33429 2013 51 15-02-2013 08-02-2013 01-07-2013
Artikel 75 — Artikel 75#
Artikel 75 Bij bestraffing van een militair die een of meer in deze rijkswet genoemde gedragsregels heeft geschonden, wordt slechts een straf opgelegd. 2013 25 24-01-2013 13-12-2012 33429 2013 51 15-02-2013 08-02-2013 01-07-2013
Artikel 76 — Artikel 76#
Artikel 76 1 Na het sluiten van het onderzoek beslist de commandant uiterlijk op de eerstvolgende werkdag. Deze beslissing wordt vastgelegd in een schriftelijk stuk, de uitspraak. 2 De uitspraak wordt door of namens de commandant onverwijld aan de beschuldigde uitgereikt. 3 De datum van uitreiking wordt op de uitspraak en op het afschrift bedoeld in het tweede lid aangetekend. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 77 — Artikel 77#
Artikel 77 De uitspraak vermeldt in ieder geval: a. de naam, rang en militaire eenheid van de beschuldigde; b. de bewezen gedraging of gedragingen; c. de geschonden gedragsregel of gedragsregels; d. de beslissing. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 78 — Artikel 78#
Artikel 78 1 artikel 59 van het Wetboek van Militair Strafrecht Is de commandant van oordeel dat een hem ter kennis gekomen gedraging een strafbaar feit betreft, dan is hij verplicht daarvan onverwijld aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar, behoudens in het geval dat voldaan wordt aan de voorwaarden gesteld op grond van het bepaalde in. 2 Indien de commandant na de uitreiking van de beschuldiging tot het oordeel komt dat de gedraging een strafbaar feit betreft, trekt hij de beschuldiging in, indien hij nog niet tot een uitspraak is gekomen. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 79 — Artikel 79#
Artikel 79 1 artikelen 267, aanhef en onder 1° en 2° 300, eerste lid 310 311, eerste lid, aanhef en onder 4° en 5° 321 350 van het Wetboek van Strafrecht artikelen 96, aanhef en onder 2° en 3° 98, aanhef en onder 2° 166 169 van het Wetboek van Militair Strafrecht artikelen 96 98 van het Wetboek van Militair Strafrecht artikel 81, eerste lid artikel 76, eerste lid Indien een gedraging naar het oordeel van de commandant een van de strafbare feiten oplevert omschreven in de,,,,ofof omschreven in de,,ofmet dien verstande dat de duur van de in deengenoemde ongeoorloofde afwezigheid ten hoogste acht dagen is en het openbaar ministerie bij het in, bedoelde gerecht de commandant mededeelt dat het voorshands instemt met tuchtrechtelijke afdoening, kan de commandant een beschuldiging uitreiken, voor zover de gedraging tevens de schending van een gedragsregel van deze rijkswet inhoudt. Van de mededeling van het openbaar ministerie wordt aantekening gedaan in het stuk, bedoeld in. 2 artikel 81, eerste lid De commandant zendt na het einde van het tuchtproces in eerste aanleg bericht omtrent de afloop daarvan aan het openbaar ministerie bij het in, bedoelde gerecht. 3 artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht De toepassing van het bepaalde in het eerste lid doet niet af aan het formele recht tot strafvordering van het openbaar ministerie. Indien het strafbare feit wordt afgedaan met toepassing vanof indien een vervolging terzake leidt tot een schuldigverklaring door de rechter, wordt bij het stellen van voorwaarden onderscheidenlijk bij de oplegging van een straf rekening gehouden met de wegens de schending van een gedragsregel van deze rijkswet opgelegde straf. 2013 25 24-01-2013 13-12-2012 33429 2013 51 15-02-2013 08-02-2013 01-07-2013
Artikel 80 — Artikel 80#
Artikel 80 1 artikel 54, eerste lid, onder b Indien de commandant gedurende het tuchtproces meent dat een in de beschuldiging omschreven gedraging niet de schending van een dienstvoorschrift oplevert, omdat dit dienstvoorschrift naar zijn oordeel in strijd is met een hogere regeling, schorst hij het tuchtproces, voorzover het deze gedraging betreft. De termijn bedoeld in, wordt in dat geval met de duur van de schorsing verlengd. 2 artikel 81, eerste lid Hij roept over de vermeende strijdigheid schriftelijk de beslissing in van het in, bedoelde gerecht onder overlegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken. 3 Indien het gerecht beslist dat het dienstvoorschrift niet in strijd is met een hogere regeling, deelt het deze beslissing mee aan de commandant. Deze hervat het tuchtproces met inachtneming van die beslissing. 4 Artikel 75 Indien het tuchtproces terzake van andere gedragingen inmiddels is voortgezet en geëindigd met een uitspraak, hervat de commandant, nadat hij de beslissing van het gerecht heeft ontvangen, het op grond van het eerste lid geschorste tuchtproces. De commandant neemt daarbij de door hem gegeven uitspraak in acht.is niet van toepassing met dien verstande dat een op te leggen straf gelijksoortig moet zijn aan de al opgelegde straf en het totaal het maximum niet te boven mag gaan. 5 artikel 74, derde lid Indien de commandant reeds een beslissing heeft genomen als bedoeld in, of de straf van berisping heeft opgelegd, kan alsnog een straf of een andere straf worden opgelegd. 6 Indien het gerecht beslist dat het dienstvoorschrift waaromtrent zijn beslissing is gevraagd in strijd is met een hogere regeling, spreekt het de beschuldigde vrij met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde gedraging. 7 Tegen de beslissing van het gerecht staat geen verdere voorziening open. 2009 207 19-05-2009 23-04-2009 31504 2009 244 16-06-2009 08-06-2009 01-07-2009
Artikel 80a — Artikel 80a#
Artikel 80a 1 De gestrafte kan binnen vijf dagen na de uitreiking van het afschrift van de uitspraak beklag doen bij de beklagmeerdere. 2 artikel 74, derde lid Onder de gestrafte wordt mede verstaan degene ten wiens aanzien een beslissing is genomen als bedoeld in. 3 De gestrafte kan in beklag ook de beslissing van de commandant met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van een straf van strafdienst of van uitgaansverbod aan het oordeel van de beklagmeerdere onderwerpen. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 80b — Artikel 80b#
Artikel 80b 1 Het beklag wordt gedaan bij beklagschrift, dat bij de commandant wordt ingediend. 2 De beklagprocedure vangt aan met de indiening van het beklagschrift bij de commandant. 3 Als dag van indiening geldt de dag van ontvangst van het beklagschrift door of namens de commandant. De dag van ontvangst wordt terstond op het beklagschrift aangetekend. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 80c — Artikel 80c#
Artikel 80c 1 De commandant zendt het beklagschrift onverwijld door naar de beklagmeerdere. 2 Hij voegt daarbij alle op de zaak betrekking hebbende stukken met opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan hij tot de overtuiging is gekomen dat een in de beschuldiging omschreven gedraging heeft plaatsgevonden. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 80d — Artikel 80d#
Artikel 80d 1 artikel 80a, eerste lid Indien het beklagschrift na de beklagtermijn bedoeld in, is ingediend, verklaart de beklagmeerdere het beklag niet ontvankelijk. Deze verklaring wordt vastgelegd in een schriftelijk stuk dat aan de gestrafte wordt uitgereikt. De datum van de uitreiking wordt op het schriftelijk stuk aangetekend. 2 Ten aanzien van een na afloop van de beklagtermijn ingediend beklagschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de gestrafte in verzuim is geweest. Een beslissing ter zake is gemotiveerd. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 80e — Artikel 80e#
Artikel 80e 1 De gestrafte kan zich in ieder stadium van de beklagprocedure doen bijstaan door een vertrouwensman. 2 artikelen 57 58 59, met uitzondering van de laatste volzin van het tweede lid 60 De,,, enzijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor commandant wordt gelezen beklagmeerdere. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 80f — Artikel 80f#
Artikel 80f 1 De beklagmeerdere kan de gestrafte doen horen ter voorbereiding van het onderzoek op beklag. 2 Artikel 80i, tweede lid, eerste volzin De gestrafte is verplicht te verschijnen., is van overeenkomstige toepassing. De gestrafte is niet verplicht te antwoorden. Dit wordt hem voor of bij aanvang van het ter voorbereiding horen ter kennis gebracht. 3 De beklagmeerdere kan de commandant, getuigen en deskundigen horen of doen horen in ieder stadium van de beklagprocedure. 4 De verklaringen van de gehoorde personen worden schriftelijk vastgelegd. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 80g — Artikel 80g#
Artikel 80g 1 De beklagmeerdere bepaalt op welke dag het onderzoek op beklag zal aanvangen. Deze dag kan niet later worden bepaald dan uiterlijk de dertigste dag na de dag van indiening van het beklagschrift. 2 De dagen waarop de gestrafte en de beklagmeerdere zich om redenen van dienst niet in hetzelfde land bevinden, tellen niet mee voor de bepaling van de termijn genoemd in het eerste lid. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 80h — Artikel 80h#
Artikel 80h 1 Artikel 62 De gestrafte wordt door of namens de beklagmeerdere schriftelijk opgeroepen voor het onderzoek op beklag. Dit onderzoek vangt niet eerder aan dan op de tweede dag na de dag waarop de oproeping aan de gestrafte is uitgereikt, tenzij de gestrafte om eerdere behandeling verzoekt.is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor beschuldiging wordt gelezen oproeping. 2 De beklagmeerdere roept de commandant, de getuigen en deskundigen op wier verschijning hij nodig oordeelt. 3 De gestrafte en zijn vertrouwensman kunnen verzoeken dat ook andere getuigen en deskundigen worden gehoord. De beklagmeerdere voldoet aan dit verzoek, tenzij het onderzoek daardoor wordt geschaad of het verzoek kennelijk onredelijk is. 4 Artikel 65, derde, vierde en vijfde lid , is van toepassing. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 80i — Artikel 80i#
Artikel 80i 1 artikel 80f, eerste lid De beklagmeerdere is verplicht de gestrafte in persoon te horen tijdens het onderzoek op beklag, tenzij deze is gehoord als bedoeld in, en te kennen heeft gegeven op horen in persoon geen prijs te stellen en de beklagmeerdere het horen in persoon niet nodig oordeelt. 2 artikel 80r, tweede lid, onder b Indien de gestrafte niet verschijnt wegens een gewichtige reden van verhindering schort de beklagmeerdere het onderzoek op beklag op of schorst hij dit. De termijn bedoeld in, wordt in dat geval voor de duur van de opschorting of schorsing verlengd. 3 Indien de gestrafte niet verschijnt zonder een gewichtige reden van verhindering, doet de beklagmeerdere het beklag verder af. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 80j — Artikel 80j#
Artikel 80j 1 De beklagmeerdere houdt het onderzoek op beklag op de grondslag van de beschuldiging. 2 Het onderzoek op beklag is niet openbaar. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 80k — Artikel 80k#
Artikel 80k De gestrafte is niet verplicht te antwoorden. Dit wordt hem voor of bij aanvang van het onderzoek op beklag ter kennis gebracht. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 80l — Artikel 80l#
Artikel 80l 1 De beklagmeerdere hoort de commandant, de getuigen en de deskundigen indien zij zijn opgeroepen. 2 Hij stelt de gestrafte en de vertrouwensman in de gelegenheid de commandant, de getuigen en de deskundigen, door zijn tussenkomst, vragen te stellen. 3 Hij stelt de vertrouwensman in de gelegenheid het woord te voeren. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 80m — Artikel 80m#
Artikel 80m De gestrafte wordt voor de sluiting van het onderzoek op beklag in de gelegenheid gesteld het laatste woord te voeren. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 80n — Artikel 80n#
Artikel 80n paragraaf 5 van Titel I van dit hoofdstuk Ten aanzien van de bewijsmiddelen zijn de bepalingen vanvan toepassing. Als bewijsmiddel wordt tevens erkend de eigen waarneming door de beklagmeerdere tijdens het onderzoek op beklag. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 80o — Artikel 80o#
Artikel 80o 1 artikel 80n Na sluiting van het onderzoek beraadt de beklagmeerdere zich of hij door de inhoud van de inbedoelde bewijsmiddelen de overtuiging heeft gekregen dat een in de beschuldiging omschreven gedraging van de gestrafte heeft plaatsgevonden en of zulks een schending van een gedragsregel oplevert. 2 artikel 80a, derde lid Met betrekking tot een beklag als bedoeld in, wordt door de beklagmeerdere aan de hand van de door de commandant opgegeven motivering beoordeeld of de wijze van de tenuitvoerlegging als passend kan worden beschouwd. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 80p — Artikel 80p#
Artikel 80p 1 Na het sluiten van het onderzoek op beklag beslist de beklagmeerdere uiterlijk op de eerstvolgende werkdag. 2 De beslissing van de beklagmeerdere luidt: a. bevestiging van de bestreden beslissing, zo nodig met verbetering of aanvulling; b. bevestiging van de bestreden schuldigverklaring, zonodig met verbetering of aanvulling, met vermindering van de strafmaat binnen de opgelegde strafsoort; c. bevestiging van de bestreden schuldigverklaring, zonodig met verbetering of aanvulling, met wijziging van de opgelegde straf in de straf van berisping; d. bevestiging van de bestreden schuldigverklaring, zonodig met verbetering of aanvulling, met tenietdoening van de straf; e. vrijspraak; f. artikel 81, eerste lid bevestiging van de bestreden schuldigverklaring, zonodig met verbetering of aanvulling, met verklaring dat ten onrechte geen straf is opgelegd of dat de opgelegde straf ontoereikend is en verwijzing naar het in, bedoelde gerecht. 3 artikel 80a, derde lid Indien een beklag is gedaan als bedoeld in, verklaart de beklagmeerdere dit beklag bij gemotiveerde schriftelijke beslissing geheel of gedeeltelijk gegrond of ongegrond. Indien een beklag geheel of gedeeltelijk gegrond is verklaard, bepaalt de beklagmeerdere, volgens bij of krachtens algemene maatregel van Rijksbestuur te stellen regelen, op welke wijze het door de gestrafte geleden nadeel zal worden hersteld. 4 De beslissing in eerste aanleg wordt vernietigd: a. Titel I van dit hoofdstuk indien enige invoorgeschreven termijn is geschonden; b. indien enige andere vorm dan onder a bedoeld, is verzuimd en redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de gestrafte daardoor in zijn verdediging is geschaad. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 80q — Artikel 80q#
Artikel 80q 1 Artikel 77 De beslissing wordt vastgelegd in een schriftelijk stuk, de uitspraak op beklag.is van toepassing. 2 De uitspraak op beklag wordt door de beklagmeerdere onverwijld aan de commandant toegezonden. Door of namens de commandant wordt onverwijld een afschrift van de uitspraak op beklag uitgereikt aan de gestrafte. De datum van uitreiking wordt aangetekend op de uitspraak en op het uitgereikte afschrift. 3 Indien de uitspraak op beklag een verwijzing inhoudt wordt daarvan bij de uitreiking aan de gestrafte mededeling gedaan. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 80r — Artikel 80r#
Artikel 80r 1 artikelen 80d, eerste lid 80p, tweede of derde lid De beklagprocedure eindigt met een beslissing als bedoeld in de, of. 2 De beklagprocedure eindigt van rechtswege en de beslissing waartegen beklag is gedaan, is van rechtswege vernietigd: Het feit dat de beklagprocedure van rechtswege is geëindigd, wordt vastgelegd in een schriftelijk stuk dat aan de gestrafte wordt uitgereikt. a. artikel 80g indien er binnen de ingevolgevoorgeschreven termijn geen onderzoek op beklag is aangevangen; b. artikel 80p, tweede of derde lid indien er 30 dagen zijn verlopen nadat het onderzoek op beklag is aangevangen en er geen beslissing als bedoeld in, is genomen. 3 Artikel 50, tweede lid , is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de beklagmeerdere is belast met de uitvoering. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 80s — Artikel 80s#
Artikel 80s 1 artikel 80p, tweede lid, onder f Nadat aan de gestrafte een afschrift van de uitspraak op beklag als bedoeld in, is uitgereikt, zendt de commandant de uitspraak op beklag onverwijld naar het gerecht. 2 paragraaf 2 van Titel II Bij de behandeling en afdoening van het beklag na verwijzing zijn de bepalingen vanvan overeenkomstige toepassing. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 80t — Artikel 80t#
Artikel 80t Indien de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf is opgeschort of geschorst, wordt, als de beslissing van de beklagmeerdere daartoe aanleiding geeft, de straf of het resterende deel van de straf zo spoedig mogelijk ten uitvoer gelegd. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 81 — Artikel 81#
Artikel 81 1 Wet militaire strafrechtspraak De gestrafte kan beroep instellen bij het gerecht, dat ingevolge de bepalingen van debevoegd zou zijn geweest, indien de desbetreffende gedraging een misdrijf zou hebben opgeleverd. Dit beroep wordt ingesteld binnen vijf dagen na de uitreiking: a. artikel 80d, eerste lid van een schriftelijk stuk als bedoeld in; b. van een afschrift van een uitspraak op beklag. 2 Artikel 80a, tweede lid , is van overeenkomstige toepassing. 3 artikel 80a, eerste lid De beklagmeerdere kan binnen vijf dagen na verloop van de termijn bedoeld in, en er geen beklag is gedaan, bij het in het eerste lid bedoelde gerecht beroep instellen op de grond dat naar zijn oordeel ten onrechte geen straf is opgelegd of de opgelegde straf ontoereikend is. 4 het derde lid van artikel 80a Indien de beklagmeerdere een oordeel heeft gegeven over de wijze van tenuitvoerlegging als bedoeld in, kan in beroep eveneens de wijze van tenuitvoerlegging van de straf van strafdienst of van uitgaansverbod aan het oordeel van het gerecht worden onderworpen. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 82 — Artikel 82#
Artikel 82 1 Het beroep wordt ingesteld bij beroepschrift, dat bij de commandant moet worden ingediend. 2 De commandant zendt het beroepschrift onverwijld naar het gerecht. De commandant en de beklagmeerdere voegen daarbij alle op de zaak betrekking hebbende stukken met opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan zij tot de overtuiging zijn gekomen dat een in de beschuldiging omschreven gedraging heeft plaatsgevonden. 3 Indien het beroep is ingesteld door de beklagmeerdere, doet de commandant daarvan mededeling aan degene op wie de uitspraak betrekking heeft. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 83 — Artikel 83#
Artikel 83 Als dag van indiening geldt de dag van ontvangst van het beroepschrift door of namens de commandant. De dag van ontvangst wordt terstond op het beroepschrift aangetekend. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 84 — Artikel 84#
Artikel 84 Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Een beslissing ter zake is gemotiveerd. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 85 — Artikel 85#
Artikel 85 artikel 87 Zodra het beroepschrift is ingediend, kan de voorzitter van de militaire kamer, bedoeld in, de tenuitvoerlegging van een straf van strafdienst of van uitgaansverbod opschorten of schorsen. Hiervan wordt aantekening gesteld op het beroepschrift. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 86 — Artikel 86#
Artikel 86 De griffier van het gerecht stelt zo spoedig mogelijk afschriften van het beroepschrift en van de op de zaak betrekking hebbende stukken ter beschikking van het openbaar ministerie. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 87 — Artikel 87#
Artikel 87 1 artikel 81 Het beroep wordt zo spoedig mogelijk behandeld door een meervoudige militaire kamer bij het inbedoelde gerecht. 2 De voorzitter van de militaire kamer bepaalt op welke dag het beroep wordt behandeld. 3 Artikel 17, elfde lid, van de Wet militaire strafrechtspraak is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de uitvoering van de overdracht geschiedt door de griffier. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 88 — Artikel 88#
Artikel 88 1 De oproeping van de gestrafte geschiedt door de griffier. 2 De termijn van oproeping is tenminste zes dagen. Op verzoek van de gestrafte kan deze termijn worden verkort. 3 Indien de gestrafte niet verschijnt en het gerecht zijn aanwezigheid in persoon noodzakelijk acht, stelt het de behandeling voor bepaalde tijd uit en gelast de oproeping van de gestrafte. 4 Indien de gestrafte wederom niet verschijnt, kan het gerecht het beroep vervallen verklaren. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 89 — Artikel 89#
Artikel 89 1 Indien beroep is ingesteld door de beklagmeerdere worden deze en degene op wie de uitspraak betrekking heeft, door de griffier opgeroepen. De termijn van oproeping is tenminste zes dagen. 2 Indien de beklagmeerdere niet verschijnt en het gerecht zijn aanwezigheid in persoon noodzakelijk acht, stelt het de behandeling voor bepaalde tijd uit en gelast zijn oproeping. 3 Indien de beklagmeerdere wederom niet verschijnt, kan het gerecht het beroep vervallen verklaren. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 90 — Artikel 90#
Artikel 90 1 Artikel 65, tweede lid De voorzitter bepaalt welke getuigen en deskundigen zullen worden opgeroepen., is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat het verzoek tenminste drie dagen voor de behandeling dient te zijn binnengekomen. 2 De oproepingen geschieden door de griffier. 3 Getuigen en deskundigen zijn verplicht te verschijnen. 4 artikel 290, vierde lid artikel 51m, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering Voor getuigen is, en voor deskundigen isvan overeenkomstige toepassing. 5 Artikel 65, vierde en vijfde lid , is van toepassing. 2013 25 24-01-2013 13-12-2012 33429 2013 51 15-02-2013 08-02-2013 01-07-2013
Artikel 91 — Artikel 91#
Artikel 91 Het openbaar ministerie kan desgewenst bij de behandeling van het beroep zijn oordeel over de zaak kenbaar maken aan de militaire kamer. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 92 — Artikel 92#
Artikel 92 1 De gestrafte kan zich bij de behandeling van zijn beroep doen bijstaan door een vertrouwensman. 2 artikelen 57 58 59, eerste lid 60 De,,, enzijn van overeenkomstige toepassing. 3 Als vertrouwensman kan ook een advocaat optreden. 4 De voorzitter kan de gestrafte een advocaat als vertrouwensman toevoegen. Een daartoe strekkend verzoek dient tenminste drie dagen voor de behandeling van het beroep bij het gerecht te zijn binnengekomen. 5 Het bepaalde in de vorige leden wordt de gestrafte bij de oproeping medegedeeld. 6 De overeenkomstig het vierde lid toegevoegde advocaat ontvangt een beloning en vergoeding van door hem gemaakte onkosten volgens regelen te stellen bij algemene maatregel van Rijksbestuur. 7 De voorgaande bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op degene op wie de uitspraak betrekking heeft, indien het beroep is ingesteld door de beklagmeerdere. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 93 — Artikel 93#
Artikel 93 1 De behandeling van het beroep geschiedt ter openbare terechtzitting. De voorzitter heeft de leiding van de behandeling. Hij kan op verzoek van de gestrafte, de commandant of de beklagmeerdere, of om redenen aan de openbare orde ontleend gelasten dat de behandeling achter gesloten deuren plaatsvindt. 2 artikelen 62 67-69 74 75 De,,enzijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor commandant gelezen wordt militaire kamer. 3 artikel 80n Ten aanzien van de bewijsmiddelen isvan toepassing. Als bewijsmiddel wordt tevens erkend de eigen waarneming door de militaire kamer tijdens het onderzoek. 4 Na sluiting van het onderzoek beraadt de militaire kamer zich of zij door de inhoud van de in het derde lid genoemde bewijsmiddelen de overtuiging heeft gekregen dat een in de beschuldiging omschreven gedraging van de gestrafte heeft plaatsgevonden en, in bevestigend geval, of zulks de schending van een gedragsregel oplevert. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 94 — Artikel 94#
Artikel 94 1 De militaire kamer kan een verhoor schriftelijk doen geschieden dan wel de ondervraging opdragen aan een van haar leden of aan een opsporingsambtenaar. 2 Het lid van de militaire kamer beëdigt, indien er naar zijn oordeel een gegrond vermoeden bestaat dat de getuige niet op de terechtzitting zal kunnen verschijnen, de getuige dat hij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen. 3 De deskundige wordt door het lid van de militaire kamer beëdigd dat hij zijn taak naar zijn geweten zal vervullen. 4. Van de reden van de beëdiging als bedoeld in het tweede lid wordt in het proces-verbaal melding gemaakt. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 95 — Artikel 95#
Artikel 95 1 Het gerecht beslist uiterlijk 14 dagen na afloop van de behandeling van het beroep in een schriftelijke, met redenen omklede uitspraak. 2 De voorlezing van de uitspraak in beroep geschiedt in het openbaar en de uitspraak wordt de gestrafte in persoon betekend. 3 Een afschrift van de uitspraak wordt toegezonden aan de commandant, de beklagmeerdere, en aan Onze Minister van Defensie. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 96 — Artikel 96#
Artikel 96 1 Het gerecht verklaart zich onbevoegd van het beroep kennis te nemen, verklaart het beroep niet ontvankelijk, of bevestigt de beslissing waartegen beroep is ingesteld, zonodig met verbetering of aanvulling daarvan, of doet de zaak af met gehele of gedeeltelijke vernietiging van die beslissing. 2 artikel 81, vierde lid Indien een beroep is ingesteld als bedoeld in, verklaart het gerecht bij gemotiveerde beslissing dit beroep geheel of gedeeltelijk gegrond of ongegrond. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 97 — Artikel 97#
Artikel 97 De beslissing waartegen beroep is ingesteld wordt vernietigd: a. Titels I IA van dit hoofdstuk Indien enige in deofvoorgeschreven termijn is geschonden; b. a indien enige andere vorm dan onderbedoeld, is verzuimd en redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de gestrafte daardoor in zijn verdediging is geschaad. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 98 — Artikel 98#
Artikel 98 artikel 81, vierde lid Indien bij de beslissing in beroep een reeds geheel of gedeeltelijk tenuitvoergelegde straf van strafdienst of van uitgaansverbod wordt tenietgedaan of verminderd, of een beroep als bedoeld in, geheel of gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, bepaalt het gerecht, volgens bij of krachtens algemene maatregel van Rijksbestuur te stellen regelen, op welke wijze het door de gestrafte geleden nadeel zal worden hersteld. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 99 — Artikel 99#
Artikel 99 Indien de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf is opgeschort of geschorst, wordt, als de beslissing van het gerecht daartoe aanleiding geeft, de straf of het resterende deel van de straf zo spoedig mogelijk ten uitvoer gelegd. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 100 — Artikel 100#
Artikel 100 Tegen de beslissing in beroep staat geen verdere voorziening open, onverminderd de bevoegdheid van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad om zich in het belang der wet in cassatie te voorzien. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 101 — Artikel 101#
Artikel 101 Indien het beroep is ingesteld bij een mobiele rechtbank, is het bepaalde in deze paragraaf omtrent de militaire kamer van overeenkomstige toepassing. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 102 — Artikel 102#
Artikel 102 1 Artikel 128 van het Wetboek van Strafvordering In geval van ontdekking op heterdaad is, indien bijzondere omstandigheden dat onverwijld vorderen, iedere meerdere bevoegd degene die wordt verdacht van de schending van een gedragsregel aan te houden en hem naar een plaats van verhoor te geleiden.is van overeenkomstige toepassing. 2 De meerdere is bevoegd van iedere mindere te vorderen hem bij de geleiding bijstand te verlenen. 3 Indien de meerdere de plaats van aanhouding niet terstond kan verlaten, is hij bevoegd van iedere mindere te vorderen voor de geleiding zorg te dragen. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 103 — Artikel 103#
Artikel 103 1 artikel 30 31 De commandant is bevoegd een geschrift als bedoeld inof, dan wel een ander voorwerp waarvan hij redelijkerwijs mag aannemen dat het tot bewijs kan dienen van de schending van een gedragsregel, in te nemen of te doen innemen. 2 Indien de commandant niet aanwezig is en zijn optreden niet kan worden afgewacht, dan wel indien de dader van de schending van een gedragsregel onbekend is, komt de in het vorige lid genoemde bevoegdheid mede toe aan door Onze Minister van Defensie aangewezen functionarissen. 3 Het in het eerste lid bedoelde geschrift of voorwerp wordt zo spoedig mogelijk ter beschikking gesteld van de rechthebbende, doch in elk geval: a. zodra de commandant beslist geen beschuldiging uit te reiken; b. artikel 53, eerste, tweede of vijfde lid zodra blijkt dat geen beschuldiging kan worden uitgereikt op grond van het bepaalde in; c. tien dagen na de uitreiking van de uitspraak in eerste aanleg, indien geen beklag is gedaan of beroep is ingesteld; d. artikel 80p, tweede lid, onder f vijf dagen na de uitreiking van een uitspraak op beklag die geen verwijzing inhoudt als bedoeld in, indien geen beroep is ingesteld; e. zodra het tuchtproces op een andere wijze eindigt; f. bij de uitspraak in beroep. 4 artikel 78 Wetboek van Strafvordering Indien toepassing is gegeven aanwordt, in afwijking van het gestelde in het derde lid, het geschrift of voorwerp ter beschikking gesteld van de opsporingsambtenaar. Deze terbeschikkingstelling geldt als een inbeslagneming door een opsporingsambtenaar als bedoeld in het. 5 Het in het eerste lid bedoelde geschrift of voorwerp wordt op de wijze te bepalen bij algemene maatregel van Rijksbestuur gedurende zes maanden ter beschikking gehouden van de rechthebbende. Is teruggave alsdan niet mogelijk gebleken dan wordt het geschrift of voorwerp vernietigd. 2013 25 24-01-2013 13-12-2012 33429 2013 51 15-02-2013 08-02-2013 01-07-2013
Artikel 104 — Artikel 104#
Artikel 104 1 artikel 103 artikel 87 Over de inneming van een geschrift of voorwerp als bedoeld inkan de rechthebbende zich binnen 5 dagen schriftelijk beklagen bij de voorzitter van de militaire kamer als bedoeld in. 2 artikelen 82 83 84 Met betrekking tot de wijze van indiening van het klaagschrift zijn de,envan overeenkomstige toepassing. 3 De voorzitter van de militaire kamer geeft zo spoedig mogelijk een met redenen omklede beschikking, nadat de klager in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. 4 artikel 103, derde lid Acht de voorzitter van de militaire kamer het beklag gegrond, dan gelast hij dat het geschrift of voorwerp zo spoedig mogelijk ter beschikking wordt gesteld van de rechthebbende, indien dat nog niet is geschied op grond van het bepaalde in. 5 Een afschrift van de beschikking wordt uitgereikt aan de klager en aan degene die het geschrift of voorwerp heeft ingenomen of doen innemen. 6 Tegen de beschikking staat geen verdere voorziening open. 1999 343 12-08-1999 02-06-1999 25454 1999 496 30-11-1999 26-11-1999 01-01-2000
Artikel 105 — Artikel 105#
Artikel 105 hoofdstuk III artikel 65 van het Wetboek van Militair Strafrecht Onverminderd de bepalingen van het Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen, van 12 augustus 1949, is deze rijkswet, met uitzondering van, van overeenkomstige toepassing op krijgsgevangenen en andere geïnterneerde personen die ingevolgegedeeltelijk met Nederlandse militairen zijn gelijkgesteld, met dien verstande dat: a. artikel 89, eerste lid de straffen, omschreven in, van vorengenoemd verdrag, worden geacht te zijn voorzien in deze rijkswet; b. artikel 89, eerste lid, onder 1 artikelen 44-46 van deze rijkswet met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de straf, omschreven invan vorengenoemd verdrag, devan overeenkomstige toepassing zijn; c. artikel 89, eerste lid, onder 4 de tenuitvoerlegging van de straf, omschreven invan vorengenoemd verdrag, geschiedt volgens regelen te stellen bij algemene maatregel van Rijksbestuur; d. artikel 93, tweede en derde lid artikel 78 van deze rijkswet de vergrijpen, bedoeld in, van vorengenoemd verdrag, worden geacht in te houden schendingen van gedragsregels van deze rijkswet, terwijl ten aanzien van die feiten het gestelde inbuiten toepassing blijft. 2013 25 24-01-2013 13-12-2012 33429 2013 51 15-02-2013 08-02-2013 01-07-2013
Artikel 106 — Artikel 106#
Artikel 106 De Wet op de Krijgstucht wordt ingetrokken, behoudens het bepaalde in de volgende artikelen. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 107 — Artikel 107#
Artikel 107 1 De op het tijdstip van inwerkingtreden van deze Rijkswet bij de ingevolge de artikelen 39-43 van de Wet op de Krijgstucht tot straffen bevoegde autoriteiten, of bij de ingevolge artikel 61 van die wet tot behandeling van een beklag bevoegde meerdere, aanhangige zaken betreffende krijgstuchtelijke vergrijpen als bedoeld in artikel 2 van die wet, worden behandeld en afgedaan op de wijze, als bepaald in die wet, door die autoriteit onderscheidenlijk meerdere. Andere straffen dan die voorzien bij deze wet kunnen niet worden opgelegd. 2 hoofdstuk V, titel II Indien op het tijdstip van inwerkingtreden van deze Rijkswet de termijn van beklag als bedoeld in artikel 62 van de Wet op de Krijgstucht, dan wel van de mogelijkheid om ingevolge artikel 67 van die wet de eindbeslissing van het Hoog Militair Gerechtshof in te roepen, nog niet is verstreken, dient dit beklag onderscheidenlijk deze inroeping te worden gedaan in de vorm van een beroep, in te stellen naar de regels, gesteld in, van deze Rijkswet, en met toepassing van die regels te worden behandeld en afgedaan. 3 artikel 81 van deze Rijkswet Zaken betreffende de inroeping van een eindbeslissing ingevolge artikel 67 van de Wet op de Krijgstucht, die op het tijdstip van inwerkingtreden van deze Rijkswet bij het Hoog Militair Gerechtshof aanhangig zijn, worden in de stand waarin zij zich bevinden overgedragen aan het gerecht dat uit hoofde vanbevoegd is het beroep inzake tuchtrechtelijke uitspraken te behandelen, en door dat gerecht behandeld en afgedaan. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 108 — Artikel 108#
Artikel 108 1 Tegen beslissingen van het Hoog Militair Gerechtshof, genomen ingevolge artikel 67 van de Wet op de Krijgstucht, die op het tijdstip van inwerkingtreden van deze Rijkswet nog niet onherroepelijk zijn geworden en waartegen nog geen beroep in cassatie is ingesteld, kan binnen 14 dagen na de uitspraak zulk beroep worden ingesteld op de wijze als voorgeschreven voor het instellen van cassatie tegen arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. 2 artikel 81 Indien de Hoge Raad een beslissing van het Hoog Militair Gerechtshof, genomen ingevolge artikel 67 van de Wet op de Krijgstucht, na het tijdstip van inwerkingtreden van deze Rijkswet in cassatie vernietigt, wordt de zaak, indien zij niet door de Hoge Raad zelf wordt afgedaan, verwezen naar het gerecht dat uit hoofde vanvan deze Rijkswet bevoegd is. 3 artikel 107, derde lid Stb. In de zaken, waarin toepassing is gegeven aan, van deze Rijkswet, voorzover deze een strafbaar feit betreffen, blijven de bepalingen van de Rijkswet van 22 februari 1979 (69) tot invoering van de rechtsmiddelen van cassatie, cassatie in het belang der wet en herziening in het militair strafprocesrecht op de beslissing van het gerecht van kracht. Het voorgaande lid is van overeenkomstige toepassing. 2020 1 13-01-2020 18-12-2019 35206 2020 89 17-03-2020 06-03-2020 01-04-2020
Artikel 109 — Artikel 109#
Artikel 109 artikel 107, eerste lid, van deze Rijkswet De krijgstuchtelijke straffen, op grond van de Wet op de Krijgstucht opgelegd voor het tijdstip van inwerkingtreden van deze Rijkswet, of met toepassing vanopgelegd, worden ten uitvoer gelegd op de wijze als bij of krachtens die wet bepaald. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 110 — Artikel 110#
Artikel 110 Algemene termijnenwet Stb. De(wet van 25 juli 1964,314) is van toepassing. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 111 — Artikel 111#
Artikel 111 Deze Rijkswet kan worden aangehaald als "Wet militair tuchtrecht". 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 112 — Artikel 112#
Artikel 112 Deze Rijkswet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 1990 367 14-06-1990 16813 1990 583 18-12-1990 30-11-1990 01-01-1991