Rijkswet van 20 juni 2002 tot uitvoering van het Statuut van het Internationaal Strafhof met betrekking tot de samenwerking met en bijstand aan het Internationaal Strafhof en de tenuitvoerlegging van zijn vonnissen (Uitvoeringswet Internationaal Strafhof)
- BWB-id
- BWBR0013796
- Type
- rijkswet
- Ministerie
- Veiligheid en Justitie
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2020-04-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0013796
- ELI
- /eli/nl/rijkswet/2002/uitvoeringswet-internationaal-strafhof
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/rijkswet/2002/uitvoeringswet-internationaal-strafhof/2020-04-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0013796&g=2020-04-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0013796&z=2026-06-06&g=2020-04-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0013796/2020-04-01
Absolute ELI: /eli/nl/rijkswet/2002/uitvoeringswet-internationaal-strafhof
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 Voor de toepassing van deze rijkswet wordt verstaan onder: a. Statuut: het op 17 juli 1998 te Rome tot stand gekomen Statuut van Rome inzake het Internationale Strafhof (Trb. 2000, 120); b. Strafhof: het Internationale Strafhof, opgericht bij het Statuut, respectievelijk elk van zijn organen voor de daaraan toegewezen taken; c. consultatie: overleg als bedoeld in artikel 97 van het Statuut, tussen een staat die partij is bij het Statuut, en het Strafhof; d. samenwerking: de samenwerking, bedoeld in deel 9 van het Statuut, tussen het Strafhof en de staten die partij zijn bij het Statuut; e. overlevering: de ter beschikkingstelling van een persoon door Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten aan het Strafhof ten behoeve van een bij het Strafhof tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek of de tenuitvoerlegging van een hem door het Strafhof opgelegde gevangenisstraf; f. tenuitvoerlegging: de tenuitvoerlegging van uitspraken van het Strafhof, bedoeld in deel 10 van het Statuut, met inbegrip van de toepassing van voorlopige maatregelen ten behoeve van die tenuitvoerlegging; g. bijstand: de bijstand die Nederland in zijn hoedanigheid van Gastland aan het Strafhof verleent; h. doorvoer: het begeleid vervoer over Nederlands grondgebied van personen, afkomstig van een vreemde staat en met als bestemming het Strafhof, dan wel afkomstig van het Strafhof en met als bestemming een vreemde staat; i. Onze Minister: Onze Minister van Justitie; j. Wetboek van Strafvordering Wetboek van Strafvordering : hetvan het Europese deel van het Koninkrijk. 2 In deze wet wordt mede verstaan onder: a. Nederlands grondgebied of Nederlands gebied: het grondgebied van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; b. in Nederland: in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; c. Nederlandse ambtenaren: ambtenaren van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; d. Nederlands recht: het geldende recht in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. 3 artikelen 13 tot en met 19a Onder officier van justitie, hulpofficier van justitie en opsporingsambtenaar wordt uitsluitend voor de toepassing van de, mede verstaan de officier van justitie van het openbaar ministerie bij het gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, de hulpofficier van justitie, bedoeld in artikel 191 van het Wetboek van Strafvordering BES, en de opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 184 van dat wetboek. 2010 339 01-09-2010 07-07-2010 32186 2010 388 01-10-2010 30-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking om 00:00 uur in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba en
om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk.
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Onverminderd de overige leden van dit artikel is deze rijkswet van toepassing op Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten. 2 artikel 3, eerste lid Indien het verzoek van het Strafhof inhoudt een verzoek om een handeling, te verrichten door de autoriteiten van Aruba, Curaçao of Sint Maarten, wordt het verzoek, in afwijking van, in behandeling genomen door de Minister van Justitie van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten. Deze zendt het verzoek overeenkomstig artikel 3, tweede en vierde lid, door aan de procureur-generaal van Aruba en aan de procureur-generaal voor Curaçao, voor Sint Maarten en voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. 3 hoofdstukken 2 3 4 In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, zijn, in afwijking van het bepaalde in de,envan deze wet en behoudens strijd met het Statuut, het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten alsmede het Wetboek van Strafvordering van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten van overeenkomstige toepassing. 4 Tegen een uitspraak van de bevoegde rechter van Aruba, Curaçao of Sint Maarten op of naar aanleiding van een verzoek van het Strafhof tot overlevering of tenuitvoerlegging staat geen rechtsmiddel open. 2010 339 01-09-2010 07-07-2010 32186 2010 388 01-10-2010 30-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking om 00:00 uur in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba en
om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk.
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 Een overeenkomstig het Statuut ontvangen verzoek van het Strafhof om samenwerking, om tenuitvoerlegging of om vervolging van een misdrijf, gericht tegen de rechtspleging van het Strafhof, wordt door Onze Minister in behandeling genomen. Zo het verzoek niet tot Onze Minister is gericht, wordt het door de geadresseerde onverwijld aan hem doorgezonden. 2 Tenzij Onze Minister het verzoek zelf kan afdoen dan wel van oordeel is dat eerst aanvullende informatie van het Strafhof is vereist, en behoudens het derde en vierde lid, zendt hij het verzoek onverwijld door aan de officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag. 3 artikelen 67 68 Indien het verzoek betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van een door het Strafhof opgelegde gevangenisstraf, handelt Onze Minister daarmee overeenkomstig deen. 4 artikelen 72 83 Indien het verzoek betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van een bevel tot het doen van herstelbetalingen als bedoeld in artikel 75 van het Statuut, treft Onze Minister de maatregelen die naar zijn oordeel nodig zijn voor een goede uitvoering van het bevel. Indien het bevel inhoudt een verplichting voor de veroordeelde tot betaling van een som geld ten behoeve van een of meer begunstigden, zendt Onze Minister het verzoek onverwijld door aan de officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag, die daarmee handelt overeenkomstig deen. 5 Een verzoek om bijstand wordt door Onze Minister of de door deze daartoe aangewezen autoriteiten in behandeling genomen. 6 Onze Minister licht het Strafhof regelmatig in over de voortgang van de behandeling van de verzoeken. 2020 1 13-01-2020 18-12-2019 35206 2020 89 17-03-2020 06-03-2020 01-04-2020
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Tot de behandeling, voor zover aan de rechter opgedragen, van verzoeken van het Strafhof om samenwerking of tenuitvoerlegging, alsmede van enig beroep, beklag of verzet in verband daarmee, is de rechtbank Den Haag bij uitsluiting bevoegd. 2020 1 13-01-2020 18-12-2019 35206 2020 89 17-03-2020 06-03-2020 01-04-2020
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 Op verzoek van enige Nederlandse autoriteit, belast met de behandeling van een strafzaak, kan Onze Minister overeenkomstig artikel 93, tiende lid, van het Statuut, een verzoek om rechtshulp van en samenwerking met het Strafhof aan het Strafhof richten. 2 Stukken betreffende ambtshandelingen terzake van opsporing en vervolging die de autoriteiten van het Strafhof hebben opgemaakt en naar aanleiding van een verzoek overleggen, hebben de bewijskracht die toekomt aan stukken betreffende overeenkomstige, door Nederlandse ambtenaren verrichte handelingen, met dien verstande dat hun bewijskracht niet uitgaat boven die welke zij voor het Strafhof hebben. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 Politiegegevens kunnen ook zonder daartoe strekkend verzoek worden verstrekt aan het Strafhof indien dit voor de goede uitvoering van zijn taak noodzakelijk is. De verstrekking vindt plaats door tussenkomst van een of meerdere landelijke eenheden van de politie. 2012 316 16-07-2012 12-07-2012 32822 2012 317 16-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 Indien Onze Minister van oordeel is dat voor de inwilliging van een verzoek van het Strafhof om samenwerking of tenuitvoerlegging belemmeringen of hindernissen bestaan, consulteert deze onverwijld het Strafhof teneinde deze belemmeringen of hindernissen weg te nemen. 2 Belemmeringen of hindernissen als bedoeld in het eerste lid kunnen in ieder geval bestaan uit: a. onvoldoende informatie voor de inwilliging van het verzoek; b. het feit dat een op verzoek van het Strafhof aan te houden persoon ondanks uiterste inspanningen niet in Nederland wordt aangetroffen; c. het feit dat is gebleken dat een op grond van een aanhoudingsbevel op verzoek van het Strafhof aangehouden persoon niet de in het bevel genoemde persoon is; d. het feit dat inwilliging van het verzoek in zijn huidige vorm strijd zou meebrengen met een reeds eerder, voorafgaande aan het verzoek, bestaande verdragsrechtelijke verplichting jegens een andere staat; e. het feit dat inwilliging van het verzoek in zijn huidige vorm zou leiden tot schending van het beginsel van ne bis in idem, bedoeld in artikel 20 van het Statuut; f. het feit dat tegen de opgeëiste persoon wegens dezelfde gedragingen een vervolging in Nederland gaande of in voorbereiding is; g. het feit dat de onmiddellijke inwilliging van het verzoek van het Strafhof een onderzoek of vervolging in een andere zaak dan die waarop het verzoek betrekking heeft, zou belemmeren; h. het feit dat de inwilliging van het verzoek de nationale veiligheidsbelangen van Nederland als bedoeld in artikel 72 van het Statuut zou schaden; i. artikel 25, eerste lid het geval, bedoeld in. 3 Indien de officier van justitie, belast met de uitvoering van een verzoek van het Strafhof, belemmeringen of hindernissen als bedoeld in dit artikel signaleert, stelt hij Onze Minister hiervan onverwijld in kennis. 4 Onze Minister verzoekt het Strafhof om binnen een in overleg vast te stellen redelijke termijn te reageren. Op verzoek van het Strafhof kan deze termijn worden verlengd. 5 Voor de duur van de termijn, bedoeld in het vierde lid, wordt de behandeling van een verzoek om overlevering van een persoon dan wel om tenuitvoerlegging van een uitspraak van het Strafhof opgeschort. De behandeling van een verzoek om enigerlei andere vorm van samenwerking kan door Onze Minister, onderscheidenlijk door de officier van justitie, na overleg met Onze Minister, worden opgeschort. 6 Indien Onze Minister of de door deze aangewezen autoriteiten van oordeel zijn dat een verzoek om bijstand van het Gastland niet kan worden ingewilligd, pleegt hij onverwijld en met inachtneming van de zetelovereenkomst, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Statuut, en de daarop gebaseerde regelingen en overeenkomsten overleg met het Strafhof teneinde de zaak op te lossen. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 Indien en zolang het Strafhof een betwisting van de ontvankelijkheid van een zaak of de rechtsmacht van het Strafhof ingevolge artikel 18 of 19 van het Statuut onderzoekt, wordt de behandeling van een op die zaak betrekking hebbend verzoek om overlevering van een persoon opgeschort. 2 In het geval, bedoeld in het eerste lid, kan de behandeling van een verzoek om enigerlei andere vorm van samenwerking door Onze Minister, onderscheidenlijk door de officier van justitie, na overleg met Onze Minister, worden opgeschort, tenzij het Strafhof heeft bepaald dat de Aanklager kan voortgaan met het vergaren van het bewijs ingevolge het genoemde artikel 18 of 19. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 artikelen 36b tot en met 36i 36n van het Wetboek van Strafvordering Op betekeningen, kennisgevingen en oproepingen, gedaan krachtens deze wet, zijn de, envan overeenkomstige toepassing. 2020 1 13-01-2020 18-12-2019 35206 2020 89 17-03-2020 06-03-2020 01-04-2020
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Voor zover in deze wet niet anders is bepaald, is zij mede van toepassing op een verzoek van het Strafhof om samenwerking of om tenuitvoerlegging terzake van een misdrijf, gericht tegen de rechtspleging van het Strafhof, als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van het Statuut. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 dit hoofdstuk Op verzoek van het Strafhof en met inachtneming van de bepalingen vanworden personen aan het Strafhof overgeleverd: a. ter vervolging en berechting terzake van strafbare feiten, tot kennisneming waarvan het Strafhof ingevolge het Statuut bevoegd is; b. ter tenuitvoerlegging van een door het Strafhof opgelegde gevangenisstraf. 2 Uitleveringswet Deis niet van toepassing. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 Overlevering wordt niet toegestaan dan onder de algemene voorwaarde dat de opgeëiste persoon alleen met uitdrukkelijke toestemming van Onze Minister zal worden vervolgd, gestraft of op enige andere wijze in zijn persoonlijke vrijheid beperkt terzake van feiten die voor het tijdstip van zijn overlevering zijn begaan en waarvoor hij niet is overgeleverd. 2 Overlevering wordt niet toegestaan dan onder de algemene voorwaarde dat de opgeëiste persoon alleen met uitdrukkelijke toestemming van Onze Minister door het Strafhof ter beschikking zal worden gesteld aan de autoriteiten van een derde staat terzake van feiten die voor het tijdstip van zijn overlevering zijn begaan. De toestemming kan worden gegeven ten aanzien van strafbare feiten waarvoor de opgeëiste persoon ook door Nederland aan de derde staat had kunnen worden uitgeleverd. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 Op verzoek van het Strafhof kan een persoon voorlopig worden aangehouden. 2 Iedere officier van justitie of hulpofficier is bevoegd de voorlopige aanhouding te bevelen. 3 Kan het optreden van de officier van justitie of de hulpofficier niet worden afgewacht, dan is elke opsporingsambtenaar bevoegd de persoon aan te houden. 4 De aangehouden persoon wordt zo spoedig mogelijk voorgeleid voor de officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag. 5 Indien de opgeëiste persoon zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt, blijft het vierde lid buiten toepassing. De aangehouden persoon die zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt wordt zo spoedig mogelijk voorgeleid voor de officier van justitie van het openbaar ministerie van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. 2020 1 13-01-2020 18-12-2019 35206 2020 89 17-03-2020 06-03-2020 01-04-2020
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 Na de opgeëiste persoon, met inachtneming van de artikelen 55, tweede lid, en 59, tweede lid, van het Statuut, te hebben gehoord, kan de officier van justitie bevelen dat de opgeëiste persoon gedurende drie dagen, te rekenen vanaf het tijdstip van de voorlopige aanhouding, in verzekering gesteld zal blijven. 2 Indien de opgeëiste persoon zich bevindt in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, wordt het bevel door de officier van justitie van het openbaar ministerie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, bedoeld in het eerste lid, gegeven in overleg met de officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag. Met het oog op de toepassing van het derde lid kan de termijn van inverzekeringstelling éénmaal met drie dagen worden verlengd. 3 Indien een opgeëiste persoon in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba overeenkomstig deze paragraaf in verzekering is gesteld, wordt hij binnen de termijnen van het eerste lid en tweede lid overgedragen aan de officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag. 4 Het derde lid kan buiten toepassing blijven indien de opgeëiste persoon tegenover de officier van justitie die hem hoort, heeft verklaard in te stemmen met zijn onmiddellijke overlevering, de officier van justitie heeft beslist dat de persoon ter beschikking zal worden gesteld van het Strafhof en de feitelijke overlevering kan plaatsvinden binnen de termijnen van het eerste lid en tweede lid. 2020 1 13-01-2020 18-12-2019 35206 2020 89 17-03-2020 06-03-2020 01-04-2020
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 De rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken, kan op vordering van de officier van justitie de bewaring van de opgeëiste persoon bevelen. 2 Alvorens een bevel ingevolge het eerste lid te geven hoort de rechter-commissaris zo mogelijk de opgeëiste persoon. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 Ambtshalve, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de opgeëiste persoon of diens raadsman kan de rechter-commissaris bevelen dat de vrijheidsbeneming krachtens de bepalingen van deze paragraaf wegens dringende en uitzonderlijke omstandigheden wordt beëindigd of voorwaardelijk wordt opgeschort of geschorst. De te stellen voorwaarden strekken in ieder geval ter voorkoming van vlucht. 2 De rechter-commissaris gaat niet over tot het bevel, bedoeld in het eerste lid, dan nadat het Strafhof, daartoe door tussenkomst van Onze Minister geconsulteerd, binnen een door Onze Minister te stellen termijn, aanbevelingen ingevolge artikel 59, vijfde lid, van het Statuut heeft gegeven. 3 artikel 32 De opschorting of schorsing eindigt van rechtswege zodra de officier van justitie overeenkomstigin kennis is gesteld van de beslissing van Onze Minister waarbij de overlevering is toegestaan. 4 artikelen 80, eerste en derde tot en met vijfde lid 81 tot en met 88 artikel 86, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering Op bevelen tot voorwaardelijke opschorting en schorsing, krachtens het eerste lid gegeven, zijn de, en, met uitzondering vanvan overeenkomstige toepassing. 5 De rechter-commissaris kan ambtshalve, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de opgeëiste persoon of diens raadsman het bevel tot bewaring opheffen indien binnen zestig dagen na de dag van de voorlopige aanhouding van het Strafhof geen verzoek tot overlevering, met de daarbij behorende stukken, is ontvangen. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 artikelen 13 tot en met 16 Van elke beslissing, genomen krachtens een van de, geeft de officier van justitie onverwijld kennis aan Onze Minister. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 De officier van justitie die van Onze Minister het verzoek tot overlevering heeft ontvangen, is bevoegd de aanhouding te bevelen, welk bevel in het gehele land ten uitvoer kan worden gelegd. 2 De persoon wordt na zijn aanhouding binnen vierentwintig uren voor de officier van justitie geleid. Na de opgeëiste persoon, met inachtneming van de artikelen 55, tweede lid, en 59, tweede lid, van het Statuut, te hebben gehoord, kan de officier van justitie bevelen dat de opgeëiste persoon in verzekering gesteld zal blijven tot het tijdstip waarop de rechtbank over zijn gevangenhouding beslist. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 artikel 14 artikel 15, eerste lid Wanneer de opgeëiste persoon, op de dag waarop de officier van justitie het verzoek tot overlevering ontvangt, reeds krachtensin verzekering is gesteld, kan de vrijheidsbeneming, in afwijking van, op bevel van de officier van justitie worden voortgezet tot het tijdstip waarop de rechtbank over de gevangenhouding beslist. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 19a — Artikel 19a#
Artikel 19a 1 Nadat de opgeëiste persoon, met inachtneming van de artikelen 55, tweede lid en 59, tweede lid, van het Statuut, is gehoord, kan de officier van justitie bij het parket in eerste aanleg van de openbare lichamen bevelen dat de opgeëiste persoon gedurende drie dagen, te rekenen vanaf het tijdstip van voorlopige aanhouding, in verzekering gesteld zal blijven. Hij overlegt daartoe met de officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag. 2 artikel 14 Indien de opgeëiste persoon op de dag waarop de officier van justitie het verzoek tot uitlevering ontvangt reeds krachtensin de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verzekering is gesteld, kan de vrijheidsbeneming – met afwijking van artikel 14 – uitsluitend op bevel van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag worden voortgezet tot het tijdstip waarop de rechtbank over de gevangenhouding beslist. 3 Indien de opgeëiste persoon in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verzekering is gesteld, wordt hij binnen de termijnen van het eerste lid overgedragen aan de officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag. 4 artikel 14 Het derde lid kan buiten toepassing blijven indien de opgeëiste persoon tegenover de officier van justitie die hem hoort, heeft verklaard in te stemmen met zijn onmiddellijke overlevering, de officier van justitie heeft beslist dat de persoon ter beschikking zal worden gesteld van het Strafhof en de feitelijke overlevering kan plaatsvinden binnen de termijn van. 5 Nadat de opgeëiste persoon is gehoord, kan de officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag in overleg met de officier van justitie bij het gerecht in eerste aanleg van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevelen dat de vrijheidsbeneming wordt voortgezet tot het tijdstip waarop de rechtbank over zijn gevangenhouding beslist. 2020 1 13-01-2020 18-12-2019 35206 2020 89 17-03-2020 06-03-2020 01-04-2020
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 Ambtshalve, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de opgeëiste persoon of diens raadsman kan de rechter-commissaris bevelen dat de vrijheidsbeneming krachtens de bepalingen van deze paragraaf wegens dringende en uitzonderlijke omstandigheden wordt beëindigd of voorwaardelijk wordt opgeschort of geschorst. De te stellen voorwaarden strekken in ieder geval ter voorkoming van vlucht. 2 Artikel 16, tweede tot en met vijfde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 Nadat hij het verzoek tot overlevering heeft ontvangen, vordert de officier van justitie zo spoedig mogelijk dat de rechtbank het verzoek in behandeling zal nemen. Hij legt daarbij de stukken aan de rechtbank over. 2 Een afschrift van de krachtens het eerste lid vereiste vordering wordt aan de opgeëiste persoon betekend. Daarbij wordt hem mededelinggedaan van de feiten waarvoor zijn overlevering is gevraagd, met vermelding van de tijden en de plaatsen waarop deze zijn begaan, een en ander zoals bij het verzoek tot overlevering omschreven, alsmede van het feit dat het een verzoek tot overlevering aan het Strafhof betreft. De eerste en de tweede volzin gelden eveneens in het geval dat de officier van justitie naar aanleiding van een naderhand ontvangen verzoek zijn vordering heeft aangevuld of gewijzigd. Van de ontvangst van aanvullende stukken, die in het dossier worden gevoegd, wordt de opgeëiste persoon mededeling gedaan. 3 artikel 32 van het Wetboek van Strafvordering Nadat de stukken aan de rechtbank zijn overgelegd, mag de kennisneming daarvan aan de opgeëiste persoon en diens raadsman niet worden onthouden. Het bepaalde bij en krachtensis van overeenkomstige toepassing. 2011 601 22-12-2011 01-12-2011 32468 2012 408 19-09-2012 13-09-2012 01-01-2013
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 artikel 21 Dadelijk na de ontvangst van de inbedoelde vordering bepaalt de voorzitter van de rechtbank, zo veel mogelijk bij voorrang, het tijdstip waarop de opgeëiste persoon door de rechtbank zal worden gehoord. Hij kan daarbij diens medebrenging bevelen. 2 De griffier van de rechtbank doet onverwijld aan de officier van justitie en aan de opgeëiste persoon mededeling van het voor het verhoor bepaalde tijdstip. Die mededeling en, zo een bevel tot medebrenging is gegeven, een afschrift van dat bevel worden aan de opgeëiste persoon betekend. 3 Indien niet blijkt dat de opgeëiste persoon reeds een raadsman heeft, geeft de voorzitter aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand last tot aanwijzing van een raadsman. 2020 1 13-01-2020 18-12-2019 35206 2020 89 17-03-2020 06-03-2020 01-04-2020
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 Het verhoor van de opgeëiste persoon geschiedt in het openbaar, tenzij deze een behandeling van de zaak met gesloten deuren verlangt of de rechtbank op de vordering van de officier van justitie of ambtshalve om gewichtige, in het proces-verbaal der zitting te vermelden redenen sluiting der deuren beveelt. 2 Het verhoor heeft plaats in tegenwoordigheid van de officier van justitie. 3 Bij zijn verhoor kan de opgeëiste persoon zich door zijn raadsman doen bijstaan. 4 Is de opgeëiste persoon niet verschenen en acht de rechtbank zijn aanwezigheid bij het verhoor wenselijk, dan gelast de rechtbank tegen een door haar te bepalen tijdstip zijn dagvaarding, zo nodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 1 De rechtbank onderzoekt de identiteit van de opgeëiste persoon, alsmede de ontvankelijkheid van het verzoek tot overlevering en de mogelijkheid van inwilliging daarvan. 2 De officier van justitie geeft ter zitting van de rechtbank zijn opvatting over de toelaatbaarheid van de verzochte overlevering en legt een schriftelijke samenvatting daaromtrent aan de rechtbank over. De opgeëiste persoon en diens raadsman worden eveneens in de gelegenheid gesteld tot het maken van terzake dienende opmerkingen omtrent het verzoek tot overlevering en de in verband daarmede te nemen beslissingen. 3 Indien de rechtbank zulks met het oog op het door haar krachtens het eerste lid in te stellen onderzoek noodzakelijk acht, gelast zij, zo nodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, tegen een door haar te bepalen tijdstip de dagvaarding of schriftelijke oproeping van getuigen of deskundigen. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 De rechtbank schorst het onderzoek met het oog op consultatie van het Strafhof, indien naar het voorlopig oordeel van de rechtbank de aan haar voorgeleide persoon niet degene is wiens overlevering is gevraagd. 2 Omtrent het besluit en de overwegingen van de rechtbank licht de officier van justitie Onze Minister in. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 Op de vordering van de officier van justitie kan de rechtbank ter zitting de gevangenneming van de opgeëiste persoon bevelen. 2 Voordat het onderzoek ter zitting wordt gesloten, beslist de rechtbank ambtshalve omtrent de gevangenhouding van de opgeëiste persoon, zo deze in bewaring of in verzekering is gesteld. 3 Ambtshalve, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de opgeëiste persoon of diens raadsman kan de rechtbank bevelen dat de vrijheidsbeneming krachtens de bepalingen van deze paragraaf wegens dringende en uitzonderlijke omstandigheden wordt beëindigd of voorwaardelijk wordt opgeschort of geschorst. De te stellen voorwaarden strekken in ieder geval ter voorkoming van vlucht. 4 Artikel 16, tweede tot en met vijfde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 1 Zo spoedig mogelijk na de sluiting van het onderzoek ter zitting doet de rechtbank uitspraak omtrent het verzoek tot overlevering. De uitspraak wordt met redenen omkleed. 2 artikel 25, eerste lid Indien de rechtbank bevindt dat zich het geval, bedoeld in, voordoet, verklaart zij bij haar uitspraak de overlevering ontoelaatbaar. 3 In alle andere gevallen verklaart de rechtbank bij haar uitspraak de overlevering toelaatbaar. 4 Tegen de uitspraak staat geen rechtsmiddel open. De uitspraak is dadelijk uitvoerbaar. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 1 Indien de opgeëiste persoon niet bij de voorlezing van de uitspraak van de rechtbank aanwezig is, wordt de uitspraak aan hem betekend. 2 De rechtbank zendt aan Onze Minister onverwijld een gewaarmerkt afschrift van haar uitspraak toe. Indien de overlevering toelaatbaar is verklaard, doet zij het afschrift vergezeld gaan van haar advies omtrent het aan het verzoek tot overlevering te geven gevolg. Een afschrift van het advies wordt door de griffier aan de opgeëiste persoon en diens raadsman ter hand gesteld of toegezonden. 3 De griffier zendt het verzoek tot overlevering met de daarbij behorende stukken terug aan Onze Minister. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 1 artikelen 37 38 43 tot en met 45 226 260, eerste lid 268 269, vijfde lid 271 272 273, derde lid 274 tot en met 277 279 281 286 289, eerste en derde lid 290 tot en met 301 318 tot en met 322 324 tot en met 327 328 tot en met 331 345, eerste en derde lid 346 357 362 363 365, eerste tot en met vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering Ten aanzien van de bijstand van een raadsman, de behandeling van de zaak door de rechtbank, de beraadslaging en de uitspraak zijn de,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,envan overeenkomstige toepassing. 2 De in het eerste lid genoemde artikelen vinden geen toepassing voor zover deze betrekking hebben op een getuige wiens identiteit niet of slechts ten dele blijkt. 2020 1 13-01-2020 18-12-2019 35206 2020 89 17-03-2020 06-03-2020 01-04-2020
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 artikel 28, derde lid Nadat Onze Minister de stukken overeenkomstig, heeft terugontvangen, beslist hij zo spoedig mogelijk op het verzoek tot overlevering. 2 artikelen 21 tot en met 29 Indien de overlevering toelaatbaar is verklaard en Onze Minister nadere informatie van het Strafhof nodig acht voor een verantwoorde beslissing, kan hij de beslissing aanhouden en het Strafhof consulteren. Indien de consultatie van het Strafhof daartoe aanleiding geeft, kan hij het dossier van de zaak opnieuw toezenden aan de officier van justitie die het verzoek tot overlevering heeft behandeld, waarna deopnieuw toepassing vinden. 3 Indien tegen de opgeëiste persoon wegens hetzelfde feit een strafvervolging in Nederland gaande is, geeft Onze Minister bij zijn beslissing tot inwilliging van het verzoek tevens opdracht de vervolging te staken. 4 Indien en voor zover de overlevering ontoelaatbaar is verklaard, wordt op het verzoek afwijzend beschikt. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 Indien het Strafhof en een of meer staten de overlevering onderscheidenlijk uitlevering van dezelfde persoon hebben gevraagd, beslist Onze Minister met inachtneming van artikel 90 van het Statuut. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 Van zijn beslissing op het verzoek tot overlevering geeft Onze Minister onverwijld kennis aan de officier van justitie en het Strafhof. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 1 Binnen tien dagen na de beslissing van Onze Minister tot gehele of gedeeltelijke inwilliging van het verzoek om overlevering wordt de opgeëiste persoon op een door Onze Minister in overleg met het Strafhof vastgestelde tijd en plaats ter beschikking van het Strafhof gesteld. 2 artikel 26 Een overeenkomstigbevolen vrijheidsbeneming kan tot de feitelijke overlevering worden voortgezet. 3 Na een afwijzende beslissing van Onze Minister gelast de officier van justitie de beëindiging van de vrijheidsbeneming zodra hij kennis heeft gekregen van die beslissing. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 1 artikel 33, eerste lid 35, tweede lid Indien zulks voor de toepassing van, of, noodzakelijk is, wordt de opgeëiste persoon op bevel van de daartoe door Onze Minister aangeschreven officier van justitie aangehouden voor ten hoogste drie dagen. Indien de overlevering niet binnen de termijn van drie dagen heeft kunnen plaatsvinden, kan het bevel tot aanhouding door de officier van justitie eenmaal voor ten hoogste drie dagen worden verlengd. 2 Na verlenging van de in het eerste lid bedoelde termijn door de officier van justitie, kan deze uitsluitend op vordering van de officier van justitie door de rechter-commissaris met vier dagen worden verlengd. Deze verlenging kan slechts geschieden wanneer de overlevering door bijzondere omstandigheden niet binnen de termijn van zes dagen heeft kunnen plaatsvinden. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 1 artikelen 33, eerste lid 34 In afwijking van de, enkan de beslissing omtrent de tijd en de plaats van overlevering worden aangehouden, indien en zolang tegen de opgeëiste persoon een strafrechtelijke vervolging in Nederland gaande is of een door een Nederlandse rechter tegen hem gewezen strafvonnis nog geheel of ten dele voor tenuitvoerlegging vatbaar is. 2 In gevallen als voorzien in het eerste lid kan Onze Minister, zo hij daarvoor termen aanwezig acht, bepalen dat de opgeëiste persoon, ten behoeve van diens berechting door het Strafhof, reeds aanstonds ter beschikking van het Strafhof wordt gesteld. 3 Ondergaat de opgeëiste persoon, te wiens aanzien het tweede lid wordt toegepast, een vrijheidsstraf, dan komt de tijd gedurende welke hij ter beschikking is gesteld van het Strafhof, in mindering op zijn straftijd. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 1 De persoon wiens voorlopige aanhouding of overlevering vanwege het Strafhof is verzocht, wordt voorafgaand aan ieder verhoor gewezen op de mogelijkheid te verklaren dat hij instemt met onmiddellijke overlevering. 2 Tot de aanvang van de zitting kan hij een verklaring als bedoeld in het eerste lid afleggen ten overstaan van de rechter-commissaris. Tijdens de zitting kan hij de verklaring afleggen ten overstaan van de rechtbank. 3 De opgeëiste persoon kan zich bij het afleggen van de verklaring doen bijstaan door een raadsman. Hierop wordt, zo hij zonder raadsman verschijnt, zijn aandacht gevestigd door de rechter-commissaris. 4 Voordat hij de verklaring aflegt, wordt de opgeëiste persoon over de mogelijke gevolgen daarvan ingelicht. Van de verklaring wordt proces-verbaal opgemaakt. 5 De rechter-commissaris zendt het proces-verbaal aan de officier van justitie. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 1 artikel 36 Nadat een verklaring overeenkomstigis afgelegd, kan de officier van justitie beslissen dat de opgeëiste persoon ter beschikking zal worden gesteld van het Strafhof. 2 artikel 21 Het eerste lid blijft buiten toepassing indien blijkt dat tegen de opgeëiste persoon in Nederland een strafrechtelijke vervolging gaande is of dat tegen hem door een Nederlandse rechter een nog geheel of ten dele voor tenuitvoerlegging vatbaar strafvonnis is gewezen. In dat geval doet de officier van justitie een vordering als bedoeld in. 3 Van elke beslissing, genomen krachtens het eerste of tweede lid, geeft de officier van justitie onverwijld kennis aan Onze Minister. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 1 artikel 37, eerste lid artikel 21 Indien de officier van justitie overeenkomstig, heeft beslist dat de opgeëiste persoon ter beschikking zal worden gesteld van het Strafhof, blijftbuiten toepassing. 2 artikel 21 Is de inbedoelde vordering reeds bij de rechtbank ingediend, dan wordt deze onverwijld ingetrokken. De griffier van de rechtbank stelt alsdan het verzoek tot overlevering, met de daarbij behorende stukken, weder in handen van de officier van justitie. 3 Van het intrekken van de vordering geeft de officier van justitie kennis aan de opgeëiste persoon. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 1 artikel 37, eerste lid Binnen tien dagen nadat de officier van justitie een beslissing heeft genomen als bedoeld in, wordt de opgeëiste persoon op een door Onze Minister in overleg met het Strafhof vastgesteld moment ter beschikking van het Strafhof gesteld. De opgeëiste persoon kan tot dan toe in bewaring of in verzekering gesteld blijven. 2 Artikel 34 De officier van justitie kan, zo nodig, met het oog op de overlevering krachtens de bepalingen van deze paragraaf, de aanhouding van de opgeëiste persoon bevelen.is verder van overeenkomstige toepassing. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 artikel 12, eerste lid In geval van overlevering krachtens deze paragraaf is, niet van toepassing. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 1 Voorwerpen, aangetroffen in het bezit van degene wiens overlevering of voorlopige aanhouding krachtens het Statuut is gevraagd, kunnen op verzoek van het Strafhof in beslag worden genomen. De inbeslagneming geschiedt door of op last van de officier of hulpofficier van justitie, bevoegd tot het geven van een bevel tot aanhouding of voorlopige aanhouding. 2 artikel 21 Bij de inbedoelde vordering legt de officier van justitie een lijst van de in beslag genomen voorwerpen aan de rechtbank voor. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 1 De rechtbank beslist bij haar uitspraak omtrent het verzoek tot overlevering tevens over de afgifte, dan wel de teruggave, van de in beslag genomen voorwerpen. Afgifte van die voorwerpen aan het Strafhof kan alleen worden bevolen voor het geval van inwilliging van het verzoek tot overlevering. 2 Met het oog op mogelijke rechten van derden kan de rechtbank ten aanzien van bepaalde voorwerpen beslissen, dat afgifte aan het Strafhof slechts mag geschieden onder het beding, dat die voorwerpen onmiddellijk zullen worden teruggezonden nadat daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik zal zijn gemaakt. 3 artikelen 116 tot en met 119 552a 552c tot en met 552e van het Wetboek van Strafvordering Het bepaalde bij en krachtens de,enis van overeenkomstige toepassing. 4 § 6 van dit hoofdstuk In geval van overlevering overeenkomstig de bepalingen vanbeslist de officier van justitie over de afgifte, dan wel de teruggave, van de in beslag genomen voorwerpen, behoudens de bevoegdheden van de rechtbank krachtens het derde lid. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 artikelen 52 tot en met 55 57 van de Uitleveringswet Ten aanzien van de bevelen tot vrijheidsbeneming, gegeven krachtens dit hoofdstuk, zijn deenvan overeenkomstige toepassing. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 1 artikelen 533, derde, vierde en zesde lid 534 535 536 van het Wetboek van Strafvordering In gevallen waarin de overlevering bij rechterlijk gewijsde ontoelaatbaar is verklaard, kan de rechtbank Den Haag, op verzoek van de opgeëiste persoon, hem een vergoeding ten laste van de staat toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van de vrijheidsbeneming, bevolen krachtens deze wet. Onder schade is begrepen het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. De,,enzijn van overeenkomstige toepassing. 2 artikelen 529 530 van het Wetboek van Strafvordering In gevallen als bedoeld in het eerste lid vinden deenovereenkomstige toepassing op de vergoeding van kosten en schaden voor de opgeëiste persoon of diens erfgenamen. In de plaats van het in artikel 529, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde gerecht treedt de rechtbank Den Haag. 2020 1 13-01-2020 18-12-2019 35206 2020 89 17-03-2020 06-03-2020 01-04-2020
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 1 dit hoofdstuk Aan verzoeken van het Strafhof om enigerlei vorm van samenwerking als bedoeld in artikel 93 van het Statuut wordt zo veel mogelijk het verlangde gevolg gegeven, met inachtneming van de bepalingen van. 2 Aan verzoeken van het Strafhof om samenwerking als bedoeld in artikel 93, eerste lid, onder l, van het Statuut wordt zo spoedig mogelijk het verlangde gevolg gegeven, tenzij de inwilliging ervan strijdt met de wet. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 1 Aan een verzoek om samenwerking als bedoeld in dit hoofdstuk wordt zo veel mogelijk voldaan op de wijze die in het verzoek is aangegeven, met inbegrip van het volgen van de daarin uiteengezette procedures en het toestaan aan in het verzoek vermelde personen om aanwezig te zijn en te helpen bij de uitvoering. 2 De met de uitvoering van verzoeken om samenwerking belaste Nederlandse autoriteiten zijn verantwoordelijk voor de veiligheid van daarbij betrokken personen en zijn te dien einde bevoegd voorwaarden te stellen aan de wijze waarop aan verzoeken om samenwerking uitvoering wordt gegeven. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 Het betekenen en uitreiken van stukken aan derden, ter voldoening aan een verzoek om samenwerking, geschiedt met overeenkomstige toepassing van de wettelijke voorschriften betreffende het betekenen en uitreiken van Nederlandse stukken van vergelijkbare strekking. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 1 Onze Minister kan toestaan dat personen die in Nederland rechtens van hun vrijheid zijn beroofd, tijdelijk ter beschikking van het Strafhof worden gesteld voor identificatiedoeleinden, ter verkrijging van getuigenverklaringen of met het oog op andere vormen van samenwerking. De betrokken persoon wordt slechts ter beschikking van het Strafhof gesteld, indien hij vrijelijk zijn toestemming daarvoor geeft na omtrent de gevolgen daarvan behoorlijk te zijn ingelicht. 2 Ondergaat de ter beschikking te stellen persoon, te wiens aanzien het eerste lid wordt toegepast, een vrijheidsstraf, dan komt de tijd gedurende welke hij ter beschikking is gesteld van het Strafhof, in mindering op zijn straftijd. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 De officier van justitie die het verzoek om samenwerking heeft ontvangen, beslist onverwijld omtrent het daaraan te geven gevolg. De officier van justitie roept voor de uitvoering ervan zo nodig de tussenkomst in van het openbaar ministerie in andere arrondissementen of van de procureur-generaal voor Curaçao, voor Sint Maarten en voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. In het belang van een spoedige en doelmatige afdoening kan hij het verzoek overdragen aan zijn ambtgenoot in een ander arrondissement. 2010 339 01-09-2010 07-07-2010 32186 2010 388 01-10-2010 30-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking om 00:00 uur in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba en
om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk.
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 1 De officier van justitie stelt het verzoek om samenwerking in handen van de rechter-commissaris: a. indien het strekt tot het horen van personen die niet bereid zijn vrijwillig te verschijnen en de gevraagde verklaring af te leggen; b. indien het strekt tot het meewerken aan een verhoor door het Strafhof van een getuige of deskundige per videoconferentie; c. indien uitdrukkelijk is gevraagd om een beëdigde verklaring of om een verklaring, afgelegd ten overstaan van een rechter; d. indien het met het oog op het verlangde gevolg nodig is dat stukken van overtuiging in beslag worden genomen en daartoe bevoegdheidsuitoefening door de rechter-commissaris nodig is. 2 In andere dan de in het eerste lid voorziene gevallen kan de officier van justitie het verzoek van het Strafhof in handen van de rechter-commissaris stellen. 3 De overlegging van het verzoek geschiedt bij een schriftelijke vordering, waarin wordt omschreven welke verrichtingen van de rechter-commissaris worden verlangd. 4 De vordering, bedoeld in het derde lid, kan te allen tijde worden ingetrokken. 2011 600 22-12-2011 01-12-2011 32177 2012 408 19-09-2012 13-09-2012 01-01-2013
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 1 artikel 50, derde lid artikel 181 van het Wetboek van Strafvordering De in, bedoelde vordering heeft dezelfde rechtsgevolgen als de vordering tot het verrichten van onderzoekshandelingen door de rechter-commissaris, als bedoeld in, zulks voor wat betreft: a. de bevoegdheden van de rechter-commissaris ten aanzien van de door hem te horen verdachten, getuigen en deskundigen, alsmede die tot het bevelen van de uitlevering of overbrenging van stukken van overtuiging, het nemen van maatregelen in het belang van het onderzoek, het laten verrichten van een DNA-onderzoek alsmede het daartoe bevelen van het afnemen van celmateriaal, het betreden van plaatsen, het doorzoeken van plaatsen, het in beslag nemen van stukken van overtuiging en het onderzoeken van gegevens in geautomatiseerde werken; b. de bevoegdheden van de officier van justitie; c. de rechten en verplichtingen van de door de rechter-commissaris te horen personen; d. de bijstand van een raadsman; e. de verrichtingen van de griffier. 2 artikel 50, derde lid artikel 181 van het Wetboek van Strafvordering artikelen 190, eerste en vierde lid 191 210, eerste lid, tweede volzin 213 215 217 tot en met 219a 221 tot en met 225 226a, eerste lid 226c, eerste lid 226f 236 van het Wetboek van Strafvordering In afwijking van het eerste lid heeft een vordering als bedoeld in, welke is gedaan met het oog op de voldoening aan een verzoek tot het meewerken aan een verhoor door het Strafhof van een getuige of deskundige per videoconferentie, dezelfde rechtsgevolgen als een vordering tot het verrichten van onderzoekshandelingen door de rechter-commissaris, als bedoeld in, voor zover het betreft de toepassing van de,,,,,,,,,en. 3 Ter voldoening aan een verzoek van het Strafhof om samenwerking kan, anders dan overeenkomstig het eerste en tweede lid, geen gebruik van dwangmiddelen worden gemaakt. 2013 85 12-03-2013 28-02-2013 33355 2013 268 02-07-2013 21-06-2013 01-10-2013
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 1 Voor zover het verzoek van het Strafhof om samenwerking strekt tot: a. onderzoek van telecommunicatie, b. stelselmatige observatie van personen, c. infiltratie, d. pseudo-koop of -dienstverlening, e. het stelselmatig inwinnen van informatie omtrent de persoon tegen wie een onderzoek loopt, f. het heimelijk betreden van een besloten plaats, g. het opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel, h. titels IVa V Va Vc van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafvordering artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering een verkennend onderzoek, kan de officier van justitie de hem in de,,enmet het oog daarop toegekende bevoegdheden uitoefenen. Voor zover het verzoek daartoe strekt, kan eveneens toepassing worden gegeven aan. 2 artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering Ter voldoening aan een verzoek van het Strafhof om samenwerking kan geen gebruik van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden worden gemaakt en kan aangeen toepassing worden gegeven, anders dan overeenkomstig het eerste lid. 3 artikelen 21 tot en met 25 van het Wetboek van Strafvordering Processen-verbaal en andere voorwerpen, verkregen door toepassing van een van de bevoegdheden tot het onderzoeken van telecommunicatie of het opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel, kunnen worden afgegeven aan het Strafhof voor zover de rechtbank daartoe verlof verleent. Dezijn van overeenkomstige toepassing. 4 De artikelen 126aa, tweede lid 126bb tot en met 126dd van het Wetboek van Strafvordering Artikel 126cc , alsmedezijn van overeenkomstige toepassing.is slechts van toepassing voor zover de betreffende processen-verbaal en andere voorwerpen niet aan het Strafhof zijn afgegeven. De officier van justitie draagt er zorg voor dat een betrokkene de processen-verbaal en andere voorwerpen die op hem betrekking hebben, op enig moment kan inzien. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 1 De rechter-commissaris doet het verzoek om samenwerking, na bijvoeging van de processen-verbaal van de door hem afgenomen verhoren en van die van zijn verdere verrichtingen, zo spoedig mogelijk teruggaan naar de officier van justitie. 2 artikelen 21 tot en met 25 van het Wetboek van Strafvordering De door de rechter-commissaris in beslag genomen stukken van overtuiging en onder hem berustende gegevensdragers waarop gegevens zijn opgenomen die zijn vergaard met gebruikmaking van enige strafvorderlijke bevoegdheid worden ter beschikking van de officier van justitie gesteld, voor zover de rechtbank daartoe verlof verleent. Dezijn van overeenkomstige toepassing. 3 Tenzij aannemelijk is dat de rechthebbenden op de in beslag genomen stukken van overtuiging niet in Nederland verblijf houden, wordt het krachtens het tweede lid vereiste verlof slechts verleend onder het voorbehoud, dat bij de afgifte aan het Strafhof wordt bedongen, dat de stukken zullen worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt. 4 artikelen 116 tot en met 119 552a 552ca 552d, eerste lid 552e van het Wetboek van Strafvordering Het bepaalde bij en krachtens de,,,, enis ten aanzien van het gestelde in het eerste tot en met derde lid van overeenkomstige toepassing. In de plaats van het volgens die artikelen bevoegde gerecht treedt de rechtbank die bevoegd is tot het verlenen van het krachtens het tweede lid van dit artikel vereiste verlof. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 1 Na beëindiging van zijn werkzaamheden ter voldoening aan het verzoek om samenwerking zendt de officier van justitie het verzoek met de daarbij behorende stukken zo spoedig mogelijk terug aan Onze Minister. 2 Onze Minister stelt het Strafhof onverwijld in kennis van de wijze waarop uitvoering is gegeven aan het verzoek, alsmede van de resultaten daarvan. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 Op verzoek van het Strafhof en met inachtneming van de bepalingen van dit hoofdstuk kunnen door het Strafhof bij onherroepelijke uitspraak opgelegde straffen in Nederland ten uitvoer worden gelegd. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 1 Terzake van gevangenisstraffen die door het Strafhof zijn opgelegd wegens een of meer van de misdrijven, bedoeld in artikel 5 van het Statuut, en waarvan de tenuitvoerlegging in Nederland plaatsvindt, kan geen gratie worden verzocht en verleend. Een verzoekschrift om vermindering of kwijtschelding van zodanige straf wordt door Onze Minister onverwijld doorgezonden aan het Strafhof. 2 Op een daartoe strekkend verzoek van het Strafhof maakt Onze Minister aan het Strafhof zijn zienswijze bekend met betrekking tot de heroverweging van een straf als bedoeld in het eerste lid overeenkomstig artikel 110 van het Statuut. Met het oog daarop kan Onze Minister het advies inwinnen van de rechtbank Den Haag en kan hij overigens bij derden alle inlichtingen inwinnen die hij nodig acht. 3 artikel 6:7:1 van het Wetboek van Strafvordering Terzake van gevangenisstraffen die door het Strafhof zijn opgelegd wegens een misdrijf gericht tegen de rechtspleging van het Strafhof als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van het Statuut, alsmede terzake van overige door het Strafhof opgelegde straffen, kan, indien de tenuitvoerlegging in Nederland plaatsvindt, overeenkomstiggratie worden verzocht en verleend. Alvorens omtrent de gratieverlening wordt beslist, consulteert Onze Minister het Strafhof teneinde diens zienswijze te vernemen. 2020 1 13-01-2020 18-12-2019 35206 2020 89 17-03-2020 06-03-2020 01-04-2020
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 artikelen 61 tot en met 64a 66 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen Ten aanzien van de bevelen tot voorlopige vrijheidsbeneming, gegeven krachtens dit hoofdstuk, zijn deenvan overeenkomstige toepassing. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 1 De door het Strafhof overeenkomstig artikel 75 van het Statuut gegeven burgerrechtelijke beslissingen worden in Nederland erkend en kunnen er ten uitvoer worden gelegd, nadat zij er op verzoek van een belanghebbende uitvoerbaar zijn verklaard. 2 Erkenning en tenuitvoerlegging vinden niet plaats indien: a. de erkenning of tenuitvoerlegging kennelijk strijdig is met de Nederlandse openbare orde; b. het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk niet regelmatig en zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, is betekend of is medegedeeld, tenzij de verweerder tegen de beslissing geen rechtsmiddel heeft aangewend terwijl hij daartoe in staat was; c. de beslissing onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in het Koninkrijk gegeven beslissing; d. de beslissing onverenigbaar is met een beslissing die vroeger in een andere staat tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits deze laatste beslissing voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in Nederland. 3 De bevoegdheid van het Strafhof wordt door de rechter niet getoetst. De bevoegdheidsregels van het Strafhof betreffen niet de openbare orde als bedoeld in het tweede lid, onder a. 4 In geen geval zal worden overgegaan tot een onderzoek van de juistheid van de door het Strafhof gegeven beslissing. 5 Alleen beslissingen van het Strafhof waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, komen in aanmerking voor tenuitvoerlegging. 6 Beslissingen van het Strafhof die tot vergoedingen leiden welke de werkelijk geleden materiële en immateriële schade te boven gaan, worden niet erkend voorzover zij buitensporig zijn. 7 Verzoeken als bedoeld in het eerste en het zesde lid worden gericht tot de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag. 8 dit artikel artikelen 985 tot en met 992 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Voor zover daarvan inniet wordt afgeweken, zijn op het verzoek de bepalingen van devan overeenkomstige toepassing. 2020 1 13-01-2020 18-12-2019 35206 2020 89 17-03-2020 06-03-2020 01-04-2020
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 artikel 60, eerste lid 61, eerste lid 62, eerste lid 63, eerste lid Artikel 49, tweede en derde volzin De officier van justitie die een verzoek van het Strafhof als bedoeld in,,, of, heeft ontvangen, beslist onverwijld omtrent het daaraan te geven gevolg., is van overeenkomstige toepassing. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 1 Op verzoek van het Strafhof kan de persoon die door het Strafhof is veroordeeld tot een gevangenisstraf en zich in vrijheid bevindt, voorlopig worden aangehouden, indien gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat deze straf in Nederland ten uitvoer zal worden gelegd. 2 De artikelen 13 tot en met 17 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: a. artikel 67, vierde lid artikel 68, tweede lid de bewaring wordt bevolen voor een termijn van ten hoogste dertig dagen en op vordering van de officier van justitie telkens met een termijn van ten hoogste dertig dagen kan worden verlengd, totdat de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf overeenkomstig, of, een aanvang neemt; b. artikel 16, vijfde lid de in, genoemde termijn dertig dagen bedraagt. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 1 negende afdeling van titel IV van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafvordering Naar aanleiding van een verzoek van het Strafhof om samenwerking of om tenuitvoerlegging van een verbeurdverklaring kan, overeenkomstig de bepalingen van de, een strafrechtelijk financieel onderzoek worden ingesteld dat is gericht op de bepaling van hier te lande aanwezig of verworven voordeel dat wederrechtelijk is verkregen door een persoon die aan onderzoek door het Strafhof is onderworpen. Onder wederrechtelijk verkregen voordeel worden mede verstaan voorwerpen die, middellijk of onmiddellijk, zijn verkregen door middel van het misdrijf waarvan die persoon wordt verdacht. 2 artikel 94, tweede lid artikel 94a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering artikel 82, vierde lid Tijdens het strafrechtelijk financieel onderzoek kan inbeslagneming van voorwerpen overeenkomstig, enslechts plaatsvinden, indien gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat te dier aanzien vanwege het Strafhof een verzoek om tenuitvoerlegging van een verbeurdverklaring zal worden gedaan dan wel, zal worden toegepast. 3 De officier van justitie doet van de instelling onderscheidenlijk de sluiting van een strafrechtelijk financieel onderzoek onverwijld mededeling aan Onze Minister. Daarbij doet hij tevens mededeling van alle voor het Strafhof dienstige inlichtingen. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 62 — Artikel 62#
Artikel 62 1 Naar aanleiding van een verzoek van het Strafhof kunnen voorwerpen in beslag worden genomen: a. ten aanzien waarvan door het Strafhof een bevel tot verbeurdverklaring kan worden gegeven, b. artikel 82, vierde lid tot bewaring van het recht tot verhaal voor een overeenkomstig, op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, of c. die kunnen dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. 2 Inbeslagneming als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, kan slechts plaatsvinden indien: a. inbeslagneming naar Nederlands recht is toegestaan en b. artikel 82, vierde lid gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat ten aanzien van de voorwerpen vanwege het Strafhof een verzoek om tenuitvoerlegging van een verbeurdverklaring zal worden gedaan dan wel, zal worden toegepast. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 63 — Artikel 63#
Artikel 63 1 Op verzoek van het Strafhof kunnen voorwerpen in beslag worden genomen ten aanzien waarvan door het Strafhof een bevel tot verbeurdverklaring is gegeven. 2 Inbeslagneming als bedoeld in het eerste lid kan slechts plaatsvinden indien: a. inbeslagneming naar Nederlands recht is toegestaan en b. gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat het in het eerste lid bedoelde bevel op korte termijn in Nederland ten uitvoer zal worden gelegd. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 64 — Artikel 64#
Artikel 64 1 de artikelen 62 63 artikel 181 van het Wetboek van Strafvordering Tot inbeslagneming als bedoeld inenzijn bevoegd de rechter-commissaris en, voor zover die bevoegdheid niet aan de rechter-commissaris is voorbehouden, de officier van justitie en de hulpofficier. Op vordering van de officier van justitie kan de rechter-commissaris de bevoegdheden uitoefenen welke hem als gevolg van het toewijzen van een vordering als bedoeld intoekomen. 2 artikelen 94b tot en met 94d 96 tot en met 119 552a 552c 552ca 552e 6:1:5 van het Wetboek van Strafvordering De,,,,,enzijn van overeenkomstige toepassing. 2020 1 13-01-2020 18-12-2019 35206 2020 89 17-03-2020 06-03-2020 01-04-2020
Artikel 65 — Artikel 65#
Artikel 65 1 artikelen 552a 552c van het Wetboek van Strafvordering Bij de overeenkomstige toepassing van de, onderscheidenlijktreedt de rechter niet in een nieuw onderzoek naar de rechten van belanghebbenden, indien daarover in verband met een bevel tot verbeurdverklaring door het Strafhof een vaststelling is gedaan. De rechter kan slechts in een dergelijk nieuw onderzoek treden indien: a. die vaststelling betrekking heeft op rechten terzake van in Nederland gelegen onroerende goederen of in Nederland te boek gestelde registergoederen; b. die vaststelling betreft de geldigheid, de nietigheid of de ontbinding van in Nederland gevestigde rechtspersonen of de besluiten van hun organen; c. die vaststelling is gedaan zonder dat de belanghebbende die niet is verschenen, tijdig tevoren van het geding in kennis was gesteld; d. die vaststelling onverenigbaar is met een terzake eerder in Nederland gegeven rechterlijke beslissing; e. erkenning van die vaststelling onverenigbaar zou zijn met de Nederlandse openbare orde. 2 Indien en zolang terzake van de rechten van een belanghebbende een procedure voor het Strafhof aanhangig is, is deze in zijn klaagschrift of vordering niet ontvankelijk. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 66 — Artikel 66#
Artikel 66 Deze paragraaf is van toepassing op een verzoek van het Strafhof tot tenuitvoerlegging van een door het Strafhof opgelegde gevangenisstraf: a. indien Nederland zich bereid heeft verklaard veroordeelden te aanvaarden en het Strafhof Nederland overeenkomstig artikel 103, eerste lid, onderdeel a, van het Statuut aanwijst; b. indien Nederland als Gastland overeenkomstig artikel 103, vierde lid, van het Statuut gehouden is de gevangenisstraf ten uitvoer te leggen. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 67 — Artikel 67#
Artikel 67 1 artikel 66, onder a In het geval, bedoeld in, beslist Onze Minister of aan de aanwijzing van het Strafhof gevolg wordt gegeven. 2 artikel 10 van het Wetboek van Strafrecht Op de beslissing van Onze Minister, bedoeld in het eerste lid, isniet van toepassing. 3 Onze Minister deelt het Strafhof zo spoedig mogelijk zijn beslissing mee. 4 De tenuitvoerlegging geschiedt op voordracht van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag door Onze Minister. 2020 1 13-01-2020 18-12-2019 35206 2020 89 17-03-2020 06-03-2020 01-04-2020
Artikel 68 — Artikel 68#
Artikel 68 1 artikel 66, onder b artikel 10 van het Wetboek van Strafrecht In het geval, bedoeld in, wordt de door het Strafhof opgelegde gevangenisstraf op aanwijzing van Onze Minister in Nederland ten uitvoer gelegd of verder ten uitvoer gelegd, overeenkomstig de voorwaarden vermeld in de zetelovereenkomst, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Statuut. Op de beslissing van Onze Minister isniet van toepassing. 2 Artikel 67, derde en vierde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 69 — Artikel 69#
Artikel 69 1 artikel 67, vierde lid artikel 68, tweede lid Wetboek van Strafrecht Wetboek van Strafvordering Penitentiaire beginselenwet De tenuitvoerlegging overeenkomstig, of, van een door het Strafhof opgelegde gevangenisstraf geschiedt met inachtneming van het bij of krachtens het, het, deof enige bijzondere strafwet betreffende de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen bepaalde. 2 artikelen 537 6:1:15 6:1:18 6:2:5 tot en met 6:2:7 6:2:10 tot en met 6:2:14 6:3:14 6:3:15 6:6:1 6:6:3 6:6:4 6:6:8 6:6:9 6:6:20 tot en met 6:6:22 van het Wetboek van Strafvordering De,,,,,,,,,,,enzijn niet van toepassing, behoudens ten aanzien van een gevangenisstraf die door het Strafhof is opgelegd wegens een misdrijf gericht tegen de rechtspleging van het Strafhof als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van het Statuut. 2020 1 13-01-2020 18-12-2019 35206 2020 89 17-03-2020 06-03-2020 01-04-2020
Artikel 70 — Artikel 70#
Artikel 70 1 Indien het Strafhof overeenkomstig artikel 104 van het Statuut besluit de veroordeelde over te brengen naar een andere staat, wordt de betrokkene zo spoedig mogelijk ter beschikking gesteld van de autoriteiten van die staat, zulks op een door Onze Minister, na overleg met die autoriteiten, te bepalen tijd en plaats. 2 Op het moment dat de betrokkene ter beschikking van de in het eerste lid bedoelde autoriteiten wordt gesteld, eindigt de tenuitvoerlegging in Nederland van de hem opgelegde gevangenisstraf van rechtswege. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 71 — Artikel 71#
Artikel 71 1 Mededelingen, gewisseld tussen de veroordeelde en het Strafhof, worden niet belemmerd en zijn vertrouwelijk. De indiening door de veroordeelde van een verzoekschrift of enig ander geschrift kan door tussenkomst van de directeur van de inrichting waarin de veroordeelde verblijft, geschieden. De directeur draagt in dat geval zorg dat het geschrift, voorzien van een dagtekening, onverwijld aan het Strafhof wordt gezonden. 2 artikel 38, zevende lid, tweede tot en met vierde volzin, van de Penitentiaire beginselenwet Daartoe door het Strafhof aangewezen personen hebben overeenkomstig, toegang tot de veroordeelde in de inrichting waarin hij verblijft. 3 Verzoeken van het Strafhof om informatie die het Strafhof nodig heeft voor de uitoefening van zijn toezichthoudende taak overeenkomstig artikel 106 van het Statuut, worden door Onze Minister zo veel mogelijk ingewilligd. 4 Op verzoek van het Strafhof wordt de veroordeelde die daarmee instemt, tijdelijk ter beschikking van het Strafhof gesteld met het oog op enig door het Strafhof te verrichten onderzoek in verband met de tenuitvoerlegging. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 72 — Artikel 72#
Artikel 72 Deze paragraaf is van toepassing op een verzoek van het Strafhof tot tenuitvoerlegging van een of meer van de volgende straffen en bevelen, door het Strafhof opgelegd onderscheidenlijk uitgevaardigd: a. een geldboete; b. een bevel tot verbeurdverklaring van opbrengsten, goederen en vermogensbestanddelen die direct of indirect door het misdrijf zijn verkregen; c. een bevel als bedoeld in artikel 75 van het Statuut, inhoudend een verplichting voor de veroordeelde tot betaling van een som geld ten behoeve van een of meer begunstigden. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 73 — Artikel 73#
Artikel 73 De officier van justitie vordert binnen twee weken na de dag waarop hij het verzoek met de daarbij behorende stukken heeft ontvangen, dat de rechtbank verlof verleent tot tenuitvoerlegging. Bij zijn vordering legt de officier van justitie de stukken aan de rechtbank over. Een afschrift van de vordering wordt aan de veroordeelde betekend. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 74 — Artikel 74#
Artikel 74 1 artikel 73 Zo spoedig mogelijk na ontvangst van de inbedoelde vordering bepaalt de voorzitter van de rechtbank het tijdstip waarop de rechtbank een aanvang zal maken met de behandeling van de vordering. Tussen de dag waarop de mededeling om ter zitting te verschijnen aan de veroordeelde is betekend en die der zitting moet een termijn van ten minste tien dagen verlopen. 2 Met toestemming van de veroordeelde kan deze termijn worden verkort, mits van deze toestemming uit een schriftelijke verklaring blijkt. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 75 — Artikel 75#
Artikel 75 De griffier van de rechtbank doet onverwijld aan de officier van justitie en aan de veroordeelde mededeling van het tijdstip dat voor de behandeling van de vordering is bepaald. Daarbij wordt de veroordeelde, indien niet blijkt dat hij reeds een raadsman heeft, opmerkzaam gemaakt op zijn bevoegdheid een of meer raadslieden te kiezen en op de mogelijkheden tot toevoeging van een raadsman, alsmede op zijn recht op kennisneming van de processtukken. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 76 — Artikel 76#
Artikel 76 1 De officier van justitie en de veroordeelde zijn bevoegd ten behoeve van het onderzoek dat de rechtbank ingevolge deze paragraaf heeft te verrichten en de beslissingen die zij heeft te nemen, getuigen en deskundigen te doen oproepen. 2 artikel 78, derde lid artikel 78, vijfde lid De officier van justitie kan bij met redenen omklede beslissing weigeren getuigen of deskundigen op te roepen, indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat deze door de veroordeelde zijn opgegeven teneinde ter zitting verklaringen af te leggen ter betwisting van feiten, als bedoeld in. De beslissing wordt onverwijld schriftelijk ter kennis van de veroordeelde gebracht. Hij wordt daarbij opmerkzaam gemaakt op het bepaalde in. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 77 — Artikel 77#
Artikel 77 1 De behandeling van de vordering heeft plaats in tegenwoordigheid van de officier van justitie. De veroordeelde wordt in de gelegenheid gesteld daarbij aanwezig te zijn en kan zich door zijn raadsman doen bijstaan. 2 De behandeling van de vordering geschiedt in het openbaar, tenzij de rechtbank op verzoek van de veroordeelde of om gewichtige, in het proces-verbaal van de zitting te vermelden redenen sluiting der deuren beveelt. 3 Indien de veroordeelde rechtens van zijn vrijheid is beroofd op last van het Strafhof of van de autoriteiten van een vreemde staat, kan hij voor het bijwonen van de zitting naar de rechtbank worden overgebracht. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 78 — Artikel 78#
Artikel 78 1 De rechtbank onderzoekt de identiteit van de veroordeelde, de ontvankelijkheid van de officier van justitie, alsmede de mogelijkheid van tenuitvoerlegging in Nederland van de beslissing van het Strafhof en de feiten en omstandigheden die voor haar beslissing van belang zijn. 2 De officier van justitie en de veroordeelde en diens raadsman worden in de gelegenheid gesteld ter zitting van de rechtbank te worden gehoord. 3 De rechtbank is gebonden aan de vaststelling van de feiten die het Strafhof kennelijk aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. Zij treedt niet in een nieuw onderzoek naar deze feiten. 4 artikelen 260, eerste lid 268 269, vijfde lid 271, eerste lid 272 273, derde lid 274 tot en met 277 278, tweede lid 279 280 281 286, eerste, vierde, vijfde en zesde lid 293 299 300 301, eerste, tweede, vierde en vijfde lid 310 311, tweede tot en met vierde lid 315 tot en met 317 319 320 322, eerste en tweede lid 324 326 327 328 tot en met 331 345, eerste tot en met derde lid 346 347 van het Wetboek van Strafvordering De,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,enzijn van overeenkomstige toepassing. 5 artikel 76, tweede lid Indien de officier van justitie overeenkomstig, heeft geweigerd een getuige te doen oproepen kan de veroordeelde de rechtbank verzoeken alsnog de oproeping van de getuige te bevelen. De rechtbank gaat hiertoe over indien zij van oordeel is dat de officier van justitie in redelijkheid niet tot zijn beslissing heeft kunnen komen. 6 De in het vierde lid genoemde artikelen vinden geen toepassing voor zover deze betrekking hebben op een getuige wiens identiteit niet of slechts ten dele blijkt. 7 De officier van justitie legt, na voorlezing, een conclusie aan de rechtbank over. Indien zijn conclusie strekt tot bewilliging in de tenuitvoerlegging, omschrijft de officier van justitie de straf of maatregel die naar zijn oordeel in plaats van de door het Strafhof opgelegde straf behoort te worden opgelegd. 8 artikel 73 De officier van justitie kan, zolang het onderzoek ter zitting niet is gesloten, zijn vordering, bedoeld in, intrekken. Van het intrekken van de vordering stelt hij de veroordeelde terstond in kennis. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 79 — Artikel 79#
Artikel 79 1 artikelen 353 357 van het Wetboek van Strafvordering De rechtbank verleent verlof tot tenuitvoerlegging van de beslissing van het Strafhof en legt, met inachtneming van het daaromtrent in het Statuut voorgeschrevene, de straf of maatregel op die op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld. De uitspraak van de rechtbank wordt met redenen omkleed. Deenzijn van overeenkomstige toepassing. 2 In geen geval is de rechtbank bevoegd een zwaardere straf of maatregel op te leggen dan door het Strafhof is vastgesteld. 3 Tegen de uitspraak staat geen rechtsmiddel open. De uitspraak is dadelijk uitvoerbaar. 4 De rechtbank zendt aan Onze Minister onverwijld een gewaarmerkt afschrift van haar uitspraak toe. 5 artikelen 363 365, eerste tot en met vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering Deenzijn van overeenkomstige toepassing. 2013 85 12-03-2013 28-02-2013 33355 2013 268 02-07-2013 21-06-2013 01-10-2013
Artikel 80 — Artikel 80#
Artikel 80 artikel 79 artikel 69, eerste lid Op de tenuitvoerlegging van een op grond vanopgelegde straf of maatregel is, van overeenkomstige toepassing. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 81 — Artikel 81#
Artikel 81 1 dit artikel Onverminderd de overige bepalingen van deze paragraaf isvan toepassing op een verzoek van het Strafhof om tenuitvoerlegging van een geldboete. 2 artikel 79, eerste lid artikel 23, derde, vierde, zevende en achtste lid, van het Wetboek van Strafrecht Op de oplegging, overeenkomstig, van een geldboete isniet van toepassing. 3 artikel 24c, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht Bij oplegging van een geldboete blijft een bevel als bedoeld inachterwege. 4 Indien de veroordeelde onwillig blijkt om het verschuldigde bedrag te betalen en volledig verhaal onmogelijk is gebleken of daarvan door het openbaar ministerie is afgezien, zendt de officier van justitie het verzoek met de daarbij behorende stukken zo spoedig mogelijk terug aan Onze Minister, die het Strafhof in kennis stelt. 5 artikelen 67 68 Indien het Strafhof in het geval, bedoeld in het vierde lid, de duur van de aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf verlengt en die gevangenisstraf in Nederland ten uitvoer wordt gelegd, zijn deenten aanzien van het extra deel van de gevangenisstraf van overeenkomstige toepassing. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 82 — Artikel 82#
Artikel 82 1 Onverminderd de overige bepalingen van deze paragraaf is dit artikel van toepassing op een verzoek van het Strafhof om tenuitvoerlegging van een bevel tot verbeurdverklaring. 2 artikel 73 artikelen 61 tot en met 63 Bij zijn vordering, bedoeld in, legt de officier van justitie tevens een lijst van voorwerpen of vorderingen over die ingevolge dein beslag zijn genomen. 3 artikelen 36b tot en met 36d van het Wetboek van Strafrecht Ingeval de rechtbank verlof verleent tot tenuitvoerlegging van een bevel tot verbeurdverklaring, spreekt zij de verbeurdverklaring uit van de desbetreffende voorwerpen. Indien verbeurdverklaring van een of meer van de voorwerpen niet mogelijk is, kan de rechtbank overeenkomstig dede onttrekking aan het verkeer van de desbetreffende voorwerpen uitspreken. 4 Indien verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van een of meer van de voorwerpen niet mogelijk is, legt de rechtbank aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Met inachtneming van de beslissing van het Strafhof stelt zij het bedrag vast op het bedrag van de voorwerpen of het gedeelte daarvan waarvan de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer niet mogelijk is. 5 artikelen 552b 552e 552g van het Wetboek van Strafvordering Op uitspraken, voor zover houdende een verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer, zijn de,envan overeenkomstige toepassing. 6 artikelen 6:4:9 6:6:26 van het Wetboek van Strafvordering Op uitspraken, voor zover houdende de oplegging van een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, zijn deenvan overeenkomstige toepassing. 7 Artikel 65 is van overeenkomstige toepassing. 2020 1 13-01-2020 18-12-2019 35206 2020 89 17-03-2020 06-03-2020 01-04-2020
Artikel 83 — Artikel 83#
Artikel 83 1 Onverminderd de overige bepalingen van deze paragraaf is dit artikel van toepassing op een verzoek van het Strafhof om tenuitvoerlegging van een bevel als bedoeld in artikel 75 van het Statuut, inhoudend een verplichting voor de veroordeelde tot betaling van een som geld ten behoeve van een of meer begunstigden. 2 De officier van justitie doet de begunstigde of begunstigden van het bevel oproepen, tenzij oproeping redelijkerwijs niet mogelijk is. 3 De begunstigde heeft recht op kennisneming van de stukken. 4 De begunstigde kan zich doen bijstaan. Hij kan zich ook doen vertegenwoordigen door een advocaat, indien deze verklaart daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn, of door een daartoe bij bijzondere volmacht door hem schriftelijk gemachtigde. 5 Ter zitting wordt de begunstigde in de gelegenheid gesteld het woord te voeren over de vordering van de officier van justitie. 6 artikel 36f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht Ingeval de rechtbank verlof verleent tot tenuitvoerlegging van het bevel bedoeld in het tweede lid, legt zij aan de veroordeelde overeenkomstigde verplichting op tot betaling aan de staat van een som geld ten behoeve van de begunstigde of begunstigden. 7 In geen geval is de rechtbank bevoegd de som geld op een hoger bedrag te bepalen dan door het Strafhof is vastgesteld. De rechtbank treedt niet in een nieuw onderzoek naar de rechten van belanghebbenden, tenzij erkenning van de beslissing van het Strafhof daaromtrent onverenigbaar zou zijn met de Nederlandse openbare orde. 8 De staat keert een ontvangen bedrag onverwijld uit aan de door het Strafhof aangewezen personen of instellingen. 9 vijfde tot en met zevende lid van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht Hetzijn van overeenkomstige toepassing. 2013 278 03-07-2013 26-06-2013 33295 2013 336 10-09-2013 30-08-2013 01-01-2014
Artikel 84 — Artikel 84#
Artikel 84 artikel 72 artikel 83, achtste lid Al hetgeen wordt verkregen uit straffen en bevelen als bedoeld inkomt ten bate van het Strafhof, onverminderd. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 85 — Artikel 85#
Artikel 85 1 Doorvoer van personen die als verdachten door de autoriteiten van een vreemde staat aan het Strafhof worden overgeleverd, geschiedt in opdracht van het Strafhof door en onder de bewaking van door Onze Minister aangewezen Nederlandse ambtenaren. 2 Doorvoer van andere personen die op verzoek van het Strafhof naar Nederland zijn overgebracht of gekomen, geschiedt in opdracht van het Strafhof door en onder de bewaking van door Onze Minister aangewezen Nederlandse ambtenaren. 3 Het transport in Nederland buiten de onder het gezag van het Strafhof staande ruimten van personen aan wie op last van het Strafhof hun vrijheid is ontnomen, geschiedt in opdracht van het Strafhof door en onder de bewaking van door Onze Minister aangewezen Nederlandse ambtenaren. 4 De in dit artikel bedoelde ambtenaren zijn bevoegd alle dienstige maatregelen te nemen ter beveiliging van de betrokken personen en ter voorkoming van hun ontvluchting. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 86 — Artikel 86#
Artikel 86 1 Doorvoer van personen die door het Strafhof aan de autoriteiten van een vreemde staat worden overgedragen, geschiedt in opdracht van het Strafhof door en onder de bewaking van door Onze Minister aangewezen Nederlandse ambtenaren. 2 De in dit artikel bedoelde ambtenaren zijn bevoegd alle dienstige maatregelen te nemen ter beveiliging van de betrokken personen en ter voorkoming van hun ontvluchting. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 87 — Artikel 87#
Artikel 87 1 Ingeval getuigen, deskundigen, slachtoffers of andere personen die aanwezig dienen te zijn op de zetel van het Strafhof, van welke nationaliteit ook, naar Nederland komen ten vervolge op een dagvaarding of oproeping dan wel een bevel tot medebrenging van het Strafhof of ten vervolge op een verzoek van het Strafhof aan Nederland om toelating overeenkomstig de voorwaarden vermeld in de zetelovereenkomst, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Statuut kunnen zij in Nederland niet worden vervolgd, aangehouden of aan enige andere vrijheidsbeperkende maatregel worden onderworpen voor feiten of veroordelingen die voorafgingen aan hun aankomst in Nederland. 2 De in het eerste lid bedoelde immuniteit vervalt indien de desbetreffende persoon, hoewel hij gedurende vijftien achtereenvolgende dagen na het tijdstip waarop zijn aanwezigheid niet meer door het Strafhof werd vereist, de mogelijkheid had Nederland te verlaten, hier te lande is gebleven of in Nederland is teruggekeerd na het te hebben verlaten. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 88 — Artikel 88#
Artikel 88 De Nederlandse wet is niet van toepassing op vrijheidsontneming ondergaan op last van het Strafhof binnen in Nederland aan het Strafhof ter beschikking gestelde ruimten. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 89 — Artikel 89#
Artikel 89 De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002
Artikel 90 — Artikel 90#
Artikel 90 Deze wet wordt aangehaald als: Uitvoeringswet Internationaal Strafhof. 2002 314 27-06-2002 20-06-2002 28098 2002 315 27-06-2002 20-06-2002 28098 01-07-2002