Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België nopens samenvoeging van douanebehandeling aan de Nederlands-Belgische grens
- BWB-id
- BWBV0005782
- Type
- verdrag
- Ministerie
- Buitenlandse Zaken
- Geldigheid
- Geldend vanaf 1948-05-08
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBV0005782
- ELI
- /eli/nl/verdrag/1948/bwbv0005782
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/verdrag/1948/bwbv0005782/1948-05-08
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBV0005782&g=1948-05-08
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBV0005782&z=2026-06-06&g=1948-05-08
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBV0005782/1948-05-08
Absolute ELI: /eli/nl/verdrag/1948/bwbv0005782
Artikel I — Artikel I#
Artikel I Ter bespoediging van het internationaal personen- en goederenverkeer tussen Nederland en België kunnen de bevoegde Ministers van elk van beide landen in onderling overleg op Nederlands of op Belgisch grondgebied gelegen spoorwegstations en posten aan water- of landwegen, hierna genoemd „internationale douanekantoren”, alsmede naar deze kantoren leidende gedeelten van spoor-, water-, of landwegen, hierna genoemd „internationale douanewegen”, aanwijzen, alwaar vanwege het land van uitgang en vanwege het land van binnenkomst met betrekking tot het overschrijden van de grens door personen of goederen, daaronder begrepen deviezen en andere waarden, douanebehandeling kan geschieden. Onder douanebehandeling is passencontrôle begrepen. 1949 J 54 25-02-1949 01-02-1949 1951 128 17-10-1951 08-05-1948
Artikel II — Artikel II#
Artikel II Op de internationale douanekantoren en de internationale douanewegen zijn met betrekking tot de in artikel I bedoelde douanebehandeling vanwege elk van beide landen van kracht de wettelijke bepalingen en voorschriften van het desbetreffende land, zulks zowel wat de verplichtingen van de aan die behandeling onderworpen personen als wat de bevoegdheden en rechten van de ambtenaren en beambten betreft. Voor de toepassing van de in het voorgaande lid bedoelde wettelijke bepalingen en voorschriften van het ene land op het grondgebied van het andere land worden de internationale douanekantoren en de internationale douanewegen geacht te zijn gelegen op het grondgebied van het eerstbedoelde land. 1949 J 54 25-02-1949 01-02-1949 1951 128 17-10-1951 08-05-1948
Artikel III — Artikel III#
Artikel III De uitoefening van de aan de ambtenaren en beambten van elk van beide landen toekomende bevoegdheden geschiedt bij voorrang door de ambtenaren en beambten van het land van uitgang. 1949 J 54 25-02-1949 01-02-1949 1951 128 17-10-1951 08-05-1948
Artikel IV — Artikel IV#
Artikel IV Voor de bevoegheid tot vervolging en berechting worden overtredingen van de in artikel II bedoelde wettelijke bepalingen en voorschriften van het ene land, welke in het andere land op een internationaal douanekantoor of op een internationale douaneweg zijn begaan, geacht te zijn begaan in het rechtsgebied, binnen hetwelk het aan de internationale douaneweg liggende grenskantoor van het eerstbedoelde land is gelegen. 1949 J 54 25-02-1949 01-02-1949 1951 128 17-10-1951 08-05-1948
Artikel V — Artikel V#
Artikel V Ter zake van overtredingen van de in artikel II bedoelde wettelijke bepalingen en voorschriften, welke zijn begaan op een internationaal douanekantoor of op een internationale douaneweg, zullen de bevoegde autoriteiten van het ene land land op rechtstreeks verzoek van die van het andere land en overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het eerstbedoelde land, De uit het verrichten van deze handelingen ontstaande verschotten vergoedt de autoriteit, die het verzoek doet, rechtstreeks aan de andere. a. getuigen en deskundigen horen; b. ambtelijk onderzoek instellen; c. aan veroordeelden of verdachten zowel gerechtelijke stukken als rechterlijke en administratieve beslissingen doen uitreiken. De uitreiking wordt als rechtsgeldig beschouwd, indien daarbij de vormen zijn in acht genomen, welke voor overeenkomstige uitreikingen gebruikelijk zijn in het land, tot hetwelk het verzoek is gericht. 1949 J 54 25-02-1949 01-02-1949 1951 128 17-10-1951 08-05-1948
Artikel VI — Artikel VI#
Artikel VI De ambtenaren en beambten van het ene land, die ter uitvoering van dit verdrag voor dienst op het grondgebied van het andere land worden aangewezen, alsmede de met het toezicht op de dienst belaste ambtenaren zijn bevoegd onder vrijstelling van pas- en visumformaliteiten in de uitoefening van hun dienst de grens te overschrijden en op het grondgebied van het andere land te verblijven, zolang het hun door hun administratie verstrekte, volgens een bijzonder model opgemaakte, bewijs noch door tijdsverloop noch door een behoorlijk ter kennis van de bevoegde autoriteit van het andere land gebrachte herroeping zijn geldigheid heeft verloren. Aan de in het voorgaande lid bedoelde ambtenaren en beambten, die hun dienst uitoefenen op een internationaal douanekantoor gelegen aan een spoorweg of op een baanvak van een internationale douaneweg, worden vanwege de spoorwegen van het land, op welks grondgebied zij dienst doen, kosteloze kaarten voor reizen op het in dat land gelegen gedeelte van het baanvak verstrekt. 1949 J 54 25-02-1949 01-02-1949 1951 128 17-10-1951 08-05-1948
Artikel VII — Artikel VII#
Artikel VII De ambtenaren en beambten van het ene land, die ter uitvoering van dit verdrag op het grondgebied van het andere land dienst doen, zijn verplicht hun dienst in dienstuniform of voorzien van een uiterlijk waarneembaar onderscheidingsteken uit te oefenen en zijn bevoegd hun dienstwapens te dragen. De in het voorgaande lid vermelde verplichting geldt niet ten aanzien van de met het toezicht op de dienst belaste ambtenaren. 1949 J 54 25-02-1949 01-02-1949 1951 128 17-10-1951 08-05-1948
Artikel VIII — Artikel VIII#
Artikel VIII De ambtenaren en beambten van het ene land, die ter uitvoering van dit verdrag op het grondgebied van het andere land dienst doen, zijn aldaar vrijgesteld van persoonlijke diensten en directe belastingen. De vrijstelling van die belastingen is beperkt tot die, welke de diplomatieke en consulaire vertegenwoordigers van het ene land in het andere land genieten. Motorrijtuigen, rijwielen en andere voertuigen, welke zij voor hun dienst gebruiken, zijn vrij van belastingen en andere heffingen, welke zijn verschuldigd ter zake van het gebruik op het grondgebied van het andere land. 1949 J 54 25-02-1949 01-02-1949 1951 128 17-10-1951 08-05-1948
Artikel IX — Artikel IX#
Artikel IX Zaken, welke aan ter uitvoering van dit verdrag op het grondgebied van het ene land dienstdoende ambtenaren en beambten van het andere land tot gebruik bij hun dienst strekken, worden vrij van elke heffing en zonder formaliteiten ten invoer en ten uitvoer toegelaten. 1949 J 54 25-02-1949 01-02-1949 1951 128 17-10-1951 08-05-1948
Artikel X — Artikel X#
Artikel X De administratie van het ene land is bevoegd binnen de ruimten, welke haar op het grondgebied van het andere land tot haar uitsluitend gebruik zijn toegewezen, de orde te handhaven en personen, die de orde verstoren, te verwijderen. De in het voorgaande lid bedoelde ruimten mogen door borden met het rijkswapen worden kenbaar gemaakt. 1949 J 54 25-02-1949 01-02-1949 1951 128 17-10-1951 08-05-1948
Artikel XI — Artikel XI#
Artikel XI De ambtenaren en beambten van beide landen, die op de internationale douanekantoren en op de internationale douanewegen dienst doen, zullen zowel ter voorkoming als ter opsporing van overtredingen van de in artikel II bedoelde wettelijke bepalingen en voorschriften zoveel mogelijk samenwerken en elkander bijstaan. Zij mogen elkander de inlichtingen verstrekken, welke voor de uitoefening van de dienst van belang kunnen zijn. 1949 J 54 25-02-1949 01-02-1949 1951 128 17-10-1951 08-05-1948
Artikel XII — Artikel XII#
Artikel XII De ambtenaren en beambten van het ene land genieten bij de uitoefening van hun dienst in het andere land dezelfde bescherming en bijstand als de ambtenaren en beambten van het laatstbedoelde land. 1949 J 54 25-02-1949 01-02-1949 1951 128 17-10-1951 08-05-1948
Artikel XIII — Artikel XIII#
Artikel XIII De bevoegde Ministers van beide landen kunnen in onderling overleg voorschriften vaststellen ter uitvoering van dit verdrag. 1949 J 54 25-02-1949 01-02-1949 1951 128 17-10-1951 08-05-1948
Artikel XIV — Artikel XIV#
Artikel XIV De bevoegde Ministers van het ene land kunnen de douanebehandeling ten aanzien van een internationaal douanekantoor en een internationale douaneweg op een termijn van tenminste een jaar na opzegging aan de bevoegde Ministers van het andere land doen eindigen. 1949 J 54 25-02-1949 01-02-1949 1951 128 17-10-1951 08-05-1948
Artikel XV — Artikel XV#
Artikel XV Het verdrag zal in werking treden onmiddellijk na de uitwisseling der akten van bekrachtiging; het is ontbonden een jaar na opzegging door een der Verdragsluitende Partijen. 1949 J 54 25-02-1949 01-02-1949 1951 128 17-10-1951 08-05-1948