Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden
- BWB-id
- BWBV0001006
- Type
- verdrag
- Ministerie
- Buitenlandse Zaken
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2006-06-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBV0001006
- ELI
- /eli/nl/verdrag/1967/bwbv0001006
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/verdrag/1967/bwbv0001006/2006-06-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBV0001006&g=2006-06-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBV0001006&z=2026-06-06&g=2006-06-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBV0001006/2006-06-01
Absolute ELI: /eli/nl/verdrag/1967/bwbv0001006
Artikel 1 — Artikel 1 Verplichting tot uitlevering#
Artikel 1 Verplichting tot uitlevering De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich om, overeenkomstig de regels en onder de voorwaarden in de volgende artikelen bepaald, elkander wederzijds de personen uit te leveren, die door de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij vervolgd worden terzake van een strafbaar feit of gezocht worden tot tenuitvoerlegging van een straf of maatregel. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 2 — Artikel 2 Feiten, die tot uitlevering kunnen leiden#
Artikel 2 Feiten, die tot uitlevering kunnen leiden 1 Tot uitlevering zullen kunnen leiden de feiten, die krachtens de wetten van de verzoekende Partij en van de aangezochte Partij strafbaar zijn gesteld, met een vrijheidsstraf of met een maatregel, welke vrijheidsbeneming medebrengt, met een maximum van ten minste zes maanden, danwel met een zwaardere straf of maatregel. Wanneer er binnen het gebied van de verzoekende Partij een straf of een maatregel is opgelegd, moet die straf of die maatregel ten minste de duur van drie maanden hebben. 2 Indien het verzoek om uitlevering betrekking heeft op verscheidene afzonderlijke feiten, die alle krachtens de wet van de verzoekende en van de aangezochte Partij strafbaar zijn gesteld met vrijheidsstraf of met een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt, maar waarvan sommige niet voldoen aan de voorwaarde met betrekking tot de hoogte van de straf, is de aangezochte Partij bevoegd de uitlevering eveneens terzake van de laatste feiten toe te staan. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 3 — Artikel 3 Politieke misdrijven#
Artikel 3 Politieke misdrijven 1 De uitlevering zal niet worden toegestaan indien het strafbare feit, waarvoor zij wordt verzocht, door de aangezochte Partij als een politiek misdrijf of als een met een dergelijk misdrijf samenhangend feit wordt beschouwd. 2 Voor de toepassing van het onderhavige verdrag zullen niet worden beschouwd als politiek misdrijf: a) de aanslag tegen het leven of de vrijheid van een Staatshoofd of van een lid van het regerende Huis; b) de desertie. 3 De toepassing van dit artikel heeft geen invloed op de verplichtingen, die de Hoge Verdragsluitende Partijen op zich hebben genomen of zullen nemen uit hoofde van andere internationale overeenkomsten van multilaterale aard. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 4 — Artikel 4 Fiscale delicten#
Artikel 4 Fiscale delicten Inzake retributies, belastingen, douane, deviezen, invoer, uitvoer en doorvoer, zal uitlevering onder de in dit verdrag voorziene voorwaarden slechts worden toegestaan, indien ten aanzien van elk delict of elke groep van delicten tussen de Regeringen van de Hoge Verdragsluitende Partijen daartoe is besloten. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 5 — Artikel 5 Uitlevering van onderdanen#
Artikel 5 Uitlevering van onderdanen 1 De Hoge Verdragsluitende Partijen leveren hun onderdanen niet uit. 2 De hoedanigheid van onderdaan zal worden beoordeeld naar de toestand op het tijdstip van de overlevering. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 6 — Artikel 6 Plaats, waar het feit is begaan#
Artikel 6 Plaats, waar het feit is begaan 1 De aangezochte Partij zal kunnen weigeren om een persoon uit te leveren terzake van een strafbaar feit dat volgens de wetgeving van die Partij geheel of ten dele op haar grondgebied of op een daarmee gelijk gestelde plaats is gepleegd. 2 Wanneer het strafbare feit, dat aan het verzoek tot uitlevering ten grondslag ligt, is begaan buiten het grondgebied van de verzoekende Partij, zal de uitlevering slechts geweigerd kunnen worden indien de wet van de aangezochte Partij de vervolging van een dergelijk, buiten haar grondgebied gepleegd, strafbaar feit niet toelaat. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 7 — Artikel 7 Vervolging ingesteld terzake van dezelfde feiten#
Artikel 7 Vervolging ingesteld terzake van dezelfde feiten Een aangezochte Partij zal kunnen weigeren een persoon, wiens uitlevering is verzocht, uit te leveren, indien die persoon door haar wordt vervolgd terzake van de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 8 — Artikel 8 Non bis in idem#
Artikel 8 Non bis in idem De uitlevering zal niet worden toegestaan wanneer de persoon, wiens uitlevering is verzocht, terzake van de feiten, waarop dit verzoek was gegrond, door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij onherroepelijk is berecht. De uitlevering zal kunnen worden geweigerd, indien de bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij heeft besloten terzake van dezelfde feiten geen vervolging in te stellen danwel een ingestelde vervolging te staken. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 9 — Artikel 9 Verjaring#
Artikel 9 Verjaring De uitlevering zal niet worden toegestaan indien het recht tot strafvervolging danwel de straf volgens de wet van de aangezochte Partij is verjaard op het tijdstip, waarop de overlevering plaats moet vinden. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 10 — Artikel 10 Doodstraf#
Artikel 10 Doodstraf Indien op het feit, terzake waarvan de uitlevering wordt verzocht, door de wet van de verzoekende Partij de doodstraf is gesteld en deze straf volgens de wet van de aangezochte Partij tegen dat feit niet wordt bedreigd of met betrekking tot dat feit door die Partij algemeen niet wordt toegepast, kan de aangezochte Partij de uitlevering toestaan op voorwaarde dat de verzoekende Partij zich verbindt het Staatshoofd aan te bevelen, de doodstraf in een andere straf om te zetten. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 11 — Artikel 11 Verzoek en stukken ter ondersteuning daarvan#
Artikel 11 Verzoek en stukken ter ondersteuning daarvan 1 Het verzoek tot uitlevering zal door de Minister van Justitie van de verzoekende Partij schriftelijk worden gericht tot de Minister van Justitie van de aangezochte Partij. 2 Bij het verzoek zullen worden overgelegd: a) het origineel of een authentiek afschrift, hetzij van een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling, hetzij van een bevel tot aanhouding of van ieder andere akte, die dezelfde kracht heeft, een en ander opgemaakt in de vorm voorgeschreven door de wet van de verzoekende Partij; b) een overzicht van de feiten, waarvoor de uitlevering wordt verzocht. De tijd en plaats, waarop de feiten zijn begaan, hun wettelijke omschrijving en de verwijzing naar de toepasselijke wetsbepalingen, zullen zo nauwkeurig mogelijk worden vermeld; c) een afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen, alsmede een zo nauwkeurig mogelijk signalement van de verzochte persoon en alle andere inlichtingen, welke van belang zijn om zijn identiteit en nationaliteit vast te stellen. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 12 — Artikel 12 Aanvullende inlichtingen#
Artikel 12 Aanvullende inlichtingen Indien de door de verzoekende Partij verstrekte inlichtingen onvoldoende blijken te zijn om de aangezochte Partij in staat te stellen een beslissing overeenkomstig dit verdrag te nemen, zal deze laatste Partij de noodzakelijke aanvulling op de gegeven inlichtingen vragen en een termijn kunnen stellen, binnen welke deze verkregen moeten zijn. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 13 — Artikel 13 Specialiteitsbeginsel#
Artikel 13 Specialiteitsbeginsel 1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2, lid 2, zal de uitgeleverde persoon niet worden vervolgd, berecht of in hechtenis gesteld met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel, noch ook aan enige andere beperking van zijn persoonlijke vrijheid worden blootgesteld, wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat, hetwelk de reden tot uitlevering is geweest, behalve in de volgende gevallen: a) wanneer de Partij, die hem heeft uitgeleverd erin toestemt. Daartoe moet een verzoek worden aangeboden, vergezeld van de in artikel 11 bedoelde stukken. De toestemming zal worden gegeven indien het strafbare feit, waarvoor zij verzocht wordt, op zichzelf de verplichting tot uitlevering krachtens dit verdrag meebrengt. De toestemming kan worden gegeven indien het strafbare feit, gezien de hoogte van de daartegen bedreigde straf of maatregel deze verplichting niet meebrengt; b) wanneer de uitgeleverde persoon, hoewel hij daartoe de mogelijkheid had, niet binnen de vijftien dagen, die op zijn definitieve invrijheidstelling volgden het grondgebied van de Partij, aan welke hij was uitgeleverd, heeft verlaten of indien hij, na dit gebied verlaten te hebben, daarin is teruggekeerd; c) wanneer de uitgeleverde persoon, hetzij vóór zijn uitlevering ten overstaan van een rechterlijke autoriteit van de aangezochte Partij, hetzij na zijn uitlevering voor een rechterlijke autoriteit van de verzoekende Partij, er uitdrukkelijk in heeft toegestemd om te worden vervolgd en gestraft terzake van enig feit, welk dan ook. 2 De verzoekende Partij kan echter de nodige maatregelen nemen met het oog op een uitzetting uit zijn grondgebied of met het oog op een stuiting van de verjaring overeenkomstig haar wet, daaronder begrepen het instellen van een verstekprocedure. 3 Wanneer de omschrijving, die aan het te laste gelegde feit is gegeven, in de loop van de procedure wordt gewijzigd, zal de uitgeleverde persoon slechts worden vervolgd of berecht, voor zover de elementen van het op andere wijze omschreven strafbare feit uitlevering zouden gedogen. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 14 — Artikel 14 Verderlevering aan een derde Staat#
Artikel 14 Verderlevering aan een derde Staat 1 b c Behoudens in de gevallen, bedoeld in lid 1, onderen, van artikel 13, heeft de verzoekende Partij de toestemming van de aangezochte Partij nodig om de persoon, die haar overgedragen is, en die gezocht wordt door een Staat die geen Partij is bij dit verdrag terzake van strafbare feiten gepleegd vóór de overdracht, aan die Staat uit te leveren. De aangezochte Partij zal de overlegging van de stukken, bedoeld in artikel 11, lid 2, kunnen eisen. 2 Indien het gaat om een andere Hoge Verdragsluitende Partij is die toestemming niet vereist. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 15 — Artikel 15 Voorlopige aanhouding#
Artikel 15 Voorlopige aanhouding 1 In geval van spoed kunnen de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij met het oog op een uitlevering de voorlopige aanhouding van de gezochte persoon verzoeken. 2 Het verzoek om voorlopige aanhouding zal melding maken van het strafbare feit dat werd begaan, van de duur van de straf of de maatregel die tegen het feit wordt bedreigd of die terzake van het feit werd opgelegd, van de tijd en plaats waarop het feit werd begaan, alsmede, voor zover mogelijk, van het signalement van de gezochte persoon. 3 Het verzoek zal aan de rechterlijke autoriteiten van de aangezochte Partij worden overgebracht, hetzij rechtstreeks, hetzij door het centrale nationale bureau van de Internationale Politie Organisatie (Interpol). De rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij zullen onverwijld worden ingelicht over het gevolg dat aan hun verzoek is gegeven. 4 Indien het verzoek op regelmatige wijze blijkt te zijn gedaan, zal daaraan door de rechterlijke autoriteiten van de aangezochte Partij overeenkomstig de wetgeving van die Partij gevolg worden gegeven. 5 De voorlopige aanhouding zal een einde nemen indien de aangezochte Partij niet binnen een termijn van achttien dagen na de aanhouding, het uitleveringsverzoek en de in artikel 11 bedoelde stukken ontvangen heeft, tenzij de aanhouding op een andere grond moet worden voortgezet. Op ieder ogenblik is echter voorlopige invrijheidstelling mogelijk, met dien verstande dat de aangezochte Partij daarbij elke maatregel dient te nemen die zij noodzakelijk acht om vlucht van de gevorderde persoon te voorkomen. 6 De invrijheidstelling verhindert een nieuwe aanhouding en uitlevering niet indien het uitleveringsverzoek alsnog binnenkomt. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 16 — Artikel 16 Samenloop van verzoeken#
Artikel 16 Samenloop van verzoeken Indien de uitlevering door verschillende Staten tegelijkertijd verzocht wordt, hetzij voor hetzelfde feit, hetzij voor verschillende feiten, zal de aangezochte Partij bij haar beslissing rekening houden met alle omstandigheden, zoals de ernst en de plaats van de strafbare feiten, de dagtekening van de onderscheiden verzoeken, de nationaliteit van de opgeëiste persoon en de mogelijkheid van een latere uitlevering aan een andere Staat. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 17 — Artikel 17 Overlevering van de uitgeleverde#
Artikel 17 Overlevering van de uitgeleverde 1 De aangezochte Partij zal haar beslissing over de uitlevering langs de in artikel 11, lid 1, bedoelde weg ter kennis van de verzoekende Partij brengen. 2 Iedere totale of gedeeltelijke weigering zal met redenen, worden omkleed. 3 In geval van inwilliging van het verzoek zal de verzoekende Partij worden ingelicht omtrent de plaats en de datum van de overlevering, alsmede omtrent de duur van de door de opgeëiste persoon met het oog op de uitlevering ondergane vrijheidsbeneming. 4 Onverminderd het bepaalde in lid 5 van dit artikel zal de opgeëiste persoon, indien hij niet op de vastgestelde datum is overgenomen, na afloop van een termijn van vijftien dagen te rekenen van die datum in vrijheid kunnen worden gesteld en zal hij in elk geval in vrijheid worden gesteld na ommekomst van een termijn van dertig dagen; de aangezochte Partij zal kunnen weigeren om hem voor hetzelfde feit uit te leveren. 5 In geval de overdracht of de overneming van de uit te leveren persoon door overmacht verhinderd wordt, zal de belanghebbende Partij de andere Partij daarvan op de hoogte stellen; de twee Partijen zullen een nieuwe datum van overdracht overeenkomen en de bepalingen van het vierde lid van dit artikel zullen van toepassing zijn. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 18 — Artikel 18 Uitgestelde of voorwaardelijke overlevering#
Artikel 18 Uitgestelde of voorwaardelijke overlevering 1 De aangezochte Partij kan, nadat zij een beslissing over het verzoek tot uitlevering genomen heeft, de overlevering van de opgeëiste persoon uitstellen opdat hij door haar vervolgd kan worden of, indien hij reeds bereids veroordeeld is op haar grondgebied een straf kan ondergaan, wegens een ander feit dan dat waarvoor de uitlevering is verzocht. 2 Indien het uitleveringsverzoek betrekking heeft op een persoon die op het grondgebied van de aangezochte Partij een straf ondergaat, kan die Partij, indien bijzondere omstandigheden dit vereisen, die persoon tijdelijk aan de verzoekende Partij overleveren op in onderling overleg vast te stellen voorwaarden. 3 De vrijheidsbeneming, die de betrokkene na deze overlevering op het grondgebied van de verzoekende Partij ondergaat, zal worden afgetrokken van de duur van de straf die hij moet ondergaan op het grondgebied van de aangezochte Partij. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 19 — Artikel 19 Verkorte procedure#
Artikel 19 Verkorte procedure 1 In het geval bedoeld in artikel 15 kunnen de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij de onmiddellijke overlevering van de uit te leveren persoon verzoeken. 2 Deze overlevering kan slechts plaats vinden indien de aangehouden persoon daarmede uitdrukkelijk instemt ten overstaan van een ambtenaar van het openbaar ministerie van de aangezochte Partij en indien ook deze ambtenaar daartoe zijn toestemming geeft. De aangehoudene heeft het recht zich door een raadsman te doen bijstaan. Deze overlevering geschiedt zonder andere formaliteiten en zal moeten hebben plaatsgevonden binnen achttien dagen na de voorlopige aanhouding. 3 In geval de overlevering niet binnen vijf dagen na deze aanhouding heeft plaatsgevonden zullen de rechterlijke autoriteiten van de aangezochte Partij de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij daarvan in kennis stellen en hen, indien daartoe aanleiding bestaat, uitnodigen verder te handelen overeenkomstig de bepalingen van artikel 11. 4 c. De overlevering brengt voor de betrokkene de gevolgen mede welke zijn verbonden aan de verklaring bedoeld in artikel 13, lid 1, onder 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 20 — Artikel 20 Overdracht van voorwerpen#
Artikel 20 Overdracht van voorwerpen 1 Op verzoek van de verzoekende Partij zal de aangezochte Partij, voor zover zulks krachtens haar wetgeving is toegestaan, de voorwerpen in beslag nemen: en deze overdragen. a) die kunnen dienen als stukken van overtuiging; b) die afkomstig zijn van het strafbare feit en hetzij vóór, hetzij na de overlevering van de aangehouden persoon worden gevonden; 2 De overdracht is onderworpen aan de goedkeuring van de Raadkamer van de rechtbank van de plaats waar de huiszoeking en inbeslagneming hebben plaatsgevonden. De Raadkamer beslist of de in beslag genomen voorwerpen geheel of gedeeltelijk aan de verzoekende Partij worden overgedragen. Zij kan de teruggave bevelen van voorwerpen die niet rechtstreeks betrekking hebben op het feit dat de verdachte wordt te laste gelegd, en beslist in voorkomend geval op bezwaren van derden, die houder waren van het voorwerp, of van andere rechthebbenden. 3 De overdracht van de voorwerpen bedoeld in het eerste lid van dit artikel kan zelfs plaatsvinden wanneer niet tot een reeds toegestane uitlevering wordt overgegaan in verband met het overlijden of de ontvluchting van de opgeëiste persoon. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 21 — Artikel 21 Transit#
Artikel 21 Transit 1 De doortocht door het grondgebied van een van de Verdragsluitende Partijen zal, op een verzoek gedaan volgens de in artikel 11, lid 1 bedoelde weg, worden toegestaan op voorwaarde dat het niet gaat om een strafbaar feit dat door de Partij, aan wie toestemming tot doortocht wordt verzocht, wordt beschouwd van politieke aard te zijn, noch om een onderdaan van het land, waaraan toestemming tot doortocht wordt verzocht. 2 a, Onverminderd het bepaalde in lid 3 van dit artikel is overlegging van de stukken bedoeld in artikel 11, lid 2 ondernoodzakelijk. 3 Wanneer het transport door de lucht plaatsvindt, zullen de volgende regels toepassing vinden: a) a) Wanneer geen landing is voorzien, zal de verzoekende Partij de Partij over wier grondgebied zal worden gevlogen daarvan kennis geven en berichten dat een van de stukken bedoeld in artikel 11, lid 2, onderbestaat. In geval van een onvoorziene landing zal deze kennisgeving de rechtskracht hebben van het verzoek om voorlopige aanhouding, bedoeld in artikel 15, en zal de verzoekende Partij een normaal verzoek tot doortocht indienen; b) Wanneer een landing is voorzien zal de verzoekende Partij een normaal verzoek tot doortocht indienen. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich om, overeenkomstig de regels van dit verdrag, elkander wederzijds in zo ruim mogelijke mate rechtshulp te verlenen in elke procedure die betrekking heeft op strafbare feiten, waarvan de bestraffing, op het tijdstip waarop de rechtshulp wordt gevraagd, tot de bevoegdheid behoort van de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij. 2 De rechtshulp kan worden geweigerd: a) indien het verzoek betrekking heeft op strafbare feiten die door de aangezochte Partij als een politiek misdrijf of een met een dergelijk misdrijf samenhangend feit worden beschouwd; b) indien de aangezochte Partij van mening is dat uitvoering van het verzoek zou kunnen leiden tot een aantasting van de veiligheid, de openbare orde of andere wezenlijke belangen van haar land of indien de betrokken persoon voor dezelfde feiten reeds vervolgd wordt danwel ter zake van die feiten reeds onherroepelijk is berecht. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 De aangezochte Partij zal gevolg geven aan de rogatoire commissies aangaande een strafzaak, die tot haar worden gericht door de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij en die tot doel hebben het verrichten van handelingen van onderzoek of de toezending van stukken van overtuiging, van dossiers of van documenten. 2 Indien de verzoekende Partij het wenselijk acht dat getuigen of deskundigen hun verklaring onder ede afleggen, zal zij hierom uitdrukkelijk verzoeken en de aangezochte Partij zal aan een dergelijk verzoek gevolg geven, indien de wet van haar land zich daartegen niet verzet. 3 De aangezochte Partij zal kunnen volstaan met de toezending van gewaarmerkte afschriften of fotocopieën van de dossiers of documenten waarom wordt verzocht. Indien de verzoekende Partij uitdrukkelijk vraagt om toezending van het origineel zal zoveel mogelijk aan een dergelijk verzoek gevolg worden gegeven. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 1 De rogatoire commissies worden door de bevoegde rechterlijke autoriteit van de aangezochte Partij uitgevoerd alsof het ging om rogatoire commissies uitgaande van nationale rechterlijke autoriteiten. 2 Rogatoire commissies echter, die strekken tot een huiszoeking of een inbeslagneming, zullen slechts worden uitgevoerd voor feiten, welke op grond van dit verdrag aanleiding kunnen geven tot uitlevering, en onder het voorbehoud uitgedrukt in artikel 20, lid 2. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 De aangezochte Partij zal de verzoekende Partij, indien zij daarom uitdrukkelijk vraagt, inlichten aangaande de datum en de plaats waarop de rogatoire commissie zal worden uitgevoerd. De autoriteiten van de verzoekende Partij en de betrokkenen zullen bij die uitvoering aanwezig kunnen zijn indien de aangezochte Partij daarin toestemt. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 25bis — Artikel 25bis#
Artikel 25bis 1 De verzoekende Partij kan vragen dat een persoon, die op haar grondgebied rechtens van zijn vrijheid is beroofd, tijdelijk wordt overgebracht naar het grondgebied van de aangezochte Partij, ten einde daar bij de uitvoering van de rogatoire commissie aanwezig te zijn. 2 De overgebrachte persoon zal op het grondgebied van de aangezochte Partij in hechtenis blijven, tenzij de verzoekende Partij met zijn invrijheidstelling instemt. 3 De hechtenis op het grondgebied van de aangezochte Partij komt in mindering op de duur van de vrijheidsbeneming die de overgebrachte persoon moet ondergaan op het grondgebied van de verzoekende Partij. 4 Nadat de rogatoire commissie is uitgevoerd, wordt de overgebrachte persoon, ongeacht zijn nationaliteit, onverwijld teruggebracht naar het grondgebied van de verzoekende Partij. 5 In geval van vlucht van de overgebrachte persoon neemt de aangezochte Partij alle maatregelen die tot zijn aanhouding kunnen leiden. 6 De persoon die tijdelijk is overgebracht naar het grondgebied van de aangezochte Partij, kan, ongeacht zijn nationaliteit, aldaar noch worden vervolgd, noch in hechtenis gehouden, noch aan enige andere vrijheidsbeperking worden onderworpen voor feiten of veroordelingen welke voorafgingen aan zijn vertrek van het grondgebied van de verzoekende Partij; behoudens het bepaalde in lid 2. 7 Op aanvraag van de verzoekende Partij zal de doortocht van een persoon, bedoeld in lid 1, over het grondgebied van een der Partijen worden toegestaan, tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten. De Partij die de doortocht heeft toegestaan wordt voor de toepassing van de leden 2-6 met de aangezochte Partij gelijkgesteld. 1974 161 19-08-1974 14-01-1982 1982 9 28-01-1982 01-03-1982
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 Ambtenaren van een Partij, die bevoegd zijn tot het opsporen en constateren van strafbare feiten, zullen door de rechterlijke autoriteiten van de Partij waartoe zij behoren, kunnen worden afgevaardigd ten einde op het grondgebied van een andere Partij, met toestemming van de bevoegde ambtenaar van het openbaar ministerie van die Partij, behulpzaam te zijn bij het opsporen en constateren van strafbare feiten, waarvan de vervolging tot de competentie behoort van de eerdergenoemde rechterlijke autoriteiten. Te dien einde zullen die ambtenaren voorzien worden van een rogatoire commissie, waarin wordt aangegeven wat moet worden verricht. 2 De bedoelde ambtenaren zullen alle inlichtingen en adviezen verschaffen welke zij nuttig achten om de verstrekte opdracht tot een goed einde te voeren; op hun verzoek verkrijgen zij een gewaarmerkt afschrift van alle processen-verbaal en andere stukken welke worden opgemaakt. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 Vervallen 2006 146 14-07-2006 11-10-1967 2006 146 14-07-2006 11-10-1967 01-06-2006
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 1 Tijdens een optreden als bedoeld in de artikelen 26 en 27 zullen de ambtenaren, die een taak vervullen op het grondgebied van een andere Partij, gelijk gesteld zijn met de ambtenaren van die Partij, Voor wat betreft de strafbare feiten waarvan zij het slachtoffer zouden worden of die door hen zouden worden begaan. 2 Zij zullen in staat moeten zijn op elk ogenblik hun officiële functie aan te tonen. 3 Tijdens een optreden als bedoeld in artikel 27 zullen de daar bedoelde ambtenaren hun uniform mogen dragen en in het bezit mogen zijn van de wapens die overeenkomstig de voor hen geldende voorschriften tot hun uitrusting behoren. 4 In geval van nood zullen zij bevoegd zijn van dwangmiddelen en middelen tot verdediging gebruik te maken, onder dezelfde voorwaarden als de ambtenaren van de Partij op het grondgebied waarvan zij optreden. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 1 De aangezochte Partij kan de overgave van voorwerpen, dossiers en documenten waarvan de overdracht is gevraagd, uitstellen wanneer zij deze nodig heeft voor een strafrechtelijke procedure. 2 De voorwerpen en de originele dossiers en documenten, die ter uitvoering van een rogatoire commissie zijn overgegeven, zullen zo spoedig mogelijk door de verzoekende Partij aan de aangezochte Partij worden teruggegeven, tenzij deze er afstand van doet. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 De processtukken en de rechterlijke beslissingen, die moeten worden medegedeeld aan personen die zich op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij bevinden, worden hun toegezonden, hetzij rechtstreeks bij aangetekend schrijven door de bevoegde autoriteiten of deurwaarders, hetzij door bemiddeling van het bevoegde parket van de aangezochte Partij. 2 Voor zover niet wordt verzocht om de mededeling te doen op een van de wijzen door de wetgeving van de aangezochte Partij voor soortgelijke betekeningen voorzien, zal het aangezochte parket het gerechtelijke stuk of de beslissing zonder meer aan degene voor wie het bestemd is doen toekomen. 3 Het aangezochte parket licht de verzoeker in omtrent het gevolg dat aan het verzoek tot mededeling is gegeven. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 1 Indien een rechterlijke autoriteit van een van de Partijen in een strafzaak de verschijning in persoon van een verdachte, een getuige of een deskundige, die zich op het grondgebied van een andere Partij bevindt, nodig oordeelt, zal die verdachte, getuige of deskundige door bemiddeling van het openbaar ministerie van de plaats, waar de betrokkene zijn woon- of verblijfplaats heeft, worden gedagvaard om te verschijnen. 2 Indien de dagvaarding een getuige of deskundige betreft, wordt daarin bij benadering het bedrag van de schadeloosstelling en van de te vergoeden reis- en verblijfkosten vermeld. 1974 161 19-08-1974 14-01-1982 1982 9 28-01-1982 01-03-1982
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 1 De schadeloosstelling en de vergoeding voor reis- en verblijfkosten, die aan de getuige of deskundige door de verzoekende Partij worden toegekend, zullen worden berekend vanaf de plaats, waar hij verblijft, en zullen dienen te worden berekend volgens tarieven die ten minste gelijk zijn aan die voorzien in de regeling, van kracht in het land waar het verhoor plaats moet vinden. Zijn echter de tarieven in het land waarin de getuige of deskundige zijn woon- of verblijfplaats heeft, in hun geheel genomen, voor hem gunstiger, dan worden ten minste die tarieven toegepast. Het openbaar ministerie van de aangezochte Partij draagt zorg dat aan de dagvaarding die aan de getuige of deskundige wordt uitgereikt, de inlichtingen worden toegevoegd die noodzakelijk zijn om het bedrag te bepalen van de schadeloosstelling en de vergoeding, toe te kennen volgens het tarief van dat land. 2 De aangezochte Partij kan, indien dit aan haar wordt verzocht, aan de getuige of de deskundige een voorschot toekennen. Het bedrag van dit voorschot zal op de dagvaarding worden vermeld en terugbetaald worden door de verzoekende Partij. 1974 161 19-08-1974 14-01-1982 1982 9 28-01-1982 01-03-1982
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 1 Wanneer een rechterlijke autoriteit van een van de landen verzoekt dat iemand die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, in persoon op haar grondgebied verschijnt ten behoeve van een confrontatie of een reconstructie van de feiten, dan wel om als getuige een verklaring af te leggen of om als verdachte te worden gehoord, kan deze, ongeacht zijn nationaliteit, daartoe tijdelijk worden overgebracht naar dat grondgebied, mits bijzondere omstandigheden zich daartegen niet verzetten en op voorwaarde dat hij binnen de termijn door de aangezochte Partij vastgesteld zal worden teruggezonden. 2 De overgebrachte persoon zal op het grondgebied van de verzoekende Partij in hechtenis blijven, tenzij de aangezochte Partij met zijn invrijheidstelling instemt. 3 De hechtenis op het grondgebied van de verzoekende Partij komt in mindering op de duur van de vrijheidsbeneming die de overgebrachte persoon moet ondergaan op het grondgebied van de aangezochte Partij. 4 In geval van vlucht van de overgebrachte persoon neemt de verzoekende Partij alle maatregelen die tot zijn aanhouding kunnen leiden. 5 Op aanvraag van de verzoekende Partij zal de doortocht van een persoon, bedoeld in lid 1, over het grondgebied van een der Partijen worden toegestaan, tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten. De Partij die de doortocht heeft toegestaan wordt voor de toepassing van de leden 2-4 met de verzoekende Partij gelijkgesteld. 1974 161 19-08-1974 14-01-1982 1982 9 28-01-1982 01-03-1982
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 artikel 31 De getuige die zonder geldige reden niet voldoet aan de verplichtingen welke op grond van een dagvaarding als bedoeld inop hem rusten, zal in het aangezochte land onder de strafbepalingen vallen welke de wetgeving van dat land voorziet tegen getuigen die niet aan hun verplichtingen voldoen. 1974 161 19-08-1974 14-01-1982 1982 9 28-01-1982 01-03-1982
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 1 Geen getuige of deskundige, van welke nationaliteit ook, die na gedagvaard te zijn voor de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij verschijnt, kan op het grondgebied van die Partij worden vervolgd, in hechtenis genomen, of aan enige andere vrijheidsbeperking worden onderworpen voor feiten of veroordelingen, die voorafgingen aan zijn vertrek van het grondgebied van de aangezochte Partij. 2 Geen verdachte, van welke nationaliteit ook, die gedagvaard is om voor de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij te verschijnen, kan op het grondgebied van die Partij worden vervolgd, in hechtenis genomen, of aan enige andere vrijheidsbeperking worden onderworpen voor feiten of veroordelingen welke voorafgingen aan zijn vertrek van het grondgebied van de aangezochte Partij, voor zover die niet in de dagvaarding zijn vermeld. 3 De in dit artikel bedoelde immuniteit neemt een einde wanneer de getuige, de deskundige of de verdachte, hoewel hij gedurende vijftien achtereenvolgende dagen na het tijdstip, waarop zijn aanwezigheid niet meer door de rechterlijke autoriteit werd vereist, de mogelijkheid had het grondgebied van de verzoekende Partij te verlaten, daar desalniettemin is gebleven of op dat grondgebied is teruggekeerd na het te hebben verlaten. 4 artikel 33, leden 2 en 5 De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op een persoon die tijdelijk is overgebracht dan wel vrijwillig is verschenen, zowel op het grondgebied van de Partij die de doortocht heeft toegestaan als op dat van de verzoekende Partij; behoudens het bepaalde in. 1974 161 19-08-1974 14-01-1982 1982 9 28-01-1982 01-03-1982
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 1 De uittreksels uit het strafregister en alle inlichtingen welke op het strafregister betrekking hebben, die door de rechterlijke autoriteiten van een Partij in verband met een strafzaak worden gevraagd, zullen door de aangezochte Partij aan die autoriteiten verstrekt worden, voor zover haar eigen rechterlijke autoriteiten deze in overeenkomstige gevallen kunnen verkrijgen. 2 In andere gevallen dan die bedoeld in het eerste lid van dit artikel zal aan een dergelijk verzoek gevolg worden gegeven overeenkomstig hetgeen is voorzien in de wetgeving, de regelingen of de algemeen gevolgde gedragslijn van de aangezochte Partij. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 1 Voor zover in dit hoofdstuk niet anders wordt bepaald zullen verzoeken tot rechtshulp de volgende gegevens moeten bevatten: a) de autoriteit waarvan het verzoek uitgaat; b) het onderwerp van en de grond voor het verzoek; c) voor zover mogelijk de identiteit en de nationaliteit van de betrokken persoon; d) zo nodig, de naam en het adres van degene voor wie het bestemd is. 2 De rogatoire commissies bedoeld in de artikelen 23, 24 en 25 dienen bovendien de tenlastelegging te vermelden en dienen een kort overzicht van de feiten te bevatten. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 1 Voor zover in dit hoofdstuk niet anders wordt bepaald kunnen de rogatoire commissies en andere verzoeken om rechtshulp door de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij rechtstreeks worden gericht tot de rechterlijke autoriteiten van de aangezochte Partij. Zij zullen, vergezeld van de documenten die op hun uitvoering betrekking hebben, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de Ministers van Justitie worden teruggezonden. 2 De verzoeken bedoeld in artikel 36, lid 1, kunnen door de rechterlijke autoriteiten rechtstreeks worden gericht tot de betrokken dienst van de aangezochte Partij en de antwoorden kunnen door die dienst rechtstreeks, worden teruggezonden. De verzoeken bedoeld in artikel 36, tweede lid, zullen door de Minister van Justitie van de verzoekende Partij tot de Minister van Justitie van de aangezochte Partij worden gericht. 3 De verzoeken bedoeld in artikel 33 zullen door de Ministers van Justitie tot elkaar worden gericht. 4 In de gevallen, waarin het onderhavige hoofdstuk rechtstreekse toezending toestaat kan deze geschieden via het centrale nationale bureau van de Internationale Politie Organisatie (Interpol). 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 De stukken en documenten welke krachtens dit verdrag worden overgedragen zijn vrijgesteld van alle formaliteiten van legalisatie. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 Indien een autoriteit die een verzoek om rechtshulp ontvangt onbevoegd is om daaraan gevolg te geven, zal zij dit verzoek ambtshalve overdragen aan de bevoegde autoriteit van haar land en zal zij de verzoekende Partij daarvan in kennis stellen. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 Elke weigering van rechtshulp zal met redenen worden omkleed. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 1 Indien de rechterlijke autoriteiten van een Partij het wenselijk achten dat door de rechterlijke autoriteiten van een andere Partij een strafvervolging wordt ingesteld, doen zij het dossier door bemiddeling van de Ministers van Justitie aan laatstbedoelde autoriteiten toekomen. Deze zullen onderzoeken welk gevolg aan dit verzoek kan worden gegeven; de verzoekende autoriteiten zullen langs dezelfde weg daarvan op de hoogte worden gebracht. 2 De processen-verbaal van ambtenaren en beambten van de verzoekende Partij en de ambtshandelingen van zijn rechterlijke autoriteiten stuiten in het andere land de verjaring van het recht tot strafvervolging indien in het betrokken land aan overeenkomstige processen-verbaal en overeenkomstige ambtshandelingen dergelijk gevolg is verbonden. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 Elk der Partijen geeft aan de betrokken Partij kennis van strafvonnissen en voor zoveel mogelijk ook van naderhand met betrekking tot die vonnissen genomen maatregelen, die betrekking hebben op onderdanen van die Partij en in het strafregister zijn vermeld. De Ministers van Justitie zullen deze mededelingen ten minste eenmaal per jaar uitwisselen. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 Voor zover in dit verdrag niet anders is bepaald, is op de uitleveringsprocedure en op die betreffende de voorlopige aanhouding en de uitvoering van verzoeken om rechtshulp, uitsluitend de wet van de aangezochte Partij van toepassing. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 De over te leggen stukken zullen zijn gesteld hetzij in de taal of de talen van de verzoekende Partij, hetzij in die van de aangezochte Partij. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 De Partijen doen over en weer afstand van iedere aanspraak op terugbetaling van de kostten welke uit de toepassing van dit verdrag voortvloeien. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 Voor de toepassing van dit verdrag betekent de uitdrukking „maatregelen" alle maatregelen die vrijheidsbeneming meebrengen en die bij vonnis van de strafrechter worden opgelegd naast of in plaats van een straf. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 1 Dit verdrag is slechts van toepassing op het Europese grondgebied van de Hoge Verdragsluitende Partijen. 2 De toepassing van dit verdrag kan bij overeenkomst tussen de Regeringen van de Hoge Verdragsluitende Partijen worden uitgebreid tot buiten Europa gelegen delen van het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden. Een dergelijke overeenkomst kan afwijkende bepalingen bevatten. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 1 Dit verdrag zal worden bekrachtigd en de akten van bekrachtiging zullen worden neergelegd bij de Belgische Regering. 2 Het verdrag zal in werking treden twee maanden na de nederlegging van de laatste akte van bekrachtiging. 3 Elk van de Hoge Verdragsluitende Partijen kan dit verdrag ten alle tijde opzeggen. 4 De opzegging geschiedt door daarvan mededeling te doen aan de twee andere Hoge Verdragsluitende Partijen. Zij krijgt rechtskracht zes maanden nadat zij is meegedeeld. 5 De opzegging heeft slechts rechtskracht voor wat betreft de Partij die haar heeft gedaan. Heit verdrag blijft in werking tussen de twee andere Partijen. 6 De opzegging kan beperkt zijn tot alle of tot bepaalde delen van het gebied bedoeld in artikel 48, lid 2. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 Voor zover de betrokken Partijen niet anders verklaren vervallen de verdragen en overeenkomsten betreffende de uitlevering, welke tussen bedoelde Partijen van kracht zijn, bij de inwerkingtreding van dit verdrag. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 Wanneer ambtenaren van een Verdragsluitende Partij, die bevoegd zijn tot het opsporen en constateren van strafbare feiten, onder de omstandigheden voorzien door het onderhavige verdrag of door enige andere Beneluxovereenkomst, optreden op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij, zijn die ambtenaren overeenkomstig de wetgeving van laatstbedoelde Partij aansprakelijk voor schade die zij aldaar veroorzaken. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 De autoriteiten van de Partij, waartoe die ambtenaren behoren, nemen op zich de schade, door hun ambtenaren op het grondgebied van een andere Partij veroorzaakt, te vergoeden op de wijze waarop de autoriteiten van laatstbedoelde Partij daartoe gehouden zouden zijn geweest, indien de schade door hun eigen ambtenaren zou zijn toegebracht. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 De Verdragsluitende Partijen erkennen de rechtsmacht van de rechter van het land waar de schade is veroorzaakt. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 De autoriteiten van de Partij, waartoe die ambtenaren behoren, zullen vrijwillig en zonder dat daartoe enige formaliteit vereist is, gevolg geven aan voor tenuitvoerlegging vatbare beslissingen, welke tegen hen overeenkomstig het in de artikelen 1, 2 en 3 bepaalde, zijn gewezen. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Onder voorbehoud van de uitoefening van zijn rechten tegenover derden, ziet elk van de Verdragsluitende Staten er, in het geval bedoeld in artikel 1, van af het bedrag van de schade, welke hij heeft geleden, of van de schadeloosstellingen, welke hij aan zijn ambtenaren heeft betaald, op een andere Verdragsluitende Partij te verhalen. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Tussen de Beneluxlanden zal uitlevering plaatsvinden voor feiten waartegen een vrijheidsstraf van ten minste zes maanden dan wel een zwaardere straf wordt bedreigd. Wanneer reeds een straf of maatregel is opgelegd kan de uitlevering slechts worden toegestaan indien de duur van die straf of maatregel ten minste drie maanden bedraagt. Wat onder een maatregel moet worden verstaan is in artikel 47 nader omschreven. Het tweede lid opent de mogelijkheid om de uitlevering ook toe te staan met betrekking tot delicten, die niet voldoen aan de eis aangaande de hoogte van de daartegen bedreigde of uitgesproken straf, mits een van de feiten waarvoor de uitlevering wordt toegestaan wel aan die eis voldoet. Hierdoor wordt de rechter van het aanvragende land in de gelegenheid gesteld te gelegener tijd over al de feiten, waarvan de uitgeleverde wordt beschuldigd, te oordelen en heeft deze het voordeel dat al deze feiten in één vonnis kunnen worden afgedaan. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 Evenals in de Europese overeenkomst, zal uitlevering wegens politieke misdrijven uitgesloten zijn. De militaire desertie zal nimmer als politiek delict worden beschouwd. Met betrekking tot andere feiten voorzien in de militaire strafwetgeving zal naar omstandigheden moeten worden beoordeeld of deze in het concrete geval al dan niet een politiek karakter dragen. In het onderhavige verdrag is niet overgenomen de bepaling uit de Europese overeenkomst, die de mogelijkheid opent uitlevering te weigeren, indien de aangezochte partij ernstige reden heeft om te veronderstellen dat een persoon vanwege zijn ras, godsdienst, nationaliteit of politieke overtuiging vervolgd of ernstiger gestraft zou worden. In Beneluxverband bestaat voor het treffen van een dergelijke voorziening geen aanleiding. Het derde lid stelt buiten twijfel dat het onderhavige artikel geen inbreuk maakt op internationale multilaterale overeenkomsten, welke bepalingen bevatten aangaande de uitlevering ter zake van feiten die eventueel als politiek misdrijf zouden kunnen worden beschouwd. Gedacht kan onder meer worden aan de Genocideconventie en de Geneefse Rode Kruis-conventies. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Krachtens dit artikel kunnen de daarin vermelde feiten hetzij per afzonderlijk delict, hetzij per categorie van delicten door middel van een aanvullende overeenkomst tussen de Regeringen onder de werking van het verdrag worden gebracht. De wenselijkheid dergelijke overeenkomsten te sluiten zal zich vooral voordoen wanneer de wetgevingen van de drie landen op een bepaald terrein voldoende aan elkaar zijn aangepast. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Aangezien de Beneluxlanden niet voornemens zijn hun onderdanen uit te leveren, sluit het onderhavige artikel dit uitdrukkelijk uit. Artikel 42 bevat een aanknopingspunt voor het doen instellen van een strafvervolging tegen de onderdaan die door het land waartoe hij behoort niet kan worden uitgeleverd. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 Krachtens dit artikel kan ook uitlevering worden toegestaan voor feiten, die op het grondgebied van het aangezochte land of op daarmede gelijkgestelde plaatsen, zoals schepen en vliegtuigen, die de vlag van dat land voeren, zijn gepleegd. Het aangezochte land behoudt echter de mogelijkheid in dergelijke gevallen de uitlevering te weigeren. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 De strekking van deze bepaling komt overeen met die van artikel 10 van de Europese overeenkomst. Gezien de tussen de Beneluxlanden bestaande verhoudingen lijkt het overbodig uitdrukkelijk te vermelden, dat de uitlevering niet zal worden toegestaan, indien de verjaring volgens het recht van het aanvragende land heeft plaatsgehad. Het spreekt immers vanzelf, dat dat land in een dergelijk geval geen verzoek om uitlevering zal indienen. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Dit artikel is zakelijk gelijk aan de inhoud van artikel 11 van de Europese overeenkomst. De redactie is echter iets meer aangepast aan de staatsrechtelijke verhoudingen in de Beneluxlanden. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 De uitleveringsverzoeken tussen de Beneluxlanden zullen niet via de diplomatieke weg worden gedaan, doch zullen door de Minister van Justitie van het aanvragende land tot de Minister van Justitie van het aangezochte land worden gericht. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 De in dit artikel bedoelde aanvullende inlichtingen kunnen zowel betrekking hebben op de feiten zelve, waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, als op het toepasselijke recht. Deze aanvullende inlichtingen zullen rechtstreeks door de justitiële autoriteiten van het aangezochte land aan de justitiële autoriteiten van het aanvragende land kunnen worden gevraagd. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 Van het beginsel dat een persoon in het aanvragende land slechts kan worden lastig gevallen voor een feit waarvoor zijn uitlevering is verkregen, het zgn. specialiteitsbeginsel, kan op grond van het onderhavige artikel in drie gevallen worden afgeweken: De onder c) omschreven afwijking van het specialiteitsbeginsel komt niet voor in de Europese overeenkomst. Het tweede lid van het onderhavige artikel bepaalt dat het aanvragende land bevoegd is de nodige maatregelen te nemen om de uitgeleverde na zijn vrijlating van zijn grondgebied te verwijderen. Het spreekt vanzelf dat die maatregelen eventueel met vrijheidsbeneming gepaard kunnen gaan. Het specialiteitsbeginsel verzet er zich op grond van het bepaalde in het derde lid niet tegen dat de kwalificatie, welke bij het verzoek om uitlevering aan een feit werd gegeven, tijdens de berechting verandering ondergaat, mits het feit ook onder deze nieuwe kwalificatie tot de feiten waarvoor uitlevering kan worden toegestaan, blijft behoren. a) indien het land dat de uitlevering toestond ermee instemt; b) indien de uitgeleverde het aanvragende land niet binnen vijftien dagen na zijn definitieve vrijlating heeft verlaten; c) indien de uitgeleverde, hetzij voor een rechterlijke autoriteit van het aangezochte land, hetzij voor een rechterlijke autoriteit van het aanvragende land uitdrukkelijk van het specialiteitsbeginsel afstand doet. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 Een persoon, die op grond van het onderhavige verdrag is uitgeleverd, zal slechts met toestemming van het aangezochte land verder mogen worden geleverd aan een Staat, die geen partij is bij het onderhavige verdrag, voor feiten die hij vóór zijn eerste uitlevering heeft bedreven. Deze toestemming is niet vereist in de in het vorige artikel onder b) en c) bedoelde gevallen. Ook is de toestemming niet vereist voor verderlevering aan een ander Beneluxland. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 Op grond van dit artikel kunnen rechterlijke autoriteiten van een land aan de rechterlijke autoriteiten van een ander land met het oog op een uitlevering de voorlopige aanhouding van een persoon verzoeken. Het verzoek kan slechts worden gedaan met betrekking tot een feit, waarvoor uitlevering mogelijk is. De autoriteiten van het aanvragende land zullen krachtens hun nationale wetgeving bevoegd moeten zijn de aanhouding te gelasten. De verzoeken zullen door rechterlijke autoriteiten van de aanvragende staat hetzij rechtstreeks, hetzij via Interpol tot de rechterlijke autoriteiten van de aangezochte Staat worden gericht. Indien de autoriteiten van de aangezochte Staat van oordeel zijn dat het verzoek bevoegdelijk door een bevoegde autoriteit van de aanvragende Staat is gedaan, zullen zij op dat verzoek overeenkomstig hun eigen wetgeving beslissen. Een voorlopige aanhouding zal in ieder geval een eind nemen indien niet binnen een termijn van achttien dagen een verzoek om uitlevering met de daarbij behorende stukken is ontvangen. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Dit artikel heeft zowel betrekking op het geval dat de uitlevering gelijktijdig door twee Beneluxlanden wordt gevraagd als op het geval dat de uitlevering zowel door een of meer Beneluxlanden als door andere Staten is verzocht. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 Het eerste lid van dit artikel geeft aan het gezochte land de bevoegdheid de overgave van een persoon, wiens uitlevering het heeft toegestaan, uit te stellen totdat de betrokkene, in verband met andere feiten, is berecht en een eventuele straf heeft ondergaan. Het tweede lid voorziet de mogelijkheid, een persoon, die een vrijheidsstraf ondergaat, tijdelijk ter beschikking te stellen van de aanvragende partij om zijn berechting mogelijk te maken. De betrokkene blijft in dat geval op het grondgebied van de aanvragende partij gedetineerd. De duur van deze detentie zal op grond van het derde lid in mindering komen van de straf, die hij in de aangezochte Staat ondergaat. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 Het onderhavige artikel opent de mogelijkheid tot een verkorte uitleveringsprocedure, die niet voorzien is in de Europese overeenkomst. Deze procedure zal kunnen worden gevolgd wanneer het aanvragende land dit verzoekt en zowel de persoon wiens uitlevering wordt gevraagd als het openbaar ministerie van het aangezochte land daarmede instemmen. De betrokkene zal zijn instemming uitdrukkelijk aan de bevoegde ambtenaar van het openbaar ministerie van het aangezochte land moeten kenbaar maken. Tot het moment van zijn overgave zal de betrokkene zijn toestemming kunnen intrekken. Het verzoek tot de onmiddellijke overgave in dit artikel bedoeld, wordt door de rechterlijke autoriteiten van het aanvragende land rechtstreeks gericht tot de rechterlijke autoriteiten van het aangezochte land. De instemming van de betrokkene met uitlevering op grond van dit artikel sluit in, dat hij afstand doet van zijn rechten, ontleend aan het specialiteitsbeginsel. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 De Verdragsluitende Partijen zullen gehouden zijn binnen de door hun wetgeving toegestane grenzen overtuigingsstukken en voorwerpen, die van het strafbare feit afkomstig zijn, in beslag te nemen en deze, voor zover de bevoegde rechter van de aangezochte partij dit toestaat, aan het aanvragende land over te geven. Overeenkomstig de voorschriften opgenomen in de Belgische en Luxemburgse wetgeving zal de overgave van in beslag genomen voorwerpen slechts plaats kunnen vinden nadat de rechter van het aangezochte land daartoe toestemming heeft verleend. De overgave zal zelfs kunnen plaatsvinden in geval een reeds toegestane uitlevering niet kan worden geëffectueerd door de dood of de ontvluchting van de betrokkene. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 De doorvoer van een uitgeleverde door een der Beneluxlanden zal op verzoek van de Minister van Justitie van het betrokken land gericht tot de Minister van Justitie van het land van doorvoer worden toegestaan, tenzij de uitlevering plaatsvindt voor een politiek delict of de uitgeleverde de nationaliteit van het land van doorvoer bezit. Bij het verzoek om doorvoer zullen de stukken, bedoeld in punt a. van het tweede lid van artikel 11, moeten worden overgelegd. Het onderhavige artikel is zowel van toepassing op doorvoer vanuit een Beneluxland naar een ander Beneluxland als op doorvoer vanuit een Beneluxland naar een andere Staat of vanuit een andere Staat naar een Beneluxland. Het derde lid voorziet in een eenvoudiger regeling in geval de doorvoer per vliegtuig plaatsvindt. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 De inhoud van dit artikel komt in grote trekken overeen met de inhoud van de artikelen 1 en 2 van de Europese overeenkomst aangaande de rechtshulp in strafzaken. De bepaling is echter in zoverre ruimer, dat daarin geen beperkingen m.b.t. militaire en fiscale zaken zijn opgenomen. De rechtshulp zal ook worden verleend, indien het betreft strafzaken tegen eigen onderdanen en strafzaken, die betrekking hebben op feiten welke in het aangezochte land niet strafbaar zijn gesteld. Het artikel moet in ruime zin worden uitgelegd. Het heeft niet alleen betrekking op de rechtshulp, die in dit hoofdstuk uitdrukkelijk wordt vermeld, doch ook op bijv. rechtshulp bij een procedure tot gratie of revisie. De rechtshulp kan worden geweigerd in geval van politieke misdrijven en in andere gevallen waar de veiligheid, de openbare orde of andere wezenlijke belangen van de aangezochte Staat zouden worden aangetast; tevens kan de rechtshulp worden geweigerd wanneer de betrokkene terzake van het feit waarvoor de rechtshulp wordt gevraagd reeds wordt vervolgd of is berecht. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 Onder „rogatoire commissie" in de zin van dit artikel moet worden verstaan een mandaat dat door een rechterlijke autoriteit van het ene land aan een rechterlijke autoriteit van het andere land wordt gegeven, ten einde in haar plaats een of meer in dat mandaat aangegeven handelingen te verrichten. De term „handelingen van onderzoek" omvat onder andere het horen van getuigen, deskundigen en verdachten, een onderzoek ter plaatse, huiszoekingen en inbeslagnemingen. Onder „strafzaak" zal moeten worden verstaan elke zaak met betrekking tot welke op grond van artikel 22 rechtshulp kan worden verleend. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 Dit artikel stelt de rogatoire commissie uitgaande van de rechterlijke autoriteiten van een van de Partijen, voor wat betreft hun uitvoering, gelijk met die uitgaande van een nationale rechter. Deze gelijkstelling brengt mede dat wordt afgeweken van artikel 11 van de Belgische wet van 25 maart 1874 aangaande uitlevering in die zin dat de voorafgaande toestemming van de Raadkamer niet vereist is om over te gaan tot inbeslagneming of huiszoeking. De rogatoire commissies, welke strekken tot een inbeslagneming of een huiszoeking, zullen echter slechts worden uitgevoerd indien zij betrekking hebben op feiten, welke op grond van het onderhavige verdrag op zichzelf tot uitlevering aanleiding kunnen geven. In beslag genomen voorwerpen kunnen slechts met toestemming van de bevoegde rechter van het aangezochte land aan het aanvragende land worden overgedragen. Het tweede lid van artikel 20 is terzake toepasselijk. Aan de aanvragende Staat overgedragen voorwerpen zullen op grond van artikel 29 moeten worden teruggezonden, tenzij de aangezochte Staat daarvan afstand doet. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 Indien op het grondgebied van een Beneluxland op verzoek en ten behoeve van de justitiële autoriteiten van een ander Beneluxland een strafrechterlijk onderzoek wordt ingesteld, zullen de justitiële autoriteiten van het aanvragende land bevoegd zijn een of meer ambtenaren af te vaardigen, ten einde aan dit onderzoek mede te werken. Deze ambtenaren zullen bij dit onderzoek een adviserende rol hebben. Het onderzoek zal worden uitgevoerd door de autoriteiten van het aangezochte land. Soortgelijke bepalingen zijn opgenomen in artikel 4 van het Benelux-verdrag nopens de samenwerking op het stuk van douanen en van accijnzen en in artikel 13 van het ontwerp-verdrag betreffende de samenwerking inzake regeling van in-, uit- en doorvoer. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 De ambtenaren van een land, die in hun eigen land een persoon volgen, die verdacht wordt van een feit, waarvoor uitlevering kan worden toegestaan, zijn bevoegd deze achtervolging op het grondgebied van een ander Beneluxland voort te zetten. Zij moeten zich dan zo spoedig mogelijk in verbinding stellen met de bevoegde ambtenaren van het land, dat zij hebben betreden. Deze laatsten zullen de achtervolgde persoon staande houden om zijn identiteit vast te stellen en hem eventueel arresteren. Indien blijkt dat degene die staande is gehouden geen onderdaan is van het land waar hij zich bevindt, zullen de justitiële autoriteiten van het land waartoe de achtervolgende ambtenaar behoort een verzoek tot voorlopige aanhouding, als bedoeld in artikel 15, kunnen doen. Ook zullen zij alsdan om toepassing van de verkorte uitleveringsprocedure, bedoeld in artikel 19, kunnen verzoeken. Indien de achtervolging ononderbroken is en het voor de achtervolgende ambtenaar niet mogelijk is een beroep te doen op de ambtenaren van het land dat zij hebben betreden, kunnen zij de achtervolgde in een strook van 10 km langs de grens zelf staande houden. In dat geval moeten zij de achtervolgde persoon overgeven aan de openbare macht van het land waar zij zich bevinden en wordt verder gehandeld als in het eerste lid van het onderhavige artikel is vermeld. De bepalingen vervat in artikel 26 zijn met betrekking tot de achtervolgende ambtenaren van toepassing, zelfs indien zij niet in het bezit zijn van een rogatoire commissie als bedoeld in dat artikel. Het vierde lid van het artikel geeft aan welke de bevoegde ambtenaren zijn. Overeenkomstige bepalingen komen voor in de twee bij de toelichting op artikel 26 vermelde Benelux-overeenkomsten. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 Indien ambtenaren, bedoeld in de artikelen 26 en 27, optreden op het grondgebied van een ander land, zijn zij krachtens dit artikel voor wat betreft strafbare feiten die tegen hen of door hen worden bedreven, gelijkgesteld met de ambtenaren van het land waar zij zich bevinden. Zij genieten derhalve op het grondgebied van dat andere land bij de uitoefening van hun functie dezelfde bescherming als de ambtenaren van dat land genieten. Voor strafbare feiten door hen op het grondgebied van een ander land bedreven, kunnen zij door dat land berecht worden alsof die feiten door zijn eigen ambtenaren waren begaan. Tijdens hun optreden in een ander land moeten de ambtenaren zich gedragen overeenkomstig de in dat land geldende voorschriften. De toepasselijkheid van het strafrecht van dat land sluit ook de toepasselijkheid in van de bepalingen, welke in die strafwetgeving voorkomen met betrekking tot de noodweer. Overeenkomstige bepalingen komen voor in de twee eerder vermelde Benelux-overeenkomsten. Artikel 28 van het onderhavige verdrag regelt niet de civielrechterlijke aansprakelijkheid voor tegen of door deze ambtenaren gepleegde handelingen. Dienaangaande is door de drie Regeringen een aanvullend protocol ontworpen. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 Gerechtelijke stukken bestemd voor een persoon die in een ander land verblijft, kunnen door de autoriteiten of deurwaarders van wie zij uitgaan rechtstreeks per aangetekend schrijven aan de betrokkene worden toegezonden. Ook kunnen deze autoriteiten en deurwaarders voor de toezending de tussenkomst inroepen van het openbaar ministerie van het land waar de geadresseerde verblijf houdt. Indien de bemiddeling van dat openbaar ministerie wordt ingeroepen kan dit het stuk aan de geadresseerde toezenden ofwel, wanneer dit uitdrukkelijk wordt gevraagd, het doen betekenen op dezelfde wijze als voor betekening van overeenkomstige gerechtelijke stukken in zijn land is voorgeschreven. Het aangezochte openbaar ministerie licht de verzoeker in aangaande het gevolg dat aan zijn verzoek is gegeven. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 Indien een rechterlijke autoriteit de persoonlijke verschijning van een getuige of deskundige, die zich op het grondgebied van een ander land bevindt, noodzakelijk oordeelt, kan zij deze door tussenkomst van het openbaar ministerie van het land waar de betrokkene verblijf houdt, doen dagvaarden. Een aldus gedagvaarde getuige is verplicht aan deze oproeping gevolg te geven. Artikel 34 stelt een sanctie op het niet-voldoen aan deze verplichting. Die verplichting bestaat slechts, indien de rechterlijke autoriteit de persoonlijke verschijning noodzakelijk heeft geoordeeld en in verband daarmede een dagvaarding via het intermediair van het openbaar ministerie van het land waar de getuige verblijft, heeft doen uitbrengen. Dagvaardingen, die bijv. op verzoek van de verdachte zijn uitgebracht en waarbij de rechterlijke autoriteit de persoonlijke verschijning niet noodzakelijk heeft geoordeeld, brengen geen verplichting tot verschijning mede en kunnen derhalve ook geen aanleiding geven tot toepassing van artikel 34, indien de getuige aan de oproeping geen gevolg geeft. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 Artikel 18, lid 2 bevat een bepaling, die het mogelijk maakt een persoon, die op het grondgebied van een der landen vrijheidsstraf ondergaat, tijdelijk ter beschikking te stellen van de rechterlijke autoriteiten van een ander land, ten einde zijn berechting mogelijk te maken. Het onderhavige artikel bevat een overeenkomstige bepaling ten einde zijn verhoor als getuige of een confrontatie in een ander land mogelijk te maken. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 Op degene, die wanneer hij overeenkomstig artikel 31 is gedagvaard om als getuige te verschijnen, niet aan die dagvaarding voldoet, zullen dezelfde strafbepalingen van toepassing zijn als had hij geweigerd te voldoen aan een dagvaarding om als getuige voor de rechter van zijn eigen land te verschijnen. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 Het eerste lid verschaft aan getuigen en deskundigen, die gevolg geven aan een dagvaarding om als zodanig te verschijnen immuniteit. Deze bepaling is niet slechts toepasselijk op personen, die overeenkomstig artikel 31 zijn gedagvaard, maar ook op hen aan wie rechtstreeks een dagvaarding is toegezonden. De immuniteit heeft geen betrekking op feiten, die zij na hun vertrek uit het land waar zij verblijf houden, bedrijven. Voor die feiten kunnen zij wel worden vervolgd en eventueel in hechtenis worden genomen. Met name kan dit het geval zijn, wanneer zij valse verklaringen zouden afleggen. Het tweede lid geeft aan een persoon, die vrijwillig aan een dagvaarding om als verdachte te verschijnen voldoet, immuniteit voor die feiten, die niet in de dagvaarding zijn vermeld en die hij voor zijn vertrek uit het land waar hij verblijft zou hebben gepleegd. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 Het eerste lid heeft betrekking op uittreksels uit het strafregister en op inlichtingen die op dat strafregister betrekking hebben, welke door rechterlijke autoriteiten van een ander land ten behoeve van strafzaken worden gevraagd. Die rechterlijke autoriteiten kunnen deze op dezelfde wijze verkrijgen als de rechterlijke autoriteiten van het aangezochte land. Het tweede lid heeft betrekking op verzoeken om inlichtingen betreffende het strafregister, die hetzij door rechterlijke autoriteiten voor andere dan strafrechterlijke doeleinden, hetzij door administratieve autoriteiten worden gedaan. Voor deze verzoeken kan elk land volgens zijn eigen regeling of zijn eigen praktijk bepalen in hoeverre het daaraan gevolg zal geven. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 In beginsel zullen verzoeken om rechtshulp door de betrokken rechterlijke autoriteiten rechtstreeks tot elkaar worden gericht. Verzoeken om inlichtingen uit het strafregister ten behoeve van strafzaken kunnen rechtstreeks aan de betrokken dienst worden gevraagd. Alleen verzoeken om inlichtingen uit het strafregister ten behoeve van niet-strafrechterlijke doeleinden en verzoeken om tijdelijke terbeschikkingstelling van gedetineerden moeten van Minister van Justitie tot Minister van Justitie worden gericht. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 Indien de rechterlijke autoriteiten van een land van oordeel zijn dat een zaak slechts berecht kan worden door de rechter van een ander land of dat berechting door de rechter van het andere land meer aangewezen is bijvoorbeeld door de aard van de zaak of de persoonlijkheid van de dader, kunnen zij door tussenkomst van de betrokken Ministers van Justitie een daartoe strekkend verzoek richten tot de rechterlijke autoriteiten van dat andere land, onder overlegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het aangezochte land zal het aanvragende land laten weten welk gevolg aan een dergelijk verzoek is gegeven. Door rechterlijke autoriteiten of politieambtenaren van het aanvragende land gestelde handelingen, hebben met betrekking tot de schorsing van de verjaring in het aangezochte land, dezelfde werking als waren zij door rechterlijke autoriteiten of opsporingsambtenaren van het aangezochte land verricht. 1962 97 25-09-1962 11-10-1967 1967 183 21-11-1967 11-12-1967