Verdrag tot eenmaking van enige regelen betreffende de strafrechtelijke bevoegdheid in zaken van aanvaring en andere scheepvaartongevallen
- BWB-id
- BWBV0005145
- Type
- verdrag
- Ministerie
- Buitenlandse Zaken
- Geldigheid
- Geldend vanaf 1971-12-27
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBV0005145
- ELI
- /eli/nl/verdrag/1971/bwbv0005145
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/verdrag/1971/bwbv0005145/1971-12-27
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBV0005145&g=1971-12-27
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBV0005145&z=2026-06-06&g=1971-12-27
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBV0005145/1971-12-27
Absolute ELI: /eli/nl/verdrag/1971/bwbv0005145
Artikel 1 — Article 1#
Article 1 In the event of a collision or any other incident of navigation concerning a sea-going ship and involving the penal or disciplinary responsibility of the master or of any other person in the service of the ship, criminal or disciplinary proceedings may be instituted only before the judicial or administrative authorities of the State of which the ship was flying the flag at the time of the collision or other incident of navigation. 1970 203 15-12-1970 1971 126 19-07-1971 27-12-1971
Artikel 2 — Article 2#
Article 2 In the case provided for in the preceding Article, no arrest or detention of the vessel shall be ordered, even as a measure of investigation, by any authorities other than those whose flag the ship was flying. 1970 203 15-12-1970 1971 126 19-07-1971 27-12-1971
Artikel 3 — Article 3#
Article 3 Nothing contained in this Convention shall prevent any State from permitting its own authorities, in cases of collision or other incidents of navigation, to take any action in respect of certificates of competence or licences issued by that State or to prosecute its own nationals for offences committed while on board a ship flying the flag of another State. 1970 203 15-12-1970 1971 126 19-07-1971 27-12-1971
Artikel 4 — Article 4#
Article 4 This Convention does not apply to collisions or other incidents of navigation occurring within the limits of a port or in inland waters. Furthermore the High Contracting Parties shall be at liberty, at the time of signature, ratification or accession to the Convention, to reserve to themselves the right to take proceedings in respect of offences committed within their own territorial waters. 1970 203 15-12-1970 1971 126 19-07-1971 27-12-1971
Artikel 5 — Article 5#
Article 5 The High Contracting Parties undertake to submit to arbitration any disputes between States arising out of the interpretation or application of this Convention, but this shall be without prejudice to the obligations of those High Contracting Parties who have agreed to submit their disputes to the International Court of Justice. 1970 203 15-12-1970 1971 126 19-07-1971 27-12-1971
Artikel 6 — Article 6#
Article 6 This Convention shall be open for signature by the States represented at the Ninth Diplomatic Conference on Maritime Law. The protocol of signature shall be drawn up through the good offices of the Belgian Ministry of Foreign Affairs. 1970 203 15-12-1970 1971 126 19-07-1971 27-12-1971
Artikel 7 — Article 7#
Article 7 This Convention shall be ratified and the instruments of ratification shall be deposited with the Belgian Ministry of Foreign Affairs which shall notify all signatory and acceding States of the deposit of any such instruments. 1970 203 15-12-1970 1971 126 19-07-1971 27-12-1971
Artikel 8 — Article 8#
Article 8 a This Convention shall come into force between the two States which first ratify it, six months after the date of the deposit of the second instrument of ratification. b This Convention shall come into force in respect of each signatory State which ratifies it after the deposit of the second instrument of ratification six months after the date of the deposit of the instrument of ratification of that State. 1970 203 15-12-1970 1971 126 19-07-1971 27-12-1971
Artikel 9 — Article 9#
Article 9 Any State not represented at the Ninth Diplomatic Conference on Maritime Law may accede to this Convention. The accession of any State shall be notified to the Belgian Ministry of Foreign Affairs which shall inform through diplomatic channels all signatory and acceding States of such notification. a. The Convention shall come into force in respect of the acceding State six months after the date of the receipt of such notification but not before the Convention has come into force in accordance with the provisions of Article 8 1970 203 15-12-1970 1971 126 19-07-1971 27-12-1971
Artikel 10 — Article 10#
Article 10 Any High Contracting Party may three years after the coming into force of this Convention in respect of such High Contracting Party or at any time thereafter request that a conference be convened in order to consider amendments to the Convention. Any High Contracting Party proposing to avail itself of this right shall notify the Belgian Government which shall convene the conference within six months thereafter. 1970 203 15-12-1970 1971 126 19-07-1971 27-12-1971
Artikel 11 — Article 11#
Article 11 Any High Contracting Party shall have the right to denounce this Convention at any time after the coming into force thereof in respect of such High Contracting Party. This denunciation shall take effect one year after the date on which notification thereof has been received by the Belgian Government which shall inform through diplomatic channels all the other High Contracting Parties of such notification. 1970 203 15-12-1970 1971 126 19-07-1971 27-12-1971
Artikel 12 — Article 12#
Article 12 a Any High Contracting Party may at the time of its ratification of or accession to this Convention or at any time thereafter declare by written notification to the Belgian Ministry of Foreign Affairs that the Convention shall extend to any of the territories for whose international relations it is responsible. The Convention shall six months after the date of the receipt of such notification by the Belgian Ministry of Foreign Affairs extend to the territories named therein, but not before the date of the coming into force of the Convention in respect of such High Contracting Party. b a A High Contracting Party which has made a declaration under paragraphof this Article extending the Convention to any territory for whose international relations it is responsible may at any time thereafter declare by notification given to the Belgian Ministry of Foreign Affairs that the Convention shall cease to extend to such territory and the Convention shall one year after the receipt of the notification by the Belgian Ministry of Foreing Affairs cease to extend thereto. c The Belgian Ministry of Foreign Affairs shall inform through diplomatic channels all signatory and acceding States of any notification received by it under this Article. 1970 203 15-12-1970 1971 126 19-07-1971 27-12-1971
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In geval van een aanvaring of van enig ander scheepvaartongeval, waarbij een zeeschip is betrokken en waarbij de strafrechtelijke of tuchtrechtelijke aansprakelijkheid van de kapitein of van enige andere persoon in dienst van het schip in het geding is, kan een strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vervolging alleen worden ingesteld ten overstaan van de gerechtelijke of administratieve autoriteiten van de Staat waarvan het schip op het tijdstip van de aanvaring of een ander scheepvaartongeval de vlag voerde. 1970 203 15-12-1970 1971 126 19-07-1971 27-12-1971
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 In het geval bedoeld in het voorgaande artikel kan een schip niet worden in beslag genomen noch worden vastgehouden, zelfs niet bij wijze van maatregel van onderzoek, door de autoriteiten van een ander land dan dat welks vlag het schip voerde. 1970 203 15-12-1970 1971 126 19-07-1971 27-12-1971
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 Geen bepaling van dit Verdrag belet een Staat zijn eigen autoriteiten de bevoegdheid te verlenen in geval van aanvaring of van een ander scheepvaartongeval maatregelen te treffen met betrekking tot de bewijzen van bevoegdheid en de vergunningen die hij heeft verleend, of zijn eigen onderdanen te vervolgen voor overtredingen die zij hebben begaan terwijl zij zich aan boord bevonden van een schip dat de vlag van een andere Staat voerde. 1970 203 15-12-1970 1971 126 19-07-1971 27-12-1971
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Dit Verdrag is niet van toepassing op aanvaringen of andere scheepvaartongevallen die hebben plaatsgevonden in havens, op reden en op binnenwateren. Daarnevens kunnen de Hoge Verdragsluitende Partijen bij de ondertekening, bij de nederlegging van de akten van bekrachtiging of van toetreding tot het Verdrag zich het recht voorbehouden overtredingen te vervolgen die op hun eigen territoriale wateren zijn begaan. 1970 203 15-12-1970 1971 126 19-07-1971 27-12-1971
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 De Hoge Verdragsluitende Partijen nemen de verplichting op zich alle geschillen tussen Staten die kunnen voortvloeien uit de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag aan een scheidsrechterlijke uitspraak te onderwerpen, onverminderd evenwel de verplichtingen van de Hoge Verdragsluitende Partijen die zijn overeengekomen hun geschillen voor te leggen aan het Internationale Hof van Justitie. 1970 203 15-12-1970 1971 126 19-07-1971 27-12-1971
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 Dit Verdrag staat ter ondertekening open voor de Staten, vertegenwoordigd op de negende Diplomatieke Zeerechtconferentie. Het proces-verbaal van ondertekening wordt opgemaakt door de zorg van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van België. 1970 203 15-12-1970 1971 126 19-07-1971 27-12-1971
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd en de akten van bekrachiging worden nedergelegd bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken van België; dit geeft van die nederlegging kennis aan alle ondertekenende en toetredende Staten. 1970 203 15-12-1970 1971 126 19-07-1971 27-12-1971
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 a) Dit Verdrag treedt in werking zodra twee Staten het hebben bekrachtigd, zes maanden na de datum van nederlegging van de tweede akte van bekrachtiging. b) Voor elke ondertekenende Staat die het Verdrag bekrachtigt na de nederlegging van de tweede akte van bekrachtiging treedt het in werking zes maanden na de datum van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging. 1970 203 15-12-1970 1971 126 19-07-1971 27-12-1971
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 Elke Staat die niet vertegenwoordigd is geweest op de negende Diplomatieke Zeerechtconferentie, kan tot dit Verdrag toetreden. De toetredingen worden medegedeeld aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken van België; dit stelt langs de diplomatieke weg alle ondertekenende en toetredende Staten daarvan in kennis. a Het Verdrag treedt voor de toetredende Staat in werking zes maanden na ontvangst van die mededeling, doch niet vóór de dag van zijn inwerkingtreding overeenkomstig het bepaalde in artikel 8,). 1970 203 15-12-1970 1971 126 19-07-1971 27-12-1971
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Elke Hoge Verdragsluitende Partij kan, na verloop van drie jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag te haren opzichte, de bijeenroeping verzoeken van een Conferentie die tot taak zal hebben te beslissen over voorstellen tot herziening van dit Verdrag. Elke Hoge Verdragsluitende Partij die van deze bevoegdheid gebruik wenst te maken doet daarvan mededeling aan de Belgische Regering; deze belast zich met het bijeenroepen van de Conferentie binnen zes maanden. 1970 203 15-12-1970 1971 126 19-07-1971 27-12-1971
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 Elke Hoge Verdragsluitende Partij heeft het recht dit Verdrag op elk tijdstip nadat het voor haar in werking is getreden op te zeggen. Deze opzegging wordt van kracht een jaar na de datum van ontvangst door de Belgische Regering van de kennisgeving van opzegging; deze stelt de andere Verdragsluitende Partijen langs de diplomatieke weg daarvan in kennis. 1970 203 15-12-1970 1971 126 19-07-1971 27-12-1971
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 a) Elke Hoge Verdragsluitende Partij kan bij de bekrachtiging van of de toetreding tot dit Verdrag of op elk later tijdstip de Belgische Regering er schriftelijk van in kennis stellen dat dit Verdrag toepasselijk is op alle gebieden of op bepaalde gebieden voor welker internationale betrekkingen zij verantwoordelijk is. Het Verdrag wordt op die gebieden van toepassing zes maanden na de datum van ontvangst van die mededeling door het Ministerie van Buitenlandse Zaken van België, doch niet vóór de dag van inwerkingtreding van dit Verdrag ten opzichte van die Hoge Verdragsluitende Partij. b) a) Iedere Hoge Verdragsluitende Partij die een verklaring heeft afgelegd als bedoeld ondervan dit artikel kan op elk tijdstip het Ministerie van Buitenlandse Zaken van België ervan in kennis stellen dat het Verdrag niet langer op het desbetreffende gebied van toepassing is. Deze opzegging wordt van kracht na verloop van een jaar na de ontvangst van de mededeling door het Ministerie van Buitenlandse Zaken van België. c) Het Ministerie van Buitenlandse Zaken van België stelt langs de diplomatieke weg alle ondertekenende en toetredende Staten in kennis van elke mededeling die het heeft ontvangen ingevolge dit artikel. 1970 203 15-12-1970 1971 126 19-07-1971 27-12-1971