Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de aanvulling en het vergemakkelijken van de toepassing van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957
- BWB-id
- BWBV0001030
- Type
- verdrag
- Ministerie
- Buitenlandse Zaken
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2002-04-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBV0001030
- ELI
- /eli/nl/verdrag/1983/bwbv0001030
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/verdrag/1983/bwbv0001030/2002-04-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBV0001030&g=2002-04-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBV0001030&z=2026-06-06&g=2002-04-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBV0001030/2002-04-01
Absolute ELI: /eli/nl/verdrag/1983/bwbv0001030
Artikel I — Artikel I#
Artikel I In deze Overeenkomst wordt verstaan onder Verdrag: het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957. 1979 142 08-10-1979 30-12-1982 1983 13 17-01-1983 30-01-1983
Artikel II — Artikel II#
Artikel II (bij artikel 2 van het Verdrag) 1 Uitlevering wordt ook toegestaan indien de duur van verscheidene straffen en maatregelen gezamenlijk minstens vier maanden bedraagt. 2 Onverminderd de artikelen 3 tot en met 5 en 7 tot en met 10 van het Verdrag wordt uitlevering krachtens artikel 2, tweede lid, van het Verdrag ook toegestaan voor feiten die slechts met een boete zijn bedreigd of die in een van beide Staten strafbaar zijn en in de andere Staat als vergrijpen tegen voorschriften betreffende de orde („Ordnungswidrigkeiten") door de bestuurlijke autoriteiten worden bestraft, mits van hun beslissingen beroep openstaat op een ook in strafzaken bevoegde rechter. De Uitlevering in de zin van dit lid is slechts toelaatbaar in aanvulling op een uitlevering krachtens artikel 2, eerste lid, van het Verdrag en kan tegelijk daarmede of naderhand worden toegestaan. 3 Een rechtsgeldige beslissing van een rechterlijke of bestuurlijke autoriteit waarbij een persoon, buiten behandeling ter terechtzitting, tot een straf of boete is veroordeeld staat gelijk met een strafvonnis mits die persoon in de gelegenheid is geweest zijn verdediging te voeren. 1979 142 08-10-1979 30-12-1982 1983 13 17-01-1983 30-01-1983
Artikel III — Artikel III#
Artikel III Vervallen 1992 37 19-03-1992 30-12-1982 1992 37 19-03-1992 30-12-1982 06-06-1991
Artikel IV — Artikel IV#
Artikel IV (bij artikel 7, eerste lid en artikel 8 van het Verdrag) 1 Indien het strafbare feit dat aan het verzoek tot uitlevering ten grondslag ligt ook aan de rechtsmacht van de aangezochte Staat is onderworpen, beziet deze of het beter is dat de opgeëiste persoon door een rechterlijke autoriteit van de verzoekende Staat wordt berecht. Dat geldt ook voor verzoeken achteraf om toestemming de opgeeiste persoon te vervolgen terzake van feiten waarvoor hij niet is uitgeleverd, alsmede voor verzoeken tot verderlevering. 2 Indien een van beide Partijen bij deze Overeenkomst een derde Staat de uitlevering van een eigen onderdaan heeft verzocht wegens een feit dat ook aan de rechtsmacht van de andere Partij is onderworpen, beziet deze laatste of zij, in plaats van de uitlevering aan de derde Staat te verzoeken, aan de Staat van herkomst de strafvervolging zal overdragen. 1979 142 08-10-1979 30-12-1982 1983 13 17-01-1983 30-01-1983
Artikel V — Artikel V#
Artikel V Vervallen 1995 89 30-03-1995 1995 89 30-03-1995 26-03-1995
Artikel VI — Artikel VI#
Artikel VI (bij artikel 12 van het Verdrag) Onverminderd de mogelijkheid tot gebruik van diplomatieke weg wordt over en weer gecorrespondeerd a) Vervallen. b) aangaande doortocht tussen de Bondsminister van Justitie van de Bondsrepubliek Duitsland en de Nederlandse Minister van Justitie. 1995 89 30-03-1995 1995 89 30-03-1995 26-03-1995
Artikel VII — Artikel VII#
Artikel VII (bij artikel 14 van het Verdrag) 1 De voorwaardelijke veroordeling of invrijheidstelling zonder oplegging van een maatregel die de bewegingsvrijheid van de uitgeleverde persoon beperkt staat gelijk met zijn definitieve invrijheidstelling. 2 De aangezochte Staat kan geen aanspraak maken op de inachtneming van de in artikel 14 van het Verdrag vervatte beperkingen wanneer de opgeëiste persoon ten overstaan van een rechter en nadat hij over de rechtsgevolgen is onderricht, verklaart in te stemmen met strafvervolging of tenuitvoerlegging van straf in hun volle omvang. Van de verklaring wordt proces-verbaal opgemaakt. 3 Deze verklaring kan ook nog nadat de uitlevering heeft plaatsgevonden, worden afgelegd. In dat geval moet aan de aangezochte Staat een gewaarmerkt afschrift van de verklaring worden toegezonden. 1979 142 08-10-1979 30-12-1982 1983 13 17-01-1983 30-01-1983
Artikel VIII — Artikel VIII#
Artikel VIII (bij artikel 17 van het Verdrag) Indien een van beide Partijen bij deze Overeenkomst en een derde Staat de andere Partij om uitlevering verzoeken en aan de inwilliging van een van deze verzoeken de voorkeur wordt gegeven, deelt de aangezochte Partij de verzoekende Staten tegelijk met de beslissing op het verzoek mede in hoeverre zij ermede instemt dat de Staat aan wie de opgeëiste persoon wordt uitgeleverd deze aan de andere verzoekende Staat verderlevert. 1979 142 08-10-1979 30-12-1982 1983 13 17-01-1983 30-01-1983
Artikel IX — Artikel IX#
Artikel IX (bij artikel 19 van het Verdrag) 1 Verzoeken tot tijdelijke overlevering van de opgeëiste persoon met het oog op bepaalde handelingen van procesrechtelijke aard, in het bijzonder de behandeling ter terechtzitting, worden ingewilligd voor zover daardoor de strafzaak in de aangezochte Staat geen nadeel ondervindt. Onmiddellijk nadat deze handelingen zijn uitgevoerd dan wel op aanvraag van de aangezochte Staat levert de verzoekende Staat de opgeëiste persoon ongeacht zijn nationaliteit terug. 2 De opgeëiste persoon moet gedurende zijn verblijf op het grondgebied van de verzoekende Staat door de bevoegde autoriteiten van die Staat in hechtenis worden gehouden. 3 De duur van de vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon tussen het tijdstip van zijn vertrek uit en dat van zijn terugkeer in het grondgebied van de aangezochte Staat, komt in mindering op de in de aangezochte Staat op te leggen of ten uitvoer te leggen straf. Indien tegen het voorgaande een feitelijk of wettelijk beletsel bestaat, komt de duur van de vrijheidsbeneming in mindering op de in de verzoekende Staat op te leggen of ten uitvoer te leggen straf. 4 Iedere Staat draagt de kosten die bij de toepassing van dit artikel op zijn grondgebied zijn gemaakt. 1979 142 08-10-1979 30-12-1982 1983 13 17-01-1983 30-01-1983
Artikel X — Artikel X#
Artikel X (bij artikel 20 van het Verdrag) 1 In de gevallen van artikel 20, eerste en tweede lid, bericht de aangezochte Staat, tegelijk met de mededeling dat de voorwerpen in beslag genomen zijn, of de opgeëiste persoon met de rechtstreekse teruggave daarvan aan de benadeelde instemt. De verzoekende Staat deelt zo spoedig mogelijk aan de aangezochte Staat mede of wordt afgezien van de overdracht van voorwerpen onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat zij op vertoon van een schriftelijke last tot teruggave, afkomstig van een met name genoemde autoriteit belast met de strafvervolging, aan de eigenaar of anderszins rechthebbende, dan wel aan een door dezen gemachtigde, overhandigd worden. 2 De aangezochte Staat zal geen zekerheidsrecht of enig ander verhaalsrecht met zakelijke werking krachtens de wettelijke bepalingen inzake de belastingen of de douane doen gelden op voorwerpen die, op last van een rechterlijke autoriteit, zonder voorwaarde van teruggave, worden overgedragen, tenzij de door het strafbare feit benadeelde eigenaar van de voorwerpen zelf terzake belastingplichtig is. 1979 142 08-10-1979 30-12-1982 1983 13 17-01-1983 30-01-1983
Artikel XI — Artikel XI#
Artikel XI (bij artikel 23 van het Verdrag) Uitleveringsverzoeken en andere bescheiden worden in de taal van de verzoekende Staat gesteld. Vertalingen kunnen niet worden geëist. 1979 142 08-10-1979 30-12-1982 1983 13 17-01-1983 30-01-1983
Artikel XIV — Artikel XIV#
Artikel XIV (bij artikel 31 van het Verdrag) De opzegging van het Verdrag door een van de Partijen bij deze Overeenkomst treedt tussen hen in werking na verloop van een termijn van twee jaar na de datum waarop de kennisgeving door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa is ontvangen. 1979 142 08-10-1979 30-12-1982 1983 13 17-01-1983 30-01-1983
Artikel XII — Artikel XII#
Artikel XII (bij artikel 27 van het Verdrag) 1 Deze Overeenkomst is ook verbindend voor het land Berlijn, voor zover de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland niet binnen een termijn van drie maanden na het in werking treden van de Overeenkomst tegenover de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden het tegendeel verklaart. 2 Deze Overeenkomst is slechts verbindend voor het Europese grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden. Indien de toepasselijkheid van het Verdrag wordt uitgebreid tot de Nederlandse Antillen en Aruba, kan de toepasselijkheid van deze Overeenkomst bij notawisseling tussen de Partijen tot de Nederlandse Antillen en Aruba worden uitgebreid. 2002 52 13-03-2002 22-01-2002 2002 52 13-03-2002 22-01-2002 01-04-2002
Artikel XIII — Artikel XIII#
Artikel XIII 1 Bepalingen van multilaterale verdragen, gesloten ter aanvulling of vergemakkelijking van de toepassing van het Verdrag en van kracht tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland, doen overeenkomstige bepalingen van deze Overeenkomst vervallen. 2 Voordat de in het eerste lid bedoelde multilaterale verdragen tussen de Partijen bij deze Overeenkomst van kracht worden, stellen zij in onderling overleg vast welke bepalingen van die verdragen overeenkomstige bepalingen van deze Overeenkomst doen vervallen. 1979 142 08-10-1979 30-12-1982 1983 13 17-01-1983 30-01-1983
Artikel XV — Artikel XV#
Artikel XV 1 Deze Overeenkomst dient te worden bekrachtigd; de akten van bekrachtiging zullen zo spoedig mogelijk te Bonn worden uitgewisseld. 2 Deze Overeenkomst treedt in werking een maand na de uitwisseling van de akten van bekrachtiging. 3 Deze Overeenkomst kan te allen tijde schriftelijk worden opgezegd; zij treedt zes maanden na de opzegging buiten werking. Zij treedt ook zonder speciale opzegging buiten werking op het tijdstip waarop het Verdrag tussen de Partijen bij deze Overeenkomst onverbindend is geworden. 1979 142 08-10-1979 30-12-1982 1983 13 17-01-1983 30-01-1983