Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart
- BWB-id
- BWBV0001441
- Type
- verdrag
- Ministerie
- Buitenlandse Zaken
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBV0001441
- ELI
- /eli/nl/verdrag/2009/bwbv0001441
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/verdrag/2009/bwbv0001441/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBV0001441&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBV0001441&z=2026-06-06&g=2026-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBV0001441/2026-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/verdrag/2009/bwbv0001441
Artikel 1 — Artikel 1 Begripsbepalingen#
Artikel 1 Begripsbepalingen In dit Verdrag wordt verstaan onder: a) „scheepsafval”: de in de onderdelen b tot en met f nader bepaalde stoffen of voorwerpen, waarvan de bezitter zich ontdoet, wil ontdoen dan wel moet ontdoen; b) „scheepsbedrijfsafval”: afval en afvalwater, dat bij het in bedrijf zijn en het onderhoud van het vaartuig aan boord ontstaat. Hieronder valt het olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval en het overige scheepsbedrijfsafval; c) „olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval”: afgewerkte olie, bilgewater, en overig olie- en vethoudend afval, zoals afgewerkt vet, gebruikte filters, gebruikte poetslappen, vaten en verpakkingsmateriaal van dit afval; d) „bilgewater”: oliehoudend water uit de bilge van de machinekamer, de voor- en achterpiek, de kofferdammen en de ruimten tussen zijwand en beunwand; e) „overig scheepsbedrijfsafval”: huishoudelijk afvalwater, huisvuil, zuiveringsslib, slops en klein gevaarlijk afval, bedoeld in Deel C van de Uitvoeringsregeling; f. Deel B van de Uitvoeringsregeling „afval van de lading”: afval en afvalwater, dat in verband met de lading aan boord van het schip ontstaat. Hiertoe behoren niet de restlading, dampen en overslagresten, bedoeld in; ff. „dampen”: gasvormige uit vloeibare lading vervluchtigende verbindingen (gasvormige restanten van vloeibare lading); g) „schip”: een binnenschip, zeeschip of drijvend werktuig; h) „passagiersschip”: een voor het vervoer van passagiers gebouwd en ingericht schip; i) „zeeschip”: een schip dat is toegelaten voor de zee- of kustvaart en overwegend daartoe is bestemd; j. „ontvangstinrichting”: een vaste of mobiele inrichting, door de bevoegde autoriteiten toegelaten voor het in ontvangst nemen van scheepsafval of dampen; k) „schipper”: degene onder wiens leiding het schip staat; l) „gemotoriseerd schip”: een schip waarvan de hoofd- of hulpmotoren, met uitzondering van ankerlieren, verbrandingsmotoren zijn; m) „gasolie”: van douanerechten en andere belastingen vrijgestelde brandstof voor binnenschepen; n) „bunkerbedrijf”: bedrijf waarvan schepen gasolie betrekken; nn. „exploitant van de ontvangstinrichting”: degene die beroepsmatig een ontvangstinrichting exploiteert; o. „exploitant van de overslaginstallatie”: degene die beroepsmatig het laden en lossen van schepen uitvoert; p. „verlader”: degene die de vervoersopdracht heeft verleend; q. „vervoerder”: degene die zich beroepsmatig tot het vervoer van goederen verbindt; r. „ladingontvanger”: degene die gerechtigd is de goederen in ontvangst te nemen; s. „uitstoten van dampen”: elk afblazen van dampen uit een gesloten ladingtank met uitzondering van het ontspannen van de tank om de luiken te openen en om de dampconcentratie te meten alsmede bij het inschakelen van de veiligheidsventielen. 2018 23 21-02-2018 80 31-08-2022 2024 71 28-06-2024 01-10-2024
Artikel 2 — Artikel 2 Geografisch toepassingsgebied#
Artikel 2 Geografisch toepassingsgebied Dit Verdrag is van toepassing op de in Bijlage 1 genoemde vaarwegen. 1996 293 01-11-1996 10-07-2000 2010 180 17-06-2010 01-11-2009 2010 180 17-06-2010 2010 180 17-06-2010 01-11-2009
Artikel 3 — Artikel 3 Verbod tot inbrengen, lozen en uitstoten#
Artikel 3 Verbod tot inbrengen, lozen en uitstoten 1 Bijlage 1 Het is verboden scheepsafval en delen van de lading vanaf schepen in de ingenoemde vaarwegen te brengen of te lozen, alsook dampen op de in Bijlage 1 genoemde vaarwegen in de atmosfeer uit te stoten. 2 De Verdragsluitende Staten dragen er zorg voor dat het in het eerste lid genoemde verbod wordt nageleefd. 3 Bijlage 2 Uitzonderingen op dit verbod zijn slechts toegestaan in overeenstemming meten de daarbijbehorende aanhangsels, hierna te noemen de „Uitvoeringsregeling”. 2018 23 21-02-2018 2024 71 28-06-2024 01-10-2024
Artikel 4 — Artikel 4 Ontvangstinrichtingen#
Artikel 4 Ontvangstinrichtingen 1 De Verdragsluitende Staten verplichten zich ertoe langs de in Bijlage 1 genoemde vaarwegen een voldoende dicht net van ontvangstinrichtingen in te richten of te laten inrichten en dit internationaal af te stemmen. 2 De Verdragsluitende Staten voeren overeenkomstig de Uitvoeringsregeling een uniforme procedure in met betrekking tot de verzameling van scheepsafval en de afgifte aan de ontvangstinrichtingen. Van deze procedure maakt wat betreft de in artikel 1, onderdelen c, d en f genoemde afvalsoorten, een document ten bewijze van de reglementaire afgifte van dit scheepsafval deel uit. De reglementaire afgifte van slops en zuiveringsslib als bedoeld in Deel C van de Uitvoeringsregeling dient overeenkomstig nationale voorschriften aangetoond te worden. 3 De ontvangstinrichtingen zijn verplicht het scheepsafval overeenkomstig de in de Uitvoeringsregeling vastgelegde procedure aan te nemen. 4 De Verdragsluitende Staten dragen er zorg voor dat de ontvangstinrichtingen hun verplichting tot inname van scheepsafval overeenkomstig de nationale regelingen nakomen. 1996 293 01-11-1996 10-07-2000 2010 180 17-06-2010 01-11-2009 2010 180 17-06-2010 2010 180 17-06-2010 01-11-2009
Artikel 5 — Artikel 5 Grondslag van de financiering#
Artikel 5 Grondslag van de financiering De Verdragsluitende Staten voeren een uniforme financieringswijze in voor de inname en verwijdering van scheepsafval. 1996 293 01-11-1996 10-07-2000 2010 180 17-06-2010 01-11-2009 2010 180 17-06-2010 2010 180 17-06-2010 01-11-2009
Artikel 6 — Artikel 6 Financiering van de inname en verwijdering van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval#
Artikel 6 Financiering van de inname en verwijdering van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval 1 De financiering van de inname en verwijdering van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval geschiedt door middel van een verwijderingsbijdrage, die van gemotoriseerde schepen, voor zover zij gasolie gebruiken, wordt geheven, met uitzondering van zeeschepen. De hoogte van de verwijderingsbijdrage is in alle Verdragsluitende Staten gelijk. Deze wordt vastgesteld op basis van de som van de inname- en verwijderingskosten, na aftrek van de eventuele opbrengsten van de verwerking van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval en van de hoeveelheid geleverde gasolie, volgens de in Deel A van de Uitvoeringsregeling vastgelegde procedure. Het bedrag wordt aan de kostenontwikkeling aangepast. Ter bevordering van het voorkomen van afval dienen criteria uitgewerkt te worden en bij de vaststelling van de hoogte van de verwijderingsbijdrage in acht te worden genomen. De betaalde verwijderingsbijdragen zijn uitsluitend voor de financiering van de inname en de verwijdering van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval aan te wenden. 2 De in het eerste lid genoemde procedure wordt indien nodig met inachtneming van de bij de uitvoering van het systeem opgedane ervaringen getoetst. 3 De betaling van de verwijderingsbijdrage geeft recht op afgifte van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval aan de door de nationale instituten aangewezen ontvangstinrichtingen. 4 De Verdragsluitende Staten stellen zeker dat de schippers en de bunkerinrichtingen de voor hen ingevolge Deel A van de Uitvoeringsregeling geldende verplichtingen in het bijzonder bij elke levering van gasolie nakomen. 1996 293 01-11-1996 10-07-2000 2010 180 17-06-2010 01-11-2009 2010 180 17-06-2010 2010 180 17-06-2010 01-11-2009 Wordt toegepast vanaf 1 juli 2010 (Trb. 2010/180). Volgens Trb.
2010/260 wordt de datum gerectificeerd in 1 januari 2011.
Artikel 7 — Artikel 7 Financiering van de inname en verwijdering van overig scheepsbedrijfsafval#
Artikel 7 Financiering van de inname en verwijdering van overig scheepsbedrijfsafval 1 In havens, bij overslaginstallaties alsmede bij ligplaatsen en sluizen worden voor de inname en verwijdering van huisvuil geen aparte heffingen geheven. 2 Met betrekking tot de inname en verwijdering van klein gevaarlijk afval zullen de Verdragsluitende Staten afgestemde regelingen treffen voor een financieringssysteem waarin de kosten voor de inname en verwijdering van het genoemde afval, ongeacht of het afval afgegeven wordt, in de haven- of liggelden inbegrepen zijn dan wel het schip anderszins opgelegd worden. 3 Voor passagiersschepen geldt dat de kosten voor de inname en verwijdering van huishoudelijk afvalwater en zuiveringsslib alsmede van huisvuil en klein gevaarlijk afval de schipper afzonderlijk in rekening kunnen worden gebracht. 4 De kosten voor de inname en verwijdering van slops kunnen de schipper afzonderlijk in rekening worden gebracht. 1996 293 01-11-1996 10-07-2000 2010 180 17-06-2010 01-11-2009 2010 180 17-06-2010 2010 180 17-06-2010 01-11-2009
Artikel 8 — Artikel 8 Financiering van het nalossen, het wassen, het ontgassen alsmede de inname en verwijdering van afval van de lading#
Artikel 8 Financiering van het nalossen, het wassen, het ontgassen alsmede de inname en verwijdering van afval van de lading 1 Deel B van de Uitvoeringsregeling De verlader of de ladingontvanger draagt de kosten voor het nalossen en het wassen van het schip alsmede voor de inname en verwijdering van afval van de lading overeenkomstig. 1a Deel B van de Uitvoeringsregeling De verlader draagt de kosten voor het ontgassen van het schip overeenkomstig. 2 Indien het schip vóór het laden niet overeenstemt met de voorgeschreven losstandaard en indien de ladingontvanger of verlader van het vorige transport zijn verplichtingen is nagekomen, draagt de vervoerder de kosten voor het nalossen en van het schip, alsook voor de inname en verwijdering van het afval van de lading. a) bij het wassen, de kosten voor het wassen, b) bij het ontgassen, de kosten voor het ontgassen 2018 23 21-02-2018 2024 71 28-06-2024 01-10-2024
Artikel 9 — Artikel 9 Nationaal instituut#
Artikel 9 Nationaal instituut 1 Iedere Verdragsluitende Staat wijst een nationaal instituut aan dat verantwoordelijk is voor de organisatie van het uniforme financieringssysteem voor de inname en verwijdering van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval overeenkomstig de in Deel A van de Uitvoeringsregeling vastgelegde bepalingen. 2 De samenstelling alsmede de details van de organisatie en de werkwijze van het nationale instituut worden in nationale regelingen van de Verdragsluitende Staten vastgelegd. In het nationale instituut moeten vertegenwoordigers van de binnenvaartbranche zijn opgenomen. 3 De bedrijfs- en administratiekosten van ieder nationaal instituut worden door de desbetreffende Verdragsluitende Staat gedragen. 1996 293 01-11-1996 10-07-2000 2010 180 17-06-2010 01-11-2009 2010 180 17-06-2010 2010 180 17-06-2010 01-11-2009
Artikel 10 — Artikel 10 Internationale financiële verevening – Internationaal verevenings- en coördinatieorgaan#
Artikel 10 Internationale financiële verevening – Internationaal verevenings- en coördinatieorgaan 1 De internationale financiële verevening geschiedt op grond van dit Verdrag, alsmede aan de hand van Deel A van de Uitvoeringsregeling. 2 Er wordt een internationaal verevenings- en coördinatieorgaan opgericht. Dit orgaan dient onder andere: Dit orgaan bestaat uit twee vertegenwoordigers van elk nationaal instituut, waarvan één afkomstig dient te zijn uit de nationale binnenvaartbranche. a) zorg te dragen voor de financiële verevening tussen de nationale instituten met betrekking tot de inname en verwijdering van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval overeenkomstig de door haar op grond van Deel A van de Uitvoeringsregeling bepaalde procedure; b) te toetsen in hoeverre het voorhanden zijnde net van ontvangstinrichtingen, met inachtneming van de behoeften van de scheepvaart en de economische doelmatigheid van de afvalverwijdering, aangepast dient te worden; c) het in artikel 6 bedoelde financieringssysteem van de inname en verwijdering van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval aan de hand van de in de praktijk opgedane ervaringen jaarlijks te evalueren; d) voorstellen voor te leggen voor de aanpassing van de hoogte van de verwijderingsbijdrage aan de kostenontwikkeling; e) voorstellen voor te leggen in hoeverre ten aanzien van de hoogte van de verwijderingsbijdrage rekening moet worden gehouden met technische maatregelen ter voorkoming van afval. 3 Het internationale verevenings- en coördinatieorgaan stelt een huishoudelijk reglement op dat met eenparigheid van stemmen wordt vastgesteld en waarin de nadere details van de internationale financiële verevening worden vastgelegd. 4 De organisatie van het internationale verevenings- en coördinatieorgaan is in Deel A van de Uitvoeringsregeling vastgelegd. 5 Het secretariaat van het internationale verevenings- en coördinatieorgaan wordt gevoerd door het secretariaat van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart. 6 De kosten van het internationale verevenings- en coördinatieorgaan, worden vooraf aan de hand van een begroting voor het volgende jaar geraamd, waaraan de Verdragsluitende Staten voor gelijke delen bijdragen. 1996 293 01-11-1996 10-07-2000 2010 180 17-06-2010 01-11-2009 2010 180 17-06-2010 2010 180 17-06-2010 01-11-2009
Artikel 11 — Artikel 11 Algemene zorgplicht#
Artikel 11 Algemene zorgplicht De schipper, de overige bemanning en andere personen aan boord, de verlader, de vervoerder, de ladingontvanger, de exploitanten van overslaginstallaties, alsmede de exploitanten van ontvangstinrichtingen moeten de door de omstandigheden vereiste zorgvuldigheid betrachten om verontreiniging van de vaarwegen en de atmosfeer te voorkomen, de hoeveelheid scheepsafval zo gering mogelijk te houden en vermenging van verschillende afvalsoorten zo veel mogelijk te voorkomen. 2018 23 21-02-2018 2024 71 28-06-2024 01-10-2024
Artikel 12 — Artikel 12 Verplichtingen en rechten van de schipper#
Artikel 12 Verplichtingen en rechten van de schipper 1 De schipper kan het scheepsafval aan de ontvangstinrichtingen van elke Verdragsluitende Staat afgeven onder de in de Uitvoeringsregeling opgenomen voorwaarden. 2 De schipper dient de in de Uitvoeringsregeling opgenomen verplichtingen na te komen. Hij dient in het bijzonder, behoudens de in de Uitvoeringsregeling opgenomen uitzonderingen, het verbod om vanaf het schip scheepsafval en delen van de lading in de vaarweg te brengen dan wel te lozen of deze in de atmosfeer uit te stoten, in acht te nemen. 3 Indien de schipper niet verantwoordelijk gesteld kan worden, kunnen achtereenvolgens de vervoerder, de exploitant van het schip of de scheepseigenaar voor het nakomen van de verplichtingen in dit Verdrag verantwoordelijk worden gesteld. 2018 23 21-02-2018 2024 71 28-06-2024 01-10-2024
Artikel 13 — Artikel 13 Verplichtingen van de vervoerder, de verlader en de ladingontvanger alsmede van de exploitanten van overslaginstallaties en ontvangstinrichtingen#
Artikel 13 Verplichtingen van de vervoerder, de verlader en de ladingontvanger alsmede van de exploitanten van overslaginstallaties en ontvangstinrichtingen Uitvoeringsregeling De vervoerder, de verlader, de ladingontvanger, alsmede de exploitanten van overslaginstallaties en ontvangstinrichtingen dienen ieder hun verplichtingen overeenkomstig dena te komen. Zij kunnen voor de naleving van hun verplichtingen een beroep op een derde doen. 2018 23 21-02-2018 2024 71 28-06-2024 01-10-2024
Artikel 14 — Artikel 14 Organisatie en bevoegdheid#
Artikel 14 Organisatie en bevoegdheid 1 De Verdragsluitende Partijen richten een Conferentie der Verdragsluitende Partijen op die met het toezicht op de uitvoering van dit Verdrag is belast. Deze Conferentie komt eenmaal per jaar bijeen. De Conferentie kan op verzoek van ten minste twee Verdragsluitende Partijen voor een buitengewone vergadering bijeengeroepen worden. 2 De Conferentie toetst wijzigingen van dit Verdrag en van de bij het Verdrag behorende bijlagen en beslist hierover, overeenkomstig de in artikel 19 neergelegde procedure. 3 De Conferentie besluit op voorstel van het internationale verevenings- en coördinatieorgaan over: Op voorstel van het internationale verevenings- en coördinatieorgaan doet de Conferentie aanbevelingen aan de Verdragsluitende Staten ten aanzien van aanpassingen van het voorhanden zijnde net van ontvangstinrichtingen. a) de jaarlijkse financiële verevening; b) de vaststelling van de verwijderingsbijdrage voor het komende jaar, overeenkomstig de in artikel 6 vastgelegde procedure; c) wijzigingen van de voorlopige en jaarlijkse financiële vereveningsprocedure; d) verlaging van de verwijderingsbijdrage in verband met technische maatregelen tot het voorkomen van afval op schepen. 4 De Conferentie beslecht geschillen met betrekking tot de uitlegging en toepassing van dit Verdrag, alsmede geschillen ontstaan binnen het internationale verevenings- en coördinatieorgaan, zonder dat hierdoor de lopende, voorlopige financiële verevening wordt opgeschort. 5 De Conferentie stelt een huishoudelijk reglement op, dat met eenparigheid van stemmen wordt vastgesteld. 6 De Conferentie stelt voor het volgende jaar een begroting op, waaraan de Verdragsluitende Staten voor gelijke delen bijdragen. 1996 293 01-11-1996 10-07-2000 2010 180 17-06-2010 01-11-2009 2010 180 17-06-2010 260 14-10-2010 2010 180 17-06-2010 01-11-2009
Artikel 15 — Artikel 15 Secretariaat#
Artikel 15 Secretariaat Ter uitvoering van dit Verdrag wordt het Secretariaat van de Conferentie der Verdragsluitende Partijen gevoerd door het Secretariaat van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart. 1996 293 01-11-1996 10-07-2000 2010 180 17-06-2010 01-11-2009 2010 180 17-06-2010 2010 180 17-06-2010 01-11-2009
Artikel 16 — Artikel 16 Sancties#
Artikel 16 Sancties De Verdragsluitende Staten vervolgen de op hun grondgebied begane overtredingen van de in dit Verdrag en zijn Uitvoeringsregeling vastgelegde ge- en verboden overeenkomstig de desbetreffende nationale regelingen. 1996 293 01-11-1996 10-07-2000 2010 180 17-06-2010 01-11-2009 2010 180 17-06-2010 2010 180 17-06-2010 01-11-2009
Artikel 17 — Artikel 17 Ondertekening, bekrachtiging, toetreding#
Artikel 17 Ondertekening, bekrachtiging, toetreding 1 Dit Verdrag is voor ondertekening opengesteld van 1 juni 1996 tot en met 30 september 1996 voor de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk België, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat. 2 Dit Verdrag vereist de bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van de ondertekenende Staten. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart. 3 Na inwerkingtreding staat dit Verdrag open voor toetreding door alle Staten waarvan de voor de binnenvaart openstaande vaarwegen met die van de Verdragsluitende Staten in verbinding staan. De akten van toetreding worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart. 1996 293 01-11-1996 10-07-2000 2010 180 17-06-2010 01-11-2009 2010 180 17-06-2010 2010 180 17-06-2010 01-11-2009
Artikel 18 — Artikel 18 Inwerkingtreding#
Artikel 18 Inwerkingtreding Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na nederlegging van de laatste akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring door de ondertekenende Staten. Het treedt voor elke andere Verdragsluitende Partij in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de nederlegging van de akte van toetreding door die Verdragsluitende Partij. 1996 293 01-11-1996 10-07-2000 2010 180 17-06-2010 01-11-2009 2010 180 17-06-2010 2010 180 17-06-2010 01-11-2009
Artikel 19 — Artikel 19 Wijzigingen van het Verdrag en de bijlagen daarbij#
Artikel 19 Wijzigingen van het Verdrag en de bijlagen daarbij 1 Iedere Verdragsluitende Partij kan wijzigingen van dit Verdrag en de bijlagen daarbij voorstellen. De voorstellen tot wijziging worden op de Conferentie der Verdragsluitende Partijen getoetst. 2 De tekst van elk voorstel tot wijziging alsmede de onderbouwing van dit voorstel worden aan de depositaris voorgelegd, die het voorstel uiterlijk drie maanden voor aanvang van de Conferentie aan de Verdragsluitende Partijen ter kennis brengt. Alle met betrekking tot een voorstel binnengekomen standpunten worden door de depositaris aan de Verdragsluitende Partijen ter kennis gebracht. 3 Wijzigingen van dit Verdrag en van de bijlagen daarbij worden met eenparigheid van stemmen aangenomen. 4 Wijzigingen van dit Verdrag vereisen de bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring door de Verdragsluitende Partijen. Zij treden in werking op de eerste dag van de zesde maand volgende op de nederlegging van de laatste akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring. 5 Wijzigingen van de bijlagen van dit Verdrag treden in werking op de overeengekomen datum, uiterlijk negen maanden na de aanneming, voor zover geen van de Verdragsluitende Partijen binnen zes maanden mededeelt dat zij niet instemt met de wijzigingen. 1996 293 01-11-1996 10-07-2000 2010 180 17-06-2010 01-11-2009 2010 180 17-06-2010 2010 180 17-06-2010 01-11-2009
Artikel 20 — Artikel 20 Opzegging#
Artikel 20 Opzegging 1 Dit Verdrag kan na het verstrijken van vijf jaar vanaf de dag waarop het Verdrag voor de desbetreffende Verdragsluitende Partij in werking is getreden door een Verdragsluitende Partij te allen tijde worden opgezegd door een aan de depositaris gerichte mededeling. 2 De opzegging wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt na het verstrijken van een jaar vanaf de datum van ontvangst van de mededeling, echter niet eerder dan na afsluiting van de jaarlijkse financiële verevening met betrekking tot het voorafgaande boekjaar, dan wel na het verstrijken van een in de mededeling bepaalde langere termijn. 1996 293 01-11-1996 10-07-2000 2010 180 17-06-2010 01-11-2009 2010 180 17-06-2010 2010 180 17-06-2010 01-11-2009
Artikel 21 — Artikel 21 Depositaris#
Artikel 21 Depositaris 1 De Secretaris-Generaal van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart is de depositaris van dit Verdrag. Deze zorgt voor een protocol van de nederlegging van de akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding en zendt alle in artikel 17, eerste lid, genoemde Partijen alsmede alle Partijen die zijn toegetreden tot dit Verdrag, een gewaarmerkt afschrift van deze akten en van het protocol van nederlegging toe. 2 De depositaris zendt alle in artikel 17, eerste lid, genoemde Partijen alsmede alle Partijen, die tot dit Verdrag zijn toegetreden, gewaarmerkte afschriften van dit Verdrag in de in artikel 22 genoemde talen. 3 De depositaris zendt alle in artikel 17, eerste lid, genoemde Partijen alsmede alle Partijen die tot dit Verdrag zijn toegetreden, dan wel deelt hen mede: a) iedere volgende ondertekening, alsmede de dag waarop deze ondertekening heeft plaatsgevonden; b) de in artikel 19, tweede lid, bedoelde documenten; c) de teksten van iedere wijziging van dit Verdrag en van de bijlagen daarbij in de in artikel 22 genoemde talen; d) de dag van de inwerkingtreding van dit Verdrag, alsmede van de wijzigingen van dit Verdrag en van de bijlagen bij dit Verdrag; e) mededelingen van de Verdragsluitende Partijen dat zij met een wijziging van de bijlagen niet instemmen en iedere andere mededeling die ingevolge enig artikel van dit Verdrag voorgeschreven is; f) iedere opzegging van dit Verdrag en de dag waarop deze in werking treedt. 1996 293 01-11-1996 10-07-2000 2010 180 17-06-2010 01-11-2009 2010 180 17-06-2010 2010 180 17-06-2010 01-11-2009
Artikel 22 — Artikel 22 Talen#
Artikel 22 Talen Dit Verdrag is opgesteld in een enkel origineel exemplaar in de Nederlandse, Duitse en Franse taal, zijnde elke tekst gelijkelijk authentiek. 1996 293 01-11-1996 10-07-2000 2010 180 17-06-2010 01-11-2009 2010 180 17-06-2010 2010 180 17-06-2010 01-11-2009
Artikel 1.01 — Artikel 1.01 Bevestiging van afgifte#
Artikel 1.01 Bevestiging van afgifte Aanhangsel I De exploitanten van ontvangstinrichtingen tekenen de afgifte van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval door een schip aan in het olieafgifteboekje, overeenkomstig het model in. 2023 117 13-10-2023 2023 117 13-10-2023 01-08-2023
Artikel 2.01 — Artikel 2.01 Verbod van inbrenging en lozing#
Artikel 2.01 Verbod van inbrenging en lozing 1 Het is verboden olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval vanaf schepen in de vaarweg te brengen of te lozen. 2 Indien het in het eerste lid genoemde afval of afvalwater vrijkomt of dreigt vrij te komen, moet de schipper onverwijld de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit waarschuwen. Daarbij moet hij de plaats van het voorval, alsmede hoeveelheid en aard van de stof zo nauwkeurig mogelijk aangeven. 3 Van het in het eerste lid genoemde verbod is uitgezonderd het lozen in de vaarweg door toegelaten bilgeboten van van olie gescheiden water, indien het maximale restoliegehalte in het afgescheiden water constant en zonder voorafgaande verdunning voldoet aan de nationale voorschriften. 2023 117 13-10-2023 2023 117 13-10-2023 01-08-2023
Artikel 2.02 — Artikel 2.02 Verzameling en behandeling aan boord#
Artikel 2.02 Verzameling en behandeling aan boord 1 artikel 1, onderdeel d artikel 8.01, onderdeel e Bilgewater als bedoeld in, dat afkomstig is uit de daar genoemde zones aan boord van het schip, wordt uitsluitend beschouwd als bilgewater indien het oliehoudende water tijdens de scheepsbedrijfsactiviteiten of bij onderhoudswerkzaamheden aan het schip ontstaan is en, afgezien van met olie, niet met andere stoffen verontreinigd is. Bilgewater dat anderszins verontreinigd is, moet worden beschouwd als 'klein gevaarlijk afval' als bedoeld in. De schipper dient zeker te stellen dat olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval aan boord gescheiden in de daarvoor bestemde verzamelreservoirs respectievelijk het bilgewater in de bilge van de machinekamer wordt verzameld. De verzamelreservoirs moeten aan boord zó opgeslagen worden dat daaruit lekkende stoffen gemakkelijk en tijdig opgemerkt kunnen worden en het lekken gestopt kan worden. 2 Het is verboden: a) los aan dek staande verzamelreservoirs te gebruiken voor de opslag van afgewerkte olie; b) afval aan boord te verbranden; c) reinigingsmiddelen die olie of vet oplossen dan wel emulgerend zijn in de bilge van de machinekamer te doen geraken. Van dit verbod zijn uitgezonderd reinigingsmiddelen die de verwerking van het bilgewater door de ontvangstinrichtingen niet bemoeilijken. 2023 117 13-10-2023 2023 117 13-10-2023 01-08-2023
Artikel 2.03 — Artikel 2.03 Olie-afgifteboekje, afgifte aan ontvangstinrichtingen#
Artikel 2.03 Olie-afgifteboekje, afgifte aan ontvangstinrichtingen 1 Aanhangsel I Elk gemotoriseerd schip moet, indien het gasolie gebruikt, een geldig olie-afgifteboekje, volgens het model opgenomen in, aan boord hebben, dat door de bevoegde autoriteit wordt verstrekt. Dit olie-afgifteboekje moet aan boord worden bewaard. Na verkrijging van een nieuw olie-afgifteboekje moet het voorgaande olieafgifteboekje ten minste zes maanden na de laatste daarin opgenomen vermelding van afgifte aan boord worden bewaard. 2 Olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval moet met regelmatige, van de staat en van het gebruik van het schip afhankelijke, tussenpozen tegen ontvangstbewijs worden afgegeven aan de ontvangstinrichtingen. Het bewijs bestaat uit een aantekening door de ontvangstinrichting in het olie-afgifteboekje. 3 Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging van de zee door schepen Zeeschepen die beschikken over een oliejournaal ingevolge het(MARPOL), zijn vrijgesteld van de verplichting tot het voeren van een olieafgifteboekje als bedoeld in het eerste lid. 2023 117 13-10-2023 2023 117 13-10-2023 01-08-2023
Artikel 3.01 — Artikel 3.01 Begripsbepalingen#
Artikel 3.01 Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a) „exploitant van het schip”: de natuurlijke of rechtspersoon die opkomt voor de lopende uitgaven in verband met de exploitatie van het schip en met name voor de aanschaf van de gebruikte brandstof, en bij ontstentenis, de eigenaar van het schip; b) „SPE-CDNI”: elektronisch betalingssysteem dat rekeningen (ECO-rekeningen), ECO-ID's en een applicatie bestemd voor het betalen van de verwijderingsbijdrage omvat; c) artikel 3.03 „ECO-rekening”: een rekening bij een nationaal instituut, op naam gesteld van de exploitant van het schip, bestemd voor het voldoen van de verwijderingsbijdrage zoals bedoeld in; d) „ECO-ID”: een uniek identificatienummer gekoppeld aan een schip en aan een bijbehorende ECO-rekening van de exploitant van het schip dat toegang geeft tot rechtmatig gebruik van de applicatie; e) „Applicatie”: een softwareapplicatie die bestemd is voor het betalen van de verwijderingsbijdrage en beschikbaar is als toepassing via een mobiel apparaat of via een internetwebsite en bedoeld is voor: – het generen en tonen van de 2D-barcode die het ECO-ID bevat, – het initiëren van een transactie voor de verwijderingsbijdrage door het bunkerbedrijf, en – het accorderen van het betalen van de verwijderingsbijdrage door de schipper of de exploitant van het schip; f) „2D-barcode”: een unieke streepjescode, bedoeld om identificatie mogelijk te maken. Een 2D-barcode kan getoond worden op een smartphone, tablet, PC of analoog afgedrukt zijn. 2023 117 13-10-2023 2023 117 13-10-2023 01-08-2023
Artikel 3.02 — Artikel 3.02 Nationaal instituut#
Artikel 3.02 Nationaal instituut Het nationale instituut heft de verwijderingsbijdrage en legt aan het internationale verevenings- en coördinatieorgaan voorstellen voor ter vaststelling van het vereiste nationale net van ontvangstinrichtingen. Het instituut heeft voorts in het bijzonder de taak, op internationaal eenvormige wijze, regelmatig de hoeveelheden verwijderd olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval, alsmede het totaal van de geheven verwijderingsbijdragen te registreren. Het nationale instituut of de bevoegde autoriteit ziet toe op de verwijderingskosten. Het nationale instituut is vertegenwoordigd in het internationale verevenings- en coördinatieorgaan en dient met name de door dit orgaan vastgestelde voorlopige en definitieve vereveningsbedragen op het daartoe vastgestelde tijdstip aan de andere nationale instituten af te dragen. 2023 117 13-10-2023 2023 117 13-10-2023 01-08-2023
Artikel 3.03 — Artikel 3.03 Heffing van de verwijderingsbijdrage#
Artikel 3.03 Heffing van de verwijderingsbijdrage 1 De verwijderingsbijdrage bedraagt 12,00 euro (te vermeerderen met btw) per 1000 l geleverde gasolie. De berekening van het bedrag moet worden gebaseerd op het volume van de gasolie bij 15°C. 2 De exploitant van het schip is de verwijderingsbijdrage verschuldigd. 3 De verwijderingsbijdrage wordt bij het bunkeren voldaan. Het bedrag van de afgedragen verwijderingsbijdrage moet evenredig zijn met de geleverde hoeveelheid gasolie. 4 De betaling van de verwijderingsbijdrage wordt door middel van het SPE-CDNI verricht. Het SPE-CDNI wordt geëxploiteerd door de nationale instituten. 5 De procedure voor de betaling van de verwijderingsbijdrage door middel van het SPE-CDNI is gebaseerd op het principe van de storting van een passend bedrag door de exploitant van het schip of diens vertegenwoordiger bij een nationaal instituut, waarmee de in de toekomst verschuldigde verwijderingsbijdragen worden verrekend en voorziet in: a) het openen op verzoek van de exploitant van het schip of diens vertegenwoordiger van een ECO-rekening bij het nationaal instituut van zijn keuze; b) de invoer van de afzonderlijke bunkerstations in het elektronische systeem door de exploitanten van de bunkerbedrijven; c) de invoer in het elektronische systeem van het e-mailadres dat nodig is voor de registratie van de schippers in het elektronische systeem door de houder van de ECO-rekening; d) de invoer in het elektronische systeem van het e-mailadres dat nodig is voor de registratie van de bunkerstations in het elektronische systeem door de exploitant van het bunkerbedrijf; e) de verstrekking van de gegevens die nodig zijn voor de registratie in het elektronische systeem aan de schippers en de bunkerstations door het elektronische systeem; f) het aanmaken van een ECO-ID voor elk schip van de exploitant of diens vertegenwoordiger die is gekoppeld aan de ECO-rekening voor de toekomstige transacties betreffende de verwijderingsbijdragen door het elektronische systeem; g) de overmaking van een passend bedrag op de bankrekening van het nationaal instituut door de exploitant van het schip of zijn vertegenwoordiger ter opwaardering van de desbetreffende ECO-rekening en bestemd voor de betaling van de verwijderingsbijdragen; h) de afboeking van de verwijderingsbijdrage van de desbetreffende ECO-rekening bij het bunkeren en de afhandeling van de transactie door middel van het elektronische systeem. Hiertoe toont de schipper de 2D-barcode aan het bunkerbedrijf. 6 In afwijking van bovenstaand lid vier, wordt voor de betaling van de verwijderingsbijdrage door de exploitant van het schip in de volgende bijzondere gevallen gebruik gemaakt van een schriftelijke procedure: a) het SPE-CDNI is niet beschikbaar of buiten werking; b) de schipper kan geen 2D-barcode overleggen of de overgelegde 2D-barcode is niet geldig; c) het saldo op de betreffende ECO-rekening is niet toereikend. 7 Het bunkerbedrijf stelt het nationale instituut van het land waarin de bunkering heeft plaatsgevonden de voor de betaling van de verwijderingsbijdrage noodzakelijke informatie betreffende de transacties in de in bovenstaand lid zes bedoelde gevallen binnen de termijn van zeven kalenderdagen ter beschikking. Het nationale instituut onderneemt de voor de inning van de verschuldigde verwijderingsbijdrage noodzakelijke stappen. In het voorkomende geval kan de inning overgedragen worden aan een van de andere nationale instituten. 8 Voor de transacties in de onder letter b) en c) van bovenstaand lid zes genoemde gevallen, is de exploitant van het schip het innende nationale instituut administratiekosten verschuldigd; de hoogte van deze administratiekosten wordt voor alle Verdragspartijen uniform door het internationaal verevenings- en coördinatieorgaan bepaald. 9 Een nationaal instituut kan in de gevallen, waarbij de onverkorte toepassing van de in de leden 4 en 5 bedoelde procedure uit oogpunt van doelmatigheid zijns inziens niet geëigend is, individuele afwijkende regelingen treffen met betrekking tot de levering van gasolie en het voldoen van de overeenkomstige verwijderingsbijdrage. Deze afwijkende regelingen, die aan het internationale verevenings- en coördinatieorgaan bekend gemaakt moeten worden, dienen met de overige bepalingen van dit hoofdstuk overeen te stemmen. 10 De bijzonderheden betreffende de toepassing van de in dit artikel genoemde procedures worden na afstemming in het internationale verevenings- en coördinatieorgaan op nationaal niveau vastgesteld. 2025 81 23-10-2025 2025 81 23-10-2025 01-01-2026
Artikel 3.04 — Artikel 3.04 Controle van de heffing van de verwijderingsbijdrage en van de kosten van inname en verwijdering#
Artikel 3.04 Controle van de heffing van de verwijderingsbijdrage en van de kosten van inname en verwijdering 1 Bij iedere afname van gasolie dient door het bunkerbedrijf een bunkerverklaring te worden opgemaakt. Deze verklaring moet ten minste de volgende gegevens bevatten: de naam van het schip, het uniek Europese scheepsidentificatienummer of een andere vermelding ter identificatie van het schip, naam van de exploitant van het schip of van de schipper, betrokken/geleverde hoeveelheid gasolie (in liter bij 15°C, naar beneden of naar boven afgerond op de hele liter), plaats en datum, handtekeningen van de schipper en het bunkerbedrijf. 2 Het transactiebewijs met betrekking tot de verwijderingsbijdrage wordt door het SPE-CDNI elektronisch opgesteld. De schipper ontvangt een afschrift van de bunkerverklaring en een elektronisch transactiebewijs als bedoeld in de eerste zin. De schipper moet zowel de bunkerverklaring als het transactiebewijs te allen tijden kunnen tonen en deze moeten twaalf maanden aan boord worden bewaard. Het bunkerbedrijf moet een afschrift van de bunkerverklaring en het elektronisch transactiebewijs te allen tijden kunnen tonen en deze twaalf maanden in zijn administratie bewaren. 3 artikel 3.03, lid 6 In het geval de schriftelijke procedure conformwordt toegepast, vermeldt het bunkerbedrijf op de desbetreffende bunkerverklaring dat de exploitant van het schip de verwijderingsbijdrage niet heeft voldaan. 4 De overeenstemming tussen de door de schepen betrokken hoeveelheden gasolie en de hoogte van de betaalde verwijderingsbijdragen wordt door het nationale instituut of de bevoegde autoriteit gecontroleerd aan de hand van de door de bunkerbedrijven te overleggen afschriften van de bunkerverklaringen. 5 De bevoegde autoriteit kan aan boord van de schepen of op afstand via inzage in het elektronische betalingssysteem de betaling van de verwijderingsbijdrage, alsmede de hoeveelheden afgegeven olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval controleren, in het bijzonder door de aantekeningen over de afgelegde reizen in de daartoe vereiste boorddocumenten met de op de bunkerverklaring vermelde gegevens te vergelijken. 6 Het nationale instituut of de bevoegde autoriteit kan bij de ontvangstinrichtingen de gegevens over de verwijderde hoeveelheden, alsmede de kosten van de verwijdering aan de hand van daartoe geschikte documenten controleren. 7 Het nationale instituut of de bevoegde autoriteit kan bij het bunkerbedrijf de opgave controleren van de hoeveelheid gasolie die geleverd is aan schepen die verplicht zijn de verwijderingsbijdrage te voldoen. 8 De bijzonderheden van de in dit artikel genoemde procedures worden na afstemming in het internationale verevenings- en coördinatieorgaan op nationaal niveau vastgesteld. 2023 117 13-10-2023 2023 117 13-10-2023 01-08-2023
Artikel 4.01 — Artikel 4.01 Internationaal verevenings- en coördinatieorgaan#
Artikel 4.01 Internationaal verevenings- en coördinatieorgaan 1 Het internationale verevenings- en coördinatieorgaan komt eenmaal per jaar in het laatste kwartaal bijeen, om te besluiten over de financiële verevening van het voorafgaande jaar en, in voorkomend geval, de Conferentie der Verdragsluitende Partijen een voorstel te doen tot wijziging van de hoogte van de verwijderingsbijdrage dan wel tot een eventueel noodzakelijke aanpassing van het aanwezige net van ontvangstinrichtingen, met inachtneming van de behoeften van de scheepvaart en de economische doelmatigheid van de afvalverwijdering. Het kan op elk moment op voorstel van het secretariaat of indien de vertegenwoordigers van twee nationale instituten daarom verzoeken, bijeenkomen. 2 Het internationale verevenings- en coördinatieorgaan legt eenvormige procedures en modaliteiten voor de voorlopige en jaarlijkse verevening vast. 3 Alle financiële transacties met betrekking tot de verwijderingsbijdrage geschieden in euro. 2011 4 11-01-2011 2011 4 11-01-2011 01-01-2011
Artikel 4.02 — Artikel 4.02 Voorlopige financiële verevening#
Artikel 4.02 Voorlopige financiële verevening 1 De nationale instituten melden het secretariaat van het internationale verevenings- en coördinatieorgaan per kwartaal, te weten op 1 februari, 1 mei, 1 augustus en 1 november: De modaliteiten van deze procedure worden door het internationale verevenings- en coördinatieorgaan vastgesteld. a) de gedurende het kwartaal ingenomen en verwijderde hoeveelheden olie- en vethoudend afval; b) de totale inname- en verwijderingskosten voor de onder a) aangegeven hoeveelheden; c) de aan de vaartuigen die vallen onder de betaling van een verwijderingsbijdrage geleverde hoeveelheden gasolie; d) de som van de geïnde verwijderingsbijdragen; e) artikel 6, eerste lid, vijfde zin, van het Verdrag de financiële consequenties van de inbedoelde maatregelen. 2 artikel 4.04 Het internationale verevenings- en coördinatieorgaan stelt voor elk afgelopen kwartaal op grond van de ingevolge het eerste lid verstrekte cijfers en de vereveningsprocedure, bedoeld in, de voorlopige bedragen van de kwartaalverevening vast en legt deze binnen een termijn van twee weken na ontvangst van alle in het eerste lid genoemde mededelingen aan de nationale instituten voor. 3 De nationale instituten die in het kader van de kwartaalverevening een betaling moeten verrichten, zijn verplicht dit bedrag binnen vier weken na ontvangst van de betalingsvordering te voldoen aan de nationale instituten die recht hebben op de betaling. 2011 4 11-01-2011 2011 4 11-01-2011 01-01-2011
Artikel 4.03 — Artikel 4.03 Jaarlijkse financiële verevening#
Artikel 4.03 Jaarlijkse financiële verevening 1 De nationale instituten leggen hun jaarrekening met betrekking tot het voorafgaande jaar, uiterlijk op 15 oktober van het lopende jaar aan het secretariaat van het internationale verevenings- en coördinatieorgaan voor. Het internationale verevenings- en coördinatieorgaan stelt op zijn gewone vergadering de financiële verevening voor het voorafgaande jaar vast. 2 artikel 4.02, derde lid De nationale instituten zijn verplicht de vereveningsbetalingen op grond van de definitieve financiële verevening voor het voorafgaande jaar overeenkomstig, te verrichten. 2011 4 11-01-2011 2011 4 11-01-2011 01-01-2011
Artikel 4.04 — Artikel 4.04 Procedure van financiële verevening#
Artikel 4.04 Procedure van financiële verevening 1 De financiële verevening ingevolge de artikelen 4.02 en 4.03 wordt voor elk nationale instituut als volgt berekend: waarbij verstaan moet worden onder Cn = vereveningsbedrag voor een nationaal instituut N; positief: het instituut heeft recht op een vereveningsbetaling; negatief: het instituut is verplicht tot het doen van een vereveningsbetaling n X = door een nationaal instituut N geïnde verwijderingsbijdragen ingevolge artikel 4.02, eerste lid. n Z = daadwerkelijke inname- en verwijderingskosten van een nationaal instituut N ingevolge artikel 4.02, eerste lid. n ∑ X = som van de door alle nationale instituten geïnde verwijderingsbijdragen. n ∑ Z = som van de daadwerkelijke inname- en verwijderingskosten van alle nationale instituten. 2 Vereveningsbedragen Cn die lager zijn dan een bepaald minimumpercentage van de door een nationaal instituut N geïnde verwijderingsbijdragen, worden niet verevend. Het minimumpercentage wordt door het internationale verevenings- en coördinatieorgaan vastgesteld. 1996 293 01-11-1996 10-07-2000 2010 180 17-06-2010 01-11-2009 2010 180 17-06-2010 260 14-10-2010 2010 180 17-06-2010 01-11-2009
Artikel 5.01 — Artikel 5.01 Begripsbepalingen#
Artikel 5.01 Begripsbepalingen Gewijzigd door Besluiten CDNI 2016-I-5 en CDNI 2017-I-4 In dit deel wordt verstaan onder: a. eenheidstransporten „”: transporten waarbij tijdens opeenvolgende reizen in het laadruim of de ladingtank van het schip aantoonbaar dezelfde lading, waarvan het transport geen voorafgaand reinigen of ontgassen van het laadruim of de ladingtank vereist, wordt vervoerd; aa. verenigbare transporten “”: transporten waarbij tijdens opeenvolgende reizen in het laadruim of de ladingtank van het schip aantoonbaar een lading, waarvan het transport geen voorafgaand wassen of ontgassen van het laadruim of de ladingtank vereist, wordt vervoerd; b. restlading „”: vloeibare lading die na het lossen, zonder gebruikmaking van een nalenssysteem in de ladingtank en in het leidingsysteem achterblijft, alsmede droge lading die na het lossen zonder gebruikmaking van bezems, veegmachines of vacuümreinigers in het laadruim achterblijft; c. ladingrestanten „”: vloeibare lading die niet door het nalenssysteem uit de ladingtank en het leidingsysteem verwijderd kan worden, alsmede droge lading die niet door gebruikmaking van veegmachines, bezems of vacuümreinigers uit het laadruim verwijderd kan worden; d. nalenssysteem Aanhangsel II „”: systeem voor het zo volledig mogelijk legen van de ladingtanks en het leidingsysteem, overeenkomstig, waarbij slechts de niet lensbare ladingrestanten achterblijven; e. overslagresten „”: lading die bij de overslag buiten het laadruim op het schip terechtkomt; f. bezemschoon laadruim „”: laadruim waaruit de restlading is verwijderd met behulp van reinigingsapparaten, zoals bezems en veegmachines, doch zonder gebruikmaking van zuigende of spoelende apparaten, en waarin zich nog slechts ladingrestanten bevinden; g. nagelensde ladingtank „”: ladingtank waaruit de restlading met behulp van een nalenssysteem is verwijderd en waarin zich nog slechts ladingrestanten bevinden; h. vacuümschoon laadruim „”: laadruim waaruit de restlading door middel van afzuiging is verwijderd en waarin zich beduidend minder ladingrestanten bevinden dan in een bezemschoon laadruim; i. nalossen „”: het verwijderen van restlading uit de laadruimen, ladingtanks en leidingsystemen met behulp van daartoe geschikte middelen (bijv. bezems, veegmachines, afzuiging, nalenssysteem), waardoor de losstandaard: “bezemschoon laadruim” of “vacuümschoon laadruim”of “nagelensde ladingtank” wordt verkregen, alsmede het verwijderen van overslagresten en verpakkings- en stuwmateriaal; j. wassen „”: het verwijderen van ladingrestanten uit een bezemschoon of een vacuümschoon laadruim dan wel uit een nagelensde ladingtank door middel van gebruik van stoom of water; k. wasschoon laadruim of wasschone ladingtank „”: een laadruim dat of een ladingtank die na het wassen in beginsel voor elke soort lading geschikt is; l. waswater „”: water dat gebruikt is bij het wassen van een bezemschoon of vacuümschoon laadruim dan wel een nagelensde ladingtank. Hiertoe wordt eveneens gerekend het ballastwater en regenwater dat uit deze laadruimen of ladingtanks komt; m. ontgassen Aanhangsel IIIa „”: het verwijderen van dampen overeenkomstiguit een nagelensde ladingtank bij een ontvangstinrichting door gebruik te maken van hiervoor geschikte procedures en technieken; n. ventileren „”: de rechtstreekse afgifte van dampen uit de ladingtank aan de atmosfeer; o. ontgaste of geventileerde ladingtank Aanhangsel IIIa „”: een ladingtank waaruit de dampen overeenkomstig de ontgassingsstandaarden vanzijn verwijderd. 2025 81 23-10-2025 2025 81 23-10-2025 03-07-2025
Artikel 5.02 — Artikel 5.02 Verplichting van de Verdragsluitende Staten#
Artikel 5.02 Verplichting van de Verdragsluitende Staten Gewijzigd door Besluit CDNI 2017-I-4 De Verdragsluitende Staten verplichten zich ertoe om infrastructurele en andere voorzieningen voor de afgifte en inname van restlading, overslagresten, ladingrestanten, waswater en dampen tot stand te brengen dan wel te laten brengen. 2025 8 31-01-2025 2025 8 31-01-2025 01-10-2024 2018 23 21-02-2018 2024 71 28-06-2024 01-10-2024
Artikel 5.03 — Artikel 5.03 Zeeschepen#
Artikel 5.03 Zeeschepen Gewijzigd door Besluit CDNI 2020-II-3 Dit Deel B geldt niet voor het laden en lossen van zeeschepen a. in zeehavens aan zeetoegangswegen; b. Richtlijn (EU) 2019/883 1) Richtlijn (EU) 2019/883 Richtlijn 2010/65/EU Richtlijn 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake havenontvangstinrichtingen voor de afvalafgifte van schepen, tot wijziging vanen tot intrekking van(PB L 151 van 7.6.2019, blz. 116-142). in binnenhavens die onder de Europesevallen. 2025 8 31-01-2025 2025 8 31-01-2025 01-10-2024
Artikel 5.04 — Artikel 5.04 Toepassing van Deel B op dampen#
Artikel 5.04 Toepassing van Deel B op dampen Ingevoegt door Besluit CDNI 2017-I-4 1 Deel B geldt onverminderd in de laatst geldende versie. a. Europees Verdrag van 26 mei 2000 inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren Richtlijn 2008/68/EG de bepalingen van het(ADN) in samenhang metvan het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land en b. Richtlijn 94/63/EG de gewijzigdevan het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende de beheersing van de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS) als gevolg van de opslag van benzine en de distributie van benzine vanaf terminals naar benzinestations, 2 Aanhangsel IIIa De bepalingen vangelden in aanvulling op de bepalingen van de in het eerste lid, onderdeel b, genoemde richtlijn. CDNI Aanhangsel IIIa Richtlijn 94/63/EG ADN Schepen waarvoor schriftelijk aangetoond kan worden dat zij overeenkomstig de voorschriften buiten het toepassingsgebied van hethebben ontgast, gelden als ontgaste schepen in de zin van deze regeling voor zover de waarden vanin acht worden genomen. De Conferentie der Verdragsluitende Partijen wijst, naasten het, de voorschriften aan die door haar als gelijkwaardig worden erkend met betrekking tot de ontgassingsbepalingen. 2018 23 21-02-2018 2024 71 28-06-2024 01-10-2024 2025 8 31-01-2025 2025 8 31-01-2025 01-10-2024
Artikel 6.01 — Artikel 6.01 Verbod tot inbrengen, lozen en uitstoten#
Artikel 6.01 Verbod tot inbrengen, lozen en uitstoten Gewijzigd door Besluiten CDNI 2017-I-4 en CDNI 2018-II-5 1 Het is verboden vanaf schepen delen van de lading, alsmede afval van de lading in de vaarweg te brengen dan wel te lozen, alsook dampen in de atmosfeer uit te stoten. 2 Van het in het eerste lid bedoelde verbod zijn uitgezonderd uitdrukkelijk zijn toegestaan, indien de bepalingen van de bedoelde aanhangsels in acht zijn genomen. a. Aanhangsel III het waswater met ladingrestanten van stoffen ten aanzien waarvan de lozing in de vaarweg overeenkomstigen b. Aanhangsel IIIa de dampen ten aanzien waarvan de afgifte aan de atmosfeer door middel van ventileren overeenkomstig 3 Indien vrijkomen of dreigen vrij te komen, moet de schipper onverwijld de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit waarschuwen. Daarbij moet hij de plaats van het voorval alsmede de hoeveelheid en de aard van de stof of de dampen zo nauwkeurig mogelijk aangeven. a. Aanhangsel III stoffen ten aanzien waarvan inuitsluitend een afgifte ter bijzondere behandeling voorgeschreven is, of b. Aanhangsel IIIa dampen ten aanzien waarvan ineen ontgassing voorgeschreven is, 4 Aanhangsel III van de Uitvoeringsregeling De bevoegde nationale autoriteit beoordeelt de geoorloofdheid van de lozing of inbrenging van afval van de lading van stoffen die niet zijn vermeld in de Stoffenlijst opgenomen inen stelt een voorlopige lozingsstandaard vast. De Conferentie der Verdragsluitende Partijen toetst dit voorstel en gaat eventueel over tot uitbreiding van de Stoffenlijst. 5 Aanhangsel IIIa, A.4 ADN In afwijking van het verbod van het eerste lid mogen dampen worden uitgestoten indien dit wordt vereist door een onvoorzien verblijf op de scheepswerf of door een onvoorziene reparatie ter plaatse door een scheepswerf of een andere gespecialiseerde onderneming en de dampen niet naar een ontvangstinrichting kunnen worden afgevoerd. Hierbij moeten de bepalingen van, en onderdeel 7.2.3.7 van hetin acht worden genomen. 2018 23 21-02-2018 25 06-03-2020 2024 71 28-06-2024 01-10-2024 2025 8 31-01-2025 2025 8 31-01-2025 01-10-2024
Artikel 6.02 — Artikel 6.02 Overgangsbepalingen#
Artikel 6.02 Overgangsbepalingen Vervallen 2018 23 21-02-2018 2024 71 28-06-2024 01-10-2024 Geschrapt door Besluit CDNI 2017-I-4
Artikel 6.03 — Artikel 6.03 Losverklaring#
Artikel 6.03 Losverklaring Gewijzigd door Besluiten CDNI 2012-I-2, CDNI 2021-I-5, CDNI 2023-I-5 en CDNI 2023-II-6 1 Verdrag Aanhangsel IV Ieder schip dat binnen het toepassingsgebied van ditis gelost, moet een geldige losverklaring aan boord hebben overeenkomstig het inopgenomen model. Deze losverklaring moet ten minste zes maanden na afgifte aan boord worden bewaard. Bij schepen zonder stuurhuis en woonruimte mag de losverklaring ook op een andere plaats dan aan boord door de vervoerder worden bewaard. 1b Er mag gebruik worden gemaakt van een losverklaring in elektronisch formaat, mits voldaan wordt aan: Op verzoek van de controlerend ambtenaar van de bevoegde autoriteiten moet de losverklaring ter beschikking kunnen worden gesteld. De losverklaring mag in een leesbare elektronische versie ter beschikking worden gesteld. a. Verordening (EU) 2016/679 2) Verordening (EU) 2016/679 Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van(algemene verordening gegevensbescherming) de gegevensbescherming overeenkomstig(algemene verordening gegevensbescherming) in de versie die van kracht is of overeenkomstig vergelijkbare nationale voorschriften van de Zwitserse Bondsstaat; b. Verordening (EU) Nr. 910/2014 3) Verordening (EU) Nr. 910/2014 Richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van een tegen vervalsing beschermde handtekening overeenkomstig(eIDAS)in de versie die van kracht is of overeenkomstig vergelijkbare nationale voorschriften van de Zwitserse Bondsstaat; c. de bescherming van de gegevens door implementatie van de dienovereenkomstige eisen in de onder a) genoemde voorschriften gewaarborgd is en het daardoor eveneens zeker is dat ongeoorloofde toegang wordt voorkomen; d. de controleerbaarheid van de losverklaring aan boord dan wel in de bedrijfsadministratie van de exploitant van het schip mogelijk is; e. de controleerbaarheid in de bedrijfsadministratie van de identiteit van degene die de losverklaring heeft opgesteld en degene die een ontvangstinrichting exploiteert, mogelijk is. 2 Bij het nalossen alsmede bij de afgifte en inname van afval van de lading moeten in acht worden genomen. a. Aanhangsel III bij wassen, de losstandaarden en de afgifte- en innamevoorschriften overeenkomstigen b. Aanhangsel IIIa bij ontgassen, de voorschriften en de ontgassingsstandaarden overeenkomstig 3 Het schip mag na het laden de reis pas voortzetten, nadat de schipper zich ervan overtuigd heeft dat de overslagresten zijn verwijderd. 4a Het schip mag na het lossen de reis pas voortzetten, indien, – artikel 7.08 een losverklaring is voorgelegd door de ladingontvanger of indien de ladingontvanger of verlader gebruikt maakt van een overslaginstallatie, door de exploitant van die overslaginstallatie (); – artikel 7.01, eerste lid de schipper door ondertekening van deel 2 a) van de losverklaring bevestigd heeft dat alle maatregelen ten aanzien van het lossen van het schip zoals door de ladingontvanger of overslaginstallatie vermeld zijn in de vakken 1 tot en met 10, zijn uitgevoerd. Hiertoe behoort ook de toewijzing van een ontvangstinrichting voor het in ontvangst nemen van scheepsafval of dampen (). 4b Tijdens de vaart is de schipper verplicht door ondertekening van deel 2 b) van de losverklaring te verklaren: – of er waswater is ontstaan (bij het wassen tijdens de vaart); – hoeveel waswater aan boord is ontstaan en de locatie daarvan; – 7.04, derde lid 3, onderdeel c of na het vertrek bij de overslaginstallatie alsnog een verenigbare vervolglading is aangeboden (). 5 Voor schepen die eenheidstransporten uitvoeren, geldt slechts het verwijderen en overnemen van de overslagresten. 6 Aanhangsel III Indien laadruimen of ladingtanks gewassen worden en indien het waswater dat daarbij ontstaat overeenkomstig de losstandaarden en de afgifte- en innamevoorschriften vanniet in het water mag worden geloosd, mag het schip de reis pas voortzetten nadat in de losverklaring is bevestigd dat: – de overslaginstallatie het waswater heeft overgenomen, of – aan de schipper een ontvangstinrichting is toegewezen en – de schipper heeft meegedeeld of hij tijdens de vaart de laadruimen of ladingtanks al dan niet zal wassen. 7 Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op schepen die gebruikt worden voor: Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op schepen die uitsluitend gebruikt worden voor: Deze bepaling vindt geen toepassing wanneer het schip meerdere soorten lading tegelijkertijd vervoert. In individuele gevallen kan de bevoegde autoriteit in vergelijkbare omstandigheden een schip in het kader van het uitvoeren van specifiek vervoer ontheffen van de toepassing van het eerste en het vierde lid. Het bewijs van deze ontheffing dient aan boord aanwezig te zijn. a. het vervoer van containers, b. het vervoer van verrijdbare lading (Ro-Ro), stukgoed, bijzonder- of zwaar transport, of grote apparaten. a. de levering van brandstoffen, drinkwater en boordvoorraden aan zee- en binnenschepen (bevoorradingsschepen), b. de verzameling van olie- en vethoudend afval van zee- en binnenschepen, c. ADN het vervoer van vloeibare gassen (, type G), d. het vervoer van zwavel in vloeibare toestand, cementpoeder, vliegas, en daarmee vergelijkbare goederen die als stortgoed of als verpompbare lading worden vervoerd en waarbij gebruik wordt gemaakt van een systeem voor het laden, lossen en opslaan aan boord dat uitsluitend voor de betreffende goederensoort geëigend is, e. het vervoer van zand, grind en/of baggerspecie vanaf de baggerput of winlocatie naar een loslocatie. 8 Het eerste en het vierde lid zijn eveneens niet van toepassing in het geval van een lossing van de lading in een zeeschip. De schipper dient de hier bedoelde lossing te kunnen staven met desbetreffende vervoersdocumenten en moet deze op verzoek aan toezichthoudende autoriteiten tonen. 2025 81 23-10-2025 2025 81 23-10-2025 12-12-2024
Artikel 7.01 — Artikel 7.01 Bevestiging van de inname#
Artikel 7.01 Bevestiging van de inname Gewijzigd door Besluiten CDNI 2017-I-4 en CDNI 2017-I-5 1 artikel 6.03 De ladingontvanger geeft ten aanzien van het schip in de losverklaring bedoeld in, de bevestiging inzake het lossen, het nalossen en, voor zover hij daartoe verplicht is, het wassen van de laadruimen of ladingtanks of het ontgassen van de ladingtanks, alsmede de inname van afval van de lading dan wel eventueel de toewijzing van een ontvangstinrichting. Hij dient een kopie van de door hem en de schipper ingevulde en ondertekende losverklaring gedurende ten minste zes maanden na afgifte te bewaren. 2 Voor zover de ladingontvanger het waswater, dat niet in de vaarweg geloosd mag worden, niet zelf aanneemt, bevestigt de exploitant van de ontvangstinrichting het schip de inname van het waswater. Hij dient een kopie van de door hem, de ladingontvanger en de schipper ingevulde en ondertekende losverklaring gedurende ten minste zes maanden na afgifte te bewaren. 3 Voor zover het schip aan een ontvangstinrichting voor het ontgassen werd doorverwezen, bevestigt de exploitant van deze inrichting de ontgassing van het schip in de losverklaring. De exploitant dient een kopie van de door hem en de schipper ingevulde en ondertekende losverklaring gedurende ten minste zes maanden na afgifte te bewaren. 2018 23 21-02-2018 2024 71 28-06-2024 01-10-2024 2025 8 31-01-2025 2025 8 31-01-2025 01-10-2024
Artikel 7.02 — Artikel 7.02 Beschikbaarstelling van het schip#
Artikel 7.02 Beschikbaarstelling van het schip Gewijzigd door Besluiten CDNI 2015-II-3 en 2017-I-4 1 De vervoerder stelt de verlader het schip met een zodanige losstandaard ter beschikking dat de lading onbelemmerd vervoerd en afgeleverd kan worden. Dat is in de regel het geval met een losstandaard “laadruim bezemschoon” of “nagelensde ladingtank” en wanneer het schip vrij van overslagresten is. 2 Een hogere losstandaard, het wassen of het ontgassen kan vooraf schriftelijk worden overeengekomen. Een kopie van deze overeenkomst moet ten minste tot de losverklaring is ingevuld na het lossen en het reinigen van het schip aan boord van het schip bewaard worden. 3 Bij aanvang van het laden wordt het schip geacht door de vervoerder ter beschikking te zijn gesteld in de toestand welke overeenkomt met de eisen van het eerste of tweede lid. 2025 8 31-01-2025 2025 8 31-01-2025 01-10-2024 2018 23 21-02-2018 2024 71 28-06-2024 01-10-2024
Artikel 7.03 — Artikel 7.03 Laden en lossen#
Artikel 7.03 Laden en lossen Gewijzigd door Besluit 2017-I-4 1 Tot het laden en lossen van een schip behoren ook de maatregelen tot nalossen alsmede die ingevolge dit Deel B zijn vereist. De restlading behoort zo veel mogelijk aan de lading te worden toegevoegd. a. bij wassen, voor het wassen en b. bij ontgassen, voor het ontgassen 2 Bij het laden draagt de verlader er zorg voor dat het schip vrij van overslagresten blijft. Zijn echter toch overslagresten ontstaan, dan draagt de verlader na het laden zorg voor de verwijdering van deze overslagresten, tenzij iets anders is overeengekomen. 3 Bij het lossen draagt de ladingontvanger er zorg voor dat het schip vrij van overslagresten blijft. Zijn echter toch overslagresten ontstaan, dan draagt de ladingontvanger zorg voor de verwijdering. Overslagresten behoren zo veel mogelijk aan de lading te worden toegevoegd. 2025 8 31-01-2025 2025 8 31-01-2025 01-10-2024 2018 23 21-02-2018 2024 71 28-06-2024 01-10-2024
Artikel 7.04 — Artikel 7.04 4) Zie Besluit CDNI 2016-I-4. Oplevering van het schip#
Artikel 7.04 4) Zie Besluit CDNI 2016-I-4. Oplevering van het schip Gewijzigd door Besluit CDNI 2016-I-5, CDNI 2017-I-4, CDNI 2023-I-5 en CDNI 2023-II-5 1 Aanhangsel III Bij droge lading dient de ladingontvanger ervoor te zorgen dat na het lossen, overeenkomstig de losstandaarden en afgifte- en innamevoorschriften bedoeld in, het laadruim bezemschoon dan wel vacuümschoon ter beschikking wordt gesteld. Hij is verplicht aanwezige restlading alsmede overslagresten van het geloste schip in ontvangst te nemen. model 1 van Aanhangsel II Bij vloeibare lading dient de verlader ervoor te zorgen dat na het lossen de ladingtank nagelensd ter beschikking wordt gesteld. Het lossen met inbegrip van het nalossen met behulp van een nalenssysteem wordt door de schipper uitgevoerd, tenzij in de vervoersovereenkomst iets anders is overeengekomen. De leiding voor de inname van restlading dient van een aansluiting overeenkomstigte zijn voorzien. Bij gebruik van het nalenssysteem aan boord van het schip mag vóór het moment van nalenzen de tegendruk in het buizenstelsel van de ladingontvanger 3 bar niet overschrijden. De exploitant van de overslaginstallatie is verplicht de restlading in ontvangst te nemen. 2 In geval van: artikel 7.02, tweede lid Voorts moeten de verantwoordelijke personen krachtens de eerste zin voor een wasschoon laadruim respectievelijk een wasschone en/of ontgaste ladingtank zorgen wanneer dit laadruim of deze ladingtank krachtens een overeenkomst vóór de belading overeenkomstig, gewassen of ontgast was. a. Aanhangsel III droge lading is de ladingontvanger verplicht voor een wasschoon laadruim te zorgen, indien het schip goederen heeft vervoerd waarvan de ladingrestanten overeenkomstig de losstandaarden en afgifte- en innamevoorschriften vanniet met het waswater in het water geloosd mogen worden; b. vloeibare lading is de verlader verplicht voor een aa. Aanhangsel III wasschone ladingtank te zorgen, indien het schip goederen heeft vervoerd waarvan de ladingrestanten overeenkomstig de losstandaarden en afgifte- en innamevoorschriften vanniet met het waswater in het water geloosd mogen worden, bb. Aanhangsel IIIa ontgaste ladingtank te zorgen, indien het schip goederen heeft vervoerd waarvan de dampen overeenkomstig de ontgassingsstandaarden en afgifte- en innamevoorschriften vanniet in de atmosfeer geventileerd mogen worden. 3 a. Aanhangsel IIIa Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op laadruimen en ladingtanks van schepen die eenheidstransporten uitvoeren voor zover bij een volgende belading de dampen overeenkomstigdoor de overslaginstallatieworden opgevangen en niet in de atmosfeer terechtkomen. De vervoerder dient dit schriftelijk te kunnen aantonen. In dit geval moet in de losverklaring het vakje 6a) worden aangekruist. Het bewijs dient aan boord aanwezig te zijn. b. Aanhangsel IIIa Het tweede lid is niet van toepassing op (na)ladingtanks van schepen die verenigbare transporten uitvoeren voor zover bij een volgende belading de dampen overeenkomstigdoor de overslaginstallatie worden opgevangen en niet in de atmosfeer terechtkomen. De vervoerder dient dit schriftelijk te kunnen aantonen. In dit geval moet in de losverklaring het vakje 6 b) worden aangekruist. Het bewijs dient tot en met het lossen van de verenigbare vervolglading aan boord aanwezig te zijn. Aanhangsel IIIa De bepalingen vanzijn niet meer van toepassing als de schipper kan aantonen dat na belading en voor vertrek bij de overslaginstallatie: – Aanhangsel IIIa voor iedere afzonderlijke ladingtank de drie opvolgende ladingen bestonden uit een product dat niet onder de verbodsbepaling vanvalt en waarbij deze tanks voor ten minste 50% waren beladen, of – Aanhangsel IIIa iedere afzonderlijke ladingtank voor ten minste 95% gevuld was met een product dat niet onder de verbodsbepaling vanvalt, – Aanhangsel IIIa of indien de dampen aantoonbaar overeenkomstig de voorwaarden vanzijn opgevangen. c. aanhangsel IIIa Indien op het ogenblik van het lossen de vervolglading niet bekend is, maar verwacht wordt dat die verenigbaar zal zijn, kan de toepassing van het tweede lid worden uitgesteld. De verlader (bij vloeibare lading) of de ladingontvanger (bij droge lading) dient ten voorlopige titel een ontvangstinrichting voor waswater of voor het ontgassen aan te wijzen, die in de losverklaring aangegeven dient te worden. Bovendien moet in de losverklaring het vakje 6 c) worden aangekruist. Indien aantoonbaar vaststaat, alvorens de in de losverklaring aangegeven ontvangstinstallatie wordt aangelopen door de vervoerder/schipper, dat de vervolglading verenigbaar is, en bij een volgende belading dampen kunnen worden opgevangen die niet in de atmosfeer mogen worden uitgestoten volgens(tabel I tot en met III) vermeldt de schipper dit in vak 13 van deel 2 b) van de losverklaring. In dit geval hoeft niet gewassen of ontgast te worden. In alle andere gevallen zijn de bepalingen voor het wassen of ontgassen onverkort van toepassing. Het bewijs van de verenigbare vervolglading dient tot en met het lossen van de verenigbare vervolglading aan boord aanwezig te zijn. Aanhangsel IIIa De bepalingen vanzijn niet meer van toepassing als de schipper kan aantonen dat na belading en voor vertrek bij de overslaginstallatie: Aanhangsel IIIa voor iedere afzonderlijke ladingtank de drie opvolgende ladingen bestonden uit een product dat niet onder de verbodsbepaling vanvalt en waarbij deze tanks voor ten minste 50% waren beladen, of niet Aanhangsel IIIa iedere afzonderlijke ladingtank voor ten minste 95% gevuld was met een product datonder de verbodsbepaling vanvalt, Aanhangsel IIIa of indien de dampen aantoonbaar overeenkomstig de voorwaarden vanzijn opgevangen. 4 artikel 7.03 Indien de ladingontvanger of de verlader het schip na de overeengekomen lostijd of de overeengekomen ligdagen niet overeenkomstig de bepalingen van dit artikel alsmede vanaflevert, kan de vervoerder het schip in de voorgeschreven toestand brengen dan wel laten brengen. De kosten hiervoor, met inbegrip van de daardoor ontstane liggelden, voor zover deze niet op een toerekenbare tekortkoming van de vervoerder terug te voeren zijn, komen ten laste van de ladingontvanger of de verlader. 2018 23 21-02-2018 2024 71 28-06-2024 01-10-2024 2025 8 31-01-2025 2025 8 31-01-2025 01-10-2024
Artikel 7.05 — Artikel 7.05 Ladingrestanten en waswater#
Artikel 7.05 Ladingrestanten en waswater Gewijzigd door Besluit 2017-I-4 1 artikel 7.04, tweede lid Bij droge lading is de ladingontvanger verplicht het waswater in ontvangst te nemen dat na het wassen overeenkomstig, is ontstaan, dan wel na overleg met de vervoerder de schipper een ontvangstinrichting toe te wijzen. 2 artikel 7.04, tweede lid Bij vloeibare lading is de verlader verplicht de vervoerder in de vervoersovereenkomst een ontvangstinrichting toe te wijzen voor het waswater, dat na het wassen overeenkomstig, ontstaat. 2a artikel 7.04 tweede lid Bij vloeibare lading, waarbij dampen ontstaan die een ontgassing vereisen overeenkomstigis de verlader verplicht de vervoerder in de vervoersovereenkomst een ontvangstinrichting toe te wijzen, waar het schip na het lossen (met inbegrip van het nalossen en de verwijdering van de overslagresten) ontgast moet worden. 3 Deze ontvangstinrichting behoort zich in de nabijheid van de overslaginstallatie of langs de weg naar de volgende door het schip aan te lopen overslaginstallatie te bevinden. 2018 23 21-02-2018 2024 71 28-06-2024 01-10-2024 2025 8 31-01-2025 2025 8 31-01-2025 01-10-2024
Artikel 7.06 — Artikel 7.06 Kosten#
Artikel 7.06 Kosten Gewijzigd door Besluit 2017-I-4 1 artikel 7.04 artikel 7.05, eerste lid artikel 7.03, eerste lid Bij droge lading draagt de ladingontvanger de kosten van het nalossen en het wassen van het laadruim ingevolgeen de kosten van inname van waswater ingevolge, met inbegrip van de daardoor ontstane kosten voor wachttijden en omwegen. Dat geldt ook voor regenwater dat in de laadruimen is geraakt nadat met het laden is begonnen doch voordat het lossen overeenkomstig, is beëindigd, indien niet was overeengekomen dat het vervoer afgedekt zou plaatsvinden. Bij eenheidstransporten voor dezelfde verlader neemt deze op eigen kosten vóór het beladen het regenwater in ontvangst, dat na beëindiging van de voorafgaande lossing in het laadruim terecht is gekomen. 2 Bij vloeibare lading draagt de verlader de kosten van het nalossen en bij met inbegrip van de eventueel daardoor ontstane kosten voor wachttijden en omwegen. a. wassen, de kosten voor aa. artikel 7.04, tweede lid het wassen van de ladingtanks overeenkomstig, en bb. artikel 7.05, tweede lid de inname van waswater ingevolge, b. artikel 7.04, tweede lid artikel 7.05, lid 2a ontgassen, de kosten voor het ontgassen van de ladingtanks overeenkomstig, in samenhang met, 3 De kosten van afgifte van waswater uit laadruimen en ladingtanks of van de ontgassing van ladingtanks die niet met de voorgeschreven standaarden overeenstemmen, komen ten laste van de vervoerder. 2025 8 31-01-2025 2025 8 31-01-2025 01-10-2024 2018 23 21-02-2018 2024 71 28-06-2024 01-10-2024
Artikel 7.07 — Artikel 7.07 Overeenkomst tussen de verlader en de ladingontvanger#
Artikel 7.07 Overeenkomst tussen de verlader en de ladingontvanger Verlader en ladingontvanger kunnen onderling ook een verdeling van hun verplichtingen overeenkomen, die afwijkt van de in deze bijlage beschreven verdeling van verplichtingen, zonder dat dit gevolgen mag hebben voor de vervoerder. 2025 8 31-01-2025 2025 8 31-01-2025 01-10-2024
Artikel 7.08 — Artikel 7.08 Overgang van rechten en verplichtingen van de verlader of de ladingontvanger op de exploitant van de overslaginstallatie#
Artikel 7.08 Overgang van rechten en verplichtingen van de verlader of de ladingontvanger op de exploitant van de overslaginstallatie artikelen 7.01, eerste lid 7.03 7.04 7.05 artikel 7.06 Indien de verlader of de ladingontvanger bij het laden of het lossen van het schip gebruik maakt van een overslaginstallatie, gaan de rechten en verplichtingen van de verlader of de ladingontvanger, zoals neergelegd in de, alsmede,en, over op de exploitant van de overslaginstallatie. Met betrekking tot de kosten bedoeld ingeldt dit slechts voor de verwijdering en inname van de overslagresten. 2025 8 31-01-2025 2025 8 31-01-2025 01-10-2024
Artikel 7.09 — Artikel 7.09 Vervoersdocumenten#
Artikel 7.09 Vervoersdocumenten Gewijzigd door Besluit CDNI 2023-I-5 De verlader vermeldt in de vervoersovereenkomst en vervoersdocumenten de volgende informatie: – Aanhangsel III de naam en het viercijferige nummer overeenkomstigvan elke goederensoort die hij voor vervoer heeft aangeboden en, – Aanhangsel IIIa het UN-nummer overeenkomstigen, – Aanhangsel IIIa de variabele AVFL-waarde (afhankelijk van de samenstelling van het mengsel) indien deze niet is vermeld in kolom 3 van de tabellen I tot en met III van. 2025 8 31-01-2025 2025 8 31-01-2025 01-10-2024
Artikel 8.01 — Artikel 8.01 Begripsbepalingen#
Artikel 8.01 Begripsbepalingen In dit deel wordt verstaan onder: a) „huishoudelijk afvalwater”: afvalwater uit keukens, eetruimten, wasruimten en bijkeukens, alsmede toiletwater; b) „huisvuil”: organisch en anorganisch afval afkomstig uit het huishouden en van restaurants, echter zonder bestanddelen van het overig gedefinieerde scheepsbedrijfsafval; c) „zuiveringsslib”: restanten, die bij gebruik van een zuiveringsinstallatie aan boord van het schip ontstaan; d) „slops”: verpompbaar of niet verpompbaar mengsel bestaande uit ladingrestanten met waswaterrestanten, roest of slib; e) „klein gevaarlijk afval”: scheepsbedrijfsafval, met uitzondering van het olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval en de in de onderdelen a tot en met d genoemde afvalsoorten; f) „hotelschip”: een passagiersschip met hutten voor de overnachting van passagiers. 1996 293 01-11-1996 10-07-2000 2010 180 17-06-2010 01-11-2009 2010 180 17-06-2010 2010 180 17-06-2010 01-11-2009
Artikel 8.02 — Artikel 8.02 Verplichtingen van de Verdragsluitende Staten#
Artikel 8.02 Verplichtingen van de Verdragsluitende Staten 1 De Verdragsluitende Staten zijn verplicht ontvangstinrichtingen voor huisvuil ter beschikking te stellen of ter beschikking te laten stellen: a) bij de overslaginstallaties of in havens, b) aan de aanlegplaatsen voor passagiersschepen voor de daar aanleggende passagiers schepen, c) bij bepaalde ligplaatsen en sluizen voor de doorgaande scheepvaart. 2 De Verdragsluitende Staten zijn verplicht, binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag, voor slops en klein gevaarlijk afval ontvangstinrichtingen in havens in te richten of te laten inrichten. 3 artikel 4, eerste lid De Verdragsluitende Staten verplichten zich overeenkomstig de voorschriften van, van dit Verdrag ontvangstinrichtingen voor huishoudelijk afvalwater in te richten of te laten inrichten bij bepaalde als vaste of voor overnachting dienende ligplaatsen. artikel 9.01, derde lid Bij ligplaatsen voor schepen als bedoeld in, moeten vóór het in artikel 9.01, derde lid, genoemde tijdstip ontvangstinrichtingen worden ingericht. 2022 80 31-08-2022 2022 80 31-08-2022 01-01-2022
Artikel 9.01 — Artikel 9.01 Verbod tot inbrengen en lozen#
Artikel 9.01 Verbod tot inbrengen en lozen 1 Het is verboden huisvuil, slops, zuiveringsslib en klein gevaarlijk afval vanaf schepen in de vaarweg te brengen of te lozen. 2 Indien het in het eerste lid genoemde afval vrijkomt of dreigt vrij te komen, moet de schipper onverwijld de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit waarschuwen. Daarbij moet hij de plaats van het voorval alsmede de hoeveelheid en de aard van de stof zo nauwkeurig mogelijk aangeven. 3 De lozing van huishoudelijk afvalwater is verboden voor passagiersschepen met meer dan 12 passagiers en voor hotelschepen met meer dan 12 slaapplaatsen. Dit verbod geldt met ingang van 1 januari 2025 voor hotelschepen met minder dan 50 slaapplaatsen en voor passagiersschepen, die toegelaten zijn voor het vervoer van minder dan 50 passagiers. 4 Dit verbod is niet van toepassing op passagiersschepen die Richtlijn (EU) 2016/1629 1) Richtlijn (EU) 2016/1629 Richtlijn 2009/100/EG Richtlijn 2006/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen, tot wijziging vanen tot intrekking van. overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn of. – niet vallen onder de technische voorschriften met betrekking tot de verplichting om uitgerust te zijn met verzameltanks voor huishoudelijk afvalwater of met boordzuiveringsinstallaties, of – op individuele basis zijn vrijgesteld van deze verplichting, 5 Aanhangsel V Het in het derde lid genoemde verbod geldt niet voor passagiersschepen die beschikken over toegelaten boordzuiveringsinstallaties die voldoen aan de grens- en controlewaarden zoals opgenomen in. 6 Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging van de zee door schepen Het in het derde lid genoemde verbod geldt niet voor zeeschepen in zeehavens aan zeetoegangswegen die moeten voldoen aan de bepalingen van het(Marpol). 2025 8 31-01-2025 2025 8 31-01-2025 01-01-2025
Artikel 9.02 — Artikel 9.02 Afwijkingen van het lozingsverbod voor huishoudelijk afvalwater#
Artikel 9.02 Afwijkingen van het lozingsverbod voor huishoudelijk afvalwater De Verdragsluitende Staten kunnen voor schepen als bedoeld in artikel 9.01, derde lid, voor welke de nakoming van het lozingsverbod voor huishoudelijk afvalwater praktisch moeilijk uitvoerbaar is of onredelijk hoge kosten met zich meebrengt, een passend regime voor uitzonderingsmogelijkheden overeenkomen en de voorwaarden vastleggen waaronder deze uitzonderingen als gelijkwaardig kunnen worden aangemerkt. 1996 293 01-11-1996 10-07-2000 2010 180 17-06-2010 01-11-2009 2010 180 17-06-2010 2010 180 17-06-2010 01-11-2009
Artikel 9.03 — Artikel 9.03 Verzameling en behandeling aan boord, afgifte aan ontvangstinrichtingen#
Artikel 9.03 Verzameling en behandeling aan boord, afgifte aan ontvangstinrichtingen 1 artikel 9.01, eerste lid De schipper dient zeker te stellen dat het in, genoemde afval gescheiden wordt verzameld en afgegeven. Huisvuil dient, indien mogelijk, gescheiden naar de categorieën papier, glas, harde (plastic) kunststoffen, verpakkingsafval (plastic, metaal en drankkartons), restafval en overig afval te worden afgegeven. 2 artikel 9.01, eerste lid Het is verboden het in, genoemde afval aan boord te verbranden. 3 Aanhangsel V De exploitanten van passagiersschepen die over boordzuiveringsinstallaties beschikken welke voldoen aan, dienen zelf op passende wijze te zorgen voor de correcte afgifte van het zuiveringsslib tegen ontvangstbewijs volgens de nationale voorschriften. 4 artikel 9.01, derde lid artikel 8.02, derde lid De schipper van een passagiersschip dat krachtens, onder het lozingsverbod voor huishoudelijk afvalwater valt, dient zeker te stellen dat het huishoudelijk afvalwater op een passende wijze aan boord van het schip wordt verzameld en overeenkomstig, bij een installatie of inzamelstation wordt afgegeven, voor zover het passagiersschip niet over een boordzuiveringsinstallatie overeenkomstig artikel 9.01, vijfde lid, beschikt. 5 De in het eerste lid bedoelde ingezamelde afvalstoffen dienen aan boord opgeslagen te worden in daarvoor geschikte verzamelreservoirs die voorzien zijn van geëigende pictogrammen. 2025 8 31-01-2025 2025 8 31-01-2025 01-01-2025
Artikel 10.01 — Artikel 10.01 Inname door de ontvangstinrichtingen#
Artikel 10.01 Inname door de ontvangstinrichtingen 1 De exploitant van de ontvangstinrichting dient zeker te stellen dat het in artikel 9.01, eerste lid, genoemde afval gescheiden afgegeven kan worden. 2 De exploitant van de ontvangstinrichting geeft de schipper overeenkomstig de nationale voorschriften een verklaring inzake de afgifte van slops. 1996 293 01-11-1996 10-07-2000 2010 180 17-06-2010 01-11-2009 2010 180 17-06-2010 2010 180 17-06-2010 01-11-2009
Artikel 11.01 — Artikel 11.01 Overgangsbepalingen#
Artikel 11.01 Overgangsbepalingen Voor de toepassing van de bepalingen van deze bijlage die het gevolg zijn van de wijziging van het Verdrag om er het verbod tot het uitstoten van dampen in de atmosfeer in op te nemen gelden volgende overgangsbepalingen: a) tabel I in Aanhangsel IIIa artikel 19, vierde lid voor de dampen van de goederen vermeld in degeldt het verbod met ingang van de datum van in werking treden van de wijziging vastgesteld overeenkomstig, van het Verdrag; b) tabel II in Aanhangsel IIIa voor de dampen van de goederen vermeld in degeldt het verbod na een periode van twee jaar na de in onderdeel a vermelde datum; c) tabel III in Aanhangsel IIIa 1) Mits uit een evaluatie uitgevoerd vanaf de in onderdeel a vermelde datum kan worden geconcludeerd dat dit geen problemen oplevert. In het tegengestelde geval geldt het verbod na een periode van vier jaar na de in onderdeel a vermelde datum. voor de dampen van de goederen vermeld in degeldt het verbod na een periode van drie jaar na de in onderdeel a vermelde datum. 2018 23 21-02-2018 2024 71 28-06-2024 01-10-2024
Artikel 11.02 — Artikel 11.02 Afwijkingen#
Artikel 11.02 Afwijkingen De Verdragsluitende Partijen kunnen in individuele gevallen afwijkingen van de bepalingen van deze bijlage overeenkomen mits deze als gelijkwaardig kunnen worden beschouwd. De afwijkingen moeten door de Conferentie van Verdragsluitende Partijen worden goedgekeurd en kunnen voor het vastgelegde toepassingsgebied en onder de vastgestelde voorwaarden door de bevoegde autoriteiten met onmiddellijke ingang worden toegestaan. 2018 23 21-02-2018 2024 71 28-06-2024 01-10-2024
Artikel 5.01#
artikel 5.01 van Deel B van de Uitvoeringsregeling
Artikel A — A Algemene bepalingen#
A Algemene bepalingen 1 Tabellen I tot en met III artikel 7.04 1) Accepted Vent Free Level: toelaatbare waarde voor vrij ventileren. De dampen van de goederen vermeld invan dit Aanhangsel mogen niet in de atmosfeer uitgestoten worden, tenzij aan de voorwaarden betreffende de AVFL-waardenin onderstaande tabellen voldaan is. De dampen van deze goederen moeten worden ontgast, tenzij anders wordt bepaald inof dit Aanhangsel. 2 Het ontgassen moet plaatsvinden bij een ontvangstinrichting die is toegelaten krachtens de nationale bepalingen. 3 De dampen van alle goederen die niet in de onderstaande tabellen van de ontgassingsstandaarden voorkomen, mogen worden geventileerd. 4 Het ventileren is niet toegestaan: a) bij sluizen, met inbegrip van hun voorhavens, onder bruggen of in dichtbevolkte gebieden, b) in gebieden met een overeenkomstige bescherming door nationale voorschriften. 5 De procedure inzake het ontgassen of ventileren moet worden onderbroken tijdens onweer en indien ten gevolge van ongunstige windomstandigheden gerekend moet worden met de aanwezigheid van gevaarlijke dampen buiten de zone van de lading, vóór de woonruimte, het stuurhuis of de bedrijfsruimten. De kritieke toestand is bereikt zodra door meting met draagbare meetapparatuur een dampconcentratie van meer dan 20% van de onderste explosiegrens (LEL) in deze zones is aangetoond. 6 2) Aan de kant van de ontvangstinrichting: deskundige personen van de ontvangstinrichting voor dampen. Aan scheepszijde: deskundige persoon volgens de bepalingen van het ADN. Het ontgassen mag alleen door gekwalificeerde personen worden uitgevoerd. Dit betreft tevens de vereiste werkzaamheden aan boord van het schip. 2018 23 21-02-2018 2024 71 28-06-2024 01-10-2024
Artikel B — B Toelaatbare waarde voor vrij ventileren (AVFL)#
B Toelaatbare waarde voor vrij ventileren (AVFL) 1 3) Deze waarde is gelijk aan 10% van de onderste explosiegrens (Lower Explosive Limit of LEL). De toelaatbare waarde voor vrij ventileren (AVFL) van een ladingtank is gedefinieerd als de dampconcentratie in de ladingtank waaronder het vrijkomen van de dampen in de atmosfeer toelaatbaar is. 2 4) Deskundige in de zin van de bepalingen van het ADN. De dampconcentratie wordt overeenkomstig de in het ADN voorziene methoden, meettechnieken en meetapparatuur gemeten op een representatief punt in de leiding die loopt van de ladingtank naar de ontvangstinrichting voor dampen of op de punten in de ladingtank die door de deskundigeals geëigend worden beschouwd. De meting vindt plaats bij standaardomstandigheden en wordt na 30 minuten herhaald. In de losverklaring wordt onder nummer 21 bevestigd dat de aldus gemeten waarde onder de grenswaarde lag. 2018 23 21-02-2018 2024 71 28-06-2024 01-10-2024
Artikel C — C Vervoer waarbij een ontgassing van de ladingtanks na het lossen niet noodzakelijk is#
C Vervoer waarbij een ontgassing van de ladingtanks na het lossen niet noodzakelijk is 1 Transporten van goederen die in schepen van het type N-open of N-open met vlamkerende inrichtingen mogen worden vervoerd. Dit geldt ook voor goederen die in de navolgende tabellen genoemd worden. 2 Eenheidstransporten. 3 Transporten met verenigbare vervolglading overeenkomstig artikel 7.04, derde lid, onderdelen b en c. 4 Transporten van goederen uit verpakkingsgroep III* . * Zie deel 1 van het ADN, sectie 1.2.1, onder 'verpakkingsgroep', en subsectie 2.1.1.3. 2025 81 23-10-2025 2025 81 23-10-2025 03-07-2025
Artikel D — D Betekenis van de kolommen in de onderstaande Tabellen I tot en met III#
D Betekenis van de kolommen in de onderstaande Tabellen I tot en met III 1 „UN-nummer”: nummer bestaande uit vier cijfers dat goederen of voorwerpen identificeert overeenkomstig de UN-modelvoorschriften. 2 „Goederennaam”: omschrijving van de vervoerde lading. 3 „AVFL”: waarde van de concentratie van de dampen in de ladingtank (in vol.-%) waaronder vrij ventileren is toegestaan. 4 „Opmerkingen”: aanvullingen inzake de behandeling van bepaalde goederen. 1) N.E.G.: Niet Elders Genoemd Tabel I 1 2 3 4 UN-NUMMER Goederennaam AVFL (vol.- %) Opmerkingen UN 1114 Benzeen 0.12 1) UN 1203 Benzine of motorbrandstof 0.14 2) UN 1268 1) Aardoliedestillaten, aardolieproducten, N.E.G. - 3) UN 3475 Ethanol en benzine, mengsel van ethanol en motorbrandstof, mengsel met meer dan 10% ethanol 0.14 2) 1) De AVFL wordt gelijkgesteld aan die van benzeen. 2) De AVFL wordt gelijkgesteld aan die van benzine. 3) De AVFL (gelijk aan 10% van de onderste explosiegrens) moet worden meegedeeld door de verlader aangezien de LEL afhankelijk is van de samenstelling van het mengsel. Tabel II 1 2 3 4 UN-NUMMER Goederennaam AVFL Opmerkingen UN 1267 Ruwe aardolie (met meer dan 10% benzeen) 0.12 1) UN 1993 Ontvlambare vloeistof, N.E.G met meer dan 10% benzeen 0.12 1) UN 3295 Koolwaterstoffen, vloeibaar, N.E.G., met meer dan 10% benzeen 0.12 1) 1) De AVFL wordt gelijkgesteld aan die van benzeen. Tabel III 1 2 3 4 UN-NUMMER Goederennaam AVFL Opmerkingen UN 1090 Aceton 0.26 UN 1145 Cyclohexaan 0.10 UN 1170 Ethanol (ethylalcohol) of ethanol, oplossing (ethylalcohol, oplossing), waterige oplossing met meer dan 70 volumeprocent alcohol 0.31 UN 1179 Ethyl-tert-butylether 0.16 UN 1216 Isooctenen 0.08 UN 1230 Methanol 0.60 UN 1267 Ruwe aardolie (met minder dan 10% benzeen) 0.12 1) UN 1993 Ontvlambare vloeistof, N.E.G., met minder dan 10% benzeen – 3) UN 2398 Methyl-tert-butylether 0.16 UN 3257 Verwarmde vloeistof, N.E.G., bij een temperatuur gelijk aan of hoger dan 100 °C en lager dan haar vlampunt met inbegrip van gesmolten metaal, gesmolten zout, enz.) ( – 3) UN 3295 Koolwaterstoffen, vloeibaar, N.E.G., met minder dan 10% benzeen – 3) 9001 Stoffen met een vlampunt van meer dan 60 °C, die binnen een grenswaarde van 15 K onder het vlampunt verwarmd of stoffen met vp > 60 °C, binnen minder dan 15 K onder het vp, ter vervoer worden aangeboden of vervoerd worden – 3), 4) 9003 Stoffen met een vlampunt van meer dan 60 °C en ten hoogste 100 °C of stoffen met 60 °C < vp ≤ 100 °C, die niet in andere klassen of in klasse 9 ingedeeld kunnen worden – 3), 4) 1) De AVFL wordt gelijkgesteld aan die van benzeen. 3) De AVFL (gelijk aan 10% van de onderste explosiegrens) moet worden meegedeeld door de verlader aangezien de LEL afhankelijk is van de samenstelling van het mengsel. 4) Aanwijzing: 9001 en 9003 zijn geen UN-nummers overeenkomstig de modelvoorschriften. Het zijn zogenaamde stofnummers, die uitsluitend met het oog op het ADN en de tankvaart werden ingevoerd. 2018 23 21-02-2018 2024 71 28-06-2024 01-10-2024
Artikel 7.04#
artikel 7.04, derde lid, onderdeel a
Artikel 7.04#
artikel 7.04, derde lid, onderdeel b
Artikel 7.04#
artikel 7.04, derde lid, onderdeel c
Artikel 7.05#
artikel 7.05
Artikel 7.08#
7.08
Artikel 7.03#
artikel 7.03, tweede en derde lid
Artikel 7.08#
artikel 7.08
Artikel 6.03#
6.03, zesde lid
Artikel 7.05#
7.05, tweede lid, onderdeel a
Artikel 7.08#
artikel 7.08
Artikel 6.03#
artikel 6.03, vierde lid, onderdeel b
Artikel 6.03#
artikel 6.03, vierde lid, onderdeel b
Artikel 7.04#
artikel 7.04, derde lid, onderdeel c
Artikel 7.01#
artikel 7.01, tweede lid
Artikel 7.01#
artikel 7.01, tweede lid