Wet educatie en beroepsonderwijs BES
- BWB-id
- BWBR0028395
- Type
- wet-BES
- Ministerie
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0028395
- ELI
- /eli/nl/wet-bes/2010/wet-educatie-en-beroepsonderwijs-bes
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet-bes/2010/wet-educatie-en-beroepsonderwijs-bes/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0028395&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0028395&z=2026-06-06&g=2026-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0028395/2026-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet-bes/2010/wet-educatie-en-beroepsonderwijs-bes
Artikel 1.1.1 — Artikel 1.1.1 Begripsbepalingen#
Artikel 1.1.1 Begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: beroepsonderwijs artikel 1.2.1, tweede lid : onderwijs als bedoeld in; beroepsopleiding artikel 7.2.2, eerste lid : een opleiding als bedoeld in; beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg: artikel 7.2.6, vierde lid beroepsopleiding als bedoeld in; beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg: artikel 7.2.6, derde lid beroepsopleiding als bedoeld in; beroepspraktijkvorming artikel 7.2.7, eerste lid : het onderricht in de praktijk van het beroep, bedoeld in; bevoegd gezag : bijzondere instelling : een instelling in stand gehouden door een natuurlijke persoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon; deelnemer : degene die een opleiding educatie volgt, met uitzondering van een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs; deskundige artikel 121, zesde lid, van Boek 2, van het Burgerlijk Wetboek BES : een deskundige als bedoeld in; doorlopende leerroute vmbo-mbo artikel 8.4a.2, tweede lid : route als bedoeld in; educatie artikel 1.2.1, eerste lid : onderwijs als bedoeld in; eindtermen artikel 7.3.2 : de eindtermen, bedoeld in; exameninstelling artikel 1.6.1 : een instelling als bedoeld in; examinering : het nemen van beslissingen over inhoud en niveau van examens van een beroepsopleiding in relatie tot de eindtermen, procedures en voorwaarden waaronder examens worden afgenomen, alsmede het vaststellen van de uitslag van examens; expertisecentrum onderwijszorg artikel 3.4, eerste lid : de rechtspersoon, bedoeld in; ho-student : degene die hoger onderwijs volgt, als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; inspectie Wet op het onderwijstoezicht : de inspectie, bedoeld in de; instelling : een organisatorische eenheid die opleidingen educatie of opleidingen beroepsonderwijs verzorgt; kwalificatie: artikel 7.1.3 de kwalificatie, bedoeld in; kwalificatiedossier: een document waarin een of meer kwalificaties zijn beschreven; leerlingen WPO BES WVO BES : leerlingen als bedoeld in deen; leerweg artikel 7.2.2, tweede lid : een leerweg als bedoeld in; onderwijs : educatie en beroepsonderwijs; Onze Minister : Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; openbaar lichaam : het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba; openbare instelling : een instelling in stand gehouden door een openbaar lichaam; opleiding educatie artikel 7.3.1, eerste lid : een opleiding als bedoeld in; opleidingsdomein BES: een samenhangend geheel van kwalificaties die zijn gericht op en van belang zijn voor eenzelfde bedrijfstak of groep van bedrijfstakken; persoonsgebonden nummer BES artikel 8.1.3, vierde lid : het administratienummer van de deelnemer, vavo-student of student, dan wel het door Onze Minister uitgegeven onderwijsnummer, bedoeld in; raad artikel 1.5.1, eerste lid : Raad onderwijs arbeidsmarkt als bedoeld in; Registratie instellingen en opleidingen artikel 6.1.1, eerste lid : Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in; student : degene die beroepsonderwijs volgt; studiejaar : het tijdvak dat aanvangt op 1 augustus en eindigt op 31 juli van het daarop volgend jaar; vavo-student : degene die een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs volgt; volwassene : een in Nederland woonachtige van 18 jaren of ouder. a. van een openbare instelling: bestuurscollege, voor zover de eilandsraad niet anders bepaalt, en, indien de eilandsraad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te stellen regelen, dan wel het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan; b. artikel 1.3.4, eerste lid van een bijzondere instelling: natuurlijke persoon of rechtspersoon die de instelling in stand houdt als bedoeld in; c. artikel 1.6.1 van een exameninstelling als bedoeld in: rechtspersoon die de exameninstelling in stand houdt; 2013 288 12-07-2013 26-06-2013 33187 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026
Artikel 1.1.2 — Artikel 1.1.2 Aard bepalingen beroepsonderwijs#
Artikel 1.1.2 Aard bepalingen beroepsonderwijs 1 artikelen 1.3.2 1.3.3 1.3.5 2.5.1 2.5.2 4.1.3 4.2.1 tot en met 4.2.5 6.1.1 hoofdstuk 7 8.1.1 tot en met 8.1.1c 8.1.3 8.1.4, tweede lid 8.1.5a tot en met 8.2.1 8.4.1 8.4.2 8.4.3 8.4a.1 tot en met 8.4a.16 De bepalingen vastgesteld bij of krachtens de,,,,,,,,,,,,,,,enzijn regels voor openbare instellingen voor beroepsonderwijs. 2 artikelen 1.3.2 1.3.5 2.5.1 2.5.2 4.1.3 4.2.1 tot en met 4.2.5 6.1.1 hoofdstuk 7 8.1.1 tot en met 8.1.1c 8.1.3 8.1.4, eerste en derde lid 8.1.5a tot en met 8.2.1 8.4.1 8.4.2 8.4.3 8.4a.1 tot en met 8.4a.16 De bepalingen vastgesteld bij of krachtens de,,,,,,,,,,,,,,enzijn voorwaarden voor bekostiging van beroepsopleidingen aan bijzondere instellingen. 2013 288 12-07-2013 26-06-2013 33187 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026
Artikel 1.2.1 — Artikel 1.2.1 Doelstellingen onderwijs#
Artikel 1.2.1 Doelstellingen onderwijs 1 Educatie is gericht op de bevordering van de persoonlijke ontplooiing ten dienste van het maatschappelijk functioneren van volwassenen door de ontwikkeling van kennis, inzicht, vaardigheden en houdingen op een wijze die aansluit bij hun behoeften, mogelijkheden en ervaringen alsmede bij maatschappelijke behoeften. Waar mogelijk sluit de educatie aan op het ingangsniveau van het beroepsonderwijs. Educatie omvat niet activiteiten op het niveau van het hoger onderwijs. 2 Beroepsonderwijs is gericht op de theoretische en praktische voorbereiding voor de uitoefening van beroepen waarvoor een beroepskwalificerende opleiding is vereist of dienstig kan zijn. Het beroepsonderwijs bevordert tevens de algemene vorming en de persoonlijke ontplooiing van de studenten en draagt bij tot het maatschappelijk functioneren. Beroepsonderwijs sluit aan op het voorbereidend beroepsonderwijs en het algemeen voortgezet onderwijs. Beroepsonderwijs omvat niet het hoger onderwijs. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 1.3.1 — Artikel 1.3.1 Taken instellingen#
Artikel 1.3.1 Taken instellingen Bij de uitvoering van hun taak dragen de instellingen, onverminderd het bij of krachtens deze wet bepaalde, mede zorg voor: a. de toegankelijkheid van het onderwijs, in het bijzonder voor kansarme groepen, b. het aanbieden van doelmatige leerwegen, in het bijzonder door het zorg dragen voor een zorgvuldige afstemming tussen opleidingen educatie en beroepsopleidingen, c. het bieden van mogelijkheden voor loopbaanoriëntatie, d. het bieden van mogelijkheden voor loopbaanbegeleiding gedurende de inschrijving en na diplomering, e. de afstemming op de ontwikkelingen in de samenleving op nationaal en internationaal gebied in het algemeen en ten aanzien van de arbeidsmarkt in het bijzonder. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 1.3.2 — Artikel 1.3.2 Kwaliteitszorg#
Artikel 1.3.2 Kwaliteitszorg 1 Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het onderwijs van voldoende kwaliteit is. Een instelling verricht geen nevenwerkzaamheden die de beroepsopleiding of de opleiding educatie schaden. 2 artikel 1.1.1 Het bevoegd gezag richt een stelsel van kwaliteitszorg voor de instelling in en draagt er in dat verband zorg voor dat, zo veel mogelijk in samenwerking met andere instellingen, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs, waaronder maatregelen en instrumenten om te waarborgen dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de in de eerste volzin van dit lid bedoelde beoordeling geschiedt met betrokkenheid van onafhankelijke belanghebbenden en deskundigen, niet zijnde de deskundigen, bedoeld in. De uitkomsten van de beoordeling zijn openbaar. 3 Het bevoegd gezag maakt regelmatig, en voor zover het de examens betreft jaarlijks, een verslag openbaar omtrent: a. de beoordeling, bedoeld in het tweede lid, b. de uitkomsten van die beoordeling, en c. het voorgenomen beleid in het licht van die uitkomsten. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2011 34 07-03-2011 03-02-2011 01-08-2011 Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 1.3.2a — Artikel 1.3.2a Kwaliteit onderwijspersoneel#
Artikel 1.3.2a Kwaliteit onderwijspersoneel Het bevoegd gezag draagt zorg voor het personeelsbeleid, voor zover het betreft de duurzame borging van de kwaliteit van het onderwijspersoneel. 2013 432 01-11-2013 16-10-2013 33645 2013 432 01-11-2013 16-10-2013 33645 01-01-2014
Artikel 1.3.3 — Artikel 1.3.3 Karakter openbaar onderwijs#
Artikel 1.3.3 Karakter openbaar onderwijs 1 Het openbaar onderwijs draagt bij aan de ontwikkeling van de studenten en vavo-studenten met aandacht voor de godsdienstige, levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden zoals die leven in de Nederlandse samenleving en de Caribische regio en met onderkenning van de betekenis van de verscheidenheid van die waarden. 2 Openbaar onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 1.3.4 — Artikel 1.3.4 Instandhouding instelling#
Artikel 1.3.4 Instandhouding instelling 1 Een instelling kan in stand gehouden worden door: a. een natuurlijke persoon, of b. een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid. 2 Een rechtspersoon die een instelling in stand kan houden kan zijn: a. een openbaar lichaam of een door een openbaar lichaam ingestelde openbare rechtspersoon, dan wel b. een privaatrechtelijke rechtspersoon. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2011 34 07-03-2011 03-02-2011 17-02-2011 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 1.3.5 — Artikel 1.3.5 Verplichting tot overleg en aangifte inzake zedenmisdrijven#
Artikel 1.3.5 Verplichting tot overleg en aangifte inzake zedenmisdrijven 1 Tweede Boek, titel XIV, van het Wetboek van Strafrecht BES artikel 6 van de Wet op het onderwijstoezicht Indien het bevoegd gezag op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ten behoeve van zijn instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in hetjegens een minderjarige student of vavo-student van de instelling, treedt het bevoegd gezag onverwijld in overleg met de vertrouwensinspecteur, bedoeld in. 2 artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering BES Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, moet worden geconcludeerd dat er sprake is van een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige student of vavo-student van de instelling, doet het bevoegd gezag onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in, en stelt het bevoegd gezag de vertrouwensinspecteur daarvan onverwijld in kennis. Voordat het bevoegd gezag overgaat tot het doen van aangifte, stelt het de ouders van de betrokken student of vavo-student, onderscheidenlijk de betreffende ten behoeve van de instelling met taken belaste persoon, hiervan op de hoogte. 3 Indien een personeelslid bekend is geworden dat een ten behoeve van de instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige student of vavo-student van de instelling, stelt het personeelslid het bevoegd gezag daarvan onverwijld in kennis. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 1.4.1 — Artikel 1.4.1 Erkenning beroepsopleidingen#
Artikel 1.4.1 Erkenning beroepsopleidingen 1 artikel 7.2.4, eerste lid Onze Minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag een beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg of een beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg erkennen indien de kwalificatie waarop de beroepsopleiding is gebaseerd, is opgenomen in de ministeriële regeling, bedoeld in. 2 artikel 7.2.3 Erkenning houdt in dat aan de met goed gevolg afgelegde examens of onderdelen van examens van die opleiding een diploma als bedoeld in artikel 7.4.8 of certificaat als bedoeld inis verbonden. 3 Voorwaarde voor erkenning is dat de desbetreffende instelling voor die opleiding in acht neemt hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van: a. artikel 1.3.2 de kwaliteitszorg, bedoeld in, b. hoofdstuk 7 artikel 7.1.4 artikel 7.2.4a, derde lid artikel 7.2.6, tweede tot en met vierde lid het onderwijs, de examens en de verklaring, bedoeld inmet uitzondering van, met uitzondering van, mits het aantal begeleide onderwijsuren en het aantal uren beroepspraktijkvorming op grond van de studieduur, naar evenredigheid ten minste gelijk is aan het aantal uren, bedoeld in, c. artikel 7.5.3 de commissie van beroep voor de examens, bedoeld in, d. vervallen, e. artikel 8.2.1 de vooropleidingseisen, bedoeld in, f. artikelen 4.2.1 tot en met 4.2.4 de eisen, bedoeld in de, en g. het toezicht door de inspectie. 4 artikel 1.3.2, tweede lid artikel 7.4.9 De aanvraag om erkenning gaat in elk geval vergezeld van een beschrijving van het stelsel van kwaliteitszorg, bedoeld inalsmede het ontwerp van de inbedoelde onderwijs- en examenregeling van de opleiding. 5 De aanvraag om erkenning wordt ingediend bij Onze Minister. Indien de gegevens bij de aanvraag onjuist of niet volledig zijn, stelt Onze Minister binnen twee weken na indiening van de aanvraag de aanvrager in de gelegenheid om binnen een door Onze Minister te bepalen termijn alsnog te voorzien in de vereiste gegevens. 6 Onze Minister beslist binnen zes maanden na de aanvraag om erkenning. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. 7 artikel 2.1.1 artikel 7.4.8 7.2.3 Het bevoegd gezag verstrekt Onze Minister op diens verzoek de nodige inlichtingen omtrent de instelling. Het bevoegd gezag doet Onze Minister en, indien het betreft op grond vanbekostigde opleidingen, de desbetreffende eilandsraad jaarlijks vóór 1 februari een verslag toekomen omtrent de werkzaamheden van de instelling voor zover betrekking hebbend op opleidingen. Het verslag bevat tevens het aantal studenten per opleiding en het aantal uitgereikte diploma’s en certificaten, bedoeld inrespectievelijk. 8 Een aanvraag om erkenning geldt mede als aanmelding voor registratie in de Registratie instellingen en opleidingen. 9 artikel 7.2.2, tweede lid artikel 7.2.6, eerste lid Het eerste tot en met achtste lid zijn van overeenkomstige toepassing op een beroepsopleiding in andere dan in het eerste lid genoemde leerwegen, met dien verstande dat voor die opleiding, niet van toepassing is en ten aanzien van het onderwijs, niet in acht behoeft te worden genomen voor wat betreft de eisen met betrekking tot voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming en artikel 7.2.6, tweede tot en met achtste lid, niet in acht behoeft te worden genomen. 2013 288 12-07-2013 26-06-2013 33187 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026
Artikel 1.4.2 — Artikel 1.4.2 Erkenning opleidingen educatie#
Artikel 1.4.2 Erkenning opleidingen educatie 1 Onze Minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag een opleiding educatie erkennen. 2 artikel 7.4.8 artikel 7.2.3 Erkenning houdt in dat de met goed gevolg afgelegde examens of onderdelen van examens van die opleiding een diploma als bedoeld inof certificaat als bedoeld inis verbonden. 3 artikel 8.1.1c artikel 8.1.2a Voorwaarde voor erkenning is dat de instelling voor die opleiding in acht neemt,en hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van: a. artikel 1.3.2 de kwaliteitszorg, bedoeld in, b. hoofdstuk 7 artikelen 7.1.4 7.4.7, achtste lid het onderwijs en de examens, bedoeld in, met uitzondering van deen, c. hoofdstuk 7, titel 5 artikelen 7.5.1 7.5.5 7.5.6 de rechtsbescherming van de deelnemers, bedoeld in, met uitzondering van de,en, d. artikel 8.1.5, eerste tot en met derde lid de onderwijsovereenkomst, bedoeld in, en e. het toezicht door de inspectie. 4 artikel 1.3.2, tweede lid artikel 7.4.9 De aanvraag om erkenning gaat in elk geval vergezeld van een beschrijving van het stelsel van kwaliteitszorg, bedoeld inalsmede het ontwerp van de inbedoelde onderwijs- en examenregeling van de opleiding. 5 Onze Minister beslist binnen 3 maanden na de aanvraag. 6 Het bevoegd gezag verstrekt Onze Minister op diens verzoek de nodige inlichtingen omtrent de instelling. 2013 288 12-07-2013 26-06-2013 33187 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026
Artikel 1.4.3 — Artikel 1.4.3 Samenwerking met onbekostigd vo t.b.v. doorlopende leerroute vmbo-mbo en geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding#
Artikel 1.4.3 Samenwerking met onbekostigd vo t.b.v. doorlopende leerroute vmbo-mbo en geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding 1 artikel 1.4.1 artikel 2.107l van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Het bevoegd gezag kan een beroepsopleiding ten aanzien waarvan een erkenning is verkregen op grond vaneen doorlopende leerroute vmbo-mbo of de geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding als bedoeld inaanbieden. 2 artikel 2.66 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Toepassing van het eerste lid berust op een samenwerkingsovereenkomst, gesloten tussen het bevoegd gezag, bedoeld in het eerste lid, en het bevoegd gezag van een ingevolgdeaangewezen school. 3 artikelen 8.4.3 8.4a.2 8.4a.3, met uitzondering van het tweede lid 8.4a.4 tot en met 8.4a.7 8.4a.8, eerste en tweede lid 8.4a.9 8.4a.11 8.4a.12 8.4a.14 8.4a.16 artikel 2.107b, tweede lid, onderdeel e, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 artikel 2.66 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 De,,wat betreft,,,,,,enzijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor «school» telkens wordt gelezen «school aangewezen ingevolge». 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 1.5.1 — Artikel 1.5.1 Raad onderwijs arbeidsmarkt#
Artikel 1.5.1 Raad onderwijs arbeidsmarkt 1 Onze Minister stelt voor een openbaar lichaam of voor een combinatie van openbare lichamen een Raad onderwijs arbeidsmarkt in. 2 De raad is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid. 3 De raad heeft een bestuur bestaande uit vertegenwoordigers van werkgeversorganisaties, uit vertegenwoordigers van werknemersorganisaties en uit vertegenwoordigers van de instellingen. 4 Onze Minister kan de raad subsidiëren voor de uitoefening van zijn taken. 5 titel 4.1 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht artikelen 4 tot en met 19 van de Wet overige OCW-subsidies Voor zover het vierde lid van toepassing is, zijnenen devan toepassing. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2011 34 07-03-2011 03-02-2011 17-02-2011 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 1.5.2 — Artikel 1.5.2 Taken Raad onderwijs arbeidsmarkt#
Artikel 1.5.2 Taken Raad onderwijs arbeidsmarkt 1 De raad adviseert Onze Minister over de doelmatigheid van de beroepsopleidingen die de instellingen voornemens zijn te verzorgen of reeds verzorgen, gelet op de arbeidsmarktrelevantie van die opleidingen. 2 De raad draagt bij aan een doelmatige en doelgerichte inzet van overheidsmiddelen door het doen van voorstellen, welke beroepsopleidingen voor bekostiging uit ’s Rijks kas in aanmerking komen. 3 De raad doet in voorkomende gevallen voorstellen aan Onze Minister inzake het ontwikkelen van beroepsopleidingen dan wel delen van beroepsopleidingen die relevant zijn voor de regionale arbeidsmarkt. 4 De raad draagt bij aan de bevordering van de kwaliteit van de plaatsen waar de beroepspraktijkvorming wordt verzorgd. 5 De raad draagt er zoveel mogelijk zorg voor dat er een toereikend aantal bedrijven en organisaties van voldoende kwaliteit beschikbaar zijn die de beroepspraktijkvorming voor de opleidingen verzorgen. De raad is voorts belast met een regelmatige beoordeling van die bedrijven en organisaties. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2011 34 07-03-2011 03-02-2011 17-02-2011 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 1.6.1 — Artikel 1.6.1 Exameninstellingen#
Artikel 1.6.1 Exameninstellingen 1 Onze Minister besluit op aanvraag van het bevoegd gezag van een exameninstelling, dat de exameninstelling het recht heeft tot examinering van een beroepsopleiding in opdracht van een instelling, indien die exameninstelling in acht neemt hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald over: a. artikel 1.3.2 de kwaliteitszorg, bedoeld invoor zover het betreft de examinering, b. de examens, en c. hoofdstuk 7, titel 5 de rechtsbescherming, bedoeld in. 2 Onze Minister besluit binnen drie maanden na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid. Indien de beschikking niet binnen drie maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 2.1.1 — Artikel 2.1.1 Vestiging bekostigingsaanspraak beroepsopleidingen#
Artikel 2.1.1 Vestiging bekostigingsaanspraak beroepsopleidingen 1 artikel 1.4.1 Onze Minister kan, de eilandsraad gehoord, op aanvraag van het bevoegd gezag besluiten dat een beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg of een beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg ten aanzien waarvan het bevoegd gezag een erkenning heeft verkregen op grond van, voor bekostiging in aanmerking komt. Bij inwilliging van de aanvraag ontstaat de aanspraak op bekostiging met ingang van het kalenderjaar daaropvolgend. 2 Bekostiging van een beroepsopleiding vindt slechts plaats indien: a. de beroepsopleiding wordt aangeboden door een instelling in stand gehouden door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die niet het maken van winst tot oogmerk heeft, b. er maatschappelijke behoefte aan de beroepsopleiding bestaat, c. er arbeidsmarktperspectieven zijn voor afgestudeerden, d. de inhoud van de beroepsopleiding bijdraagt aan een duurzame en brede beroepskwalificatie, alsmede e. Wet voortgezet onderwijs 2020 de beroepsopleiding bijdraagt aan het tot stand komen van een samenhangend aanbod met het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs dat wordt bekostigd op grond van de. 2013 288 12-07-2013 26-06-2013 33187 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026
Artikel 2.1.2 — Artikel 2.1.2 Einde bekostiging beroepsopleiding#
Artikel 2.1.2 Einde bekostiging beroepsopleiding 1 De aanspraak op bekostiging voor een beroepsopleiding eindigt van rechtswege met ingang van het tijdstip waarop de erkenning ten aanzien van die opleiding is ingetrokken. 2 Onze Minister kan, de eilandsraad gehoord, besluiten dat een beroepsopleiding, verzorgd door een instelling, niet meer voor bekostiging in aanmerking komt, indien mede gezien de arbeidsmarktomstandigheden niet langer sprake is van voldoende behoefte aan die opleiding. 3 Bij een besluit als bedoeld in het eerste lid bepaalt Onze Minister het tijdstip waarop de aanspraak op bekostiging voor een bepaalde beroepsopleiding ontnomen wordt zodanig dat de ingeschreven studenten de beroepsopleiding waarvoor zij zijn ingeschreven, aan dezelfde of aan een andere instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien. 2020 437 13-11-2020 28-10-2020 35354 2021 432 17-09-2021 02-09-2021 01-10-2021
Artikel 2.2.1 — Artikel 2.2.1 Rijksbijdrage beroepsonderwijs#
Artikel 2.2.1 Rijksbijdrage beroepsonderwijs 1 artikel 2.1.1, eerste lid De rijksbijdrage voor beroepsopleidingen waarop de in, bedoelde aanspraak betrekking heeft, wordt per instelling berekend en bestaat uit een bedrag per student, waarbij onderscheid kan worden gemaakt naar leerweg. 2 De rijksbijdrage is bestemd voor kosten voor personeel en exploitatie van een instelling. De bekostiging wordt per instelling berekend aan de hand van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde berekeningswijze. 3 De rijksbijdrage wordt verstrekt voor: a. Ambtenarenwet BES personeel wegens voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens de, b. onderhoud en vervanging van inventaris, c. onderhoud van gebouwen en terreinen, d. energie, e. administratie, beheer en bestuur, f. schoonmaken, g. heffingen h. inkoop van diensten, i. loopbaanoriëntatie en -begeleiding, j. studenten met een handicap of chronische ziekte, alsmede k. zorg voor studenten met specifieke onderwijsbehoefte te verlenen door de instelling. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-08-2024
Artikel 2.2.2 — Artikel 2.2.2 Berekeningswijze#
Artikel 2.2.2 Berekeningswijze 1 artikel 2.2.1 De inbedoelde berekeningswijze bevat voor elke instelling en elke beroepsopleiding een gelijkelijk geldende maatstaf. 2 De maatstaf voorziet in bekostiging aan de hand van de instroom van studenten. 3 artikel 2.2.1, eerste lid Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 oktober de bedragen, bedoeld in, vastgesteld, die per leerweg kunnen verschillen en worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de hoogte van de bekostiging wordt berekend. 4 Voor de toepassing van de maatstaf, bedoeld in het tweede lid, geldt inschrijving van een student voor twee of meer voltijdse dan wel twee of meer deeltijdse beroepsopleidingen in enig studiejaar als inschrijving voor één voltijdse respectievelijk één deeltijdse beroepsopleiding. Inschrijving van een student voor zowel voltijdse als deeltijdse beroepsopleidingen in enig studiejaar geldt voor de toepassing van die maatstaf als inschrijving voor een voltijdse opleiding. 5 Bij de toepassing van de maatstaf, bedoeld in het tweede lid, blijven buiten beschouwing studenten aan een deeltijdse opleiding waarvoor het bevoegd gezag een in instellingstijd verzorgd onderwijsprogramma, met inbegrip van de beroepspraktijkvorming, heeft ingericht dat minder dan 300 uren per volledig studiejaar omvat. 6 artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 In de maatstaf, bedoeld in het tweede lid, kan onderscheid worden gemaakt naar groepen van studenten en naar opleidingen. De maatstaf, bedoeld in het tweede lid, kan verschillend worden vastgesteld voor opleidingen die worden verzorgd door een instelling die deel uitmaakt van een scholengemeenschap als bedoeld in. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 2.2.3 — Artikel 2.2.3 Aanvullende middelen#
Artikel 2.2.3 Aanvullende middelen 1 artikel 2.2.2 Onze Minister kan aan de rijksbijdrage, berekend op grond van, een bedrag toevoegen in verband met: a. bijzondere omstandigheden die in redelijkheid niet door de instelling binnen de rijksbijdrage voor het betreffende bekostigingsjaar of binnen de normale bedrijfsvoering kunnen worden opgevangen; of b. de ontwikkelingen van het bestel van het beroepsonderwijs op de onderscheiden openbare lichamen. 2 Het bedrag bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan op de rijksbijdrage van een later jaar geheel of gedeeltelijk in mindering worden gebracht. Indien dat het geval is wordt dit vermeld in de beschikking en wordt in die beschikking tevens de hoogte vermeld van het bedrag dat in mindering zal worden gebracht of de criteria voor de bepaling van dat bedrag. 3 Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven voor de verstrekking bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. 4 Onze Minister kan een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020 Abusievelijk is een wijziging geformuleerd die niet kan worden doorgevoerd. 2020 168 17-06-2020 03-06-2020 35289 2020 256 15-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 2.2.3a — Artikel 2.2.3a Teldatum aantal studenten voor berekening bekostiging#
Artikel 2.2.3a Teldatum aantal studenten voor berekening bekostiging artikel 2.2.2 Bij het bepalen van de hoogte van de bekostiging, bedoeld in, gaat Onze Minister volgens daarover bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels, uit van het aantal studenten op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft. 2020 437 13-11-2020 28-10-2020 35354 2021 432 17-09-2021 02-09-2021 01-10-2021 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot de berekening
van de bekostiging over kalenderjaar 2022 (Stb. 2021/432).
Artikel 2.2.4 — Artikel 2.2.4 Aftrekposten rijksbijdrage#
Artikel 2.2.4 Aftrekposten rijksbijdrage 1 artikel 2.2.1 Op de rijksbijdrage, bedoeld inkan volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels een bedrag in mindering worden gebracht in verband met de kosten waarop aanspraak wordt gemaakt door personeel dat is benoemd met voorbijgaan van: a. personeel dat een gelijksoortige functie uitoefent aan een instelling van het bevoegd gezag, of b. personeel dat een gelijksoortige functie heeft uitgeoefend aan een instelling van het bevoegd gezag, en 1°. in het genot is van wachtgeld, of 2°. van een andere ontslaguitkering en direct aan die ontslaguitkering voorafgaand langer dan een jaar onafgebroken in dienst is geweest van het bevoegd gezag. 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt, indien het betreft openbaar onderwijs, onder «instelling van het bevoegd gezag» verstaan elke binnen het desbetreffende openbaar lichaam gelegen instelling. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419
Artikel 2.2.5 — Artikel 2.2.5 Bekendmaking, verstrekking en betaling rijksbijdrage#
Artikel 2.2.5 Bekendmaking, verstrekking en betaling rijksbijdrage 1 artikel 7.2.2, eerste lid, onder a Onze Minister maakt aan elke instelling jaarlijks in december bekend welke rijksbijdrage voor het daarop volgende kalenderjaar wordt verstrekt. Hij deelt daarbij mee op welke wijze de rijksbijdrage is berekend en vermeldt daarbij afzonderlijk het bedrag voor de entreeopleiding, bedoeld in. 2 De rijksbijdrage wordt betaald volgens een door Onze Minister te bepalen kasritme. 3 Zolang de rijksbijdrage niet is vastgesteld of nader vastgesteld, wordt daarop door Onze Minister een voorschot betaald. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven met betrekking tot de uitvoering van deze paragraaf. Deze voorschriften hebben in elk geval betrekking op aard, inrichting en wijze van verstrekking van gegevens met betrekking tot de studenten. 5 artikel 2.2.2 De in het vierde lid bedoelde gegevens die op enigerlei wijze een rol spelen in de berekeningswijze, bedoeld in, gaan vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige. Deze gegevens en de verklaring worden ingediend voor een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip. 2013 288 12-07-2013 26-06-2013 33187 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026
Artikel 2.2.5a — Artikel 2.2.5a Rijksbijdrage en private activiteiten#
Artikel 2.2.5a Rijksbijdrage en private activiteiten Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de besteding van de rijksbijdrage aan private activiteiten ten behoeve van het onderwijs. 2013 288 12-07-2013 26-06-2013 33187 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026
Artikel 2.2.6 — Artikel 2.2.6 Voorziening in huisvesting door het openbaar lichaam#
Artikel 2.2.6 Voorziening in huisvesting door het openbaar lichaam hoofdstuk 11, paragraaf 6, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 De eilandsraad of het bestuurscollege draagt overeenkomstigzorg voor de voorzieningen in de huisvesting van instellingen op het grondgebied van het openbaar lichaam. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 2.3.1 — Artikel 2.3.1 Jaarrekening#
Artikel 2.3.1 Jaarrekening 1 Het bevoegd gezag van een instelling voor beroepsonderwijs stelt jaarlijks een jaarrekening vast over het afgelopen jaar. 2 In de jaarrekening legt het bevoegd gezag verantwoording af over het financiële beheer van de instelling voor zover het betreft de ingevolge deze wet uit 's Rijks kas ontvangen middelen. Uit de jaarrekening dient te blijken dat sprake is van een rechtmatige en doelmatige aanwending van de rijksbijdrage. Van niet doelmatige aanwending van de rijksbijdrage is in ieder geval sprake voor zover bedragen daaruit worden aangewend voor het op enigerlei wijze compenseren van de extraneï voor examengeld. Bij ministeriële regeling kunnen met het oog op de verantwoording van de rechtmatigheid en doelmatigheid van de aanwending van de rijksbijdrage nadere voorschriften worden gegeven voor de inrichting van de jaarrekening. 3 Het resultaat van het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft wordt verrekend met de algemene reserve van de instelling. 4 artikel 392 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek Het bevoegd gezag dient de jaarrekening voor 1 juli van het jaar volgend op het boekjaar bij Onze Minister in. De jaarrekening gaat vergezeld van de overige gegevens, bedoeld inen een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige. 5 Het bevoegd gezag maakt de jaarrekening, vergezeld van de overige gegevens en de verklaring, bedoeld in het vierde lid, openbaar. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven over de wijze en het tijdstip waarop openbaarmaking plaatsvindt. 6 artikel 2.2.2 Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het ten behoeve van Onze Minister beschikt over een overzichtelijke informatieverzameling van de financiële gegevens die op enigerlei wijze van belang zijn voor de berekeningswijze, bedoeld in. 7 Het bevoegd gezag houdt per begrotingsjaar nauwkeurig boek van baten en lasten en draagt er zorg voor dat de baten en lasten nauwkeurig en herkenbaar zijn verwerkt in de in het zesde lid bedoelde informatieverzameling. 8 Het bevoegd gezag bewaart de informatieverzameling en de desbetreffende boeken en bescheiden, bedoeld in het zesde en zevende lid, gedurende een periode van zeven jaren. 9 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld omtrent de wijze van beschikbaarstelling van de gegevens en de wijze van ordening daarvan. 2020 235 08-07-2020 01-07-2020 35102 2020 469 24-11-2020 12-11-2020 01-01-2021
Artikel 2.3.2 — Artikel 2.3.2 Jaarverslag#
Artikel 2.3.2 Jaarverslag 1 artikel 1.3.2, derde lid Het bevoegd gezag stelt jaarlijks een jaarverslag over het afgelopen jaar vast en maakt het openbaar. Het jaarverslag bevat ten minste het verslag, bedoeld in, voor zover dat in het desbetreffende jaar is uitgebracht, dan wel de hoofdpunten van laatstgenoemd verslag, alsmede de hoofdpunten van de bevindingen van de inspectie met betrekking tot de examens en informatie over schorsing en verwijdering van studenten, vavo-studenten en deelnemers in het afgelopen jaar. 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inrichting en de wijze en het tijdstip van openbaarmaking van het jaarverslag. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-08-2023
Artikel 2.3.3 — Artikel 2.3.3 Informatie beroepsonderwijs#
Artikel 2.3.3 Informatie beroepsonderwijs 1 De instellingen dragen er zorg voor dat zij beschikken over geordende gegevens ten behoeve van het door Onze Minister te voeren beleid met betrekking tot het beroepsonderwijs en verlenen desgevraagd medewerking aan door of namens Onze Minister uit te voeren onderzoek dat geheel of mede op deze gegevens is gebaseerd. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld omtrent de wijze van beschikbaarstelling van de in het eerste lid bedoelde gegevens. 3 Bij de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur worden tevens voorschriften vastgesteld over de wijze van ordening van de informatie en over de kengetallen waarover informatie beschikbaar is of wordt verstrekt, en kan worden bepaald dat Onze Minister een bijdrage in de kosten voor het verzamelen of verstrekken van deze gegevens is verschuldigd. Bij of krachtens de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur kan deze bijdrage worden vastgesteld. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419
Artikel 2.3.4 — Artikel 2.3.4 Gebruik persoonsgebonden nummer BES door bevoegd gezag#
Artikel 2.3.4 Gebruik persoonsgebonden nummer BES door bevoegd gezag 1 Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer BES van een deelnemer aan een beroepsopleiding gebruiken in het verkeer met de deelnemer op wie het nummer betrekking heeft, of, indien de deelnemer minderjarig is, met de ouders, voogden of verzorgers van deze deelnemer. 2 Het bevoegd gezag verstrekt het persoonsgebonden nummer BES van iedere deelnemer aan een beroepsopleiding aan Onze Minister, tezamen met de volgende gegevens van de deelnemer: a. geslacht, geboortedatum en postcode van de woonplaats, b. de datum van inschrijving of einde inschrijving, c. de kwalificatie, d. de leerweg, e. het al dan niet hebben van een handicap of chronische ziekte die extra ondersteuning vraagt van de instelling, f. de hoogste vooropleiding, g. het uitstroomniveau of het behaalde diploma en de datum waarop het diploma is behaald, h. de omvang van beroepspraktijkvorming, de datum van begin en einde daarvan, de afsluitdatum van de beroepspraktijkvormingsovereenkomst en het betrokken bedrijf dat of de betrokken organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt, i. het registratienummer van de instelling, j. het volgen van de opleiding in voltijd of deeltijd, k. indien van toepassing het zijn van examendeelnemer, l. het al dan niet voor bekostiging in aanmerking komen van de deelnemer, en m. indien van toepassing de reden van uitstroom. 3 Bij ministeriële regeling kan een nadere specificatie worden gegeven van de gegevens, bedoeld in het tweede en zevende lid, en kan worden bepaald welke van de gegevens, bedoeld in het tweede en zevende lid, niet langer behoeven te worden verstrekt. Bij ministeriële regeling kunnen voorts regels worden gesteld omtrent de tijdstippen en de wijze van verstrekking van de gegevens, bedoeld in het tweede en zevende lid. 4 Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer BES van een deelnemer aan een beroepsopleiding, al dan niet tezamen met een of meer van de gegevens, bedoeld in het tweede en zevende lid, gebruiken in het verkeer met Onze Minister ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging van de instelling. 5 artikel 1, onder d, van de Leerplichtwet BES Leerplichtwet BES Het bevoegd gezag en het hoofd, bedoeld in, gebruiken het persoonsgebonden nummer BES van een deelnemer aan een beroepsopleiding in contacten met een openbaar lichaam in het kader van de, tezamen met de gegevens die noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving van die wet door het openbaar lichaam. 6 artikel 8.1.8, eerste lid Het bevoegd gezag gebruikt bij de opgave aan het bestuurscollege, bedoeld in, het persoonsgebonden nummer BES van de betrokkene. 7 artikel 1 van de Wet basisadministraties persoonsgegevens BES Indien de gegevens over de nationaliteit van de leerling niet zijn opgenomen in de basisadministratie bedoeld inworden deze gegevens door het bevoegd gezag verstrekt aan Onze Minister. 8 artikel 2.107l van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer BES van een deelnemer in het contact met een andere school of een school of instelling voor ander onderwijs ten behoeve van de in- en uitschrijving van die deelnemer of ten behoeve van het volgen een doorlopende leerroute vmbo-mbo of de geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding, bedoeld in. Onder dit contact wordt mede begrepen de uitwisseling van leergegevens en direct met het leren samenhangende begeleidingsgegevens. Bij algemene maatregel van bestuur worden de gegevens, bedoeld in de vorige volzin, gespecificeerd. Het bevoegd gezag bewaart in de administratie van de school een verklaring van instemming van de ouders dan wel de leerling, indien deze de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, met de uitwisseling van de gegevens. 9 Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer BES van een deelnemer eenmalig gebruiken ten behoeve van het genereren van een pseudoniem voor deze deelnemer met het oog op het bieden van voorzieningen in het kader van het onderwijs en de begeleiding van deelnemers. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het pseudoniem wordt bewaard in de systemen waarin de deelnemers zijn geregistreerd. 10 Het bevoegd gezag kan het pseudoniem, bedoeld in het negende lid, gebruiken voor het genereren van een ander pseudoniem voor een deelnemer in het kader van de toegang tot en het gebruik van digitale leermiddelen of het digitaal afnemen van toetsen en examens, waarbij het bevoegd gezag er zorg voor draagt dat dit andere pseudoniem wordt bewaard in de systemen waarin de deelnemers zijn geregistreerd. Dit andere pseudoniem wordt uitsluitend verstrekt aan een leverancier die een digitaal product of een digitale dienst aanbiedt bestaande uit leerstof of toetsen en de daarmee samenhangende digitale diensten. 11 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere gevallen worden aangewezen dan het geval, bedoeld in het tiende lid, waarvoor het bevoegd gezag op basis van het pseudoniem, bedoeld in het negende lid, een ander pseudoniem kan genereren. Daarbij worden in ieder geval de categorieën van ontvangers van dit andere pseudoniem aangewezen. 12 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de voorwaarden waaronder de pseudoniemen, bedoeld in het negende tot en met het elfde lid, kunnen worden gegenereerd en gebruikt. Deze voorwaarden betreffen in ieder geval de duur en de beveiliging, waaronder de gescheiden opslag van de pseudoniemen. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 2.3.7 — Artikel 2.3.7 Gebruik persoonsgebonden nummer door openbaar lichaam#
Artikel 2.3.7 Gebruik persoonsgebonden nummer door openbaar lichaam artikel 8.1.8, eerste lid Onverminderd het overigens bij of krachtens de wet bepaalde omtrent het gebruik van het persoonsgebonden nummer BES door het openbaar lichaam, gebruikt het openbaar lichaam het persoonsgebonden nummer BES van een leerplichtige en kwalificatieplichtige deelnemer of een persoon als bedoeld in, uitsluitend ten behoeve van: a. Leerplichtwet BES het toezicht op de naleving van de; b. Wet sociale kanstrajecten jongeren BES de uitvoering van de; c. artikel 21, eerste en derde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers de verwerking van de gegevens, bedoeld in. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2015 213 17-06-2015 04-06-2015 34144 De wijziging is in werking getreden op 1 augustus 2015 (Stb.
2015/276). De wijziging wordt niet getoond, omdat het artikel nog
niet in werking is getreden. 2018 50 28-02-2018 14-02-2018 34691 2019 119 20-03-2019 20-02-2019 34878
Artikel 2.3.8 — Artikel 2.3.8 Onderzoek vanwege Minister#
Artikel 2.3.8 Onderzoek vanwege Minister artikel 2.3.1, vierde lid artikel 2.3.3 Onze Minister kan naast het deskundigenonderzoek, bedoeld in, een onderzoek instellen of doen instellen naar de jaarrekening en naar de gegevens, bedoeld in, naar de rechtmatigheid van de bestedingen en naar de doelmatigheid van het beheer van de instelling. 2013 432 01-11-2013 16-10-2013 33645 2013 432 01-11-2013 16-10-2013 33645 01-01-2014
Artikel 2.3.9 — Artikel 2.3.9 Informatieplicht ministeriële deskundige#
Artikel 2.3.9 Informatieplicht ministeriële deskundige Vervallen 2013 432 01-11-2013 16-10-2013 33645 2013 432 01-11-2013 16-10-2013 33645 01-01-2014
Artikel 2.3.10 — Artikel 2.3.10 Accountantsprotocol#
Artikel 2.3.10 Accountantsprotocol Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven omtrent de controle van de boekhouding, de jaarrekening en de administratie van de instellingen. 2015 284 14-07-2015 24-06-2015 34146 2015 291 14-07-2015 03-07-2015 01-08-2015
Artikel 2.3.11 — Artikel 2.3.11 Correctie rijksbijdrage; verrekening vorderingen#
Artikel 2.3.11 Correctie rijksbijdrage; verrekening vorderingen 1 Indien de vaststelling van de rijksbegroting daartoe noopt, kan Onze Minister tot acht weken na die vaststelling correcties aanbrengen op de rijksbijdrage. Onze Minister maakt het bevoegd gezag binnen acht weken na de vaststelling van de rijksbegroting een correctie als bedoeld in de eerste volzin bekend. Onze Minister verrekent de correctie met de rijksbijdrage voor het desbetreffende jaar of betaalt uit in dat jaar. 2 artikel 2.3.1, vierde lid artikel 2.3.8 Indien uit de jaarrekening, uit de verklaring van de deskundige, bedoeld in, uit de resultaten van het onderzoek, bedoeld in, blijkt dat de rijksbijdrage op onjuiste gronden is vastgesteld dan wel de besteding daarvan niet rechtmatig of niet doelmatig was, kan Onze Minister binnen een jaar na ontvangst van de jaarrekening correcties aanbrengen op de rijksbijdrage. Onze Minister maakt het bevoegd gezag binnen een jaar na ontvangst van de jaarrekening een correctie als bedoeld in de eerste volzin bekend. Onze Minister verrekent de correctie met de rijksbijdrage voor het eerstvolgende jaar of betaalt uit in dat jaar. 3 Onverminderd het eerste en tweede lid is Onze Minister bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens deze wet van of op het bevoegd gezag met vorderingen krachtens een andere wet. 2013 432 01-11-2013 16-10-2013 33645 2013 432 01-11-2013 16-10-2013 33645 01-01-2014
Artikel 2.4.1 — Artikel 2.4.1 Bijdrage voor derden#
Artikel 2.4.1 Bijdrage voor derden artikel 1.2.1 titels 4.1 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht artikelen 4 5 9 10 van de Wet overige OCW-subsidies Onze Minister kan aan andere rechtspersonen dan die waarvan de instellingen uitgaan, een bijdrage toekennen ter bevordering van de verwezenlijking van de inbedoelde doelstellingen van de educatie en het beroepsonderwijs dan wel ten behoeve van de afstemming tussen onderwijs en arbeidsmarkt. In dat geval worden bij ministeriële regeling daaromtrent regels gegeven. Bij de toepassing van dit artikel zijn deenen de,,envan toepassing. 2017 80 09-03-2017 22-02-2017 34607 2017 166 20-04-2017 29-03-2017 01-07-2017
Artikel 2.5.1 — Artikel 2.5.1 Opheffing instellingen#
Artikel 2.5.1 Opheffing instellingen 1 Bij de opheffing van een openbare instelling en bij de beëindiging van de bekostiging van een bijzondere instelling draagt het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk na de opheffing dan wel na de beëindiging van de bekostiging, zorg voor de vaststelling van een eindafrekening. De eindafrekening wordt aan Onze Minister gezonden en gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid van een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige. 2 Tenzij met Onze Minister een andere regeling wordt getroffen, is het bevoegd gezag aan het Rijk een bedrag verschuldigd, indien de eindafrekening een batig saldo bevat. Het bedrag wordt door Onze Minister vastgesteld en mag niet hoger zijn dan het saldo van de eindafrekening. Bij de vaststelling van het bedrag wordt rekening gehouden met door het bevoegd gezag uit de eigen middelen aan investeringen bestede gelden. 3 Indien de in het eerste lid bedoelde opheffing dan wel beëindiging van de bekostiging zich voordoet, maakt het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk aan Onze Minister bekend welke maatregelen het heeft genomen teneinde te waarborgen dat de aan die instelling ingeschreven studenten en vavo-studenten het onderwijs aan een andere instelling kunnen voltooien. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 2.5.2 — Artikel 2.5.2 Beheer van de middelen#
Artikel 2.5.2 Beheer van de middelen Het bevoegd gezag beheert de middelen van de instelling op zodanige wijze dat een behoorlijke exploitatie en het voortbestaan van de instelling zijn verzekerd. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2011 34 07-03-2011 03-02-2011 17-02-2011 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 3.1 — Artikel 3.1 Handelingsplan#
Artikel 3.1 Handelingsplan 1 Het bevoegd gezag van een instelling waar een student of vavo-student met een specifieke onderwijsbehoefte is ingeschreven, stelt voor deze student of vavo-student elk studiejaar een handelingsplan op. 2 Het handelingsplan wordt opgesteld in overeenstemming met de student of vavo-student of indien de student of vavo-student minderjarig is tevens met diens ouders, voogden of verzorgers. 3 Indien de inschrijving van de in het eerste lid bedoelde student of vavo-student plaatsvindt op of na 1 augustus wordt het handelingsplan zo spoedig mogelijk maar uiterlijk een maand na die inschrijving opgesteld. 4 Het bevoegd gezag evalueert jaarlijks het handelingsplan met de student of vavo-student of indien de student of vavo-student minderjarig is tevens met diens ouders, voogden of verzorgers. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 3.2 — Artikel 3.2 Samenwerkingsverband#
Artikel 3.2 Samenwerkingsverband 1 Het bevoegd gezag is voor elk van zijn instellingen aangesloten bij een samenwerkingsverband met, voor zover aanwezig in het openbaar lichaam: a. een of meer instellingen, b. een of meer scholen voor primair onderwijs, c. een of meer scholen voor voortgezet onderwijs, d. artikel 5, tweede lid, van de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES de uitvoeringsinstantie, bedoeld in, en e. een expertisecentrum onderwijszorg. 2 In afwijking van het eerste lid kan een samenwerkingsverband bestaan uit de betrokkene, bedoeld in de onderdelen a, b, c of d die gezamenlijk een expertisecentrum onderwijszorg in stand houden. 3 Het samenwerkingsverband stelt zich ten doel een samenhangend geheel van zorgvoorzieningen binnen en tussen instellingen en in samenwerking met de betrokkenen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met e, te realiseren en wel zodanig dat zoveel mogelijk studenten, vavo-studenten en leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken. 4 Per openbaar lichaam is er één samenwerkingsverband. 5 Indien een bevoegd gezag wenst deel te nemen aan het samenwerkingsverband, wordt deze deelname door de bevoegde gezagsorganen van het samenwerkingsverband niet geweigerd. 6 Bij of krachtens ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze waarop een geschil tussen de organisaties, bedoeld in het eerste lid, over aangelegenheden die het samenwerkingsverband aangaan, wordt beslecht. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 3.3 — Artikel 3.3 Eilandelijk zorgplan#
Artikel 3.3 Eilandelijk zorgplan 1 artikel 3.2 eerste lid Het bevoegd gezag stelt samen met de bevoegde gezagsorganen die samenwerken in een samenwerkingsverband en met het expertisecentrum onderwijszorg indien, van toepassing is, jaarlijks voor 1 mei een gezamenlijk eilandelijk zorgplan vast voor het daaropvolgende studiejaar. 2 Het eilandelijk zorgplan bevat in elk geval een beschrijving van: a. artikel 3.2, eerste en derde lid de wijze waarop wordt voldaan aan, b. artikel 2.2.1, vierde lid, onderdelen j en k de wijze, waarop de bekostiging voor de zorgvoorzieningen, bedoeld inwordt ingezet, c. artikel 3.4, eerste lid de wijze waarop de subsidie voor de taken, bedoeld in, en voor zover van toepassing het zevende lid van dat artikel, wordt ingezet, d. de beoogde en bereikte kwalitatieve en kwantitatieve resultaten ten aanzien van de onderwijskundige opvang van studenten, vavo-studenten en leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte, e. de procedures voor de handelingsgerichte diagnose van studenten, vavo-studenten en leerlingen, en f. de wijze waarop aan de ouders informatie wordt verstrekt over de zorgvoorzieningen. 3 Het eilandelijk zorgplan wordt voor 15 mei voorafgaand aan het studiejaar waarop het betrekking heeft, toegezonden aan de inspectie. 2020 437 13-11-2020 28-10-2020 35354 2021 432 17-09-2021 02-09-2021 01-10-2021
Artikel 3.4 — Artikel 3.4 Expertisecentrum onderwijszorg#
Artikel 3.4 Expertisecentrum onderwijszorg 1 Onze Minister kan op verzoek een rechtspersoon aanwijzen die naar zijn oordeel in staat is deskundige ondersteuning te bieden aan studenten en vavo-studenten met een specifieke onderwijsbehoefte waarin de instelling redelijkerwijs niet kan voorzien en waaronder in elk geval de volgende taken worden verstaan: a. het verzorgen van onderwijsondersteunende activiteiten aan studenten en vavo-studenten met een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke, geestelijke of meervoudige handicap of stoornis, b. het verzorgen van ambulante begeleiding ten behoeve van studenten en vavo-studenten met een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke, geestelijke of meervoudige handicap of stoornis, c. het verrichten van handelingsgerichte diagnostiek ten behoeve van de studenten en vavo-studenten op verzoek van het bevoegd gezag, het samenwerkingsverband of de ouders, of d. het op verzoek van een bevoegd gezag, het samenwerkingsverband of de ouders van studenten en vavo-studenten adviseren en collegiaal consulteren. 2 De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van deze wet aangeduid als een expertisecentrum onderwijszorg. 3 artikel 4.2.1 Een student of vavo-student die binnen een locatie van het expertisecentrum onderwijszorg wordt begeleid, blijft ingeschreven bij de instelling. Het bevoegd gezag van deze instelling blijft verantwoordelijk voor de student of vavo-student tijdens het verblijf binnen het expertisecentrum onderwijszorg. Onder deze verantwoordelijkheid valt in elk geval de zorg voor het geven van adequaat onderwijs door een docent die daartoe bevoegd is op grond van. 4 artikel 3.2 Het bevoegd gezag vergoedt voor het begeleiden van zijn student of vavo-student, bedoeld in het derde lid, naar redelijkheid en indien dit naar oordeel van het samenwerkingsverband, bedoeld in, nodig is, de kosten die worden gemaakt door: a. het expertisecentrum onderwijszorg, en b. Wet primair onderwijs BES Wet voortgezet onderwijs 2020 een ander bevoegd gezag van een instelling of school als bedoeld in deof de. 5 Per openbaar lichaam is er één expertisecentrum onderwijszorg. 6 artikelen 3.35 3.36 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Het expertisecentrum onderwijszorg treft een regeling voor de behandeling van klachten over gedragingen en beslissingen van het bestuur van dit centrum of het personeel, waaronder discriminatie, dan wel het nalaten van gedragingen en het niet nemen van beslissingen door het bestuur of het personeel voor zover het betreft zijn onderscheidenlijk hun werkzaamheden in het kader van het onderwijsproces of de deskundige ondersteuning, bedoeld in het eerste lid. Deenzijn op deze regeling van overeenkomstige toepassing. 7 Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven over de taken van het expertisecentrum onderwijszorg. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 3.5 — Artikel 3.5 Subsidie expertisecentrum onderwijszorg#
Artikel 3.5 Subsidie expertisecentrum onderwijszorg 1 Onze Minister verstrekt het expertisecentrum onderwijszorg subsidie. 2 3.4, eerste lid Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gegeven over het verstrekken van subsidie aan het expertisecentrum onderwijszorg voor de taken, bedoeld in. 3 titels 4.1 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht artikelen 4 tot en met 19 van de Wet overige OCW-subsidies Deenen dezijn van toepassing op de subsidie. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2011 34 07-03-2011 03-02-2011 01-08-2011 Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 3.6 — Artikel 3.6 Toezicht expertisecentrum onderwijszorg#
Artikel 3.6 Toezicht expertisecentrum onderwijszorg 1 artikel 3.4, eerste lid Met het toezicht op de uitvoering van de taken, bedoeld in, en voor zover van toepassing het zevende lid van dat artikel, zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren. 2 artikelen 5:13 5:15 5:16 5:17 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht De,,,enzijn van overeenkomstige toepassing. 3 artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht Onze Minister is bevoegd tot overeenkomstige toepassing vanten aanzien van de in het eerste lid bedoelde ambtenaren. 2021 135 17-03-2021 03-03-2021 35256 2021 254 02-06-2021 18-05-2021 01-07-2021
Artikel 3.7 — Artikel 3.7 Taakverwaarlozing door expertisecentrum onderwijszorg#
Artikel 3.7 Taakverwaarlozing door expertisecentrum onderwijszorg 1 Onze Minister is bevoegd tot het treffen van noodzakelijke voorzieningen indien het expertisecentrum onderwijszorg naar het oordeel van Onze Minister zijn taken ernstig verwaarloost. 2 De voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, worden niet eerder getroffen dan nadat het expertisecentrum onderwijszorg in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen redelijke termijn alsnog zijn taken naar behoren uit te voeren. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2011 34 07-03-2011 03-02-2011 01-08-2011 Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 4.1.1 — Artikel 4.1.1 Directeur, docenten en onderwijsondersteunend personeel#
Artikel 4.1.1 Directeur, docenten en onderwijsondersteunend personeel 1 De onderwijsgevenden aan een instelling dragen de titel van docent. 2 Aan een instelling zijn één of meer directeuren verbonden. 3 Het bevoegd gezag benoemt één of meer van de docenten om een directeur bij te staan en bij afwezigheid te vervangen. Deze dragen de titel van adjunct-directeur. 4 Het bevoegd gezag kan overig personeel aanwijzen, dat tot taak heeft, het onderwijs te ondersteunen. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2011 34 07-03-2011 03-02-2011 17-02-2011 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 4.1.2 — Artikel 4.1.2 Benoeming, schorsing en ontslag#
Artikel 4.1.2 Benoeming, schorsing en ontslag Het bevoegd gezag benoemt, schorst en ontslaat de directeuren, de adjunct- directeuren, de docenten en het overige personeel. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2011 34 07-03-2011 03-02-2011 17-02-2011 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 4.1.3 — Artikel 4.1.3 Formatie#
Artikel 4.1.3 Formatie Het bevoegd gezag stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van het personeel van de instelling. Zoveel mogelijk tegelijk met die vaststelling bepaalt het bevoegd gezag functies en taken van het personeel van de instelling, met inachtneming van de daaromtrent bij eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen, te geven nadere voorschriften. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2011 34 07-03-2011 03-02-2011 17-02-2011 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 4.1.4 — Artikel 4.1.4 Rechtspositie personeel van een bijzondere instelling#
Artikel 4.1.4 Rechtspositie personeel van een bijzondere instelling 1 Ambtenarenwet BES Deen de daarop berustende regelingen zijn voor het personeel van een instelling voor bijzonder onderwijs van overeenkomstige toepassing. 2 Voor de salarissen en toelagen van het personeel wordt een regeling vastgesteld bij eilandsbesluit. 3 Artikel 101 van de Ambtenarenwet BES Het bestuurscollege stelt de regeling, bedoeld in het tweede lid, dan wel een wijziging daarvan niet vast dan nadat daarover op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met de bevoegde gezagsorganen en met de onderwijsvakbonden of, bij het ontbreken daarvan, met een representatief te achten vertegenwoordiging van het personeel.is niet van toepassing op de vaststelling dan wel wijziging van de regeling, bedoeld in het tweede lid. 2011 18097 07-10-2011 03-10-2011 2011-2000437015 2011 18097 07-10-2011 03-10-2011 2011-2000437015 09-10-2011
Artikel 4.1.5 — Artikel 4.1.5 Afwijking nationaliteitsvereiste#
Artikel 4.1.5 Afwijking nationaliteitsvereiste Artikel 3, eerste lid, onderdeel b,van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES is niet van toepassing op het personeel. 2011 18097 07-10-2011 03-10-2011 2011-2000437015 2011 18097 07-10-2011 03-10-2011 2011-2000437015 09-10-2011
Artikel 4.1.6 — Artikel 4.1.6#
Artikel 4.1.6 [Vervallen] 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419
Artikel 4.1.7 — Artikel 4.1.7 Akte van benoeming#
Artikel 4.1.7 Akte van benoeming 1 artikel 8 van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES In afwijking vanis ieder personeelslid van een bijzondere instelling in het bezit van een door het bevoegd gezag en hemzelf getekende akte van benoeming. 2 artikel 8 van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES De akte van benoeming bevat ten minste bepalingen van gelijke inhoud als de bepalingen die zijn vastgesteld in. 2011 18097 07-10-2011 03-10-2011 2011-2000437015 2011 18097 07-10-2011 03-10-2011 2011-2000437015 09-10-2011
Artikel 4.1.8 — Artikel 4.1.8 Disciplinaire maatregel, schorsing en ontslag door Rijksvertegenwoordiger#
Artikel 4.1.8 Disciplinaire maatregel, schorsing en ontslag door Rijksvertegenwoordiger artikel 4.1.2, eerste lid De Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is, in afwijking van, bevoegd de disciplinaire straf of de schorsing op te leggen dan wel het ontslag te verlenen, indien het een directeur, een adjunct-directeur, of een ander lid van het onderwijzend personeel van een openbare instelling betreft en deze tevens lid is van de eilandsraad van het openbaar lichaam die de school in stand houdt. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2011 34 07-03-2011 03-02-2011 17-02-2011 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 4.2.1 — Artikel 4.2.1 Vereisten benoeming of tewerkstelling docenten#
Artikel 4.2.1 Vereisten benoeming of tewerkstelling docenten 1 Docenten worden door het bevoegd gezag benoemd dan wel tewerkgesteld zonder benoeming. 2 Tot docent aan een instelling kan slechts worden benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming degene die: a. Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag BES in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de, die op het tijdstip van overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder is dan 6 maanden, en b. artikel 4.2.3, eerste lid voldoet aan de bekwaamheidseisen, bedoeld in, blijkend uit het bezit van: 1°. artikel 7.11, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek een getuigschrift als bedoeld invan een met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een aan een hogeschool verbonden opleiding gericht op het beroep van leraar in het voortgezet onderwijs, 2°. een getuigschrift als bedoeld in artikel 175 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs van een met goed gevolg afgelegd staatsexamen, voor zover overeenkomend met een getuigschrift als bedoeld onder 1°, 3°. artikel 7.11, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek een getuigschrift als bedoeld invan een met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een universitaire lerarenopleiding, 4°. een getuigschrift of diploma van een opleiding die vóór 1 augustus 1991 was gericht op het beroep van leraar in het voortgezet onderwijs, 5°. artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties een ten aanzien van het door hem te geven onderwijs verleende erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in, 6°. een gelijkwaardig buitenlands getuigschrift of diploma, behaald in een land dat niet behoort tot de Lid-Staten van de EU, dan wel een gelijkwaardig diploma of getuigschrift behaald in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius of Saba, of c. artikel 4.2.5 in het bezit is van een door het bevoegd gezag afgegeven geschiktheidsverklaring als bedoeld in, en d. niet krachtens rechterlijke uitspraak is uitgesloten van het geven van onderwijs. 3 artikel 4.2.5 artikel 7a.4 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek In geval van een geschiktheidsverklaring als bedoeld invindt de benoeming of tewerkstelling zonder benoeming voor zover betrokkene niet in het bezit is van een getuigschrift als bedoeld inplaats voor een periode van ten hoogste twee aaneengesloten studiejaren. Het bevoegd gezag kan deze benoemingsperiode, al dan niet onder door dat gezag te stellen voorwaarden, verlengen met ten hoogste twee jaren indien het bevoegd gezag daarvoor redenen aanwezig acht. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking tot de toepassing van de tweede volzin. 4 Het bevoegd gezag kan ten aanzien van een docent voor een periode van ten hoogste twee jaar afwijken van de eisen, bedoeld in het tweede lid, onder b en c. Het bevoegd gezag kan de in de eerste volzin bedoelde termijn verlengen met ten hoogste twee jaren indien het bevoegd gezag dat noodzakelijk oordeelt vanwege de kwaliteit en de voortgang van het onderwijs aan de school. In dat geval verklaren het bevoegd gezag en de betrokkene in ieder geval schriftelijk dat betrokkene verplicht is zich in te spannen om binnen de verlengingsperiode alsnog te voldoen aan de eisen, bedoeld in het tweede lid, onder b. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking tot de toepassing van de tweede volzin. 5 Het bevoegd gezag kan afwijken van het tweede lid, onder b en c, ten aanzien van degene die gelet op specifieke kennis en bekwaamheden, samenhangend met ervaringen en werkzaamheden in andere sectoren van de samenleving en het bedrijfsleven, naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende bekwaam is om onder verantwoordelijkheid van een daartoe door het bevoegd gezag aan te wijzen docent voor een beperkte betrekkingsomvang te worden belast met het uitsluitend verzorgen van onderwijsonderdelen waar die specifieke kennis en bekwaamheden in het bijzonder betrekking op hebben. De betrekkingsomvang is voor het totaal van de in de eerste volzin bedoelde te verzorgen onderwijsonderdelen ten hoogste een aantal van gemiddeld 6 klokuren per week op jaarbasis. 2020 157 05-06-2020 20-05-2020 35336 2020 208 26-06-2020 17-06-2020 01-08-2020
Artikel 4.2.2 — Artikel 4.2.2 Belasten met onderwijsondersteunende werkzaamheden#
Artikel 4.2.2 Belasten met onderwijsondersteunende werkzaamheden 1 artikel 4.2.3, tweede lid Onderwijsondersteunende werkzaamheden waarvoor op grond van, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, mogen slechts worden verricht door degene die: a. Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag BES in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven ingevolge de, die op het tijdstip van overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder is dan 6 maanden, en b. artikel 4.2.3, tweede lid in het bezit is van een bij ministeriële regeling aangewezen getuigschrift waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de in, bedoelde bekwaamheidseisen, voor zover vastgesteld, of c. artikel 4.2.3, tweede lid artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties in het bezit is van een ten aanzien van de door hem te verrichten werkzaamheden, al dan niet bedoeld inartikel, verleende erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in, of d. volgens bij algemene maatregel van bestuur te geven regels zijn bekwaamheid heeft aangetoond, en e. niet krachtens rechterlijke uitspraak is uitgesloten van het verrichten van die werkzaamheden. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op een onderwijsondersteunende functionaris voor zover deze is belast met werkzaamheden in verband met contractactiviteiten. 3 artikel 7.7, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek artikel 7.2.2 artikel 4.2.3, tweede lid Ten aanzien van ho-studenten aan een opleiding als bedoeld inen studenten aan de beroepsbegeleidende leerweg van een opleiding als bedoeld indie in het kader van die opleiding onderwijsondersteunende werkzaamheden verrichten waarvoor op grond van, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, kan voor de duur van die werkzaamheden worden afgeweken van het eerste lid, onder b tot en met d. 4 Het bevoegd gezag kan voor een periode van ten hoogste twee jaar afwijken van de eisen, bedoeld in het eerste lid, onder b tot en met d. Het bevoegd gezag kan deze periode met ten hoogste de helft verlengen indien bijzondere omstandigheden daartoe naar zijn oordeel aanleiding geven. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking tot de toepassing van de tweede volzin. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 4.2.3 — Artikel 4.2.3 Bekwaamheidseisen#
Artikel 4.2.3 Bekwaamheidseisen 1 Bij algemene maatregel van bestuur worden bekwaamheidseisen vastgesteld voor de uitoefening van het docentschap. 2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bekwaamheidseisen worden vastgesteld voor bij die maatregel aan te wijzen onderwijsondersteunende werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met het onderwijsleerproces. 3 De in het eerste lid bedoelde bekwaamheidseisen zijn gericht op het handelen in het onderwijsleerproces, het algemeen professioneel handelen en het werken binnen een onderwijsorganisatie. Zij omvatten in elk geval eisen ten aanzien van: a. pedagogisch-didactische kennis, inzicht en vaardigheden, en b. vakbekwaamheid. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2011 34 07-03-2011 03-02-2011 01-08-2011 Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 4.2.4 — Artikel 4.2.4 Bekwaamheidsdossier#
Artikel 4.2.4 Bekwaamheidsdossier Het bevoegd gezag beschikt ten aanzien van elk personeelslid dat een functie of werkzaamheden verricht waarvoor bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, over geordende gegevens met betrekking tot de bekwaamheid en het onderhouden van de bekwaamheid. Ten behoeve van de onderlinge vergelijkbaarheid en herkenbaarheid van de gegevens kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld over de inrichting en wijze van ordening van deze gegevens. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419
Artikel 4.2.5 — Artikel 4.2.5 Geschiktheidsverklaring zij-instroom in het beroep van docent#
Artikel 4.2.5 Geschiktheidsverklaring zij-instroom in het beroep van docent 1 artikel 4.2.1, tweede lid, onder b Aan degene die niet in het bezit is van een in, genoemd getuigschrift of diploma respectievelijk genoemde erkenning van beroepskwalificaties wordt door het bevoegd gezag dat voornemens is betrokkene te benoemen een geschiktheidsverklaring afgegeven, indien de betrokkene naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. vakinhoudelijk bekwaam is en geschikt is voor het beroep van docent, en b. artikel 4.2.3, derde lid artikel 7a.4 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek voldoet aan de in, onder a genoemde eisen, blijkend uit het bezit van een getuigschrift als bedoeld in, of c. artikel 4.2.3, derde lid, onder a in staat is verantwoord les te geven en binnen twee jaar na benoeming of tewerkstelling zonder benoeming tot docent te voldoen aan de in, genoemde eisen. 2 Het bevoegd gezag geeft de in het eerste lid bedoelde verklaring slechts af, indien: a. Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek artikel 4.2.1, tweede lid, onderdeel b 1° tot en met 4° betrokkene in het bezit is van een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs of in het hoger beroepsonderwijs als bedoeld in de, niet zijnde een getuigschrift als bedoeld in, b. artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties betrokkene in het bezit is van een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in, c. betrokkene in het bezit is van een buitenlands getuigschrift of diploma dat gelijkwaardig is aan een onder a bedoeld getuigschrift of een onder b bedoelde erkenning van beroepskwalificaties, of d. betrokkene ten minste drie jaren ervaring heeft in de praktijk van het beroep waarop het desbetreffende onderwijs is gericht en naar het oordeel van het bevoegd gezag door een combinatie van opleiding en ervaring geacht wordt te beschikken over een kwalificatieniveau dat vergelijkbaar is met het onder a tot en met c bedoelde kwalificatieniveau, en e. de gevolgde opleiding en de maatschappelijke of beroepservaring van betrokkene, in onderlinge samenhang bezien, naar het oordeel van het bevoegd gezag van voldoende belang zijn in verhouding tot de beoogde werkzaamheden aan de instelling. 3 artikel 7a.4 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek artikel 4.2.3, derde lid onder a Indien betrokkene niet in het bezit is van een getuigschrift als bedoeld in, stelt het bevoegd gezag vast, welke scholing en begeleiding voor betrokkene noodzakelijk zijn om binnen twee jaar na benoeming of tewerkstelling zonder benoeming te kunnen voldoen aan de in, genoemde bekwaamheidseisen ten aanzien van pedagogisch-didactische kennis, inzicht en vaardigheden. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2015 478 11-12-2015 02-12-2015 34272 De wijziging is in werking getreden op 18 januari 2016 (Stb.
2016/2). De wijziging wordt niet getoond, omdat het artikel nog niet
in werking is getreden.
Artikel 4.3.1 — Artikel 4.3.1 Vereiste benoembaarheid overig personeel#
Artikel 4.3.1 Vereiste benoembaarheid overig personeel artikelen 4.2.1 4.2.2 Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag BES Tot lid van het personeel, anders dan bedoeld in deen, kan slechts worden benoemd degene die in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de, die op het tijdstip van overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder is dan 6 maanden. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2011 34 07-03-2011 03-02-2011 01-08-2011 Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 5.1 — Artikel 5.1 Medezeggenschap#
Artikel 5.1 Medezeggenschap 1 Het bevoegd gezag stelt een representatief te achten vertegenwoordiging van ouders, studenten, vavo-studenten en personeel ten minste twee maal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de instelling met hem te bespreken. 2 Het bevoegd gezag en de vertegenwoordigers van ouders, studenten, vavo-studenten en personeel komen bijeen indien daarom onder opgave van redenen door het bevoegd gezag, de vertegenwoordigers van ouders of de vertegenwoordigers van personeel wordt verzocht. De besprekingen kunnen namens het bevoegd gezag worden gevoerd. 3 artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 artikelen 11.33 tot en met 11.35 van die wet Indien een beroepsopleiding wordt verzorgd aan een scholengemeenschap als bedoeld in, zijn devan toepassing. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 6.1.1 — Artikel 6.1.1 De Registratie instellingen en opleidingen#
Artikel 6.1.1 De Registratie instellingen en opleidingen 1 De Registratie instellingen en opleidingen omvat een systematisch geordende verzameling gegevens met betrekking tot de erkende beroepsopleidingen en de instellingen die deze verzorgen. Onze Minister is belast met de aanleg, het beheer en de bekendmaking van het register en met het verstrekken van informatie uit het register. De bekendmaking en het verstrekken van informatie kunnen digitaal plaatsvinden. 2 De Registratie instellingen en opleidingen bevat de volgende gegevens: a. Wet NLQF de naam van de beroepsopleiding en de opleidingscode, alsmede het NLQF-niveau dat bij of krachtens devoor de beroepsopleiding is vastgesteld en het daarmee corresponderende EQF-niveau, b. de naam van de instelling die de beroepsopleiding verzorgt, alsmede in welke leerweg of leerwegen de opleiding wordt verzorgd, c. of het een bekostigde beroepsopleiding betreft, d. de studieduur, e. de naam van de beroepsopleiding ten aanzien waarvan bij een instelling het recht op examinering is ontnomen en de ingangsdatum daarvan, f. de namen van de exameninstellingen, die het recht hebben op examinering van de betreffende beroepsopleiding, voorzover het recht op examinering niet is ontnomen. 2024 223 24-07-2024 26-06-2024 36341 2024 314 28-10-2024 22-10-2024 01-01-2025
Artikel 6.2.1 — Artikel 6.2.1 Beëindiging van rechten erkenning beroepsopleidingen#
Artikel 6.2.1 Beëindiging van rechten erkenning beroepsopleidingen 1 De erkenning van een beroepsopleiding vervalt indien een instelling blijk geeft de erkende beroepsopleiding niet meer te verzorgen of indien een instelling gedurende vier jaar een erkende opleiding niet heeft verzorgd. 2 artikel 1.4.1 Onze Minister kan, ten aanzien van een beroepsopleiding in de beroepsopleidende of beroepsbegeleidende leerweg die de instelling verzorgt, de inbedoelde erkenning intrekken, indien: a. gebleken is dat de kwaliteit van die opleiding ten minste drie maanden onvoldoende is geweest, b. artikel 1.4.1, derde lid artikel 1.4.3 niet of niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in, of aan. 3 Een beschikking op grond van het tweede lid houdt in dat ten aanzien van het desbetreffende onderwijs: a. artikel 2.1.1 de aanspraak op bekostiging, bedoeld in, voor zover van toepassing, vervalt, b. artikel 7.4.8 artikel 7.2.3 aan de examens of onderdelen daarvan geen diploma als bedoeld inof certificaat als bedoeld inmeer is verbonden, en c. de registratie in de Registratie instellingen en opleidingen wordt beëindigd. 4 Onze Minister maakt de ontneming van rechten, bedoeld in dit artikel, openbaar. 5 artikel 1.4.1, negende lid Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een beroepsopleiding in een andere leerweg als bedoeld in. 2013 288 12-07-2013 26-06-2013 33187 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026 Abusievelijk is voor het tweede lid, onderdeel b, een wijziging
geformuleerd die niet kan worden doorgevoerd.
Artikel 6.2.2 — Artikel 6.2.2 Beëindiging van rechten erkenning opleiding educatie; waarschuwing#
Artikel 6.2.2 Beëindiging van rechten erkenning opleiding educatie; waarschuwing 1 De erkenning van een opleiding educatie vervalt indien een instelling blijk geeft de erkende opleiding educatie niet meer te verzorgen of indien een instelling gedurende vier jaar een erkende opleiding niet heeft verzorgd. 2 artikel 1.4.2 Onze Minister kan, ten aanzien van een opleiding educatie die de instelling verzorgt, de inbedoelde erkenning intrekken, indien: a. gebleken is dat de kwaliteit van die opleiding onvoldoende is, of b. artikel 1.4.2, derde lid niet of niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in. 3 artikel 7.4.8 artikel 7.2.3 Een beschikking op grond van het tweede lid houdt in dat ten aanzien van het desbetreffende onderwijs aan de examens of onderdelen daarvan geen diploma als bedoeld inof certificaat als bedoeld inmeer is verbonden. 4 Voordat Onze Minister een besluit neemt op grond van het tweede lid, onderdeel a, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen ten aanzien van de kwaliteit van de opleiding. Onze Minister geeft pas toepassing aan het tweede lid, onderdeel a, nadat: a. de waarschuwing ten minste een jaar verstreken is, en b. Onze Minister aan de hand van een nader onderzoek tot het oordeel is gekomen dat niet of niet in voldoende mate gevolg is gegeven aan de waarschuwing. 5 Voordat Onze Minister een besluit neemt op grond van het tweede lid, onderdeel b, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven, bedraagt ten minste drie maanden. 6 Onze Minister maakt de ontneming van rechten en de waarschuwing openbaar. 2023 212 21-06-2023 07-06-2023 35920 2023 213 21-06-2023 19-06-2023 01-08-2023
Artikel 6.2.2a — Artikel 6.2.2a Ontneming recht op examinering educatie; waarschuwing#
Artikel 6.2.2a Ontneming recht op examinering educatie; waarschuwing 1 artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a Onze Minister kan aan een instelling het recht op examinering van een opleiding educatie als bedoeld in, ontnemen, indien a. de kwaliteit van de examens van die opleiding langer dan één jaar onvoldoende is geweest, of b. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de examens. 2 Bij de ontneming van het recht, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald met ingang van welk tijdstip dit geschiedt. Onze Minister maakt de ontneming van het recht, bedoeld in het eerste lid, openbaar. 3 Voordat Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid neemt, geeft hij het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen over de kwaliteit van de examinering, onder bepaling van de termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven. Onze Minister maakt de waarschuwing openbaar. 4 Artikel 1.4.2 Het bevoegd gezag kan niet eerder dan na verloop van drie studiejaren na het besluit tot ontneming, bedoeld in het eerste lid, het recht op examinering opnieuw verkrijgen.is van overeenkomstige toepassing. 2011 656 28-12-2011 08-12-2011 32558 2012 92 13-03-2012 22-02-2012 01-08-2015
Artikel 6.2.3 — Artikel 6.2.3 Waarschuwing#
Artikel 6.2.3 Waarschuwing 1 artikel 6.2.1, tweede lid, onderdeel a Voordat Onze Minister een besluit neemt op grond van, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen ten aanzien van de kwaliteit van de opleiding, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven bedraagt ten minste drie maanden. Onze Minister geeft pas toepassing aan artikel 6.2.1, tweede lid, onderdeel a, nadat: a. de termijn, bedoeld in de aanhef, is verstreken, en b. Onze Minister aan de hand van een nader onderzoek tot het oordeel is gekomen dat niet of niet in voldoende mate gevolg is gegeven aan de waarschuwing. 2 artikel 6.2.1, tweede lid, onderdeel b Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven, bedraagt ten minste drie maanden. 3 Onze Minister maakt de waarschuwingen, bedoeld in dit artikel, openbaar. 2023 212 21-06-2023 07-06-2023 35920 2023 213 21-06-2023 19-06-2023 01-08-2023
Artikel 6.2.4 — Artikel 6.2.4 Ontneming recht op examinering instellingen; waarschuwing#
Artikel 6.2.4 Ontneming recht op examinering instellingen; waarschuwing 1 artikel 7.4.5 Onze Minister kan aan een instelling het recht op examinering van een beroepsopleiding ontnemen, indien de kwaliteit van de examens van die opleiding niet voldoet aan de standaarden, bedoeld in. Bij de ontneming van het recht wordt bepaald met ingang van welk tijdstip dit geschiedt. De ontneming wordt in de Registratie instellingen en opleidingen bekendgemaakt. 2 Voordat Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid neemt, geeft hij het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen over de kwaliteit van de examinering onder bepaling van de termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven. Onze Minister maakt de waarschuwing openbaar. 3 Artikel 1.6.1 Het bevoegd gezag kan niet eerder dan na verloop van drie studiejaren na de ontneming, bedoeld in het eerste lid, het recht opnieuw verkrijgen.is van overeenkomstige toepassing. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-01-2023
Artikel 6.2.5 — Artikel 6.2.5 Maatregelen#
Artikel 6.2.5 Maatregelen 1 artikel 6.2.1, tweede lid, onder a en b artikel 6.2.2, tweede lid, onderdeel a en b artikel 6.2.4, eerste lid In de gevallen, bedoeld in,, enkan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag of uit eigen beweging in overeenstemming met het bevoegd gezag maatregelen treffen. 2 artikel 1.1.1 Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoort de mogelijkheid het bestuur van de instelling te laten bijstaan door een extern deskundige, niet zijnde de deskundige als bedoeld in. Ook kunnen onder voorwaarden extra financiële middelen aan de instelling ter beschikking worden gesteld. 3 Onze Minister stelt nadere regels omtrent de toekenning van en verantwoording voor maatregelen, voor zover deze het verstrekken van financiële middelen betreffen. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2011 34 07-03-2011 03-02-2011 17-02-2011 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 6.2.6 — Artikel 6.2.6 Schorsing examinering of diplomering bij wezenlijk vermoeden dat de waarde van diploma’s en certificaten in het geding is bij niet-bekostigde opleidingen#
Artikel 6.2.6 Schorsing examinering of diplomering bij wezenlijk vermoeden dat de waarde van diploma’s en certificaten in het geding is bij niet-bekostigde opleidingen 1 artikelen 6.2.1 tot en met 6.2.5 artikel 2.1.1 Onverminderd dekan Onze Minister besluiten dat ten aanzien van een beroepsopleiding die niet op grond vanvoor bekostiging in aanmerking komt gedurende ten hoogste zes maanden rechten kunnen worden geschorst, indien: a. het bevoegd gezag wat betreft het onderwijs of de examinering tekortschiet in de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet; b. artikel 7.4.5 er daardoor of mede daardoor een wezenlijk vermoeden bestaat dat niet aan alle voorwaarden wordt voldaan om tot diplomering over te gaan of de kwaliteit van de examens in grote mate niet voldoet aan de standaarden, bedoeld in; en c. de inzet van andere bevoegdheden van Onze Minister op grond van deze wet niet kan worden afgewacht. 2 Onze Minister schorst uitsluitend: a. het recht op examinering voor de betreffende beroepsopleiding, of een deel daarvan; b. artikel 7.4.8 het recht om voor die opleiding een diploma als bedoeld inte verstrekken; c. artikel 7.2.3 het recht om voor onderdelen van die opleiding een certificaat als bedoeld inte verstrekken; of d. artikel 7.4.8a het recht om voor onderdelen van die opleiding een mbo-verklaring als bedoeld inte verstrekken. 2023 212 21-06-2023 07-06-2023 35920 2023 213 21-06-2023 19-06-2023 01-08-2023
Artikel 6.3.1 — Artikel 6.3.1 Ontneming recht op examinering exameninstellingen; waarschuwing#
Artikel 6.3.1 Ontneming recht op examinering exameninstellingen; waarschuwing artikelen 6.2.4 6.2.5 6.2.6 De,enzijn van overeenkomstige toepassing op exameninstellingen. 2023 212 21-06-2023 07-06-2023 35920 2023 213 21-06-2023 19-06-2023 01-08-2023
Artikel 7.1.1 — Artikel 7.1.1 Taal#
Artikel 7.1.1 Taal 1 Het onderwijs wordt gegeven en de examens worden afgenomen in het Nederlands. 2 In afwijking van het eerste lid wordt het onderwijs gegeven en worden de examens afgenomen voor zover het betreft een beroepsopleiding op Bonaire, ter keuze van het bevoegd gezag in het Nederlands of in het Papiaments en voor zover het betreft een entreeopleiding of basisberoepsopleiding op Sint Eustatius en Saba, ter keuze van het bevoegd gezag, in het Nederlands of in het Engels. Bij het bepalen van zijn keuze betrekt het bevoegd gezag ten minste in zijn overwegingen: a. de dominante taal op een eilandgebied, b. de gehanteerde instructietaal in de vooropleiding, c. de aard van de doelgroep en de mate aan kennis van de dominante taal of van de geëigende instructietaal op een eilandgebied bij deze doelgroep, d. de instructietaal van vervolgopleidingen, en e. de beschikbaarheid van lesmateriaal in de desbetreffende instructietaal. 2013 288 12-07-2013 26-06-2013 33187 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026
Artikel 7.1.2 — Artikel 7.1.2 Opleidingen#
Artikel 7.1.2 Opleidingen 1 De instelling biedt het onderwijs aan in de vorm van beroepsopleidingen of opleidingen educatie. Een beroepsopleiding wordt door de instelling in het maatschappelijk verkeer aangeduid met de naam van de kwalificatie waarop zij is gericht of voorzover het gaat om studenten die ingeschreven zijn of zullen worden voor een opleidingsdomein BES of een kwalificatiedossier, de naam van dat opleidingsdomein BES of dat kwalificatiedossier. 2 hoofdstuk 7, titel 2 artikel 1.4.1, negende lid Een beroepsopleiding is een onderwijstraject dat voor een student is ingericht overeenkomstig de eisen van, onverminderd, en dat is gericht op het behalen van een kwalificatie in het beroepsonderwijs, ten bewijze waarvan een diploma wordt uitgereikt. 3 artikelen 13 tot en met 15 van de Wet op het voortgezet onderwijs BES Een opleiding educatie is een samenhangend geheel van onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van eindtermen of het behalen van een diploma, gelijkwaardig aan een diploma van scholen, bedoeld in de, of onderdelen van een dergelijk diploma. 4 Beroepsopleidingen worden afgesloten met een examen. Opleidingen educatie kunnen worden afgesloten met een examen. 2013 288 12-07-2013 26-06-2013 33187 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026
Artikel 7.1.3 — Artikel 7.1.3 Kwalificatie#
Artikel 7.1.3 Kwalificatie Een kwalificatie is het geheel van bekwaamheden die een afgestudeerde van een beroepsopleiding kwalificeren voor het functioneren in een beroep of een groep van samenhangende beroepen, in het vervolgonderwijs en als burger en dat is beschreven binnen een kwalificatiedossier. 2011 560 02-12-2011 07-11-2011 32316 2011 560 02-12-2011 07-11-2011 32316 01-01-2012 Voor het eerst van toepassing op beroepsopleidingen in het studiejaar 2012-2013.
Artikel 7.1.4 — Artikel 7.1.4 Rapportage vorderingen van studenten#
Artikel 7.1.4 Rapportage vorderingen van studenten Het bevoegd gezag rapporteert over de vorderingen van de studenten aan hun ouders, voogden of verzorgers, dan wel aan de studenten zelf indien zij meerderjarig en handelingsbekwaam zijn. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-08-2023
Artikel 7.2.1 — Artikel 7.2.1 Reikwijdte#
Artikel 7.2.1 Reikwijdte Deze titel is van toepassing op beroepsopleidingen. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2011 34 07-03-2011 03-02-2011 01-08-2011 Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 7.2.1a — Artikel 7.2.1a Informatie beroepsopleidingen aan aanstaande deelnemers#
Artikel 7.2.1a Informatie beroepsopleidingen aan aanstaande deelnemers 1 Het bevoegd gezag verstrekt zodanige informatie aan aanstaande deelnemers van beroepsopleidingen over: dat de aanstaande deelnemers in staat zijn de opleidingsmogelijkheden te vergelijken en een passende opleiding te kiezen. a. de instelling, b. het aanbod van beroepsopleidingen, c. het arbeidsmarktperspectief na beëindiging van de desbetreffende beroepsopleiding, d. de vooropleidingseisen voor de verschillende beroepsopleidingen, en e. de kwaliteit van de verschillende beroepsopleidingen waaronder het oordeel van de inspectie ter zake, 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere specificaties worden gegeven over de inhoud en vorm van de informatie die nodig is voor het vergelijken van opleidingen en het kiezen van een passende opleiding. 2015 56 13-02-2015 21-01-2015 33948
Artikel 7.2.2 — Artikel 7.2.2 Onderscheid beroepsopleidingen; niveau; leerwegen#
Artikel 7.2.2 Onderscheid beroepsopleidingen; niveau; leerwegen 1 De volgende soorten beroepsopleidingen worden onderscheiden: a. de entreeopleiding, b. de basisberoepsopleiding, c. de vakopleiding, d. de middenkaderopleiding, en e. de specialistenopleiding. 2 De in het eerste lid bedoelde opleidingen kunnen worden verzorgd in de beroepsopleidende leerweg en de beroepsbegeleidende leerweg. 3 De entreeopleidingen richten zich op de kwalificatie voor het eerste niveau van beroepsuitoefening of voor de entree op de arbeidsmarkt. De basisberoepsopleidingen richten zich op de kwalificatie voor het tweede, de vakopleidingen op de kwalificatie voor het derde en de middenkader en specialistenopleidingen op de kwalificatie voor het vierde en hoogste niveau van beroepsuitoefening. 2013 288 12-07-2013 26-06-2013 33187 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026
Artikel 7.2.3 — Artikel 7.2.3 Certificaten#
Artikel 7.2.3 Certificaten 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat aan onderdelen van een kwalificatie of kwalificaties een certificaat is verbonden. 2 Artikel 7.4.8 is van overeenkomstige toepassing op certificaten. 2011 560 02-12-2011 07-11-2011 32316 2011 560 02-12-2011 07-11-2011 32316 01-01-2012 Voor het eerst van toepassing op beroepsopleidingen in het studiejaar 2012-2013.
Artikel 7.2.4 — Artikel 7.2.4 Kwalificatiestructuur#
Artikel 7.2.4 Kwalificatiestructuur 1 artikel 7.2.4, tweede lid, onder a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs Bij ministeriële regeling wordt vastgesteld voor welke kwalificaties uit de kwalificatiedossiers, bedoeld in, beroepsopleidingen verzorgd kunnen worden. 2 Bij ministeriële regeling worden op voorstel van de instellingen opleidingsdomeinen BES vastgesteld. 2011 560 02-12-2011 07-11-2011 32316 2011 560 02-12-2011 07-11-2011 32316 01-01-2012 Voor het eerst van toepassing op beroepsopleidingen in het studiejaar 2012-2013.
Artikel 7.2.4a — Artikel 7.2.4a Studieduur opleidingen#
Artikel 7.2.4a Studieduur opleidingen 1 Het bevoegd gezag stelt de studieduur van de opleiding vast met inachtneming van de bij of krachtens het tweede en derde lid gestelde regels. 2 De studieduur van de opleiding wordt uitgedrukt in volledige studiejaren of gedeelten daarvan. Eén volledig studiejaar heeft een studielast van ten minste 1600 klokuren. 3 De studieduur bedraagt: a. één volledig studiejaar voor de entreeopleiding; b. ten minste één en ten hoogste twee volledige studiejaren voor de basisberoepsopleiding; c. ten minste twee en ten hoogste drie volledige studiejaren voor de vakopleiding; d. drie volledige studiejaren voor de middenkaderopleiding; e. één volledig studiejaar voor de specialistenopleiding. 4 Indien dit in verband met de aard van de opleiding noodzakelijk is, kan Onze Minister bij ministeriële regeling bepalen dat voor de middenkaderopleiding een langere studieduur kan worden vastgesteld. Onze Minister geeft daarbij de betreffende opleiding aan en het aantal volledige studiejaren of gedeelten daarvan die de studieduur van die opleiding ten hoogste mag bedragen. 2013 288 12-07-2013 26-06-2013 33187 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026
Artikel 7.2.5 — Artikel 7.2.5 Beroepsvereisten#
Artikel 7.2.5 Beroepsvereisten Indien voor een beroep bij of krachtens een wet, verdrag of bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, vereisten zijn vastgesteld over de kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht, vaardigheden of beroepshoudingen waarover degenen die een opleiding gericht op dat beroep voltooien, moeten beschikken, of over de examinering bij de desbetreffende beroepsopleiding: a. artikel 7.4.5 neemt Onze Minister deze vereisten in acht bij de vaststelling van de standaarden, bedoeld in, en b. titel 4 draagt de instelling er bij het aanbieden van een beroepsopleiding zorg voor dat degenen die deze opleiding volgen, ten minste in de gelegenheid zijn aan die vereisten te voldoen, en dat bij de examinering, zo nodig in afwijking vanvan dit hoofdstuk, aan die vereisten wordt voldaan. 2011 560 02-12-2011 07-11-2011 32316 2011 560 02-12-2011 07-11-2011 32316 01-01-2012 Voor het eerst van toepassing op beroepsopleidingen in het studiejaar 2012-2013.
Artikel 7.2.6 — Artikel 7.2.6 Inrichting beroepsopleidingen#
Artikel 7.2.6 Inrichting beroepsopleidingen 1 Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat beroepsopleidingen zodanig zijn ingericht dat studenten, ongeacht of zij eerst worden ingeschreven voor een opleidingsdomein BES of voor een kwalificatiedossier, de kwalificatie binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken en dat het onderwijsprogramma evenwichtig is ingedeeld, alsmede voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming omvat. 2 Beroepsopleidingen in de beroepsopleidende leerweg en in de beroepsbegeleidende leerweg zijn voltijds ingericht en hebben per volledig studiejaar een studielast van ten minste 1600 klokuren. 3 Het onderwijsprogramma voor een opleiding in de beroepsopleidende leerweg voldoet aan de eisen met betrekking tot voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming, bedoeld in het eerste lid, indien het bevoegd gezag voor de student een onderwijsprogramma verzorgt dat: artikel 2.3.2 artikel 1.4.1, eerste lid Het bevoegd gezag kan een onderwijsprogramma verzorgen dat minder uren omvat dan de onder a tot en met d genoemde aantallen mits de opleiding aantoonbaar van voldoende kwaliteit is. In het geval het onderwijsprogramma minder uren omvat, legt het bevoegd gezag hierover verantwoording af in het jaarverslag, bedoeld indan wel, bij toepassing van, in het verslag, bedoeld in artikel 1.4.1, zevende lid. a. voor de entreeopleiding ten minste 1000 klokuren omvat waarvan ten minste 600 begeleide onderwijsuren; b. voor een eenjarige basisberoepsopleiding en voor de specialistenopleiding ten minste 1000 klokuren omvat, waarvan ten minste 700 begeleide onderwijsuren en ten minste 250 klokuren beroepspraktijkvorming; c. voor een tweejarige basisberoepsopleiding en voor een tweejarige vakopleiding ten minste 2000 klokuren omvat, waarvan ten minste 1250 begeleide onderwijsuren en ten minste 450 klokuren beroepspraktijkvorming, met dien verstande dat in het eerste studiejaar ten minste 700 begeleide onderwijsuren worden verzorgd; d. voor een driejarige vakopleiding en de middenkaderopleiding ten minste 3000 klokuren omvat, waarvan ten minste 1800 begeleide onderwijsuren en ten minste 900 klokuren beroepspraktijkvorming, met dien verstande dat in het eerste studiejaar ten minste 700 begeleide onderwijsuren worden verzorgd. 4 artikel 2.3.2 artikel 1.4.1, eerste lid Het onderwijsprogramma voor een opleiding in de beroepsbegeleidende leerweg voldoet aan de eisen met betrekking tot voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming, bedoeld in het eerste lid, indien het bevoegd gezag voor de student een onderwijsprogramma verzorgt dat elk studiejaar ten minste 850 klokuren omvat, waarvan ten minste 200 begeleide onderwijsuren en ten minste 610 klokuren beroepspraktijkvorming. Het bevoegd gezag kan een onderwijsprogramma verzorgen dat minder uren omvat dan de genoemde aantallen mits de opleiding aantoonbaar van voldoende kwaliteit is. In het geval het onderwijsprogramma minder uren omvat, legt het bevoegd gezag hierover verantwoording af in het jaarverslag, bedoeld indan wel, bij toepassing van, in het verslag, bedoeld in artikel 1.4.1, zevende lid. 5 Het onderwijsprogramma, bedoeld in het derde en vierde lid, omvat alle onderwijsactiviteiten, gericht op het bereiken van de onderwijs- en vormingsdoelen van de opleiding, waaraan door de student wordt deelgenomen onder verantwoordelijkheid en toezicht van het bevoegd gezag en bestaat uitsluitend uit begeleide onderwijsuren en beroepspraktijkvorming. 6 artikelen 4.2.1 4.2.2 De begeleide onderwijsuren, bedoeld in het eerste, derde, vierde en vijfde lid, zijn klokuren waarin onderwijs wordt gegeven onder verantwoordelijkheid en met actieve betrokkenheid van onderwijspersoneel als bedoeld in deen, niet zijnde uren die deel uit maken van de beroepspraktijkvorming. 7 Indien in het laatste studiejaar van de basisberoepsopleiding of de vakopleiding de studieduur van de opleiding gerekend vanaf 1 september en naar boven afgerond op hele maanden minder is dan 10 maanden, worden het aantal begeleide onderwijsuren en het aantal klokuren beroepspraktijkvorming, genoemd in het derde lid, onder b, c en d en het vierde lid, in dat studiejaar evenredig verlaagd. De laatste twee volzinnen van het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 8 artikel 7.2.4a, vierde lid Voor opleidingen waarvan op grond van, een studieduur is vastgesteld van meer dan drie volledige studiejaren wordt het onderwijsprogramma, bedoeld in het derde lid, onderdeel d, naar evenredigheid verhoogd met begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming. De laatste twee volzinnen van het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 2013 288 12-07-2013 26-06-2013 33187 2013 432 01-11-2013 16-10-2013 33645 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026
Artikel 7.2.7 — Artikel 7.2.7 De beroepspraktijkvorming#
Artikel 7.2.7 De beroepspraktijkvorming 1 Van elke opleiding maakt onderricht in de praktijk van het beroep deel uit. De beroepspraktijkvorming kan voor een deel plaatsvinden in de periode waarin de student is ingeschreven voor een opleidingsdomein BES of een kwalificatiedossier. 2 artikel 7.2.8 De beroepspraktijkvorming wordt verzorgd op grondslag van een overeenkomst inzake de beroepspraktijkvorming, gesloten door de ingenoemde partijen. De overeenkomst regelt de rechten en verplichtingen van partijen en omvat met inachtneming van het dienaangaande bij of krachtens deze wet bepaalde, ten minste bepalingen over: a. de aanvangsdatum en einddatum van de beroepspraktijkvorming, alsmede het totale aantal te volgen praktijkuren en de verdeling daarvan over de studiejaren, b. de begeleiding van de student, c. dat deel van de kwalificatie dat de student tijdens de beroepspraktijkvorming dient te behalen en de beoordeling daarvan, en d. de gevallen waarin en de wijze waarop de overeenkomst voortijdig kan worden ontbonden. 3 Het bedrijf dat of de organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt, draagt zorg voor de begeleiding van de studenten binnen het bedrijf. Het bevoegd gezag beoordeelt of de student het in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde deel van de kwalificatie heeft behaald. Het bevoegd gezag betrekt bij die beoordeling het oordeel van het bedrijf onderscheidenlijk de organisatie, met inachtneming van de desbetreffende in de onderwijs- en examenregeling op te nemen regels. 2013 288 12-07-2013 26-06-2013 33187 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026
Artikel 7.2.8 — Artikel 7.2.8 Totstandkoming praktijkovereenkomst; vervangende praktijkplaats#
Artikel 7.2.8 Totstandkoming praktijkovereenkomst; vervangende praktijkplaats 1 artikel 7.2.7 Het bevoegd gezag draagt zorg voor de totstandkoming van de inbedoelde overeenkomst. De overeenkomst wordt gesloten door de instelling, de student en het bedrijf dat of de organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt. De overeenkomst wordt voor zover het de beroepsbegeleidende leerweg betreft, mede ondertekend door de raad, die daarmee verklaart: a. artikel 7.2.9 dat het een bedrijf of organisatie betreft met een gunstige beoordeling als bedoeld in, en b. dat de gronden voor deze gunstige beoordeling nog steeds aanwezig zijn. 2 artikel 7.2.7 Indien het bevoegd gezag en de raad na het sluiten van de inbedoelde overeenkomst vaststellen dat de praktijkplaats niet of niet volledig beschikbaar is, de begeleiding tekortschiet of ontbreekt, het bedrijf of de organisatie niet langer beschikt over een gunstige beoordeling als bedoeld in het eerste lid, of sprake is van andere omstandigheden die maken dat de beroepspraktijkvorming niet naar behoren zal kunnen plaatsvinden, bevordert het bevoegd gezag, na overleg met de raad, dat een toereikende vervangende voorziening beschikbaar wordt gesteld. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 7.2.9 — Artikel 7.2.9 Kwaliteitszorgsysteem; beoordeling van praktijkplaatsen#
Artikel 7.2.9 Kwaliteitszorgsysteem; beoordeling van praktijkplaatsen 1 De raad richt een stelsel van kwaliteitszorg voor de beroepspraktijkvorming in en zorgt ervoor dat bedrijven en organisaties die de beroepspraktijkvorming verzorgen eenmaal per vier jaar worden beoordeeld aan de hand van de in dit stelsel ontwikkelde criteria. Indien daartoe door bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat kan controle frequenter plaatsvinden. 2 De raad maakt de in het eerste lid bedoelde criteria bekend. Van deze bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. 3 De raad draagt zorg voor openbaarmaking van een overzicht van bedrijven en organisaties met een gunstige beoordeling op grond van het eerste lid. 4 Tot het verzorgen van de beroepspraktijkvorming voor een opleiding of groep van opleidingen zijn uitsluitend bevoegd de bedrijven en organisaties met een gunstige beoordeling op grond van het eerste lid. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2011 34 07-03-2011 03-02-2011 01-08-2011 Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 7.3.1 — Artikel 7.3.1 Onderscheid opleidingen educatie#
Artikel 7.3.1 Onderscheid opleidingen educatie 1 De volgende opleidingen educatie worden onderscheiden: a. artikelen 2.4 tot en met 2.6 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, gericht op het behalen van een diploma, bedoeld in de, of onderdelen van dat diploma, b. opleidingen gericht op breed maatschappelijk functioneren, c. opleidingen Nederlands als vreemde taal, en d. opleidingen gericht op sociale redzaamheid. 2 artikel 7.2.2, eerste lid, onder b De opleidingen, bedoeld in het eerste lid, onder b, sluiten aan bij de basisberoepsopleiding, bedoeld in. 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de opleidingen, bedoeld in het eerste lid, onder c. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 7.3.2 — Artikel 7.3.2 Eindtermen opleidingen educatie#
Artikel 7.3.2 Eindtermen opleidingen educatie 1 artikel 7.3.1, eerste lid, onder b, c en d Bij ministeriële regeling kan worden bepaald welke opleidingen in elk geval behoren tot de opleidingen, bedoeld in, en kunnen daarvoor eindtermen worden vastgesteld. 2 artikel 7.3.1, eerste lid onder a Het bevoegd gezag stelt eindtermen vast voor de overige opleidingen educatie, met uitzondering van de opleidingen, bedoeld in. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2011 34 07-03-2011 03-02-2011 01-08-2011 Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 7.3.3 — Artikel 7.3.3 Inrichting voortgezet algemeen volwassenenonderwijs#
Artikel 7.3.3 Inrichting voortgezet algemeen volwassenenonderwijs 1 Opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs omvatten het onderwijs dat noodzakelijk is voor het behalen van het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, het diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, dan wel voor het behalen van onderdelen van het diploma. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld omtrent de voor het behalen van elk der in het eerste lid genoemde diploma's of onderdelen daarvan noodzakelijke vakken en andere programma-onderdelen, en omtrent de cursusduur. 3 Wanneer de herkomst van de vavo-studenten daartoe noodzaakt, kan onderwijs worden gegeven in de taal van het land van oorsprong van die vavo-studenten. 4 Ten behoeve van de bijzondere inrichting van het onderwijs kan Onze Minister toestaan dat wordt afgeweken van het bepaalde bij of krachtens dit artikel. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 7.4.1 — Artikel 7.4.1 Reikwijdte#
Artikel 7.4.1 Reikwijdte Deze paragraaf is van toepassing op beroepsopleidingen en opleidingen educatie, met uitzondering van opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en opleidingen Nederlands als vreemde taal. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2011 34 07-03-2011 03-02-2011 01-08-2011 Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 7.4.2 — Artikel 7.4.2 Algemene bepalingen inzake examens#
Artikel 7.4.2 Algemene bepalingen inzake examens 1 Het bevoegd gezag geeft de studenten en deelnemers de gelegenheid een examen af te leggen. 2 Het examen omvat een onderzoek naar de kennis, het inzicht, de vaardigheden en, in voorkomende gevallen, de beroepshoudingen die de examinandus zich bij voltooiing van de opleiding moet hebben eigen gemaakt, alsmede de beoordeling van de uitkomsten van dat onderzoek aan de hand van de eindtermen of de kwalificatie-eisen in het kwalificatiedossier. 3 artikel 7.4.3 Het examen bestaat uit afzonderlijke onderdelen. Het examen van een beroepsopleiding is met gunstig gevolg afgelegd indien alle toetsen van die opleiding met gunstig gevolg zijn afgelegd, onverminderd. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 7.4.3 — Artikel 7.4.3 Examens beroepsopleidingen#
Artikel 7.4.3 Examens beroepsopleidingen Het examen van een beroepsopleiding is eerst dan met goed gevolg afgesloten wanneer zowel de beroepspraktijkvorming als het overige deel van de beroepsopleiding met goed gevolg is afgesloten. 2011 560 02-12-2011 07-11-2011 32316 2011 560 02-12-2011 07-11-2011 32316 01-01-2012 Voor het eerst van toepassing op beroepsopleidingen in het studiejaar 2012-2013.
Artikel 7.4.4 — Artikel 7.4.4 Centrale examinering onderdelen beroepsopleidingen#
Artikel 7.4.4 Centrale examinering onderdelen beroepsopleidingen Bij algemene maatregel van bestuur kunnen onderdelen van een beroepsopleiding worden aangewezen waarvan de examinering geschiedt volgens bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur te geven voorschriften. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2011 34 07-03-2011 03-02-2011 01-08-2011 Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 7.4.5 — Artikel 7.4.5 Kwaliteitsstandaarden#
Artikel 7.4.5 Kwaliteitsstandaarden Bij ministeriële regeling worden standaarden voor de kwaliteit van de examens van de beroepsopleidingen vastgesteld die betrekking hebben op: a. artikel 7.2.4 de inhoud en het niveau van de examens, in relatie tot de kwalificatie-eisen in het kwalificatie-dossier, bedoeld in, en b. de procedures rond de examens en de voorwaarden waaronder examens worden afgenomen. 2011 560 02-12-2011 07-11-2011 32316 2011 560 02-12-2011 07-11-2011 32316 01-01-2012 Voor het eerst van toepassing op beroepsopleidingen in het studiejaar 2012-2013.
Artikel 7.4.6 — Artikel 7.4.6 Examinering door andere instellingen of exameninstellingen#
Artikel 7.4.6 Examinering door andere instellingen of exameninstellingen 1 artikel 1.6.1 Het bevoegd gezag kan de gehele examinering van een beroepsopleiding overdragen aan een andere instelling of aan een exameninstelling als bedoeld in, voor zover deze het recht op examinering van die beroepsopleiding hebben. 2 artikel 6.2.4, eerste lid 6.2.5, eerste lid 6.2.6, eerste lid Indien ten aanzien van een beroepsopleiding toepassing is gegeven aan,, dan wel, is het bevoegd gezag voor die beroepsopleiding gehouden toepassing te geven aan het eerste lid. Voor zover er bij toepassing van artikel 6.2.6, eerste lid, sprake is van een schorsing van een deel van het recht op examinering, bedoeld in artikel 6.2.6, tweede lid, onder a, of een schorsing als bedoeld in artikel 6.2.6, tweede lid, onder b, c of d, is het bevoegd gezag in afwijking van het eerste lid slechts gehouden dit deel over te dragen. 3 artikel 8.4.2 Het bevoegd gezag kan de examinering van extraneï die op grond van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld ineen entreeopleiding volgen, onder zijn verantwoordelijkheid laten uitvoeren door het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs. 2013 288 12-07-2013 26-06-2013 33187 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026
Artikel 7.4.7 — Artikel 7.4.7 Examencommissie#
Artikel 7.4.7 Examencommissie 1 Het bevoegd gezag van een instelling of exameninstelling stelt, al dan niet in samenwerking met een of meer bevoegde gezagsorganen van andere instellingen, een examencommissie in ten behoeve van de organisatie en het afnemen van de examens voor elke door de instelling verzorgde opleiding of voor groepen van opleidingen. 2 Het bevoegd gezag benoemt de leden van de examencommissie. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2011 34 07-03-2011 03-02-2011 01-08-2011 Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 7.4.8 — Artikel 7.4.8 Diploma’s#
Artikel 7.4.8 Diploma’s 1 Ten bewijze dat een examen met goed gevolg is afgelegd, reikt de examencommissie een diploma uit. 2 Bij ministeriële regeling worden modellen en technische veiligheidseisen voor het diploma en de resultatenlijst van een beroepsopleiding vastgesteld. 2011 560 02-12-2011 07-11-2011 32316 2011 560 02-12-2011 07-11-2011 32316 01-01-2012 Voor het eerst van toepassing op beroepsopleidingen in het studiejaar 2012-2013.
Artikel 7.4.8a — Artikel 7.4.8a Mbo-verklaring#
Artikel 7.4.8a Mbo-verklaring 1 artikel 7.4.8 Een student aan wie geen diploma of certificaat als bedoeld inkan worden uitgereikt, maar die wel ten minste één waardering voor een onderdeel of voor een deel daarvan van de opleiding heeft behaald, ontvangt op zijn verzoek een door de examencommissie af te geven verklaring. 2 In afwijking van het eerste lid ontvangt de student, ook zonder een daartoe strekkend verzoek, een verklaring van de desbetreffende examencommissie, indien de student: a. niet meer aan een instelling is ingeschreven, b. de leeftijd van drieëntwintig jaar nog niet heeft bereikt, en c. artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e artikel 13 artikel 14 van de Wet voortgezet onderwijs BES niet in het bezit is van een diploma van een opleiding als bedoeld in, dan wel een diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs of hoger algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld inonderscheidenlijk. 3 Op de verklaring zijn in ieder geval opgenomen de onderdelen of de delen daarvan waarvoor op de datum van beëindiging van de opleiding door de student een waardering is behaald en de overige bij ministeriële regeling te bepalen gegevens die per categorie van studenten kunnen verschillen. 4 Bij ministeriële regeling wordt voor de verklaring een model vastgesteld, dat voor verschillende categorieën van studenten kan verschillen en kunnen voor de verklaring technische veiligheidseisen worden vastgesteld. 2021 409 31-08-2021 14-07-2021 35725 2021 443 29-09-2021 20-09-2021 01-10-2021
Artikel 7.4.9 — Artikel 7.4.9 Onderwijs- en examenregeling#
Artikel 7.4.9 Onderwijs- en examenregeling 1 Het bevoegd gezag stelt voor elke door de instelling verzorgde opleiding of opleiding educatie een onderwijs- en examenregeling vast. De onderwijs- en examenregeling wordt vastgesteld vóór 1 mei voorafgaand aan het studiejaar en omvat, voor zover van toepassing, ten minste: a. de onderwijs- en vormingsdoelen, daaronder begrepen de eindtermen, b. de onderwijseenheden die deel uitmaken van de opleiding, c. de inhoud en inrichting van een opleiding, waaronder voor een beroepsopleiding begrepen: 1°. de leerweg, 2°. de kwalificatie, of, bij inschrijving voor een opleidingsdomein of een kwalificatiedossier, dat opleidingsdomein of dat kwalificatiedossier, 3°. het beoogde niveau van de te behalen kwalificatie, en 4°. de studieduur van de opleiding en van de daarvan deel uitmakende onderwijseenheden en deelkwalificaties, d. de inhoud en, in voorkomende gevallen, de indeling in onderdelen van het examen, e. de studieduur van de opleiding en van de daarvan deel uitmakende onderwijseenheden en deelkwalificaties, f. in voorkomende gevallen de volgorde waarin, de tijdvakken waarbinnen en het aantal malen per studiejaar dat gelegenheid wordt geboden tot het afleggen van de toetsen, het examen of onderdelen daarvan, g. de wijze waarop de toetsen en het examen of onderdelen daarvan worden afgenomen, h. artikel 3.3 de wijze waarop het bevoegd gezag zijn aandeel in het eilandelijk zorgplan, bedoeld in, vorm geeft, i. waar nodig, dat het met goed gevolg afleggen van een of meer toetsen of examenonderdelen voorwaarde is voor het afleggen van andere toetsen of onderdelen, j. de wijze waarop en de termijn waarbinnen de student inzage verkrijgt in zijn beoordeelde schriftelijk werk, k. de termijn waarbinnen de uitslag van een toets, examenonderdeel en examen bekend wordt gemaakt, l. de van toepassing zijnde instructietaal, en m. de gronden waarop de examencommissie vrijstelling kan verlenen van een instellingsexamen of een centraal examen. 2 De examencommissie stelt, met inachtneming van de onderwijs- en examenregeling, regels vast met betrekking tot de goede gang van zaken tijdens het afnemen van de toetsen, het examen of de examenonderdelen. Zij kan aan examinatoren richtlijnen en aanwijzingen geven met betrekking tot de beoordeling en met betrekking tot de vaststelling van de uitslag. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-08-2023
Artikel 7.4.10 — Artikel 7.4.10 Studentenstatuut#
Artikel 7.4.10 Studentenstatuut Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat de instelling beschikt over een toegankelijk en begrijpelijk studentenstatuut waarin de rechten en plichten van de studenten zijn opgenomen, en stelt de actuele versie van het studentenstatuut voor de studenten beschikbaar. Het bevoegd gezag bevordert voorts de kennis van het studentenstatuut. Het studentenstatuut bevat in elk geval: a. titel 5 artikel 7.5.1 een beschrijving van de procedures voor de behandeling van klachten en geschillen, bedoeld in, daaronder begrepen de inrichting van de toegankelijke faciliteit, bedoeld in; b. een beschrijving van de procedures voor de behandeling van geschillen inzake medezeggenschap; c. een beschrijving van de beroepsrechten die kunnen worden ontleend aan deze wet en andere wettelijke regelingen; d. een beschrijving van aanvullende procedures ter bescherming van de rechten van studenten die door het bevoegd gezag worden getroffen; e. artikel 8.1.7a, vierde lid de nadere regels over het bindend studieadvies, bedoeld in; f. het beleid met betrekking tot het beperkt en beheersbaar houden van de middelen die van de studenten worden gevraagd voor schoolkosten die door het bevoegd gezag noodzakelijk worden bevonden; g. artikel 8.1.6 in voorkomend geval, bepalingen over de terugbetaling van voorschotten, verstrekt door het bevoegd gezag, ter voldoening van een bij of krachtens de wet geregelde geldelijke bijdrage als bedoeld in; h. artikel 14, tweede lid, onderdeel a tot en met d, van het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000 bepalingen over de terugbetaling van cursusgeld in andere gevallen dan bedoeld in; i. het beleid van het bevoegd gezag met betrekking tot toelating, verzuim, schorsing en verwijdering van studenten; j. de rechten en plichten ten aanzien van zwangerschap en bevalling; en k. artikel 8.1.6f de instellingsregels over het mbo-studentenfonds, bedoeld in. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 De wijziging is in werking getreden op 1 augustus 2024 (Stb.
2024/154). De wijziging wordt niet getoond, omdat het artikel nog
niet in werking is getreden.
Artikel 7.4.11 — Artikel 7.4.11 Studiegids#
Artikel 7.4.11 Studiegids Het bevoegd gezag maakt voor de aanvang van het studiejaar een studiegids openbaar. De studiegids maakt het de aanstaande student mogelijk, zich een goed beeld te vormen van de inhoud en inrichting van het onderwijs en de examens aan de instelling en omvat in elk geval de onderwijs- en examenregeling van de onderscheiden beroepsopleidingen en opleidingen educatie. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 7.4.12 — Artikel 7.4.12 Reikwijdte#
Artikel 7.4.12 Reikwijdte Deze paragraaf is van toepassing op opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en de opleidingen Nederlands als vreemde taal. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2011 34 07-03-2011 03-02-2011 01-08-2011 Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 7.4.13 — Artikel 7.4.13 Examenregeling opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en opleidingen Nederlands als vreemde taal#
Artikel 7.4.13 Examenregeling opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en opleidingen Nederlands als vreemde taal 1 Aan de vavo-studenten en deelnemers wordt gelegenheid gegeven een examen af te leggen. 2 Artikel 7.4.7 is van overeenkomstige toepassing. 3 artikel 7.3.1, eerste lid, onder c Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld omtrent de examens van de opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en Nederlands als vreemde taal, bedoeld in. Bij deze algemene maatregel van bestuur kunnen tevens voorschriften worden gegeven omtrent de examenprogramma's en de verdeling daarvan in onderdelen. 4 Ten behoeve van de bijzondere inrichting van het onderwijs aan een instelling kan Onze Minister toestaan dat wordt afgeweken van het bepaalde bij of krachtens het tweede en derde lid. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. 5 Artikel 7.4.8 is van toepassing, met dien verstande dat degene die een onderdeel van het examen Nederlands als vreemde taal met goed gevolg heeft afgelegd een certificaat ontvangt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald onder welke voorwaarden het bezit van certificaten aanspraak geeft op een diploma. 6 Artikelen 7.4.9 7.5.2 enis van overeenkomstige toepassing. 7 Hoofdstuk 2, paragraaf 5, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 artikelen 2.59 2.62 2.63 artikel 7.4.7 , met uitzondering van de,en, is van overeenkomstige toepassing op de examens van opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, met dien verstande dat daarbij onder «bevoegd gezag» wordt verstaan hetgeen daaronder in deze wet wordt verstaan en dat het eindexamen of deeleindexamen wordt afgenomen door de examencommissie, bedoeld in. 7 Hoofdstuk 2, paragraaf 5, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 is van toepassing op de examens van opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs: a. artikelen 2.51, eerste tot en met vijfde lid 2.59 2.60, eerste lid, onder d, tweede tot en met vierde lid 2.62 tot en met 2.64 met uitzondering van de, 2.51a,,, 2.60b, eerste tot en met derde lid, 2.60c, tweede en derde lid, 2.60d,; b. met dien verstande dat: 1°. artikelen 2.52 2.53 2.54 2.55, eerste lid «de rector of directeur» en «het bevoegd gezag» worden gelezen als «de examencommissie», behalve in de,,en; 2°. de examencommissie de uitslag van het eindexamen vaststelt; 3°. de examencommissie de cijferlijsten, diploma’s, getuigschriften en certificaten tekent; 4°. de examencommissie een examenreglement vaststelt alsmede jaarlijks een programma van toetsing en afsluiting vaststelt; 5°. de examencommissie de vaststelling van een wijziging van het programma van toetsing en afsluiting na 1 oktober aan de kandidaten en inspectie zendt. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-08-2023
Artikel 7.5.1 — Artikel 7.5.1 Toegankelijke faciliteit#
Artikel 7.5.1 Toegankelijke faciliteit 1 In deze titel wordt onder «betrokkene» verstaan: a. student, vavo-student en extraneus; b. aanstaande student, aanstaande vavo-student en aanstaande extraneus; c. voormalige student, voormalige vavo-student en voormalige extraneus. 2 Het bevoegd gezag richt een toegankelijke en eenduidige faciliteit in. Het bevoegd gezag stelt een nadere regeling vast met betrekking tot deze paragraaf en paragraaf 2, die een onderdeel vormt van het bestuursreglement. Deze regeling vermeldt in ieder geval: a. de instelling van een klachtencommissie, die klachten behandelt, b. de wijze waarop de klachtencommissie haar werkzaamheden verricht, c. de termijn waarbinnen de klager een klacht kan indienen, en d. de termijn waarbinnen mededeling plaatsvindt van het oordeel, bedoeld in het zesde lid, en hoe bij noodzakelijke afwijking van deze termijn wordt gehandeld. 3 artikel 7.5.2 artikel 8.1.7a, vijfde lid artikel 8.1.5a, tweede lid artikel 55 van de Wet administratieve rechtspraak BES Een betrokkene dient een klacht als bedoeld indan wel beroep of bezwaar als bedoeld in paragraaf 2 van deze titel en, vanwege een schriftelijke beslissing van een orgaan van een instelling inhoudende een rechtshandeling op grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen, vanwege het ontbreken van een dergelijke beslissing dan wel vanwege een geschil met betrekking tot het maken, wijzigen of uitvoeren van afspraken als bedoeld in, in bij de faciliteit. Indien het een beroep of bezwaar van een betrokkene aan een openbare instelling betreft, isniet van toepassing. 4 artikel 8.1.7a, vijfde lid De termijn voor het schriftelijk indienen van een bezwaar als bedoeld in paragraaf 2 bedraagt zes weken. De termijn voor het schriftelijk indienen van een beroep als bedoeld in paragraaf 2 en, bedraagt twee weken. 5 artikel 59, tweede lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES De faciliteit bevestigt de ontvangst van een binnengekomen klacht, beroep of bezwaar schriftelijk aan de betrokkene en zendt deze, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk door aan het bevoegde orgaan. Indien het een openbare instelling betreft, isniet van toepassing. 6 artikel 59, tweede lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES De datum van ontvangst, bedoeld in het vijfde lid, is bepalend voor de vraag of een klacht, beroep of bezwaar tijdig is ingediend. Indien het een openbare instelling betreft, isniet van toepassing. 7 Indien de faciliteit een klacht, beroep of bezwaar aan een onbevoegd orgaan heeft gezonden, zendt dit orgaan het desbetreffende stuk zo spoedig mogelijk terug naar de faciliteit. Het bevoegde orgaan behandelt een klacht, beroep of bezwaar dat door een betrokkene rechtstreeks is ingediend bij dit orgaan slechts na tussenkomst van de faciliteit. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-08-2024
Artikel 7.5.2 — Artikel 7.5.2 Klachten#
Artikel 7.5.2 Klachten 1 Ouders dan wel studenten of deelnemers, en personeelsleden kunnen bij de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, een klacht indienen over gedragingen en beslissingen van het bevoegd gezag of het personeel, waaronder discriminatie, dan wel het nalaten van gedragingen en het niet nemen van beslissingen door het bevoegd gezag of het personeel. 2 Deze regeling strekt ter vervanging van klachtenregelingen op grond van andere voorschriften dan dit artikel en strekt niet ter vervanging van een andere voorziening die op grond van een wettelijke regeling, niet zijnde een klachtenregeling, voor de klager openstaat of heeft opengestaan. 3 Deze regeling a. voorziet erin dat de klachten worden behandeld door een klachtencommissie die bestaat uit ten minste drie leden, waaronder een voorzitter die geen deel uitmaakt van het bevoegd gezag en niet werkzaam is voor of bij het bevoegd gezag, en b. waarborgt dat aan de behandeling van een klacht niet wordt deelgenomen door een persoon op wiens gedraging de klacht rechtstreeks betrekking heeft. 4 De klager en degene over wie is geklaagd krijgen de gelegenheid: a. hun zienswijze mondeling of schriftelijk toe te lichten en b. zich bij de behandeling van de klacht te laten bijstaan. 5 De klachtencommissie vormt zich een oordeel over de gegrondheid van de klacht en deelt dit oordeel, al dan niet vergezeld van aanbevelingen, schriftelijk mede aan de klager, degene over wie is geklaagd en het bevoegd gezag. 6 Het bevoegd gezag deelt de klager en de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, binnen 4 weken na ontvangst van het in het zesde lid bedoelde oordeel van de klachtencommissie schriftelijk mede of hij het oordeel over de gegrondheid van de klacht deelt en of hij naar aanleiding van dat oordeel maatregelen zal nemen en zo ja welke. Bij afwijking van de in de eerste volzin bedoelde termijn, doet het bevoegd gezag daarvan met redenen omkleed mededeling aan de klager en de klachtencommissie onder vermelding van de termijn waarbinnen het bevoegd gezag zijn standpunt bekend zal maken. 7 Degene die betrokken is bij de uitvoering van dit artikel en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijze moet vermoeden, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit. 8 Gegevens die betrekking hebben op een klacht worden bewaard op een plaats die uitsluitend toegankelijk is voor de leden van de klachtencommissie en het bevoegd gezag. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-08-2023 Voorheen art. 7.4.10a.
Artikel 7.5.3 — Artikel 7.5.3 Commissie van beroep voor de examens#
Artikel 7.5.3 Commissie van beroep voor de examens 1 Het bevoegd gezag van een instelling of exameninstelling stelt, al dan niet in samenwerking met een of meer andere bevoegde gezagsorganen van andere instellingen of exameninstellingen een commissie van beroep voor de examens in dan wel sluit zich bij een dergelijke commissie aan. Beslissingen van de examencommissie of van de examinatoren kunnen worden onderworpen aan het oordeel van een commissie van beroep voor de examens. 2 De leden van de beroepscommissie maken geen deel uit van het bevoegd gezag, van de inspectie of van de examencommissie noch mogen zij examinator zijn. 3 De commissie van beroep voor de examens oordeelt over beslissingen van de examencommissie of van de examinatoren. 4 De commissie stelt een onderzoek in alvorens te beslissen. Zij stelt bij haar beslissing zo nodig vast op welke wijze de kandidaat alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld het examen geheel of gedeeltelijk af te leggen. 5 De commissie maakt haar beslissing bekend aan de kandidaat, aan de ouders, voogden of verzorgers van de kandidaat indien deze minderjarig is, aan het bevoegd gezag, aan het bedrijf dat of de organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt, en aan de inspectie. 6 Indien de commissie het beroep gegrond acht, vernietigt zij de beslissing geheel of gedeeltelijk. De commissie is niet bevoegd in de plaats van de geheel of gedeeltelijk vernietigde beslissing een nieuwe beslissing te nemen. De examencommissie of de examinator van wie de beslissing is vernietigd, voorziet voor zover nodig opnieuw in de zaak met inachtneming van de uitspraak van de commissie van beroep voor de examens. De commissie kan daarvoor in haar uitspraak een termijn stellen. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-08-2023 Voorheen art. 7.5.1.
Artikel 7.5.4 — Artikel 7.5.4 Inlichtingen#
Artikel 7.5.4 Inlichtingen De leden van de examencommissie en de examinatoren verstrekken aan de commissie van beroep voor de examens de inlichtingen die zij voor de uitvoering van haar taak nodig oordeelt. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-08-2023 Voorheen art. 7.5.2.
Artikel 7.5.5 — Artikel 7.5.5 Bevoegdheid en samenstelling geschillenadviescommissie#
Artikel 7.5.5 Bevoegdheid en samenstelling geschillenadviescommissie 1 artikelen 70 tot en met 74 van de Wet administratieve rechtspraak BES Het bevoegd gezag stelt, al dan niet in samenwerking met een of meer bevoegde gezagsorganen van andere instellingen, een geschillenadviescommissie in of sluit zich bij een dergelijke commissie aan. Op een geschillenadviescommissie zijnvan overeenkomstige toepassing. De leden van de geschillenadviescommissie zijn functioneel onafhankelijk. 2 artikel 7.5.3 De geschillenadviescommissie brengt aan het bevoegd gezag advies uit over bezwaren met betrekking tot schriftelijke beslissingen van organen van een instelling inhoudende een rechtshandeling op grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen dan wel met betrekking tot het ontbreken van een dergelijke beslissing. De vorige volzin is niet van toepassing op beslissingen als bedoeld in. 3 artikel 8.1.5a, tweede lid De geschillenadviescommissie neemt tevens kennis van geschillen tussen studenten of vavo-studenten en het bevoegd gezag van een instelling met betrekking tot het maken, wijzigen en uitvoeren van de afspraken, bedoeld in. 4 De geschillenadviescommissie gaat na of een minnelijke schikking tussen partijen mogelijk is. 5 artikel 69 van de Wet administratieve rechtspraak BES Indien sprake is van onverwijlde spoed kan de voorzitter van de geschillenadviescommissie desgevraagd bepalen dat de geschillenadviescommissie zo spoedig mogelijk advies uitbrengt aan het bevoegd gezag. De voorzitter bepaalt binnen een week na ontvangst van het bezwaar of sprake is van onverwijlde spoed en brengt de betrokkene en het bevoegd gezag hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte. Het bevoegd gezag neemt dan, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van, binnen vier weken na ontvangst van het bezwaar door de faciliteit een beslissing. 6 artikel 7.5.2 7.5.6 Het bevoegd gezag kan een commissie belasten met de behandeling van en advisering over zowel bezwaren als bedoeld in het tweede lid als klachten als bedoeld in, onverminderd het bepaalde bij of krachtens dit artikel en de artikelen 7.5.2 en. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-08-2023
Artikel 7.5.6 — Artikel 7.5.6 Beslissing op bezwaren#
Artikel 7.5.6 Beslissing op bezwaren 1 artikel 7.5.5, vijfde lid artikel 69, eerste lid, tweede volzin, van de Wet administratieve rechtspraak BES Het bevoegd gezag beslist na ontvangst van het bezwaar binnen tien weken, onverminderd de beslissingen op grond van de procedure, bedoeld in. Wat de openbare instellingen betreft beslist het bevoegd gezag in afwijking van. 2 artikelen 68 69 70, derde en vierde lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES Wat bijzondere instellingen betreft worden de,enovereenkomstig toegepast. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-08-2023
Artikel 7.6.1 — Artikel 7.6.1 Practicumplaatsen voor ho-studenten in opleiding#
Artikel 7.6.1 Practicumplaatsen voor ho-studenten in opleiding 1 Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek Het bevoegd gezag is verplicht, ho-studenten die zijn ingeschreven voor een opleiding voor het beroep van leraar waarop debetrekking heeft, of die anderszins studeren voor een bewijs van voldoende pedagogische bekwaamheid, en die in opleiding zijn voor een functie in het onderwijs, gelegenheid te bieden de als onderdeel van hun opleiding vereiste ervaring in de instelling te verkrijgen. 2 De in het eerste lid bedoelde verplichting omvat 5% van het in het desbetreffende studiejaar door de instelling in totaal te verzorgen beroepsonderwijs en educatie. Het bevoegd gezag kan een hoger percentage vaststellen mits dat in overeenstemming is met de goede gang van zaken binnen de instelling. 3 Onze Minister kan het bevoegd gezag op grond van bijzondere omstandigheden gehele of gedeeltelijke ontheffing van de in het eerste lid bedoelde verplichting verlenen. De ontheffing geldt voor een studiejaar. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 8.0.1 — Artikel 8.0.1 Aanmelding uiterlijk op 1 april#
Artikel 8.0.1 Aanmelding uiterlijk op 1 april 1 Uiterlijk op 1 april voorafgaand aan een studiejaar meldt degene die zich als deelnemer wenst in te inschrijven voor een beroepsopleiding die start bij de aanvang van dat studiejaar, zich aan bij de desbetreffende instelling. Na de aanmelding kan de betrokkene zijn aanmelding nog wijzigen. 2 Bij ministeriële regeling kan een maximum aantal beroepsopleidingen worden vastgesteld waarvoor de betrokkene zich kan aanmelden. 3 artikel 8.1.7a Dit artikel is niet van toepassing op een deelnemer die zich aanmeldt bij een andere beroepsopleiding dan die waar hij oorspronkelijk was ingeschreven maar kan aantonen dat de aanmelding het gevolg is van een beëindiging van de inschrijving op grond van, op een zodanig tijdstip dat hij zich niet kon aanmelden uiterlijk 1 april voorafgaand aan het studiejaar waarvoor hij zich wenst in te schrijven. 2016 362 17-10-2016 05-10-2016 34457
Artikel 8.0.2 — Artikel 8.0.2 Te verstrekken gegevens bij aanmelding#
Artikel 8.0.2 Te verstrekken gegevens bij aanmelding 1 artikel 8.0.1 Bij de aanmelding, bedoeld in, legt de betrokkene of, indien deze minderjarig is, zijn ouders, voogden of verzorgers, zijn persoonsgebonden nummer BES over onder vermelding van, voor zover van toepassing, de school of instelling waar betrokkene op het moment van aanmelding staat ingeschreven. 2 Het persoonsgebonden nummer BES wordt overgelegd door middel van een van overheidswege verstrekt document, waarop tevens de gegevens over de geslachtsnaam, voorletters, geboortedatum en het geslacht van betrokkene zijn vermeld. 3 Indien aannemelijk kan worden gemaakt dat geen persoonsgebonden nummer BES kan worden overgelegd, worden in plaats daarvan de geslachtsnaam, de voorletters, de geboortedatum en het geslacht van betrokkene vermeld. 2016 362 17-10-2016 05-10-2016 34457
Artikel 8.0.3 — Artikel 8.0.3 Intakeactiviteiten en studiekeuzeadvies#
Artikel 8.0.3 Intakeactiviteiten en studiekeuzeadvies 1 artikel 8.0.1, eerste lid Een betrokkene die uiterlijk 1 april is aangemeld in overeenstemming met, heeft desgevraagd recht op een studiekeuzeadvies. Dit recht geldt alleen als betrokkene deelneemt aan de intakeactiviteiten die het bevoegd gezag met het oog op dit studiekeuzeadvies organiseert. 2 Bij ministeriële regeling kan een maximum aantal studiekeuzeadviezen worden vastgesteld waarop de betrokkene recht heeft. 3 Het bevoegd gezag kan intakeactiviteiten organiseren en aan de hand daarvan een studiekeuzeadvies uitbrengen ten behoeve van andere dan de in het eerste lid bedoelde betrokkenen. 4 De studiekeuzeadviezen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn niet bindend. 5 Het bevoegd gezag stelt ter uitvoering van dit artikel nadere regels vast die in elk geval betrekking hebben op de intakeactiviteiten die door de instelling, al dan niet per opleiding worden georganiseerd, de aard en inhoud van de intakeactiviteiten, de termijn waarbinnen de intakeactiviteiten plaatsvinden en de gevallen waarin, de termijn waarbinnen en de wijze waarop studiekeuzeadviezen wordt uitgebracht. 6 Het bevoegd gezag van een instelling op Bonaire, Sint Eustatius en Saba treft voor inwoners van een land dat behoort tot het Koninkrijk der Nederlanden, die zich als deelnemer hebben aangemeld maar niet woonachtig zijn op het desbetreffende eiland, zodanige voorzieningen dat zij kunnen deelnemen aan de intakeactiviteiten zonder dat hun fysieke aanwezigheid op de instelling vereist is. Deze voorzieningen maken deel uit van de nadere regels, bedoeld in het vijfde lid. 7 Het bevoegd gezag stelt de in het vijfde lid bedoelde informatie voor een ieder beschikbaar uiterlijk 1 februari voorafgaand aan het studiejaar waarvoor deze geldt. 2016 362 17-10-2016 05-10-2016 34457
Artikel 8.1.1 — Artikel 8.1.1 Inschrijving#
Artikel 8.1.1 Inschrijving 1 Een ieder die gebruik wenst te maken van onderwijsvoorzieningen en examenvoorzieningen, dient zich door het bevoegd gezag als student of vavo-student te laten inschrijven. Een ieder die uitsluitend wenst te worden toegelaten tot examenvoorzieningen, dient zich door het bevoegd gezag als extraneus te laten inschrijven. Voor de inschrijving als extraneus is aan het bevoegd gezag een door dat gezag te bepalen vergoeding verschuldigd. Indien het een meerderjarige extraneus betreft die het examengeld niet zelf voldoet, wordt niet overgegaan tot inschrijving dan nadat de extraneus schriftelijk heeft verklaard dat hij ermee instemt dat een in die verklaring vermelde derde namens hem het examengeld voldoet. 2 De inschrijving voor een opleiding of een onderdeel van een opleiding staat uitsluitend open voor degene waarvan de ouders, voogden of verzorgers aantonen, dan wel, indien hij meerderjarig en handelingsbekwaam is, degene die aantoont dat hij: a. de Nederlandse nationaliteit bezit of op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander wordt behandeld, b. vreemdeling is en jonger is dan 18 jaar op de eerste dag waarop de opleiding of het onderdeel van de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal inschrijving wordt gewenst, c. artikelen 3 5a 6 van de Wet toelating en uitzetting BES vreemdeling is, 18 jaar of ouder is op de eerste dag waarop de opleiding of het onderdeel van de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal inschrijving wordt gewenst en op die dag rechtmatig verblijft houdt in de zin van de,of, of d. vreemdeling is, niet meer voldoet aan een van de voorwaarden genoemd onder b of c, en eerder in overeenstemming met een van die onderdelen is ingeschreven voor een opleiding of het onderdeel van de opleiding van een instelling, welke opleiding of welk onderdeel van de opleiding nog steeds wordt gevolgd en nog niet is voltooid. 3 Indien na de inschrijving voor de opleiding of een onderdeel van de opleiding blijkt dat deze op welke grond dan ook niet in overeenstemming met het tweede lid heeft plaatsgevonden, wordt de inschrijving met onmiddellijke ingang beëindigd. 3a Het bevoegd gezag van een bijzondere instelling maakt de beslissing over inschrijving schriftelijk en voorzien van een deugdelijke motivering bekend aan de student of vavo-student. Indien de student of vavo-student jonger dan 18 jaar is, maakt het bevoegd gezag de beslissing ook aan de ouders, voogden of verzorgers schriftelijk bekend. 4 De inschrijving geschiedt voor een opleiding educatie of een onderdeel daarvan of voor een beroepsopleiding. Indien het verzoek om inschrijving betrekking heeft op een beroepsopleiding, wordt daarbij aangegeven op welke leerweg het verzoek van toepassing is. 5 paragraaf 2 van de Leerplichtwet BES De toelating tot beroepsopleidingen staat voor zover het de beroepsbegeleidende leerweg betreft, uitsluitend open voor degenen voor wie de leerplicht, bedoeld in, is geëindigd. 6 Het bevoegd gezag van een bijzondere instelling kan aangeven dat degenen die wensen te worden ingeschreven, geacht worden de grondslag en de doelstellingen van de instelling te respecteren. De inschrijving kan worden geweigerd dan wel beëindigd indien de betrokkene de grondslag en de doelstellingen van de instelling niet respecteert. De inschrijving aan een bijzondere instelling kan eveneens worden geweigerd dan wel beëindigd indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkene van die inschrijving en de daaraan verbonden rechten misbruik zal maken door in ernstige mate afbreuk te doen aan de eigen aard van die instelling, dan wel indien is gebleken dat de betrokkene van die inschrijving en de daaraan verbonden rechten een dergelijk misbruik heeft gemaakt. De weigering dan wel beëindiging van de inschrijving geschiedt schriftelijk en is met redenen omkleed. De inschrijving kan niet worden beëindigd op grond van de tweede volzin indien voor betrokkene geen gelegenheid bestaat de opleiding aan een andere instelling te volgen. 7 artikel 7.2.2, derde lid De inschrijving voor een opleidingsdomein BES kan uitsluitend geschieden voor een beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg op het tweede, derde of vierde niveau, bedoeld in. 8 Bij ministeriële regeling kan een maximum worden vastgesteld voor het percentage van de studenten in het beroepsonderwijs dat in een jaar kan worden ingeschreven voor een opleidingsdomein BES. 2013 288 12-07-2013 26-06-2013 33187 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026
Artikel 8.1.1a — Artikel 8.1.1a Toelating entreeopleiding#
Artikel 8.1.1a Toelating entreeopleiding 1 artikelen 8.1.1 8.1.2 8.1.7b artikel 8.2.1, vierde lid paragraaf 2 van de Leerplichtwet BES artikel 9 van de Leerplichtwet BES Onverminderd de,en, staat de toelating tot de entreeopleiding uitsluitend open voor degenen die niet ten minste voldoen aan de vooropleidingseisen van de basisberoepsopleiding, bedoeld in, en waaropniet meer van toepassing is, met uitzondering van degenen ten aanzien van wie toepassing is gegeven aan. 2 Het bevoegd gezag kan de toelating tot de entreeopleiding slechts weigeren indien diegene die om toelating verzoekt in de afgelopen twee studiejaren bij een instelling was toegelaten tot een entreeopleiding. 2013 288 12-07-2013 26-06-2013 33187 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026 2016 362 17-10-2016 05-10-2016 34457 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026
Artikel 8.1.1b — Artikel 8.1.1b Recht op toelating basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding#
Artikel 8.1.1b Recht op toelating basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding 1 artikelen 8.1.1 8.1.2 8.1.7b artikelen 8.2.1 8.2.2 8.2.2a Onverminderd de,en, staat de toelating tot een basisberoepsopleiding, een vakopleiding, een middenkaderopleiding en een specialistenopleiding open voor degene die voldoet aan de in de bij of krachtens de,enten aanzien van die opleidingen gestelde eisen. 2 Het bevoegd gezag kan voor een opleiding als bedoeld in het eerste lid het aantal studenten beperken wegens de opleidingscapaciteit of uit oogpunt van arbeidsmarktperspectief. 3 Het bevoegd gezag kan de toelating van degene die om toelating verzoekt weigeren indien: a. paragraaf 3 van de Leerplichtwet BES artikel 8.1.7a, tweede lid niet meer van toepassing is op hem, zijn inschrijving reeds driemaal is beëindigd op grond vanen sinds de laatste dag van inschrijving minder dan drie studiejaren zijn verstreken; b. hij reeds zes jaar of langer in een beroepsopleiding ingeschreven is geweest zonder een diploma te hebben behaald en sinds de laatste dag van inschrijving minder dan drie studiejaren zijn verstreken; of c. paragraaf 3 van de Leerplichtwet BES niet meer op hem van toepassing is, en: 1°. artikel 8.0.1, eerste lid hij zich niet uiterlijk op de datum, genoemd in, heeft aangemeld, voor zover het een opleiding betreft die start bij de aanvang van het op die datum volgende studiejaar, en voor zover het derde lid van dat artikel niet van toepassing is, of 2°. artikel 8.0.3 ten behoeve van hem geen studiekeuzeadvies is uitgebracht als bedoeld in, voor zover het bevoegd gezag daartoe voor diegene verplichte intakeactiviteiten organiseert. 4 artikel 8.2.2a paragraaf 3 van de Leerplichtwet BES Indien een betrokkene niet kan worden ingeschreven op grond van het tweede lid, of omdat hij niet voldoet aan de voor die opleiding krachtensgestelde eisen, of, indienop hem van toepassing is, omdat hij niet voldoet aan de in het derde lid onderdeel c onder 1° of 2° genoemde voorwaarden, biedt het bevoegd gezag deze de mogelijkheid zich te laten inschrijven aan een opleiding aan de instelling waarvoor de inschrijving wel mogelijk is, rekening houdend met diens voorkeuren. 5 artikel 8.0.1, eerste lid Bij een inschrijvingsbeperking als bedoeld in het tweede lid hanteert het bevoegd gezag geen toelatingscriteria waarbij aan betrokkenen die aan de vooropleidingseisen voor de desbetreffende opleiding voldoen, extra eisen worden gesteld aan hun geschiktheid. Onverminderd de vorige volzin, verleent het bevoegd gezag aan de inschrijving van betrokkenen die in overeenstemming met, uiterlijk op 1 april voor de desbetreffende opleiding zijn aangemeld, voorrang. 6 Het bevoegd gezag stelt met in achtneming van de voorgaande leden de toelatingsprocedure vast en stelt deze informatie uiterlijk 1 februari voorafgaand aan het studiejaar waarvoor deze geldt, voor een ieder beschikbaar. 2013 288 12-07-2013 26-06-2013 33187 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026 2016 362 17-10-2016 05-10-2016 34457 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026 2017 80 09-03-2017 22-02-2017 34607 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026
Artikel 8.1.1c — Artikel 8.1.1c Toelating opleiding educatie#
Artikel 8.1.1c Toelating opleiding educatie De toelating tot opleidingen educatie staat uitsluitend open voor volwassenen. 2013 288 12-07-2013 26-06-2013 33187 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026
Artikel 8.1.2 — Artikel 8.1.2 Samenwerking met VO-scholen ter bevordering van doelmatig en doeltreffend onderwijs#
Artikel 8.1.2 Samenwerking met VO-scholen ter bevordering van doelmatig en doeltreffend onderwijs 1 artikel 8.1.1 artikel 2.99 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 artikelen 2.100 2.101 2.108 van die wet Het bevoegd gezag kan in afwijking van, in gevallen als geregeld inen met inachtneming van de,enook tot onderwijs- en examenvoorzieningen van de instelling toelaten zij die niet als student, vavo-student of extraneus aan de instelling worden ingeschreven maar zijn ingeschreven als leerling aan een school voor voortgezet onderwijs. 2 artikel 5.39, zevende lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld over de verantwoording van de bedragen die het bevoegd gezag met toepassing vanheeft ontvangen. 3 artikel 2.99 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 artikel 2.100, tweede lid, van die wet Indien het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs ter uitvoering vanleerlingen in het kader van het onderwijs waarvoor zij aan die school zijn ingeschreven, ook onderwijs wil kunnen laten volgen dat een instelling van datzelfde bevoegd gezag verzorgt, regelt het bevoegd gezag voor zover van toepassing op overeenkomstige wijze de onderwerpen, bedoeld in. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 8.1.2a — Artikel 8.1.2a Samenwerking met onbekostigde VO-scholen#
Artikel 8.1.2a Samenwerking met onbekostigde VO-scholen 1 artikel 7.3.1, eerste lid, onder a artikel 1.4.2 artikel 8.1.1c artikel 2.109 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 artikel 2.66 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Het bevoegd gezag van een instelling die een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in, verzorgt die is erkend op grond van, kan, ten aanzien van genoemde opleiding, in afwijking van, in gevallen als geregeld in en met inachtneming van de voorschriften gegeven bij of krachtenstot onderwijs- en examenvoorzieningen van de instelling toelaten zij die niet als vavo-student of extraneus aan de instelling worden ingeschreven maar zijn ingeschreven als leerling aan een ingevolgeaangewezen school. 2 artikel 2.66 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 artikel 2.109, eerste en tweede lid, van die wet Indien het bevoegd gezag van een ingevolgeaangewezen school ter uitvoering vanleerlingen in het kader van het onderwijs waarvoor zij aan die school zijn ingeschreven, onderwijs wil kunnen laten volgen dat een instelling van datzelfde bevoegd gezag verzorgt, regelt het bevoegd gezag op overeenkomstige wijze de onderwerpen, bedoeld in artikel 2.109, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020. 2013 288 12-07-2013 26-06-2013 33187 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026
Artikel 8.1.3 — Artikel 8.1.3 Te verstrekken gegevens bij inschrijving#
Artikel 8.1.3 Te verstrekken gegevens bij inschrijving 1 artikel 8.1.1 De inschrijving bij een instelling, bedoeld in, vindt slechts plaats nadat door de student of vavo-student of, indien deze minderjarig is, door de ouders, voogden of verzorgers de gegevens betreffende de geslachtsnaam, de voorletters, de geboortedatum, het geslacht en het persoonsgebonden nummer BES van de student of vavo-student zijn overgelegd. Indien door de student of vavo-student of, indien deze minderjarig is, door de ouders, voogden of verzorgers aannemelijk wordt gemaakt dat geen persoonsgebonden nummer BES van de student of vavo-student kan worden overgelegd, vindt de inschrijving plaats met inachtneming van het derde lid. 2 De in het eerste lid bedoelde gegevens worden overgelegd door middel van een van overheidswege verstrekt document dan wel een door een andere school of een school of instelling voor ander onderwijs verstrekt bewijs van uitschrijving, waarin de desbetreffende gegevens zijn opgenomen. 3 Indien door de student of vavo-student of, indien deze minderjarig is, door de ouders, voogden of verzorgers aannemelijk wordt gemaakt dat geen persoonsgebonden nummer BES van de student of vavo-student kan worden overgelegd, meldt het bevoegd gezag binnen twee weken na het besluit tot inschrijving aan Onze Minister de beschikbare gegevens van de student of vavo-student, bedoeld in het eerste lid, alsmede zijn adres en woonplaats. 4 Onze Minister verstrekt binnen acht weken na ontvangst van de melding, bedoeld in het derde lid, aan het bevoegd gezag het persoonsgebonden nummer BES, dan wel, indien is gebleken dat hem een dergelijk nummer niet is verstrekt, het onderwijsnummer van de student of vavo-student. Het onderwijsnummer is een door Onze Minister uitgegeven en aan de student of vavo-student toegekend persoonsgebonden nummer BES. 5 Het bevoegd gezag neemt de in het eerste en vierde lid bedoelde gegevens op in de administratie van de instelling. 6 Indien aan een student of vavo-student een onderwijsnummer is toegekend en het bevoegd gezag daarna de beschikking krijgt over het administratienummer van de student of vavo-student, neemt het bevoegd gezag dit administratienummer terstond als persoonsgebonden nummer BES op in de administratie van de instelling in de plaats van het onderwijsnummer. Het bevoegd gezag meldt deze wijziging binnen twee weken aan Onze Minister onder opgave van het persoonsgebonden nummer BES en het onderwijsnummer van de student of vavo-student. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 8.1.4 — Artikel 8.1.4 Nadere voorschriften toelating#
Artikel 8.1.4 Nadere voorschriften toelating 1 Indien binnen redelijke afstand van de woning van de student of vavo-student niet de gelegenheid bestaat tot het volgen van het onderwijs aan een openbare instelling, mag aan deze student of vavo-student de toelating tot een bijzondere instelling niet worden geweigerd op grond van godsdienst of levensbeschouwing. 2 Openbare instellingen zijn toegankelijk voor studenten en vavo-studenten zonder onderscheid naar godsdienst of levensbeschouwing. 3 Indien tot een bijzondere instelling andere studenten en vavo-studenten worden toegelaten dan voor wie de instelling in verband met de richting in stand wordt gehouden, kunnen deze studenten en vavo-studenten niet worden verplicht tot het volgen van onderwijs dat in verband met die richting door de instelling wordt verzorgd. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-08-2023
Artikel 8.1.5 — Artikel 8.1.5 Onderwijsovereenkomst#
Artikel 8.1.5 Onderwijsovereenkomst Vervallen 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-08-2023
Artikel 8.1.5a — Artikel 8.1.5a Afspraken met betrekking tot extra ondersteuning#
Artikel 8.1.5a Afspraken met betrekking tot extra ondersteuning 1 Het bevoegd gezag beoordeelt voorafgaande aan de inschrijving van de student of vavo-student of deze student of vavo-student extra ondersteuning behoeft in verband met handicap of chronische ziekte en onderzoekt daartoe zijn mogelijkheden, behoeften en omstandigheden. Het bevoegd gezag kan de student of vavo-student verzoeken gegevens te overleggen betreffende handicap of chronische ziekte of beperkingen in de onderwijsparticipatie. 2 Indien de inschrijving een student of vavo-student betreft die extra ondersteuning behoeft in verband met handicap of chronische ziekte, vindt de inschrijving slechts plaats nadat het bevoegd gezag met de student of vavo-student schriftelijke afspraken heeft gemaakt over deze ondersteuning. 3 De afspraken worden ten minste één keer per studiejaar met de student of vavo-student geëvalueerd op hun doeltreffendheid. 4 Indien de noodzaak van extra ondersteuning in verband met handicap of chronische ziekte na de inschrijving ontstaat, zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-08-2023
Artikel 8.1.6 — Artikel 8.1.6 Onderwijsbijdragen#
Artikel 8.1.6 Onderwijsbijdragen De inschrijving wordt niet afhankelijk gesteld van geldelijke bijdrage. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2011 34 07-03-2011 03-02-2011 01-08-2011 Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 8.1.6a — Artikel 8.1.6a Mbo-studentenfonds#
Artikel 8.1.6a Mbo-studentenfonds 1 Het bevoegd gezag treft voorzieningen voor de financiële ondersteuning van een bij die instelling ingeschreven student. 2 Ondersteuning wordt verstrekt aan de volgende categorieën van studenten: a. artikel 5.1 studenten die deelnemen aan de vertegenwoordiging, bedoeld in, aan een andere door het bevoegd gezag ingestelde medezeggenschapsstructuur of lid zijn van het bestuur van een studentenorganisatie van enige omvang met volledige rechtsbevoegdheid, b. studenten die activiteiten verrichten op bestuurlijk of maatschappelijk gebied die naar het oordeel van het bevoegd gezag mede in het belang zijn van de instelling of van het onderwijs dat de student volgt, c. studenten, of diens wettelijk vertegenwoordiger, die aantoonbaar onvoldoende financiële middelen hebben voor de aanschaf van onderwijsbenodigdheden waarover de student geacht wordt zelf te beschikken, en d. studenten die in verband met de aanwezigheid van een bijzondere omstandigheid studievertraging hebben opgelopen. 3 De bijzondere omstandigheden, bedoeld in onderdeel c zijn: a. ziekte, b. zwangerschap en bevalling, c. een handicap of chronische ziekte, d. bijzondere familieomstandigheden, e. een onvoldoende studeerbare opleiding, f. overige door het bevoegd gezag vastgestelde bijzondere omstandigheden. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2021
Artikel 8.1.6b — Artikel 8.1.6b Voorwaarden voor ondersteuning#
Artikel 8.1.6b Voorwaarden voor ondersteuning 1 artikel 8.1.6a, tweede lid, onderdelen a, b of d, De ondersteuning bestaat uit financiële ondersteuning indien ondersteuning als bedoeld inwordt verstrekt. 2 artikel 8.1.6a, tweede lid, onderdeel c Een student komt uitsluitend in aanmerking voor ondersteuning als bedoeld in, tot en met de maand waarin hij de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en indien de student een beroepsopleidende leerweg volgt. 3 artikel 8.1.6a, derde lid, onderdelen a tot en met e Wet studiefinanciering BES Een student komt uitsluitend in aanmerking voor ondersteuning bij een bijzondere omstandigheid als bedoeld in, indien de student een beroepsopleidende leerweg volgt en geen aanspraak heeft op studiefinanciering BES in de vorm van prestatiebeurs of gift op grond van de. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2021
Artikel 8.1.6c — Artikel 8.1.6c Onbillijkheid van overwegende aard#
Artikel 8.1.6c Onbillijkheid van overwegende aard artikel 8.1.6a, derde lid, onderdelen a tot en met f artikel 8.1.6b, tweede en derde lid Het bevoegd gezag kan indien sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard ondersteuning verstrekken voor andere bijzondere omstandigheden dan genoemd in, of de voorwaarden bedoeld in, buiten toepassing laten. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2021
Artikel 8.1.6d — Artikel 8.1.6d Hoogte van de financiële ondersteuning#
Artikel 8.1.6d Hoogte van de financiële ondersteuning 1 artikelen 8.1.6a 8.1.6c artikel 2.2, eerste lid, van de Wet studiefinanciering BES Indien op grond van deoffinanciële ondersteuning wordt toegekend aan een student die een beroepsopleidende leerweg volgt, is het bedrag daarvan niet hoger dan de som van de bedragen, genoemd in de kolommen III en IV voor het beroepsonderwijs op het eigen openbaar lichaam of ander openbaar lichaam, bedoeld in. 2 artikel 8.1.6a, tweede lid, onderdeel a Onverminderd het eerste lid, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat een lid van de vertegenwoordiging als bedoeld in, een financiële ondersteuning ontvangt ter hoogte van een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen minimumbedrag. De voordracht voor deze algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2021
Artikel 8.1.6e — Artikel 8.1.6e Voorziening voor aanvullende ondersteuning#
Artikel 8.1.6e Voorziening voor aanvullende ondersteuning artikelen 8.1.6a 8.1.6c artikel 2.2, eerste lid, van de Wet studiefinanciering BES In aanvulling op de voorziening, bedoeld in deof, kan een voorziening voor financiële ondersteuning worden getroffen, die hoger is dan de som van de bedragen, genoemd in de kolommen III en IV voor het beroepsonderwijs op het eigen openbaar lichaam of ander openbaar lichaam, bedoeld in. Deze aanvulling wordt verstrekt onder de benaming: voorziening voor aanvullende ondersteuning. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2021
Artikel 8.1.6f — Artikel 8.1.6f Instellingsregels#
Artikel 8.1.6f Instellingsregels 1 artikelen 8.1.6a 8.1.6c Het bevoegd gezag stelt regels van procedurele aard vast met betrekking tot de toepassing van deof, waartoe in ieder geval behoren regels over de aanvraag, de aanvang en de duur van de ondersteuning en indien het financiële ondersteuning betreft tevens de hoogte van het bedrag. 2 Het bevoegd gezag kan aan de toekenning van ondersteuning de verplichting verbinden dat de student feitelijk studerend is. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2021
Artikel 8.1.6g — Artikel 8.1.6g Informatieplicht en administratieve vastlegging#
Artikel 8.1.6g Informatieplicht en administratieve vastlegging 1 artikelen 8.1.6a 8.1.6c Het bevoegd gezag stelt de student schriftelijk of elektronisch op de hoogte van de ondersteuning, bedoeld in deof, en vermeldt daarbij afzonderlijk het bedrag van de aanvullende voorziening indien de ondersteuning in de vorm van een financiële tegemoetkoming wordt verstrekt. 2 Voorts legt het bevoegd gezag de aan de student verstrekte ondersteuning vast in de administratie van de instelling, onder vermelding van het persoonsgebonden nummer van de student en indien het financiële ondersteuning betreft de hoogte van het toegekende bedrag. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2021
Artikel 8.1.6h — Artikel 8.1.6h Vergoeding in verband met ongebruikte onderwijsbenodigdheden#
Artikel 8.1.6h Vergoeding in verband met ongebruikte onderwijsbenodigdheden Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over vergoeding door het bevoegd gezag van kosten die studenten hebben gemaakt voor de aanschaf van onderwijsbenodigdheden die door het bevoegd gezag zijn voorgeschreven, maar waarvan gezien het onderwijsprogramma door de studenten geen gebruik is gemaakt. De voordracht voor deze algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 8.1.6i — Artikel 8.1.6i Financiële ondersteuning bijzondere activiteiten door Onze Minister#
Artikel 8.1.6i Financiële ondersteuning bijzondere activiteiten door Onze Minister 1 Onze Minister treft voorzieningen voor de financiële ondersteuning van een student of vavo-student die bestuurslid is van een van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid uitgaande politieke jongerenorganisatie van enige omvang of van een landelijke organisatie van enige omvang die voor het beroepsonderwijs relevante activiteiten ontplooit en die daartoe daadwerkelijke activiteiten ontplooit. 2 Bij ministeriële regeling worden de voorwaarden gesteld waaronder deze financiële ondersteuning plaatsvindt. 3 artikelen 8.1.6e 8.1.6g Deenzijn van overeenkomstige toepassing. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-01-2023
Artikel 8.1.7 — Artikel 8.1.7 Controle op langdurige afwezigheid#
Artikel 8.1.7 Controle op langdurige afwezigheid 1 Wet studiefinanciering BES Het bevoegd gezag stelt van iedere aan de instelling ingeschreven student die valt onder de werking van devast, of deze student gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 weken zonder geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen. In afwijking van de vorige volzin kan Onze Minister bepalen dat voor soorten van onderwijs als bedoeld in deze wet, de in die volzin bedoelde vaststelling wordt gedaan indien een ingeschreven student in een of meer vakken niet aan het onderwijs heeft deelgenomen. 2 Het bevoegd gezag meldt uiterlijk op de derde werkdag na afloop van een periode van afwezigheid van 5 weken aan de student dat daarvan in de administratie van de instelling aantekening is gemaakt en verzoekt de student om opgaaf van de reden van de afwezigheid. 3 Uiterlijk op de vijfde werkdag na de periode van 8 weken stelt het bevoegd gezag vast: a. of de reden die de student binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken gaf voor zijn afwezigheid, een geldige is, of b. dat de student binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken geen reden heeft opgegeven voor zijn afwezigheid. 4 Het bevoegd gezag stelt tevens uiterlijk op de vijfde werkdag na afloop van de periode van 8 weken vast of de student voor het einde van die periode weer aan het onderwijs is gaan deelnemen. 5 Het bevoegd gezag meldt uiterlijk de vijfde werkdag na afloop van een periode van 8 weken aan Onze Minister de student die gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 weken zonder opgave van geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen. Tevens meldt het indien die student voor het einde van de periode van 8 weken weer aan het onderwijs is gaan deelnemen de datum ervan. 6 De periode van 5 weken en de periode van 8 weken worden verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd. Zij wordt geacht niet te zijn onderbroken door deze vakantieweken. 7 Wet studiefinanciering BES Het bevoegd gezag stuurt gelijktijdig met de mededelingen, bedoeld in het vijfde lid, een afschrift van de gegevens die over de betrokken student aan Onze Minister zijn verstrekt aan deze betrokkene. Het bevoegd gezag geeft daarbij tevens aan dat afwezigheid als bedoeld in het eerste lid, gevolgen heeft voor de studiefinanciering van betrokkene op grond van de, alsmede welke beroepsgang voor betrokkene tegen de mededeling, bedoeld in het vijfde lid, open staat. 8 Indien het bevoegd gezag aan Onze Minister de in het vijfde lid bedoelde mededeling heeft gedaan, kan de student binnen 6 weken na ontvangst van de gegevens, bedoeld in het zevende lid, bij het bevoegd gezag schriftelijk bedenkingen uiten tegen die mededeling. 9 Onder afwezigheid met een geldige reden als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan afwezigheid wegens: a. ziekte van de student, welke ziekte uitsluitend kan worden aangetoond door middel van een gedagtekende verklaring van een arts, b. zwangerschap of bevalling van de student, welke uitsluitend kan worden aangetoond door middel van een schriftelijke verklaring van een arts of verloskundige, gedurende een periode van 16 weken die, indien de student dat wenst, 6 weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling ingaat of gedurende een periode van 20 weken die, indien de student dat wenst, 10 weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling ingaat indien het een zwangerschap van meer dan één kind betreft, of c. bijzondere familieomstandigheden. 10 Het bevoegd gezag kan bepalen dat de periode, bedoeld in het negende lid, onderdeel b, wordt verlengd als dit naar zijn oordeel passend is. 11 artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a of b Onder «student» als bedoeld in het vijfde en zevende lid wordt verstaan de student die een assistentopleiding of een basisberoepsopleiding volgt als bedoeld in. 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2020 276 22-07-2020 08-07-2020 01-08-2020
Artikel 8.1.7a — Artikel 8.1.7a Bindend studieadvies#
Artikel 8.1.7a Bindend studieadvies 1 artikel 7.2.4a, derde lid Het bevoegd gezag brengt aan iedere student die zich inschrijft, advies uit over de voortzetting van zijn opleiding. Aan degenen die zijn ingeschreven voor een opleiding waarvan studieduur als bedoeld in, één volledig studiejaar bedraagt wordt dit advies uiterlijk binnen vier kalendermaanden na aanvang van de opleiding gegeven, doch niet eerder dan drie maanden na aanvang. Aan degenen die zijn ingeschreven voor een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.4a, derde lid, die meer dan één volledig studiejaar bedraagt wordt dit advies na ten minste negen kalendermaanden en uiterlijk aan het eind van het eerste studiejaar van de opleiding gegeven. 2 Aan een advies als bedoeld in het eerste lid kan het bevoegd gezag de beëindiging van de inschrijving voor de desbetreffende opleiding verbinden. Tot beëindiging van de inschrijving wordt slechts overgegaan indien: a. de student naar het oordeel van het bevoegd gezag, met inachtneming van de bij ministeriële regeling vastgestelde persoonlijke omstandigheden, onvoldoende vordering heeft gemaakt in de opleiding; b. het bevoegd gezag heeft gezorgd voor zodanige voorzieningen dat de mogelijkheden voor goede voortgang van de opleiding zijn gewaarborgd, en c. het bevoegd gezag de desbetreffende student een schriftelijke waarschuwing heeft gegeven onder bepaling van een redelijke termijn waarbinnen de studieresultaten ten genoegen van het bevoegd gezag dienen te zijn verbeterd. 3 Artikel 8.1.7d, tweede lid artikel 8.1.1b, derde lid, onderdeel a of b Leerplichtwet BES De student van wie de inschrijving voor een opleiding op grond van het tweede lid is beëindigd, kan niet opnieuw aan die instelling voor die opleiding worden ingeschreven. Het bevoegd gezag spant zich in de student te ondersteunen en begeleiden naar een andere opleiding al dan niet aan die instelling, rekening houdend met diens voorkeuren., is daarbij van overeenkomstige toepassing op een student op wie deniet meer van toepassing is. Het bevoegd gezag biedt de student in elk geval de mogelijkheid zich te laten inschrijven aan een andere opleiding aan die instelling waarvoor de inschrijving wel mogelijk is. De vorige volzin geldt niet als het een student betreft op wie, van toepassing is. 4 Het bevoegd gezag stelt ter uitvoering van de voorgaande leden nadere regels vast. Deze regels hebben in elk geval betrekking op de te behalen studieresultaten en de voorzieningen, bedoeld in het tweede lid. 5 artikel 7.5.3 Artikel 7.5.4 Tegen het advies, bedoeld in het eerste lid, staat, beroep open bij de Commissie van beroep voor de examens, bedoeld in.is van overeenkomstige toepassing. 2013 288 12-07-2013 26-06-2013 33187 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026 2016 362 17-10-2016 05-10-2016 34457 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026 De wijziging, zoals geformuleerd in art II, onder R, is in
werking getreden op 1 augustus 2020 (Stb. 2020/276). 2017 80 09-03-2017 22-02-2017 34607 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026 2021 409 31-08-2021 14-07-2021 35725 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026
Artikel 8.1.7b — Artikel 8.1.7b Ongeschiktheid voor toekomstige beroepsuitoefening#
Artikel 8.1.7b Ongeschiktheid voor toekomstige beroepsuitoefening 1 Het bevoegd gezag kan in bijzondere gevallen na advies van de examencommissie en na zorgvuldige afweging van de betrokken belangen beslissen de student niet in te schrijven of de inschrijving te beëindigen, als die deelnemer door zijn gedragingen of uitlatingen blijk heeft gegeven van ongeschiktheid voor de uitoefening van een of meer beroepen waartoe de door hem gevolgde opleiding hem opleidt, dan wel voor de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening. 2 Het bevoegd gezag dan wel het bevoegd gezag van een andere instelling die een zelfde of verwante opleiding verzorgt, kan besluiten de deelnemer niet opnieuw of niet voor die opleiding in te schrijven. 2016 362 17-10-2016 05-10-2016 34457 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625
Artikel 8.1.7c — Artikel 8.1.7c Schorsing#
Artikel 8.1.7c Schorsing 1 Het bevoegd gezag kan een student of vavo-student voor ten hoogste twee weken schorsen. 2 Het bevoegd gezag maakt de beslissing tot schorsing schriftelijk en voorzien van een deugdelijke motivering aan de student of vavo-student bekend. Indien de student of vavo-student jonger dan 18 jaar is, maakt het bevoegd gezag de beslissing ook aan de ouders, voogden of verzorgers schriftelijk bekend. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het schorsen van studenten en vavo-studenten. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-08-2024
Artikel 8.1.7d — Artikel 8.1.7d Verwijdering#
Artikel 8.1.7d Verwijdering 1 Het bevoegd gezag kan een student of vavo-student van de instelling verwijderen. 2 artikel 1, onder c, van de Leerplichtwet BES Het bevoegd gezag verwijdert een student of vavo-student op wie de Leerplichtwet BES van toepassing is pas definitief van de instelling nadat het bevoegd gezag ervoor heeft gezorgd dat het bevoegd gezag van een andere instelling of een instelling als bedoeld inbereid is de student of vavo-student toe te laten. Indien aantoonbaar gedurende acht weken zonder succes is gezocht naar een zodanige instelling of school waarnaar kan worden verwezen, kan in afwijking van de eerste volzin tot definitieve verwijdering worden overgegaan. 3 artikel 8.1.7c, eerste lid Het bevoegd gezag maakt de beslissing tot verwijdering van een student of vavo-student schriftelijk en voorzien van een deugdelijke motivering aan hem bekend. Indien de student of vavo-student jonger dan 18 jaar is, maakt het bevoegd gezag de beslissing ook aan de ouders, voogden of verzorgers schriftelijk bekend. Voorafgaand daaraan kan de student of vavo-student worden geschorst. Deze schorsing kan de duur, bedoeld in, overschrijden. Het bevoegd gezag gaat in geval van schorsing na op welke andere manier de betrokken student of vavo-student onderwijs kan blijven volgen. 4 artikel 69 van de Wet administratieve rechtspraak BES Op een bezwaarschrift tegen een beslissing over verwijdering van een student of vavo-student beslist het bevoegd gezag, voor zover het een openbare instelling betreft in afwijking van, binnen vier weken na ontvangst van het bezwaarschrift. Voorafgaand daaraan wordt de student of vavo-student in de gelegenheid gesteld te worden gehoord en kennis te nemen van de adviezen en rapporten over die beslissing. Is de student of vavo-student jonger dan 18 jaar, dan komen deze rechten ook toe aan diens ouders, voogden of verzorgers. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het verwijderen van studenten en vavo-studenten. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-08-2024
Artikel 8.1.8 — Artikel 8.1.8 Melding in verband met voortijdig schoolverlaten niet-leerplichtigen#
Artikel 8.1.8 Melding in verband met voortijdig schoolverlaten niet-leerplichtigen 1 Het bevoegd gezag doet onverwijld opgave aan het bestuurscollege van het openbaar lichaam waar de betrokkene woon- of verblijfplaats heeft van de gegevens van degene: a. Leerplichtwet BES op wie deniet meer van toepassing is en die de leeftijd van 25 jaren nog niet heeft bereikt, b. artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e artikel 2.4 artikel 2.5 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 die niet in het bezit is van een diploma van een opleiding als bedoeld in, dan wel een diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs of hoger algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld inonderscheidenlijk, en c. die: 1° artikel 8.1.7, negende lid het onderwijs aan de instelling gedurende een aaneengesloten periode van ten minste een maand of een door het bevoegd gezag te bepalen kortere periode zonder geldige reden, waaronder in ieder geval de redenen, bedoeld in, worden verstaan, niet meer volgt, of 2° bij de instelling wordt in- of uitgeschreven of van de instelling wordt verwijderd. 2 Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van het eerste lid. 3 Bij de verwerking van gegevens, bedoeld in dit artikel, wordt het persoonsgebonden nummer BES van de betrokkene gebruikt. 4 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van de verstrekking van gegevens op grond van het eerste lid en wordt een nadere specificatie gegeven van de gegevens die op grond van het eerste lid worden verstrekt. 5 artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens BES De gegevens die worden verstrekt op grond van het eerste lid kunnen persoonsgegevens als bedoeld inomvatten, met uitzondering van gegevens over ras, politieke gezindheid, seksueel leven of het lidmaatschap van een vakvereniging, voor zover deze persoonsgegevens noodzakelijk zijn met het oog op de informatieverstrekking over de achtergronden van het verzuim. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 8.2.1 — Artikel 8.2.1 Vooropleidingseisen#
Artikel 8.2.1 Vooropleidingseisen 1 artikel 7.2.2, eerste lid artikel 8.2.2 Vereiste voor inschrijving voor een middenkaderopleiding als bedoeld in, is met inachtneming van het bepaalde krachtenshet bezit van: a. een diploma lager beroepsonderwijs, een diploma voorbereidend beroepsonderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de kaderberoepsgerichte leerweg, b. een diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de theoretische leerweg, c. een diploma mavo-vbo, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de gemengde leerweg, d. een bewijs dat de eerste drie leerjaren van een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs met gunstig gevolg zijn doorlopen, e. een ander bij ministeriële regeling aangewezen diploma of bewijsstuk, f. artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b een diploma basisberoepsopleiding, bedoeld in, of g. artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel c een diploma vakopleiding, bedoeld in. 2 artikel 7.2.2, eerste lid Vereiste voor inschrijving voor een specialistenopleiding als bedoeld in, is het bezit van een diploma vakopleiding voor eenzelfde beroep of beroepencategorie. 3 artikel 7.2.2, eerste lid artikel 8.2.2 Vereiste voor inschrijving voor een vakopleiding als bedoeld in, is met inachtneming van het bepaalde krachtenshet bezit van: a. een diploma lager beroepsonderwijs, een diploma voorbereidend beroepsonderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de kaderberoepsgerichte leerweg, b. een diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de theoretische leerweg, c. een diploma mavo-vbo, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de gemengde leerweg, d. een bewijs dat de eerste drie leerjaren van een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs met gunstig gevolg zijn doorlopen, e. een ander bij ministeriële regeling aangewezen diploma of bewijsstuk, of f. artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b een diploma basisberoepsopleiding, bedoeld in. 4 artikel 7.2.2, eerste lid artikel 8.2.2 Vereiste voor inschrijving voor een basisberoepsopleiding als bedoeld in, is met inachtneming van het bepaalde krachtenshet bezit van: a. een diploma lager beroepsonderwijs, een diploma voorbereidend beroepsonderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de basisberoepsgerichte leerweg of de kaderberoepsgerichte leerweg, b. een diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de theoretische leerweg, c. een diploma mavo-vbo, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de gemengde leerweg, d. een bewijs dat de eerste drie leerjaren van een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs met gunstig gevolg zijn doorlopen, e. een ander bij ministeriële regeling aangewezen diploma of bewijsstuk, of f. artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a een diploma entreeopleiding, bedoeld in. 5 Voor de inschrijving voor een opleiding educatie gelden geen vooropleidingseisen. 6 Het bevoegd gezag kan in bijzondere gevallen personen die niet voldoen aan de vooropleidingseis voor een basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding, vrijstellen van die vooropleidingseis, indien zij bij een onderzoek hebben blijk gegeven van geschiktheid voor het desbetreffende onderwijs. 2013 288 12-07-2013 26-06-2013 33187 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026 Abusievelijk is een wijziging geformuleerd die niet kan worden doorgevoerd.
Artikel 8.2.2 — Artikel 8.2.2 Nadere vooropleidingseisen#
Artikel 8.2.2 Nadere vooropleidingseisen 1 In dit artikel en de daarop gebaseerde regelgeving wordt onder «diploma» verstaan: a. het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, b. het diploma voorbereidend beroepsonderwijs, c. het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs – voorbereidend beroepsonderwijs, of d. de diploma's voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs. 2 artikel 8.2.1 artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e artikelen 2.25 2.26 2.27 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Onverminderdkan een instelling voor de toelating tot een beroepsopleiding als bedoeld in, nadere vooropleidingseisen stellen, inhoudende dat het diploma van de student voldoet aan de profielen, bedoeld in de,en, alsmede dat vakken en andere programmaonderdelen die deel hebben uitgemaakt van het examen ter verkrijging van een diploma. 3 Indien een instelling gebruikt maakt van de bevoegdheid bedoeld in het tweede lid kunnen uitsluitend nadere vooropleidingseisen worden gesteld die bij ministeriële regeling kunnen worden aangewezen, waarbij onderscheid kan worden gemaakt naar categorieën van studenten, dan wel kan worden bepaald dat de nadere vooropleidingseisen niet van toepassing zijn op categorieën van studenten. 4 Het aanwijzen van de in het derde lid bedoelde nadere vooropleidingseisen vindt plaats op voorstel van organisaties in het voortgezet onderwijs, vertegenwoordigers van de instellingen en de raad. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 8.2.2a — Artikel 8.2.2a Aanvullende eisen#
Artikel 8.2.2a Aanvullende eisen 1 Wet voortgezet onderwijs 2020 artikelen 8.2.1 8.2.2 Indien de uitoefening van het beroep of de beroepen waarop een opleiding voorbereidt, dan wel de organisatie en de inrichting van het onderwijs, specifieke eisen stellen ten aanzien van kennis of vaardigheden die niet of niet in voldoende mate onderdeel zijn van het voortgezet onderwijs, bedoeld in de, respectievelijk specifieke eisen stellen ten aanzien van de eigenschappen van de deelnemer, kunnen bij ministeriële regeling opleidingen worden aangewezen die op daarbij aangegeven gronden eisen kunnen stellen in aanvulling op de eisen, bedoeld in deen. 2 Het bevoegd gezag stelt een regeling vast voor de selectiecriteria en de selectieprocedure en stelt deze uiterlijk 1 februari voorafgaand aan het studiejaar waar deze voor geldt, voor een ieder beschikbaar. De selectiecriteria kunnen uitsluitend eisen bevatten die direct verband houden met de gronden, bedoeld in het eerste lid. 3 Bij de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, kunnen tevens voorschriften van procedurele aard worden vastgesteld. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 8.3.1 — Artikel 8.3.1 Loopbaanbegeleiding gedurende de inschrijving en na diplomering#
Artikel 8.3.1 Loopbaanbegeleiding gedurende de inschrijving en na diplomering 1 Loopbaanbegeleiding als bedoeld in dit artikel en de daarop berustende bepalingen omvat advisering en ondersteuning bij de overstap naar vervolgonderwijs of de arbeidsmarkt. 2 Het bevoegd gezag biedt loopbaanbegeleiding aan tijdens de opleiding en tot een jaar na diplomering. 3 Het bevoegd gezag doet een aanbod van loopbaanbegeleiding aan de student of gediplomeerde van de entreeopleiding of de beroepsopleidende leerweg van de basisberoepsopleiding, met uitzondering van de gediplomeerde met een aansluitende inschrijving voor vervolgonderwijs. 4 Het bevoegd gezag kan loopbaanbegeleiding bieden aan de student of gediplomeerde van de beroepsbegeleidende leerweg van de basisberoepsopleiding of aan de student of gediplomeerde van de vakopleiding, de middenkaderopleiding of de specialistenopleiding. 5 Het bevoegd gezag stelt beleid vast met betrekking tot de loopbaanbegeleiding dat in elk geval de voorwaarden bevat voor de student of gediplomeerde, bedoeld in het vierde lid, om in aanmerking te komen voor loopbaanbegeleiding. 6 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van het beleid, bedoeld in het vijfde lid, en de invulling van de loopbaanbegeleiding. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 8.4.1 — Artikel 8.4.1 Samenwerkingsovereenkomst leer-werktrajecten vmbo#
Artikel 8.4.1 Samenwerkingsovereenkomst leer-werktrajecten vmbo 1 artikel 2.103 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Wet voortgezet onderwijs 2020 Leer-werktrajecten als bedoeld inworden verzorgd op grondslag van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van een instelling en het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de. 2 artikel 2.104 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, voldoet aan. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 8.4.2 — Artikel 8.4.2 Samenwerkingsovereenkomst entreeopleiding in het vmbo#
Artikel 8.4.2 Samenwerkingsovereenkomst entreeopleiding in het vmbo 1 artikel 2.102, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Wet voortgezet onderwijs 2020 De entreeopleiding, bedoeld in, wordt verzorgd op grondslag van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van een instelling en het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de. 2 artikel 2.102, vijfde lid en zevende lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, voldoet aan het gestelde bij of krachtens. 2013 288 12-07-2013 26-06-2013 33187 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026 Abusievelijk is voor het eerste lid een wijziging geformuleerd die
niet kan worden doorgevoerd.
Artikel 8.4.3 — Artikel 8.4.3 Samenwerkingsovereenkomst geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding#
Artikel 8.4.3 Samenwerkingsovereenkomst geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding 1 artikel 2.107l van de Wet voortgezet onderwijs 2020 artikel 2.7 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 De geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding, bedoeld in, wordt verzorgd op grond van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van een instelling en het bevoegd gezag van een school voor voorbereidend beroepsonderwijs als bedoeld in. 2 artikel 2.107l artikel 2.107b van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, voldoet aanin samenhang met. 3 Titel 8.4a van overeenkomstige toepassing op een geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022 Abusievelijk is voor het tweede lid een wijzigingsopdracht
geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 8.4a.1 — Artikel 8.4a.1 Begripsbepaling#
Artikel 8.4a.1 Begripsbepaling artikel 2.6 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 artikel 2.7 van die wet In deze titel wordt verstaan onder school: school voor mavo als bedoeld inof school voor vbo als bedoeld in. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 8.4a.2 — Artikel 8.4a.2 Doorlopende leerroutes vmbo-mbo#
Artikel 8.4a.2 Doorlopende leerroutes vmbo-mbo 1 artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, c en d Het bevoegd gezag van een instelling kan een beroepsopleiding als bedoeld in, aanbieden in een doorlopende leerroute vmbo-mbo. 2 artikel 2.58, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Een doorlopende leerroute vmbo-mbo is een onderwijsprogramma vanaf het derde leerjaar aan een school, dat opleidt tot zowel een diploma vmbo als bedoeld inals het diploma van een basisberoepsopleiding, vakopleiding of middenkaderopleiding. 3 In een doorlopende leerroute vmbo-mbo worden tot één onderwijsprogramma geïntegreerd: a. de basisberoepsgerichte leerweg en een basisberoepsopleiding in een aanverwant opleidingsdomein BES of een aanverwante kwalificatie; b. de kaderberoepsgerichte leerweg en een vakopleiding in een aanverwant opleidingsdomein BES of een aanverwante kwalificatie; c. de kaderberoepsgerichte, gemengde of theoretische leerweg en een middenkaderopleiding in een aanverwant opleidingsdomein BES of een aanverwante kwalificatie. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 8.4a.3 — Artikel 8.4a.3 Samenwerkingsovereenkomst instelling en school doorlopende leerroute vmbo-mbo#
Artikel 8.4a.3 Samenwerkingsovereenkomst instelling en school doorlopende leerroute vmbo-mbo 1 Een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt verzorgd door het bevoegd gezag van een instelling en het bevoegd gezag van een school gezamenlijk op grond van een samenwerkingsovereenkomst. 2 artikel 2.107b, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid voldoet aan. 3 artikel 2.107b, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Indien het bevoegd gezag zowel de instelling als de school in stand houdt, regelt het bevoegd gezag op overeenkomstige wijze de onderwerpen, genoemd in, met uitzondering van de onderdelen h en i van dat lid. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 8.4a.4 — Artikel 8.4a.4 Melden doorlopende leerroute vmbo-mbo#
Artikel 8.4a.4 Melden doorlopende leerroute vmbo-mbo Het bevoegd gezag van een instelling en het bevoegd gezag van een school melden gezamenlijk aan Onze Minister dat zij een doorlopende leerroute vmbo-mbo aanbieden. 2020 157 05-06-2020 20-05-2020 35336 2020 208 26-06-2020 17-06-2020 01-08-2020
Artikel 8.4a.5 — Artikel 8.4a.5 Inrichting doorlopende leerroute#
Artikel 8.4a.5 Inrichting doorlopende leerroute 1 artikel 8.1.1, eerste lid Aan een leerling van een school kunnen delen van het onderwijsprogramma van de doorlopende leerroute vmbo-mbo en examens worden aangeboden die behoren tot de beroepsopleiding die deel uitmaakt van die doorlopende leerroute, zonder inschrijving als bedoeld in. 2 Een student in de doorlopende leerroute vmbo-mbo kan in de gelegenheid worden gesteld om delen van het onderwijsprogramma te volgen en examens af te leggen die behoren tot het voortgezet onderwijs dat deel uitmaakt van die doorlopende leerroute. 2020 157 05-06-2020 20-05-2020 35336 2020 157 05-06-2020 20-05-2020 35336 2020 208 26-06-2020 17-06-2020 01-08-2020
Artikel 8.4a.6 — Artikel 8.4a.6 Overeenkomst instelling en leerling#
Artikel 8.4a.6 Overeenkomst instelling en leerling Vervallen 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-08-2023
Artikel 8.4a.7 — Artikel 8.4a.7 Inschrijving bij de instelling#
Artikel 8.4a.7 Inschrijving bij de instelling 1 artikel 8.1.3, eerste lid De leerling van een school die een doorlopende leerroute vmbo-mbo volgt wordt met ingang van het derde studiejaar van die doorlopende leerroute vmbo-mbo ingeschreven als student aan de instelling die het beroepsonderwijs binnen de doorlopende leerroute vmbo-mbo verzorgt. In afwijking van, eerste volzin, overlegt de school de gegevens, bedoeld in die volzin. 2 artikel 7.4.10 Voor de inschrijving, bedoeld in het eerste lid, is het studentenstatuut, bedoeld in, reeds van toepassing op een leerling van een school die een doorlopende leerroute vmbo-mbo volgt. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-08-2023
Artikel 8.4a.8 — Artikel 8.4a.8 Verantwoordelijkheid van de instelling#
Artikel 8.4a.8 Verantwoordelijkheid van de instelling 1 Het bevoegd gezag van de instelling draagt de gehele studieduur van de doorlopende leerroute vmbo-mbo zorg voor: a. de uitvoering van delen van het onderwijsprogramma die behoren tot de beroepsopleiding die deel uitmaakt van de doorlopende leerroute vmbo-mbo, met inbegrip van de beroepspraktijkvorming; b. de examinering en diplomering betreffende de beroepsopleiding die deel uitmaakt van de doorlopende leerroute vmbo-mbo. 2 artikelen 2.3.3 2.3.4, eerste, vierde en achtste tot en met twaalfde lid artikelen 10 12 14 15 25 van de Wet register onderwijsdeelnemers Ten aanzien van de onderdelen van een doorlopende leerroute vmbo-mbo, bedoeld in het eerste lid, die in het eerste of tweede studiejaar van die route plaatsvinden, is van overeenkomstige toepassing hetgeen is bepaald bij of krachtens deen, alsmede het bepaalde bij of krachtens de,,,en. 3 Artikel 7.4.10a artikel is 8.4a.3 artikel 7.4.10a, vierde lid, onderdeel a is van overeenkomstige toepassing op klachten over met de doorlopende leerroute vmbo-mbo verband houdende gedragingen en beslissingen van het bevoegd gezag van de school waarmee een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld inis gesloten, of van het personeel van dat bevoegd gezag. Onverminderd, maakt de voorzitter van de klachtencommissie geen deel uit van dat bevoegd gezag en is hij niet werkzaam voor of bij dat bevoegd gezag. 2020 157 05-06-2020 20-05-2020 35336 2020 208 26-06-2020 17-06-2020 01-08-2020
Artikel 8.4a.9 — Artikel 8.4a.9 Onderwijs- en examenregeling#
Artikel 8.4a.9 Onderwijs- en examenregeling 1 artikel 7.4.9, eerste lid In het kader van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in, die wordt opgesteld ten aanzien van een doorlopende leerroute, beschrijft het bevoegd gezag van de instelling samen met het bevoegd gezag van de school voor de gehele doorlopende leerroute vmbo-mbo het onderwijsprogramma en de examinering per studiejaar. Daarbij wordt vermeld welke onderdelen van het onderwijsprogramma en van het examen: a. voortgezet onderwijs betreffen, en welk deel daarbinnen vakoverstijgend is; b. beroepsonderwijs betreffen; c. een combinatie van voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs betreffen, en welk deel daarbinnen voortgezet onderwijs onderscheidenlijk beroepsonderwijs betreft. 2 artikel 8.4a.13 Bij de beschrijving van het onderwijsprogramma wordt tevens vermeld bij welk deel gebruik wordt gemaakt van de teambevoegdheid, bedoeld in. 2020 157 05-06-2020 20-05-2020 35336 2020 208 26-06-2020 17-06-2020 01-08-2020
Artikel 8.4a.10 — Artikel 8.4a.10 Studieduur doorlopende leerroute vmbo-mbo#
Artikel 8.4a.10 Studieduur doorlopende leerroute vmbo-mbo 1 artikel 7.2.4a, derde lid, onderdelen b tot en met d, en vierde lid artikelen 2.6, derde lid 2.7, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 In afwijking van, en van de, enbedraagt de studieduur van een doorlopende leerroute vmbo-mbo vanaf het derde leerjaar aan een school: a. voor een doorlopende leerroute vmbo-mbo die opleidt tot het diploma van een eenjarige basisberoepsopleiding ten minste twee en ten hoogste drie volledige studiejaren; b. voor een doorlopende leerroute vmbo-mbo die opleidt tot het diploma van een tweejarige basisberoepsopleiding of tweejarige vakopleiding ten minste drie en ten hoogste vier volledige studiejaren; c. voor een doorlopende leerroute vmbo-mbo die opleidt tot het diploma van een driejarige vakopleiding of de middenkaderopleiding ten minste vier en ten hoogste vijf volledige studiejaren; d. artikel 7.2.4a, vierde lid voor een doorlopende leerroute vmbo-mbo die opleidt tot het diploma van een middenkaderopleiding als bedoeld in, ten minste vijf en ten hoogste zes volledige studiejaren. 2 Wet voortgezet onderwijs BES Ten aanzien van de opleiding voorbereidend beroepsonderwijs of middelbaar algemeen voortgezet onderwijs die deel uitmaakt van een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt onder «studieduur» mede verstaan «cursusduur als bedoeld in de» en wordt onder «volledig studiejaar» mede verstaan «jaar». 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 8.4a.11 — Artikel 8.4a.11 Onderwijstijd doorlopende leerroute vmbo-mbo (BOL)#
Artikel 8.4a.11 Onderwijstijd doorlopende leerroute vmbo-mbo (BOL) 1 artikel 2.38, derde en vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 artikel 7.2.6, derde lid, onderdelen b, c en d, en achtste lid In afwijking vanen, omvat het gehele onderwijsprogramma van een doorlopende leerroute vmbo-mbo waarvan een beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg deel uitmaakt: a. bij een studieduur van twee volledige studiejaren ten minste 2.000 klokuren, waarvan ten minste 1.400 begeleide onderwijsuren en ten minste 250 klokuren aan beroepspraktijkvorming; b. bij een studieduur van drie volledige studiejaren ten minste 3.000 klokuren, waarvan ten minste 2.400 begeleide onderwijsuren en ten minste 250 klokuren aan beroepspraktijkvorming; c. bij een studieduur van vier volledige studiejaren ten minste 4.000 klokuren, waarvan ten minste 2.950 begeleide onderwijsuren en ten minste 450 klokuren aan beroepspraktijkvorming; d. bij een studieduur van vijf volledige studiejaren ten minste 5.000 klokuren, waarvan ten minste 3.500 begeleide onderwijsuren en ten minste 900 klokuren aan beroepspraktijkvorming; e. bij een studieduur van zes volledige studiejaren ten minste 6.000 klokuren, waarvan ten minste 4.050 begeleide onderwijsuren en ten minste 1.350 klokuren aan beroepspraktijkvorming. 2 artikel 2.3.2 artikel 1.4.1, eerste lid Het bevoegd gezag van de instelling en het bevoegd gezag van de school kunnen gezamenlijk een onderwijsprogramma verzorgen dat minder uren omvat dan de in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, genoemde aantallen mits de opleiding aantoonbaar van voldoende kwaliteit is. In het geval het onderwijsprogramma minder uren omvat, legt het bevoegd gezag hierover verantwoording af in het jaarverslag, bedoeld in, dan wel, bij toepassing van, in het verslag, bedoeld in artikel 1.4.1, zevende lid. 3 artikel 2.38 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Ten aanzien van het derde studiejaar van een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt onder begeleide onderwijsuren mede verstaan: onderwijstijd als bedoeld in. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 8.4a.12 — Artikel 8.4a.12 Onderwijstijd doorlopende leerroute vmbo-mbo (BBL)#
Artikel 8.4a.12 Onderwijstijd doorlopende leerroute vmbo-mbo (BBL) 1 artikel 2.38, derde en vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 artikel 7.2.6, vierde lid, eerste volzin artikel 8.1.1, vijfde lid In afwijking vanen, en onverminderd, omvat het gehele onderwijsprogramma van een doorlopende leerroute vmbo-mbo waarvan een beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg deel uitmaakt: a. bij een studieduur van twee volledige studiejaren ten minste 1.850 klokuren, waarvan ten minste 900 begeleide onderwijsuren en ten minste 610 klokuren aan beroepspraktijkvorming; b. bij een studieduur van drie volledige studiejaren ten minste 2.850 klokuren, waarvan ten minste 2.200 begeleide onderwijsuren en ten minste 610 klokuren aan beroepspraktijkvorming; c. bij een studieduur van vier volledige studiejaren 3.700 klokuren, waarvan ten minste 2.400 begeleide onderwijsuren en ten minste 1.220 klokuren aan beroepspraktijkvorming; d. bij een studieduur van vijf volledige studiejaren ten minste 4.550 klokuren, waarvan ten minste 2.600 begeleide onderwijsuren en ten minste 1.830 klokuren aan beroepspraktijkvorming; e. bij een studieduur van zes volledige studiejaren ten minste 5.400 klokuren, waarvan ten minste 2.800 begeleide onderwijsuren en ten minste 2.300 klokuren aan beroepspraktijkvorming. 2 artikel 2.3.2 artikel 1.4.1, eerste lid Het bevoegd gezag van de instelling en het bevoegd gezag van de school kunnen gezamenlijk een onderwijsprogramma verzorgen dat minder uren omvat dan de in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, genoemde aantallen mits de opleiding aantoonbaar van voldoende kwaliteit is. In het geval het onderwijsprogramma minder uren omvat, legt het bevoegd gezag hierover verantwoording af in het jaarverslag, bedoeld in, dan wel, bij toepassing van, in het verslag, bedoeld in artikel 1.4.1, zevende lid. 3 artikel 2.38 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Ten aanzien van het derde studiejaar van een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt onder begeleide onderwijsuren mede verstaan: onderwijstijd als bedoeld in. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 8.4a.13 — Artikel 8.4a.13 Teambevoegdheid#
Artikel 8.4a.13 Teambevoegdheid artikel 8.4a.9, eerste lid, onderdeel a artikel 7.13a van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Voor de vakoverstijgende delen van het onderwijsprogramma, bedoeld in, en voor de delen van het onderwijsprogramma die een combinatie van voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs betreffen, als bedoeld 8.4a.9, onderdeel c, kan, voor zover wordt voldaan aan, worden gewerkt met teams die verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van dat deel van het onderwijsprogramma. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 8.4a.14 — Artikel 8.4a.14 Overstapoptie#
Artikel 8.4a.14 Overstapoptie 1 Indien deelname van de student aan een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt beëindigd voordat hij deze met succes heeft afgerond wordt hij door het bevoegd gezag van de instelling en het bevoegd gezag van de school in staat gesteld een vmbo-diploma of het diploma van een beroepsopleiding te behalen, passend bij het naar het gezamenlijk oordeel van beide betrokken bevoegde gezagsorganen bereikte onderwijsniveau en de leeftijd van de student. 2 artikelen 8.1.1b 8.2.1 8.2.2 8.2.2a Indien de student ingevolge het eerste lid een diploma van een beroepsopleiding wil behalen bij dezelfde instelling, zijn de,,enniet van toepassing. 3 Het eerste lid is niet van toepassing indien de student definitief van de instelling wordt verwijderd. 2020 157 05-06-2020 20-05-2020 35336 2020 157 05-06-2020 20-05-2020 35336 2020 208 26-06-2020 17-06-2020 01-08-2020
Artikel 8.4a.15 — Artikel 8.4a.15 Overdracht bekostiging in het kader van een doorlopende leerroute vmbo-mbo#
Artikel 8.4a.15 Overdracht bekostiging in het kader van een doorlopende leerroute vmbo-mbo artikel 8.4a.3 Het bevoegd gezag van de instelling kan met het bevoegd gezag van de school waarmee een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in, overeenkomen om vanwege een doorlopende leerroute vmbo-mbo een deel van de rijksbijdrage over te dragen aan dat andere bevoegd gezag. 2020 157 05-06-2020 20-05-2020 35336 2020 208 26-06-2020 17-06-2020 01-08-2020
Artikel 8.4a.16 — Artikel 8.4a.16 Artikelen die buiten toepassing blijven voor de doorlopende leerroute vmbo-mbo#
Artikel 8.4a.16 Artikelen die buiten toepassing blijven voor de doorlopende leerroute vmbo-mbo artikelen 8.0.1 8.0.3 8.1.1b 8.1.7a 8.2.1 8.2.2 8.2.2a De,, 8.0.4,,,,enzijn niet van toepassing op een doorlopende leerroute vmbo-mbo. 2020 157 05-06-2020 20-05-2020 35336 2020 208 26-06-2020 17-06-2020 01-08-2020
Artikel 8.6.1 — Artikel 8.6.1 Samenwerkingscollege#
Artikel 8.6.1 Samenwerkingscollege Een samenwerkingscollege wordt gevormd op grondslag van een schriftelijke overeenkomst tussen de bevoegde gezagsorganen van de samenwerkende instellingen, waarbij in ieder geval afspraken zijn gemaakt over: a. de beroepsopleidingen, waaronder de soorten leerwegen, dan wel de opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs die in het samenwerkingscollege worden verzorgd, het onderwijsprogramma en de examinering van de desbetreffende opleidingen; b. de leiding van het samenwerkingscollege, waaronder de samenstelling, de wijze van benoeming en de taken en bevoegdheden die namens de deelnemende instellingen zijn opgedragen aan die leiding; c. de wijze waarop de leiding van het samenwerkingscollege inlichtingen verstrekt en verantwoording aflegt aan de bevoegde gezagsorganen van de deelnemende instellingen; d. de organisatorische en onderwijskundige inrichting van het samenwerkingscollege, waaronder de inzet van personeel en het gebruik van faciliteiten van de deelnemende instellingen; e. de toerekening van baten en lasten; f. de wijze van geschillenbeslechting tussen de deelnemende instellingen over de uitvoering van de overeenkomst, en g. de voorwaarden waaronder een andere instelling partij kan worden bij de samenwerkingsovereenkomst, de overeenkomst kan worden opgezegd of ontbonden alsmede de wijze waarop de overeenkomst overigens kan worden gewijzigd, telkens met oog voor het zoveel mogelijk beperken van de gevolgen voor de deelnemers. 2018 50 28-02-2018 14-02-2018 34691
Artikel 8.6.2 — Artikel 8.6.2 Grens aan samenwerking en meldplicht#
Artikel 8.6.2 Grens aan samenwerking en meldplicht 1 Een instelling kan een of meer beroepsopleidingen of opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs verzorgen binnen een samenwerkingscollege, zolang niet meer dan 40% van haar ingeschreven deelnemers onderwijs volgt in zo’n college. 2 Een instelling die de grens nadert, bedoeld in het eerste lid, doet daarvan onverwijld schriftelijk melding aan Onze Minister. 3 De verplichting, bedoeld in het tweede lid, is ook van toepassing op een instelling die voornemens is de samenwerking op te zeggen. 2018 50 28-02-2018 14-02-2018 34691
Artikel 8.6.3 — Artikel 8.6.3 Regeling onderwijsprogramma en examens#
Artikel 8.6.3 Regeling onderwijsprogramma en examens 1 artikel 7.4.9 De onderwijs- en examenregeling, bedoeld in, is gelijkluidend voor iedere deelnemer die een beroepsopleiding of opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs volgt aan een samenwerkingscollege, ongeacht de instelling waar hij is ingeschreven. 2 artikel 7.4.7 De bevoegde gezagsorganen van de deelnemende instellingen wijzen één examencommissie als bedoeld inaan of stellen gezamenlijk een examencommissie in voor de examinering van opleidingen die in een samenwerkingscollege worden verzorgd. 3 artikel 7.5.1 Er is slechts een commissie van beroep voor de examens als bedoeld inbevoegd voor de beoordeling van examenbeslissingen omtrent deelnemers aan een samenwerkingscollege. 2018 50 28-02-2018 14-02-2018 34691
Artikel 9.1 — Artikel 9.1 Beroep#
Artikel 9.1 Beroep 1 artikel 7, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES artikelen 54 55 van de Wet administratieve rechtspraak BES In afwijking vankan een belanghebbende beroep instellen bij het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba tegen een besluit van Onze Minister jegens een bepaalde instelling op grond van de in het tweede lid genoemde artikelen. Deenzijn van overeenkomstige toepassing. 2 Het eerste lid heeft betrekking op de artikelen: a. 1.6.1 , b. 2.2.3, eerste en derde lid , c. 2.3.11 , d. 6.2.1 tot en met 6.2.5 , e. 6.3.1 , en f. 10.2 . 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2011 34 07-03-2011 03-02-2011 17-02-2011 01-01-2011 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 9.2 — Artikel 9.2 Intreden gevolgen van toekennen van rechten na sprongberoep#
Artikel 9.2 Intreden gevolgen van toekennen van rechten na sprongberoep artikel 9.1 artikel 1.6.1 Indien de uitspraak op een beroep als bedoeld instrekt tot examinering als bedoeld in, of registratie in de Registratie instellingen en opleidingen, treden de gevolgen daarvan in met ingang van het studiejaar dat aanvangt in het jaar waarin de uitspraak is gedaan. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-01-2023
Artikel 10.1 — Artikel 10.1 Aanwijzing#
Artikel 10.1 Aanwijzing 1 Onze Minister kan het bevoegd gezag een aanwijzing tot het nemen van een of meer maatregelen geven, indien sprake is van wanbeheer. 2 Onze Minister is bevoegd de aanwijzing te geven tot en met een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 3 Onder wanbeheer wordt verstaan: a. financieel wanbeleid; b. artikel 1.3.2 het in ernstige mate of langdurig nalaten om, in ieder geval in strijd met, maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en de goede voortgang van het onderwijs, waaronder de deugdelijke afsluiting daarvan; c. het door een bestuurder of toezichthouder ongerechtvaardigd verrijken van het bevoegd gezag, zichzelf of een derde; d. het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen waarmee financieel voordeel wordt behaald ten gunste van het bevoegd gezag, zichzelf of een derde. 4 Onze Minister motiveert in de aanwijzing waarom het doel van de aanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt. 5 De aanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd. 2023 212 21-06-2023 07-06-2023 35920 2023 213 21-06-2023 19-06-2023 01-08-2023
Artikel 10.1a — Artikel 10.1a Spoedaanwijzing#
Artikel 10.1a Spoedaanwijzing 1 Onze Minister kan het bevoegd gezag een spoedaanwijzing tot het nemen van een of meer voorlopige maatregelen geven, indien: a. het bevoegd gezag tekortschiet in de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet; b. artikel 10.1, tweede lid uit dat tekortschieten of mede uit dat tekortschieten een wezenlijk vermoeden van wanbeheer als bedoeld in, volgt; en c. dat is vereist in verband met onverwijlde spoed. 2 Onze Minister motiveert in de spoedaanwijzing waarom het doel van de spoedaanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt. 3 De spoedaanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd. 4 De spoedaanwijzing bepaalt de duur waarvoor zij geldt. Deze geldigheidsduur bedraagt ten hoogste zes maanden. Onze Minister kan de geldigheidsduur eenmalig verlengen met ten hoogste zes maanden. Op een verlengingsbesluit is het eerste lid van overeenkomstige toepassing. 5 Onze Minister informeert de beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld nadat toepassing is gegeven aan het eerste lid. 2023 212 21-06-2023 07-06-2023 35920 2023 213 21-06-2023 19-06-2023 01-08-2023
Artikel 10.2 — Artikel 10.2 Inhouding bekostiging#
Artikel 10.2 Inhouding bekostiging 1 artikel 10.1 artikel 10.1a Indien het bevoegd gezag in strijd handelt met het bepaalde bij of krachtens deze wet of een aanwijzing als bedoeld inof een spoedaanwijzing als bedoeld inniet opvolgt, kan Onze Minister de rijksbijdrage, voorschotten daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk inhouden dan wel opschorten. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien het bevoegd gezag of het personeel van een school de inspectie bij de uitoefening van zijn bevoegdheden niet alle medewerking heeft verleend die de inspectie redelijkerwijs kan vorderen binnen een door hem gestelde redelijke termijn. Zij die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het verlenen van medewerking weigeren, voor zover dit uit hun geheimhoudingsplicht voorvloeit. 3 Onze Minister kan de rijksbijdrage wederom toekennen, indien blijkt dat de reden voor de toepassing van het eerste of tweede lid is vervallen. 2023 212 21-06-2023 07-06-2023 35920 2023 213 21-06-2023 19-06-2023 01-08-2023
Artikel 10.3 — Artikel 10.3 Bestuurlijke boete niet-gerechtigd aanduiden beroepsopleiding#
Artikel 10.3 Bestuurlijke boete niet-gerechtigd aanduiden beroepsopleiding 1 Het is anderen dan de instellingen die daartoe ingevolge deze wet zijn gerechtigd, verboden om: a. een beroepsopleiding in de zin van deze wet te verzorgen of aan te bieden; b. een examen in de zin van deze wet af te nemen of aan te bieden; c. artikel 7.4.8 artikel 7.2.3 artikel 7.4.8a een diploma als bedoeld in, een certificaat als bedoeld inof een mbo-verklaring als bedoeld in, af te geven of in het vooruitzicht te stellen. d. artikel 7.4.8 artikel 7.2.3 artikel 7.4.8a ten onrechte de indruk te wekken dat een activiteit onderwijs of examinering in de zin van deze wet betreft, dan wel kan leiden tot een diploma als bedoeld in, een certificaat als bedoeld inof een mbo-verklaring als bedoeld in. 2 Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen aan degene die handelt in strijd met het eerste lid. 3 artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES De bestuurlijke boete, bedoeld in het tweede lid, bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld inof, indien dat passender is, ten hoogste 10% van de omzet van de onderneming, onderscheidenlijk, indien de overtreding door een ondernemersvereniging is begaan, van de gezamenlijke omzet van de ondernemingen die van de vereniging deel uitmaken, in het boekjaar voorafgaande aan het besluit waarin de bestuurlijke boete wordt opgelegd. 2023 212 21-06-2023 07-06-2023 35920 2023 213 21-06-2023 19-06-2023 01-08-2023
Artikel 10a.1 — Artikel 10a.1 Ruimte voor innovatie#
Artikel 10a.1 Ruimte voor innovatie 1 Met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het beroepsonderwijs kan bij wijze van experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van: – titel 2 van hoofdstuk 2 , – hoofdstuk 6 , en – hoofdstuk 7 . 2 In geval van toepassing van het eerste lid worden bij algemene maatregel van bestuur in ieder geval bepaald: De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. a. het doel van het experiment, b. op welke wijze van welke artikelen van de in het eerste lid genoemde hoofdstukken, titels of paragrafen wordt afgeweken, c. de duur van het experiment, en d. op welke wijze en aan de hand van welke criteria de met het experiment beoogde effecten worden geëvalueerd. 3 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van een experiment. 4 Een experiment duurt ten hoogste zes jaar. Indien, voordat een experiment is afgelopen, een voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling, kan Onze Minister het experiment verlengen tot het tijdstip waarop het wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking treedt. 5 Onze Minister zendt drie maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, evenals een standpunt over de voortzetting van die algemene maatregel van bestuur, anders dan een voortzetting als experiment. 6 Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, kan bij wijze van experiment tevens worden afgeweken van: a. artikel 1 van de Leerplichtwet BES ; b. artikel 1.1 van de Wet studiefinanciering BES ; en c. hoofdstukken 1 tot en met 4 van de Wet NLQF de. 7 Wet voortgezet onderwijs 2020 hoofdstuk 3, paragrafen 7 10 hoofdstukken 4 6 9 hoofdstuk 11, paragrafen 4 6, van die wet Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband tussen een instelling en een school als bedoeld in deof een instelling als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Bij samenwerking met een school als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 kan voor die school worden afgeweken van de Wet voortgezet onderwijs 2020, met uitzondering vanen, de,enenen. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, wordt geregeld welke bij of krachtens de Wet voortgezet onderwijs 2020 onderscheidenlijk devastgestelde voorschriften van toepassing of van overeenkomstige toepassing zijn op de samenwerking. 2024 223 24-07-2024 26-06-2024 36341 2024 314 28-10-2024 22-10-2024 01-01-2025
Artikel 11.1 — Artikel 11.1 Erkenning en bekostiging#
Artikel 11.1 Erkenning en bekostiging 1 De opleidingen die in het schooljaar 2008–2009 werden erkend en bekostigd als secundair beroepsonderwijs in de zin van de Landsverordening secundair beroepsonderwijs en educatie, worden met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, aangemerkt als erkende en bekostigde opleidingen voor beroepsonderwijs. 2 De niet bekostigde opleidingen die op de dag voorafgaand aan het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel, op grond van artikel 3 van de Landsverordening secundair beroepsonderwijs en educatie, of de Wet educatie en beroepsonderwijs BES zoals die wet op 10 oktober 2010 is komen te luiden, zijn aangewezen als beroepsonderwijs, worden aangemerkt als erkende niet bekostigde opleidingen voor beroepsonderwijs. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2011 34 07-03-2011 03-02-2011 17-02-2011 01-01-2011 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 11.1a — Artikel 11.1a Overgangsregeling bekostiging#
Artikel 11.1a Overgangsregeling bekostiging artikel 2.2.2 Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2011 34 07-03-2011 03-02-2011 17-02-2011 01-01-2011 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 11.1b — Artikel 11.1b Voorziening in de huisvesting voor het jaar 2011 tot en met een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip#
Artikel 11.1b Voorziening in de huisvesting voor het jaar 2011 tot en met een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip 1 artikel 2.2.6 artikelen 11.69 tot en met 11.80 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 In afwijking vanen met van overeenkomstige toepassingverklaring van degelden voor het jaar 2011 tot en met een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de voorschriften van het tweede tot en met zevende lid voor de voorziening in de huisvesting van uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen. 2 Onze Minister en het bestuurscollege van het openbaar lichaam zijn voor het jaar 2011 tot en met een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip gezamenlijk verantwoordelijk voor de huisvesting van uit 's Rijks kas bekostigde instellingen alsmede voor de financiering daarvan. 3 Onze Minister en het bestuurscollege van het openbaar lichaam sluiten ter invulling van de gezamenlijke verantwoordelijkheid, bedoeld in het tweede lid, namens de Staat der Nederlanden onderscheidenlijk namens het betreffende openbaar lichaam, een of meer convenanten. 4 Overeenkomstig het convenant of de convenanten, bedoeld in het derde lid, stelt Onze Minister voor elk van de openbare lichamen een plan vast, waarin de voornemens op het terrein van de huisvesting, bedoeld in het tweede lid, alsmede de financiering daarvan, op hoofdlijnen worden beschreven. 5 Onze Minister stelt de plannen, bedoeld in het vierde lid, vast in overeenstemming met het bestuurscollege van het openbaar lichaam en na overleg met de betreffende bevoegde gezagsorganen van de instellingen. 6 Onze Minister kan een of meer plannen, bedoeld in het vierde lid, in overeenstemming met het bestuurscollege van het betreffende openbaar lichaam, wijzigen. 7 De plannen dan wel een wijziging daarvan, worden aan de betrokken bevoegde gezagsorganen van de instellingen en in de Staatscourant bekend gemaakt. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 11.2 — Artikel 11.2 Benoembaarheid bevoegde docenten#
Artikel 11.2 Benoembaarheid bevoegde docenten artikel 4.2.1, eerste lid, onderdelen a en d Onverminderd, kunnen in afwijking van artikel 4.2.1, eerste lid onderdeel b, docenten worden benoemd dan wel tewerkgesteld zonder benoeming die op de dag voorafgaand aan het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel, bevoegd waren tot het geven van onderwijs op grond van de Landsverordening secundair beroepsonderwijs en educatie of van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES zoals die wet op 10 oktober 2010 is komen te luiden. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2011 34 07-03-2011 03-02-2011 01-08-2011 Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 11.3 — Artikel 11.3 Benoembaarheid onbevoegde docenten#
Artikel 11.3 Benoembaarheid onbevoegde docenten artikel 4.2.1, eerste lid, onderdelen, a en d Onverminderd, mag in afwijking van artikel 4.2.1, eerste lid, onderdeel b, gedurende een periode van vijf jaar na het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel beroepsonderwijs en educatie gegeven worden door degenen die op die dag secundair beroepsonderwijs en educatie gaven op een van de instellingen in de openbare lichamen zonder daartoe bevoegd te zijn. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2011 34 07-03-2011 03-02-2011 01-08-2011 Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 11.4 — Artikel 11.4 Benoembaarheid docenten in opleiding#
Artikel 11.4 Benoembaarheid docenten in opleiding artikel 4.2.1, eerste lid, onderdelen a en d Onverminderd, kunnen in afwijking van artikel 4.2.1, eerste lid onderdeel b, degenen die geen getuigschrift bezitten als bedoeld in artikel 4.2.1, eerste lid onderdeel b, ten eerste, maar voorafgaand aan het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel, een opleiding begonnen zijn die leidt tot een bewijs van bekwaamheid tot het geven van onderwijs als bedoeld in de Landsverordening secundair beroepsonderwijs en educatie, gedurende een periode van vijf jaar na dat tijdstip na het behalen van dit bewijs van bekwaamheid worden benoemd dan wel tewerkgesteld worden zonder benoeming tot docent in het beroepsonderwijs en educatie. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2011 34 07-03-2011 03-02-2011 01-08-2011 Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 11.5 — Artikel 11.5 Wet administratieve rechtspraak BES Toepasselijkheid#
Artikel 11.5 Wet administratieve rechtspraak BES Toepasselijkheid artikel 7.6.1, derde lid artikel 3 van de Wet administratieve rechtspraak BES Een beslissing als bedoeld in, van een bevoegd gezag van een openbare school geldt als een beschikking als bedoeld in. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419
Artikel 11.6 — Artikel 11.6 Bestrijding voortijdig schoolverlaten#
Artikel 11.6 Bestrijding voortijdig schoolverlaten Vervallen 2015 213 17-06-2015 04-06-2015 34144 2015 276 08-07-2015 29-06-2015 01-08-2015
Artikel 11.6a — Artikel 11.6a Continueren oude bepalingen voor zover de nieuwe nog niet in werking treden#
Artikel 11.6a Continueren oude bepalingen voor zover de nieuwe nog niet in werking treden Vervallen 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 11.6b — Artikel 11.6b Overgangsbepaling eindtermgerichte opleidingen#
Artikel 11.6b Overgangsbepaling eindtermgerichte opleidingen artikelen 1.1.1 1.4.1 2.2.2 7.1.2 7.1.3 7.2.2 7.2.3 7.2.4 7.2.5 7.2.6 7.2.7 7.4.2 7.4.3 .4.5 7.4.8 8.1.1 8.1.5 Het bevoegd gezag kan tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip op eindtermen gerichte beroepsopleidingen verzorgen. Op deze opleidingen zijn de,,,,,,,,,,,,, 7,,enzoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van de wijzigingen van die artikelen op grond van deze wet en de eindtermen die gelden op die dag van toepassing. 2011 560 02-12-2011 07-11-2011 32316 2011 560 02-12-2011 07-11-2011 32316 01-01-2012 Voor het eerst van toepassing op beroepsopleidingen in het studiejaar 2012-2013.
Artikel 11.6c — Artikel 11.6c Beëindiging inschrijvingen beroepsopleidingen oude stijl#
Artikel 11.6c Beëindiging inschrijvingen beroepsopleidingen oude stijl artikelen 7.2.2, eerste tot en met derde lid 7.2.6 De student die in het studiejaar voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel stond ingeschreven voor een beroepsopleiding wordt door het bevoegd gezag in de gelegenheid gesteld deze opleiding te voltooien uiterlijk in het studiejaar volgend op het studiejaar waarin de voor hem geldende studieduur is verstreken. Hierop zijn de, envan toepassing zoals die artikelen luidden vóór dat tijdstip. 2013 288 12-07-2013 26-06-2013 33187 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026 2020 234 08-07-2020 01-07-2020 35252 2025 282 21-10-2025 07-10-2025 01-01-2026
Artikel 11.6d — Artikel 11.6d Inwerkingtreding#
Artikel 11.6d Inwerkingtreding De artikelen die niet bij Besluit van 3 februari 2011, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van een aantal onderdelen van de Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Stb. 2011, 34) in werking zijn getreden, treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan, verschillend kan worden vastgesteld. 2013 432 01-11-2013 16-10-2013 33645 2013 432 01-11-2013 16-10-2013 33645 01-01-2014 Voorheen art. 11.6b*.
Artikel 11.6e — Artikel 11.6e Overgangsbepaling leden examencommissie#
Artikel 11.6e Overgangsbepaling leden examencommissie artikel 7.4.7 artikel II, onderdeel B, van de wet van 25 januari 2017 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake aanscherping van de eisen met betrekking tot examencommissies in het middelbaar beroepsonderwijs en een technische aanpassing De leden van de examencommissie, bedoeld inzoals die bepaling luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van(Stb. 2017, 43), worden aangemerkt als leden van de examencommissie, bedoeld in artikel 7.4.7 zoals luidend na inwerkingtreding van artikel II, onderdeel B, van voornoemde wet. 2017 43 15-02-2017 25-01-2017 34402
Artikel 11.6f — Artikel 11.6f Evaluatie in verband met het pseudonimiseren van het persoonsgebonden nummer van een onderwijsdeelnemer#
Artikel 11.6f Evaluatie in verband met het pseudonimiseren van het persoonsgebonden nummer van een onderwijsdeelnemer artikel 2.3.4, negende tot en met twaalfde lid Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 29 november 2017 tot wijziging van diverse onderwijswetten in verband met het pseudonimiseren van het persoonsgebonden nummer van een onderwijsdeelnemer ten behoeve van het bieden van voorzieningen in het kader van het onderwijs en de begeleiding van onderwijsdeelnemers (Stb. 508) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en effecten van, in de praktijk. 2017 508 22-12-2017 29-11-2017 34741 2018 11 01-02-2018 22-01-2018 01-02-2018
Artikel 11.6g — Artikel 11.6g Evaluatie vereenvoudiging grondslagen bekostiging#
Artikel 11.6g Evaluatie vereenvoudiging grondslagen bekostiging hoofdstuk 2, titel 2 Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 28 oktober 2020 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met vereenvoudiging van de grondslagen van de bekostiging voor personeels- en exploitatiekosten van de scholen voor voortgezet onderwijs (vereenvoudiging grondslagen bekostiging vo-scholen; Stb. 2020, 437), en vervolgens telkens na vier jaar, aan de Staten-Generaal verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de wijzigingen inde praktijk. 2020 437 13-11-2020 28-10-2020 35354 2021 432 17-09-2021 02-09-2021 01-10-2021
Artikel 11.6h — Artikel 11.6h Evaluatie in verband met wet inzake verbetering rechtsbescherming mbo-studenten#
Artikel 11.6h Evaluatie in verband met wet inzake verbetering rechtsbescherming mbo-studenten Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 23 februari 2022 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs met het oog op de verbetering van de rechtsbescherming van mbo-studenten (Stb. 2022, 134) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van die wet in de praktijk. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-08-2024
Artikel 11.7 — Artikel 11.7 Citeertitel#
Artikel 11.7 Citeertitel Deze wet wordt aangehaald als: Wet educatie en beroepsonderwijs BES. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2011 34 07-03-2011 03-02-2011 17-02-2011 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.