Wet van den 18den April 1827, op de zamenstelling der Regterlijke magt en het beleid der Justitie
- BWB-id
- BWBR0001830
- Type
- Wet
- Ministerie
- Veiligheid en Justitie
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2025-07-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0001830
- ELI
- /eli/nl/wet/1827/wet-op-de-rechterlijke-organisatie
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1827/wet-op-de-rechterlijke-organisatie/2025-07-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0001830&g=2025-07-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0001830&z=2026-06-06&g=2025-07-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0001830/2025-07-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1827/wet-op-de-rechterlijke-organisatie
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. artikel 2 gerechten: de gerechten, genoemd in; b. rechterlijke ambtenaren: 1°. de president van, de vice-presidenten van, de raadsheren in en de raadsheren in buitengewone dienst bij de Hoge Raad; 2°. de senior raadsheren, de raadsheren en de raadsheren-plaatsvervangers in de gerechtshoven; 3°. de senior rechters A, de senior rechters, de rechters en de rechters-plaatsvervangers in de rechtbanken; 4°. de procureur-generaal, de plaatsvervangend procureur-generaal, de advocaten-generaal en de advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad; 5°. artikel 130 de procureurs-generaal die het College van procureurs-generaal, bedoeld in, vormen, met uitzondering van de procureur-generaal, bedoeld in artikel 130, vierde lid; 6°. de landelijk hoofdadvocaat-generaal bij het ressortsparket alsmede de hoofdadvocaten-generaal, de senior advocaten-generaal, de advocaten-generaal en de plaatsvervangende advocaten-generaal bij het ressortsparket en het parket-generaal; 7°. de hoofdofficieren van justitie, de plaatsvervangende hoofdofficieren van justitie, de senior officieren van justitie A, de senior officieren van justitie, de officieren van justitie, de substituut-officieren van justitie, de plaatsvervangende officieren van justitie, de officieren enkelvoudige zittingen en de plaatsvervangende officieren enkelvoudige zittingen bij de arrondissementsparketten, het landelijk parket, het functioneel parket, het parket centrale verwerking openbaar ministerie en het parket-generaal; 8°. de senior-gerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs bij de gerechten; 9°. de griffier en de substituut-griffier van de Hoge Raad; 10°. de rechters in opleiding en de officieren in opleiding. c. rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast: de rechterlijke ambtenaren, genoemd in onderdeel b, onder 1° tot en met 3°; d. gerechtsambtenaren: burgerlijke rijksambtenaren op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam bij een gerecht; e. Hoge Raad: Hoge Raad der Nederlanden; f. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie; g. artikel 84 de Raad: de Raad voor de rechtspraak, bedoeld in; h. de Verordening EOM: de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie («EOM») (PbEU 2017, L 283); i. zittingscapaciteit: beschikbare zittingsruimte, beschikbare capaciteit aan rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast of beschikbare capaciteit aan gerechtsambtenaren benodigd voor de behandeling van zaken. 2021 155 31-03-2021 17-03-2021 35429 2021 221 06-05-2021 22-04-2021 07-05-2021
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 De tot de rechterlijke macht behorende gerechten zijn: a. de rechtbanken; b. de gerechtshoven; en c. de Hoge Raad. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 afdelingen 2 6 Deenzijn niet van toepassing op de Hoge Raad. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 2001 583 18-12-2001 06-12-2001 27182 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 3a — Artikel 3a#
Artikel 3a Vervallen 1938 200 28-04-1938 171 1947 H 40 30-01-1947 20-03-1947
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 Tenzij bij de wet anders is bepaald, zijn, op straffe van nietigheid, de zittingen openbaar. 2 Om gewichtige redenen kan het onderzoek ter zitting geheel of gedeeltelijk plaatsvinden met gesloten deuren. In het proces-verbaal van de zitting worden de redenen vermeld. 3 artikel 803 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Indien in zaken betreffende het personen- en familierecht of waaropvan overeenkomstige toepassing is de zitting geheel of gedeeltelijk openbaar is, worden in het proces-verbaal van de zitting de redenen daarvoor vermeld. 2012 200 09-05-2012 26-04-2012 32856 2012 290 29-06-2012 21-06-2012 01-01-2013
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 Op straffe van nietigheid geschiedt de uitspraak van vonnissen en arresten in burgerlijke zaken en strafzaken in het openbaar en bevatten deze beslissingen de gronden waarop zij berusten. 2 Op straffe van nietigheid worden de beschikkingen, vonnissen en arresten in burgerlijke zaken en strafzaken gewezen en de uitspraken in bestuursrechtelijke zaken gedaan met het in deze wet bepaalde aantal rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast. 3 Indien bij de wet is bepaald dat ook anderen dan rechterlijke ambtenaren deel uitmaken van een meervoudige kamer, zijn de beslissingen van de desbetreffende meervoudige kamer tevens nietig, indien deze beslissingen niet zijn genomen met het in deze wet bepaalde aantal personen, niet zijnde rechterlijk ambtenaar. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 5a — Artikel 5a#
Artikel 5a Vervallen 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 Het bestuur van een gerecht vormt voor het behandelen en beslissen van zaken en het beëdigen van de daartoe bij de wet aangewezen functionarissen enkelvoudige en meervoudige kamers en bepaalt de bezetting daarvan. 2 Tenzij in deze wet anders is bepaald, bestaan de meervoudige kamers uit drie rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, van wie een als voorzitter optreedt. Indien ook anderen dan rechterlijke ambtenaren deel uitmaken van een meervoudige kamer, treedt een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast op als voorzitter. 3 Het bestuur kan bepalen dat in een zaak in verband met de veiligheid van personen dan wel indien de zitting langer dan een dag zal duren, een of meer rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast zich met het oog op mogelijke vervanging van een van de leden van een meervoudige kamer gereed houden. Deze rechterlijke ambtenaren zijn bij de behandeling ter terechtzitting van die zaak aanwezig, maar nemen aan het onderzoek in en de beraadslaging en beslissing over die zaak niet deel, tenzij zij op verzoek van de voorzitter van de meervoudige kamer in de plaats treden van een van de afwezige leden. 4 Dit artikel is niet van toepassing op de Hoge Raad. 2004 215 25-05-2004 13-05-2004 28958 2004 275 24-06-2004 17-06-2004 01-07-2004
Artikel 6a — Artikel 6a#
Artikel 6a Vervallen 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 6b — Artikel 6b#
Artikel 6b Vervallen 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 6c — Artikel 6c#
Artikel 6c Vervallen 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 6d — Artikel 6d#
Artikel 6d Vervallen 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 De voorzitter van de meervoudige kamer doet in raadkamer hoofdelijk omvraag. De voorzitter geeft als laatste zijn oordeel. 2 Ieder lid is verplicht aan de besluitvorming deel te nemen. 3 artikel 14, vierde lid De rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, de rechters in opleiding en de officieren in opleiding, de senior-gerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs, de griffier, substituut-griffier en waarnemend griffiers van de Hoge Raad, gerechtsambtenaren en buitengriffiers, bedoeld in, zijn tot geheimhouding verplicht van hetgeen in de raadkamer over aanhangige zaken is geuit. 2015 456 10-12-2015 02-12-2015 34162 2016 503 16-12-2016 09-12-2016 01-01-2017 Artikel VI van Stb. 2015/456 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 7a — Artikel 7a#
Artikel 7a Vervallen 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 7b — Artikel 7b#
Artikel 7b Vervallen 1996 590 10-12-1996 29-11-1996 24220 1996 616 19-12-1996 13-12-1996 01-01-1997
Artikel 7c — Artikel 7c#
Artikel 7c Vervallen 1996 590 10-12-1996 29-11-1996 24220 1996 616 19-12-1996 13-12-1996 01-01-1997
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 Raadsheren-plaatsvervangers en rechters-plaatsvervangers kunnen door het bestuur worden opgeroepen voor de behandeling en beslissing van zaken. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 8a — Artikel 8a#
Artikel 8a Vervallen 1996 590 10-12-1996 29-11-1996 24220 1996 616 19-12-1996 13-12-1996 01-01-1997
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 De Raad kan in overeenstemming met de bij een gerechtshof of rechtbank werkzame rechterlijk ambtenaar en het bestuur van het gerecht waar hij werkzaam is, die rechterlijk ambtenaar belasten met de waarneming van een ander rechterlijk ambt bij een ander gerechtshof of andere rechtbank. 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 artikel 21b, eerste lid In elke zittingsplaats, bedoeld in, is een griffie. De griffies zijn alle werkdagen gedurende ten minste zes uren per dag geopend. 2 artikel 21b, tweede lid In een zittingsplaats als bedoeld in, is een griffie indien dat door het bestuur is bepaald. Het bestuur stelt de openingstijden van de griffies vast. 3 De openingstijden van de griffies worden vermeld in het bestuursreglement. 4 Stukken en zaken kunnen worden ingediend en gedeponeerd bij de griffie waar de zaak wordt behandeld, tenzij in het bestuursreglement anders is bepaald. 2012 313 13-07-2012 12-07-2012 32891 2012 314 13-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de orde van dienst binnen de gerechten. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 11a — Artikel 11a#
Artikel 11a Vervallen 2002 65 14-02-2002 30-01-2002 27699 2002 208 14-05-2002 26-04-2002 27699 15-05-2002
Artikel 11b — Artikel 11b#
Artikel 11b Vervallen 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 11c — Artikel 11c#
Artikel 11c Vervallen 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 De rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, de rechters in opleiding en de officieren in opleiding, de senior-gerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs en de griffier en substituut-griffier van de Hoge Raad mogen zich niet op enige wijze inlaten met partijen of hun advocaten of gemachtigden over enige voor hen aanhangige geschillen of geschillen waarvan zij weten of vermoeden dat die voor hen aanhangig zullen worden. 2015 456 10-12-2015 02-12-2015 34162 2016 503 16-12-2016 09-12-2016 01-01-2017 Artikel VI van Stb. 2015/456 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 12a — Artikel 12a#
Artikel 12a Vervallen 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 artikel 14, vierde lid De rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, de rechters in opleiding en de officieren in opleiding, de senior-gerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs, de griffier, substituut-griffier en waarnemend griffiers van de Hoge Raad, gerechtsambtenaren en buitengriffiers, bedoeld in, zijn verplicht tot geheimhouding van de gegevens waarover zij bij de uitoefening van hun ambt de beschikking krijgen en waarvan zij het vertrouwelijke karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden, behoudens voorzover enig wettelijk voorschrift hen tot mededeling verplicht of uit hun ambt de noodzaak tot mededeling voortvloeit. 2015 456 10-12-2015 02-12-2015 34162 2016 503 16-12-2016 09-12-2016 01-01-2017 Artikel VI van Stb. 2015/456 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 13a — Artikel 13a#
Artikel 13a 1 Degene die een klacht heeft over de wijze waarop een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast zich in de uitoefening van zijn functie jegens hem heeft gedragen, kan, tenzij de klacht een rechterlijke beslissing betreft, de procureur-generaal bij de Hoge Raad schriftelijk verzoeken een vordering bij de Hoge Raad in te stellen tot het doen van een onderzoek naar de gedraging. 2 Het verzoekschrift wordt ondertekend en bevat de naam en het adres van de verzoeker en een zo duidelijk mogelijke beschrijving van de bedoelde gedraging en de daartegen gerezen klacht. 2011 255 31-05-2011 19-05-2011 32021 2011 324 29-06-2011 27-06-2011 01-07-2011 Artikel XXII, eerste lid, van Stb. 2011/255 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 13b — Artikel 13b#
Artikel 13b 1 artikel 13a De procureur-generaal is niet verplicht aan het verzoek, bedoeld in, te voldoen, indien: a. artikel 13a, tweede lid het verzoekschrift niet voldoet aan; b. artikel 26 75 de verzoeker overeenkomstigofeen klacht over de gedraging kan of had kunnen indienen; c. artikel 26 75 artikel 13a overeenkomstigofeen klacht over de gedraging is ingediend, deze klacht is behandeld en de verzoeker redelijkerwijs onvoldoende belang heeft bij een onderzoek als bedoeld in; d. reeds aanstonds blijkt dat het verzoekschrift onredelijk lange tijd na het ontstaan van de klacht is ingediend; e. een verzoekschrift van de verzoeker, dezelfde gedraging betreffende, in behandeling is of – behoudens indien een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid, dezelfde gedraging betreffende, is bekend geworden en zulks tot een ander oordeel zou hebben kunnen leiden – is afgedaan; f. voor de verzoeker met betrekking tot de klacht een voorziening bij een rechterlijke instantie openstaat of heeft opengestaan en hij daarvan geen gebruik heeft gemaakt, dan wel ten aanzien van die klacht een uitspraak van een rechterlijke instantie is gedaan waartegen geen rechtsmiddel openstaat; g. artikel 46o artikel 46d, tweede lid 46f 46l 46m van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren door de procureur-generaal een vordering als bedoeld injuncto,,ofis of zal worden ingesteld. 2 De procureur-generaal stelt de verzoeker, de rechterlijk ambtenaar op wiens gedraging het verzoekschrift betrekking heeft en het betrokken gerechtsbestuur onderscheidenlijk de president van de Hoge Raad in de gelegenheid hem mondeling of schriftelijk inlichtingen te verstrekken. Hij kan ook anderen daartoe in de gelegenheid stellen. 3 De procureur-generaal stelt de verzoeker, de rechterlijk ambtenaar op wiens gedraging het verzoekschrift betrekking heeft en het betrokken gerechtsbestuur onderscheidenlijk de president van de Hoge Raad op de hoogte van de uitkomst van het vooronderzoek. Zo nodig vermeldt de procureur-generaal daarbij of naar zijn oordeel met betrekking tot de klacht een voorziening bij een rechterlijke instantie openstaat. 4 Indien de procureur-generaal op grond van het eerste lid, onderdeel b, geen toepassing geeft aan het verzoek, zendt hij het verzoekschrift door aan het betrokken gerechtsbestuur onderscheidenlijk de Hoge Raad. 2011 255 31-05-2011 19-05-2011 32021 2011 324 29-06-2011 27-06-2011 01-07-2011 Artikel XXII, eerste lid, van Stb. 2011/255 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 13c — Artikel 13c#
Artikel 13c artikel 13a, eerste lid Artikel 13b, tweede en derde lid Onverminderd, kan de procureur-generaal ook ambtshalve bij de Hoge Raad een vordering instellen tot het doen van een onderzoek naar de wijze waarop een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast zich in de uitoefening van zijn functie heeft gedragen., is van overeenkomstige toepassing. 2011 255 31-05-2011 19-05-2011 32021 2011 324 29-06-2011 27-06-2011 01-07-2011 Artikel XXII, eerste lid, van Stb. 2011/255 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 13d — Artikel 13d#
Artikel 13d artikel 13a 13c Een vordering bij de Hoge Raad als bedoeld inofwordt behandeld door een bij het reglement van orde daartoe aangewezen kamer, die zitting houdt met drie leden. 2011 255 31-05-2011 19-05-2011 32021 2011 324 29-06-2011 27-06-2011 01-07-2011 Artikel XXII, eerste lid, van Stb. 2011/255 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 13e — Artikel 13e#
Artikel 13e 1 De Hoge Raad kan het betrokken gerechtsbestuur, degene op wiens gedraging het onderzoek betrekking heeft, de verzoeker en anderen verzoeken hem schriftelijk of mondeling inlichtingen te verstrekken. 2 Het onderzoek geschiedt in raadkamer. De Hoge Raad kan, hetzij ambtshalve hetzij op verzoek van de procureur-generaal, het betrokken gerechtsbestuur, degene op wiens gedraging het onderzoek betrekking heeft of de verzoeker, getuigen horen. 3 De Hoge Raad stelt het betrokken gerechtsbestuur en degene op wiens gedraging het onderzoek betrekking heeft, in de gelegenheid omtrent een aanhangige vordering zijn zienswijze schriftelijk of mondeling te doen blijken. 2011 255 31-05-2011 19-05-2011 32021 2011 324 29-06-2011 27-06-2011 01-07-2011 Artikel XXII, eerste lid, van Stb. 2011/255 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 13f — Artikel 13f#
Artikel 13f 1 De Hoge Raad beoordeelt of degene op wiens gedraging het onderzoek betrekking heeft, zich in de onderzochte aangelegenheid al dan niet behoorlijk heeft gedragen. De Hoge Raad kan tevens beoordelen of het betrokken gerechtsbestuur zich al dan niet behoorlijk heeft gedragen. 2 De Hoge Raad neemt een schriftelijke en met redenen omklede beslissing. 3 Een afschrift van de beslissing wordt gezonden aan de verzoeker, aan de rechterlijk ambtenaar op wiens gedraging het onderzoek betrekking had, en aan het betrokken gerechtsbestuur dan wel, indien het onderzoek betrekking had op een gedraging van een bij de Hoge Raad werkzame rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast, de president van de Hoge Raad. 2011 255 31-05-2011 19-05-2011 32021 2011 324 29-06-2011 27-06-2011 01-07-2011 Artikel XXII, eerste lid, van Stb. 2011/255 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 13g — Artikel 13g#
Artikel 13g 1 artikelen 13a tot en met 13f De procureur-generaal bij en de president van de Hoge Raad stellen jaarlijks een verslag op van de overeenkomstig deverrichte werkzaamheden. 2 Artikel 5.1, eerste en tweede lid, van de Wet open overheid De procureur-generaal draagt er zorg voor dat het verslag openbaar wordt gemaakt en algemeen verkrijgbaar wordt gesteld.is van overeenkomstige toepassing. 2021 499 27-10-2021 25-10-2021 33328 2021 499 27-10-2021 25-10-2021 33328 01-05-2022
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 Bij een gerecht zijn werkzaam: a. rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, en b. gerechtsambtenaren. 2 Bij een gerecht kunnen rechters in opleiding, senior-gerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs werkzaam zijn. 3 De daartoe door het bestuur van een gerecht aangewezen gerechtsambtenaren, rechters in opleiding, senior-gerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs verrichten de werkzaamheden die bij of krachtens de wet aan de griffier zijn opgedragen. Zij zijn bevoegd deze werkzaamheden ook voor andere gerechten uit te voeren. De aanwijzing geschiedt schriftelijk. 4 Het bestuur van een gerecht kan personen, niet zijnde rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast, gerechtsambtenaar, rechter in opleiding, senior-gerechtsauditeur of gerechtsauditeur, aanwijzen als buitengriffier. Zij kunnen in die hoedanigheid door het bestuur worden opgeroepen voor het verrichten van werkzaamheden die bij of krachtens de wet aan de griffier zijn opgedragen. Het derde lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing. Alvorens voor de eerste keer te worden opgeroepen leggen zij de eed of belofte af. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt het formulier voor de eed of belofte vastgesteld en worden regels gesteld over de beëdiging. Aan de buitengriffiers wordt volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels door het gerechtsbestuur een vergoeding toegekend. 5 Een buitengriffier wordt op eigen verzoek door het bestuur van het gerecht ontslagen. 6 Het bestuur van het gerecht kan een buitengriffier ontslaan: a. indien hij gedurende een periode van ten minste drie jaar geen griffierswerkzaamheden heeft verricht; b. op grond van ongeschiktheid anders dan wegens ziekte; of c. wegens het doen of nalaten van hetgeen een persoon, werkzaam ten behoeve van een gerecht, behoort na te laten of te doen. 7 Indien een gerechtsambtenaar, rechter in opleiding, senior-gerechtsauditeur, gerechtsauditeur of buitengriffier griffierswerkzaamheden verricht ter ondersteuning van een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast of een deskundig lid, is hij verplicht te voldoen aan de aanwijzingen van die rechterlijk ambtenaar of dat deskundig lid. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 14a — Artikel 14a Vervallen.#
Artikel 14a Vervallen. 1 Degene die een klacht heeft over de wijze waarop een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast zich in de uitoefening van zijn functie jegens hem heeft gedragen, kan, tenzij de klacht een rechterlijke beslissing betreft, de procureur-generaal bij de Hoge Raad verzoeken een vordering in te stellen bij de Hoge Raad tot het doen van een onderzoek naar die gedraging. 2 Het verzoekschrift dient de naam en het adres van de verzoeker te bevatten; de bedoelde gedraging en de daartegen gerezen klacht moeten er zo duidelijk mogelijk in worden beschreven. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 Blijft van toepassing ten aanzien van: -de rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast;-de leden met rechtspraak belast van de Centrale Raad van Beroep en het College van beroep voor het bedrijfsleven, met dien verstande dat de Hoge Raad het bestuur van de Centrale Raad van Beroep onderscheidenlijk het College van Beroep voor het bedrijfsleven in de gelegenheid stelt omtrent een aanhangige klacht schriftelijk of mondeling inlichtingen te verstrekken en van zijn gevoelen daaromtrent te doen blijk geven;-de personen, niet zijnde rechterlijk ambtenaar, die deel uitmaken van een meervoudige kamer van een gerechtshof of een rechtbank.
Artikel 14b — Artikel 14b Vervallen.#
Artikel 14b Vervallen. 1 De procureur-generaal voldoet aan het verzoek tenzij: a. artikel 14a, tweede lid niet is voldaan aan de vereisten, vermeld in; b. reeds aanstonds blijkt dat het verzoekschrift onredelijk lange tijd na het ontstaan van de klacht is ingediend of geen genoegzame gronden inhoudt om het instellen van een onderzoek te vorderen; c. een verzoekschrift van de verzoeker, dezelfde gedraging betreffende, in behandeling is of - behoudens indien een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid, dezelfde gedraging betreffende, is bekend geworden en zulks tot een ander oordeel zou hebben kunnen leiden - is afgedaan; d. voor de verzoeker met betrekking tot de klacht een voorziening bij een rechterlijke instantie openstaat of heeft opengestaan en hij daarvan geen gebruik heeft gemaakt, dan wel ten aanzien van die klacht een uitspraak van een rechterlijke instantie is gedaan waartegen geen rechtsmiddel openstaat; e. artikel 46o artikel 46d, tweede lid 46f 46g 46l 46m van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren door de procureur-generaal een vordering als bedoeld injuncto,,,of, is of zal worden ingesteld; f. artikel 26, eerste lid de verzoeker overeenkomstig de regeling, bedoeld in, van de Wet op de rechterlijke organisatie, een klacht kan of had kunnen indienen. 2 De procureur-generaal stelt de verzoeker en de ambtenaar op wiens gedraging het verzoekschrift betrekking heeft in de gelegenheid hem inlichtingen te verstrekken. Hij hoort de in de eerste volzin bedoelde personen, wanneer dezen dit verzoeken. 3 De procureur-generaal stelt de verzoeker en de ambtenaar op wiens gedraging het verzoekschrift betrekking heeft op de hoogte van de uitkomsten van het vooronderzoek. Staat naar het oordeel van de procureur-generaal met betrekking tot de klacht een voorziening bij een rechterlijke instantie open, dan geeft hij daarvan kennis aan de verzoeker. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 Blijft van toepassing ten aanzien van: -de rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast;-de leden met rechtspraak belast van de Centrale Raad van Beroep en het College van beroep voor het bedrijfsleven, met dien verstande dat de Hoge Raad het bestuur van de Centrale Raad van Beroep onderscheidenlijk het College van Beroep voor het bedrijfsleven in de gelegenheid stelt omtrent een aanhangige klacht schriftelijk of mondeling inlichtingen te verstrekken en van zijn gevoelen daaromtrent te doen blijk geven;-de personen, niet zijnde rechterlijk ambtenaar, die deel uitmaken van een meervoudige kamer van een gerechtshof of een rechtbank.
Artikel 14c — Artikel 14c Vervallen.#
Artikel 14c Vervallen. De vordering van de procureur-generaal tot het instellen van een onderzoek naar de in het verzoekschrift bedoelde gedraging wordt behandeld door een voor de behandeling van deze vorderingen bij het reglement van orde aangewezen Kamer, die zitting houdt met drie leden. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 Blijft van toepassing ten aanzien van: -de rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast;-de leden met rechtspraak belast van de Centrale Raad van Beroep en het College van beroep voor het bedrijfsleven, met dien verstande dat de Hoge Raad het bestuur van de Centrale Raad van Beroep onderscheidenlijk het College van Beroep voor het bedrijfsleven in de gelegenheid stelt omtrent een aanhangige klacht schriftelijk of mondeling inlichtingen te verstrekken en van zijn gevoelen daaromtrent te doen blijk geven;-de personen, niet zijnde rechterlijk ambtenaar, die deel uitmaken van een meervoudige kamer van een gerechtshof of een rechtbank.
Artikel 14d — Artikel 14d Vervallen.#
Artikel 14d Vervallen. 1 De Hoge Raad stelt de verzoeker en de ambtenaar op wiens gedraging het verzoekschrift betrekking heeft in de gelegenheid naar aanleiding van de vordering van de procureur-generaal, al dan niet in elkaars tegenwoordigheid, te worden gehoord. 2 Het onderzoek geschiedt in raadkamer. Het college kan, hetzij op verzoek van de procureur-generaal, hetzij op verzoek van een der in het eerste lid bedoelde personen, hetzij ambtshalve getuigen horen. 3 De Hoge Raad stelt het bestuur van het gerechtshof onderscheidenlijk de rechtbank in de gelegenheid omtrent een aanhangige klacht schriftelijk of mondeling inlichtingen te verstrekken en van zijn gevoelen daaromtrent te doen blijk geven, indien de klacht is gericht tegen een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast, werkzaam bij dat gerechtshof onderscheidenlijk die rechtbank. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 Is van toepassing ten aanzien van: -de rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast;-de leden met rechtspraak belast van de Centrale Raad van Beroep en het College van beroep voor het bedrijfsleven, met dien verstande dat de Hoge Raad het bestuur van de Centrale Raad van Beroep onderscheidenlijk het College van Beroep voor het bedrijfsleven in de gelegenheid stelt omtrent een aanhangige klacht schriftelijk of mondeling inlichtingen te verstrekken en van zijn gevoelen daaromtrent te doen blijk geven;-de personen, niet zijnde rechterlijk ambtenaar, die deel uitmaken van een meervoudige kamer van een gerechtshof of een rechtbank.
Artikel 14e — Artikel 14e Vervallen.#
Artikel 14e Vervallen. 1 De Hoge Raad beslist bij een arrest, waarin hij zijn bevindingen met betrekking tot de in het verzoekschrift genoemde bezwaren opneemt en zijn oordeel uitspreekt over de gegrondheid daarvan. 2 Een afschrift van het arrest wordt gezonden aan de verzoeker en aan de ambtenaar op wiens gedraging het verzoekschrift betrekking heeft. De Hoge Raad zendt een afschrift van het arrest aan het bestuur van het betrokken gerecht dan wel, indien de klacht gericht is tegen een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast, werkzaam bij de Hoge Raad, aan de president van de Hoge Raad. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 Blijft van toepassing ten aanzien van: -de rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast;-de leden met rechtspraak belast van de Centrale Raad van Beroep en het College van beroep voor het bedrijfsleven, met dien verstande dat de Hoge Raad het bestuur van de Centrale Raad van Beroep onderscheidenlijk het College van Beroep voor het bedrijfsleven in de gelegenheid stelt omtrent een aanhangige klacht schriftelijk of mondeling inlichtingen te verstrekken en van zijn gevoelen daaromtrent te doen blijk geven;-de personen, niet zijnde rechterlijk ambtenaar, die deel uitmaken van een meervoudige kamer van een gerechtshof of een rechtbank.
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 Bij elk gerecht is een bestuur, dat bestaat uit drie leden, waaronder de voorzitter. 2 artikel 5f, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren Twee leden, waaronder de voorzitter, zijn rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast die hun rechtsprekend ambt op basis van een aanstelling als bedoeld invervullen. Het andere lid is een gerechtsambtenaar. 3 De voorzitter van het bestuur draagt de titel van president. 4 De bestuursleden worden bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister benoemd voor een periode van zes jaar. Zij kunnen als lid van het bestuur van hetzelfde gerecht eenmaal worden herbenoemd voor een periode van drie jaar. 5 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens Voor de benoeming van een bestuurslid stelt de Raad een aanbeveling op. Voordat de Raad een aanbeveling opstelt, hoort hij het bestuur van het desbetreffende gerecht. Het bestuur stelt de Raad daarbij tevens op de hoogte van de zienswijze van de ondernemingsraad. Voorafgaand aan een benoeming als bestuurslid wordt van betrokkene een verklaring omtrent het gedrag, niet ouder dan drie maanden en afgegeven volgens de, verlangd. 6 De voorzitter en het andere rechterlijk lid van het bestuur kunnen niet tevens lid zijn van het bestuur van een ander gerecht, het bestuur van de Centrale Raad van Beroep of het bestuur van het College van Beroep voor het bedrijfsleven, behoudens in het geval van tijdelijke waarneming. Het niet-rechterlijk lid van het bestuur kan, naast het geval van tijdelijke waarneming, slechts in bijzondere gevallen lid zijn van het bestuur van één ander gerecht, het bestuur van de Centrale Raad van Beroep of het bestuur van het College van Beroep voor het bedrijfsleven. 7 Een lid van het bestuur kan niet tevens zijn: a. lid van de Staten-Generaal; b. minister; c. staatssecretaris; d. vice-president of lid van de Raad van State; e. president of lid van de Algemene Rekenkamer; f. Nationale ombudsman of substituut-ombudsman; g. advocaat of notaris, dan wel anderszins van het verlenen van rechtskundige bijstand het beroep maken; h. ambtenaar bij een ministerie, alsmede de daaronder ressorterende instellingen, diensten en bedrijven; i. lid van de Raad. 8 artikel 1, onderdeel b, onder 1° en 4° tot en met 10° De voorzitter en het andere rechterlijk lid van het bestuur kunnen niet tevens rechterlijk ambtenaar, genoemd in, zijn. 9 Het niet-rechterlijk lid van het bestuur kan niet tevens rechterlijk ambtenaar zijn. 10 Artikel 3, onderdeel a, van de Ambtenarenwet 2017 is niet van toepassing op het niet-rechterlijk lid van het bestuur. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 artikelen 1ab 7 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren De voorzitter onderscheidenlijk het andere rechterlijk lid van het bestuur ontvangt gedurende zijn benoemingsduur als voorzitter onderscheidenlijk ander rechterlijk lid, in plaats van het salaris overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens deen, een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen salaris behorende bij de vervulling van de functie van voorzitter onderscheidenlijk ander rechterlijk lid. Na het verstrijken van een benoemingsduur van ten minste zes aaneengesloten jaren ontvangt de voorzitter onderscheidenlijk het andere rechterlijk lid, met ingang van de datum waarop hij zijn werkzaamheden als zodanig beëindigt, gedurende drie jaren een toelage op het salaris dat hij overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de artikelen 1ab en 7 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren geniet. Het bedrag van de toelage is gelijk aan het verschil tussen dat salaris en de bij algemene maatregel van bestuur voor de functie van voorzitter onderscheidenlijk ander rechterlijk lid vast te stellen salarishoogte. Toekenning van de toelage geschiedt door het bestuur uitgezonderd de betrokken voorzitter onderscheidenlijk het betrokken andere rechterlijk lid. 2 artikel 15 Een lid van het bestuur wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen bij de aanvaarding van een ambt dat of een betrekking die ingevolgeonverenigbaar is met het zijn van lid van het bestuur van het gerecht. 3 artikel 5f, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren De voorzitter en het andere rechterlijk lid worden bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen onderscheidenlijk geschorst als lid van het bestuur indien zij als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast worden ontslagen onderscheidenlijk geschorst, tenzij dat ontslag of die schorsing alleen een rechtsprekend ambt betreft dat zij niet vervullen op basis van een aanstelling als bedoeld in. 4 De voorzitter en het andere rechterlijk lid worden op eigen verzoek bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen. 5 Het niet-rechterlijk lid wordt disciplinair gestraft, geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister. Onze Minister doet zijn voordracht op voorstel van de Raad. 6 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de rechtspositie van de bestuursleden, waaronder in ieder geval regels betreffende het salaris van de bestuursleden alsmede de in het eerste lid, derde volzin, bedoelde toelage. 2022 208 08-06-2022 25-05-2022 36006 2023 176 31-05-2023 15-05-2023 01-07-2023
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 Het bestuur kan slechts beslissingen nemen indien ten minste de helft van het aantal leden aanwezig is. 2 Het bestuur beslist bij meerderheid van stemmen. 3 Indien de stemmen staken, geeft de stem van de president de doorslag. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 Afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht Het bestuur kan een of meer leden van het bestuur machtigen een of meer van zijn bevoegdheden uit te oefenen.is van overeenkomstige toepassing. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 Het bestuur stelt een huishoudelijk reglement vast, dat in ieder geval nadere regels bevat over: a. de werkwijze, besluitvorming en taakverdeling van het bestuur; b. artikel 18 de machtiging, bedoeld in; c. de vervanging van zijn leden in geval van ziekte of andere verhindering. 2 artikel 23, eerste lid, onderdeel d, en derde lid Het bestuur wijst in het huishoudelijk reglement aan de president of aan het andere rechterlijk lid van het bestuur in ieder geval het aandachtsgebied toe dat betrekking heeft op de taken, bedoeld in. 2012 313 13-07-2012 12-07-2012 32891 2012 314 13-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 Het bestuur stelt een bestuursreglement vast, dat in ieder geval nadere regels bevat over: a. de organisatiestructuur van het gerecht; b. artikel 6, eerste lid de indeling in kamers, bedoeld in; c. de toedeling van zaken aan de leden van de enkelvoudige en meervoudige kamers; d. artikel 23, eerste lid, onderdeel d, en derde lid de wijze waarop het bestuur uitvoering geeft aan de taken, bedoeld in; e. de externe contacten van het gerechtsbestuur. 2 Het bestuur stelt in het bestuursreglement voorts zijn zetel vast. 2012 313 13-07-2012 12-07-2012 32891 2012 314 13-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 Het bestuur stelt een zaaksverdelingsreglement vast, waarin per zittingsplaats wordt bepaald voor welke categorieën van zaken in die zittingsplaats zittingen worden gehouden. Daarbij wordt in ieder geval rekening gehouden met het belang van een goede toegankelijkheid van rechtspraak. 2 Alvorens het bestuur van de rechtbank het zaaksverdelingsreglement vaststelt, stelt het de hoofdofficier van justitie in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen over hetgeen in het reglement zal worden bepaald ten aanzien van strafzaken. 3 Alvorens het bestuur van het gerechtshof het zaaksverdelingsreglement vaststelt, stelt het de landelijk hoofdadvocaat-generaal in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen over hetgeen in het reglement zal worden bepaald ten aanzien van strafzaken. 2012 313 13-07-2012 12-07-2012 32891 2012 314 13-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 21a — Artikel 21a#
Artikel 21a 1 artikelen 19 tot en met 21 artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht De reglementen, bedoeld in de, behoeven de instemming van de Raad. Dezijn van overeenkomstige toepassing. 2 De instemming kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang, daaronder begrepen het belang van een goede toegankelijkheid van rechtspraak en van een goede bedrijfsvoering van het gerecht. 3 artikelen 20 21 De reglementen, bedoeld in deen, worden gepubliceerd in de Staatscourant. 2012 313 13-07-2012 12-07-2012 32891 2012 314 13-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 21b — Artikel 21b#
Artikel 21b 1 Bij algemene maatregel van bestuur worden voor elk gerecht zittingsplaatsen aangewezen binnen het rechtsgebied waarin het gerecht is gelegen. Daarbij wordt in ieder geval rekening gehouden met het belang van een goede toegankelijkheid van rechtspraak en het belang van een goede bedrijfsvoering van het gerecht. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2 Onze Minister kan, gehoord de Raad en het College van procureurs-generaal, binnen het rechtsgebied waarin het gerecht is gelegen overige zittingsplaatsen aanwijzen, al dan niet voor een bepaalde periode. 3 Onze Minister kan, na overleg met de Raad en het College van procureurs-generaal, bepalen dat in een zaak de terechtzitting zal worden gehouden op een door hem aan te wijzen locatie in of buiten het rechtsgebied waarin het gerecht is gelegen, indien dit noodzakelijk is in verband met de veiligheid van personen of andere zwaarwegende omstandigheden. 2012 313 13-07-2012 12-07-2012 32891 2012 314 13-07-2012 12-07-2012 01-01-2013 Artikel CVI van Stb. 2012/313 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 21c — Artikel 21c#
Artikel 21c artikel 2, eerste lid, voorlaatste en laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering De zittingsplaatsen onderscheidenlijk overige zittingsplaatsen van de rechtbank Amsterdam, de rechtbank Oost-Brabant, de rechtbank Overijssel en de rechtbank Rotterdam zijn over en weer zittingsplaatsen onderscheidenlijk overige zittingsplaatsen van deze rechtbanken in zaken waarin deze rechtbanken bevoegd zijn op grond van. 2020 388 21-10-2020 07-10-2020 35375 2020 459 18-11-2020 03-11-2020 01-01-2021
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 artikel 5f, derde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren Met uitzondering van de raadsheren-plaatsvervangers en rechters-plaatsvervangers, die hun ambt niet vervullen op basis van een aanwijzing als bedoeld in, vormen de bij een gerecht werkzame rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, de senior-gerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs, die tevens raadsheer-plaatsvervanger of rechter-plaatsvervanger zijn, en de rechters in opleiding tezamen de gerechtsvergadering. 2 De president is voorzitter van de gerechtsvergadering. 3 artikel 5f, derde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren De bij het gerecht werkzame gerechtsambtenaren, senior-gerechtsauditeurs, gerechtsauditeurs, die niet tevens raadsheer-plaatsvervanger of rechter-plaatsvervanger zijn, en de raadsheren-plaatsvervangers en rechters-plaatsvervangers, die hun ambt niet vervullen op basis van een aanwijzing als bedoeld in, kunnen op uitnodiging deelnemen aan de gerechtsvergadering. 2015 456 10-12-2015 02-12-2015 34162 2016 503 16-12-2016 09-12-2016 01-01-2017 Artikel VI van Stb. 2015/456 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 Het bestuur is belast met de algemene leiding, de organisatie en de bedrijfsvoering van het gerecht. In het bijzonder draagt het bestuur zorg voor: a. automatisering en bestuurlijke informatievoorziening; b. de voorbereiding, vaststelling en uitvoering van de begroting; c. huisvesting en beveiliging; d. de kwaliteit van de bestuurlijke en organisatorische werkwijze van het gerecht daaronder begrepen de externe gerichtheid; e. personeelsaangelegenheden; f. overige materiële voorzieningen. 2 Bij de uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid, treedt het bestuur niet in de procesrechtelijke behandeling van, de inhoudelijke beoordeling van alsmede de beslissing in een concrete zaak of in categorieën van zaken. 3 artikel 22, eerste en derde lid Het bestuur heeft voorts tot taak binnen het gerecht de juridische kwaliteit en de uniforme rechtstoepassing te bevorderen. Het voert daarover overleg met de gerechtsvergadering of met een door de gerechtsvergadering aangewezen afvaardiging van de in, genoemde deelnemers aan de gerechtsvergadering op het terrein van burgerlijke zaken, strafzaken of bestuursrechtelijke zaken of een ander rechtsterrein. Bij de uitvoering van deze taak treedt het bestuur niet in de procesrechtelijke behandeling van, de inhoudelijke beoordeling van alsmede de beslissing in een concrete zaak. 4 De bestuursleden geven elkaar inlichtingen die voor de uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste en derde lid, noodzakelijk zijn. 2012 313 13-07-2012 12-07-2012 32891 2012 314 13-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 23a — Artikel 23a#
Artikel 23a 1 artikel 23, eerste lid, onderdelen a en c tot en met f De Raad kan besturen van gerechten opdragen om een of meer van de taken, bedoeld in, gezamenlijk uit te voeren. 2 Artikel 21a Indien tot samenwerking overeenkomstig het eerste lid is besloten, stellen de betrokken besturen met betrekking tot die samenwerking nadere regels vast bij gemeenschappelijk reglement.is van overeenkomstige toepassing. 2012 313 13-07-2012 12-07-2012 32891 2012 314 13-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 1 artikel 23, eerste lid Het bestuur kan ter uitvoering van zijn taken, genoemd in, alle bij het gerecht werkzame ambtenaren algemene en bijzondere aanwijzingen geven. 2 Bij het geven van aanwijzingen treedt het bestuur niet in de procesrechtelijke behandeling van, de inhoudelijke beoordeling van alsmede de beslissing in een concrete zaak of in categorieën van zaken. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 Ambtenarenwet 2017 titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek Ten aanzien van het niet-rechterlijk lid van het bestuur worden de bevoegdheden uit deenuitgeoefend door het bestuur uitgezonderd dat lid. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de uitoefening van rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van de gerechtsambtenaren door het bestuur onderscheidenlijk het bestuur uitgezonderd het niet-rechterlijk lid van het bestuur en door de Raad voor de rechtspraak. 3 Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren artikel 16, eerste lid, tweede volzin Ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar, die tevens rechterlijk lid van het bestuur is, worden de bij en krachtens dealsmede de ingevolge, van deze wet aan het bestuur toegekende bevoegdheden uitgeoefend door het bestuur uitgezonderd dat lid. 4 Voor gerechtsambtenaren gelden de arbeidsvoorwaarden die zijn opgenomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 Het bestuur stelt een regeling vast voor de behandeling van klachten. 2 artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht De regeling of een wijziging daarvan behoeft de instemming van de Raad. Dezijn van overeenkomstige toepassing. 3 De instemming kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het belang van een goede bedrijfsvoering van het gerecht. 4 Klachten zijn niet mogelijk ten aanzien van gedragingen waartegen ingevolge een wettelijk geregelde voorziening een procedure bij een rechterlijke instantie openstaat of heeft opengestaan, dan wel beroep openstaat of heeft opengestaan tegen een uitspraak die in een zodanige procedure is gedaan. Klachten kunnen evenmin een rechterlijke beslissing betreffen. 5 De regeling wordt gepubliceerd in de Staatscourant. 6 Afdeling 9.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. 7 titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 1a, tweede lid hoofdstuk III van de Wet Nationale ombudsman Ten aanzien van de bij het gerecht werkzame gerechtsambtenaren, buitengriffiers, senior-gerechtsauditeurs, gerechtsauditeurs en rechters in opleiding zijnalsmede, envan overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de overeenkomstige toepassing hiervan als bestuursorgaan wordt aangemerkt het bestuur van het gerecht waar de betrokken gerechtsambtenaar, buitengriffier, senior-gerechtsauditeur, gerechtsauditeur of rechter in opleiding werkzaam is. 2015 456 10-12-2015 02-12-2015 34162 2016 503 16-12-2016 09-12-2016 01-01-2017 Artikel VI van Stb. 2015/456 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 De president vertegenwoordigt het gerecht. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 artikel 23, derde lid De gerechtsvergadering kan het bestuur gevraagd of ongevraagd adviseren over de uitvoering van de in, genoemde taak. 2012 313 13-07-2012 12-07-2012 32891 2012 314 13-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 28a — Artikel 28a#
Artikel 28a Vervallen 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 1 artikel 97, eerste lid Met inachtneming van de regels, bedoeld in, kent de Raad jaarlijks aan elk gerecht een algemeen budget toe ten laste van de rijksbegroting. De Raad kan aan de toekenning van het budget voorschriften verbinden. 2 In aanvulling op het algemene budget kan de Raad een gerecht financiële middelen verstrekken voor specifiek omschreven activiteiten die gericht zijn op verbetering van de organisatie of de werkwijze van de gerechten of het desbetreffende gerecht. De tweede volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing. 2001 583 18-12-2001 06-12-2001 27182 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 29a — Artikel 29a#
Artikel 29a Vervallen 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 29b — Artikel 29b#
Artikel 29b Vervallen 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 artikel 101 De Raad deelt aan elk gerecht zo spoedig mogelijk na de mededeling, bedoeld inmede welk budget, met inbegrip van de daaraan te verbinden voorschriften, voor het komende begrotingsjaar voorlopig kan worden verwacht. Hij deelt daarbij tevens mede op welke wijze het geraamde budget is berekend. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 2001 583 18-12-2001 06-12-2001 27182 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 1 Het bestuur stelt jaarlijks een jaarplan voor het gerecht vast. Het plan bevat: a. artikel 23, eerste lid een omschrijving van de voorgenomen activiteiten ter uitvoering van de in, genoemde taken voor het jaar volgend op het jaar waarin het plan is vastgesteld; b. een begroting voor het komende begrotingsjaar; c. een meerjarenraming voor ten minste vier op het begrotingsjaar volgende jaren. 2 artikel 17, tweede lid In afwijking van, stelt het bestuur het jaarplan vast met meerderheid van stemmen, waaronder de stem van de president. 3 De Raad kan omtrent de inrichting van het plan algemene aanwijzingen geven. 4 Het bestuur zendt het plan voor een door de Raad te bepalen tijdstip aan de Raad. 5 Binnen het bestuur ziet de president toe op de uitvoering van het jaarplan. 2001 583 18-12-2001 06-12-2001 27182 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 1 artikel 30 Het bestuur stelt de begroting van het gerecht als onderdeel van het jaarplan vast in overeenstemming met het door de Raad geraamde budget, bedoeld in. 2 artikelen 10:28 tot en met 10:30 van de Algemene wet bestuursrecht De begroting van het gerecht behoeft de instemming van de Raad. Dezijn van overeenkomstige toepassing. 3 De instemming kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het belang van een goede bedrijfsvoering van het gerecht. 4 De Raad beslist binnen acht weken na ontvangst van de begroting van het gerecht. De instemming wordt geacht te zijn verleend indien binnen deze termijn geen beslissing van de Raad is ontvangen. 5 In gevallen van dringende spoed kan het bestuur een uitgave doen voordat de desbetreffende begroting de instemming van de Raad heeft verkregen. De Raad wordt daarvan terstond in kennis gesteld. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 2001 583 18-12-2001 06-12-2001 27182 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 1 artikel 30 De Raad maakt aan elk gerecht zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie bekend, welk budget hij aan het gerecht toekent. Indien het budget afwijkt van het geraamde budget, bedoeld inis de tweede volzin van dat artikel van overeenkomstige toepassing. 2 artikel 30 Indien het budget afwijkt van het geraamde budget, bedoeld in, wijzigt het bestuur de begroting van het gerecht. 3 Beslissingen tot andere wijzigingen van de begroting kunnen uiterlijk tot het eind van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen. 4 De Raad wordt van de wijzigingen, bedoeld in het tweede en derde lid, terstond in kennis gesteld. 5 Het bestuur doet de noodzakelijke uitgaven binnen de grenzen van de vastgestelde of gewijzigde begroting. 2011 256 31-05-2011 19-05-2011 32562 2011 324 29-06-2011 27-06-2011 01-07-2011
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 1 Indien de begroting niet de instemming van de Raad heeft verkregen, behoeft het bestuur tot het doen van uitgaven steeds de instemming van de Raad. 2 artikelen 10:28 tot en met 10:30 van de Algemene wet bestuursrecht Een verzoek van het bestuur om instemming kan door de Raad slechts worden afgewezen wegens strijd met het recht of het belang van een goede bedrijfsvoering van het gerecht. Dezijn van overeenkomstige toepassing. 3 De Raad beslist op het verzoek binnen acht weken na ontvangst van het verzoek. De instemming wordt geacht te zijn verleend indien binnen deze termijn geen beslissing van de Raad is ontvangen. 4 De Raad kan aan de instemming voorschriften verbinden. 5 De Raad kan bepalen voor welke posten en tot welk bedrag het bestuur geen instemming behoeft. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 2001 583 18-12-2001 06-12-2001 27182 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 1 Het bestuur dient jaarlijks voor een door de Raad te bepalen tijdstip bij de Raad een verslag in. 2 Het verslag bestaat uit de jaarrekening met bijbehorende begroting, de daarin aangebrachte wijzigingen, het jaarverslag en overige financiële gegevens. 3 In de jaarrekening wordt rekening en verantwoording afgelegd van het financiële beheer van het gerecht over het voorafgaande begrotingsjaar. 4 artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht De jaarrekening behoeft de instemming van de Raad. De instemming kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht. Dezijn van overeenkomstige toepassing. 5 artikel 31 artikel 97, eerste lid In het jaarverslag wordt vermeld op welke wijze de werkzaamheden ten behoeve waarvan het budget ten laste van de rijksbegroting is verleend, zijn uitgevoerd. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze deze werkzaamheden zich verhouden tot het plan zoals dit overeenkomstigvoor het desbetreffende jaar is vastgesteld en tot de in het desbetreffende jaar geldende financieringsregels, bedoeld in. 6 artikel 17, tweede lid In afwijking van, stelt het bestuur het jaarverslag vast met meerderheid van stemmen, waaronder de stem van de president. 7 De Raad kan omtrent de inrichting van het verslag algemene aanwijzingen geven. 2012 313 13-07-2012 12-07-2012 32891 2012 314 13-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 35a — Artikel 35a#
Artikel 35a 1 artikel 4.6, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 In afwijking vanverricht het bestuur namens de staat privaatrechtelijke rechtshandelingen voor zover die voortvloeien uit het door hem beheerde deel van de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, tenzij bij of krachtens de wet is bepaald dat een andere minister dan Onze Minister de rechtshandeling verricht. 2 Artikel 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 4.12, eerste en vierde lid, van de Comptabiliteitswet 2016 enzijn van overeenkomstige toepassing. 2017 139 07-04-2017 22-03-2017 34426 2017 253 19-06-2017 29-05-2017 01-01-2018
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 1 Het bestuur verstrekt desgevraagd aan de Raad de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. 2 artikel 23, eerste lid De Raad kan omtrent de verstrekking van inlichtingen algemene aanwijzingen geven voorzover de gevraagde inlichtingen betrekking hebben op beslissingen en handelingen ter uitvoering van de taken, genoemd in. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 2001 583 18-12-2001 06-12-2001 27182 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 36a — Artikel 36a#
Artikel 36a Vervallen 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 artikel 23, eerste lid artikelen 10:36 10:37 10:38 tot en met 10:45 van de Algemene wet bestuursrecht Een beslissing van het bestuur ter uitvoering van de in, genoemde taken kan door de Raad worden vernietigd indien de beslissing kennelijk in strijd is met het recht of het belang van een goede bedrijfsvoering van het gerecht. De,,zijn van overeenkomstige toepassing. 2004 215 25-05-2004 13-05-2004 28958 2004 275 24-06-2004 17-06-2004 01-07-2004
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 1 In geval van ongeschiktheid anders dan wegens ziekte kan de Raad Onze Minister voorstellen om een of meer leden van het bestuur voor te dragen voor ontslag als lid van het bestuur. In geval van een ernstig vermoeden voor het bestaan van ongeschiktheid anders dan wegens ziekte, kan de Raad Onze Minister voorstellen om een of meer leden van het bestuur voor te dragen voor schorsing als lid van het bestuur. 2 De schorsing of het ontslag geschiedt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister. 3 Artikel 15, zevende tot en met tiende lid Indien alle leden van het bestuur zijn geschorst of ontslagen, kan de Raad bij het desbetreffende gerecht een of meer tijdelijke bewindvoerders aanstellen., is van overeenkomstige toepassing. Bij de aanstelling wordt een termijn bepaald voor de bewindvoering. 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 1 artikel 38, eerste en tweede lid Tegen een besluit op grond van, kan een belanghebbende beroep instellen bij de Hoge Raad. 2 artikel 109 De Hoge Raad beoordeelt of de Kroon in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat sprake is van ongeschiktheid anders dan wegens ziekte, onderscheidenlijk een ernstig vermoeden voor het bestaan daarvan, alsmede of Onze Minister bij zijn voordracht in strijd metheeft gehandeld. 3 hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht afdeling 8.1.1 artikelen 8:10 8:11 8:13 8:86 Op het beroep is, met uitzondering vanen de,,en, van overeenkomstige toepassing. 2001 481 01-11-2001 27-09-2001 27472 2001 481 01-11-2001 27-09-2001 27472 01-01-2002 2001 580 18-12-2001 06-12-2001 26855 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 2001 583 18-12-2001 06-12-2001 27182 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 1 Rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, werkzaam bij de rechtbanken zijn: a. senior rechters A; b. senior rechters; c. rechters; d. rechters-plaatsvervangers. 2 De rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast in een rechtbank zijn van rechtswege rechter-plaatsvervanger in de overige rechtbanken. 2010 857 31-12-2010 03-12-2010 31822 2010 857 31-12-2010 03-12-2010 31822 01-01-2011
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 Vervallen 2012 313 13-07-2012 12-07-2012 32891 2012 314 13-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 De rechtbanken nemen in eerste aanleg kennis van alle burgerlijke zaken, behoudens bij de wet bepaalde uitzonderingen. 2001 481 01-11-2001 27-09-2001 27472 2001 481 01-11-2001 27-09-2001 27472 01-01-2002 2001 580 18-12-2001 06-12-2001 26855 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 De rechtbanken nemen in eerste aanleg kennis van de bestuursrechtelijke zaken waarvan de kennisneming bij de wet aan hen is opgedragen. 2001 580 18-12-2001 06-12-2001 26855 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 43a — Artikel 43a#
Artikel 43a Vervallen 2001 580 18-12-2001 06-12-2001 26855 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 De rechtbanken nemen in eerste aanleg kennis van de belastingzaken waarvan de kennisneming bij de wet aan hen is opgedragen. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2004 692 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005 Treedt volgens Stb. 2004/672 in werking op het tijdstip waarop de Wet belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties in werking treedt. De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 1 De rechtbanken nemen in eerste aanleg kennis van alle strafzaken, behoudens bij de wet bepaalde uitzonderingen. 2 De rechtbanken nemen ook kennis van de vordering tot vergoeding van kosten en schaden ten behoeve van de benadeelde partij in strafzaken. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 Het bestuur van de rechtbank wijst uit de bij het gerecht werkzame rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast rechters-commissarissen aan, belast met de behandeling van strafzaken. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 46a — Artikel 46a#
Artikel 46a 1 Onze Minister kan, gehoord de Raad, een rechtbank of meerdere rechtbanken aanwijzen waarvan de zittingsplaatsen onderscheidenlijk overige zittingsplaatsen ten behoeve van een in de aanwijzing te bepalen categorie of categorieën van zaken tijdelijk mede worden aangemerkt als zittingsplaatsen onderscheidenlijk overige zittingsplaatsen van een andere rechtbank, indien dit noodzakelijk is als gevolg van gebrek aan voldoende zittingscapaciteit binnen het arrondissement waarin die andere rechtbank is gelegen. 2 In de aanwijzing bepaalt Onze Minister voor welke periode de aanwijzing geldt. De aanwijzing geldt ten hoogste drie jaren en kan eenmaal worden verlengd voor de duur van ten hoogste een jaar. 3 Indien de aanwijzing betrekking heeft op strafzaken vindt de aanwijzing niet plaats dan nadat Onze Minister daarover het College van procureurs-generaal heeft gehoord. 4 De aanwijzing wordt gepubliceerd in de Staatscourant. 5 Het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een verlenging van de aanwijzing. 2020 388 21-10-2020 07-10-2020 35375 2020 459 18-11-2020 03-11-2020 01-01-2021 Artikel III van Stb. 2020/388 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 46b — Artikel 46b#
Artikel 46b De rechtbank kan een zaak ter verdere behandeling verwijzen naar een andere rechtbank, indien naar haar oordeel door betrokkenheid van de rechtbank behandeling van die zaak door een andere rechtbank gewenst is. 2012 313 13-07-2012 12-07-2012 32891 2012 314 13-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 1 Het bestuur vormt voor het behandelen en beslissen van kantonzaken enkelvoudige kamers en bepaalt de bezetting daarvan. 2 Degene die zitting heeft in de enkelvoudige kamer draagt de titel van kantonrechter dan wel kantonrechter-plaatsvervanger. 2012 313 13-07-2012 12-07-2012 32891 2012 314 13-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 47a — Artikel 47a#
Artikel 47a Vervallen 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 1 artikel 1019j van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Het bestuur vormt voor het behandelen en beslissen van kantonzaken als bedoeld inmeervoudige kamers onder de benaming van pachtkamers. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamers. 2 artikelen 7, derde lid 12 13 tot en met 13g Een pachtkamer wordt bezet door twee personen, niet zijnde rechterlijk ambtenaar, als deskundige leden en een kantonrechter. Op de deskundige leden zijn de,envan overeenkomstige toepassing. 2012 313 13-07-2012 12-07-2012 32891 2012 314 13-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 48a — Artikel 48a#
Artikel 48a 1 artikel 48, tweede lid De deskundige leden van de pachtkamers van de rechtbanken, bedoeld in, van deze wet en hun plaatsvervangers worden benoemd bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister, gehoord Gedeputeerde Staten. Zij worden genoemd lid, onderscheidenlijk plaatsvervangend lid van de pachtkamer. 2 Om te kunnen worden benoemd tot lid of plaatsvervangend lid van een pachtkamer moet men Nederlander zijn. 3 De deskundige leden en de plaatsvervangende leden van de pachtkamers worden voor de tijd van vijf jaren benoemd. Zij zijn bij hun aftreden weer benoembaar. Zij worden op eigen verzoek bij koninklijk besluit ontslagen. 4 Bij de benoeming van de deskundige leden en van de plaatsvervangende leden wordt ervoor zorg gedragen dat in de pachtkamer noch het belang der pachters, noch het belang van de verpachters overheerst. 5 bijlage De deskundige leden leggen alvorens zij met hun werkzaamheden aanvangen de eed of belofte af volgens het formulier zoals dat is vastgesteld in debij deze wet. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over hun beëdiging. 6 Met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin een deskundig lid of een plaatsvervangend lid van de pachtkamer de leeftijd van zeventig jaren heeft bereikt, wordt aan hem bij koninklijk besluit ontslag verleend. 2015 456 10-12-2015 02-12-2015 34162 2016 503 16-12-2016 09-12-2016 01-01-2017 Artikel VI van Stb. 2015/456 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 48b — Artikel 48b#
Artikel 48b 1 artikelen 46c 46ca 46d 46e 46f 46i, met uitzondering van het eerste lid onder c 46j 46l, eerste en derde lid 46m 46o 46p, van de Wet rechtspositie rechterlijk ambtenaren artikel 46j 46o, tweede lid artikelen 44, eerste, vierde tot en met achtste en tiende lid 44a, eerste tot en met achtste en tiende lid, van deze wet Het in de,,,,,,,,,enbepaalde is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de deskundige leden van de pachtkamers en hun plaatsvervangers, met dien verstande dat voor de overeenkomstige toepassing vanonderscheidenlijk, onder functionele autoriteit wordt verstaan: bestuur onderscheidenlijk president van het gerecht. Tevens zijn de, enop hen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bestuur van het gerecht wordt aangemerkt als hun functionele autoriteit, zij voor de overeenkomstige toepassing van artikel 44, eerste en zevende lid, worden gelijkgesteld met rechters-plaatsvervangers in hetzelfde gerecht, en de president van het gerecht ten aanzien van hen de bevoegdheid, bedoeld in artikel 44, zesde lid, uitoefent. 2 Zij genieten vergoeding voor hun reis- en verblijfkosten en verdere vergoeding volgens bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen regels. 3 artikel 48a Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven ter uitvoering van dit artikel en van. 2018 298 07-09-2018 27-06-2018 33861 2018 446 04-12-2018 20-11-2018 01-01-2019
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 Het bestuur van de rechtbank Gelderland vormt een enkelvoudige kamer voor het behandelen en beslissen van militaire kantonzaken en bepaalt de bezetting daarvan. Degene die zitting heeft in deze kamer draagt de titel van militaire kantonrechter. 2012 666 21-12-2012 20-12-2012 33451 2012 667 21-12-2012 20-12-2012 01-04-2013
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 1 Het bestuur vormt voor het behandelen en beslissen van zaken waarvoor in verband met onverwijlde spoed een voorziening wordt gevraagd enkelvoudige kamers en bepaalt de bezetting daarvan. Deze kamers kunnen ook andere bij de wet aan hen toebedeelde zaken behandelen en beslissen. 2 Degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer als bedoeld in het eerste lid draagt de titel van voorzieningenrechter. 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering In kort geding als bedoeld in hetdraagt de voorzieningenrechter ter terechtzitting de aanspreektitel van president in kort geding. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 1 artikel 47, eerste lid Het bestuur vormt voor het behandelen en beslissen van strafzaken in eerste aanleg, niet zijnde kantonzaken als bedoeld in, enkelvoudige kamers. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamers. 2 Degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer als bedoeld in het eerste lid draagt de titel van politierechter. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 1 Het bestuur vormt voor het behandelen en beslissen van zaken betreffende economische delicten enkelvoudige en meervoudige kamers onder de benaming van economische kamers. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamers. 2 Degene die zitting heeft in een enkelvoudige economische kamer draagt de titel van economische politierechter. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 1 Het bestuur vormt voor het behandelen en beslissen van kinderzaken enkelvoudige kamers en bepaalt de bezetting daarvan. 2 Degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer voor kinderzaken draagt de titel van kinderrechter. 2001 580 18-12-2001 06-12-2001 26855 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 1 Wet ambtenaren defensie Het bestuur van de rechtbank Den Haag vormt voor het behandelen en beslissen van zaken op grond van deenkelvoudige en meervoudige kamers en bepaalt de bezetting daarvan. 2 Degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer als bedoeld in het eerste lid draagt de titel van militaire ambtenarenrechter. 3 artikelen 7, derde lid 12 13 tot en met 13g artikelen 44, eerste, vierde tot en met achtste en tiende lid 44a, eerste tot en met achtste en tiende lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren Een meervoudige kamer bestaat uit twee rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast en een militair lid, dat bij voorkeur afkomstig is uit het krijgsmachtdeel waartoe degene die beroep heeft ingesteld behoort of behoorde. Op het militaire lid zijn de,envan overeenkomstige toepassing. Tevens zijn de, enop dit lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bestuur van het gerecht wordt aangemerkt als zijn functionele autoriteit, dit lid voor de overeenkomstige toepassing van artikel 44, eerste en zevende lid, wordt gelijkgesteld met plaatsvervangers in hetzelfde gerecht, en de president van het gerecht ten aanzien van dit lid de bevoegdheid, bedoeld in artikel 44, zesde lid, uitoefent. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 1 artikel 2 van de Wet militaire strafrechtspraak Het bestuur van de rechtbank Gelderland vormt voor het behandelen en beslissen van zaken als bedoeld in, enkelvoudige en meervoudige kamers onder de benaming van militaire kamers. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamers. 2 artikelen 7, derde lid 12 13 tot en met 13g artikelen 44, eerste, vierde tot en met achtste en tiende lid 44a, eerste tot en met achtste en tiende lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren Een meervoudige kamer bestaat uit twee rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast en een militair lid, dat bij voorkeur afkomstig is uit het krijgsmachtdeel waartoe de verdachte behoort of behoorde. Bij de behandeling van een zaak tegen verdachten van verschillende krijgsmachtdelen bepaalt de voorzitter van de kamer uit welk krijgsmachtdeel het militaire lid afkomstig is. Op het militaire lid zijn de,envan overeenkomstige toepassing. Tevens zijn de, enop dit lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bestuur van het gerecht wordt aangemerkt als zijn functionele autoriteit, dit lid voor de overeenkomstige toepassing van artikel 44, eerste en zevende lid, wordt gelijkgesteld met plaatsvervangers in hetzelfde gerecht, en de president van het gerecht ten aanzien van dit lid de bevoegdheid, bedoeld in artikel 44, zesde lid, uitoefent. 3 Degene die zitting heeft in een enkelvoudige militaire kamer draagt de titel van militaire politierechter. 2012 666 21-12-2012 20-12-2012 33451 2012 667 21-12-2012 20-12-2012 01-04-2013
Artikel 55a — Artikel 55a#
Artikel 55a 1 artikel 78, eerste en tweede lid, van de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005 Het bestuur van de rechtbank Den Haag vormt voor het behandelen en beslissen van zaken als bedoeld in, enkelvoudige en meervoudige kamers onder de benaming van kamers voor het kwekersrecht. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamers. 2 artikelen 7, derde lid 12 13 tot en met 13g artikelen 44, eerste, vierde tot en met achtste en tiende lid 44a, eerste tot en met achtste en tiende lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren Een meervoudige kamer bestaat uit twee rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast en een persoon, niet zijnde rechterlijk ambtenaar, als deskundig lid. Op het deskundige lid zijn de,envan overeenkomstige toepassing. Tevens zijn de, enop dit lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bestuur van het gerecht wordt aangemerkt als zijn functionele autoriteit, dit lid voor de overeenkomstige toepassing van artikel 44, eerste en zevende lid, wordt gelijkgesteld met plaatsvervangers in hetzelfde gerecht, en de president van het gerecht ten aanzien van dit lid de bevoegdheid, bedoeld in artikel 44, zesde lid, uitoefent. 2012 220 25-05-2012 21-05-2012 29937 2012 664 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 2012 313 13-07-2012 12-07-2012 32891 2012 314 13-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 55b — Artikel 55b#
Artikel 55b Vervallen 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 55c — Artikel 55c#
Artikel 55c Vervallen 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 artikel 8:2, tweede en derde lid, van de Algemene douanewet Het bestuur van de rechtbank Noord-Holland vormt voor het behandelen en beslissen van zaken als bedoeld in, enkelvoudige en meervoudige kamers onder de benaming van douanekamers. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamers. 2012 313 13-07-2012 12-07-2012 32891 2012 314 13-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 Vervallen 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 1 Rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, werkzaam bij de gerechtshoven zijn: a. senior raadsheren; b. raadsheren; c. raadsheren-plaatsvervangers. 2 De rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast in een gerechtshof zijn van rechtswege raadsheer-plaatsvervanger in de overige gerechtshoven. 2010 857 31-12-2010 03-12-2010 31822 2010 857 31-12-2010 03-12-2010 31822 01-01-2011
Artikel 58a — Artikel 58a#
Artikel 58a Vervallen 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 Vervallen 2012 313 13-07-2012 12-07-2012 32891 2012 314 13-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 59a — Artikel 59a#
Artikel 59a Vervallen 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 59b — Artikel 59b#
Artikel 59b Vervallen 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 59c — Artikel 59c#
Artikel 59c Vervallen 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 59d — Artikel 59d#
Artikel 59d Vervallen 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 59e — Artikel 59e#
Artikel 59e Vervallen 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 59f — Artikel 59f#
Artikel 59f Vervallen 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 59g — Artikel 59g#
Artikel 59g Vervallen 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 59h — Artikel 59h#
Artikel 59h Vervallen 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 59i — Artikel 59i#
Artikel 59i Vervallen 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 1 De gerechtshoven oordelen in hoger beroep over de daarvoor vatbare vonnissen, beschikkingen en uitspraken in burgerlijke zaken, strafzaken en belastingzaken van de rechtbanken in hun ressort. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het aan hoger beroep onderworpen deel van het vonnis van een rechtbank in een strafzaak dat betrekking heeft op de vordering van de benadeelde partij indien de vordering meer dan € 1 750 bedraagt. 3 Het bestuur van het gerechtshof kan uit de bij het gerecht werkzame rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast raadsheren-commissarissen aanwijzen, belast met de behandeling van strafzaken. 2004 672 23-12-2004 15-12-2004 29251 2004 692 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005 Treedt volgens Stb. 2004/672 in werking op het tijdstip waarop
artikel XVIII van de Wet organisatie en bestuur gerechten in werking treedt. De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet. 2004 579 16-11-2004 10-11-2004 29254 2004 640 16-12-2004 09-12-2004 01-01-2005 Treedt volgens Stb. 2004/672 in werking op het tijdstip waarop
artikel XVIII van de Wet organisatie en bestuur gerechten in werking treedt. De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2004 692 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005 Treedt volgens Stb. 2004/672 in werking op het tijdstip waarop de Wet belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties in werking treedt. De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 60a — Artikel 60a#
Artikel 60a Vervallen 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2004 692 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005 Treedt volgens Stb. 2004/672 in werking op het tijdstip waarop de Wet belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties in werking treedt. De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 artikel 8:9 van de Algemene wet bestuursrecht De gerechtshoven nemen in eerste aanleg, tevens in hoogste ressort, kennis van jurisdictiegeschillen tussen rechtbanken binnen hun rechtsgebied, met uitzondering van geschillen als bedoeld in. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 61a — Artikel 61a#
Artikel 61a Vervallen 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 61b — Artikel 61b#
Artikel 61b Vervallen 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 62 — Artikel 62#
Artikel 62 1 De gerechtshoven nemen in eerste aanleg, tevens in hoogste ressort, kennis van de voor hoger beroep vatbare burgerlijke zaken waarin partijen zijn overeengekomen deze bij de aanvang van het geding bij wege van prorogatie aanhangig te maken bij het gerechtshof dat in hoger beroep bevoegd zou zijn. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op zaken die niet ter vrije bepaling van partijen staan. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 62a — Artikel 62a#
Artikel 62a 1 Onze Minister kan, gehoord de Raad, een gerechtshof of meerdere gerechtshoven aanwijzen waarvan de zittingsplaatsen onderscheidenlijk overige zittingsplaatsen ten behoeve van een in de aanwijzing te bepalen categorie of categorieën van zaken tijdelijk mede worden aangemerkt als zittingsplaatsen onderscheidenlijk overige zittingsplaatsen van een ander gerechtshof, indien dit noodzakelijk is als gevolg van gebrek aan voldoende zittingscapaciteit binnen het ressort waarin dat andere gerechtshof is gelegen. 2 In de aanwijzing bepaalt Onze Minister voor welke periode de aanwijzing geldt. De aanwijzing geldt ten hoogste drie jaren en kan eenmaal worden verlengd voor de duur van ten hoogste een jaar. 3 Indien de aanwijzing betrekking heeft op strafzaken vindt de aanwijzing niet plaats dan nadat Onze Minister daarover het College van procureurs-generaal heeft gehoord. 4 De aanwijzing wordt gepubliceerd in de Staatscourant. 5 Het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een verlenging van de aanwijzing. 2020 388 21-10-2020 07-10-2020 35375 2020 459 18-11-2020 03-11-2020 01-01-2021 Artikel III van Stb. 2020/388 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 62b — Artikel 62b#
Artikel 62b Het gerechtshof kan een zaak ter verdere behandeling verwijzen naar een ander gerechtshof, indien naar zijn oordeel door betrokkenheid van het gerechtshof behandeling van die zaak door een ander gerechtshof gewenst is. 2012 313 13-07-2012 12-07-2012 32891 2012 314 13-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 63 — Artikel 63#
Artikel 63 1 Het bestuur vormt voor het behandelen en beslissen van zaken waarvoor in verband met onverwijlde spoed een voorziening wordt gevraagd enkelvoudige kamers en bepaalt de bezetting daarvan. Deze kamers kunnen ook andere bij de wet aan hen toebedeelde zaken behandelen en beslissen. 2 Degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer als bedoeld in het eerste lid draagt de titel van voorzieningenrechter. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 2001 584 18-12-2001 06-12-2001 27878 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 64 — Artikel 64#
Artikel 64 Het bestuur vormt voor het behandelen en beslissen van zaken waarin door de economische kamers van de rechtbanken vonnis is gewezen dan wel een bevel of een beschikking is gegeven, enkelvoudige en meervoudige kamers onder de benaming van economische kamers. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamers. 2006 470 24-10-2006 05-10-2006 30320 2007 70 22-02-2007 10-02-2007 01-03-2007
Artikel 65 — Artikel 65#
Artikel 65 Het bestuur van het gerechtshof Amsterdam vormt voor het behandelen en beslissen in hoger beroep van zaken waarin door de douanekamers van de rechtbank Noord-Holland uitspraak is gedaan enkelvoudige en meervoudige kamers onder de benaming van douanekamers. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamers. 2012 313 13-07-2012 12-07-2012 32891 2012 314 13-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 66 — Artikel 66#
Artikel 66 1 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek artikelen 173 217 van de Pensioenwet artikelen 168 211a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling artikel 5 van de Wet op de Europese ondernemingsraden artikel 26 van de Wet op de ondernemingsraden artikel 36 van de Wet medezeggenschap op scholen artikelen 997 1000 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Het bestuur van het gerechtshof Amsterdam vormt voor het behandelen en beslissen van zaken als bedoeld in, deen, deen,,,en deeneen meervoudige kamer onder de benaming van ondernemingskamer en bepaalt de bezetting daarvan. 2 artikelen 7, derde lid 12 13 tot en met 13g artikelen 46c 46ca 46d 46f 46i, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c 46j 46l, eerste en derde lid 46m 46o 46p van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren artikel 46j artikel 46o, tweede lid artikelen 44, eerste, vierde tot en met achtste en tiende lid 44a, eerste tot en met achtste en tiende lid, van deze wet De ondernemingskamer bestaat uit drie rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast en twee personen, niet zijnde rechterlijk ambtenaar, als deskundige leden. Op de deskundige leden zijn de,envan deze wet en de,,,,,,,,envan overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de overeenkomstige toepassing vanonderscheidenlijk, onder functionele autoriteit wordt verstaan: bestuur onderscheidenlijk president van het gerecht. Tevens zijn de, enop hen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bestuur van het gerecht wordt aangemerkt als hun functionele autoriteit, zij voor de overeenkomstige toepassing van artikel 44, eerste en zevende lid, worden gelijkgesteld met plaatsvervangers in hetzelfde gerecht, en de president van het gerecht ten aanzien van hen de bevoegdheid, bedoeld in artikel 44, zesde lid, uitoefent. 3 artikel 46d, onderdeel i, van de Wet op de ondernemingsraden Het bestuur van het gerechtshof Den Haag vormt voor het behandelen en beslissen van zaken als bedoeld ineen meervoudige kamer en bepaalt de bezetting daarvan. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing. 4 De deskundige leden worden bij koninklijk besluit benoemd voor een periode van vijf jaar. Er kunnen ook plaatsvervangers worden benoemd. Zij worden op eigen verzoek bij koninklijk besluit ontslagen. 5 bijlage De deskundige leden leggen alvorens zij met hun werkzaamheden aanvangen de eed of belofte af volgens het formulier zoals dat is vastgesteld in debij deze wet. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over hun beëdiging. 6 Met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin een deskundig lid of een plaatsvervangend lid van de ondernemingskamer de leeftijd van zeventig jaren heeft bereikt, wordt aan hem bij koninklijk besluit ontslag verleend. 7 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het kostuum, de afwezigheid, de afwisseling, de vergoeding voor reis- en verblijfskosten en nadere vergoeding van de deskundige leden en hun plaatsvervangers. 2025 124 14-05-2025 23-04-2025 36638 2025 155 12-06-2025 28-05-2025 01-07-2025 Artikel LIIA van Stb. 2025/124 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 67 — Artikel 67#
Artikel 67 1 artikelen 6:6:15 6:6:23f 6:6:37 van het Wetboek van Strafvordering Het bestuur van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vormt een meervoudige kamer die is belast met het behandelen en beslissen van zaken in beroep als bedoeld in de,en. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamer. 2 artikel 43b van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen artikelen 2:11, derde lid 2:27, vierde lid, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties Deze kamer is voorts belast met de hem opgedragen taken inen de, en. Deze kamer is tevens belast met het geven van de last, bedoeld in artikel 37a, zesde en zevende lid, van het Wetboek van Strafrecht. 3 artikelen 6:6:15 6:6:37, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering artikelen 46c 46ca 46d 46f 46i, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c 46j 46l, eerste en derde lid 46m 46o 46p van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren artikelen 44, eerste, vierde tot en met achtste en tiende lid 44a, eerste tot en met achtste en tiende lid, van deze wet artikelen 7, derde lid 12 13 tot en met 13g Deze kamer wordt voor de beslissing in zaken in beroep als bedoeld in deenaangevuld met twee personen, niet zijnde rechterlijk ambtenaar, als deskundige leden. In de overige zaken kan de voorzitter van de kamer deze leden toevoegen. Op de deskundige leden zijn de,envan deze wet en de,,,,,,,,envan overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de overeenkomstige toepassing van artikel 46j onderscheidenlijk artikel 46o, tweede lid, onder functionele autoriteit wordt verstaan: bestuur onderscheidenlijk president van het gerecht. Tevens zijn de, enop hen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bestuur van het gerecht wordt aangemerkt als hun functionele autoriteit, zij voor de overeenkomstige toepassing van artikel 44, eerste en zevende lid, worden gelijkgesteld met plaatsvervangers in hetzelfde gerecht, en de president van het gerecht ten aanzien van hen de bevoegdheid, bedoeld in artikel 44, zesde lid, uitoefent. 4 De deskundige leden worden bij koninklijk besluit benoemd voor een periode van vijf jaar. Er kunnen ook plaatsvervangers worden benoemd. Zij worden op eigen verzoek bij koninklijk besluit ontslagen. 5 bijlage De deskundige leden leggen alvorens zij met hun werkzaamheden aanvangen de eed of belofte af volgens het formulier zoals dat is vastgesteld in debij deze wet. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over hun beëdiging. 6 Met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin een deskundig lid of een plaatsvervangend lid van de penitentiaire kamer de leeftijd van zeventig jaren heeft bereikt, wordt aan hem bij koninklijk besluit ontslag verleend. 7 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het kostuum, de afwezigheid, de afwisseling, de vergoeding voor reis- en verblijfskosten en nadere vergoeding van de deskundige leden en hun plaatsvervangers. 2025 124 14-05-2025 23-04-2025 36638 2025 155 12-06-2025 28-05-2025 01-07-2025 Artikel LIIA van Stb. 2025/124 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 68 — Artikel 68#
Artikel 68 1 Het bestuur van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vormt voor het behandelen en beslissen van zaken waarin door de militaire kamer van de rechtbank Gelderland vonnis is gewezen een meervoudige kamer onder de benaming van militaire kamer. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamer. 2 artikelen 7, derde lid 12 13 tot en met 13g artikelen 44, eerste, vierde tot en met achtste en tiende lid 44a, eerste tot en met achtste en tiende lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren De militaire kamer bestaat uit twee rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast en een militair lid, dat bij voorkeur behoort tot het krijgsmachtdeel waartoe de verdachte behoort of behoorde. Bij de behandeling van een zaak tegen verdachten van verschillende krijgsmachtdelen bepaalt de voorzitter van de kamer uit welk krijgsmachtdeel het militaire lid afkomstig is. Op het militaire lid zijn de,envan overeenkomstige toepassing. Tevens zijn de, enop dit lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bestuur van het gerecht wordt aangemerkt als zijn functionele autoriteit, dit lid voor de overeenkomstige toepassing van artikel 44, eerste en zevende lid, wordt gelijkgesteld met plaatsvervangers in hetzelfde gerecht, en de president van het gerecht ten aanzien van dit lid de bevoegdheid, bedoeld in artikel 44, zesde lid, uitoefent. 3 artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering De militaire kamer oordeelt ook over het beklag over niet vervolging in militaire zaken als bedoeld in. 2012 666 21-12-2012 20-12-2012 33451 2012 667 21-12-2012 20-12-2012 01-04-2013
Artikel 69 — Artikel 69#
Artikel 69 1 artikel 1019o, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Het bestuur van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vormt voor het behandelen en beslissen van zaken als bedoeld in, een meervoudige kamer onder de benaming van pachtkamer. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamer. 2 artikelen 7, derde lid 12 13 tot en met 13g De pachtkamer bestaat uit drie rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast en twee personen, niet zijnde rechterlijk ambtenaar, als deskundige leden. Op de deskundige leden zijn de,envan overeenkomstige toepassing. 2012 313 13-07-2012 12-07-2012 32891 2012 314 13-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 69a — Artikel 69a#
Artikel 69a 1 De deskundige leden van de pachtkamer van het gerechtshof en hun plaatsvervangers worden benoemd bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister. Zij worden genoemd raad, onderscheidenlijk plaatsvervangende raad in de pachtkamer van het gerechtshof. 2 artikelen 48a, tweede, derde, vierde, vijfde lid en zesde lid 48b Het bepaalde in de, enis mede op deze leden en hun plaatsvervangers van toepassing. 2011 256 31-05-2011 19-05-2011 32562 2011 324 29-06-2011 27-06-2011 01-07-2011
Artikel 70 — Artikel 70#
Artikel 70 1 artikel 78, derde lid, van de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005 Het bestuur van het gerechtshof Den Haag vormt voor het behandelen en beslissen van zaken als bedoeld in, een meervoudige kamer onder de benaming van kamer voor het kwekersrecht. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamer. 2 artikelen 7, derde lid 12 13 tot en met 13g artikelen 44, eerste, vierde tot en met achtste en tiende lid 44a, eerste tot en met achtste en tiende lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren De kamer voor het kwekersrecht bestaat uit drie rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast en twee personen, niet zijnde rechterlijk ambtenaar, als deskundige leden. Op de deskundige leden zijn de,envan overeenkomstige toepassing. Tevens zijn de, enop deze leden van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bestuur van het gerecht wordt aangemerkt als hun functionele autoriteit, zij voor de overeenkomstige toepassing van artikel 44, eerste en zevende lid, worden gelijkgesteld met plaatsvervangers in hetzelfde gerecht, en de president van het gerecht ten aanzien van hen de bevoegdheid, bedoeld in artikel 44, zesde lid, uitoefent. 2012 313 13-07-2012 12-07-2012 32891 2012 314 13-07-2012 12-07-2012 01-01-2013 2012 220 25-05-2012 21-05-2012 29937 2012 664 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013
Artikel 71 — Artikel 71#
Artikel 71 Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften artikel 154b van de Gemeentewet Het bestuur van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vormt enkelvoudige en meervoudige kamers voor het behandelen en beslissen van zaken op basis van deen op basis van. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamers. 2012 313 13-07-2012 12-07-2012 32891 2012 314 13-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 72 — Artikel 72#
Artikel 72 1 De Hoge Raad bestaat uit een president, ten hoogste zeven vice-presidenten, ten hoogste dertig raadsheren en ten hoogste twintig raadsheren in buitengewone dienst. 2 De raadsheren in buitengewone dienst verrichten, als raadsheer, werkzaamheden voorzover zij daartoe door de president worden opgeroepen. 3 Bij de Hoge Raad is een griffier werkzaam. 4 Bij de Hoge Raad kunnen gerechtsauditeurs en een substituut-griffier werkzaam zijn. 5 Voor de toepassing van het eerste lid worden de president van, de vice-presidenten van en de raadsheren in de Hoge Raad aan wie buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging is verleend, voor de duur van dat verlof en gedurende ten hoogste een jaar daarna buiten beschouwing gelaten. 6 Voor de toepassing van het eerste lid worden rechterlijke ambtenaren die zijn aangesteld voor een minder dan volledige arbeidsduur, geteld overeenkomstig de breuk die hun arbeidsduur aangeeft. 2020 416 04-11-2020 14-10-2020 35550 2021 281 18-06-2021 10-06-2021 01-07-2021
Artikel 73 — Artikel 73#
Artikel 73 1 In geval van ziekte of andere verhindering wordt de president vervangen door een vice-president. 2 In geval van ziekte of andere verhindering van de griffier wordt hij, bij gebreke van een substituut-griffier, vervangen door een waarnemend griffier. 3 De waarnemend griffiers worden door Onze Minister aangewezen op aanbeveling van de Hoge Raad. Alvorens voor de eerste keer door de president van de Hoge Raad te worden opgeroepen leggen zij de eed of belofte af. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt het formulier voor de eed of belofte vastgesteld en worden regels gesteld over de beëdiging. Aan een waarnemend griffier wordt volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels door Onze Minister een vergoeding toegekend. 4 Een waarnemend griffier wordt op eigen verzoek door Onze Minister ontslagen. Onze Minister stelt de president van de Hoge Raad hiervan op de hoogte. 5 Onze Minister kan een waarnemend griffier ontslaan: a. indien hij gedurende een periode van ten minste drie jaar geen griffierswerkzaamheden heeft verricht; b. op grond van ongeschiktheid anders dan wegens ziekte; of c. wegens het doen of nalaten van iets wat een persoon, werkzaam ten behoeve van de Hoge Raad, behoort na te laten of te doen. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 74 — Artikel 74#
Artikel 74 De Hoge Raad geeft advies of inlichtingen wanneer dat vanwege de regering wordt gevraagd. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 75 — Artikel 75#
Artikel 75 1 De Hoge Raad vormt, op voorstel van de president, een of meer meervoudige kamers en, voor de gevallen waarin de wet dat voorschrijft, een of meer enkelvoudige kamers en bepaalt de bezetting daarvan. 2 Bij de Hoge Raad worden zaken, behoudens bij de wet bepaalde uitzonderingen, behandeld en beslist door vijf leden van een meervoudige kamer, van wie een als voorzitter optreedt. 3 De voorzitter van een meervoudige kamer kan bepalen dat een zaak die daarvoor naar zijn oordeel geschikt is, wordt behandeld en beslist door drie leden van die kamer. Indien de zaak naar het oordeel van een van deze leden ongeschikt is voor behandeling en beslissing door drie leden, wordt de behandeling voortgezet door vijf leden. 4 De Hoge Raad stelt, op voorstel van de president, een reglement van inwendige dienst vast. In dit reglement wordt de indeling in kamers vastgelegd. 5 Het reglement wordt gepubliceerd in de Staatscourant. 6 Artikel 26, vierde tot en met zesde lid De Hoge Raad stelt een regeling vast voor de behandeling van klachten., is van overeenkomstige toepassing. 2011 255 31-05-2011 19-05-2011 32021 2011 324 29-06-2011 27-06-2011 01-07-2011 Artikel XXII, eerste lid, van Stb. 2011/255 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 76 — Artikel 76#
Artikel 76 1 De Hoge Raad neemt in eerste instantie, tevens in hoogste ressort, kennis van de ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen begaan door de leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen. 2 artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht Onder ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen worden hier begrepen strafbare feiten begaan onder een der verzwarende omstandigheden omschreven in. 3 In de gedingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, is de Hoge Raad tevens bevoegd kennis te nemen van de vordering tot vergoeding van kosten en schaden ten behoeve van de benadeelde partij. 4 In de gedingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, oordeelt de Hoge Raad met een aantal van tien raadsheren. Bij het staken der stemmen wordt een uitspraak ten voordele van de verdachte gedaan. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 77 — Artikel 77#
Artikel 77 1 De Hoge Raad neemt in eerste aanleg, tevens in hoogste ressort, kennis van jurisdictiegeschillen tussen: a. artikel 61 rechtbanken, tenzijvan toepassing is; b. gerechtshoven; c. een gerechtshof en een rechtbank; d. een tot de rechterlijke macht behorend gerecht en een niet tot de rechterlijke macht behorend gerecht; e. bestuursrechters, tenzij een andere bestuursrechter daartoe bevoegd is. 2 Indien het jurisdictiegeschil is gerezen tussen de Hoge Raad en een ander in het eerste lid genoemd gerecht, wordt de Hoge Raad ter beslissing daarvan zoveel mogelijk samengesteld uit raadsheren die van de zaak nog geen kennis genomen hebben. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 78 — Artikel 78#
Artikel 78 1 De Hoge Raad neemt kennis van het beroep in cassatie tegen de handelingen, arresten, vonnissen en beschikkingen van de gerechtshoven en de rechtbanken, ingesteld hetzij door een partij, hetzij «in het belang der wet» door de procureur-generaal bij de Hoge Raad. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op de handelingen en uitspraken van de rechtbanken in zaken waarvan zij als bestuursrechter kennis nemen. 3 Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften artikel 154b van de Gemeentewet Het eerste lid is voorts niet van toepassing ten aanzien van de handelingen en beslissingen van de rechtbanken en van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in zaken met betrekking tot deen in zaken betreffende bestuurlijke boeten opgelegd op grond van, met dien verstande dat de Hoge Raad wel kennis neemt van de eis tot «cassatie in het belang der wet» door de procureur-generaal. 4 De Hoge Raad neemt kennis van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter voorzover dit bij wet is bepaald. 5 artikel 32 van de Instellingswet Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming De Hoge Raad neemt kennis van het beroep in cassatie ingesteld «in het belang der wet» tegen uitspraken van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming, bedoeld in. 6 Een partij kan geen beroep in cassatie instellen indien voor haar een ander gewoon rechtsmiddel openstaat of heeft opengestaan. 7 Cassatie «in het belang der wet» kan niet worden ingesteld indien voor partijen een gewoon rechtsmiddel openstaat en brengt geen nadeel toe aan de rechten door partijen verkregen 2015 140 10-04-2015 01-04-2015 33970 2015 166 07-05-2015 24-04-2015 01-07-2015
Artikel 79 — Artikel 79#
Artikel 79 1 De Hoge Raad vernietigt handelingen, arresten, vonnissen en beschikkingen: a. wegens verzuim van vormen voorzover de niet-inachtneming daarvan uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm; b. wegens schending van het recht met uitzondering van het recht van vreemde staten. 2 Feiten waaruit het gelden of niet gelden van een regel van gewoonterecht wordt afgeleid, worden voorzover zij bewijs behoeven, alleen op grond van de bestreden beslissing als vaststaande aangenomen. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 80 — Artikel 80#
Artikel 80 1 Tegen een vonnis of een beschikking van een kantonrechter in een burgerlijke zaak waartegen geen hoger beroep kan of kon worden ingesteld, kan een partij slechts beroep in cassatie instellen wegens: a. het niet inhouden van de gronden waarop het vonnis of de beschikking berust; b. het niet in het openbaar gedaan zijn van het vonnis of, voorzover rechtens vereist, de beschikking; c. onbevoegdheid; of d. overschrijding van rechtsmacht. 2 Een vonnis van een kantonrechter in een strafzaak kan, afgezien van het geval van cassatie «in het belang der wet», wegens geen ander verzuim van vormen worden vernietigd dan wegens: a. het niet inhouden van het ten laste gelegde dan wel, in geval van een bewezenverklaring, het ten laste gelegde alsmede de gronden waarop het vonnis berust; b. het niet beslissen op de grondslag van de tenlastelegging; c. artikel 358, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering het niet geven van de beslissing, bedoeld in, dan wel het niet geven van de redenen voor deze beslissing; of d. het niet in het openbaar gewezen zijn van het vonnis. 2005 455 20-09-2005 08-09-2005 28863 2005 484 13-10-2005 29-09-2005 15-10-2005 Artikel XIII van Stb. 2005/455 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 80a — Artikel 80a#
Artikel 80a 1 De Hoge Raad kan, gehoord de procureur-generaal, het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren wanneer de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de partij die het cassatieberoep instelt klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. 2 De Hoge Raad neemt een beslissing als bedoeld in het eerste lid niet dan nadat de Hoge Raad kennis heeft genomen van: a. artikel 407 artikel 426a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 411, eerste lid artikel 426b van dat Wetboek de procesinleiding, bedoeld inonderscheidenlijk, en het verweerschrift, bedoeld in, onderscheidenlijk, voor zover ingediend; b. artikel 437 van het Wetboek van Strafvordering de schriftuur, houdende de middelen van cassatie, bedoeld in; dan wel c. artikel 28 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 29b, van die wet het beroepschrift waarbij beroep in cassatie wordt ingesteld, bedoeld in, en het verweerschrift, bedoeld in, voor zover ingediend. 3 Het beroep in cassatie wordt behandeld en beslist door drie leden van een meervoudige kamer, van wie een als voorzitter optreedt. 4 Indien de Hoge Raad toepassing geeft aan het eerste lid, kan hij zich bij de vermelding van de gronden van zijn beslissing beperken tot dit oordeel. 2016 290 21-07-2016 13-07-2016 34212 2021 81 19-02-2021 04-02-2021 01-04-2021 Treedt ook in werking voor zover het betreft het verzoekschrift,
bedoeld in artikel 426a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Artikel 81 — Artikel 81#
Artikel 81 1 Indien de Hoge Raad oordeelt dat een aangevoerde klacht niet tot cassatie kan leiden en niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, kan hij zich bij de vermelding van de gronden van zijn beslissing beperken tot dit oordeel. 2 Het beroep in cassatie wordt behandeld en beslist door drie leden van een meervoudige kamer, van wie een als voorzitter optreedt. 2012 116 23-03-2012 15-03-2012 32576 2012 175 26-04-2012 18-04-2012 01-07-2012
Artikel 81a — Artikel 81a#
Artikel 81a De Hoge Raad neemt kennis van door de rechtbanken en de gerechtshoven gestelde prejudiciële vragen. 2012 65 17-02-2012 09-02-2012 32612 2012 166 24-04-2012 18-04-2012 01-07-2012
Artikel 82 — Artikel 82#
Artikel 82 1 De Hoge Raad is belast met de beëdiging van functionarissen ten aanzien van wie zulks bij of krachtens de wet is bepaald. 2 De in het eerste lid bedoelde taak wordt uitgeoefend door de president van de Hoge Raad. De beëdiging geschiedt op vordering van de procureur-generaal. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 83 — Artikel 83#
Artikel 83 De rechtbanken, de gerechtshoven en de presidenten geven inlichtingen wanneer die door de Hoge Raad voor de behandeling van een zaak noodzakelijk worden geacht. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 83a — Artikel 83a#
Artikel 83a Vervallen 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 84 — Artikel 84#
Artikel 84 1 Er is een Raad voor de rechtspraak. 2 De Raad bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden. 3 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister benoemd voor een periode van zes jaar. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd voor een periode van drie jaar. Voorafgaand aan een benoeming als lid van de Raad wordt van betrokkene een verklaring omtrent het gedrag, niet ouder dan drie maanden en afgegeven volgens de, verlangd. 4 artikel 5f, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren Indien de Raad bestaat uit drie of vier leden onderscheidenlijk uit vijf leden, zijn twee leden onderscheidenlijk drie leden rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast dan wel met rechtspraak belaste leden van de Centrale Raad van Beroep of het College van Beroep voor het bedrijfsleven, die hun rechtsprekend ambt op basis van een aanstelling als bedoeld invervullen. De overige leden van de Raad zijn geen rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, dan wel met rechtspraak belaste leden van de Centrale Raad van Beroep of het College van Beroep voor het bedrijfsleven. 5 Een van de rechterlijke leden wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister tot voorzitter van de Raad benoemd. 6 De leden kunnen niet tevens zijn: a. lid van het bestuur van een gerecht; b. lid van de Staten-Generaal; c. minister of staatssecretaris; d. vice-president of lid van de Raad van State; e. president of lid van de Algemene Rekenkamer; f. Nationale ombudsman of substituut-ombudsman; g. ambtenaar bij een ministerie, alsmede de daaronder ressorterende instellingen, diensten en bedrijven; h. artikel 1, onderdeel b, onder 1° en 4° tot en met 9° rechterlijk ambtenaar, als bedoeld in; i. artikel 90 lid van het College van Afgevaardigden, bedoeld in. 2018 298 07-09-2018 27-06-2018 33861 2018 446 04-12-2018 20-11-2018 01-01-2019
Artikel 84a — Artikel 84a#
Artikel 84a Vervallen 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 85 — Artikel 85#
Artikel 85 1 artikel 84, derde lid Voorafgaand aan de voordracht, bedoeld in, stelt Onze Minister in overeenstemming met de Raad een lijst vast van maximaal zes personen die voor de vervulling van de desbetreffende vacature in aanmerking lijken te komen. 2 De lijst wordt ter beschikking gesteld aan een commissie van aanbeveling. Deze bestaat uit een president van een gerecht, een vertegenwoordiger van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, een lid van het College van afgevaardigden, het niet-rechterlijk lid van een gerechtsbestuur en een door Onze Minister aangewezen persoon. De president is voorzitter. 3 De commissie stelt uit de lijst een aanbeveling op van maximaal drie personen. Zij zendt deze uiterlijk acht weken na vaststelling van de lijst aan Onze Minister. 4 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de procedure, bedoeld in dit artikel. 2012 313 13-07-2012 12-07-2012 32891 2012 314 13-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 86 — Artikel 86#
Artikel 86 1 artikelen 1ab 7 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren De rechterlijke leden van de Raad ontvangen gedurende hun benoemingsduur als lid van de Raad, in plaats van het salaris overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens deen, een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen salaris behorende bij de functie van voorzitter of ander rechterlijk lid van de Raad. 2 artikel 84 Een lid van de Raad wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen bij de aanvaarding van een ambt dat of een betrekking die volgensonverenigbaar is met het lidmaatschap van de Raad. Een niet-rechterlijk lid van de Raad wordt tevens als lid van de Raad bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen indien hij wordt benoemd als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast, met rechtspraak belast lid van de Centrale Raad van Beroep of met rechtspraak belast lid van het College van Beroep voor het bedrijfsleven. 3 artikel 5f, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren Een rechterlijk lid van de Raad wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen onderscheidenlijk geschorst als lid van de Raad indien hij als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast dan wel met rechtspraak belast lid van de Centrale Raad van Beroep of het College van Beroep voor het bedrijfsleven wordt ontslagen onderscheidenlijk geschorst, tenzij dat ontslag of die schorsing alleen een rechtsprekend ambt betreft dat hij niet op basis van een aanstelling als bedoeld invervult. 4 Een rechterlijk lid van de Raad wordt op eigen verzoek bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen. 5 Een niet-rechterlijk lid van de Raad wordt disciplinair gestraft, geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister. 6 Ambtenarenwet 2017 titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek Ten aanzien van een niet-rechterlijk lid van de Raad worden de bevoegdheden uit deenuitgeoefend door de Raad, uitgezonderd het niet-rechterlijk lid van de Raad. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de uitoefening van rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van een niet-rechterlijk lid door de Raad uitgezonderd het niet-rechterlijk lid. 7 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de uitoefening van rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van een rechterlijk lid door de Raad uitgezonderd het rechterlijk lid. 8 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de rechtspositie van de leden van de Raad, waaronder in ieder geval regels betreffende het salaris van de leden van de Raad. 9 Artikel 3, onderdeel a, van de Ambtenarenwet 2017 is niet van toepassing op een niet-rechterlijk lid van de Raad. 2022 208 08-06-2022 25-05-2022 36006 2023 176 31-05-2023 15-05-2023 01-07-2023
Artikel 87 — Artikel 87#
Artikel 87 1 Indien de Raad bestaat uit drie leden, kan hij alleen beslissingen nemen indien ten minste twee leden aanwezig zijn. Indien de Raad bestaat uit vier of vijf leden, kan hij alleen beslissingen nemen indien ten minste drie leden aanwezig zijn. 2 De Raad beslist bij meerderheid van stemmen. 3 Indien de stemmen staken, geeft de stem van de voorzitter de doorslag. 4 De Raad stelt bij reglement nadere regels vast met betrekking tot zijn werkwijze en besluitvorming. Het reglement wordt aan Onze Minister gezonden en gepubliceerd in de Staatscourant. 2011 255 31-05-2011 19-05-2011 32021 2011 324 29-06-2011 27-06-2011 01-07-2011 Artikel XXII, eerste lid, van Stb. 2011/255 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 88 — Artikel 88#
Artikel 88 Afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht De Raad kan een of meer leden machtigen een of meer van zijn bevoegdheden uit te oefenen.is van overeenkomstige toepassing. 2001 580 18-12-2001 06-12-2001 26855 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 2001 583 18-12-2001 06-12-2001 27182 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 89 — Artikel 89#
Artikel 89 1 Te zijner ondersteuning beschikt de Raad over een bureau. 2 Voor tot het bureau behorende ambtenaren gelden de arbeidsvoorwaarden die zijn opgenomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de uitoefening van rechtspositionele bevoegdheden door de Raad ten aanzien van de tot het bureau behorende ambtenaren. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 90 — Artikel 90#
Artikel 90 1 Er is een College van afgevaardigden. 2 Het College bestaat uit vertegenwoordigers van de gerechten, de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de samenstelling en inrichting van het College en de afvaardiging van de leden. 3 Het College heeft tot taak de Raad gevraagd of ongevraagd te adviseren omtrent de uitvoering van zijn taken. 4 De Raad verstrekt desgevraagd aan het College de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. 2001 580 18-12-2001 06-12-2001 26855 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 2001 583 18-12-2001 06-12-2001 27182 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 91 — Artikel 91#
Artikel 91 1 De Raad is belast met: a. de voorbereiding van de begroting voor de Raad en de gerechten gezamenlijk; b. de toekenning van budgetten ten laste van de rijksbegroting aan de gerechten; c. de ondersteuning van de bedrijfsvoering bij de gerechten; d. het toezicht op de uitvoering van de begroting door de gerechten; e. het toezicht op de bedrijfsvoering bij de gerechten; f. landelijke activiteiten op het gebied van werving, selectie, aanstelling, benoeming en opleiding van het personeel bij de gerechten. 2 Ter uitvoering van de in het eerste lid, onder c en e, genoemde taken is de zorg van de Raad in het bijzonder gericht op: a. automatisering en bestuurlijke informatievoorziening; b. huisvesting en beveiliging; c. de kwaliteit van de bestuurlijke en organisatorische werkwijze van de gerechten; d. personeelsaangelegenheden; e. overige materiële voorzieningen. 2001 580 18-12-2001 06-12-2001 26855 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 2001 583 18-12-2001 06-12-2001 27182 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 92 — Artikel 92#
Artikel 92 1 artikel 91 De Raad kan ter uitvoering van de ingenoemde taken algemene aanwijzingen geven aan de besturen van de gerechten voorzover dit noodzakelijk is met het oog op een goede bedrijfsvoering van de gerechten. 2 Alvorens een aanwijzing te geven stelt de Raad het College van afgevaardigden in de gelegenheid zijn zienswijze kenbaar te maken. In de motivering van de aanwijzing geeft de Raad aan op welke wijze hij de zienswijze van het College in zijn beoordeling heeft betrokken. 3 Een aanwijzing wordt gepubliceerd in de Staatscourant. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 2001 583 18-12-2001 06-12-2001 27182 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 93 — Artikel 93#
Artikel 93 1 artikel 91 Onze Minister kan algemene aanwijzingen geven betreffende de uitvoering van de ingenoemde taken door de Raad voorzover dit noodzakelijk is met het oog op een goede bedrijfsvoering van de rechterlijke organisatie. 2 Alvorens een aanwijzing te geven als bedoeld in het eerste lid, stelt Onze Minister de Raad in de gelegenheid schriftelijk zijn zienswijze kenbaar te maken. 3 Onze Minister deelt de Raad de voorgenomen aanwijzing en de motivering daarvan schriftelijk mede. Onze Minister kan de Raad voor het kenbaar maken van zijn zienswijze een termijn stellen. De zienswijze van de Raad wordt schriftelijk en gemotiveerd gegeven. 4 artikel 109 Indien de zienswijze van de Raad luidt dat de aanwijzing in strijd zal zijn met, wordt de aanwijzing niet gegeven. 5 De aanwijzing wordt gepubliceerd in de Staatscourant. 6 Artikel 8:2, onderdelen a en b, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 2001 583 18-12-2001 06-12-2001 27182 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 94 — Artikel 94#
Artikel 94 De Raad heeft tot taak ondersteuning te bieden aan activiteiten van de gerechten die gericht zijn op uniforme rechtstoepassing en bevordering van de juridische kwaliteit. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 2001 583 18-12-2001 06-12-2001 27182 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 95 — Artikel 95#
Artikel 95 1 De Raad heeft tot taak regering en Staten-Generaal te adviseren omtrent algemeen verbindende voorschriften en te voeren beleid van het Rijk op het terrein van de rechtspleging. De adviezen van de Raad worden vastgesteld na overleg met de gerechten. 2 Hoofdstuk 4 van de Kaderwet adviescolleges is van overeenkomstige toepassing. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 2001 583 18-12-2001 06-12-2001 27182 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 96 — Artikel 96#
Artikel 96 1 artikelen 94 95 Bij de uitvoering van de taken, bedoeld in deen, treedt de Raad niet in de procesrechtelijke behandeling van, de inhoudelijke beoordeling van alsmede de beslissing in een concrete zaak. 2 Bij de uitvoering van de overige taken en bevoegdheden, toegedeeld bij of krachtens deze wet, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de Raad ook niet treedt in de procesrechtelijke behandeling van, de inhoudelijke beoordeling van alsmede de beslissing in categorieën van zaken. 2001 580 18-12-2001 06-12-2001 26855 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 De wijzigingsopdracht is niet geheel juist. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 2001 583 18-12-2001 06-12-2001 27182 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 96a — Artikel 96a#
Artikel 96a Artikel 26, vierde tot en met zesde lid De Raad stelt een regeling vast voor de behandeling van klachten., is van overeenkomstige toepassing. 2011 255 31-05-2011 19-05-2011 32021 2011 324 29-06-2011 27-06-2011 01-07-2011 Artikel XXII, eerste lid, van Stb. 2011/255 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 97 — Artikel 97#
Artikel 97 1 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de financiering van de rechtspraak. Daartoe behoren in elk geval regels betreffende: a. de objectieve meting van de werklast bij de gerechten; b. de vergoeding van de gerechtskosten; c. de voorschriften die aan de financiering kunnen worden verbonden in verband met de activiteiten van de gerechten en de daaraan verbonden werklast; d. de wijze waarop bij de financiering rekening kan worden gehouden met de naleving van de in onderdeel c bedoelde voorschriften in de voorafgaande periode; e. het door de Raad en de gerechten toe te passen begrotingsstelsel. 2 Voordat een voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt gedaan, stelt Onze Minister de Raad in de gelegenheid schriftelijk zijn zienswijze kenbaar te maken. In de nota van toelichting bij de algemene maatregel van bestuur wordt aangegeven in hoeverre en op welke gronden van de zienswijze van de Raad is afgeweken. 3 De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is voorgelegd. 4 artikel 104, eerste lid In het verslag, bedoeld in, besteedt de Raad aandacht aan de wijze waarop de algemene maatregel van bestuur is toegepast. Daarbij geeft de Raad aan op welke wijze de toepassing van de regeling zich verhoudt tot de kwaliteit van de taakuitvoering door de gerechten en doet hij zo nodig voorstellen tot wijziging. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 2001 583 18-12-2001 06-12-2001 27182 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 98 — Artikel 98#
Artikel 98 1 artikel 97, eerste lid Met inachtneming van de regels, bedoeld in, stelt de Raad jaarlijks, voorafgaand aan het desbetreffende begrotingsjaar, een voorstel vast voor een begroting van de Raad en de gerechten gezamenlijk, met inbegrip van de aan het toe te kennen budget te verbinden voorschriften, alsmede een meerjarenraming voor ten minste vier op het begrotingsjaar volgende jaren. 2 Alvorens de Raad het begrotingsvoorstel en de meerjarenraming vaststelt, voert de Raad overleg met de gerechten. 3 De Raad zendt het begrotingsvoorstel en de meerjarenraming voor een door Onze Minister te bepalen tijdstip aan Onze Minister. 4 artikel 45, eerste lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet artikel 107, eerste lid, van de Wet op het notarisambt Voor zover het begrotingsvoorstel en de meerjarenbegroting zien op tuchtklachten die op grond vanworden behandeld door het gerechtshof Amsterdam wordt de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders gehoord. Voor zover het begrotingsvoorstel en de meerjarenbegroting zien op tuchtklachten die op grond vanworden behandeld door het gerechtshof Amsterdam wordt de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie gehoord. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de voorbereiding en de inrichting van het begrotingsvoorstel en de meerjarenraming, met inbegrip van de daarbij behorende toelichting en bijlagen. 2016 500 16-12-2016 07-12-2016 34145 2017 86 15-03-2017 06-03-2017 01-01-2018
Artikel 99 — Artikel 99#
Artikel 99 1 artikel 2.1, zesde lid, van de Comptabiliteitswet 2016 De departementale begroting, bedoeld inwordt door Onze Minister opgesteld in overeenstemming met het begrotingsvoorstel van de Raad, tenzij zich het geval voordoet, bedoeld in het derde lid. 2 Indien Onze Minister zich met het oog op een rechtmatig en doelmatig beheer van 's Rijks gelden niet kan verenigen met het begrotingsvoorstel van de Raad of een onderdeel daarvan, deelt hij dit mede aan de Raad en voert hij hierover met de Raad overleg. 3 artikel 2.1, zesde lid, van de Comptabiliteitswet 2016 Indien het in het tweede lid bedoelde overleg niet tot overeenstemming leidt en Onze Minister overwegende bezwaren houdt, wordt het begrotingsvoorstel van de Raad of het desbetreffende onderdeel daarvan in gewijzigde vorm opgenomen in de departementale begroting, bedoeld in. 4 artikel 100 In de toelichting op het voorstel van wet geeft Onze Minister aan welke voorschriften hij voornemens is aan het krachtenstoe te kennen budget te verbinden. Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 2017 139 07-04-2017 22-03-2017 34426 2017 253 19-06-2017 29-05-2017 01-01-2018
Artikel 100 — Artikel 100#
Artikel 100 artikel 97, eerste lid Met inachtneming van de regels, bedoeld in, kent Onze Minister jaarlijks aan de Raad een budget toe ten laste van de rijksbegroting ten behoeve van de activiteiten van de Raad en de gerechten gezamenlijk. Aan de toekenning kan Onze Minister voorschriften verbinden. 2001 580 18-12-2001 06-12-2001 26855 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 2001 583 18-12-2001 06-12-2001 27182 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 101 — Artikel 101#
Artikel 101 Onze Minister deelt zo spoedig mogelijk na de aanhangigmaking van het voorstel van wet tot vaststelling van de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie bij de Afdeling advisering van de Raad van State, aan de Raad mede welk budget, met inbegrip van de daaraan te verbinden voorschriften, voor het komende begrotingsjaar voorlopig kan worden verwacht. Hij deelt daarbij mede op welke wijze het geraamde budget is berekend. 2011 256 31-05-2011 19-05-2011 32562 2011 324 29-06-2011 27-06-2011 01-07-2011
Artikel 101a — Artikel 101a#
Artikel 101a Vervallen 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 102 — Artikel 102#
Artikel 102 1 De Raad stelt jaarlijks een jaarplan vast voor de Raad en de gerechten gezamenlijk. Het plan omvat: a. artikel 91 een omschrijving van de voorgenomen activiteiten ter uitvoering van de ingenoemde taken voor het jaar volgend op het jaar waarin het plan is vastgesteld; b. een begroting voor het komende begrotingsjaar. 2 artikel 45, eerste lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet artikel 107, eerste lid, van de Wet op het notarisambt Voor zover het jaarplan ziet op tuchtklachten die op grond vanworden behandeld door het gerechtshof Amsterdam stelt de Raad het jaarplan niet vast dan nadat de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders is gehoord. Voor zover het jaarplan ziet op tuchtklachten die op grond vanworden behandeld door het gerechtshof Amsterdam stelt de Raad het jaarplan niet vast dan nadat de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie is gehoord. 3 artikel 101 De Raad stelt de begroting vast in overeenstemming met het geraamde budget, bedoeld in. 4 De Raad zendt het jaarplan voor een door Onze Minister te bepalen tijdstip aan Onze Minister. Onze Minister zendt het jaarplan onverwijld aan de beide kamers der Staten-Generaal. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inrichting van het jaarplan. 2016 500 16-12-2016 07-12-2016 34145 2017 86 15-03-2017 06-03-2017 01-01-2018
Artikel 103 — Artikel 103#
Artikel 103 1 artikel 101 Onze Minister maakt aan de Raad zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie bekend, welk budget hij toekent aan de Raad en de gerechten gezamenlijk. Indien het budget afwijkt van het geraamde budget, bedoeld in, is de tweede volzin van dat artikel van overeenkomstige toepassing. 2 artikel 101 Indien het budget afwijkt van het geraamde budget, bedoeld in, wijzigt de Raad de begroting. 3 Beslissingen tot andere wijzigingen van de begroting kunnen tot uiterlijk het eind van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen. 4 De Raad doet de noodzakelijke uitgaven binnen de grenzen van de vastgestelde of gewijzigde begroting. 2011 256 31-05-2011 19-05-2011 32562 2011 324 29-06-2011 27-06-2011 01-07-2011
Artikel 104 — Artikel 104#
Artikel 104 1 De Raad dient jaarlijks voor een door Onze Minister te bepalen tijdstip bij Onze Minister een verslag in. Onze Minister zendt het verslag onverwijld aan de beide kamers der Staten-Generaal. 2 artikel 45, eerste lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet artikel 107, eerste lid, van de Wet op het notarisambt Voor zover het verslag ziet op tuchtklachten die op grond vanworden behandeld door het gerechtshof Amsterdam wordt het verslag niet bij Onze Minister ingediend dan nadat de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders is gehoord. Voor zover het verslag ziet op tuchtklachten die op grond vanworden behandeld door het gerechtshof Amsterdam wordt het verslag niet bij Onze Minister ingediend dan nadat de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie is gehoord. 3 Het verslag bestaat uit de jaarrekening met bijbehorende begroting, de daarin aangebrachte wijzigingen, het jaarverslag en overige financiële gegevens. 4 In de jaarrekening wordt rekening en verantwoording afgelegd van het financiële beheer van de Raad en de gerechten gezamenlijk over het voorafgaande begrotingsjaar. 5 artikel 102 artikel 31, eerste lid artikel 35, eerste lid In het jaarverslag wordt vermeld op welke wijze de werkzaamheden ten behoeve waarvan het budget ten laste van de rijksbegroting is verleend, zijn uitgevoerd. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze deze werkzaamheden zich verhouden tot het plan zoals dit overeenkomstigvoor het desbetreffende jaar is vastgesteld, de plannen, bedoeld in, en de verslagen, bedoeld in. 6 artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek Het verslag omvat een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid, afgegeven door een door de Raad aangewezen accountant als bedoeld in. De accountant voegt bij de verklaring een rapport naar aanleiding van de controle op het financiële beheer. Bij de aanwijzing van de accountant wordt bedongen dat aan Onze Minister op diens verzoek inzicht wordt geboden in de controle-rapporten van de accountant. 7 Onze Minister kan een aanwijzing vaststellen inzake de reikwijdte en de intensiteit van de accountantscontrole. 8 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de inrichting van het verslag. 2016 500 16-12-2016 07-12-2016 34145 2017 86 15-03-2017 06-03-2017 01-01-2018
Artikel 104a — Artikel 104a#
Artikel 104a 1 artikel 4.6, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 In afwijking vanverricht de Raad namens de staat privaatrechtelijke rechtshandelingen voor zover die voortvloeien uit het door hem beheerde deel van de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, tenzij bij of krachtens de wet is bepaald dat een andere minister dan Onze Minister de rechtshandeling verricht. 2 Artikel 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht 4.12, eerste en vierde lid, van de Comptabiliteitswet 2016 enzijn van overeenkomstige toepassing. 2017 139 07-04-2017 22-03-2017 34426 2017 253 19-06-2017 29-05-2017 01-01-2018
Artikel 105 — Artikel 105#
Artikel 105 De Raad verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. 2001 583 18-12-2001 06-12-2001 27182 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 106 — Artikel 106#
Artikel 106 1 artikel 91 artikel 21a, eerste lid Een beslissing van de Raad ter uitvoering van de ingenoemde taken kan op voordracht van Onze Minister bij koninklijk besluit worden vernietigd indien de beslissing in strijd is met het recht of het belang van een goede bedrijfsvoering van de rechterlijke organisatie. Een beslissing van de Raad als bedoeld in, kan op voordracht van Onze Minister bij koninklijk besluit worden vernietigd wegens strijd met het recht of het algemeen belang. 2 artikelen 8:4, onderdeel a 10:36 10:37 10:38 tot en met 10:45 van de Algemene wet bestuursrecht De,,enzijn van overeenkomstige toepassing. 2012 313 13-07-2012 12-07-2012 32891 2012 314 13-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 107 — Artikel 107#
Artikel 107 1 In geval van ongeschiktheid anders dan wegens ziekte kan Onze Minister een of meer leden van de Raad voordragen voor ontslag als lid van de Raad. In geval van een ernstig vermoeden voor het bestaan van ongeschiktheid anders dan wegens ziekte, kan Onze Minister een of meer leden van de Raad voordragen voor schorsing als lid van de Raad. 2 De schorsing of het ontslag geschiedt bij koninklijk besluit. 3 Artikel 84, zesde lid Indien alle leden van de Raad zijn geschorst of ontslagen, kan Onze Minister bij de Raad een of meer tijdelijke bewindvoerders aanstellen., is van overeenkomstige toepassing. Bij de aanstelling wordt een termijn bepaald voor de bewindvoering. 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 108 — Artikel 108#
Artikel 108 1 artikel 107, eerste en tweede lid Tegen een besluit op grond van, kan een belanghebbende beroep instellen bij de Hoge Raad. 2 artikel 109 De Hoge Raad beoordeelt of de Kroon in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat sprake is van ongeschiktheid anders dan wegens ziekte, onderscheidenlijk een ernstig vermoeden voor het bestaan daarvan, alsmede of Onze Minister bij zijn voordracht in strijd metheeft gehandeld. 3 hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht afdeling 8.1.1 artikelen 8:10, 8:11 8:13 8:86 Op het beroep is, met uitzondering vanen de,en, van overeenkomstige toepassing. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 2001 583 18-12-2001 06-12-2001 27182 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 109 — Artikel 109#
Artikel 109 Bij de uitvoering van de bevoegdheden, toegedeeld bij of krachtens deze wet, treedt Onze Minister niet in de procesrechtelijke behandeling van, de inhoudelijke beoordeling van alsmede de beslissing in een concrete zaak of in categorieën van zaken. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 2001 583 18-12-2001 06-12-2001 27182 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 110 — Artikel 110#
Artikel 110 Vervallen 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 111 — Artikel 111#
Artikel 111 1 Er is een parket bij de Hoge Raad, aan het hoofd waarvan de procureur-generaal bij de Hoge Raad staat. 2 De procureur-generaal bij de Hoge Raad is belast met: a. de vervolging van ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen begaan door de leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen; b. het nemen van aan de Hoge Raad uit te brengen conclusies in de bij de wet bepaalde gevallen; c. de instelling van cassatie «in het belang der wet»; d. hoofdstuk 6A van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren de instelling van vorderingen tot het door de Hoge Raad nemen van beslissingen als bedoeld in. 3 artikel 125 In de gevallen waarin de Hoge Raad ten principale recht doet, neemt de procureur-generaal bij de Hoge Raad de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie, bedoeld in, waar. 4 Bij de wet kan de procureur-generaal bij de Hoge Raad ook met andere taken worden belast. 5 De bevoegdheden van de procureur-generaal kunnen, tenzij de aard van de bevoegdheden zich daartegen verzet, mede worden uitgeoefend door de plaatsvervangend procureur-generaal en door advocaten-generaal. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 De tweede wijziging kan niet worden doorgevoerd.
Artikel 112 — Artikel 112#
Artikel 112 Vervallen 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 113 — Artikel 113#
Artikel 113 1 Het parket bij de Hoge Raad bestaat uit een procureur-generaal, een plaatsvervangend procureur-generaal, ten hoogste tweeëntwintig advocaten-generaal en ten hoogste elf advocaten-generaal in buitengewone dienst. 2 artikel 125 De advocaten-generaal in buitengewone dienst nemen, als advocaat-generaal, conclusies voorzover zij daartoe door de procureur-generaal worden opgeroepen. Zij nemen in zodanig geval, wanneer de Hoge Raad ten principale recht doet, de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie, bedoeld in, waar. 3 Voor de toepassing van het eerste lid worden de procureur-generaal, de plaatsvervangend procureur-generaal, en de advocaten-generaal bij de Hoge Raad aan wie buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging is verleend, voor de duur van dat verlof en gedurende ten hoogste een jaar daarna buiten beschouwing gelaten. 4 Voor de toepassing van het eerste lid worden rechterlijke ambtenaren die zijn aangesteld voor een minder dan volledige arbeidsduur, geteld overeenkomstig de breuk die hun arbeidsduur aangeeft. 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 114 — Artikel 114#
Artikel 114 Vervallen 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 115 — Artikel 115#
Artikel 115 Vervallen 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 116 — Artikel 116#
Artikel 116 De procureur-generaal geeft leiding aan het parket bij de Hoge Raad. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 117 — Artikel 117#
Artikel 117 In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis wordt de procureur-generaal vervangen door de plaatsvervangend procureur-generaal en, bij afwezigheid, belet of ontstentenis ook van deze, door de advocaat-generaal oudste in rang. 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 118 — Artikel 118#
Artikel 118 Onze Minister kan de plaatsvervangend procureur-generaal of een advocaat-generaal belasten met de waarneming van het ambt van procureur-generaal. 2011 256 31-05-2011 19-05-2011 32562 2011 324 29-06-2011 27-06-2011 01-07-2011
Artikel 119 — Artikel 119#
Artikel 119 1 artikel 2, eerste tot en met derde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren artikelen 46c 46ca, eerste lid, onderdeel a 46d, eerste lid, onderdeel d 46e van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren Onze Minister kan, op aanbeveling van de procureur-generaal, als plaatsvervangend advocaat-generaal bij de Hoge Raad een rechterlijk ambtenaar, die bij een rechtbank, een gerechtshof of een tot het openbaar ministerie behorend parket werkzaam is in een ambt als bedoeld in, aanwijzen. De aanwijzing geschiedt voor een daarbij te bepalen termijn. De,,, enzijn op de plaatsvervangend advocaat-generaal van overeenkomstige toepassing. 2 Aanwijzing van een bij een rechtbank of een gerechtshof werkzame rechterlijk ambtenaar tot plaatsvervangend advocaat-generaal geschiedt slechts met diens toestemming. 3 artikel 125 Plaatsvervangende advocaten-generaal nemen, op de voet van een advocaat-generaal, conclusies voor zover zij daartoe door de procureur-generaal worden opgeroepen. Zij nemen in zodanig geval, wanneer de Hoge Raad ten principale recht doet, de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie, bedoeld in, waar. 4 De president van de Hoge Raad kan, op aanbeveling van de procureur-generaal, een vice-president van, een raadsheer in of een raadsheer in buitengewone dienst bij de Hoge Raad, indien hij daarmee instemt, belasten met de waarneming van het ambt van advocaat-generaal bij de Hoge Raad. 2018 298 07-09-2018 27-06-2018 33861 2018 446 04-12-2018 20-11-2018 01-01-2019
Artikel 120 — Artikel 120#
Artikel 120 1 artikelen 12 13 74 artikel 113 De,enzijn op de ingenoemde rechterlijke ambtenaren van overeenkomstige toepassing. 2 artikel 111, tweede lid artikel 83 Voor de uitvoering van de taken, bedoeld in, isvan overeenkomstige toepassing op de procureur-generaal bij de Hoge Raad. 3 Artikel 26, vierde tot en met zesde lid De procureur-generaal bij de Hoge Raad stelt, gehoord de overige leden van het parket bij de Hoge Raad, een regeling vast voor de behandeling van klachten., is van overeenkomstige toepassing. 4 artikelen 13a tot en met 13g artikel 111 Dezijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de inbedoelde rechterlijke ambtenaren, met dien verstande dat: a. artikelen 13a tot en met 13g de in deaan de procureur-generaal toegekende bevoegdheden en verplichtingen worden uitgeoefend door de plaatsvervangend procureur-generaal, indien een gedraging van de procureur-generaal in het geding is; b. artikel 13b, eerste lid, onderdelen b en c artikel 26 75 artikel 120, derde lid voor de overeenkomstige toepasselijkheid van, onder «of» wordt verstaan:,; en c. artikel 13f, derde lid een afschrift van de beschikking, bedoeld in, wordt gezonden aan de verzoeker, aan de bij het parket bij de Hoge Raad werkzame rechterlijk ambtenaar op wiens gedraging het onderzoek betrekking had, en aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad. 2011 255 31-05-2011 19-05-2011 32021 2011 324 29-06-2011 27-06-2011 01-07-2011 Artikel XXII, eerste lid, van Stb. 2011/255 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 121 — Artikel 121#
Artikel 121 De procureur-generaal bij de Hoge Raad waakt in het bijzonder voor de handhaving en uitvoering van wettelijke voorschriften bij de Hoge Raad, de gerechtshoven en de rechtbanken. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 122 — Artikel 122#
Artikel 122 1 Indien naar het oordeel van de procureur-generaal bij de Hoge Raad het openbaar ministerie bij de uitoefening van zijn taak de wettelijke voorschriften niet naar behoren handhaaft of uitvoert, kan hij Onze Minister daarvan in kennis stellen. 2 Op verzoek van de procureur-generaal worden hem vanwege het College van procureurs-generaal de inlichtingen verstrekt die hij nodig acht en worden hem de desbetreffende stukken overgelegd. 2011 256 31-05-2011 19-05-2011 32562 2011 324 29-06-2011 27-06-2011 01-07-2011
Artikel 123 — Artikel 123#
Artikel 123 Het College van procureurs-generaal verleent de procureur-generaal bij de Hoge Raad de bijstand van het openbaar ministerie, die deze ter uitvoering van de aan hem opgedragen taken verlangt. 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 124 — Artikel 124#
Artikel 124 Het openbaar ministerie is belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en met andere bij de wet vastgestelde taken. 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 125 — Artikel 125#
Artikel 125 De taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie worden, op de wijze bij of krachtens de wet bepaald, uitgeoefend door: a. het College van procureurs-generaal; en b. artikel 1, onderdeel b, onder 6° en 7° rechterlijke ambtenaren, bedoeld in. 2010 857 31-12-2010 03-12-2010 31822 2010 857 31-12-2010 03-12-2010 31822 01-01-2011
Artikel 125a — Artikel 125a#
Artikel 125a 1 artikel 1, onderdeel b, onder 7° Indien bij of krachtens een wet een bevoegdheid wordt toegekend aan de officier van justitie, kan deze bevoegdheid worden uitgeoefend door de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in, van de wet, tenzij de regeling waarop de bevoegdheid steunt of de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. 2 artikel 1, onderdeel b, onder 6° Indien bij of krachtens een wet een bevoegdheid wordt toegekend aan de advocaat-generaal, kan deze bevoegdheid worden uitgeoefend door de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in, tenzij de regeling waarop de bevoegdheid steunt of de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. 2010 857 31-12-2010 03-12-2010 31822 2010 857 31-12-2010 03-12-2010 31822 01-01-2011
Artikel 126 — Artikel 126#
Artikel 126 1 De uitoefening van een of meer bevoegdheden van de hoofdofficier van justitie, de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie, de senior officier van justitie A, de senior officier van justitie, de officier van justitie, de substituut-officier van justitie, de officier enkelvoudige zittingen, de landelijk hoofdadvocaat-generaal, de hoofdadvocaat-generaal, de senior advocaat-generaal en de advocaat-generaal kan worden opgedragen aan een andere bij het parket werkzame ambtenaar voor zover het hoofd van het parket daarmee heeft ingestemd. 2 De opgedragen bevoegdheid wordt in naam en onder verantwoordelijkheid van de rechterlijk ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, uitgeoefend. 3 Titel IV van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafvordering De uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid, kan niet aan een andere bij het parket werkzame ambtenaar worden opgedragen indien de regeling waarop de bevoegdheid steunt of de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. Daarvan is in elk geval sprake voor zover het gaat om het optreden ter terechtzitting in strafzaken en de toepassing van de dwangmiddelen als bedoeld in. 4 Bij algemene maatregel van bestuur worden omtrent de toepassing van dit artikel nadere regels gesteld. 2012 313 13-07-2012 12-07-2012 32891 2012 314 13-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 127 — Artikel 127#
Artikel 127 Onze Minister kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie. 2011 256 31-05-2011 19-05-2011 32562 2011 324 29-06-2011 27-06-2011 01-07-2011
Artikel 128 — Artikel 128#
Artikel 128 1 Onze Minister stelt het College van procureurs-generaal in de gelegenheid zijn zienswijze kenbaar te maken voordat hij in een concreet geval een aanwijzing geeft betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie. 2 Onze Minister deelt het College de voorgenomen aanwijzing en de motivering daarvan schriftelijk mede. Onze Minister kan het College voor het kenbaar maken van zijn zienswijze een termijn stellen. De zienswijze van het College wordt schriftelijk en gemotiveerd gegeven. 3 Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, wordt schriftelijk en gemotiveerd gegeven. 4 Slechts indien de aanwijzing in verband met de vereiste spoed niet schriftelijk kan worden gegeven, kan zij mondeling worden gegeven. In dat geval wordt zij zo spoedig mogelijk doch in elk geval binnen een week daarna op schrift gesteld. Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing op het mededelen van een voorgenomen aanwijzing door Onze Minister en voor het geven van de zienswijze door het College. 5 De in het eerste lid bedoelde aanwijzing wordt, tezamen met de voorgenomen aanwijzing en de zienswijze van het College, door de officier van justitie of de advocaat-generaal bij de processtukken gevoegd. Voor zover het belang van de staat zich naar het oordeel van Onze Minister daartegen verzet, blijft voeging bij de processtukken achterwege, met dien verstande dat in dat geval bij de processtukken een verklaring wordt gevoegd waaruit blijkt dat een aanwijzing is gegeven. 6 Indien het betreft een aanwijzing tot het niet of niet verder opsporen of vervolgen, stelt Onze Minister de beide Kamers der Staten-Generaal zo spoedig mogelijk in kennis van de aanwijzing, de voorgenomen aanwijzing en de zienswijze van het College, voor zover het verstrekken van de desbetreffende stukken niet in strijd is met het belang van de staat. 2017 82 09-03-2017 22-02-2017 34086 2019 507 24-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 129 — Artikel 129#
Artikel 129 1 Het College verstrekt Onze Minister de inlichtingen die deze nodig heeft. 2 De leden van het openbaar ministerie verstrekken het College de inlichtingen die het College nodig heeft. 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 130 — Artikel 130#
Artikel 130 1 Er is een College van procureurs-generaal. 2 Het College staat aan het hoofd van het openbaar ministerie. 3 Het College bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf procureurs-generaal. Bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister wordt een van de procureurs-generaal benoemd tot voorzitter van het College voor een periode van ten hoogste drie jaar. Hij kan eenmaal worden herbenoemd. De voorzitter ontvangt in verband met het verrichten van werkzaamheden als voorzitter een toelage op het salaris dat hij als procureur-generaal geniet, volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels. Toekenning van de toelage geschiedt door Onze Minister. 4 Ten hoogste één van de procureurs-generaal, bedoeld in het derde lid, wordt niet aangesteld als rechterlijk ambtenaar. Deze procureur-generaal wordt niet benoemd tot voorzitter van het College. 5 Artikel 3, onderdeel a, van de Ambtenarenwet 2017 De in het vierde lid bedoelde procureur-generaal wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister aangewezen, geschorst en ontslagen.is niet van toepassing op deze procureur-generaal. 6 Het College kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 131 — Artikel 131#
Artikel 131 1 Het College van procureurs-generaal kan geen beslissingen nemen indien niet ten minste drie leden aanwezig zijn. 2 Het College neemt beslissingen bij meerderheid van stemmen. 3 Indien de stemmen staken, geeft de stem van de voorzitter de doorslag. 4 Bij reglement stelt het College nadere regels met betrekking tot zijn werkwijze en besluitvorming. Het reglement en wijzigingen daarvan behoeven de goedkeuring van Onze Minister. Het reglement of een wijziging daarvan wordt na de goedkeuring gepubliceerd in de Staatscourant. 5 artikel 140a van het Wetboek van Strafvordering In het reglement wordt in ieder geval geregeld in welke gevallen de voorzitter een voorgenomen beslissing aan Onze Minister voorlegt, daaronder zijn in ieder geval begrepen de beslissingen bedoeld in. 2011 256 31-05-2011 19-05-2011 32562 2011 324 29-06-2011 27-06-2011 01-07-2011
Artikel 132 — Artikel 132#
Artikel 132 1 Het College van procureurs-generaal verdeelt de werkzaamheden onder de procureurs-generaal. 2 Onze Minister kan bepaalde werkzaamheden opdragen aan de voorzitter van het College. 2011 256 31-05-2011 19-05-2011 32562 2011 324 29-06-2011 27-06-2011 01-07-2011
Artikel 133 — Artikel 133#
Artikel 133 1 Het College van procureurs-generaal kan een procureur-generaal machtigen een of meer van zijn bevoegdheden uit te oefenen, tenzij de regeling waarop de bevoegdheid steunt of de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. 2 De uitoefening van een bevoegdheid door een procureur-generaal overeenkomstig het eerste lid geschiedt in naam en onder verantwoordelijkheid van het College. 3 Het College kan ten aanzien van de uitoefening van de bevoegdheid algemene en bijzondere aanwijzingen geven. 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 134 — Artikel 134#
Artikel 134 1 Het openbaar ministerie bestaat uit: a. het parket-generaal; b. de arrondissementsparketten; c. het landelijk parket; d. het functioneel parket; e. het parket centrale verwerking openbaar ministerie; f. het ressortsparket. 2 Wet op de rechterlijke indeling Er is een arrondissementsparket in elk van de arrondissementen, genoemd in de. 3 In afwijking van het tweede lid is er één arrondissementsparket in de arrondissementen Gelderland en Overijssel gezamenlijk, genaamd arrondissementsparket Oost-Nederland. 2014 225 26-06-2014 19-06-2014 33850 2014 326 16-09-2014 08-09-2014 01-01-2015
Artikel 135 — Artikel 135#
Artikel 135 1 Bij het parket-generaal zijn werkzaam: a. de procureurs-generaal die het College vormen; b. andere ambtenaren. 2 Bij het parket-generaal kunnen hoofdadvocaten-generaal, senior advocaten-generaal, advocaten-generaal, plaatsvervangende advocaten-generaal, hoofdofficieren van justitie, plaatsvervangende hoofdofficieren van justitie, senior officieren van justitie A, senior officieren van justitie, officieren van justitie, substituut-officieren van justitie, plaatsvervangende officieren van justitie, officieren in opleiding, officieren enkelvoudige zittingen en plaatsvervangende officieren enkelvoudige zittingen werkzaam zijn. 3 Een in het tweede lid bedoelde hoofdadvocaat-generaal, senior advocaat-generaal, advocaat-generaal of plaatsvervangend advocaat-generaal is van rechtswege plaatsvervangend advocaat-generaal bij het ressortsparket. 4 Een in het tweede lid bedoelde hoofdofficier van justitie, plaatsvervangend hoofdofficier van justitie, senior officier van justitie A, senior officier van justitie, officier van justitie, substituut-officier van justitie of plaatsvervangend officier van justitie onderscheidenlijk officier enkelvoudige zittingen of plaatsvervangend officier enkelvoudige zittingen is van rechtswege plaatsvervangend officier van justitie onderscheidenlijk plaatsvervangend officier enkelvoudige zittingen bij de arrondissementsparketten, het functioneel parket, het landelijk parket en het parket centrale verwerking openbaar ministerie. 5 Aan het hoofd van het parket-generaal staat het College. 6 artikel 130, vierde lid De procureurs-generaal, met uitzondering van de in, bedoelde procureur-generaal, zijn van rechtswege plaatsvervangend advocaat-generaal bij het ressortsparket, plaatsvervangend officier van justitie bij de arrondissementsparketten, plaatsvervangend officier van justitie bij het landelijk parket, plaatsvervangend officier van justitie bij het functioneel parket en plaatsvervangend officier van justitie bij het parket centrale verwerking openbaar ministerie. 2015 456 10-12-2015 02-12-2015 34162 2016 503 16-12-2016 09-12-2016 01-01-2017 Artikel VI van Stb. 2015/456 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. 2016 361 14-10-2016 05-10-2016 34404 2016 497 15-12-2016 06-12-2016 01-01-2017
Artikel 136 — Artikel 136#
Artikel 136 1 Bij een arrondissementsparket zijn werkzaam: a. een hoofdofficier van justitie; b. een plaatsvervangend hoofdofficier van justitie; c. officieren van justitie; d. plaatsvervangende officieren van justitie; e. officieren enkelvoudige zittingen; f. plaatsvervangende officieren enkelvoudige zittingen; g. andere ambtenaren. 2 Bij een arrondissementsparket kunnen werkzaam zijn: a. senior officieren van justitie A; b. senior officieren van justitie; c. substituut-officieren van justitie; d. officieren in opleiding. 3 Aan het hoofd van een arrondissementsparket staat de hoofdofficier van justitie met de titel hoofd van het arrondissementsparket. Hij kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven aan de bij zijn parket werkzame ambtenaren betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het parket. 4 In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis van het hoofd van het arrondissementsparket, wordt hij vervangen door de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie. 5 De hoofdofficier van justitie, plaatsvervangend hoofdofficier van justitie, senior officieren van justitie A, senior officieren van justitie, officieren van justitie, substituut-officieren van justitie en plaatsvervangende officieren van justitie onderscheidenlijk officieren enkelvoudige zittingen en plaatsvervangende officieren enkelvoudige zittingen zijn van rechtswege plaatsvervangend officier van justitie onderscheidenlijk plaatsvervangend officier enkelvoudige zittingen bij de overige arrondissementsparketten, bij het landelijk parket, bij het functioneel parket, bij het parket centrale verwerking openbaar ministerie en bij het parket-generaal. 6 De officier enkelvoudige zittingen en de plaatsvervangende officier enkelvoudige zittingen hebben de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de wet aan de officier van justitie worden toegekend, met uitzondering van de bevoegdheid om op te treden ter terechtzitting van een meervoudige kamer van de rechtbank. 2015 456 10-12-2015 02-12-2015 34162 2016 503 16-12-2016 09-12-2016 01-01-2017 Artikel VI van Stb. 2015/456 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 137 — Artikel 137#
Artikel 137 1 Bij het landelijk parket zijn werkzaam: a. een hoofdofficier van justitie; b. een plaatsvervangend hoofdofficier van justitie; c. een tweede plaatsvervangend hoofdofficier van justitie; d. officieren van justitie; e. plaatsvervangende officieren van justitie f. officieren enkelvoudige zittingen; g. plaatsvervangende officieren enkelvoudige zittingen; h. andere ambtenaren. 2 Bij het landelijk parket kunnen werkzaam zijn: a. senior officieren van justitie A; b. senior officieren van justitie; c. substituut-officieren van justitie; d. officieren in opleiding. 3 Aan het hoofd van het landelijk parket staat de hoofdofficier van justitie met de titel hoofd van het landelijk parket. Hij kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven aan de bij zijn parket werkzame ambtenaren betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het parket. In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis van het hoofd van het landelijk parket wordt hij vervangen door de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. 4 De plaatsvervangend hoofdofficier van justitie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, vervult de functie van nationaal lid bij Eurojust. Hij vervult die functie voor tenminste vier jaar. Een senior officier van justitie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, vervult de functie van plaatsvervanger van het nationaal lid bij Eurojust. 5 De hoofdofficier van justitie, plaatsvervangend hoofdofficier van justitie, senior officieren van justitie A, senior officieren van justitie, officieren van justitie, substituut-officieren van justitie en plaatsvervangende officieren van justitie onderscheidenlijk officieren enkelvoudige zittingen en plaatsvervangende officieren enkelvoudige zittingen zijn van rechtswege plaatsvervangend officier van justitie onderscheidenlijk plaatsvervangend officier enkelvoudige zittingen bij de arrondissementsparketten, bij het functioneel parket, bij het parket centrale verwerking openbaar ministerie en bij het parket-generaal. 6 De officier enkelvoudige zittingen en de plaatsvervangende officier enkelvoudige zittingen hebben de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de wet aan de officier van justitie worden toegekend, met uitzondering van de bevoegdheid om op te treden ter terechtzitting van een meervoudige kamer van de rechtbank. 2015 456 10-12-2015 02-12-2015 34162 2016 503 16-12-2016 09-12-2016 01-01-2017 Artikel VI van Stb. 2015/456 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 137a — Artikel 137a#
Artikel 137a 1 Bij het functioneel parket zijn werkzaam: a. een hoofdofficier van justitie; b. een plaatsvervangend hoofdofficier van justitie; c. officieren van justitie; d. plaatsvervangende officieren van justitie; e. officieren enkelvoudige zittingen; f. plaatsvervangende officieren enkelvoudige zittingen g. andere ambtenaren. 2 Bij het functioneel parket kunnen werkzaam zijn: a. senior officieren van justitie A; b. senior officieren van justitie; c. substituut-officieren van justitie; d. officieren in opleiding. 3 Aan het hoofd van het functioneel parket staat de hoofdofficier van justitie met de titel hoofd van het functioneel parket. Hij kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven aan de bij zijn parket werkzame ambtenaren betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het parket. In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis van het hoofd van het functioneel parket wordt hij vervangen door de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie. 4 De hoofdofficier van justitie, plaatsvervangend hoofdofficier van justitie, senior officieren van justitie A, senior officieren van justitie, officieren van justitie, substituut-officieren van justitie en plaatsvervangende officieren van justitie onderscheidenlijk officieren enkelvoudige zittingen en plaatsvervangende officieren enkelvoudige zittingen zijn van rechtswege plaatsvervangend officier van justitie onderscheidenlijk plaatsvervangend officier enkelvoudige zittingen bij de arrondissementsparketten, bij het landelijk parket, bij het parket centrale verwerking openbaar ministerie en bij het parket-generaal. 5 De officier enkelvoudige zittingen en de plaatsvervangende officier enkelvoudige zittingen hebben de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de wet aan de officier van justitie worden toegekend, met uitzondering van de bevoegdheid om op te treden ter terechtzitting van een meervoudige kamer van de rechtbank. 2015 456 10-12-2015 02-12-2015 34162 2016 503 16-12-2016 09-12-2016 01-01-2017 Artikel VI van Stb. 2015/456 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 137b — Artikel 137b#
Artikel 137b 1 Bij het parket centrale verwerking openbaar ministerie zijn werkzaam: a. een hoofdofficier van justitie; b. een plaatsvervangend hoofdofficier van justitie; c. officieren van justitie; d. plaatsvervangende officieren van justitie; e. officieren enkelvoudige zittingen; f. plaatsvervangende officieren enkelvoudige zittingen; g. andere ambtenaren. 2 Bij het parket centrale verwerking openbaar ministerie kunnen werkzaam zijn: a. senior officieren van justitie A; b. senior officieren van justitie; c. substituut-officieren van justitie; d. officieren in opleiding. 3 Aan het hoofd van het parket centrale verwerking openbaar ministerie staat de hoofdofficier van justitie met de titel hoofd van het parket centrale verwerking openbaar ministerie. Hij kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven aan de bij zijn parket werkzame ambtenaren betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het parket. 4 In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis van het hoofd van het parket centrale verwerking openbaar ministerie, wordt hij vervangen door de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie. 5 De hoofdofficier van justitie, plaatsvervangend hoofdofficier van justitie, senior officieren van justitie A, senior officieren van justitie, officieren van justitie, substituut-officieren van justitie en plaatsvervangende officieren van justitie onderscheidenlijk officieren enkelvoudige zittingen en plaatsvervangende officieren enkelvoudige zittingen zijn van rechtswege plaatsvervangend officier van justitie onderscheidenlijk plaatsvervangend officier enkelvoudige zittingen bij de arrondissementsparketten, bij het landelijk parket, bij het functioneel parket en bij het parket-generaal. 6 De officier enkelvoudige zittingen en de plaatsvervangende officier enkelvoudige zittingen hebben de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de wet aan de officier van justitie worden toegekend, met uitzondering van de bevoegdheid om op te treden ter terechtzitting van een meervoudige kamer van de rechtbank. 2015 456 10-12-2015 02-12-2015 34162 2016 503 16-12-2016 09-12-2016 01-01-2017 Artikel VI van Stb. 2015/456 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 138 — Artikel 138#
Artikel 138 1 Bij het ressortsparket zijn werkzaam: a. een landelijk hoofdadvocaat-generaal; b. vier hoofdadvocaten-generaal; c. advocaten-generaal; d. plaatsvervangende advocaten-generaal; e. andere ambtenaren. 2 Bij het ressortsparket kunnen senior advocaten-generaal en officieren in opleiding werkzaam zijn. 3 Aan het hoofd van het ressortsparket staat de landelijk hoofdadvocaat-generaal met de titel van hoofd van het ressortsparket. Hij kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven aan de bij zijn parket werkzame ambtenaren betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het parket. In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis van het hoofd van het ressortsparket wordt hij vervangen door een bij het ressortsparket werkzame hoofdadvocaat-generaal. 4 De landelijk hoofdadvocaat-generaal, hoofdadvocaten-generaal, senior advocaten-generaal, advocaten-generaal en plaatsvervangende advocaten-generaal zijn van rechtswege plaatsvervangend advocaat-generaal bij het parket-generaal. 2015 456 10-12-2015 02-12-2015 34162 2016 503 16-12-2016 09-12-2016 01-01-2017 Artikel VI van Stb. 2015/456 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 139 — Artikel 139#
Artikel 139 1 De hoofden van de parketten zijn in hun ambtsuitoefening ondergeschikt aan het College. 2 De andere bij een parket werkzame ambtenaren zijn in hun ambtsuitoefening ondergeschikt aan het hoofd van het parket. 3 De bij het parket-generaal werkzame ambtenaren zijn in hun ambtsuitoefening ondergeschikt aan het College. 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 139a — Artikel 139a#
Artikel 139a Het College kan de hoofden van door het College aangewezen arrondissementsparketten opdragen om taken op het gebied van de organisatie en de bedrijfsvoering van die parketten gezamenlijk uit te voeren onder verantwoordelijkheid van een daartoe aangewezen hoofdofficier van justitie. 2012 313 13-07-2012 12-07-2012 32891 2012 314 13-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 139b — Artikel 139b#
Artikel 139b 1 artikel 2, eerste lid, voorlaatste onderscheidenlijk laatste zinsnede, van het Wetboek van Strafvordering Het College stelt een reglement vast waarin wordt bepaald ten aanzien van welke strafbare feiten de officier van justitie bij het landelijk parket onderscheidenlijk de officier van justitie bij het functioneel parket overeenkomstigde vervolging instelt bij de rechtbank Amsterdam, de rechtbank Oost-Brabant, de rechtbank Overijssel of de rechtbank Rotterdam. 2 Alvorens het reglement vast te stellen, stelt het College de Raad in de gelegenheid zijn zienswijze over een ontwerp van het reglement naar voren te brengen. 2012 666 21-12-2012 20-12-2012 33451 2012 667 21-12-2012 20-12-2012 01-04-2013
Artikel 140 — Artikel 140#
Artikel 140 Vervallen 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 141 — Artikel 141#
Artikel 141 Vervallen 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 142 — Artikel 142#
Artikel 142 artikel 1, onderdeel b, onder 5° tot en met 7° Onze Minister kan een rechterlijk ambtenaar als bedoeld in, belasten met de waarneming van een ander ambt bij het openbaar ministerie. 2011 256 31-05-2011 19-05-2011 32562 2011 324 29-06-2011 27-06-2011 01-07-2011
Artikel 143 — Artikel 143#
Artikel 143 artikel 142 artikel 122, tweede lid De rechterlijke ambtenaren, bedoeld in, zijn verplicht tot het verstrekken van inlichtingen wanneer de procureur-generaal bij de Hoge Raad op grond van, daarom vraagt. 2004 215 25-05-2004 13-05-2004 28958 2004 275 24-06-2004 17-06-2004 01-07-2004
Artikel 144 — Artikel 144#
Artikel 144 Artikel 13 artikel 142 is op de inbedoelde rechterlijke ambtenaren van overeenkomstige toepassing. 2001 582 18-12-2001 06-12-2001 27181 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002 2001 584 18-12-2001 06-12-2001 27878 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 144a — Artikel 144a#
Artikel 144a 1 Alle bevoegdheden die naar Nederlands recht toekomen aan de officier van justitie, de advocaat-generaal en het openbaar ministerie, komen toe aan de gedelegeerd Europees aanklager, bedoeld in artikel 13 van de Verordening EOM, ten behoeve van de uitoefening van de taken van het Europees Openbaar Ministerie als bedoeld in artikel 4 van de Verordening EOM. 2021 155 31-03-2021 17-03-2021 35429 2021 221 06-05-2021 22-04-2021 07-05-2021
Artikel 144b — Artikel 144b#
Artikel 144b artikel 144a Bij toepassing van artikel 28, vierde lid, van de Verordening EOM heeft de Europese aanklager, bedoeld in artikel 12 van de Verordening EOM, dezelfde bevoegdheden als de gedelegeerd Europese aanklager op grond van. 2021 155 31-03-2021 17-03-2021 35429 2021 221 06-05-2021 22-04-2021 07-05-2021
Artikel 144c — Artikel 144c#
Artikel 144c De functie van gedelegeerd Europees aanklager wordt vervuld door een rechterlijk ambtenaar die werkzaam is bij het functioneel parket. 2021 155 31-03-2021 17-03-2021 35429 2021 221 06-05-2021 22-04-2021 07-05-2021
Artikel 144d — Artikel 144d#
Artikel 144d 1 Het hoofd van het functioneel parket draagt zorg voor de noodzakelijke voorzieningen voor de gedelegeerd Europees aanklager, bedoeld in artikel 13 van de Verordening EOM, ten behoeve van de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 4 van de Verordening EOM. 2 Tot de noodzakelijke voorzieningen bedoeld in het eerste lid behoren in ieder geval: a. ambtelijke ondersteuning van de gedelegeerd Europese aanklager, en b. huisvesting van de gedelegeerd Europese aanklager en de ambtenaren belast met diens ondersteuning. 3 Het hoofd van het functioneel parket houdt bij de verdeling van werkzaamheden rekening met de werkzaamheden die de ambtenaren die de gedelegeerd Europese aanklager ondersteunen moeten verrichten. Deze ambtenaren zijn wat betreft de uitoefening van hun taken op grond van de Verordening EOM uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de gedelegeerd Europese aanklager. 2021 155 31-03-2021 17-03-2021 35429 2021 221 06-05-2021 22-04-2021 07-05-2021
Artikel 144e — Artikel 144e#
Artikel 144e Onze Minister doet namens Nederland de voordracht als bedoeld in artikel 16, eerste lid, en artikel 17, eerste lid, van de Verordening EOM, gehoord het College van procureurs-generaal. 2021 155 31-03-2021 17-03-2021 35429 2021 221 06-05-2021 22-04-2021 07-05-2021
Artikel 145 — Artikel 145#
Artikel 145 1 Onze Minister kan rechters in opleiding en officieren in opleiding benoemen. 2 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de selectie en de opleiding van rechters in opleiding en officieren in opleiding. 2015 456 10-12-2015 02-12-2015 34162 2016 503 16-12-2016 09-12-2016 01-01-2017 Artikel VI van Stb. 2015/456 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 146 — Artikel 146#
Artikel 146 Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de rechterlijke organisatie. 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 48a#
artikelen 48a, vijfde lid
Artikel 66#
66, vijfde lid
Artikel 67#
67, vijfde lid