Wet van 16 juli 1869, tot uitvoering der bepalingen van de artikelen 33, 36, 37 en 38 der herziene akte omtrent de Rijnvaart
- BWB-id
- BWBR0001845
- Type
- Wet
- Ministerie
- Veiligheid en Justitie
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2002-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0001845
- ELI
- /eli/nl/wet/1869/uitvoeringswet-der-bepalingen-van-de-artikelen-33-36-37-en-3
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1869/uitvoeringswet-der-bepalingen-van-de-artikelen-33-36-37-en-3/2002-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0001845&g=2002-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0001845&z=2026-06-06&g=2002-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0001845/2002-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1869/uitvoeringswet-der-bepalingen-van-de-artikelen-33-36-37-en-3
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 De rechtbanken nemen kennis van: 1°. de binnen hun arrondissement gepleegde in artikel 34 I der herziene Rijnvaart-akte bedoelde overtredingen; 2°. de in artikel 34 II van de akte bedoelde burgerlijke vorderingen, voor zover de betaling van de verschuldigde rechten binnen hun arrondissement moest zijn geschied, of de schade binnen hun arrondissement is toegebracht. 2 Indien de onder 1° en 2° bedoelde overtredingen en burgerlijke vorderingen kantonzaken betreffen, worden de zaken behandeld en beslist door de kantonrechter van de rechtbank. 2001 584 18-12-2001 06-12-2001 27878 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 In strafzaken en in burgerlijke zaken wordt het hooger beroep tegen de vonnissen, waartegen met het oog op het bedrag der bedreigde boete of der gevorderde geldsom volgens artikel 37 der herziene Rijnvaart-akte hooger beroep openstaat, toegelaten bij de regterlijke collegien, die, volgens de bestaande Nederlandsche wetten, bevoegd zijn in hooger beroep kennis te nemen van de daarvoor vatbare, door de rechtbanken in eersten aanleg gewezen, vonnissen. 2001 584 18-12-2001 06-12-2001 27878 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 Zoowel in burgerlijke als in strafzaken gelden bij de door deze wet aangewezen regters en regterlijke collegien de gewone regelen van regtspleging, onverminderd het bepaalde bij art. 36 der herziene Rijnvaart-akte. 2 De burgerlijke zaken worden steeds summierlijk behandeld. 1869 139 16-07-1869 1869 139 16-07-1869 01-07-1869
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 Wanneer eene partij krachtens artikel 37 der herziene Rijnvaart-akte in hooger beroep wenscht te komen bij de centrale commissie voor de Rijnvaart, geschiedt de beteekening van dat hooger beroep aan de rechter van eerste aanleg ter griffie van de rechtbank met uitdrukkelijke vermelding van den wensch om bij de centrale commissie in hooger beroep te komen. 2 De partij, die in hooger beroep is gekomen, legt tegen bewijs van ontvangst binnen den bij artikel 37 van die akte gestelden termijn van vier weken bij hare memorie van grieven een afschrift daarvan over, in burgerlijke zaken vergezeld van de processtukken. 3 De mededeeling van het afschrift der memorie aan de wederpartij geschiedt, tegen gedagteekend bewijs van ontvangst, door tusschenkomst van den griffier. 4 De wederpartij is gehouden haar antwoord binnen vier weken na de mededeeling der memorie van grieven over te leggen ter griffie, en kan daarbij voegen alle verdere stukken, waarvan zij de inzending aan de centrale commissie wenscht, het een en ander tegen bewijs van ontvangst. 5 De regter in eersten aanleg verzendt de oorspronkelijke memoriën, vergezeld in strafzaken van de processtukken, het vonnis inbegrepen, in burgerlijke zaken van de door partijen overgelegde stukken van het geding, dadelijk na verloop van den in de voorgaande zinsnede bepaalden termijn aan de centrale commissie voor de Rijnvaart te Mannheim. 2001 584 18-12-2001 06-12-2001 27878 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 Het Openbaar Ministerie bij het Rijnvaartgeregt, dat in eersten aanleg van eene strafzaak heeft kennis genomen, is belast met de ten uitvoerlegging van de in hooger beroep door de centrale commissie voor de Rijnvaart gewezen uitspraak, voor zoover die ten uitvoerlegging nog niet mogt hebben plaats gehad. 2 De vordering tot voorloopige uitvoerbaarverklaring van het in eersten aanleg gewezen vonnis, in het geval voorzien bij de laatste zinsnede van art. 37 der herziene Rijnvaart-akte, geschiedt bij verzoekschrift. 3 De regter beveelt de oproeping van de wederpartij bij eenvoudig appointement op het verzoekschrift. 4 Het verzoekschrift en het daarop gestelde appointement worden gelijktijdig met het exploit van oproeping, minstens twee dagen voor den bepaalden dag der verschijning, beteekend aan de wederpartij. 5 Geen eindbeslissing op het verzoekschrift wordt genomen dan na verhoor of behoorlijke oproeping der wederpartij. 1913 103 19-03-1913 1913 103 19-03-1913 13-05-1913
Artikel 5a — Artikel 5a#
Artikel 5a derde boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering De uitspraken, door de centrale commissie voor de Rijnvaart ingevolge artikel 37 der herziene Rijnvaartakte in burgerlijke zaken gewezen, kunnen worden ten uitvoer gelegd nadat daartoe rechterlijk verlof is verkregen. Ten aanzien van dit verlof zijn de bepalingen van de eerste afdeling van de negende titel van hetvan toepassing. 1964 381 07-10-1964 7179 1964 381 07-10-1964 7179 11-11-1964
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 Deze wet treedt in werking den 1sten Julij 1869. 2 De op het tijdstip der invoering dezer wet aanhangige Rijnvaart-zaken worden verder behandeld en afgedaan door de provinciale geregtshoven en arrondissements-regtbanken, die daartoe tijdens de invoering dezer wet bevoegd waren. 1869 139 16-07-1869 1869 139 16-07-1869 01-07-1869