Wet van 9 april 1875, tot regeling van de dienst en het gebruik der spoorwegen, en zulks met intrekking der wet van 21 augustus 1859 (Staatsblad n°. 98)
- BWB-id
- BWBR0001848
- Type
- Wet
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- 2009-07-01 t/m 2015-11-30
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0001848
- ELI
- /eli/nl/wet/1876/spoorwegwet-1875
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1876/spoorwegwet-1875/2009-07-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0001848&g=2009-07-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0001848&z=2026-06-06&g=2009-07-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0001848/2009-07-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1876/spoorwegwet-1875
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 afdeling 5 van titel 2 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek Onder voorbehoud vanzijn de ondernemers eener Spoorwegdienst verantwoordelijk voor de schade, door personen of goederen bij de uitoefening der dienst geleden, ten ware de schade buiten hunne schuld of die hunner beambten of bedienden zij ontstaan. 1990 294 23-05-1990 20576 1991 128 22-03-1991 1991 100 04-03-1991 01-04-1991
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Vervallen 1987 550 26-11-1987 17477 1991 100 04-03-1991 01-04-1991
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 Ondernemers van spoorwegdiensten zijn niet bevoegd hunne verantwoordelijkheid voor verlies, vertraagde bezorging van of schade aan koopmanschappen en goederen, noch den omvang en duur hunner verpligtingen en den bewijslast door eenig beding van den vrachtbrief, of door bijzondere dienstreglementen uit te sluiten of te beperken, dan met inachtneming der regels, door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur vast te stellen. 1875 67 09-04-1875 1876 41 05-02-1876 15-10-1876
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 De ondernemers zijn verpligt te gedoogen, dat aan den spoorweg, waarover hunne dienst loopt, spoorwegen, door andere aan te leggen, zich aansluiten, en dat die weg door zoodanige wegen worde doorsneden. 2 Zoo, ten behoeve der aansluiting of doorsnijding, op den eerstgenoemden spoorweg werken te verrigten zijn, of de dienst moet worden gestaakt, wordt deswege door de ondernemers der aan te leggen spoorwegen schadeloosstelling verleend. 3 Indien Wij den aanleg van wegen, kanalen, waterleidingen of andere werken gebieden of toestaan, die den spoorweg doorsnijden of daarmede in aanraking komen, kunnen de ondernemers dit niet beletten, noch uit dien hoofde andere schadevergoeding vorderen dan teruggave van de vermeerdering der kosten van onderhoud en dienst, die uit den aanleg dier werken mogt voortvloeijen. 4 In zoodanig geval zorgt de Minister van Verkeer en Waterstaat, dat, zonder kosten voor de ondernemers, alle definitieve of voorloopige werken worden uitgevoerd, die vereischt worden om te beletten, dat de exploitatie van den spoorweg gestoord of gestaakt worde. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 De ondernemers zijn insgelijks verpligt te gedoogen, dat de weg, waarover hunne dienst loopt, en de daartoe behoorende stations ten behoeve van andere spoorwegdiensten worden gebruikt. 2 Dit geschiedt krachtens een door Ons daartoe te nemen besluit, tegen schadeloosstelling, door de ondernemers der spoorwegdienst, ten wier behoeve het gemeenschappelijk gebruik van den weg of van een station wordt gegund, te voldoen. 3 Het gemeenschappelijk gebruik van den weg heeft plaats overeenkomstig een reglement, door Ons, de bestuurders der betrokken spoorwegdiensten gehoord, vast te stellen. 4 De bepalingen voor het gebruik van stations tot gemeenschappelijke dienst en de uitvoering der daarvoor noodige werken worden door de ondernemers der betrokken spoorwegdiensten, met instemming van Onzen Minister van Verkeer en Waterstaat, onderling bij overeenkomst geregeld. 5 Indien het deswege te houden overleg niet binnen den door Onzen Minister van Verkeer en Waterstaat te bepalen tijd tot overeenstemming heeft geleid, worden die bepalingen door Ons, bestuurders der betrokken spoorwegdiensten gehoord, vastgesteld. 6 De schadeloosstellingen, in dit en in het vorig artikel bedoeld, worden, bij gebreke van minnelijke schikking, door den regter bepaald. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 De bestuurders eener spoorwegdienst stellen een reglement voor hunne dienst vast, en onderwerpen dat aan de instemming van den Minister van Verkeer en Waterstaat. 2 Voordat met dit reglement is ingestemd, wordt de dienst niet geopend. 3 Geene veranderingen worden zonder instemming van den Minister van Verkeer en Waterstaat in het reglement gebragt, die noodige veranderingen, ook nadat ermee ingestemd is, de ondernemers gehoord, bevelen kan. 4 artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht Dezijn van overeenkomstige toepassing. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 De dienst wordt niet geopend, noch na eene staking hervat, dan nadat de Minister van Verkeer en Waterstaat daartoe machtiging heeft verleend. 2 Alvorens die machtiging wordt verleend, heeft eene opneming van den weg en van de daartoe behoorende werken van regeringswege plaats. 3 Gelijke opneming gaat het in gebruik nemen van nieuwe of herstelde locomotieven, tenders, rijtuigen of wagens vooraf. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 Vervallen 1997 578 02-12-1997 13-11-1997 24042 1997 578 02-12-1997 13-11-1997 24042 03-12-1997 01-01-1993 Werkt terug tot en met 1 januari 1993.
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 Voor bestuurders van spoorwegdiensten worden gehouden zij, die, hetzij als ondernemers, hetzij namens de ondernemers, het opperbestuur over de dienst uitoefenen. 1997 578 02-12-1997 13-11-1997 24042 1997 578 02-12-1997 13-11-1997 24042 03-12-1997 01-01-1993 Werkt terug tot en met 1 januari 1993.
Artikel 9a — Artikel 9a#
Artikel 9a artikelen 75, eerste lid 186, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek De, engelden niet voor ondernemers van een spoorwegdienst ten aanzien van door hen uitgegeven documenten voor het goederenvervoer. 1997 578 02-12-1997 13-11-1997 24042 1997 578 02-12-1997 13-11-1997 24042 03-12-1997 01-01-1993 Werkt terug tot en met 1 januari 1993.
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 Vanwege de Minister van Verkeer en Waterstaat wordt inspectie op de spoorwegen uitgeoefend door een onder eenhoofdige leiding te stellen dienst. Bij algemene maatregel van bestuur worden terzake regels gesteld. 2 artikelen 5:13 5:15 5:16 5:17 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht De,,,enzijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde ambtenaren, met dien verstande dat zij niet bevoegd zijn: a. rijtuigen van treinen voor autoriteiten of bestuurders van de spoorwegdienst aangewezen of door bijzondere personen gehuurd te betreden; en b. inlichtingen te vragen dan wel inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden met betrekking tot het geldelijk beheer van de spoorwegdienst. 3 De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn tevens belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet. 4 artikelen 5:18 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, genoemd in deen. 5 De toezichthouder is niet bevoegd: a. rijtuigen van treinen voor autoriteiten of bestuurders van de spoorwegdienst aangewezen of door bijzondere personen gehuurd te betreden; en b. inlichtingen te vragen dan wel inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden met betrekking tot het geldelijk beheer van de spoorwegdienst. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 artikel 10 De inbedoelde ambtenaren hebben recht op gratis vervoer in alle treinen. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 Vervallen 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 artikel 10 De inbedoelde ambtenaren geven schriftelijk kennis aan de bestuurders der spoorwegdienst van hetgeen naar hun oordeel tot instandhouding van den spoorweg en tot behoorlijke uitoefening van de dienst behoort te worden gedaan. 2 Zij roepen, zoo de bestuurders daaraan geen behoorlijk gevolg geven, de beslissing van den Minister van Verkeer en Waterstaat in. 3 De bestuurders kunnen tegen hetgeen hun aanbevolen werd, administratief beroep instellen bij de Minister. 4 artikel 10, eerste lid Bij onmiddellijk gevaar kan degene, die ingevolge de bij, bedoelde regelen als hoofd van het toezicht is aangewezen, of de Minister last geven tot onverwijlde voorziening niettegenstaande het administratief beroep. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 Aan de beslissing van den Minister van Verkeer en Waterstaat wordt binnen den daarbij te stellen tijd door de bestuurders der dienst voldaan. 2 Geschiedt dit niet, dan is de Minister van Verkeer en Waterstaat bevoegd: zoo er nalatigheid bestaat met opzigt tot het herstellen of vernieuwen van den spoorweg of van de daartoe behoorende werken en gebouwen, of met opzigt tot de aanvulling van behoeften voor de dienst en van het getal beambten of bedienden, staking van de dienst te bevelen; zoo die bestaat met opzigt tot het herstellen of vernieuwen van de voor de spoorwegdienst bestemde locomotieven, tenders, rijtuigen of wagens, het gebruik van zoodanige locomotieven, tenders, rijtuigen of wagens te verbieden en, zoo noodig, tot oplegging van een last onder bestuursdwang. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 De Minister van Verkeer en Waterstaat is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van zijn beslissing, indien de bestuurders van de spoorwegdienst de bevolen herstellingen of vernieuwingen aan de spoorweg of aan de daartoe behorende werken en gebouwen niet uitvoeren, of niet tot de door hem nodig geachte aanvulling van behoeften voor de dienst of van het getal beambten of bedienden overgaan. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 artikel 10 Vordert de openbare veiligheid dadelijke staking van de dienst, hetzij over den geheelen weg, hetzij over een gedeelte daarvan, dan kan die staking worden bevolen door een inbedoelde ambtenaar. 2 Dit bevel wordt gegeven door hem, die daartoe, volgens de door Ons voor te schrijven regelen, bevoegd is, en zooveel mogelijk schriftelijk gerigt aan de hoofdbeambten van de meest nabij zijnde stations, die daarvan terstond aan alle hoofdbeambten van de stations langs den weg kennis geven. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 artikelen 7, eerste lid 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden a artikelen 17 18 19 23 24 50, tweede alinea Onverminderd de, enkunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de,,,,en, in werking worden gesteld. 2 Wanneer het in de eerste alinea bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde bepalingen. 3 Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de bepalingen die ingevolge de eerste alinea in werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld. 4 Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, worden bepalingen die ingevolge de eerste alinea in werking zijn gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten. 5 Het besluit, bedoeld in de eerste, derde en vierde alinea, wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking.. 6 Staatsblad Het besluit, bedoeld in de eerste, derde en vierde alinea, wordt in ieder geval geplaatst in het. 1996 366 09-07-1996 03-04-1996 23791 1997 172 29-04-1997 23-04-1997 01-05-1997 De artikelen 17a, 18, 19, 23, 24 en 50, tweede lid, kunnen
volgens artikel 7, eerste lid en artikel 8, eerste lid van de
Coördinatiewet uitzonderingstoestanden in beperkte en in
algemene noodtoestand in werking worden gesteld.
Artikel 17a — Artikel 17a#
Artikel 17a Wegens redenen van staatsbelang kan staking van de dienst door de Minister van Verkeer en Waterstaat worden bevolen. 1996 366 09-07-1996 03-04-1996 23791 1997 172 29-04-1997 23-04-1997 01-05-1997 De artikelen 17a, 18, 19, 23, 24 en 50, tweede lid, kunnen
volgens artikel 7, eerste lid en artikel 8, eerste lid van de
Coördinatiewet uitzonderingstoestanden in beperkte en in
algemene noodtoestand in werking worden gesteld.
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 In het geval, bij het vorige artikel bedoeld zorgt de Minister van Verkeer en Waterstaat, dat zooveel mogelijk worde voorzien in de behoeften van het verkeer in de rigting van den spoorweg. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 a artikel 17 Staatscourant Staking der dienst in het geval, bijbedoeld, wordt in devermeld, en in de provincien, door welke de weg loopt, zoo spoedig mogelijk, algemeen bekend gemaakt. 1996 366 09-07-1996 03-04-1996 23791 1997 172 29-04-1997 23-04-1997 01-05-1997 De artikelen 17a, 18, 19, 23, 24 en 50, tweede lid, kunnen
volgens artikel 7, eerste lid en artikel 8, eerste lid van de
Coördinatiewet uitzonderingstoestanden in beperkte en in
algemene noodtoestand in werking worden gesteld.
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 Eene krachtens deze wet gestaakte dienst wordt niet hervat dan na bekomen toestemming van den Minister van Verkeer en Waterstaat. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 artikel 20 De Minister van Verkeer en Waterstaat is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bevel tot staking dan wel ter voorkoming van het hervatten van de dienst zonder de inbedoelde toestemming. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 artikel 10 De inbedoelde ambtenaren zijn bevoegd locomotieven, tenders, rijtuigen of wagens onverwijld uit een trein te doen verwijderen en het vertrek van een trein te verbieden, indien de toestand van het materieel of de zamenstelling van den trein, naar hun oordeel, voor den trein gevaar kan doen ontstaan. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 De Minister van Verkeer en Waterstaat is bevoegd bevel te geven tot gehele of gedeeltelijke onbruikbaarmaking van de baan en de daarop aanwezige bruggen, telegraaflijnen en seintoestellen. 2 Indien op grond van de eerste alinea onbruikbaarmaking heeft plaatsgevonden, wordt de spoorweg, zo spoedig als het staatsbelang zulks gedoogt, op bevel van de Minister van Verkeer en Waterstaat en op kosten van het Rijk in de vorige toestand hersteld. 1996 366 09-07-1996 03-04-1996 23791 1997 172 29-04-1997 23-04-1997 01-05-1997 De artikelen 17a, 18, 19, 23, 24 en 50, tweede lid, kunnen
volgens artikel 7, eerste lid en artikel 8, eerste lid van de
Coördinatiewet uitzonderingstoestanden in beperkte en in
algemene noodtoestand in werking worden gesteld.
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 1 Indien de Minister van Verkeer en Waterstaat staking van de dienst beveelt vanuit het oogpunt van belangen van ’s lands verdediging, kan hij tevens bepalen dat alle locomotieven, tenders, rijtuigen, wagens en ander materieel van de spoorweg worden verwijderd. 2 In het geval, bedoeld in de eerste alinea, wijst de Minister van Defensie de plaats of plaatsen aan waarheen dat materieel moet worden vervoerd. 1996 366 09-07-1996 03-04-1996 23791 1997 172 29-04-1997 23-04-1997 01-05-1997 De artikelen 17a, 18, 19, 23, 24 en 50, tweede lid, kunnen
volgens artikel 7, eerste lid en artikel 8, eerste lid van de
Coördinatiewet uitzonderingstoestanden in beperkte en in
algemene noodtoestand in werking worden gesteld.
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 Vervallen 1997 578 02-12-1997 13-11-1997 24042 1997 578 02-12-1997 13-11-1997 24042 03-12-1997 01-01-1993 Werkt terug tot en met 1 januari 1993.
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 Vervallen 1997 578 02-12-1997 13-11-1997 24042 1997 578 02-12-1997 13-11-1997 24042 03-12-1997 01-01-1993 Werkt terug tot en met 1 januari 1993.
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 Bij algemene maatregel van bestuur worden - met uitzondering van arbeids- en rusttijden van het personeel in dienst van een spoorwegonderneming - geregeld: de dienst op de stations; het toezigt over de baan en de bediening der seinen; de inrigting van en het toezigt over de locomotieven, tenders, rijtuigen en wagens; de zamenstelling der treinen; de snelheid waarmede de treinen zijn te vervoeren; het getal beambten en bedienden, op elken trein noodig; hetgeen in het belang der orde op elken trein is in acht te nemen; de voorwaarden voor het vervoer van goederen; het afhalen en bestellen der goederen, en het loon daarvoor te genieten; de behandeling der onafgehaalde of onbestelbare goederen; de tijd waarna die goederen kunnen verkocht worden, en de wijze waarop die verkoop zal kunnen geschieden; de beëediging van de beambten en bedienden van den spoorweg; en hetgeen verder ter verzekering van de behoorlijke uitoefening der spoorwegdiensten en het veilig verkeer over de spoorwegen, krachtens deze wet, is voor te schrijven. 1997 578 02-12-1997 13-11-1997 24042 1997 578 02-12-1997 13-11-1997 24042 03-12-1997 01-01-1993 Werkt terug tot en met 1 januari 1993.
Artikel 27a — Artikel 27a#
Artikel 27a Vervallen 1998 466 28-07-1998 01-07-1998 25332 1999 262 29-06-1999 23-06-1999 01-07-1999
Artikel 27b — Artikel 27b#
Artikel 27b Vervallen 1998 466 28-07-1998 01-07-1998 25332 1999 262 29-06-1999 23-06-1999 01-07-1999
Artikel 27c — Artikel 27c#
Artikel 27c Vervallen 1998 466 28-07-1998 01-07-1998 25332 1999 262 29-06-1999 23-06-1999 01-07-1999
Artikel 27d — Artikel 27d#
Artikel 27d Vervallen 1998 466 28-07-1998 01-07-1998 25332 1999 262 29-06-1999 23-06-1999 01-07-1999
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 Vervallen 2003 264 30-06-2003 23-04-2003 27482 2004 741 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 Vervallen 2003 264 30-06-2003 23-04-2003 27482 2004 741 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 29a — Artikel 29a#
Artikel 29a Vervallen 2003 264 30-06-2003 23-04-2003 27482 2004 741 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 29b — Artikel 29b#
Artikel 29b Vervallen 2003 264 30-06-2003 23-04-2003 27482 2004 741 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 29c — Artikel 29c#
Artikel 29c Vervallen 2003 264 30-06-2003 23-04-2003 27482 2004 741 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 29d — Artikel 29d#
Artikel 29d Vervallen 2003 264 30-06-2003 23-04-2003 27482 2004 741 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 29e — Artikel 29e#
Artikel 29e Vervallen 2003 264 30-06-2003 23-04-2003 27482 2004 741 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 29f — Artikel 29f#
Artikel 29f Vervallen 2003 264 30-06-2003 23-04-2003 27482 2004 741 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 29g — Artikel 29g#
Artikel 29g Vervallen 2003 264 30-06-2003 23-04-2003 27482 2004 741 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 Vervallen 2003 264 30-06-2003 23-04-2003 27482 2004 741 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 Vervallen 2003 264 30-06-2003 23-04-2003 27482 2004 741 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 31a — Artikel 31a#
Artikel 31a Vervallen 2003 264 30-06-2003 23-04-2003 27482 2004 741 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 31b — Artikel 31b#
Artikel 31b Vervallen 2003 264 30-06-2003 23-04-2003 27482 2004 741 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 31c — Artikel 31c#
Artikel 31c Vervallen 2003 264 30-06-2003 23-04-2003 27482 2004 741 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 31d — Artikel 31d#
Artikel 31d Vervallen 2003 264 30-06-2003 23-04-2003 27482 2004 741 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 31e — Artikel 31e#
Artikel 31e Vervallen 2003 264 30-06-2003 23-04-2003 27482 2004 741 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 31f — Artikel 31f#
Artikel 31f Vervallen 2003 264 30-06-2003 23-04-2003 27482 2004 741 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 31g — Artikel 31g#
Artikel 31g Vervallen 2003 264 30-06-2003 23-04-2003 27482 2004 741 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 31h — Artikel 31h#
Artikel 31h Vervallen 2003 264 30-06-2003 23-04-2003 27482 2004 741 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 Vervallen 2003 264 30-06-2003 23-04-2003 27482 2004 741 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 32a — Artikel 32a#
Artikel 32a Vervallen 2003 264 30-06-2003 23-04-2003 27482 2004 741 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 32b — Artikel 32b#
Artikel 32b Vervallen 2003 264 30-06-2003 23-04-2003 27482 2004 741 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 32c — Artikel 32c#
Artikel 32c Vervallen 2003 264 30-06-2003 23-04-2003 27482 2004 741 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 32d — Artikel 32d#
Artikel 32d Vervallen 2003 264 30-06-2003 23-04-2003 27482 2004 741 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 32e — Artikel 32e#
Artikel 32e Vervallen 2003 264 30-06-2003 23-04-2003 27482 2004 741 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 32f — Artikel 32f#
Artikel 32f Vervallen 2003 264 30-06-2003 23-04-2003 27482 2004 741 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 32g — Artikel 32g#
Artikel 32g Vervallen 2003 264 30-06-2003 23-04-2003 27482 2004 741 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 1 Elke spoorweg wordt, op de bij algemeenen maatregel van bestuur te bepalen wijze en behoudens daarbij te omschrijven uitzonderingen, afgesloten. 2 De kosten dier afsluiting worden gedragen door de ondernemers der over den spoorweg loopende dienst. 1922 270 06-05-1922 1922 270 06-05-1922 12-06-1922
Artikel 33a — Artikel 33a#
Artikel 33a 1 Met betrekking tot door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen spoorwegen of gedeelten daarvan, aangelegd door of langs bos-, veen- of heidegronden of gronden met andere licht brandbare gewassen begroeid, zorgen bestuurders van de spoorwegdienst dat het terrein van de spoorweg, door het graven van sloten, het omspitten of het bedekken met onbrandbare stoffen van een doorgaande strook gronds of door enig ander middel, van de aangrenzende eigendommen wordt afgescheiden, aldus, dat bij het ontstaan van brand op het terrein van de spoorweg, de brand zich niet op de aangrenzende eigendommen uitbreidt. 2 artikel 13 eerste lid van artikel 14 artikel 15 Op het maken en instandhouden van deze voorzieningen zijn, hetenvan toepassing. 1961 203 21-06-1961 6336 1962 6 03-01-1962 6336 25-01-1962
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 1 Zij, wier landen of erven door den spoorweg van den gemeenen weg of de gemeene vaart worden gescheiden, hebben over den spoorweg een regt van uitweg. 2 artikel 57 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek Met betrekking tot zoodanige uitwegen geldt, met uitzondering der verpligting tot schadevergoeding. 3 Uitweg over den spoorweg kan ook in andere gevallen, voor zoover met de veiligheid van het verkeer bestaanbaar is, bij overeenkomst, onder goedkeuring van Onzen Minister van Verkeer en Waterstaat, worden toegestaan. 1998 374 30-06-1998 11-06-1998 25335 1998 374 30-06-1998 11-06-1998 25335 01-07-1998
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 1 De sluiting der hekken langs den spoorweg geschiedt door of van wege de ondernemers der spoorwegdienst. 2 Waar de hekken tot afsluiting van uit- of overwegen dienen, geschiedt de sluiting door of van wege hen, die, hetzij als eigenaars, huurders of pachters of krachtens eenigen anderen titel, bruikers van landen of erven zijnde, genot van die wegen hebben. 1875 67 09-04-1875 1876 41 05-02-1876 15-10-1876
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 1 Binnen den afstand van acht meter van een spoorweg en waar die in gebogen rigting is aangelegd, langs de binnenzijde van den boog, binnen den afstand van twintig meter, wordt geen gebouw, muur, schutting, aarden wal of ander verheven voorwerp opgerigt en worden geen boomen of houtgewas geplant of aangelegd. 2 Ter plaatse van openbare overwegen buiten bebouwde kommen is het vorig lid, met uitbreiding van den daar genoemden afstand van acht meter, mede van toepassing op het terrein begrensd door vier lijnen, getrokken uit punten aan weerskanten van den spoorweg gelegen op den openbaren weg op een afstand van twintig meter van den spoorweg, naar punten, gelegen op den spoorweg op een afstand van vijfhonderd meter aan weerskanten van den overweg. 1926 211 26-06-1926 1926 211 26-06-1926 01-08-1926
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 Binnen den afstand van zes meter van een spoorweg geschiedt geenerlei uitgraving. 1875 67 09-04-1875 1876 41 05-02-1876 15-10-1876
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 Binnen den afstand van twintig meter van een spoorweg worden geene riet- of stroodaken geplaatst, noch ligt ontvlambare stoffen nedergelegd. 1875 67 09-04-1875 1876 41 05-02-1876 15-10-1876
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 artt. 36 37 38 Van de bepalingen in de,enkan door Onzen Minister van Waterstaat, waar het zonder nadeel voor de openbare veiligheid en voor den spoorweg kan geschieden, ontheffing worden verleend. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 1 artikelen 36, eerste lid 37 38 De afstand, in de,enbedoeld, wordt gemeten uit den teen der glooiing van den spoorweg, waar deze in ophooging, uit de bovenlijn der glooiing, waar de spoorweg in ingraving, en uit een lijn, gelegen op een afstand van drie meter uit de as van het naastbijgelegen spoor, waar de spoorweg noch in ophooging noch in ingraving ligt. 2 Op stations en halten wordt de bedoelde afstand gemeten uit de afsluiting van den spoorweg of, waar deze door een sloot wordt gevormd, uit de bovenlijn van den buitensten boord. 3 artikel 36, tweede lid De afstand van twintig meter, bedoeld in, wordt gemeten in de as van den openbaren weg uit de as van het naastbijgelegen spoor, de afstand van vijfhonderd meter in de as van den spoorweg uit de as van den overweg. 1926 211 26-06-1926 1926 211 26-06-1926 01-08-1926
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 artikelen 36 37 38 De Minister van Verkeer en Waterstaat is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde in de,en. Hij kan hiertoe mandaat verlenen aan de bestuurders der spoorwegdienst. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 Het is verboden op de spoorwegen eenig voorwerp, dat het verkeer belemmeren kan, neder te leggen. 1875 67 09-04-1875 1876 41 05-02-1876 15-10-1876
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 Het is aan elk, wien het uit den aard zijner betrekking niet vrij staat, verboden, buiten toestemming van de bestuurders der dienst, of van hem, wien dit door de bestuurders is opgedragen, langs of op den spoorweg te loopen of te rijden. 1875 67 09-04-1875 1876 41 05-02-1876 15-10-1876
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 Het is verboden, buiten de toestemming in het vorig artikel bedoeld, paarden, vee of andere dieren langs of op den spoorweg te drijven of te laten loopen. 1875 67 09-04-1875 1876 41 05-02-1876 15-10-1876
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 Vervallen 1997 578 02-12-1997 13-11-1997 24042 1997 578 02-12-1997 13-11-1997 24042 03-12-1997 01-01-1993 Werkt terug tot en met 1 januari 1993.
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 Vervallen 1997 578 02-12-1997 13-11-1997 24042 1997 578 02-12-1997 13-11-1997 24042 03-12-1997 01-01-1993 Werkt terug tot en met 1 januari 1993.
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 Vervallen 1988 522 26-10-1988 20371 1988 550 30-12-1988 01-12-1988 01-01-1989
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 Vervallen 1998 374 30-06-1998 11-06-1998 25335 1998 374 30-06-1998 11-06-1998 25335 01-07-1998
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 Vervallen 1998 374 30-06-1998 11-06-1998 25335 1998 374 30-06-1998 11-06-1998 25335 01-07-1998
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 1 Het geheel of gedeeltelijk gebruik van elken spoorweg en van het aan eene spoorwegonderneming toebehoorende materieel kan ten allen tijde door Ons, in het belang van ’s Rijks dienst, tegen schadeloosstelling worden gevorderd. 2 Indien het gebruik voor ’s Rijks dienst, als bedoeld in de eerste alinea, nodig is in het belang van ’s lands verdediging, kan de bedoelde vordering geschieden door de Minister van Defensie. 3 De schadeloosstelling wordt, bij gebreke van minnelijke schikking, door den regter bepaald. 1996 366 09-07-1996 03-04-1996 23791 1997 172 29-04-1997 23-04-1997 01-05-1997 De artikelen 17a, 18, 19, 23, 24 en 50, tweede lid, kunnen
volgens artikel 7, eerste lid en artikel 8, eerste lid van de
Coördinatiewet uitzonderingstoestanden in beperkte en in
algemene noodtoestand in werking worden gesteld.
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 art. 24 2de alinea van art. 50 Regelen omtrent de aanwending van spoorwegen en spoorwegmaterieel in de gevallen, bedoeld inen de, worden door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur gesteld. 1875 67 09-04-1875 1876 41 05-02-1876 15-10-1876
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 art. 50 art. 18 Kan in het geval, bijbedoeld, het vervoer van reizigers of goederen niet langs den spoorweg plaats hebben, dan wordt in dat vervoer voorzien op de bijbepaalde wijze. 1875 67 09-04-1875 1876 41 05-02-1876 15-10-1876
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 De bestuurders eener spoorwegdienst worden gestraft: zoo zij de voorwaarden, waarop de vergunning tot uitoefening der dienst is verleend, niet naleven of daarmede in strijd handelen of doen handelen, met geldboete van de derde categorie; zoo zij de bepalingen van deze wet niet naleven of daarmede in strijd handelen of doen handelen, voor zoover daaromtrent niet in het bijzonder is voorzien, met geldboete van de derde categorie; art. 6 1ste lid van art. 7 zoo zij de dienst op den spoorweg openen, alvorens het dienstreglement, inbedoeld, is goedgekeurd, of die hetzij openen hetzij hervatten, alvorens de in hetbedoelde magtiging verleend is, met geldboete van de derde categorie bij de openstelling of hervatting van de dienst, en van de tweede categorie voor elke dag, dien de geopende of hervatte dienst heeft geduurd; art. 20 zoo zij de dienst voortzetten na bevel tot staking, of die hervatten zonder de toestemming, inbedoeld, met geldboete van de derde categorie bij de voortzetting of hervatting van de dienst, en van de tweede categorie voor elke dag, dien de voortzetting of hervatting heeft geduurd; laatste lid van art. 7 zoo zij nieuwe of herstelde locomotieven, tenders, rijtuigen of wagens in gebruik nemen, alvorens zij daartoe, ten gevolge der opneming in hetvoorgeschreven, zijn gemagtigd, met geldboete van de tweede categorie voor elke locomotief, tender, rijtuig of wagen; art 14 art. 13 zoo zij in gebreke blijven te voldoen aan de beslissing van den Minister van Verkeer en Waterstaat, inbedoeld, of aan den in de voorlaatste alinea vanbedoelden last, met geldboete van de eerste categorie voor elke dag verzuim; art. 5 art. 32 artikelen 27 c 27 d 27 33 zoo zij het inbedoeld reglement op het gemeenschappelijk gebruik van een spoorweg, de aldaar en inbedoelde regeling voor het gemeenschappelijk gebruik van stations en voor het doorgaand vervoer van reizigers en goederen, of een krachtens een der,,ofuitgevaardigden algemeenen maatregel van inwendig bestuur niet naleven of daarmede in strijd handelen of doen handelen, met geldboete van de derde categorie. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 1 Vervallen. 2 art. 53 art. 15 De boete, in het voorlaatste lid vanbedreigd, kan niet hooger gaan dan ten hoogste € 4 500. De aldaar bedoelde tijd houdt op te loopen, zoodrawordt toegepast. 2001 481 01-11-2001 27-09-2001 27472 2001 481 01-11-2001 27-09-2001 27472 01-01-2002 De wijziging van artikel 54 is niet geheel juist.
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 Vervallen 1886 64 15-04-1886 1886 64 15-04-1886 01-09-1886
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 1 De beambten en bedienden van den spoorweg worden gestraft: art. 5 artikelen 27 c 27 d 27 33 zoo zij het inbedoeld reglement op het gemeenschappelijk gebruik van een spoorweg, de aldaar bedoelde regeling voor het gemeenschappelijk gebruik van stations, een krachtens een der,,ofuitgevaardigden algemeenen maatregel van bestuur overtreden met geldboete van de tweede categorie; zoo zij de bepalingen van deze wet niet naleven of daarmede in strijd handelen of doen handelen, voor zoover daaromtrent niet in het bijzonder is voorzien, met geldboete van de tweede categorie. 2 Zij zijn niet strafbaar, zoo hunne weigering of overtreding een gevolg is van den last, door de bestuurders van de spoorwegdienst gegeven. 2001 481 01-11-2001 27-09-2001 27472 2001 481 01-11-2001 27-09-2001 27472 01-01-2002
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 Vervallen 1886 64 15-04-1886 1886 64 15-04-1886 01-09-1886
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 1 artt. 36 37 38 art. 39 Overtreding van de,en, of van de voorwaarden gesteld bij de besluiten, naar aanleiding vangenomen, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie. 2 De overtreders worden daarenboven, op de vordering van het openbaar ministerie, veroordeeld om binnen een bij het vonnis te bepalen termijn, de zaken in den vorigen stand te herstellen. 3 Bij gebreke van voldoening aan die uitspraak, wordt, na verloop van den gestelden termijn, het vonnis van regeringswege ten koste van den overtreder ten uitvoer gelegd. 4 De kosten worden op den overtreder verhaald door den ontvanger der registratie, naar een staat, opgemaakt door dengene, die met de uitvoering van het vonnis is belast. 1988 77 11-02-1988 19803 1988 172 20-04-1988 30-04-1988
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 Vervallen 1886 64 15-04-1886 1886 64 15-04-1886 01-09-1886
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 Vervallen 1886 64 15-04-1886 1886 64 15-04-1886 01-09-1886
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 Vervallen 1886 64 15-04-1886 1886 64 15-04-1886 01-09-1886
Artikel 62 — Artikel 62#
Artikel 62 Vervallen 1886 64 15-04-1886 1886 64 15-04-1886 01-09-1886
Artikel 63 — Artikel 63#
Artikel 63 1 artt. 42 43 44 Overtreding van de,enwordt gestraft met geldboete van de tweede categorie of met gevangenis van ten hoogste ééne maand. 2 tweede lid van art. 35 Gelijke straf wordt uitgesproken tegen de personen, in hetbedoeld, of die hen, volgens de wet, vertegenwoordigen, wanneer zij de sluiting der hekken geplaatst aan uit- of overwegen, waarvan zij genot hebben, verzuimen. Zijn door hen personen met de sluiting belast, dan zijn deze wegens het verzuim strafschuldig. 1988 77 11-02-1988 19803 1988 172 20-04-1988 30-04-1988
Artikel 64 — Artikel 64#
Artikel 64 1 artikelen 27 c 27 d 27 artikel 53 56 Overtreding van de bepalingen van een algemeenen maatregel van bestuur in een der,ofbedoeld, door anderen dan de inengenoemden, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie. 2 De beambten en bedienden van den spoorweg kunnen hen, die zich aan die overtreding schuldig maken, uit de rijtuigen weren of verwijderen. 3 a § 6der Waterstaatswet 1900 Ten aanzien van beschadiging van waterstaatswerken, in beheer of onderhoud bij ondernemers van spoorwegdiensten, voor welke schippers, reders, eigenaars of gebruikers van vaartuigen of vlotten volgens de wet aansprakelijk zijn, vindtovereenkomstige toepassing. 1988 77 11-02-1988 19803 1988 172 20-04-1988 30-04-1988
Artikel 65 — Artikel 65#
Artikel 65 Vervallen 1886 64 15-04-1886 1886 64 15-04-1886 01-09-1886
Artikel 66 — Artikel 66#
Artikel 66 Vervallen 1998 374 30-06-1998 11-06-1998 25335 1998 374 30-06-1998 11-06-1998 25335 01-07-1998
Artikel 67 — Artikel 67#
Artikel 67 Vervallen 1998 374 30-06-1998 11-06-1998 25335 1998 374 30-06-1998 11-06-1998 25335 01-07-1998
Artikel 68 — Artikel 68#
Artikel 68 Vervallen 1998 374 30-06-1998 11-06-1998 25335 1998 374 30-06-1998 11-06-1998 25335 01-07-1998
Artikel 69 — Artikel 69#
Artikel 69 1 Staatsblad Staatsblad Staatsblad Deze wet is van toepassing op de dienst en het gebruik der Staatsspoorwegen, zonder evenwel verandering te brengen in de bepalingen der wet van 3 Julij 1863 (n°. 100) en in die van de concessie, bij de wetten van 3 Junij 1863 (n°. 101) en van 7 Augustus 1865 (n°. 99) bekrachtigd. 2 artikel 2, eerste lid, van de Spoorwegwet Deze wet is niet van toepassing op hoofdspoorwegen, aangewezen krachtens. 2004 73 04-03-2004 05-02-2004 28843 2004 741 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 69a — Artikel 69a#
Artikel 69a Wet personenvervoer 2000 Deze wet is niet van toepassing voor zover devan toepassing is. 2000 314 01-08-2000 06-07-2000 26456 2000 564 28-12-2000 14-12-2000 01-01-2001
Artikel 70 — Artikel 70#
Artikel 70 1 Wegen door het Rijk of door eene spoorwegonderneming aangelegd tot toegang naar een station worden, voor zoover dit nog niet mogt zijn geschied, aan de gemeenten, op welker grondgebied zij liggen, in behoorlijken staat overgedragen; daarna komt het onderhoud en de verlichting ten haren laste. 2 Ligt een toegangsweg op het grondgebied van meer dan eene gemeente, dan wordt door Ons, den Raad van State gehoord, beslist aan welke gemeente die weg zal worden overgedragen. 3 Onderhoud van wegen aan het Rijk, aan gemeenten of anderen toebehoorende, vóór den aanleg van een spoorweg aangelegd, die tot toegang naar een station van den spoorweg dienen, blijft ten laste van dengene, die daarmede vroeger was belast. 4 Volgens voorschriften door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur te geven, wordt een ligger opgemaakt en bijgehouden van de toegangswegen tot stations, op welken ligger de onderhoudpligtigen vermeld zijn. 1880 258 31-12-1880 1880 258 31-12-1880 14-01-1881
Artikel 71 — Artikel 71#
Artikel 71 1 artikelen 5:13 5:15 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 72 De,enzijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de inbedoelde ambtenaren en politieambtenaren, met dien verstande dat zij alleen bevoegd zijn de spoorweg en de daarbij behorende gronden en gebouwen, die voor het gebruik van reizigers zijn bestemd, te betreden. 2 artikelen 5:13 5:15 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht De,enzijn van overeenkomstige toepassing op bij besluit van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen Rijksbeambten en leden en beambten van openbare besturen. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 72 — Artikel 72#
Artikel 72 1 art. 27 art. 5 artikel 10 art. 141 van het Wetboek van Strafvordering Tot het opsporen der overtredingen van deze wet, van een krachtensuitgevaardigden algemeenen maatregel van bestuur, van het inbedoeld reglement en van de aldaar zijn, behalve de bijaangewezen ambtenaren, de inbedoelde ambtenaren bevoegd. 2 Ook zijn daartoe bevoegd de beëedigde beambten en bedienden van den spoorwegen over de geheele uitgestrektheid van den weg, waarop zij dienst doen, en binnen den kring van honderd meter aan beide zijden van dien weg. 1998 374 30-06-1998 11-06-1998 25335 1998 374 30-06-1998 11-06-1998 25335 01-07-1998
Artikel 73 — Artikel 73#
Artikel 73 Staatsblad De wet van 21 Augustus 1859 (n°. 98) wordt ingetrokken. 1875 67 09-04-1875 1876 41 05-02-1876 15-10-1876
Artikel 74 — Artikel 74#
Artikel 74 1 Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip. 2 Zij kan worden aangehaald onder den titel "Spoorwegwet 1875". 2004 73 04-03-2004 05-02-2004 28843 2004 741 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005