Wet van 9 juli 1900, houdende nadere regeling van den dienst en het gebruik van spoorwegen, waarop uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd
- BWB-id
- BWBR0001866
- Type
- Wet
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- 2012-10-01 t/m 2015-11-30
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0001866
- ELI
- /eli/nl/wet/1902/locaalspoor-en-tramwegwet
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1902/locaalspoor-en-tramwegwet/2012-10-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0001866&g=2012-10-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0001866&z=2026-06-06&g=2012-10-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0001866/2012-10-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1902/locaalspoor-en-tramwegwet
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat bepaalt, welke spoorwegen in de zin dezer wet als locaalspoorwegen, welke als stadsspoorwegen en welke als tramwegen worden beschouwd. 2 Als tramwegen beschouwde spoorwegen, welke alleen voor vervoer van goederen bestemd zijn, kunnen door Onzen Minister voornoemd, bestuurders van den spoorwegdienst gehoord, ten deele met locaalspoorwegen worden gelijkgesteld. 3 Spoorwegwet 1875 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder Spoorwegwet:. 2004 73 04-03-2004 05-02-2004 28843 2004 741 30-12-2004 20-12-2004 01-01-2005
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Voor de aanleg van een locaalspoorweg, een stadsspoorweg of een tramweg en de uitoefening van de dienst op die locaalspoorweg, die stadsspoorweg of die tramweg wordt een door Ons of met Onze machtiging verleende concessie vereist. 2 De concessie wordt niet verleend, dan nadat Gedeputeerde Staten zijn gehoord. 3 De concessie houdt, voor zooveel tramwegen betreft, voorschriften in ter verzekering, dat bepalingen omtrent rechten en verplichtingen der beambten en bedienden van den spoorwegdienst worden onderworpen aan de instemming van Onzen Minister voornoemd, en door dezen kunnen worden vastgesteld, voor zooveel overeenstemming met bestuurders van den spoorwegdienst ontbreekt. 4 Ten aanzien van buitenlandsche spoorwegdiensten, welke mede hier te lande worden uitgeoefend, kan worden afgeweken van het bepaalde in het voorgaande lid. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 artikel 2 Uitoefening van den dienst op een locaalspoorweg, op een stadsspoorweg of op een tramweg is den bestuurders verboden, tenzij eene concessie, als bedoeld in, van kracht is. 1980 192 26-03-1980 15055 1982 231 16-04-1982 01-05-1982
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 artikelen 27 33 36, tweede lid, van de Spoorwegwet Bij algemeenen maatregel van bestuur kunnen omtrent den dienst en het gebruik van locaalspoorwegen bepalingen worden gemaakt, waarbij wordt afgeweken van de,en. 2 artikel 1 artikelen 34 35 43 44 dier wet Zijn gedeelten van die spoorwegen op openbare wegen aangelegd, dan kan daarvoor ook vandier wet worden afgeweken, behalve met betrekking tot de verantwoordelijkheid ten aanzien van reizigers en tot vervoer aangenomen goederen, alsmede van de,,en. 1998 374 30-06-1998 11-06-1998 25335 1998 374 30-06-1998 11-06-1998 25335 01-07-1998
Artikel 4a — Artikel 4a#
Artikel 4a 1 artikel 4 aangehaalde wet hoofdstuk III artikel 35 artikelen 27 52 Op stadsspoorwegen zijn van de inenniet van toepassing. Het bij of krachtens deenbepaalde inzake goederen is op deze spoorwegen niet van toepassing. 2 artikelen 26 34 van de in artikel 4 aangehaalde wet Bij algemene maatregel van bestuur kunnen omtrent de dienst op, alsmede de afsluiting van stadsspoorwegen bepalingen worden vastgesteld, waarbij wordt afgeweken van deen. 3 Bij algemene maatregel van bestuur kan ten aanzien van stadsspoorwegdiensten onder beheer van een publiekrechtelijk lichaam worden bepaald, dat voor de naleving van die algemene maatregel van bestuur zij als bestuurders worden aangemerkt, die door dit publiekrechtelijk lichaam aan het hoofd van die stadsspoorwegdienst zijn gesteld. 4 Indien het gezag, gesteld boven de bestuurders, in het vorige lid bedoeld, deze de middelen onthoudt, welke nodig zijn hen in staat te stellen de verplichtingen na te komen, welke bij of krachtens de in het vorige lid bedoelde algemene maatregel van bestuur op hen zijn gelegd, wordt echter dat gezag als bestuurder aangemerkt. 1998 374 30-06-1998 11-06-1998 25335 1998 374 30-06-1998 11-06-1998 25335 01-07-1998
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 artikel 4 artikelen 4 5 7 9 tot en met 12 16 17 20 tot en met 22 42 a 69 71 artikelen 34 35 43 44 Op tramwegen zijn van de inaangehaalde wet van toepassing de,,,,,,,,en; de,,enzijn van toepassing op spoorweggedeelten niet op openbare wegen aangelegd. 2 afdeling 5 van titel 2 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek Onder voorbehoud vanis de ondernemer verantwoordelijk voor de schade door de reizigers bij de uitoefening van den dienst geleden, ten ware de schade buiten zijne schuld of die zijner beambten of bedienden zij ontstaan. 3 Bij algemeenen maatregel van bestuur wordt geregeld: a. hetgeen ter verzekering van het veilig en ordelijk verkeer over deze spoorwegen en omtrent de aankondiging van de opening en van de regeling van den dienst, alsmede omtrent de openbaarmaking van de tarieven is voor te schrijven; b. artikelen 3 25 27 der in artikel 4 aangehaalde wet de wijze, waarop ten aanzien van deze spoorwegen, op verzoek van bestuurders van den spoorwegdienst, het tweede lid van dit artikel op tot vervoer aangenomen goederen van toepassing kan worden verklaard, en de,enbehoudens voor te schrijven afwijkingen van toepassing kunnen worden verklaard; c. a artikel 4 de wijze, waarop ten aanzien van niet op openbare wegen aangelegde gedeelten van deze spoorwegen de artikelen 33, 36 tot en met 41 en 68 der inaangehaalde wet behoudens voor te schrijven afwijkingen van toepassing kunnen worden verklaard. 4 De ondernemer is verplicht tot uitoefening van de dienst overeenkomstig de vastgestelde dienstregeling. 1998 374 30-06-1998 11-06-1998 25335 1998 374 30-06-1998 11-06-1998 25335 01-07-1998
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 artikel 1 artikel 4 Op spoorwegen, welke niet voor openbaar vervoer van personen of van goederen zijn opengesteld, zijnen de inaangehaalde wet niet van toepassing. 2 artikel 4 Bij algemeenen maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven ter verzekering van het veilig gebruik van deze spoorwegen, indien zij aansluiten aan spoorwegen, in de inaangehaalde wet bedoeld, aan locaalspoorwegen, aan stadsspoorwegen of aan tramwegen. 1980 192 26-03-1980 15055 1982 231 16-04-1982 01-05-1982
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 artikel 5 De Staten der provinciën zijn bevoegd omtrent den dienst en het gebruik van tramwegen voor spoorweggedeelten op openbare wegen aangelegd voorschriften te geven voor zooveel betreft punten, waaromtrent inniet is voorzien. 2 Indien bijzondere omstandigheden van plaatselijken aard in eene gemeente voorschriften noodig maken omtrent den dienst en het gebruik van locaalspoorwegen of van tramwegen, kunnen deze voorschriften, voor zoover zij spoorweggedeelten betreffen op openbare wegen aangelegd, door den gemeenteraad worden vastgesteld. 3 artikelen 139 tot en met 144 artikel 154 van de Gemeentewet Stb. Deen(, ) zijn op deze plaatselijke verordening van toepassing. Van de intrekking van deze verordening geschiedt binnen acht dagen mededeling aan Ons. 4 artikel 6, tweede lid De Staten der provinciën en de gemeenteraden zijn bevoegd omtrent het veilig gebruik van spoorwegen, in, bedoeld, voor spoorweggedeelten op openbare wegen aangelegd voorschriften te geven voor zooveel betreft punten, waaromtrent bij den aldaar bedoelden algemeenen maatregel van bestuur niet is voorzien. 2012 233 05-06-2012 24-05-2012 32389 2012 276 27-06-2012 13-06-2012 01-10-2012
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 artikel 1 artikel 4 Artikel 5, vierde lid Op spoorwegen, waarop geen ander vervoer plaats heeft dan personenvervoer binnen ééne gemeente, zijnen de inaangehaalde wet niet van toepassing., blijft op deze spoorwegen van toepassing. 2 Met die spoorwegen kunnen door Ons, den Raad van State gehoord, worden gelijk gesteld spoorwegen of spoorweggedeelten, waarop in hoofdzaak geen ander dan zoodanig vervoer plaats heeft, of welke uit anderen hoofde niet van aanmerkelijke beteekenis zijn voor het doorgaand verkeer. 3 Bij Ons besluit tot gelijkstelling kan worden bepaald, dat de artikelen 2 en 3 op in dat besluit bedoelde spoorwegen of spoorweggedeelten van toepassing blijven. 4 De voorgaande leden zijn niet van toepassing op stadsspoorwegen. 1988 522 26-10-1988 20371 1988 550 30-12-1988 01-12-1988 01-01-1989
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 Overtreding van de bepalingen van: artikel 5 , artikel 5 artikel 4 de intoepasselijk verklaarde wetsartikelen, voor zooveel deze overtreding betrekking heeft op tramwegen, daaronder begrepen niet-naleving van artikel 35, tweede lid, der inaangehaalde wet door de bij artikel 63, tweede lid, dier wet deswege aansprakelijk gestelden, artikelen 4 4a 5 6 de in de,,enbedoelde algemeene maatregelen van bestuur, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie 2 De beambten en bedienden zijn niet strafbaar zoo hunne overtreding een gevolg is van den last, door de bestuurders van den spoorwegdienst gegeven. 3 artikelen 4 4a 5 Die beambten en bedienden kunnen de reizigers, die zich aan overtreding der bepalingen van den in de,enbedoelden algemeenen maatregel van bestuur schuldig maken, uit de rijtuigen weren of verwijderen. 4 artikel 3 zes maanden Overtreding vanwordt gestraft met hechtenis van ten hoogsteof geldboete van de derde categorie. 5 artikel 3 artikelen 4 4a 5 6 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het inneergelegde verbod, alsmede ter handhaving van de in de,,enbedoelde algemene maatregelen van bestuur. 6 Waterstaatswet 1900 Ten aanzien van beschadiging van waterstaatswerken, in beheer of onderhoud bij ondernemers van locaal-, stadsspoor- of tramwegdiensten, voor welke schippers, reeders, eigenaars of gebruikers van vaartuigen of vlotten volgens de wet aansprakelijk zijn, vindt § 6a derovereenkomstige toepassing. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 artikel 9 artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering artikel 10 van de Spoorwegwet artikelen 179 182 184 van het Wetboek van Strafrecht Met de opsporing van de bijstrafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd, belast de inbedoelde ambtenaren. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in detot en meten, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf. 2 artikelen 5:13 5:15 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 10 van de Spoorwegwet De,enzijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de inbedoelde ambtenaren. 3 artikel 9 Ook zijn tot het opsporen der overtredingen inbedoeld bevoegd de beambten en bedienden van den spoorweg, beëedigd volgens regelen bij algemeenen maatregel van bestuur te stellen, over de geheele uitgestrektheid van den weg, waarop zij dienst doen, en binnen den kring van honderd meter aan beide zijden van dien weg. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 De bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen. 1918 99 17-01-1918 1920 119 19-03-1920 01-06-1920
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1918 99 17-01-1918 1920 119 19-03-1920 01-06-1920
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 Staatsblad De wet van 28 October 1889 (n°. 146) wordt ingetrokken. 1918 99 17-01-1918 1920 119 19-03-1920 01-06-1920
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip. 1918 99 17-01-1918 1920 119 19-03-1920 01-06-1920