Wet van 12 mei 1928, tot vaststelling van bepalingen betreffende het opium en andere verdoovende middelen
- BWB-id
- BWBR0001941
- Type
- Wet
- Ministerie
- Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-28
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0001941
- ELI
- /eli/nl/wet/1928/opiumwet
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1928/opiumwet/2026-01-28
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0001941&g=2026-01-28
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0001941&z=2026-06-06&g=2026-01-28
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0001941/2026-01-28
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1928/opiumwet
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; b. substantie: stof van menselijke, dierlijke, plantaardige of chemische oorsprong, daaronder begrepen dieren, planten, delen van dieren of planten, alsmede micro-organismen; c. preparaat: een vast of vloeibaar mengsel van substanties; d. middel: substantie of preparaat; e. Trb. Trb. Enkelvoudig Verdrag: het op 30 maart 1961 te New York tot stand gekomen Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen (1963, 81), zoals gewijzigd bij het op 25 maart 1972 te Genève tot stand gekomen Protocol tot wijziging van dat verdrag (1987, 90); f. Trb. Psychotrope Stoffen Verdrag: het op 21 februari 1971 te Wenen tot stand gekomen Verdrag inzake psychotrope stoffen (1989, 129); g. Kaderbesluit 2004/757/JBZ: Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad van 25 oktober 2004 betreffende de vaststelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van de illegale drugshandel (PbEU 2004, nr. L 335), zoals laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2017/2103 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2017 tot wijziging van het Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad teneinde psychoactieve stoffen in de definitie van «drug» op te nemen en tot intrekking van Besluit 2005/387/JBZ van de Raad; h. Besluit 2005/387/JBZ: Besluit 2005/387/JBZ van de Raad van 10 mei 2005 inzake de uitwisseling van informatie, de risicobeoordeling en de controle ten aanzien van nieuwe psychoactieve stoffen (PbEU 2005, L 127); i. Verdrag tegen sluikhandel: het op 20 december 1988 tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen (Trb. 1989, 97); j. Verdrag ter uitvoering van artikel 17 van het Verdrag tegen sluikhandel: het op 31 januari 1995 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag inzake de sluikhandel over zee, ter uitvoering van artikel 17 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen (Trb. 2010, 165 en 239); k. stofgroep: groep van substanties die afgeleid is van eenzelfde structuur. 2 Voor toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de zouten van de substanties met die substanties gelijkgesteld. 3 Voor de toepassing van deze wet wordt onder vervaardigen begrepen raffineren en omzetten. 4 artikelen 2 2a, eerste lid 3 Onder binnen het grondgebied van Nederland brengen van middelen, bedoeld in de,, en, is begrepen: het binnen het grondgebied van Nederland brengen van de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn en elke op het verder vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling, met betrekking tot die middelen, die binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht, of tot de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn. 5 artikelen 2 2a, eerste lid 3 Onder buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen, bedoeld in de,, en, is begrepen: het buiten het grondgebied van Nederland brengen van de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn en het met bestemming naar het buitenland vervoeren, ten vervoer aannemen of ten vervoer aanbieden, het ten uitvoer dan wel ten wederuitvoer aangeven, daaronder begrepen het doen van een summiere aangifte bij uitgaan of het in kennis stellen van de wederuitvoer, in de zin van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PbEU 2013, L 269) of het in, op of aan een naar het buitenland bestemd vaar-, voer- of luchtvaartuig aanwezig hebben van die middelen, of van die voorwerpen of goederen. 2025 32 10-02-2025 29-01-2025 36159 2025 82 01-04-2025 25-03-2025 01-07-2025
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 lijst I artikel 3a, vijfde lid Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorendedan wel aangewezen krachtens: A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen; B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren; C. aanwezig te hebben; D. te vervaardigen. 2025 32 10-02-2025 29-01-2025 36159 2025 82 01-04-2025 25-03-2025 01-07-2025
Artikel 2a — Artikel 2a#
Artikel 2a 1 lijst IA Het is verboden een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij deze wet behorendeof een preparaat daarvan: A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen; B. te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren; C. aanwezig te hebben; D. te vervaardigen. 2 Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: a. artikel 40, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet een geneesmiddel waarvoor een handelsvergunning is verleend als bedoeld in, of een geneesmiddel als bedoeld in artikel 40, derde lid, van die wet; b. artikel 1, eerste lid, onderdeel mm, van de Geneesmiddelenwet een fabrikant als bedoeld inof een groothandelaar als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel nn, van die wet; c. artikel 38 van de Geneesmiddelenwet een fabrikant of groothandelaar van werkzame stoffen die is geregistreerd als bedoeld in; d. artikel 40, derde lid, onder a, van de Geneesmiddelenwet een apotheker of huisarts die geneesmiddelen bereidt als bedoeld in; e. artikel 2.19 van de Wet dieren een diergeneesmiddel waarvoor een vergunning is verleend voor het in de handel brengen krachtens; f. artikel 2.19 van de Wet dieren een fabrikant aan wie krachtenseen vergunning is verleend voor het vervaardigen van diergeneesmiddelen; g. artikel 2.19 van de Wet dieren een groothandel aan wie krachtenseen vergunning is verleend voor de handel van diergeneesmiddelen; h. Verordening (EG) nr. 273/2004 een geregistreerde stof genoemd in Bijlage I bijvan het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren (PbEU 2004, L 47); i. Verordening (EG) nr. 111/2005 een geregistreerde stof genoemd in de Bijlage bijvan de Raad van 22 december 2004 houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Gemeenschap en derde landen in drugsprecursoren (PbEU 2005, L 22); of j. artikelen 2 3 een middel als bedoeld in deen. 3 Verordening (EG) nr. 273/2004 Verordening (EG) nr. 111/2005 Een wijziging van Bijlage I bijvan het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren (PbEU 2004, L 47) of de Bijlage bijvan de Raad van 22 december 2004 houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Gemeenschap en derde landen in drugsprecursoren (PbEU 2005, L 22) gaat voor toepassing van dit artikel gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven. 2025 32 10-02-2025 29-01-2025 36159 2025 82 01-04-2025 25-03-2025 01-07-2025
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 lijst II artikel 3a, vijfde lid Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorendedan wel aangewezen krachtens: A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen; B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren; C. aanwezig te hebben; D. te vervaardigen. 2002 520 29-10-2002 13-07-2002 27874 2003 96 11-03-2003 24-02-2003 17-03-2003
Artikel 3a — Artikel 3a#
Artikel 3a 1 lijst I lijst II lijst I II Bij algemene maatregel van bestuur worden aan de bij deze wet behorendeofmiddelen toegevoegd indien deze onder de werking van het Enkelvoudig Verdrag of het Psychotrope Stoffen Verdrag worden gebracht of uit hoofde van de uit het Kaderbesluit 2004/757/JBZ of het Besluit 2005/387/JBZ voortvloeiende verplichting onder de werking van deze wet dienen te worden gebracht. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen vanofmiddelen worden geschrapt indien deze aan de werking van de in de eerste volzin bedoelde verdragen worden onttrokken dan wel indien de in die volzin bedoelde verplichting uit hoofde van het Kaderbesluit 2004/757/JBZ of het Besluit 2005/387/JBZ komt te vervallen. 2 lijst I lijst II Bij algemene maatregel van bestuur kunnen aanofmiddelen worden toegevoegd indien is gebleken dat deze het bewustzijn van de mens beïnvloeden en bij gebruik door de mens kunnen leiden tot schade aan zijn gezondheid en schade voor de samenleving. 3 lijst I lijst II Bij algemene maatregel van bestuur worden middelen die krachtens het tweede lid zijn toegevoegd, vanofgeschrapt indien is gebleken dat zij de in het tweede lid bedoelde eigenschappen niet of niet meer bezitten. 4 Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt niet vastgesteld dan nadat vier weken zijn verstreken nadat het ontwerp van de maatregel is overgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal en binnen die termijn niet door of namens een van beide Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het in het ontwerp van de maatregel geregelde onderwerp wordt geregeld bij wet. 5 artikel 2 3 Indien naar het oordeel van Onze Minister handelingen als bedoeld inoften aanzien van een middel onverwijld moeten worden verboden en de totstandkoming van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste of tweede lid niet kan worden afgewacht, kan het middel daartoe bij ministeriële regeling worden aangewezen. Onze Minister draagt ervoor zorg dat tegelijk met de vaststelling van deze ministeriële regeling het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur met dezelfde inhoud ter beoordeling aan de ministerraad wordt aangeboden. De ministeriële regeling blijft, behoudens eerdere intrekking, van kracht totdat de algemene maatregel van bestuur waarbij het betreffende middel wordt aangewezen in werking treedt, doch uiterlijk tot een jaar na het inwerkingtreden van de regeling. 2018 356 23-10-2018 03-10-2018 34923 2018 356 23-10-2018 03-10-2018 34923 24-10-2018
Artikel 3aa — Artikel 3aa#
Artikel 3aa 1 lijst IA Bij algemene maatregel van bestuur kan aan de bij deze wet behorendeeen stofgroep worden toegevoegd indien twee of meer substanties die deel uitmaken van die stofgroep zijn of worden toegevoegd aan de bij deze wet behorende lijst I. 2 lijst IA Bij algemene maatregel van bestuur kunnen stofgroepen die bij of krachtens deze wet zijn toegevoegd, vanworden geschrapt indien substanties die deel uitmaken van die stofgroep zijn of worden geschrapt van lijst I. 3 lijst IA lijst I Bij algemene maatregel van bestuur wordt een stofgroep die bij of krachtens deze wet is toegevoegd, vangeschrapt indien substanties die deel uitmaken van die stofgroep zijn of worden geschrapt van lijst I en daardoor niet langer twee of meer substanties die deel uitmaken van die stofgroep zijn of worden toegevoegd aan. 4 De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2025 32 10-02-2025 29-01-2025 36159 2025 82 01-04-2025 25-03-2025 01-07-2025
Artikel 3b — Artikel 3b#
Artikel 3b 1 artikelen 2 2a, eerste lid 3 Elke openbaarmaking, welke er kennelijk op is gericht de verkoop, aflevering of verstrekking van een middel als bedoeld in de,, of, te bevorderen, is verboden. 2 Het in het eerste lid vervatte verbod geldt niet ter zake van openbaarmaking in het kader van medische of wetenschappelijke voorlichting. 2025 32 10-02-2025 29-01-2025 36159 2025 82 01-04-2025 25-03-2025 01-07-2025
Artikel 3c — Artikel 3c#
Artikel 3c 1 artikelen 2 2a, eerste lid 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen middelen en toepassingen worden aangewezen waarvoor een in de,, ofomschreven verbod geheel of ten dele niet geldt. 2 lijst I II Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot middelen als bedoeld inofregels worden gesteld om naleving van de bepalingen van het Enkelvoudig Verdrag of het Psychotrope Stoffen Verdrag te verzekeren of om misbruik van die middelen te voorkomen. 2025 32 10-02-2025 29-01-2025 36159 2025 82 01-04-2025 25-03-2025 01-07-2025
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 lijst I II Het is verboden een middel als bedoeld inofvoor te schrijven op recept, tenzij het middel daartoe, in het belang van de volksgezondheid, is aangewezen bij algemene maatregel van bestuur. Bij de maatregel kunnen voorschriften worden gesteld ter zake van het recept en het doel waarvoor een middel wordt voorgeschreven. Een krachtens de eerste volzin vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. artikel 3a, vijfde lid Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal. In het belang van de volksgezondheid kan, in afwijking van de eerste volzin, bij ministeriële regeling een middel worden aangewezen dat mag worden voorgeschreven op recept, zolang het middel tevens is aangewezen krachtens. 2 lijst I II Het bestellen van een middel als bedoeld inof, door: geschiedt met inachtneming van bij ministeriële regeling vastgestelde voorschriften. a. artikel 5, eerste lid beroepsbeoefenaren als bedoeld in, b. artikel 5, tweede lid en derde lid instellingen en personen als bedoeld in, en c. artikel 6 houders van een ontheffing als bedoeld in, 3 lijst I II Het is verboden ter verkrijging van enig middel, inenbedoeld: a. een vals of vervalst recept aan te bieden; b. een recept aan te bieden, waarin een andere naam of een ander adres is vermeld dan de naam of het adres van degene te wiens behoeve het recept is voorgeschreven. 2002 520 29-10-2002 13-07-2002 27874 2003 96 11-03-2003 24-02-2003 17-03-2003
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 artikel 4 lijst I II Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gesteld ter zake van het afleveren van krachtensaangewezen middelen. Onverminderd deze algemene maatregel van bestuur, is het verbod op het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren of aanwezig hebben van een middel bedoeld inof, niet van toepassing op: a. artikel 4, eerste lid apothekers en apotheekhoudende artsen indien zij krachtens, aangewezen middelen voor geneeskundige doeleinden bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren of aanwezig hebben en deze werkzaamheden geschieden binnen de normale beroepsuitoefening; b. artikel 4 dierenartsen, indien zij de krachtensaangewezen middelen voor diergeneeskundige doeleinden verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren of aanwezig hebben. 2 lijst I II De verboden inzake het verstrekken, vervoeren of aanwezig hebben van middelen als bedoeld inof, zijn voorts niet van toepassing op daartoe bij algemene maatregel van bestuur aangewezen instellingen en op hen die de desbetreffende middelen in de aanwezige hoeveelheid tot uitoefening van de geneeskunst, de tandheelkunde of de diergeneeskunde, dan wel voor eigen geneeskundig gebruik behoeven of krachtens wettelijk voorschrift in voorraad moeten hebben en langs wettige weg hebben verkregen. 3 artikel 1, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden lijst I II Voorts kunnen, indien een noodtoestand als bedoeld inis afgekondigd, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister, andere instellingen of personen dan die, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden aangewezen voor wie de verboden inzake het verstrekken, vervoeren of aanwezig hebben van middelen als bedoeld inof, niet van toepassing zijn. Deze aanwijzing kan worden beperkt tot bepaalde gebieden en bepaalde middelen. Voorts kunnen aan de aanwijzing nadere voorschriften worden verbonden. De aanwijzing vervalt van rechtswege indien de noodtoestand wordt beëindigd, en kan voorts worden ingetrokken bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister. 4 De verboden inzake het vervoeren of aanwezig hebben zijn bovendien niet van toepassing op hen die de middelen vervoeren of daartoe aanwezig hebben in opdracht van degene die tot zodanig vervoer bevoegd is. 2002 520 29-10-2002 13-07-2002 27874 2003 96 11-03-2003 24-02-2003 17-03-2003
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 artikel 8i, eerste lid artikelen 2 2a, eerste lid 3 Onze Minister kan, met inachtneming van, ontheffing verlenen van een verbod als bedoeld in de,, of. Hij kan voorts een ontheffing verlengen, wijzigen, aanvullen of intrekken. 2 artikel 2, onder A artikel 3, onder A Een ontheffing of een verlenging daarvan wordt verleend voor ten hoogste vijf jaren, met dien verstande dat een ontheffing van een verbod als bedoeld in, of, wordt verleend per geval en voor ten hoogste zes maanden. 3 Onze Minister stelt de aanvrager van een ontheffing of van een verlenging daarvan binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag in kennis van zijn beslissing. 2025 32 10-02-2025 29-01-2025 36159 2025 82 01-04-2025 25-03-2025 01-07-2025
Artikel 6a — Artikel 6a#
Artikel 6a lijst I II Onze Minister kan machtiging verlenen aan een bestuursorgaan tot afgifte op aanvraag van een schriftelijke verklaring inhoudende dat de aanvrager uitsluitend ten behoeve van zijn eigen geneeskundig gebruik een middel als bedoeld inofmag vervoeren of aanwezig hebben. 2016 206 07-06-2016 18-05-2016 34191 2016 270 13-07-2016 29-06-2016 01-08-2016
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 artikel 8i, tweede lid Voor de behandeling van een aanvraag voor een ontheffing of een wijziging, aanvulling of verlenging daarvan, kan een vergoeding worden geheven. Voor de behandeling van een aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in, is geen vergoeding verschuldigd. 2 Voor een ontheffing kan jaarlijks een vergoeding worden geheven. Het eerste lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de jaarlijkse vergoeding. 3 De hoogte van de vergoedingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt bij ministeriële regeling vastgesteld en kan per categorie van ontheffing verschillend worden vastgesteld. Indien een ontheffing voor een periode korter dan een jaar geldt, wordt de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, naar evenredigheid op een lager bedrag vastgesteld. 2002 520 29-10-2002 13-07-2002 27874 2003 96 11-03-2003 24-02-2003 17-03-2003
Artikel 7a — Artikel 7a#
Artikel 7a Vervallen 2002 520 29-10-2002 13-07-2002 27874 2003 96 11-03-2003 24-02-2003 17-03-2003
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 artikelen 2 3 Een ontheffing van een verbod als bedoeld in deofkan slechts worden verleend of verlengd indien de aanvrager ten genoegen van Onze Minister heeft aangetoond: a. dat daarmee het belang van de volksgezondheid of dat van de diergezondheid wordt gediend; b. deze nodig te hebben voor het verrichten van wetenschappelijk of analytisch-chemisch onderzoek dan wel voor instructieve doeleinden, voor zover het belang van de volksgezondheid zich hier niet tegen verzet, of c. artikel 2 3 deze nodig te hebben voor het verrichten van een handeling als bedoeld inofkrachtens een overeenkomst met: 1. artikel 6, eerste lid een ander aan wie krachtens, een ontheffing is verleend; 2. een apotheker of apotheekhoudende arts; 3. een dierenarts; 4. artikel 5, tweede of derde lid een instelling of persoon, aangewezen krachtens; 5. een houder van een in een ander land verleende vergunning of ontheffing om de desbetreffende middelen in dat land in te voeren, voor zover het belang van de volksgezondheid zich hier niet tegen verzet; d. deze nodig hebben voor industriële doeleinden teneinde een product te realiseren dat voldoet aan de eisen gesteld bij of krachtens deze wet. 2 Een ontheffing kan voorts worden verleend of verlengd indien de aanvrager deze nodig heeft voor het telen van cannabis krachtens een overeenkomst met Onze Minister. 3 artikel 2a, eerste lid Een ontheffing van een verbod als bedoeld in, kan slechts worden verleend indien de aanvrager ten genoegen van Onze Minister heeft aangetoond: a. dat daarmee het belang van de volksgezondheid of dat van de diergezondheid wordt gediend; b. deze nodig te hebben voor het verrichten van wetenschappelijk of analytisch-chemisch onderzoek dan wel voor instructieve doeleinden, voor zover het belang van de volksgezondheid zich hier niet tegen verzet; of c. artikel 2a, eerste lid deze nodig te hebben voor het verrichten van een handeling als bedoeld in, krachtens een overeenkomst met: 1. artikel 6, eerste lid een ander aan wie krachtens, een ontheffing is verleend; 2. een ander die in een ander land is gevestigd en die gerechtigd is de middelen in dat land in te voeren, voor zover het belang van de volksgezondheid zich hier niet tegen verzet; d. deze nodig te hebben voor industriële doeleinden teneinde een product te realiseren dat voldoet aan de eisen gesteld bij of krachtens deze wet. 2025 32 10-02-2025 29-01-2025 36159 2025 82 01-04-2025 25-03-2025 01-07-2025
Artikel 8a — Artikel 8a#
Artikel 8a 1 lijst I II lijst IA Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden om naleving van de bepalingen van het Enkelvoudig Verdrag en het Psychotrope Stoffen Verdrag en de bij of krachtens deze wet gestelde voorschriften te verzekeren, of om misbruik van een middel als bedoeld inofof van een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld inof een preparaat daarvan te voorkomen. 2 In de ontheffing wordt ten minste vermeld: a. artikelen 2 2a, eerste lid 3 voor welke van de verboden, als bedoeld in de,, ofzij wordt verleend; b. voor welke doeleinden zij wordt verleend; c. op welk perceel of in welke lokaliteit de desbetreffende handelingen mogen plaatsvinden; d. de wijze van opslag; e. de wijze van beveiliging; f. de manier waarop de voorraadadministratie is ingericht. 2025 32 10-02-2025 29-01-2025 36159 2025 82 01-04-2025 25-03-2025 01-07-2025
Artikel 8b — Artikel 8b#
Artikel 8b Een ontheffing of een verlenging daarvan wordt geweigerd indien de aanvrager ingevolge een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld dan wel zijn goederen onder bewind zijn gesteld. 2002 520 29-10-2002 13-07-2002 27874 2003 96 11-03-2003 24-02-2003 17-03-2003
Artikel 8c — Artikel 8c#
Artikel 8c 1 artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur Een ontheffing of een verlenging daarvan kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in. 2 artikel 8 van de in het eerste lid genoemde wet artikel 9 van die wet Met het oog op toepassing van het eerste lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in, om een advies als bedoeld inworden gevraagd. 2002 520 29-10-2002 13-07-2002 27874 2003 216 22-05-2003 19-05-2003 01-06-2003 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 3 van de Wet
Bibob in werking treedt. Treedt volgens Stb. 2003/96 in werking op het tijdstip waarop
artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het
openbaar bestuur in werking treedt.
Artikel 8d — Artikel 8d#
Artikel 8d Een ontheffing wordt ingetrokken: a. op aanvraag van de houder van de ontheffing; b. indien het belang van de volksgezondheid dit vordert; c. indien naar het oordeel van Onze Minister de doeleinden waarvoor de ontheffing is verleend niet meer gerealiseerd kunnen worden; d. artikel 7, tweede lid indien een krachtens, verschuldigde vergoeding niet binnen 30 dagen na heffing is voldaan en evenmin gevolg is gegeven aan de aanmaning van Onze Minister, gedaan na afloop van die termijn, om alsnog binnen acht dagen te betalen. 2002 520 29-10-2002 13-07-2002 27874 2003 96 11-03-2003 24-02-2003 17-03-2003
Artikel 8e — Artikel 8e#
Artikel 8e 1 Een ontheffing kan worden ingetrokken: a. indien de houder van de ontheffing handelt in strijd met een bij of krachtens deze wet gesteld voorschrift; b. artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in. 2 artikel 8 van de in het eerste lid, onder b, genoemde wet artikel 9 van die wet Met het oog op toepassing van het eerste lid, onder b, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen, bedoeld in, om een advies als bedoeld inworden gevraagd. 2002 520 29-10-2002 13-07-2002 27874 2003 216 22-05-2003 19-05-2003 01-06-2003 Het eerste lid, onderdeel b en het tweede lid treden in werking op
het tijdstip waarop artikel 3 van de Wet Bibob in werking treedt. Treedt volgens Stb. 2003/96 in werking op het tijdstip waarop
artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het
openbaar bestuur in werking treedt.
Artikel 8f — Artikel 8f#
Artikel 8f 1 artikelen 2 2a, eerste lid 3 Degene wiens ontheffing wordt ingetrokken ontdoet zich van de middelen waarop de ontheffing betrekking heeft, gedurende het tijdvak, gelegen tussen de mededeling van de intrekking en de laatste dag waarop de ontheffing geldt. Hij ontdoet zich van die middelen hetzij door vernietiging, hetzij door overdracht aan personen, rechtspersonen daaronder begrepen, die bevoegd zijn tot het verrichten van handelingen als bedoeld in de,, of. 2 In afwijking van het eerste lid, ontdoet de houder van een ontheffing voor de teelt van hennep zich van de middelen waarop de ontheffing betrekking heeft, hetzij door vernietiging van die middelen, hetzij door overdracht daarvan aan Onze Minister. 2025 32 10-02-2025 29-01-2025 36159 2025 82 01-04-2025 25-03-2025 01-07-2025
Artikel 8g — Artikel 8g#
Artikel 8g Een ontheffing vervalt: a. door het overlijden van de houder; b. indien ingevolge een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak de houder van de ontheffing onder curatele is gesteld dan wel zijn goederen onder bewind zijn gesteld; c. indien de rechtspersoon aan wie de ontheffing is verleend, wordt ontbonden, fuseert en niet de verkrijgende rechtspersoon is, of wordt gesplitst. 2002 520 29-10-2002 13-07-2002 27874 2003 96 11-03-2003 24-02-2003 17-03-2003
Artikel 8h — Artikel 8h#
Artikel 8h Onze Minister draagt ervoor zorg dat: a. in Nederland voldoende hennep wordt geteeld voor wetenschappelijk onderzoek naar de geneeskundige toepassing van hennep, hasjiesj en hennepolie of voor de productie van geneesmiddelen; b. de geteelde hennep, bedoeld onder a, wordt gebruikt voor een onder a genoemd doel. 2002 520 29-10-2002 13-07-2002 27874 2003 96 11-03-2003 24-02-2003 17-03-2003
Artikel 8i — Artikel 8i#
Artikel 8i 1 artikel 8h Onze Minister verleent niet meer ontheffingen van het verbod tot teelt van hennep dan nodig is voor de inbedoelde doeleinden en voor de veredeling van hennep. 2 artikel 8h Een ontheffing van het verbod op het telen van hennep dan wel tot het verwerken, bewerken of vervoeren van hennep, hasjiesj en hennepolie voor de ingenoemde doeleinden, wordt slechts verleend aan degene met wie Onze Minister ter zake een overeenkomst tot het verrichten van zodanige handelingen aangaat. 3 Een overeenkomst als bedoeld in het tweede lid eindigt van rechtswege met ingang van de datum waarop de aan de wederpartij verleende ontheffing wordt ingetrokken of vervalt. 4 In een overeenkomst als bedoeld in het tweede lid, wordt in elk geval bepaald dat de wederpartij van Onze Minister de geteelde hennep binnen vier maanden na het oogsten uitsluitend aan hem verkoopt en aflevert en de overtollige hennep vernietigt. 5 Onze Minister is met uitsluiting van anderen bevoegd hennep, hasjiesj en hennepolie: a. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen; b. te verkopen en af te leveren; c. aanwezig te hebben, met uitzondering van de voorraden die worden beheerd door degenen die ontheffing hebben deze middelen te telen, te bewerken of te verwerken. 6 artikel 3c, eerste lid Het vijfde lid is niet van toepassing voor zover toepassingen van hennep, hasjiesj of hennepolie krachtens, zijn aangewezen. 2002 520 29-10-2002 13-07-2002 27874 2003 96 11-03-2003 24-02-2003 17-03-2003
Artikel 8j — Artikel 8j#
Artikel 8j Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd. 2018 94 05-04-2018 21-03-2018 34797 2018 224 20-07-2018 04-07-2018 01-08-2018
Artikel 8k — Artikel 8k#
Artikel 8k artikel 141 artikel 142, eerste lid, aanhef en onder a en b, van het Wetboek van Strafvordering artikel 8j Met het opsporen van de in deze wet strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderden, belast de ambtenaren, bedoeld in, en de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane. 2013 225 25-06-2013 19-06-2013 33012 2013 257 28-06-2013 25-06-2013 01-07-2013
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 artikel 8k De opsporingsambtenaren, bedoeld in, hebben, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is, toegang: a. lijst I II lijst IA artikel 2a, tweede lid tot de vervoermiddelen, met inbegrip van woongedeelten, waarvan hun bekend is, of waarvan redelijkerwijze door hen kan worden vermoed, dat daarmede ingevoerd of vervoerd worden of dat daarin, daarop of daaraan bewaard worden of aanwezig zijn middelen als bedoeld inofof substanties die deel uitmaken van een stofgroep als bedoeld inof de preparaten daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in; b. tot de plaatsen, waar een overtreding van deze wet gepleegd wordt of waar redelijkerwijze vermoed kan worden, dat zodanige overtreding gepleegd wordt. 2 Zij zijn bevoegd een persoon, verdacht van een bij deze wet als misdrijf strafbaar gesteld feit, bij het bestaan van ernstige bezwaren tegen deze, aan de kleding te onderzoeken. 3 Zij zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen. 4 lijst I II lijst IA artikel 2a, tweede lid De officier van justitie of de hulpofficier van justitie voor wie de verdachte wordt geleid of die zelf de verdachte heeft aangehouden is bevoegd een persoon die zojuist binnen het grondgebied van Nederland is binnengekomen of die op het punt staat dit grondgebied te verlaten, en die is aangehouden terzake van een bij deze wet als misdrijf strafbaar gesteld feit, een vordering te geven tot medewerking aan een urineonderzoek, gericht op het aantonen van de aanwezigheid in het lichaam van middelen als bedoeld inofof substanties die deel uitmaken van een stofgroep als bedoeld inof de preparaten daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in. 5 artikelen 24 25 van de Landbouwwet artikelen 141 142, eerste lid, aanhef en onder a en b, van het Wetboek van Strafvordering artikel 3c Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is bevoegd desgevraagd met gebruikmaking van de door landbouwers op grond van deenverstrekte informatie over de toestand van de door hen beteelde percelen en de naam van het gewas waarmee het perceel zal worden beteeld, gegevens waaronder persoonsgegevens te verstrekken met betrekking tot hennepteelt welke is aangewezen krachtensaan de opsporingsambtenaren, bedoeld in deen, ten behoeve van de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten. 2025 32 10-02-2025 29-01-2025 36159 2025 82 01-04-2025 25-03-2025 01-07-2025
Artikel 9a — Artikel 9a#
Artikel 9a 1 artikel 13d In geval van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen inbeslaggenomen worden die kunnen dienen tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen maatregel als bedoeld in. 2 Wetboek van Strafvordering artikel 94a Op inbeslagneming op grond van het eerste lid zijn de bepalingen uit hetdie betrekking hebben op inbeslagneming op grond vanvan dat wetboek, van overeenkomstige toepassing. 2025 333 10-11-2025 29-10-2025 36463 2025 414 09-12-2025 04-12-2025 01-01-2026
Artikel 9b — Artikel 9b#
Artikel 9b artikel 3c 4, eerste of tweede lid 5, eerste lid Onze Minister is bevoegd een bestuurlijke boete van ten hoogste € 33 500,– op te leggen ter zake van een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens,, of. 2025 333 10-11-2025 29-10-2025 36463 2025 414 09-12-2025 04-12-2025 01-01-2026 Voorheen art. 9a.
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 Hij die handelt in strijd met: wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie. a. artikel 2 artikel 3b, eerste lid artikel 4, derde lid een in, het in, of een in, gegeven verbod; b. artikel 3c, tweede lid artikel 4, eerste of tweede lid een krachtens, of, gegeven voorschrift; c. artikel 8a, eerste lid een krachtens, aan een ontheffing verbonden voorschrift; 2 artikel 3b, eerste lid artikel 4, derde lid Hij die opzettelijk handelt in strijd met het in, of het in, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie. 3 artikel 2 onder C Hij die opzettelijk handelt in strijd met het in, gegeven verbod wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie. 4 artikel 2 onder B of D Hij die opzettelijk handelt in strijd met het in, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie. 5 artikel 2 onder A Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie. 6 Indien het feit, bedoeld in het tweede, derde onderscheidenlijk vijfde lid, betrekking heeft op een geringe hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik, wordt gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie opgelegd. 2006 644 19-12-2006 30-11-2006 30831 2006 701 22-12-2006 11-12-2006 01-01-2007
Artikel 10a — Artikel 10a#
Artikel 10a 1 vierde of vijfde lid van artikel 10 Hij die om een feit, bedoeld in het, voor te bereiden of te bevorderen: wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie. 1°. een ander tracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, 2°. zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit tracht te verschaffen, 3°. voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, 2 Niet strafbaar is hij die de in het eerste lid omschreven feiten begaat met betrekking tot het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een geringe hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik. 2006 292 29-06-2006 01-06-2006 30339 2006 293 29-06-2006 20-06-2006 01-07-2006
Artikel 10b — Artikel 10b#
Artikel 10b 1 artikel 2a, eerste lid Hij die handelt in strijd met een in, gegeven verbod wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie. 2 artikel 2a, eerste lid Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in, gegeven verbod wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie. 3 artikelen 2a, eerste lid, onderdelen A of C 3b, eerste lid Indien het opzettelijk handelen in strijd met het in de, en, gegeven verbod betrekking heeft op een geringe hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie opgelegd. 2025 32 10-02-2025 29-01-2025 36159 2025 82 01-04-2025 25-03-2025 01-07-2025
Artikel 10c — Artikel 10c#
Artikel 10c 1 lijst IA Hij die om het opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren of vervaardigen van een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij deze wet behorendeof een preparaat daarvan voor te bereiden of te bevorderen: 1°. een ander tracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, 2°. zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit tracht te verschaffen, 3°. voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vijfde categorie. 2 Niet strafbaar is hij die de in het eerste lid omschreven feiten begaat met betrekking tot het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een geringe hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik. 2025 32 10-02-2025 29-01-2025 36159 2025 82 01-04-2025 25-03-2025 01-07-2025
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 artikel 3 Hij die handelt in strijd met een ingegeven verbod, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie. 2 artikel 3 onder B, C of D Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vijfde categorie. 3 artikel 3, onder B Hij die in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie. 4 artikel 3 onder A Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie. 5 Indien een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel. 6 Het tweede lid is niet van toepassing, indien het feit betrekking heeft op een hoeveelheid van hennep of hasjiesj van ten hoogste 30 gram. 7 lijst II Het tweede en vierde lid zijn niet van toepassing, indien het feit betrekking heeft op een geringe hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik, van de invermelde middelen, met uitzondering van hennep en hasjiesj. 2025 333 10-11-2025 29-10-2025 36463 2025 414 09-12-2025 04-12-2025 01-01-2026
Artikel 11a — Artikel 11a#
Artikel 11a artikel 11, derde en vijfde lid Hij die stoffen of voorwerpen bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of voorhanden heeft dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft of gegevens voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in, strafbaar gestelde feiten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie. 2014 444 21-11-2014 12-11-2014 32842 2014 489 12-12-2014 04-12-2014 01-03-2015
Artikel 11b — Artikel 11b#
Artikel 11b 1 artikel 10, derde, vierde en vijfde lid 10a, eerste lid 10b, tweede lid 10c 11, derde, vierde en vijfde lid 11a Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in,,,,, of, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie. 2 Artikel 140, vierde en vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing. 2025 32 10-02-2025 29-01-2025 36159 2025 82 01-04-2025 25-03-2025 01-07-2025
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 artikelen 10, eerste tot en met vijfde lid 10a eerste lid 10b 10c 11, tweede tot en met vijfde lid 11a 11b Indien de waarde van de zaken waarmee of met betrekking tot welke de feiten, strafbaar gesteld in de,,,,,enzijn begaan, of die geheel of gedeeltelijk door middel van die feiten zijn verkregen, hoger is dan het vierde gedeelte van het maximum van de geldboete op die feiten gesteld, kan, ook indien het feit door een natuurlijke persoon is begaan, een geldboete van de naast hogere categorie worden opgelegd. 2025 32 10-02-2025 29-01-2025 36159 2025 82 01-04-2025 25-03-2025 01-07-2025
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 artikel 10, eerste lid 10b, eerste lid artikel 11, eerste lid De in,, en, strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. 2 artikelen 10, tweede tot en met zesde lid 10a, eerste lid 10b, tweede lid 10c 11, tweede tot en met vijfde lid 11a 11b De in de,,,,,enstrafbaar gestelde feiten zijn misdrijven. 3 De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan: a. artikel 10a, eerste lid artikel 10, vijfde lid een der in, strafbaar gestelde feiten voorzover die zijn gepleegd om het in, strafbaar gestelde feit voor te bereiden of te bevorderen, dan wel b. artikel 10, vijfde lid poging tot of deelneming aan het in, strafbaar gestelde feit. 4 artikel 10, tweede tot en met vijfde lid artikel 10a eerste lid 10b, tweede lid 10c artikel 11, tweede tot en met vierde lid artikel 11a De Nederlandse strafwet is toepasselijk op een der in,,,,, enstrafbaar gestelde feiten, indien het feit is gepleegd aan boord van een buitenlands vaartuig dan wel een vaartuig zonder nationaliteit of een daarmee gelijk gesteld vaartuig uit hoofde van het internationale recht, op open zee, en wordt opgetreden in het kader van de toepassing van het Verdrag ter uitvoering van artikel 17 van het Verdrag tegen sluikhandel. 2025 32 10-02-2025 29-01-2025 36159 2025 82 01-04-2025 25-03-2025 01-07-2025
Artikel 13a — Artikel 13a#
Artikel 13a 1 artikelen 33 tot en met 34 36b tot en met 36d van het Wetboek van Strafrecht artikel 6:1:12 van het Wetboek van Strafvordering lijst I II lijst IA artikel 2a, tweede lid Onverminderd het bepaalde in deenenworden de inofbedoelde middelen of substanties die deel uitmaken van een stofgroep als bedoeld inof de preparaten daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in, verbeurd of aan het verkeer onttrokken verklaard. 2 artikel 28, eerste lid, onder 1°, 2° en 4°, van het Wetboek van Strafrecht artikelen 10, tweede tot en met vijfde lid, 10a, eerste lid 10b, tweede lid 11, derde tot en met vijfde lid 11b, eerste lid Ontzetting van de in, vermelde rechten kan worden uitgesproken bij veroordeling wegens een der in de,,, en, omschreven misdrijven en de schuldige kan worden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf heeft gepleegd. 2025 333 10-11-2025 29-10-2025 36463 2025 414 09-12-2025 04-12-2025 01-01-2026
Artikel 13b — Artikel 13b#
Artikel 13b 1 De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf: a. lijst I II artikel 3a, vijfde lid lijst IA artikel 2a, tweede lid een middel als bedoeld inofdan wel aangewezen krachtens, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld inof een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is; b. artikel 10a, eerste lid, onder 3° artikel 10c, eerste lid, onder 3° artikel 11a een voorwerp of stof als bedoeld in,, ofvoorhanden is. 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien woningen, lokalen of erven als bedoeld in het eerste lid, gebruikt worden ter uitoefening van de artsenijbereidkunst, de geneeskunst, de tandheelkunst of de diergeneeskunde door onderscheidenlijk apothekers, artsen, tandartsen of dierenartsen. 2025 333 10-11-2025 29-10-2025 36463 2025 414 09-12-2025 04-12-2025 01-01-2026
Artikel 13c — Artikel 13c#
Artikel 13c Vervallen 2021 135 17-03-2021 03-03-2021 35256 2021 254 02-06-2021 18-05-2021 01-07-2021
Artikel 13d — Artikel 13d#
Artikel 13d 1 artikelen 10 10a, eerste lid 11, eerste tot en met vijfde lid 11a 11b Op vordering van het openbaar ministerie kan de rechter bepalen dat aan degene die is veroordeeld wegens een feit strafbaar gesteld in de,,,of, de verplichting wordt opgelegd tot het vergoeden van de kosten die ten laste van de staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid en ten aanzien waarvan: a. artikel 36b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht de maatregel, bedoeld in, wordt opgelegd; b. artikel 36b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht artikel 116, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van het Wetboek van Strafvordering de maatregel, bedoeld in, had kunnen worden opgelegd maar waarvan door de veroordeelde afstand is gedaan op de wijze, bedoeld in; of c. artikel 117, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering een machtiging tot vernietiging als bedoeld in, is verleend voor zover het voorwerpen betreft die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. 2 Artikel 36e, vijfde lid, vijfde en zesde volzin, van het Wetboek van Strafrecht De rechter kan het te betalen bedrag lager vaststellen dan de kosten, bedoeld in het eerste lid.is van overeenkomstige toepassing. 3 artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht De tenuitvoerlegging van de maatregel, bedoeld in het eerste lid, geschiedt op de wijze van tenuitvoerlegging van de maatregel, bedoeld in. 2021 544 11-11-2021 04-11-2021 35564 2022 204 01-06-2022 17-05-2022 01-07-2022
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 Deze wet kan worden aangehaald onder de titel "Opiumwet". 1956 390 15-03-1956 4320 1956 672 20-12-1956 15-01-1957
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 Deze wet treedt in werking met ingang van een door Ons te bepalen dag. Stb. Stb. Op dat tijdstip vervalt de wet van 4 oktober 1919,nr. 592, houdende vaststelling van bepalingen, betreffende het opium en andere verdovende middelen, zoals deze wet gewijzigd is bij de wet van 29 juni 1925,nr. 308. 1928 167 12-05-1928 1928 238 02-07-1928 01-10-1928