Wet van 21 December 1951, houdende een onderstandsregeling ingevolge artikel 2 van de "Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië"
- BWB-id
- BWBR0002083
- Type
- Wet
- Ministerie
- Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Geldigheid
- Geldend vanaf 1998-04-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0002083
- ELI
- /eli/nl/wet/1951/wet-onderstandsregeling-ingevolge-artikel-2-van-de-garantiew
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1951/wet-onderstandsregeling-ingevolge-artikel-2-van-de-garantiew/1998-04-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0002083&g=1998-04-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0002083&z=2026-06-06&g=1998-04-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0002083/1998-04-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1951/wet-onderstandsregeling-ingevolge-artikel-2-van-de-garantiew
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië "Garantiewet": de; artikel 1 van de Garantiewet "overheidsdienaren": hetgeen daaronder wordt verstaan in; "activiteitswedde": de nominale activiteitswedde, vermeerderd met voor pensioen medetellende toelagen, welke op het tijdstip van dienstbeëindiging wordt dan wel zou zijn genoten op basis van de op 5 Augustus 1949 bestaande bezoldigingsregeling; "normaal pensioen": het pensioen, waarop recht wordt verkregen bij het bereiken van een diensttijd van 20 en een leeftijd van 50 jaar onderscheidenlijk van een diensttijd van 25 en een leeftijd van 55 jaar, naar gelang de betrokken overheidsdienaar volgens de op 5 Augustus 1949 voor hem van kracht zijnde pensioenregeling behoort tot pensioengroep I onderscheidenlijk pensioengroep II. 1951 592 21-12-1951 10709 1951 592 21-12-1951 10709 22-12-1951 09-07-1950
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 artikel 2, lid 4 van de Garantiewet artikelen 3 tot en met 5 Aan overheidsdienaren in vaste dienst, die nog geen recht hebben op normaal pensioen, wordt bij dienstbeëindiging als bedoeld ineen aflopende onderstand toegekend volgens het bepaalde in de. 1951 592 21-12-1951 10709 1951 592 21-12-1951 10709 22-12-1951 09-07-1950
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 artikel 2 De onderstand, bedoeld in, bedraagt voor hem, die ten tijde van het ontslag kostwinner is en voorzolang hij deze hoedanigheid behoudt: a. gedurende twee jaren 60 ten honderd van de eerste f 500.- en 40 ten honderd van het restant, b. a. b. gedurende de resterende termijn 40 ten honderd van de eerste f 500.- en 30 ten honderd van het restant,envan de activiteitswedde, voorzover deze een bedrag van f 1250.- 's maands niet te boven gaat. 2 Voor een niet-kostwinner bedragen de percentages, bedoeld in lid 1, onder: a. onderscheidenlijk 50 en 30, b. onderscheidenlijk 35 en 25. 1951 592 21-12-1951 10709 1951 592 21-12-1951 10709 22-12-1951 09-07-1950
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 artikel 7 artikel 3 Behoudens het bepaalde inwordt de inbedoelde onderstand toegekend, uiterlijk tot het tijdstip, waarop bij doordienen recht op normaal pensioen zou zijn verkregen, voor de duur van: bij een diensttijd van minder dan 6 jaren: 2 jaren bij een diensttijd van 6 tot aan 7 jaren: 2 jaren en 3 maanden bij een diensttijd van 7 tot aan 8 jaren: 2 jaren en 6 maanden bij een diensttijd van 8 tot aan 9 jaren: 2 jaren en 9 maanden bij een diensttijd van 9 of meer jaren: 3 jaren. 2 Indien daartoe in bijzondere gevallen in verband met de noodzakelijk te achten duur der herscholing aanleiding bestaat, kunnen de in het voorafgaande lid bedoelde termijnen op schriftelijk verzoek van belanghebbenden door Onze Minister voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen in overleg met Onze Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen worden verlengd met een termijn van ten hoogste 1 jaar. 1951 592 21-12-1951 10709 1951 592 21-12-1951 10709 22-12-1951 09-07-1950
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 artikelen 3 4 Aan hem, die ten tijde van het ontslag een leeftijd van tenminste 40 jaar en een voor pensioen tellende diensttijd van tenminste 10 jaar heeft bereikt en bij het verstrijken van het tijdvak, waarover onderstand ingevolge het bepaalde in deenis genoten, de leeftijd van 45 jaar nog niet heeft bereikt, wordt tot en met de maand, waarin de laatstgenoemde leeftijd wordt bereikt, een overbruggingsonderstand toegekend, bedragende: a. artikel 4 indien hij ten tijde van het ontslag kostwinner was en deze hoedanigheid gedurende het tijdvak, genoemd in, heeft behouden, voorzolang hij deze hoedanigheid ook verder blijft behouden, 25 ten honderd, b. a b artikelen 6 7 in andere gevallen 20 ten honderd,. en. van de activiteitswedde, voorzover deze een bedrag van f 1250.- 's maands niet te boven gaat, met dien verstande, dat deze onderstand niet kan uitgaan boven de blijvende onderstand, bedoeld in deen. 1951 592 21-12-1951 10709 1951 592 21-12-1951 10709 22-12-1951 09-07-1950
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 artikelen 2 tot en met 4 c artikel 2, lid 1, sub, jo lid 3 van de Garantiewet Na beëindiging van de in debedoelde onderstand wordt aan hem, die ten tijde van het ontslag op een voor pensioen tellende diensttijd van tenminste 10 jaren kan wijzen, een blijvende onderstand toegekend, indien hij op het tijdstip van die beeindiging de leeftijd van tenminste 45 jaar heeft bereikt of, indien hij op dat tijdstip nog geen 45 jaar oud is, zodra hij die leeftijd heeft bereikt. Deze blijvende onderstand is gelijk aan het bedrag van het evenredig pensioen, waarop hij volgens de voor hem op 5 Augustus 1949 van kracht zijnde bepalingen aanspraak zou hebben bij ontslag wegens welbewezen ziels- of lichaamsgebreken, met dien verstande, dat de blijvende onderstand niet kan worden gesteld op een hoger percentage van de grondslag dan het met vier verminderde percentage van de grondslag, waarop het pensioen zou zijn gesteld, indien bij dienstbeëindiging op hetzelfde tijdstip het bepaalde inzou zijn toegepast. 1951 592 21-12-1951 10709 1951 592 21-12-1951 10709 22-12-1951 09-07-1950
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 artikel 6 Hoofdstuk IV artikelen 3 4 Hoofdstuk IV Indien bij het bereiken van de leeftijd van 45 jaar aanspraak is verkregen op de inbedoelde blijvende onderstand, welke, eventueel vermeerderd met toelagen, als genoemd in, meer bedraagt dan de op dit tijdstip ingevolge het bepaalde in deengenoten onderstand, eventueel vermeerderd met toelagen als genoemd in, wordt met ingang van dat tijdstip de blijvende onderstand toegekend. 1951 592 21-12-1951 10709 1951 592 21-12-1951 10709 22-12-1951 09-07-1950
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 artikel 2, lid 4 van de Garantiewet artikelen 9 tot en met 13 Aan overheidsdienaren in tijdelijke dienst sedert een aan 1 Maart 1942 voorafgaand tijdstip, die een diensttijd hebben van tenminste 10 jaar en niet voldoen aan de voor eervol ontslag uit de dienst met aanspraak op onderstand bij wijze van pensioen gestelde voorwaarden, wordt bij dienstbeëindiging als bedoeld ineen onderstand toegekend volgens het bepaalde in de. 1951 592 21-12-1951 10709 1951 592 21-12-1951 10709 22-12-1951 09-07-1950
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 De aflopende onderstand bedraagt voor hem, die ten tijde van het ontslag kostwinner is en voorzolang hij deze hoedanigheid behoudt, 30 ten honderd van de activiteitswedde, voorzover deze een bedrag van f 900.- 's maands niet te boven gaat. 2 Voor een niet-kostwinner bedraagt het percentage, bedoeld in het vorige lid, 25. 1951 592 21-12-1951 10709 1951 592 21-12-1951 10709 22-12-1951 09-07-1950
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 artikel 13 artikel 9 Behoudens het bepaalde inwordt de inbedoelde onderstand toegekend voor de duur van één jaar. 1951 592 21-12-1951 10709 1951 592 21-12-1951 10709 22-12-1951 09-07-1950
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 Een blijvende onderstand wordt toegekend aan hem, die ten tijde van het ontslag een leeftijd van tenminste 45 jaar en een diensttijd van tenminste 20 jaar heeft bereikt. 2 artikelen 9 10 De in het vorige lid bedoelde onderstand wordt toegekend in aansluiting op de onderstand, bedoeld in deen. 1951 592 21-12-1951 10709 1951 592 21-12-1951 10709 22-12-1951 09-07-1950
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 artikel 11 artikelen 9 10 De onderstand, bedoeld in, bedraagt voor hem, die ten tijde van het ontslag kostwinner was en deze hoedanigheid gedurende het genot van de onderstand, bedoeld in deen, heeft behouden, voorzolang hij deze hoedanigheid ook verder behoudt: 80 ten honderd van het bedrag van het evenredige pensioen, hetwelk hem, ware hij in vaste dienst, volgens de alsdan voor hem op 5 Augustus 1949 van kracht zijnde bepalingen bij ontslag wegens welbewezen ziels- of lichaamsgebreken zou zijn toegekend. 2 Voor een niet-kostwinner bedraagt deze onderstand 60 ten honderd van het in lid 1 bedoelde evenredige pensioen. 1951 592 21-12-1951 10709 1951 592 21-12-1951 10709 22-12-1951 09-07-1950
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 artikelen 11 12 Hoofdstuk IV artikelen 9 10 Hoofdstuk IV Indien de blijvende onderstand ingevolge het bepaalde in deen, eventueel vermeerderd met toelagen als genoemd in, meer bedraagt dan de aflopende onderstand ingevolge het bepaalde in deen, eventueel vermeerderd met toelagen als genoemd in, treedt de eerstgenoemde onderstand daarvoor in de plaats. 1951 592 21-12-1951 10709 1951 592 21-12-1951 10709 22-12-1951 09-07-1950
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 artikel 2, lid 2 van de Garantiewet artikel 8 van die wet Bij dienstbeëindiging als bedoeld inworden, in afwachting van de beslissing van een commissie als bedoeld in, de volgende onderstanden toegekend: a. artikelen 3 4 aan overheidsdienaren in vaste dienst een onderstand, berekend als in deenis aangegeven; b. artikelen 9 10 aan overheidsdienaren in tijdelijke dienst sedert een aan 1 Maart 1942 voorafgaand tijdstip, een onderstand, berekend als in deenis aangegeven; c. artikelen 9 10 artikel 8 van de Garantiewet aan hen, die werkzaam waren op een kortverband, waaraan recht op vrije overtocht naar Nederland is verbonden, een onderstand, berekend als in deenis aangegeven, met dien verstande, dat deze onderstand vervalt, indien de betrokkene zich niet binnen een maand na dienstneerlegging tot de bevoegde commissie, als bedoeld in, heeft gewend. 2 artikel 2 van de Garantiewet Indien aan de betrokken overheidsdienaren op grond vaneen andere uitkering wordt toegekend, treedt de laatstgenoemde uitkering, gerekend van de datum van dienstbeëindiging in de plaats van de onderstand, bedoeld in het vorige lid. 1951 592 21-12-1951 10709 1951 592 21-12-1951 10709 22-12-1951 09-07-1950
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 Voorzover en voorzolang uitkeringen ingevolge deze wet worden genoten in het rechtsgebied van de Republiek Indonesië, zomede in Nieuw-Guinea, worden zij verhoogd met de duurte-, gezins- en kindertoelagen, volgens de ter plaatse geldende regelingen. 1951 592 21-12-1951 10709 1951 592 21-12-1951 10709 22-12-1951 09-07-1950
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Voorzover een aflopende onderstand ingevolge deze wet wordt genoten in het Koninkrijk, met uitzondering van Nieuw-Guinea, wordt die onderstand verhoogd met de kindertoelage op de voet van het bepaalde in artikel 21 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948. 1951 592 21-12-1951 10709 1951 592 21-12-1951 10709 22-12-1951 09-07-1950
Artikel 16a — Artikel 16a#
Artikel 16a artikel 16 Algemene Kinderbijslagwet Het bepaalde inblijft buiten toepassing ten aanzien van kindertoelage voor kinderen, voor wie aanspraak bestaat op kinderbijslag ingevolge de, de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden, of de algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 10 van laatstgenoemde wet. 1962 161 26-04-1962 4953 1962 256 23-07-1962 01-01-1963
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 De uitkeringen ingevolge deze wet worden op schriftelijk verzoek van de betrokkene toegekend, indien hij zich ten tijde van zijn ontslag in het Koninkrijk bevindt, door Onze Minister voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen, en indien hij zich ten tijde van zijn ontslag in Indonesië bevindt, door Onze Hoge Commissaris bij de Regering van de Republiek Indonesië. 2 Het tijdstip van ingang van de uitkering wordt bij de toekenning bepaald. 1951 592 21-12-1951 10709 1951 592 21-12-1951 10709 22-12-1951 09-07-1950
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 artikel 19 De blijvende onderstand eindigt met het einde van de maand, volgende op die van overlijden en in de gevallen, bedoeld in, met het einde van het maand, waarin de oorzaak tot beëindiging is ontstaan. 1951 592 21-12-1951 10709 1951 592 21-12-1951 10709 22-12-1951 09-07-1950
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 De blijvende onderstand vervalt, wanneer hij, die deze onderstand geniet: a. buiten Onze toestemming zich in andere dan Nederlandse krijgsdienst begeeft of een door een andere dan de Nederlandse Overheid opgedragen openbare bediening aanneemt; b. in het genot van een pensioen wordt gesteld, bij de berekening waarvan mede als diensttijd in rekening is gebracht de diensttijd, welke voor de bepaling van de onderstand in aanmerking is genomen, met dien verstande, dat, wanneer het pensioen minder bedraagt dan de genoten onderstand, deze wordt teruggebracht tot het verschil. 1951 592 21-12-1951 10709 1951 592 21-12-1951 10709 22-12-1951 09-07-1950
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 Wanneer iemand, in het genot van een blijvende onderstand, veroordeeld is tot plaatsing in een door het openbaar gezag ingestelde werkinrichting, tot een vrijheidsstraf voor de tijd van drie maanden of tot enige zwaardere straf, mist hij gedurende de tijd, dat hij zijn straf ondergaat of zich daaraan onttrekt, het genot van die onderstand. 2 Ten aanzien van hem, die zijn straf ondergaat of zich door de vlucht aan de tenuitvoerlegging van het vonnis onttrekt, is Onze Minister voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen bevoegd om: a. gedurende die tijd over de onderstand van de veroordeelde te beschikken ten behoeve van zijn vrouw of van zijn minderjarige afstammelingen in de rechte linie tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat of van zijn bloedverwanten in de opgaande linie; b. a voorzover van de onderbedoelde bevoegdheid geen gebruik wordt gemaakt, hem, die uit de werkinrichting of uit de gevangenis is ontslagen, in het genot te stellen van een uitkering, welke bij een straftijd van minder dan een jaar de helft van het bedrag van de onderstand over die straftijd, en bij een straftijd van langere duur de helft van het jaarlijkse bedrag van de onderstand niet te boven gaat. 1997 773 30-12-1997 24-12-1997 25189 1998 127 10-03-1998 21-02-1998 01-04-1998
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 Vervallen 1970 612 24-12-1970 10709 1970 612 24-12-1970 10709 01-01-1971
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag, volgende op die van haar afkondiging en werkt terug tot 9 Juli 1950. 1951 592 21-12-1951 10709 1951 592 21-12-1951 10709 22-12-1951 09-07-1950