Wet van 10 Juli 1952, houdende vaststelling van de Wet Oorlogsstrafrecht alsmede van enige daarmede verband houdende wijzigingen in het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Militair Strafrecht en de Invoeringswet Militair Straf- en Tuchtrecht
- BWB-id
- BWBR0002099
- Type
- Wet
- Ministerie
- Veiligheid en Justitie
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2013-10-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0002099
- ELI
- /eli/nl/wet/1952/wet-oorlogsstrafrecht
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1952/wet-oorlogsstrafrecht/2013-10-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0002099&g=2013-10-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0002099&z=2026-06-06&g=2013-10-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0002099/2013-10-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1952/wet-oorlogsstrafrecht
Artikel I — Artikel I#
Artikel I De navolgende bepalingen worden vastgesteld, die kunnen worden aangehaald als WET OORLOGSSTRAFRECHT 1952 408 10-07-1952 2258 1952 408 10-07-1952 2258 05-08-1952
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 De bepalingen van deze wet zijn van toepassing op de misdrijven, in geval van oorlog begaan of eerst in geval van oorlog strafbaar, welke zijn omschreven in: 1°. Titels I II van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht een deren; 2°. Wetboek van Militair Strafrecht het; 3°. artikelen 4 tot en met 7 van deze wet de; 4°. artikelen 131 tot en met 134 189 bis 416-417van het Wetboek van Strafrecht de,en, indien het strafbare feit of het misdrijf, waarvan in die artikelen gesproken wordt, is een misdrijf als in dit artikel bedoeld. 2 artikelen 4 tot en met 7 In geval van een gewapend conflict, dat niet als oorlog kan worden aangemerkt en waarbij Nederland is betrokken hetzij ter individuele of collectieve zelfverdediging, hetzij tot herstel van internationale orde en veiligheid, zijn devan overeenkomstige toepassing en kunnen Wij bij algemene maatregel van bestuur bepalen, dat de overige bepalingen van deze wet geheel of ten dele van toepassing zullen zijn. 3 Onder oorlog wordt begrepen burgeroorlog. 2003 270 03-07-2003 19-06-2003 28337 2003 340 02-09-2003 25-08-2003 01-10-2003
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 artikel 1 Wetboek van Militair Strafrecht Wetboek van Militair Strafrecht Wet militaire strafrechtspraak artikel 2 van de Wet militaire strafrechtspraak Voor zover in deze wet niet anders is bepaald, vinden ten aanzien van de inbedoelde misdrijven de bepalingen van heten die ter uitvoering daarvan alsmede, behoudens de uitzonderingen bij dat Wetboek vastgesteld, de bepalingen van het gemene strafrecht toepassing, met dien verstande, dat waar in hetof in de bepalingen ter uitvoering daarvan gesproken wordt van de gerechten bedoeld in de, of van ingenoemde personen, daaronder worden begrepen de bij deze wet aangewezen gerechten onderscheidenlijk de personen vallende onder de rechtsmacht van deze gerechten. 1990 372 14-06-1990 17804 1990 582 30-11-1990 01-01-1991
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 Wetboek van Strafrecht Wetboek van Militair Strafrecht Onverminderd het te dien aanzien in heten hetbepaalde is de Nederlandse strafwet toepasselijk: 1°. artikelen 4 7 van deze wet op ieder, die zich buiten het rijk in Europa schuldig maakt aan een misdrijf omschreven in de-, indien dit feit is gepleegd tegen of met betrekking tot een Nederlander of een Nederlands rechtspersoon of indien enig Nederlands belang daardoor is of kon worden geschaad; 2°. artikelen 131 tot en met 134 189 bis 416-417van het Wetboek van Strafrecht op ieder, die zich buiten het rijk in Europa schuldig maakt aan een misdrijf, omschreven in een der,en, indien het strafbare feit of het misdrijf, waarvan in die artikelen gesproken wordt, is een misdrijf als hiervoor onder 1°. bedoeld; 3°. artikel 1 op de Nederlander, die zich buiten het rijk in Europa schuldig maakt aan een misdrijf, inbedoeld. 2003 270 03-07-2003 19-06-2003 28337 2003 340 02-09-2003 25-08-2003 01-10-2003
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 De Nederlander, die vrijwillig in krijgsdienst treedt bij een buitenlandse mogendheid, wetende, dat deze met Nederland in oorlog is, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie. 2006 11 12-01-2006 22-12-2005 28484 2006 23 19-01-2006 09-01-2006 01-02-2006
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 Hij die in geval van oorlog opzettelijk een ander blootstelt aan opsporing, vervolging, vrijheidsberoving of -beperking, enige straf of enige maatregel door of vanwege de vijand of diens helpers, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie. 2 Levenslange gevangenisstraf, of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd, indien het feit zwaar lichamelijk letsel, de dood of de vermissing, waaruit redelijkerwijze de dood is af te leiden, ten gevolge heeft. 2006 11 12-01-2006 22-12-2005 28484 2006 23 19-01-2006 09-01-2006 01-02-2006
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 Hij die een misdrijf begaat en daartoe gebruik maakt of dreigt te maken van macht, gelegenheid of middel, hem door de vijand geboden, wordt gestraft met: 1°. het dubbele van de op dat misdrijf gestelde gevangenisstraf, indien deze niet meer dan tien jaren gevangenisstraf bedraagt; 2°. levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren, of geldboete van de vijfde categorie indien op dat misdrijf gevangenisstraf van meer dan tien jaren is gesteld; 2006 11 12-01-2006 22-12-2005 28484 2006 23 19-01-2006 09-01-2006 01-02-2006
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 Hij die in geval van oorlog opzettelijk gebruik maakt of dreigt te maken van macht, gelegenheid of middel hem door de vijand geboden, om een ander in zijn vermogen wederrechtelijk te benadelen of om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie. 1984 91 10-03-1984 17524 1984 129 21-04-1984 01-05-1984
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 Vervallen 2003 270 03-07-2003 19-06-2003 28337 2003 340 02-09-2003 25-08-2003 01-10-2003
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 Vervallen 2003 270 03-07-2003 19-06-2003 28337 2003 340 02-09-2003 25-08-2003 01-10-2003
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Vervallen 2003 270 03-07-2003 19-06-2003 28337 2003 340 02-09-2003 25-08-2003 01-10-2003
Artikel 10a — Artikel 10a#
Artikel 10a artikelen 4 tot en met 7 artikel 28, eerste lid, onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht Bij veroordeling tot een gevangenisstraf van tenminste een jaar wegens een der in debedoelde feiten kan ontzetting van het invermelde recht worden uitgesproken. 2003 270 03-07-2003 19-06-2003 28337 2003 340 02-09-2003 25-08-2003 01-10-2003
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 artikelen 4 tot en met 7 De bij destrafbaar gestelde feiten worden beschouwd als misdrijven. 2003 270 03-07-2003 19-06-2003 28337 2003 340 02-09-2003 25-08-2003 01-10-2003
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 artikel 1 Wet militaire strafrechtspraak Van de misdrijven, inbedoeld, door wie ook begaan, nemen, behoudens het bepaalde in het tweede lid, kennis de gerechten bedoeld in de, de Hoge Raad daaronder begrepen, op de wijze als in die wet bepaald. 2 artikel 1 artikel 1, eerste lid, onder 2° artikel 1, eerste lid, onder 2° artikelen 131 tot en met 134 189 bis 416-417van het Wetboek van Strafrecht Indien de vervolging van een misdrijf als inbedoeld plaats vindt na een vijandelijke bezetting van het grondgebied van het rijk in Europa of van een gedeelte daarvan, nemen bijzondere rechtbanken en het Bijzondere Hooggerechtshof van deze misdrijven kennis met uitzondering van de misdrijven, door militairen begaan, bedoeld in., of omschreven in de,of, indien het misdrijf, waarvan in die artikelen gesproken wordt, is een misdrijf als bedoeld in. 3 Wet internationale misdrijven Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur voorzieningen treffen omtrent de overgang van zaken naar de bijzondere gerechten alsmede omtrent de voorbereiding van de vervolging voor de tijd, dat deze gerechten nog niet zijn ingesteld. Daarbij kan tevens worden bepaald dat de bijzondere gerechten mede kennisnemen van misdrijven, omschreven in de. 4 Wij behouden Ons voor bij algemene maatregel van bestuur te bepalen, dat wegens de geringe omvang of duur der bezetting het bepaalde in het tweede lid buiten toepassing zal blijven. 5 Eveneens behouden Wij Ons voor bij algemene maatregel van bestuur te bepalen, dat na afloop van feitelijke oorlogshandelingen, ook wanneer daaraan niet een vijandelijke bezetting van het Rijk in Europa of van een gedeelte daarvan is voorafgegaan, het tweede lid in verband met de omvang en de aard der te berechten feiten toepassing zal vinden. 2003 270 03-07-2003 19-06-2003 28337 2003 340 02-09-2003 25-08-2003 01-10-2003
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 De bijzondere rechtbanken en het Bijzondere Hooggerechtshof worden door Ons ingesteld en samengesteld. 2 Het rechtsgebied en de plaats van vestiging der bijzondere rechtbanken en de plaats van vestiging van het Bijzondere Hooggerechtshof worden door Ons bij algemene maatregel van bestuur bepaald. 1952 408 10-07-1952 2258 1952 408 10-07-1952 2258 05-08-1952
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 Het Bijzondere Hooggerechtshof en de bijzondere rechtbanken zijn samengesteld uit een rechtsgeleerde president en zoveel rechtsgeleerde vice-presidenten en rechtsgeleerde en militaire leden als nodig zal blijken. 2 Bij het Bijzondere Hooggerechtshof zijn een procureur-generaal en zoveel advocaten-generaal, bij de bijzondere rechtbanken een officier van justitie en zoveel substituut-officieren als nodig zullen blijken. Bij ieder college is een griffier en zijn zoveel substituut-griffiers als nodig zal blijken. 3 Wij kunnen plaatsvervangende rechtsgeleerde en militaire leden benoemen. 1952 408 10-07-1952 2258 1952 408 10-07-1952 2258 05-08-1952
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 artikel 14 Tot de ingenoemde betrekkingen met uitzondering van die van militair lid en plaatsvervangend militair lid zijn benoembaar: 1°. bij het Bijzondere Hooggerechtshof zij die benoembaar zijn onderscheidenlijk tot raadsheer in, advocaat-generaal bij of griffier of substituut-griffier van een gerechtshof; 2°. bij de bijzondere rechtbanken zij die benoembaar zijn onderscheidenlijk tot rechter in, officier of substituut-officier van justitie bij of griffier of substituut-griffier van een arrondissements-rechtbank. 2 De met rechtspraak belaste rechtsgeleerde leden der bijzondere colleges worden door Ons benoemd voor de duur der instandhouding van het college en bij voorkeur uit de leden van de rechterlijke macht, met rechtspraak belast. 3 Tot militaire leden en plaatsvervangende militaire leden zijn benoembaar: 1°. in het Bijzondere Hooggerechtshof opper- en vlagofficieren, al dan niet in actieve dienst; 2°. in de bijzondere rechtbanken officieren, al dan niet in actieve dienst, die ten minste de rang van hoofdofficier hebben. 1999 194 27-05-1999 19-04-1999 25392 1999 198 27-05-1999 19-05-1999 01-06-1999
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 De leden van de bijzondere colleges ontvangen een bezoldiging, die bij de bijzondere rechtbanken een derde gedeelte van de bezoldiging voor overeenkomstige bedieningen bij de arrondissements-rechtbanken, en bij het Bijzondere Hooggerechtshof een derde gedeelte van de bezoldiging voor overeenkomstige bedieningen bij de Hoge Raad der Nederlanden bedraagt. 1952 408 10-07-1952 2258 1952 408 10-07-1952 2258 05-08-1952
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 Het Bijzondere Hooggerechtshof vonnist met vijf leden, waaronder tenminste een en ten hoogste twee militaire leden; indien er twee militaire leden zijn, zal zoveel mogelijk een hunner tot de zeemacht en een tot de landmacht behoren. 2 De bijzondere rechtbanken vonnissen met drie leden, waaronder één militair lid. 1952 408 10-07-1952 2258 1952 408 10-07-1952 2258 05-08-1952
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 Tegen de vonnissen der bijzondere rechtbanken staat geen hoger beroep open. 2 artikel 19 Tegen deze vonnissen kan beroep in cassatie op de voet vanworden ingesteld bij het Bijzondere Hooggerechtshof. 1952 408 10-07-1952 2258 1952 408 10-07-1952 2258 05-08-1952
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 artikel 34 Onverminderd het bepaalde invernietigt het Bijzondere Hooggerechtshof de vonnissen der bijzondere rechtbanken: 1°. wegens het verzuim van vormen, voorgeschreven op straffe van nietigheid, met dien verstande, dat een zodanig verzuim geen grond tot vernietiging behoeft te geven, indien redelijkerwijze moet worden aangenomen, dat de verdachte door het verzuim in zijn belangen niet is geschaad; 2°. wegens verkeerde toepassing of schending der wet, waarmede te dezen wordt gelijkgesteld de oplegging van een straf of een maatregel, welke niet geacht kan worden te beantwoorden aan de ernst van het misdrijf, de omstandigheden, waaronder het is begaan, of de persoon of de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde; 3°. wegens overschrijding van rechtsmacht. 1952 408 10-07-1952 2258 1952 408 10-07-1952 2258 05-08-1952
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 wet op de rechterlijke organisatie artikelen 8, eerste lid 15 17 18 De bepalingen van deen het beleid der justitie, met uitzondering van de,,en, en de ter uitvoering van die wet gegeven regelingen zijn met betrekking tot de bijzondere colleges van overeenkomstige toepassing, indien en voor zover van die bepalingen niet in deze wet wordt afgeweken, met dien verstande dat ten aanzien van de bijzondere rechtbanken de bepalingen met betrekking tot de arrondissements-rechtbanken en ten aanzien van het Bijzondere Hooggerechtshof de bepalingen betreffende de Hoge Raad van overeenkomstige toepassing zijn, behoudens dat ten aanzien van het Bijzondere Hooggerechtshof aanbevelingen - voor vacatures waarin na de instelling moet worden voorzien - geschieden op de wijze als voor de gerechtshoven voorgeschreven. 1952 408 10-07-1952 2258 1952 408 10-07-1952 2258 05-08-1952
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 Wetboek van Strafvordering Op de rechtspleging bij de bijzondere rechtbanken en bij het Bijzondere Hooggerechtshof zijn de bepalingen van hetvan overeenkomstige toepassing, indien en voor zover van die bepalingen niet in deze wet wordt afgeweken, met dien verstande dat: 1°. hetgeen daarin omtrent de rechtbank, derzelver voorzitter, de rechters, de rechter-commissaris, de officier van justitie en de griffier bij de rechtbank is bepaald, te dezen geldt voor de bijzondere rechtbank en de ambtsdragers bij dit college; 2°. hetgeen daarin omtrent de Hoge Raad, deszelfs voorzitter en leden, de procureur-generaal en de griffier van de Hoge Raad is bepaald, te dezen geldt voor het Bijzondere Hooggerechtshof en de ambtsdragers bij dit Hof; 3°. hetgeen daarin met betrekking tot de rechtbank of het gerechtshof en de leden der rechterlijke macht bij een dezer gerechten is bepaald, te dezen buiten toepassing blijft. 2004 215 25-05-2004 13-05-2004 28958 2004 275 24-06-2004 17-06-2004 01-07-2004
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering Onze Minister van Justitie kan bepalen, dat in geval van een misdrijf, waarop deze wet van toepassing is, een bevel tot inverzekeringstelling, als bedoeld in, gedurende een langere dan de in artikel 58, tweede lid, van dat Wetboek genoemde termijn van twee dagen van kracht zal zijn, met dien verstande dat de inverzekeringstelling niet langer dan een jaar mag duren. 1952 408 10-07-1952 2258 1952 408 10-07-1952 2258 05-08-1952
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 Onze Minister van Justitie kan, indien zulks voor de goede gang van zaken nodig is, bepalen, dat bij een bijzondere rechtbank één of meer rechters belast worden met vereenvoudigde gerechtelijke afdoening van strafzaken overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling. 2 Deze worden op voordracht van de president voor de tijd van één jaar uit de rechtsgeleerde leden of plaatsvervangende leden van de bijzondere rechtbank door Onze Minister van Justitie aangewezen. 1952 408 10-07-1952 2258 1952 408 10-07-1952 2258 05-08-1952
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 Indien naar het aanvankelijk oordeel van het openbaar ministerie in een zaak als hoofdstraf gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, hechtenis of geldboete dient te worden opgelegd en de zaak naar het aanvankelijk oordeel van het openbaar ministerie voor vereenvoudigde gerechtelijke afdoening in aanmerking komt, stelt het de stukken, vergezeld van een schriftelijke vordering tot oplegging van een bepaalde straf, te dien einde in handen van de rechter. 1952 408 10-07-1952 2258 1952 408 10-07-1952 2258 05-08-1952
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 Indien de rechter oordeelt, dat de zaak niet voor vereenvoudigde gerechtelijke afdoening in aanmerking komt, geeft hij daarvan kennis aan het openbaar ministerie onder wederoverlegging der stukken. 1952 408 10-07-1952 2258 1952 408 10-07-1952 2258 05-08-1952
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 Indien de rechter op grond van de stukken en het verhoor van de verdachte de overtuiging heeft bekomen, dat deze een misdrijf heeft begaan, waarop de bepalingen van deze wet van toepassing zijn, en deswege strafbaar is, kan hij de verdachte straf opleggen. De rechter is niet bevoegd tot oplegging van andere hoofdstraffen dan gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, hechtenis en geldboete. 2 Indien de rechter niet de overtuiging heeft bekomen, dat de verdachte een bepaald feit, in de vordering van het openbaar ministerie vermeld, heeft begaan, spreekt hij hem ter zake van dat feit vrij. 3 Indien de rechter de overtuiging heeft bekomen, dat de verdachte een bepaald feit, in de vordering van het openbaar ministerie vermeld, heeft begaan doch van oordeel is, dat dit niet is een misdrijf, waarop de bepalingen van deze wet van toepassing zijn, of dat de verdachte deswege niet strafbaar is, verklaart hij zich onbevoegd onderscheidenlijk ontslaat hij hem ter zake van dat feit van alle rechtsvervolging. 4 De rechter geeft de beslissing, in dit artikel bedoeld, bij schriftelijke beschikking. 1952 408 10-07-1952 2258 1952 408 10-07-1952 2258 05-08-1952
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 1 De rechter geeft de beschikking niet alvorens de verdachte te hebben gehoord. Hij doet de verdachte, die in verzekerde bewaring is, voor zich verschijnen. Indien de verdachte in vrijheid is, beveelt hij diens dagvaarding; indien de verdachte niet op de dagvaarding verschijnt, doet hij hem andermaal dagvaarden; hij kan daarbij diens medebrenging bevelen of zodanig bevel later uitvaardigen. 2 De president van de bijzondere rechtbank voegt de verdachte, die geen raadsman heeft, uiterlijk de tiende dag vóór die, waarop het verhoor zal plaats vinden, een raadsman toe. Van deze toevoeging benevens van de datum van het verhoor wordt onverwijld schriftelijk kennis gegeven aan de raadsman en aan de verdachte. 3 De rechter stelt de verdachte en diens raadsman desverlangd in de gelegenheid van de stukken kennis te nemen. 4 Het openbaar ministerie en de raadsman van de verdachte zijn bevoegd het verhoor bij te wonen. In dat geval worden zij in de gelegenheid gesteld het woord te voeren. 1952 408 10-07-1952 2258 1952 408 10-07-1952 2258 05-08-1952
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 1 De beschikking behelst de naam van de rechter, de dag waarop de beschikking is genomen, en voor zover mogelijk naam en voornamen, leeftijd, geboorteplaats, beroep en woon- of verblijfplaats van de verdachte. 2 artikel 26 De beschikking bevat voorts de beslissing op grond vangenomen. In geval van een beslissing als in het eerste lid van dat artikel bedoeld, vermeldt de beschikking de opgelegde straf en het strafbare feit volgens de wettelijke omschrijving ter zake waarvan de straf is opgelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het is begaan. 1952 408 10-07-1952 2258 1952 408 10-07-1952 2258 05-08-1952
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 1 De rechter doet de beschikking met de stukken onverwijld toekomen aan het openbaar ministerie. 2 artikelen 30 31 De beschikking wordt aan de verdachte in persoon betekend, tenzij zij is genomen en aan de verdachte in afschrift is uitgereikt aanstonds na het verhoor. In het laatste geval maakt de rechter van de uitreiking een acte op. Bij de uitreiking of betekening wordt de verdachte opmerkzaam gemaakt op de bevoegdheden, hem toegekend in deen. 1952 408 10-07-1952 2258 1952 408 10-07-1952 2258 05-08-1952
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 Wetboek van Strafvordering De verdachte is bevoegd uiterlijk binnen drie weken na de dagtekening van de beschikking, welke hem bij gelegenheid van zijn verhoor is uitgereikt, of anders binnen drie weken na de datum, waarop de beschikking hem in persoon is betekend, een verklaring van bezwaar af te leggen. De artikelen 449-452 van hetzijn van overeenkomstige toepassing. 2 Gelijke bevoegdheid komt toe aan het openbaar ministerie binnen twee weken na dagtekening van de beschikking. 1952 408 10-07-1952 2258 1952 408 10-07-1952 2258 05-08-1952
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 Artikel 454 van het Wetboek van Strafvordering Het openbaar ministerie en de verdachte kunnen afstand doen van de bevoegdheid om een verklaring van bezwaar af te leggen.is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het openbaar ministerie en de verdachte ook aanstonds na de uitreiking van het afschrift van de beschikking bij gelegenheid van het verhoor afstand kunnen doen van de bevoegdheid een verklaring van bezwaar af te leggen; in dat geval wordt de acte door de rechter opgemaakt. 1952 408 10-07-1952 2258 1952 408 10-07-1952 2258 05-08-1952
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 1 Door een verklaring van bezwaar vervalt de beschikking. 2 De beschikking vervalt eveneens, indien zij niet binnen drie maanden na haar dagtekening in afschrift uitgereikt of betekend is. 3 artikel 30 Wanneer de termijn, ingenoemd, is verstreken zonder dat een verklaring van bezwaar is afgelegd, of zoveel eerder als zowel door het openbaar ministerie als door de verdachte afstand is gedaan van de bevoegdheid om een verklaring van bezwaar af te leggen, geldt de beschikking als een einduitspraak van de bijzondere rechtbank, waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat. 1952 408 10-07-1952 2258 1952 408 10-07-1952 2258 05-08-1952
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 1 De verdachte kan ter terechtzitting van het Bijzondere Hooggerechtshof omtrent zijn persoon en zijn persoonlijke omstandigheden worden gehoord. 2 Te dien einde kan het Bijzondere Hooggerechtshof, indien de verdachte op de bepaalde rechtsdag niet ter terechtzitting aanwezig is, zowel bij de aanvang als gedurende de loop der behandeling der zaak bevelen, dat hij op een door het Hof te bepalen tijdstip ter terechtzitting aanwezig zal zijn en daartoe tevens zijn medebrenging gelasten. 3 artikel 310 van het Wetboek van Strafvordering Het bepaalde inis voor de behandeling der zaak in cassatie van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hetgeen daar ten aanzien van de rechtbank en de officier van justitie is bepaald, te dezen geldt voor het Bijzondere Hooggerechtshof en de procureur-generaal bij dat hof. 4 artikelen 316 317 van het Wetboek van Strafvordering Indien het Bijzondere Hooggerechtshof een nader onderzoek naar de omstandigheden, waaronder het misdrijf is begaan, of naar de persoon of de persoonlijke omstandigheden van de verdachte noodzakelijk oordeelt, zijn deenvan overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat hetgeen daar ten aanzien van de rechtbank, de officier van justitie en de rechter-commissaris is bepaald, ten deze geldt voor het Bijzondere Hooggerechtshof, de procureur-generaal bij dat hof en de rechter-commissaris bij de bijzondere rechtbank, die in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. 1952 408 10-07-1952 2258 1952 408 10-07-1952 2258 05-08-1952
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 artikel 33, vierde lid Indien een onderzoek als in, bedoeld, mede leidt tot het oordeel, dat de verdachte niet strafbaar is, kan het Bijzondere Hooggerechtshof de verdachte van rechtsvervolging ontslaan. 1952 408 10-07-1952 2258 1952 408 10-07-1952 2258 05-08-1952
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 Indien alleen door de verdachte beroep in cassatie is ingesteld, kan hij ter zake van hetgeen in eerste aanleg te zijnen aanzien bewezen is verklaard, slechts met eenparigheid van stemmen tot een zwaardere straf worden veroordeeld dan hem bij het vonnis van de bijzondere rechtbank is opgelegd. 1952 408 10-07-1952 2258 1952 408 10-07-1952 2258 05-08-1952
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 1 artikel 471, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering artikel 472, eerste en tweede lid, van dat Wetboek In afwijking in zoverre van het bepaalde ingeschiedt zowel in het daar als ook in het inbedoelde geval, de verwijzing naar een bijzondere rechtbank. 2 artikelen 473 476 van dat Wetboek Hetgeen bij deen, alsmede bij de artikelen, waarnaar daarin wordt verwezen, omtrent het gerechtshof, deszelfs voorzitter en de advocaat-generaal is bepaald, is ten aanzien van de bijzondere rechtbank, derzelver voorzitter en de officier van justitie van overeenkomstige toepassing. 2013 25 24-01-2013 13-12-2012 33429 2013 51 15-02-2013 08-02-2013 01-07-2013
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 1 artikel 482g van het Wetboek van Strafvordering In afwijking in zoverre van, geschiedt in het daar bedoelde geval, de verwijzing naar een bijzondere rechtbank. 2 artikel 482g van het Wetboek van Strafvordering Hetgeen bij, alsmede bij de artikelen, waarnaar daarin wordt verwezen, omtrent de rechtbank, deszelfs voorzitter en de officier van justitie is bepaald, is ten aanzien van de bijzondere rechtbank, derzelver voorzitter en de officier van justitie bij die rechtbank van overeenkomstige toepassing. 2013 25 24-01-2013 13-12-2012 33429 2013 313 25-07-2013 17-07-2013 01-10-2013
Artikel Ia — Artikel Ia#
Artikel Ia artikelen 3, onderdelen 1° tot en met 3° 12, tweede en vijfde lid De Wet oorlogsstrafrecht is mede van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, met dien verstande dat voor de toepassing van de, en, van de Wet oorlogsstrafrecht in plaats van «het rijk in Europa» telkens wordt gelezen: Nederland. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2010 389 07-10-2010 30-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van Nederland.
Artikel II — Artikel II#
Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1952 408 10-07-1952 2258 1952 408 10-07-1952 2258 05-08-1952
Artikel III — Artikel III#
Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1952 408 10-07-1952 2258 1952 408 10-07-1952 2258 05-08-1952
Artikel IV — Artikel IV#
Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1952 408 10-07-1952 2258 1952 408 10-07-1952 2258 05-08-1952