Wet van 21 december 1951, houdende voorzieningen betreffende het toezicht op de verzorging en opvoeding van pleegkinderen
- BWB-id
- BWBR0002084
- Type
- Wet
- Ministerie
- Veiligheid en Justitie
- Geldigheid
- 2010-07-01 t/m 2014-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0002084
- ELI
- /eli/nl/wet/1953/pleegkinderenwet
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1953/pleegkinderenwet/2010-07-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0002084&g=2010-07-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0002084&z=2026-06-06&g=2010-07-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0002084/2010-07-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1953/pleegkinderenwet
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze wet en de tot haar uitvoering gegeven voorschriften wordt verstaan onder: 1. artikel 1 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie Stb. pleegkind: een door aspirant-adoptiefouders opgenomen buitenlands kind als bedoeld in(1988, 566), dan wel een minderjarige die bij anderen dan zijn ouders, voogd of bloed- en aanverwanten tot en met de derde graad wordt verzorgd en opgevoed, met dien verstande, dat daaronder niet is begrepen: a. een minderjarige, op wiens verzorging en opvoeding krachtens de bepalingen van een andere wet toezicht wordt uitgeoefend door anderen dan zijn ouders of voogd; b. een minderjarige, die verzorgd en opgevoed wordt in een inrichting, welke, wat betreft de verzorging en opvoeding van de daarin verblijvende minderjarigen, aan toezicht krachtens de bepalingen van een andere wet is onderworpen; c. een minderjarige, die verzorgd en opgevoed wordt in een inrichting, welke door Ons van het toezicht ingevolge de bepalingen van deze wet is vrijgesteld, dan wel behoort tot een groep van inrichtingen, die door Ons, de Raad van State gehoord, van dit toezicht is vrijgesteld; 2. ambtenaar van de raad voor de kinderbescherming: de directeur, een plaatsvervangend directeur of een door de directeur aangewezen ambtenaar van de raad voor de kinderbescherming. 1998 302 02-06-1998 14-05-1998 24811 1998 475 06-08-1998 15-07-1998 24811 01-10-1998
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Voor de toepassing van deze wet en de tot haar uitvoering gegeven voorschriften worden onder hoofd van een inrichting begrepen bestuurders, ondernemers en beheerders van een inrichting. 1995 274 30-05-1995 30-03-1995 23137 1995 274 30-05-1995 30-03-1995 23137 31-05-1995
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 De verplichtingen, voortvloeiende uit deze wet en de tot haar uitvoering gegeven voorschriften, voor zover niet aan anderen opgedragen, rusten op degenen die de verzorging en opvoeding van een pleegkind op zich hebben genomen, dan wel op het hoofd van een inrichting, waarin een of meer pleegkinderen worden verzorgd en opgevoed, en bij ontstentenis of afwezigheid van dit hoofd op degene die de feitelijke leiding in de inrichting uitoefent. 1995 274 30-05-1995 30-03-1995 23137 1995 274 30-05-1995 30-03-1995 23137 31-05-1995
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld betreffende de voorwaarden, waaraan de verzorging en opvoeding van een pleegkind moet voldoen, alsmede betreffende de uitoefening van het toezicht op de verzorging en opvoeding. 1951 595 21-12-1951 1596 1953 66 14-02-1953 01-06-1953
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 Degenen die de verzorging en opvoeding van een pleegkind op zich hebben genomen en het hoofd van een inrichting, waarin een pleegkind wordt verzorgd en opgevoed, zijn verplicht van deze opneming binnen een week schriftelijk kennis te geven aan burgemeester en wethouders van gemeente, waarin het pleegkind verblijft, op een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen wijze. 2 Op gelijke wijze moet worden kennis gegeven van het vertrek, alsmede van het overlijden van een pleegkind. 1995 274 30-05-1995 30-03-1995 23137 1995 274 30-05-1995 30-03-1995 23137 31-05-1995
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 Elke kennisgeving krachtens het voorgaande artikel gedaan, wordt door burgemeester en wethouders onverwijld doorgezonden aan de raad voor de kinderbescherming. 1996 328 28-06-1996 13-06-1996 24257 1996 328 28-06-1996 13-06-1996 24257 29-06-1996
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 artikel 5, eerste lid Na ontvangst van een kennisgeving, bedoeld in, stelt de raad voor de kinderbescherming een onderzoek in naar het pleegkind en het gezin of de inrichting, waarin het wordt verzorgd en opgevoed. 2 Een onderzoek in het pleeggezin of de inrichting, waarin het kind wordt verzorgd en opgevoed, vindt niet plaats, tenzij er een redelijk vermoeden bestaat, dat er in het pleeggezin of de inrichting misstanden heersen of dreigen te ontstaan. 1954 602 24-12-1954 2814 1956 308 26-05-1956 2814 01-06-1956
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 Met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften zijn belast de ambtenaren van de raad voor de kinderbescherming. 2 artikelen 5:17 5:18 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, genoemd in de,en. 3 De toezichthouder is bevoegd van degenen die de verzorging en opvoeding van een pleegkind op zich hebben genomen of het hoofd van de inrichting waar het pleegkind verblijft, te vorderen het pleegkind te tonen. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 De toezichthouder is bevoegd een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner, indien redelijkerwijs kan worden vermoed dat aldaar een pleegkind wordt verzorgd en opgevoed. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Indien gebleken is, dat het belang van een pleegkind zulks bepaaldelijk vordert, kan de raad voor de kinderbescherming besluiten, dat het niet langer in het gezin of de inrichting, waarin het wordt verzorgd en opgevoed, zal mogen verblijven. 1954 602 24-12-1954 2814 1956 308 26-05-1956 2814 01-06-1956
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 Indien gegronde vrees voor verwaarlozing van de belangen van een of meer pleegkinderen bestaat, tengevolge van ernstige nalatigheid in de naleving van de bepalingen dezer wet of de tot haar uitvoering gegeven voorschriften, dan wel tengevolge van de omstandigheid, dat het gezin of de inrichting niet of niet langer voldoet aan de ter uitvoering van deze wet gegeven voorschriften, kan de raad voor de kinderbescherming besluiten, dat in het gezin of de inrichting geen pleegkinderen mogen worden verzorgd en opgevoed. 1954 602 24-12-1954 2814 1956 308 26-05-1956 2814 01-06-1956
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 artikelen 10 11 De raad voor de kinderbescherming is bevoegd het van kracht worden van een door hem op grond van deofgenomen besluit afhankelijk te stellen van voorwaarden, binnen een in het besluit te stellen termijn te vervullen door degenen die de verzorging en opvoeding van een pleegkind op zich hebben genomen of het hoofd van de inrichting waar het pleegkind verblijft. Deze voorwaarden kunnen slechts betrekking hebben op de juiste naleving van de bepalingen dezer wet of de tot haar uitvoering gegeven voorschriften. 2 Wanneer degenen die de verzorging en opvoeding van een pleegkind op zich hebben genomen of het hoofd van de inrichting waar het pleegkind verblijft niet binnen de gestelde termijn aan de voorwaarden heeft voldaan, kan de raad voor de kinderbescherming beslissen, dat zijn besluit van kracht is geworden. 1995 274 30-05-1995 30-03-1995 23137 1995 274 30-05-1995 30-03-1995 23137 31-05-1995
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 artikelen 10 11 12, tweede lid Degenen die de verzorging en opvoeding van een pleegkind op zich hebben genomen gezamenlijk of het hoofd van de inrichting waar het pleegkind verblijft kunnen, op grond van gewijzigde omstandigheden, ingetreden nadat een besluit, bedoeld in de,of, onherroepelijk is geworden, aan de raad voor de kinderbescherming verzoeken zijn besluit in te trekken. 1995 274 30-05-1995 30-03-1995 23137 1995 274 30-05-1995 30-03-1995 23137 31-05-1995
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 artikel 10 11 12, tweede lid 13 Een op grond van,,, ofgenomen besluit wordt bij exploit bekendgemaakt aan degenen die de verzorging en opvoeding van het pleegkind op zich hebben genomen of van het hoofd van de inrichting waar het pleegkind verblijft en aan hen die het ouderlijk gezag of de voogdij over de minderjarigen uitoefenen; van het besluit wordt mededeling gedaan door toezending van een afschrift aan burgemeester en wethouders. 2 In gevallen van dringende noodzaak is de raad voor de kinderbescherming bevoegd te beslissen, dat zijn besluit onmiddellijk na de betekening van kracht is. 3 Zodanig besluit verliest zijn kracht, indien de raad voor de kinderbescherming niet binnen twee dagen na de betekening de bekrachtiging van het besluit aan de rechtbank verzoekt. 4 artikel 16 De behandeling van dit verzoek geschiedt binnen veertien dagen na de indiening daarvan. Het bepaalde invindt daarop overeenkomstige toepassing. 2004 215 25-05-2004 13-05-2004 28958 2004 275 24-06-2004 17-06-2004 01-07-2004
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 artikelen 10 11 12, tweede lid eerste lid van artikel 14 Degenen die de verzorging en opvoeding van een pleegkind op zich hebben genomen gezamenlijk, het hoofd van de inrichting, alsmede zij die het ouderlijk gezag of de voogdij over de minderjarigen uitoefenen, kunnen binnen veertien dagen na betekening van het in het voorgaande artikel bedoelde exploit aan de rechtbank de vernietiging verzoeken van een besluit door de raad voor de kinderbescherming genomen krachtens de,of. De in hetbedoelde mededeling vermeldt deze bevoegdheid. 2 Gelijke bevoegdheid hebben degenen die de verzorging en opvoeding van een pleegkind op zich hebben genomen gezamenlijk, alsmede het hoofd van de inrichting bij afwijzing van een verzoek tot intrekking van een besluit van de raad voor de kinderbescherming. 2004 215 25-05-2004 13-05-2004 28958 2004 275 24-06-2004 17-06-2004 01-07-2004
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 De rechtbank beslist na verhoor of behoorlijke oproeping van de verzoeker, de raad voor de kinderbescherming, degenen die de verzorging en opvoeding van een pleegkind op zich hebben genomen, het hoofd van de inrichting en hen, die het ouderlijk gezag of de voogdij over de minderjarigen uitoefenen, alsmede van hen, die het kind in het gezin of de inrichting hebben geplaatst. 2 De behandeling der zaak, waaraan de kinderrechter deelneemt, vindt plaats met gesloten deuren. De rechtbank kan om bijzondere redenen toegang tot de terechtzitting verlenen. 3 Op straffe van nietigheid wordt de met redenen omklede beschikking in het openbaar uitgesproken. 4 Tegen de beschikking der rechtbank staat generlei voorziening open, behoudens cassatie in het belang der wet. 5 artikelen 14 15 16 Voor de toepassing van de,enis bevoegd de rechtbank van het arrondissement waarin het gezin is gevestigd of de inrichting is gelegen. 6 De raad voor de kinderbescherming deelt de beschikking der rechtbank onverwijld bij aangetekende brief aan burgemeester en wethouders mede. 1995 592 14-12-1995 06-12-1995 24259 1995 592 14-12-1995 06-12-1995 24259 15-12-1995
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 Artikel 802 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering De in het vorige artikel bedoelde beslissing wordt niet gegeven, dan nadat ook de minderjarige van twaalf jaren of ouder gehoord of behoorlijk opgeroepen is, tenzij dit in verband met de lichamelijke of geestelijke toestand van het kind niet mogelijk is. De rechter bepaalt de wijze waarop de minderjarige wordt opgeroepen, alsmede de wijze waarop en de plaats waar het verhoor kan geschieden.is van overeenkomstige toepassing. 1995 592 14-12-1995 06-12-1995 24259 1995 592 14-12-1995 06-12-1995 24259 15-12-1995
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 De raad voor de kinderbescherming is bevoegd om bij de uitoefening van zijn taak krachtens deze wet opdrachten te geven aan organen en personen, die werkzaam zijn op het gebied der kinderbescherming, der volksgezondheid of dergelijk gebied, en bereid zijn bij de uitvoering van deze wet medewerking te verlenen. 1954 602 24-12-1954 2814 1956 308 26-05-1956 2814 01-06-1956
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 artikelen 10 11 12, tweede lid Het is verboden een pleegkind in een gezin of inrichting te verzorgen en op te voeden in strijd met een van kracht geworden besluit van de raad voor de kinderbescherming, genomen op grond van de,of. 1954 602 24-12-1954 2814 1956 308 26-05-1956 2814 01-06-1956
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 artikelen 5 19 23 Overtreding van de,ofwordt gestraft met geldboete van de tweede categorie. 2 Niet strafbaar is de bestuurder, ondernemer of beheerder ener inrichting, van wie blijkt, dat hij de nodige maatregelen heeft genomen ter verzekering van de naleving der verplichtingen, voortvloeiende uit deze wet en de tot haar uitvoering gegeven voorschriften. 3 Bij herhaling binnen twee jaar na een onherroepelijke veroordeling wegens overtreding van een der in het eerste lid genoemde artikelen kan hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie worden opgelegd. In dat geval kan de rechter tevens de openbaarmaking van de uitspraak gelasten. Onder onherroepelijke veroordeling wordt mede verstaan een onherroepelijke veroordeling door een strafrechter in een andere lidstaat van de Europese Unie wegens soortgelijke feiten. 2010 200 10-06-2010 20-05-2010 32257 2010 201 10-06-2010 01-06-2010 01-07-2010
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 De in deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen. 1951 595 21-12-1951 1596 1953 66 14-02-1953 01-06-1953
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 artikel 20 artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering artikelen 179 tot en met 182 184 van het Wetboek van Strafrecht Met de opsporing van de bijstrafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd, belast de ambtenaren van de raad voor de kinderbescherming. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in deen, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf. 2 artikelen 8, derde lid 9 Deenzijn van toepassing. 3 artikelen 5:15 5:16 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht De,enzijn van overeenkomstige toepassing. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 artikel 5 Een schriftelijke kennisgeving aan burgemeester en wethouders als bedoeld in, betreffende pleegkinderen, die in gezinnen of inrichtingen worden verzorgd en opgevoed ten tijde van het in werking treden van deze wet, moet worden gedaan binnen drie maanden na dit in werking treden. 1951 595 21-12-1951 1596 1953 66 14-02-1953 01-06-1953
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 Met de uitvoering van deze wet is belast Onze Minister van Justitie. 1951 595 21-12-1951 1596 1953 66 14-02-1953 01-06-1953
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip. 1951 595 21-12-1951 1596 1953 66 14-02-1953 01-06-1953
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 Deze wet kan worden aangehaald onder de titel "Pleegkinderenwet". 1951 595 21-12-1951 1596 1953 66 14-02-1953 01-06-1953