Wet van 16 september 1954, houdende tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie
- BWB-id
- BWBR0002145
- Type
- Wet
- Ministerie
- Veiligheid en Justitie
- Geldigheid
- 2002-01-01 t/m 2004-03-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0002145
- ELI
- /eli/nl/wet/1955/wet-tuchtrechtspraak-bedrijfsorganisatie
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1955/wet-tuchtrechtspraak-bedrijfsorganisatie/2002-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0002145&g=2002-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0002145&z=2026-06-06&g=2002-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0002145/2002-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1955/wet-tuchtrechtspraak-bedrijfsorganisatie
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 artikel 66, vierde lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie Voor de toepassing van deze wet worden onder lichaam verstaan de bedrijfslichamen bedoeld inen de lichamen, ingesteld ter gemeenschappelijke behartiging van belangen, bedoeld in artikel 110 van die wet. 1992 409 24-06-1992 21657 1992 505 17-09-1992 01-10-1992
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Voor de toepassing van deze wet wordt onder het College verstaan het College van Beroep voor het bedrijfsleven. 1954 417 16-09-1954 2493 1955 227 03-06-1955 01-07-1955
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 artikelen 105 113 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie De tuchtrechtelijke maatregelen in de zin van deen, die op overtreding van verordeningen van een lichaam kunnen worden gesteld, zijn: 1°. berisping; 2°. geldboete; 3°. openbaarmaking van de tuchtbeschikking op kosten van de veroordeelde. 1954 417 16-09-1954 2493 1955 227 03-06-1955 01-07-1955
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 De tuchtrechtelijke maatregel van berisping bestaat uit een schriftelijk of mondeling vermaan tot de betrokkene in verband met het begane feit. 1954 417 16-09-1954 2493 1955 227 03-06-1955 01-07-1955
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 Het bedrag van de geldboete is ten minste € 2. 2 Het hoogste bedrag van de geldboete wordt bij verordening bepaald en is niet hoger dan € 450. De geldboete kan geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk worden opgelegd. 3 artikel 67, eerste lid In de instellingsverordening als bedoeld in, van de wet kan worden bepaald, dat het lichaam op overtreding van daarbij aangewezen verordeningen een hogere geldboete dan € 450 kan stellen. In geen geval zal het bedrag der geldboete hoger zijn dan € 4 500. 2001 481 01-11-2001 27-09-2001 27472 2001 481 01-11-2001 27-09-2001 27472 01-01-2002 De wijzigingsopdracht voor artikel 5, lid 1, is niet geheel juist.
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 In de gevallen, waarin het tuchtgerecht de openbaarmaking van zijn tuchtbeschikking gelast, bepaalt het tevens de wijze, waarop aan die last uitvoering wordt gegeven. 2 De kosten van openbaarmaking worden in de tuchtbeschikking op een bepaald bedrag geschat. 1954 417 16-09-1954 2493 1955 227 03-06-1955 01-07-1955
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 Indien een feit, dat tuchtrechtelijk kan worden afgedaan, wordt begaan door of vanwege een rechtspersoon of een vennootschap, wordt de tuchtrechtelijke vervolging ingesteld en worden maatregelen genomen hetzij tegen die rechtspersoon of die vennootschap, hetzij tegen hen, die tot het feit opdracht hebben gegeven of die feitelijk leiding hebben gehad bij het verboden handelen of nalaten, hetzij tegen beiden. 2 Een feit wordt onder meer begaan door of vanwege een rechtspersoon of een vennootschap, indien het begaan wordt door personen, die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit anderen hoofde handelen in de sfeer van de rechtspersoon of de vennootschap, ongeacht of deze personen ieder afzonderlijk het feit hebben begaan, dan wel bij hen gezamenlijk de elementen van dat feit aanwezig zijn. 3 Indien een tuchtrechtelijke vervolging wordt ingesteld tegen een rechtspersoon of een vennootschap, wordt deze tijdens de vervolging vertegenwoordigd door de bestuurder en, indien er meer bestuurders zijn, door één dezer. Het tuchtgerecht kan de persoonlijke verschijning van een bestuurder bevelen. 1976 229 08-04-1976 11416 1976 342 22-06-1976 26-07-1976
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 Het bestuur van het betrokken lichaam regelt bij verordening de rechtsgang van het tuchtrechtelijke geding alsmede de samenstelling en de bevoegdheden van het tuchtgerecht of de tuchtgerechten en, indien van tuchtbeschikkingen voorziening bij een ander tuchtgerecht kan worden gevraagd, de samenstelling en bevoegdheden van dat tuchtgerecht. 2 De verordening geeft waarborgen voor een deugdelijke berechting. Zij behoeft de goedkeuring van Onze betrokken Ministers en van Onze Minister van Justitie. 3 artikel 7, derde lid De verordening kan inhouden, dat aan de betrokkene en aan de in, bedoelde bestuurder, die, na door het tuchtgerecht bij aangetekend schrijven te zijn opgeroepen om in persoon te verschijnen, zonder geldige redenen, zulks ter beoordeling van het tuchtgerecht, wegblijven, tuchtrechtelijke maatregelen kunnen worden opgelegd. 4 Het tuchtgerecht is niet bevoegd over een zaak te oordelen, indien noch de voorzitter, noch een der leden noch de secretaris voldoet aan de vereisten voor benoeming tot rechter in een arrondissements-rechtbank. 1954 417 16-09-1954 2493 1955 227 03-06-1955 01-07-1955
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 De betrokkene kan, tenzij het tuchtgerecht beveelt, dat hij in persoon zal verschijnen, zich op de terechtzitting doen vertegenwoordigen door een advocaat, indien deze aldaar verklaart daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn, of wel door een daartoe bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde. 2 Het tuchtgerecht kan weigeren bepaalde personen, die niet zijn advocaat, als gemachtigde toe te laten. Bij zodanige weigering houdt het tuchtgerecht de zaak tot de volgende zitting aan. 3 Het tuchtgerecht stelt bij aangetekende brief de betrokkene met de aanhouding en de reden daarvan in kennis en roept hem tevens op om op de voor de zaak bepaalde nadere zitting in persoon of bij een andere gemachtigde tegenwoordig te zijn. 4 De betrokkene kan zich te allen tijde door een raadsman doen bijstaan. 5 Het tuchtgerecht kan weigeren bepaalde personen, die niet zijn advocaat, als raadsman toe te laten. Bij zodanige weigering houdt het tuchtgerecht op verzoek van de betrokkene de zaak tot een volgende zitting aan. 1954 417 16-09-1954 2493 1955 227 03-06-1955 01-07-1955
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 Voor de aanvang van de behandeling ter terechtzitting van het tuchtgerecht kan elk der zittende leden door de betrokkene worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden, die het vormen van een onpartijdig oordeel zouden kunnen bemoeilijken. 2 Op grond van zodanige feiten of omstandigheden kan een lid zich verschonen. 3 De overige leden beslissen zo spoedig mogelijk of de wraking of verschoning wordt toegestaan. In geval van staking van stemmen is het verzoek tot wraking of verschoning toegestaan. 1954 417 16-09-1954 2493 1955 227 03-06-1955 01-07-1955
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 Het tuchtgerecht is bevoegd ambtshalve of op verzoek van de betrokkene getuigen bij aangetekend schrijven op te roepen. 2 Ieder, die als getuige is opgeroepen, is verplicht voor het tuchtgerecht te verschijnen. 3 Indien de getuige niet op de oproeping verschijnt, kan het tuchtgerecht de officier van justitie bij de arrondissements-rechtbank, binnen welker rechtsgebied het tuchtgerecht zitting houdt, verzoeken de getuige ter terechtzitting van het tuchtgerecht te dagvaarden en daarbij te voegen een bevel tot medebrenging. 4 Wetboek van Strafvordering Met betrekking tot het horen van de getuigen en hun recht van verschoning vinden de artikelen 217-220 van hetovereenkomstige toepassing. 5 De voorzitter van het tuchtgerecht kan de getuige beëdigen dat hij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen. 1954 417 16-09-1954 2493 1955 227 03-06-1955 01-07-1955
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 Het tuchtgerecht kan ambtshalve of op verzoek van de betrokkene een of meer deskundigen benoemen, ten einde het gerecht voor te lichten, zo nodig, met opdracht een onderzoek in te stellen en het gerecht een verslag uit te brengen. 2 Het tuchtgerecht roept de deskundigen bij aangetekend schrijven op. 3 Wetboek van Strafvordering De deskundige is verplicht zijn taak onpartijdig en naar beste weten te verrichten. Ten aanzien van de deskundigen en hun verhoor vinden de artikelen 217-220 van hetovereenkomstige toepassing. 4 Het tuchtgerecht kan de deskundige geheimhouding opleggen. 1987 591 03-12-1987 17916 1988 8 07-01-1988 01-04-1988
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 Degeen, die als getuige of deskundige is opgeroepen, ontvangt een vergoeding overeenkomstig het Tarief in strafzaken. 1954 417 16-09-1954 2493 1955 227 03-06-1955 01-07-1955
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 De tuchtbeschikking houdt de gronden in en wijst de voorschriften aan, waarop zij rust. 2 De inhoud van de tuchtbeschikking wordt bij aangetekend schrijven ter kennis van de betrokkene en van het lichaam gebracht. 1954 417 16-09-1954 2493 1955 227 03-06-1955 01-07-1955
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 De betrokkene kan tegen de tuchtbeschikking beroep instellen bij het College. 1954 417 16-09-1954 2493 1955 227 03-06-1955 01-07-1955
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Geen beroep kan worden ingesteld, indien een ander gewoon rechtsmiddel tegen de tuchtbeschikking openstaat of opengestaan heeft. 1954 417 16-09-1954 2493 1955 227 03-06-1955 01-07-1955
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 Het beroep kan worden ingesteld ter zake dat: a. de tuchtbeschikking niet inhoudt de gronden of niet aanwijst de voorschriften, waarop de veroordeling rust; b. de regelen omtrent de samenstelling van het tuchtgerecht en zijn bevoegdheid zijn geschonden; c. het tuchtgeding is gevoerd in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijke rechtspraak; d. het tuchtgerecht niet in redelijkheid tot de opgelegde maatregel of maatregelen heeft kunnen komen. 1954 417 16-09-1954 2493 1955 227 03-06-1955 01-07-1955
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 artikel 14 Het beroep wordt ingesteld binnen veertien dagen na verzending van het bijbedoelde schrijven. 1964 315 25-07-1964 7113 1964 393 16-10-1964 01-12-1964
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 Het beroep wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid, ingesteld door een schriftelijke verklaring door of namens de betrokkene aan de griffier van het College. 2 De griffier doet van het afleggen van de verklaring binnen vijf dagen mededeling aan het tuchtgerecht en aan het lichaam, welks verordening zou zijn overtreden. 1954 417 16-09-1954 2493 1955 227 03-06-1955 01-07-1955
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 Het tuchtgerecht doet binnen een en twintig dagen na ontvangst van de mededeling, bedoeld in het tweede lid van het voorgaande artikel, de stukken toekomen aan de griffier van het College. 1954 417 16-09-1954 2493 1955 227 03-06-1955 01-07-1955
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 De betrokkene, door of namens wie beroep is ingesteld, is, op straffe van niet-ontvankelijkheid, verplicht binnen een en twintig dagen, nadat het beroep is ingesteld, ter griffie van het College een schriftuur in te dienen, houdende zijn middelen van beroep. 1972 391 05-07-1972 11804 1972 392 07-07-1972 29-07-1972
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 Is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of ongegrond, dan kan, zonder dat een nader onderzoek door het College vereist is, de voorzitter bij met redenen omklede beschikking het beroep niet-ontvankelijk of ongegrond verklaren. De griffier doet afschrift van de beschikking bij aangetekend schrijven aan de betrokkene, het tuchtgerecht en het lichaam toekomen. 2 Tegen de beschikking, in het voorgaande lid vermeld, kan de betrokkene binnen veertien dagen na de verzending van het afschrift er van verzet doen bij het College. Artikel 19 is van overeenkomstige toepassing. 3 Het College verklaart het verzet niet-ontvankelijk, gegrond of ongegrond. Indien het verzet gegrond wordt verklaard, vervalt de beschikking. De laatste zin van het eerste lid is van toepassing. 4 Is het College van oordeel, dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of ongegrond is, dan kan het zonder nader onderzoek het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaren, echter niet dan na de betrokkene in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord. 5 De beschikking van het College ter zake van het gedane verzet is met redenen omkleed. 6 De griffier brengt de beschikking van het College ter kennis van de betrokkene, het tuchtgerecht en het lichaam. 1964 315 25-07-1964 7113 1964 393 16-10-1964 01-12-1964
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 Indien het voorgaande artikel geen toepassing vindt of het verzet gegrond is verklaard, bepaalt de voorzitter de dag voor de behandeling der zaak. De griffier brengt bij aangetekend schrijven de rechtsdag ter kennis van de betrokkene en van het lichaam. 2 Voor de behandeling ter terechtzitting worden de processtukken in origineel of in door de griffier gewaarmerkte afschriften gedurende ten minste zes dagen ter griffie, ter griffie van een rechtbank of elders ter kosteloze inzage voor de betrokkene of zijn gemachtigde en voor het lichaam nedergelegd. De nederlegging wordt door de griffier tijdig ter kennis van de betrokkene en van het lichaam gebracht. 3 De in het vorige lid bedoelde termijn kan met toestemming van de betrokkene worden verkort. 4 Is de termijn niet in acht genomen, dan bepaalt het College een nieuwe rechtsdag, tenzij de betrokkene in persoon of bij gemachtigde is verschenen. In dit laatste geval kan op zijn verzoek uitstel worden verleend. 5 In de gevallen, waarin op de terechtzitting de behandeling van de zaak voor een bepaalde tijd wordt uitgesteld of geschorst, wordt geen nieuwe kennisgeving gedaan. 2001 584 18-12-2001 06-12-2001 27878 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 artikelen 9 13 Op het rechtsgeding voor het College zijn de-van overeenkomstige toepassing. 1954 417 16-09-1954 2493 1955 227 03-06-1955 01-07-1955
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 Aan de betrokkene of zijn gemachtigde en aan de raadsman wordt de gelegenheid gegeven het woord te voeren en de middelen van beroep toe te lichten. 1954 417 16-09-1954 2493 1955 227 03-06-1955 01-07-1955
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 Het College kan ambtshalve of op verzoek van de betrokkene het lichaam uitnodigen inlichtingen te verschaffen. 2 Het lichaam kan zich ter terechtzitting van het College doen vertegenwoordigen. 3 De vertegenwoordiger van het lichaam wordt desverlangd door het College in de gelegenheid gesteld het woord te voeren. 1954 417 16-09-1954 2493 1955 227 03-06-1955 01-07-1955
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 Na de behandeling van de zaak ter terechtzitting bepaalt de voorzitter de dag voor de uitspraak. Het College kan ook terstond uitspraak doen. 1954 417 16-09-1954 2493 1955 227 03-06-1955 01-07-1955
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 1 Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk, verwerpt het of verklaart het gegrond. 2 Indien het College niet voldoende is ingelicht, kan het bevelen, dat de behandeling der zaak op een nader te bepalen datum zal worden hervat. 1954 417 16-09-1954 2493 1955 227 03-06-1955 01-07-1955
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 1 Indien het College het beroep gegrond verklaart, vernietigt het de tuchtbeschikking; het doet alsdan de zaak zelf af of verwijst haar naar een tuchtgerecht van het lichaam, welks verordening zou zijn overtreden, om haar af te doen met inachtneming van de beslissing van het College. 2 Indien een nader onderzoek noodzakelijk is en het College de zaak zelf afdoet, geschiedt dit onderzoek overeenkomstig de rechtsgang, welke is vastgesteld voor het tuchtgerecht, waarvan de beschikking is vernietigd. 1954 417 16-09-1954 2493 1955 227 03-06-1955 01-07-1955
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 De uitspraak van het College houdt de gronden in en wijst de voorschriften aan, waarop zij rust. 2 De uitspraak wordt door de voorzitter van de kamer, die de uitspraak heeft gedaan, en de griffier ondertekend. Indien de voorzitter zich in de onmogelijkheid bevindt de uitspraak te ondertekenen, geschiedt zulks door het oudst benoemde gewone of buitengewone lid, dat de uitspraak mede gewezen heeft. Indien de griffier zich in de onmogelijkheid bevindt, wordt daarvan instede van de ondertekening melding gemaakt. 1954 417 16-09-1954 2493 1955 227 03-06-1955 01-07-1955
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 De griffier brengt de uitspraak van het College ter kennis van de betrokkene, het tuchtgerecht en het lichaam. 1954 417 16-09-1954 2493 1955 227 03-06-1955 01-07-1955
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 De tenuitvoerlegging van tuchtbeschikkingen en van uitspraken van het College geschiedt op last van het dagelijks bestuur van het betrokken lichaam. Het dagelijks bestuur kan niet van tenuitvoerlegging afzien, tenzij met goedkeuring van de voorzitter van het College. 1954 417 16-09-1954 2493 1955 227 03-06-1955 01-07-1955
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 Geen tuchtbeschikking wordt tenuitvoergelegd, zolang daartegen enig gewoon rechtsmiddel openstaat. 1954 417 16-09-1954 2493 1955 227 03-06-1955 01-07-1955
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 1 Het dagelijks bestuur van het lichaam brengt binnen veertien dagen na het onherroepelijk worden van de tuchtbeschikking of van de uitspraak van het College bij aangetekend schrijven ter kennis van de betrokkene, binnen welke termijn hij de opgelegde geldboete of de kosten van openbaarmaking van de tuchtbeschikking moet voldoen. Die termijn kan op ten hoogste twee maanden worden gesteld en kan telkens worden verlengd, doch mag de duur van twee jaren niet te boven gaan. 2 artikel 126, eerste lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie Bij gebreke van volledige betaling binnen de in het voorgaande lid bedoelde termijn wordt het niet betaalde bedrag ingevorderd op dezelfde wijze als de heffingen, bedoeld in. Artikel 127 van die wet is van overeenkomstige toepassing. 1954 417 16-09-1954 2493 1955 227 03-06-1955 01-07-1955
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 artikel 32 b artikel 99, eerste lid, sub, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie Indien in strijd metvan tenuitvoerlegging wordt afgezien of indien de in het voorgaande artikel gestelde termijnen niet worden in acht genomen, wordt geacht zich een geval voor te doen, als bedoeld in. 1954 417 16-09-1954 2493 1955 227 03-06-1955 01-07-1955
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 De opbrengsten van de geldboeten komen aan het betrokken lichaam. Het bestuur van het lichaam geeft aan de opbrengsten een bijzondere bestemming. Het besluit van het bestuur behoeft de goedkeuring van de Sociaal-Economische Raad. 1954 417 16-09-1954 2493 1955 227 03-06-1955 01-07-1955
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 Vervallen 1992 409 24-06-1992 21657 1992 505 17-09-1992 01-10-1992
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 Deze wet kan worden aangehaald als Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie. 1954 417 16-09-1954 2493 1955 227 03-06-1955 01-07-1955
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip. 1954 417 16-09-1954 2493 1955 227 03-06-1955 01-07-1955