Wet van 31 mei 1956, inzake een algemene ouderdomsverzekering
- BWB-id
- BWBR0002221
- Type
- Wet
- Ministerie
- Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2025-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0002221
- ELI
- /eli/nl/wet/1956/algemene-ouderdomswet
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1956/algemene-ouderdomswet/2025-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0002221&g=2025-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0002221&z=2026-06-06&g=2025-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0002221/2025-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1956/algemene-ouderdomswet
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; b. lichamen: rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens; c. Vreemdelingenwet 2000 vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de; d. artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bruto-minimumloon: het inbedoelde bedrag; e. Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten rechtens zijn vrijheid is ontnomen: rechtens zijn vrijheid is ontnomen, behoudens de gevallen, bedoeld in deen in de; f. justitiële inrichting: een penitentiaire inrichting of een instelling voor de verpleging van ter beschikking gestelden; g. artikel 1 van de Rijkswet instelling exclusieve economische zone continentaal plat: de exclusieve economische zone van het Koninkrijk, bedoeld in, voor zover deze grenst aan de territoriale zee van Nederland; h. Wetboek van Strafrecht vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel: een bij onherroepelijk geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in het; i. artikel 7a pensioengerechtigde leeftijd: leeftijd, bedoeld in, waarop recht op ouderdomspensioen ontstaat; j. artikel 7a aanvangsleeftijd: leeftijd, bedoeld in, met ingang waarvan een niet verzekerd tijdvak leidt tot een korting op het ouderdomspensioen; k. artikel 2, eerste lid, van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek CBS: Centraal bureau voor de statistiek, bedoeld in; l. artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap uitreiziger: persoon ten aanzien van wie op grond van een melding van de opsporingsdiensten of inlichtingen- en veiligheidsdiensten, gericht aan de Sociale verzekeringsbank, is gebleken dat het gegronde vermoeden bestaat dat deze persoon zich buiten Nederland bevindt met het doel om zich aan te sluiten bij een organisatie die is geplaatst op de lijst van organisaties, bedoeld in. 2 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met: a. echtgenoot: geregistreerde partner; b. echtgenoten: geregistreerde partners; c. gehuwd: als partner geregistreerd; d. gehuwde: als partner geregistreerde. 3 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt: a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad; b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. 4 Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. 5 Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en: a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld; b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander; c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het vierde lid. 6 Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vijfde lid, onderdeel d. 7 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het hoofdverblijf in dezelfde woning hebben als bedoeld in het vierde en vijfde lid, aanhef, en het blijk geven zorg te dragen voor een ander als bedoeld in het vierde lid. 8 Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, wordt mede verstaan een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde meerderjarige. 9 Wet op de jeugdzorg Jeugdwet Algemene Kinderbijslagwet Onder voormalig pleegkind als bedoeld in het achtste lid wordt verstaan een pleegkind voor wie de ongehuwde meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van deof de, of kinderbijslag ontving op grond van de. 2023 168 23-05-2023 12-05-2023 35335 2023 247 07-07-2023 27-06-2023 01-01-2024
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Ingezetene in de zin van deze wet is degene, die in Nederland woont. 1989 127 10-05-1989 27-04-1989 20855 1989 123 27-04-1989 01-01-1990
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld. 2 Voor de toepassing van het eerste lid worden schepen welke in Nederland hun thuishaven hebben, ten opzichte van de bemanning als deel van Nederland beschouwd. 3 Hij die Nederland metterwoon heeft verlaten en binnen een jaar nadien metterwoon terugkeert zonder inmiddels in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, of op het grondgebied van een andere Mogendheid te hebben gewoond, wordt ook voor de duur van zijn afwezigheid geacht in Nederland te hebben gewoond. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2010 389 07-10-2010 30-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van Nederland.
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Vervallen 1994 916 15-12-1994 23775 1994 917 19-12-1994 01-01-1995
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Vervallen 2000 627 28-12-2000 21-12-2000 27248 2000 627 28-12-2000 21-12-2000 27248 01-01-2001
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, en a. ingezetene is; b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen. 2 artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 Niet verzekerd is de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring der verzekerden. 4 Bij een maatregel, als bedoeld in het derde lid, kan worden afgeweken van het tweede lid ten aanzien van: a. vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid verrichten, dan wel hebben verricht; b. artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onder g of h, van de Vreemdelingenwet 2000. 2012 328 18-07-2012 12-07-2012 33290 2012 329 18-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 6a — Artikel 6a#
Artikel 6a artikel 6 Zo nodig in afwijking vanen de daarop berustende bepalingen: a. wordt als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; b. wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is. 1998 267 14-05-1998 29-04-1998 25873 1998 267 14-05-1998 29-04-1998 25873 15-05-1998 01-01-1989 Werkt terug tot en met 1 januari 1989.
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 Recht op ouderdomspensioen overeenkomstig de bepalingen van deze wet heeft degene, die a. de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, en b. ingevolge deze wet minimaal één kalenderjaar verzekerd is geweest in het tijdvak, aanvangende met de dag waarop de aanvangsleeftijd is bereikt en eindigende met de dag voorafgaande aan de dag waarop de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt. 2 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de herleiding van gedeelten van kalenderjaren tot gehele kalenderjaren. 2013 115 29-03-2013 28-03-2013 33318 2013 116 29-03-2013 28-03-2013 01-04-2015
Artikel 7a — Artikel 7a#
Artikel 7a 1 De pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd zijn: Op pensioengerechtigden die in een bepaald kalenderjaar de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt zijn de pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd in de kalenderjaren daarna niet van toepassing. a. vóór 1 januari 2013: 65, respectievelijk 15 jaar; b. in 2013: 65 jaar en één maand, respectievelijk 15 jaar en één maand; c. in 2014: 65 jaar en twee maanden, respectievelijk 15 jaar en twee maanden; d. in 2015: 65 jaar en drie maanden, respectievelijk 15 jaar en drie maanden; e. in 2016: 65 jaar en zes maanden, respectievelijk 15 jaar en zes maanden; f. in 2017: 65 jaar en negen maanden, respectievelijk 15 jaar en negen maanden; g. in 2018: 66 jaar, respectievelijk 16 jaar; h. in 2019: 66 jaar en vier maanden, respectievelijk 16 jaar en vier maanden; i. in 2020: 66 jaar en vier maanden, respectievelijk 16 jaar en vier maanden; j. in 2021: 66 jaar en vier maanden, respectievelijk 16 jaar en vier maanden; k. in 2022: 66 jaar en zeven maanden, respectievelijk 16 jaar en zeven maanden; l. in 2023: 66 jaar en tien maanden, respectievelijk 16 jaar en tien maanden; m. in 2024: 67 jaar, respectievelijk 17 jaar; n. in 2025: 67 jaar, respectievelijk 17 jaar; o. in 2026 en de kalenderjaren daarna: de pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd, die jaarlijks op basis van de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd op grond van het tweede lid worden vastgesteld. 2 De verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd in 2026 en de kalenderjaren daarna wordt jaarlijks, voor de eerste maal uiterlijk op 1 januari 2021 voor het jaar 2026, vastgesteld volgens de formule: V = 2/3 * (L – 20,64) – (P – 67) waarbij: V staat voor de periode waarmee de pensioengerechtigde leeftijd respectievelijk aanvangsleeftijd wordt verhoogd, uitgedrukt in perioden van een jaar; L staat voor de geraamde macro gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd in het kalenderjaar van verhoging; P staat voor de pensioengerechtigde leeftijd in het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar van verhoging. Indien V negatief is of minder dan 0,25 bedraagt, wordt deze gesteld op 0. Indien V 0,25 of meer bedraagt, wordt deze gesteld op drie maanden. De volgens de formule vastgestelde verdere verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd wordt door of namens Onze Minister medegedeeld in de Staatscourant. 3 De verhoging, bedoeld in het tweede lid, treedt telkens in werking vijf jaar na de uiterste datum van vaststelling, bedoeld in het tweede lid, voor de eerste maal met ingang van 1 januari 2026. 4 De ramingen van de macro gemiddelde resterende levensverwachting, bedoeld in het tweede lid, worden uitgevoerd en bekendgemaakt door het CBS. 2020 503 09-12-2020 02-12-2020 35520 2020 503 09-12-2020 02-12-2020 35520 10-12-2020 De pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel i, en de aanvangsleeftijd, bedoeld in artikel
1, eerste lid, onderdeel j, zijn in 2026 67 jaar, respectievelijk 17
jaar (bekendmaking Minister in Stcrt. 2020/65110).
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 artikel 11 De pensioengerechtigde die voor 1 januari 2015 is gehuwd en voor die datum recht heeft op ouderdomspensioen en van wie de echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, heeft overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op een toeslag, tenzij, met inachtneming van, het inkomen uit arbeid of overig inkomen van die echtgenoot meer bedraagt dan de volledige bruto-toeslag. 2 In afwijking van het eerste lid ontstaat op of na 1 januari 2015, geen recht meer op toeslag als gevolg van: a. wijziging van het inkomen, bedoeld in het eerste lid; b. artikel 1, tweede en derde lid wijziging van de leefvorm, waardoor niet langer sprake is van een ongehuwde als bedoeld in; c. het gaan wonen in Nederland of in een land waarmee een verdrag in werking is getreden dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie van kracht is geworden, op grond waarvan recht op toeslag kan bestaan; d. artikel 8b, derde lid een invrijheidstelling als bedoeld in; of e. artikel 8c, derde lid het zich niet langer onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in; f. artikel 1, eerste lid, onderdeel l het niet langer bestaan van het gegronde vermoeden dat de pensioengerechtigde dan wel diens partner zich buiten Nederland bevindt met het doel zich aan te sluiten bij een organisatie als bedoeld in. 3 Indien het recht op toeslag is geëindigd uitsluitend als gevolg van een incidentele stijging van het inkomen, bedoeld in het eerste lid, kan, in afwijking van het tweede lid, het recht op toeslag herleven. 4 Waar in deze wet en in de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt gesproken van ouderdomspensioen wordt daaronder mede verstaan de in het eerste lid bedoelde toeslag, voor zover niet anders is bepaald. 2019 483 17-12-2019 11-12-2019 35275 2019 484 17-12-2019 11-12-2019 01-01-2020
Artikel 8a — Artikel 8a#
Artikel 8a 1 artikel 8, eerste lid Geen recht op toeslag heeft de pensioengerechtigde, bedoeld in, die niet in Nederland woont. 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien de pensioengerechtigde woont in een land waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op toeslag kan bestaan. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat recht heeft op toeslag: a. artikel 8, eerste lid de pensioengerechtigde, bedoeld in, die werkzaamheden verricht in het algemeen belang en niet in Nederland woont; b. artikel 8, eerste lid de pensioengerechtigde, bedoeld in, die in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba woont; of c. de gezinsleden van de in de onderdelen a of b bedoelde pensioengerechtigde. 2024 409 17-12-2024 11-12-2024 36616 2024 410 17-12-2024 11-12-2024 01-01-2025
Artikel 8b — Artikel 8b#
Artikel 8b 1 artikel 8c, eerste lid Geen recht op ouderdomspensioen ontstaat voor de pensioengerechtigde, aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen indien de dag waarop het ouderdomspensioen zou ingaan dan wel de dag na afloop van de toepassing van, met betrekking tot dat recht op ouderdomspensioen, is gelegen in de periode dat hem rechtens zijn vrijheid is ontnomen. 2 Het recht op ouderdomspensioen eindigt, indien de pensioengerechtigde rechtens zijn vrijheid is ontnomen gedurende ten minste een maand. 3 De persoon die op grond van het eerste of tweede lid geen recht op ouderdomspensioen heeft, heeft met ingang van de dag waarop hij in vrijheid is gesteld met inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op ouderdomspensioen. 4 Voor de toepassing van het tweede lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. 5 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing en het derde lid is van overeenkomstige toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt. 6 artikel 8c, tweede lid Voor de pensioengerechtigde die op de dag voorafgaande aan de vrijheidsontneming geen recht heeft op ouderdomspensioen op grond van, eindigt het recht op ouderdomspensioen, in afwijking van het tweede lid, vanaf de dag dat de vrijheidsontneming ingaat. 2012 2 10-01-2012 08-12-2011 32846 2012 109 20-03-2012 08-03-2012 01-04-2012
Artikel 8c — Artikel 8c#
Artikel 8c 1 Voor de pensioengerechtigde ontstaat geen recht op ouderdomspensioen indien en voor zolang hij zich op de dag waarop het ouderdomspensioen zou ingaan en daarna onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. 2 Het recht op ouderdomspensioen eindigt, indien de pensioengerechtigde zich, nadat het recht op ouderdomspensioen is ingegaan, onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. 3 De persoon die op grond van het eerste of tweede lid geen recht op ouderdomspensioen heeft, heeft met ingang van de dag dat hij zich niet langer onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel met inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op ouderdomspensioen. 2010 838 28-12-2010 16-12-2010 32520 2010 839 28-12-2010 23-12-2010 01-01-2011
Artikel 8d — Artikel 8d#
Artikel 8d 1 Voor de pensioengerechtigde ontstaat geen recht op ouderdomspensioen indien en voor zolang hij een uitreiziger is. 2 Het recht op ouderdomspensioen eindigt, indien de pensioengerechtigde, nadat het recht op ouderdomspensioen is ingegaan, een uitreiziger is. 3 artikel 1, eerste lid, onderdeel l De persoon die op grond van het eerste of tweede lid geen recht op ouderdomspensioen heeft, heeft met ingang van de dag dat niet langer het gegronde vermoeden bestaat dat hij zich buiten Nederland bevindt met het doel zich aan te sluiten bij een organisatie als bedoeld in, met inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op ouderdomspensioen. 4 artikel 8, eerste lid Geen recht op toeslag heeft de pensioengerechtigde, bedoeld in, van wie de partner een uitreiziger is. 5 artikel 14, eerste lid Voor het derde lid is, van overeenkomstige toepassing. 2023 417 21-11-2023 08-11-2023 36415 2023 437 05-12-2023 29-11-2023 01-01-2024
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 Deze wet kent een bruto-ouderdomspensioen voor: a. de ongehuwde pensioengerechtigde; b. de gehuwde pensioengerechtigde. 2 De in het eerste lid bedoelde ouderdomspensioenen worden afgeleid van het netto-minimumloon per maand. 3 Wet financiering sociale verzekeringen Onder het netto-minimumloon wordt verstaan het bruto-minimumloon, na aftrek van premies op grond van deen loonbelasting. 4 artikel 2 van de Wet financiering sociale verzekeringen artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964 De loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, bedoeld in, worden berekend voor een werknemer, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, rekening houdend met uitsluitend tweemaal de algemene heffingskorting, bedoeld in, over het bruto-minimumloon. 5 artikel 41 van de Zorgverzekeringswet De bruto-ouderdomspensioenen worden zodanig vastgesteld, dat na aftrek van de in te houden loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, rekening houdend met de toepasselijke heffingskortingen voor een persoon van de pensioengerechtigde leeftijd en ouder, en van de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in: a. het netto-ouderdomspensioen per maand van een pensioengerechtigde als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, gelijk is aan 70% van het netto-minimumloon per maand; b. het netto-ouderdomspensioen per maand van een pensioengerechtigde als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, gelijk is aan 50% van het netto-minimumloon per maand. 6 artikel 8 De volledige bruto-toeslag, bedoeld in, is gelijk aan het bruto-ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. 7 Een wijziging van het bruto-ouderdomspensioen in verband met een wijziging van het netto-minimumloon wordt samen met de dag waarop deze wijziging ingaat, door of namens Onze Minister medegedeeld in de Staatscourant. 8 Een wijziging van het bruto-ouderdomspensioen in verband met een wijziging van het netto-minimumloon vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld. 9 De Sociale verzekeringsbank betaalt het gewijzigde ouderdomspensioen, bedoeld in het achtste lid, bij de eerstvolgende betaling van het ouderdomspensioen nadat de wijziging, bedoeld in het achtste lid, heeft plaatsgevonden. 2018 424 22-11-2018 17-10-2018 34977 2018 425 22-11-2018 08-11-2018 01-01-2019
Artikel 9a — Artikel 9a#
Artikel 9a 1 artikel 9 artikel 13, eerste lid In afwijking vanis voor de pensioengerechtigde, die niet in Nederland woont, het bruto-ouderdomspensioen gelijk aan het bruto-ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, onverminderd. 2 Artikel 8a, tweede lid , is van overeenkomstige toepassing. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat recht heeft op ouderdomspensioen alsof hij in Nederland woont: a. artikel 9, eerste lid, onderdeel a de pensioengerechtigde, bedoeld in, die werkzaamheden verricht in het algemeen belang en niet in Nederland woont; b. artikel 9, eerste lid, onderdeel a de pensioengerechtigde, bedoeld in, die in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba woont; of c. de gezinsleden van de in de onderdelen a of b bedoelde pensioengerechtigde. 4 Recht op ouderdomspensioen alsof hij in Nederland woont, heeft de pensioengerechtigde die niet in Nederland woont en recht heeft op: a. Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 een buitengewoon pensioen, garantietoeslag, uitkering, periodieke uitkering, garantie-uitkering, vergoeding of tegemoetkoming als bedoeld in de, de, de, de, deof de Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië met inbegrip van het besluit van de Luitenant-Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië van 5 november 1946 (Indisch Staatsblad, 1946, 118); of b. een pensioen, toeslag, uitkering, vergoeding of tegemoetkoming, vergelijkbaar met een pensioen, toeslag, uitkering, vergoeding of tegemoetkoming als bedoeld in onderdeel a, op grond van een buitenlandse wettelijke regeling die vergelijkbaar is met de wettelijke regelingen, genoemd in onderdeel a. 2024 409 17-12-2024 11-12-2024 36616 2024 410 17-12-2024 11-12-2024 01-01-2025
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 artikel 11 De volledige bruto-toeslag wordt toegekend voorzolang, met inachtneming van het bepaalde in, het inkomen uit arbeid of overig inkomen van de echtgenoot van de pensioengerechtigde nihil bedraagt. 2 artikel 11 Op de volledige bruto-toeslag wordt in mindering gebracht het inkomen van de echtgenoot van de pensioengerechtigde uit arbeid of overig inkomen, vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in. 2011 359 19-07-2011 30-06-2011 32430 2011 361 19-07-2011 08-07-2011 01-08-2011
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 artikelen 8 10 Voor de toepassing van deenwordt van het inkomen uit arbeid buiten aanmerking gelaten: 1°. een bedrag, gelijk aan 15% van het bruto-minimumloon; alsmede 2°. voor zover het inkomen uit arbeid meer bedraagt dan het onder 1° bedoelde bedrag, een derde gedeelte van dat meerdere. 2 In afwijking van het eerste lid wordt in de maand waarin de pensioengerechtigde of de echtgenoot van de pensioengerechtigde de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, het bruto-minimumloon, bedoeld in het eerste lid, onder 1°, vermenigvuldigd met de factor X/Y, waarbij: – X staat voor: a. het aantal dagen gelegen in de maand waarin de pensioengerechtigde de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, vanaf de dag dat de pensioengerechtigde deze leeftijd heeft bereikt, of b. het aantal dagen gelegen in de maand waarin de echtgenoot van de pensioengerechtigde de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, voordat de echtgenoot deze leeftijd heeft bereikt, en – Y staat voor het aantal dagen van de maand waarin de pensioengerechtigde of de echtgenoot van de pensioengerechtigde de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. 2012 328 18-07-2012 12-07-2012 33290 2012 329 18-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 artikel 10 artikel 13, tweede lid artikelen 9, zesde lid, onderdeel b 13, eerste lid artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag Op de bruto-toeslag, vastgesteld op grond vanen, indien van toepassing, na toepassing van, wordt een korting toegepast tot 10% voor zover de toeslag samen met het gezamenlijke inkomen uit arbeid of overig inkomen van de gehuwde pensioengerechtigde en diens echtgenoot vermeerderd met het op grond van deen, vastgestelde bruto-ouderdomspensioen door de toepassing van de korting niet minder bedraagt dan 162% van het bruto-minimumloon met inbegrip van de bruto-minimumvakantiebijslag, bedoeld in. 2 artikel 10, tweede lid artikel 13, tweede lid artikel 29, tweede lid, aanhef en onderdeel b De met toepassing van, of, of het eerste lid berekende niet-volledige bruto-toeslag wordt voor toepassing van, uitgedrukt in een percentage van de volledige bruto-toeslag. Dit percentage wordt rekenkundig afgerond op een veelvoud van éénhonderdste. 3 artikel II van de Wet van 23 oktober 1993 tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet (wijziging in de verhouding van ouderdomspensioen en toeslag) Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de pensioengerechtigde, bedoeld in(Stb. 592). Ten aanzien van die pensioengerechtigden dient: a. artikel 10, vierde lid die wet , zoals dat luidde voor de datum van inwerkingtreding van, te worden gelezen alsof «en 11» is vervangen door «11 en 12»; en b. artikel 29, tweede lid die wet , zoals dat luidde voor de datum van inwerkingtreding van, te worden gelezen alsof «met toepassing van artikel 10, tweede lid,» is vervangen door «met toepassing van artikel 10, tweede lid, of artikel 13, tweede lid, of artikel 12, eerste lid,» en «de in artikel 10, derde lid, bedoelde percenten» is vervangen door «de in artikel 12, tweede lid, bedoelde percenten». 4 Artikel 11, tweede lid , is van overeenkomstige toepassing op de inkomensgrens, bedoeld in het eerste lid. 2014 504 16-12-2014 26-11-2014 33988 2014 516 18-12-2014 10-12-2014 01-01-2015
Artikel 12a — Artikel 12a#
Artikel 12a artikelen 8, eerste lid 10, eerste en tweede lid 11 12 Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder inkomen uit arbeid en overig inkomen als bedoeld in de,,enwordt verstaan. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen dat gedeeltelijk, niet, of niet langer wordt genoten als gevolg van gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene in aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten. 2010 867 29-12-2010 23-12-2010 32421 2010 868 29-12-2010 23-12-2010 01-01-2011
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 artikel 9 Op het bruto-ouderdomspensioen, vastgesteld op grond van, wordt een korting toegepast van 2% voor elk kalenderjaar, dat de pensioengerechtigde na het bereiken van de aanvangsleeftijd, doch vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd niet verzekerd is geweest. 2 artikel 10 Op de bruto-toeslag wordt, na toepassing van, een korting toegepast van 2% voor elk kalenderjaar, dat de echtgenoot van de pensioengerechtigde na het bereiken van de aanvangsleeftijd, doch vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de pensioengerechtigde niet verzekerd is geweest. 3 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de herleiding van gedeelten van kalenderjaren tot gehele kalenderjaren. 2024 409 17-12-2024 11-12-2024 36616 2024 410 17-12-2024 11-12-2024 01-01-2025
Artikel 13a — Artikel 13a#
Artikel 13a 1 Artikel 13, eerste lid , is niet van toepassing op de vrouwelijke pensioengerechtigde voor elk kalenderjaar dat zij in de periode van 1 januari 1957 tot 1 april 1985 niet verzekerd was, doordat zij in Nederland woonde en gehuwd dan wel gehuwd geweest was met een persoon, die in die periode niet verzekerd was. 2 Artikel 13, tweede lid , is niet van toepassing op de pensioengerechtigde voor elk kalenderjaar dat zijn echtgenoot in de periode van 1 januari 1957 tot 1 april 1985 niet verzekerd was, doordat die echtgenoot in Nederland woonde en gehuwd dan wel gehuwd geweest was met een persoon, die in die periode niet verzekerd was. 2024 409 17-12-2024 11-12-2024 36616 2024 410 17-12-2024 11-12-2024 01-01-2025
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 Het ouderdomspensioen alsmede een verhoging van het ouderdomspensioen wordt op aanvraag toegekend door de Sociale verzekeringsbank. 2 In afwijking van het bepaalde in het vorige lid is de Sociale verzekeringsbank bevoegd het ouderdomspensioen of een verhoging van het ouderdomspensioen ambtshalve toe te kennen. 2001 625 18-12-2001 29-11-2001 27665 2001 682 27-12-2001 13-12-2001 27665 01-01-2002
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 De Sociale verzekeringsbank is bevoegd controlevoorschriften vast te stellen. Deze voorschriften mogen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wet. 2 artikel 20 De pensioengerechtigde, zijn echtgenoot dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger of de instelling waaraan op grond vanouderdomspensioen wordt uitbetaald, is verplicht de voorschriften op te volgen en anderszins aan de Sociale verzekeringsbank desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. 3 De pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger, onthouden zich van zeer ernstige misdragingen jegens de met de uitvoering van deze wet belaste personen en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden. 2014 269 15-07-2014 02-07-2014 33801 2014 271 15-07-2014 04-07-2014 01-01-2015
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 Het ouderdomspensioen gaat in op de dag waarop de belanghebbende aan de voorwaarden voor het recht op ouderdomspensioen voldoet. 2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan een ouderdomspensioen niet vroeger ingaan dan de eerste dag van de twaalfde maand vóór de dag waarop de aanvraag werd ingediend of vóór de dag waarop ambtshalve toekenning plaatsvond. De Sociale verzekeringsbank kan voor bijzondere gevallen van het bepaalde in de vorige volzin afwijken. 2020 496 04-12-2020 25-11-2020 35494 2020 497 04-12-2020 30-11-2020 01-01-2021
Artikel 16a — Artikel 16a#
Artikel 16a Vervallen 1999 564 23-12-1999 15-12-1999 26722 1999 564 23-12-1999 15-12-1999 26722 24-12-1999
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 Het ouderdomspensioen wordt door de Sociale verzekeringsbank ingetrokken of herzien, wanneer degene, aan wie het is toegekend, ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde daarvoor niet of niet meer in aanmerking komt, onderscheidenlijk voor een hoger of lager ouderdomspensioen in aanmerking komt. 2 Vervallen. 3 artikel 16, tweede lid De herziening van het ouderdomspensioen, welke voortvloeit uit een wijziging der omstandigheden en welke een verhoging van dit ouderdomspensioen tot gevolg heeft, gaat in op de eerste dag der maand, waarin de wijziging dier omstandigheden heeft plaatsgevonden. Het bepaalde in, is van overeenkomstige toepassing. 4 artikel 50 artikel 9, eerste lid, onderdeel a De Sociale verzekeringsbank kent, indien de pensioengerechtigde of zijn wettelijke vertegenwoordiger niet op grond vandesgevraagd aantoont, dat hij een pensioengerechtigde is als bedoeld in, of dat zijn feitelijke woonsituatie in overeenstemming is met het door hem dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger verstrekte adres, een ouderdomspensioen toe gelijk aan dat van een pensioengerechtigde als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, dan wel herziet het ouderdomspensioen tot het bedrag van dat ouderdomspensioen. 5 De intrekking van het ouderdomspensioen of de herziening daarvan, welke voortvloeit uit een wijziging der omstandigheden en welke een verlaging van dit ouderdomspensioen tot gevolg heeft, gaat, behoudens in de bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen, in op de eerste dag der maand, volgende op die, waarin de dag is gelegen met ingang waarvan degene, aan wie ouderdomspensioen is toegekend, daarvoor niet meer in aanmerking komt, onderscheidenlijk voor een lager ouderdomspensioen in aanmerking komt. Indien het ouderdomspensioen ten onrechte of tot een te hoog bedrag is toegekend, wordt het ingetrokken onderscheidenlijk herzien met ingang van de dag, waarop het is ingegaan. 6 De herziening van het ouderdomspensioen als gevolg van een wijziging van het netto-minimumloon gaat, in afwijking van het bepaalde in het derde en vierde lid, in op de dag waarop het netto-minimumloon is herzien. 7 artikel 8b, tweede lid De beëindiging van het ouderdomspensioen op grond van, gaat in op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming een maand heeft geduurd. 8 Ter uitvoering van dit artikel kunnen bij ministeriële regeling nadere voorschriften worden gegeven. 2014 227 27-06-2014 25-06-2014 33716 2014 271 15-07-2014 04-07-2014 01-01-2015
Artikel 17a — Artikel 17a#
Artikel 17a 1 Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ouderdomspensioen en terzake van weigering van ouderdomspensioen, herziet de Sociale verzekeringsbank een dergelijk besluit of trekt zij dat in: a. artikel 15, tweede lid 49 indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van, of, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ouderdomspensioen; b. indien anderszins het ouderdomspensioen ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend; c. artikel 15, tweede lid 49 indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in, of, ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op ouderdomspensioen bestaat. 2 Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien. 2001 625 18-12-2001 29-11-2001 27665 2001 682 27-12-2001 13-12-2001 27665 01-01-2002
Artikel 17b — Artikel 17b#
Artikel 17b 1 artikel 15, tweede of derde lid artikel 49 artikel 55, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen De Sociale verzekeringsbank weigert het ouderdomspensioen geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend, indien de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, of zijn wettelijke vertegenwoordiger een verplichting, hem op grond van, opgelegd, of de verplichtingen, bedoeld inniet of niet behoorlijk is nagekomen, dan wel de verplichting, bedoeld inniet binnen de door de Sociale verzekeringsbank daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen. 2 Een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. 3 artikel 49 De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in, indien het niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ouderdomspensioen, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven. 4 De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. 5 artikel 17c Het opleggen van een maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een bestuurlijke boete als bedoeld inwordt opgelegd. 6 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid. 2014 269 15-07-2014 02-07-2014 33801 2014 271 15-07-2014 04-07-2014 01-01-2015
Artikel 17c — Artikel 17c#
Artikel 17c 1 artikel 49 artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 49, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 49, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding niet opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. 2 artikel 49 In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan ouderdomspensioen is verleend. 3 artikel 49 artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht Indien het niet of niet behoorlijk nakomen door de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in, niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, legt de Sociale verzekeringsbank een bestuurlijke boete op van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie, bedoeld in. 4 artikel 49 De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in, in situaties die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaats vindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, of zijn wettelijke vertegenwoordiger, een zodanige waarschuwing is gegeven. 5 artikel 49 De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan ouderdomspensioen is ontvangen, van ten hoogste 150 procent van het benadelingsbedrag, met overeenkomstige toepassing van het eerste lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan van de overtreding een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden. 6 artikelen 49 35 van de Algemene nabestaandenwet Onder eenzelfde gedraging als bedoeld in het vijfde lid wordt verstaan het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in devan deze wet ofals gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan ouderdomspensioen, nabestaandenuitkering of wezenuitkering is verleend. 7 In afwijking van het vijfde lid is het in dat lid genoemde tijdvak van vijf jaar tien jaar indien wegens de eerdere overtreding, bedoeld in het vijfde lid, de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, of zijn wettelijke vertegenwoordiger is gestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. 8 De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. 9 Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan de Sociale verzekeringsbank de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn. 10 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete. 11 artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vankan de rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook ten nadele van de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, of zijn wettelijke vertegenwoordiger wijzigen. 12 Artikel 25, eerste, derde en vierde lid Indien ten aanzien van een overtreding waarvoor een bestuurlijke boete is opgelegd geen sprake is geweest van opzet of grove schuld, en voorts is gebleken dat binnen een jaar nadat de bestuurlijke boete is opgelegd niet nogmaals een overtreding wegens eenzelfde gedraging is begaan, is de Sociale verzekeringsbank bevoegd op verzoek van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd, de bestuurlijke boete geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden bij medewerking aan een schuldregeling., is van overeenkomstige toepassing. 13 Het besluit tot kwijtschelding, bedoeld in het twaalfde lid, wordt ingetrokken of ten nadele van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd herzien indien binnen vijf jaar na het besluit tot kwijtschelding wederom een overtreding wegens eenzelfde gedraging is begaan. 2022 543 27-12-2022 21-12-2022 36216 2022 544 27-12-2022 21-12-2022 01-01-2023
Artikel 17d — Artikel 17d#
Artikel 17d Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 17e — Artikel 17e#
Artikel 17e artikel 17i, eerste of tweede lid Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de termijn waarvoor uitstel van betaling van de bestuurlijke boete kan worden verleend alsmede omtrent de hoogte van het op grond van, te verrekenen bedrag en de termijn of termijnen waarbinnen deze verrekening plaatsvindt. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 17f — Artikel 17f#
Artikel 17f Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 17g — Artikel 17g#
Artikel 17g Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 17h — Artikel 17h#
Artikel 17h Vervallen 2012 462 12-10-2012 04-10-2012 33207 2012 498 23-10-2012 11-10-2012 01-01-2013
Artikel 17i — Artikel 17i#
Artikel 17i 1 artikel 17c, vijfde lid De Sociale verzekeringsbank verrekent de bestuurlijke boete en een eerdere bestuurlijke boete wegens eenzelfde gedraging als bedoeld in, met het ouderdomspensioen dat degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd op grond van deze wet ontvangt. 2 Onverminderd het eerste lid kan de Sociale verzekeringsbank de bestuurlijke boete verrekenen met een vordering die degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd op hem heeft. 3 Participatiewet Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen Wet inkomensvoorziening oudere werklozen Werkloosheidswet Ziektewet Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering Wet arbeid en zorg Toeslagenwet Het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente, onderscheidenlijk het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is, op haar verzoek aan de Sociale verzekeringsbank indien degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de, de, de, de, de, de, de, de, de, deof deof een toeslag op grond van de. 4 artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht De inaan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan de Sociale verzekeringsbank. Indien de Sociale verzekeringsbank gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van, door middel van toezending per post aan degene aan wie de boete is opgelegd. 5 artikel 17c, negende lid Zolang de belanghebbende zijn verplichting, bedoeld in, niet of niet behoorlijk nakomt: a. artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is de Sociale verzekeringsbank, in afwijking van, bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn; b. artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de, in afwijking van, niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel. 2016 471 07-12-2016 14-11-2016 34528 2016 472 07-12-2016 26-11-2016 01-01-2017 2016 318 08-09-2016 23-08-2016 34396 2016 421 08-11-2016 27-10-2016 01-01-2017
Artikel 17j — Artikel 17j#
Artikel 17j Vervallen 2016 318 08-09-2016 23-08-2016 34396 2016 421 08-11-2016 27-10-2016 01-01-2017
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 Na het overlijden van degene, aan wie ouderdomspensioen is toegekend, wordt met ingang van de dag na het overlijden, ouderdomspensioen in de vorm van een overlijdensuitkering uitbetaald: a. aan de langstlevende van de echtgenoten; b. bij ontstentenis van de in onderdeel a bedoelde persoon, aan de minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond; c. bij ontstentenis van de in de onderdelen a en b bedoelde personen, aan degenen met wie de overledene in gezinsverband leefde. 2 De overlijdensuitkering is gelijk aan het bedrag van het ouderdomspensioen over één maand, met uitzondering van de toeslag, berekend naar de hoogte van het ouderdomspensioen in de maand van overlijden van degene aan wie ouderdomspensioen is toegekend. 3 De overlijdensuitkering wordt ambtshalve of op verzoek aan de rechthebbende of rechthebbenden door de Sociale verzekeringsbank uitbetaald. 4 De overlijdensuitkering wordt in een bedrag ineens aan de rechthebbende of rechthebbenden uitbetaald. 5 Het bedrag van de overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan ouderdomspensioen dat, over na het overlijden gelegen dagen, reeds is uitbetaald. 6 De overlijdensuitkering is niet vatbaar voor beslag. 2011 618 20-12-2011 01-12-2011 33015 2011 619 20-12-2011 12-12-2011 01-01-2012 01-01-2011
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 De Sociale verzekeringsbank betaalt het ouderdomspensioen waarop op grond van deze wet recht bestaat. De betaling geschiedt als regel maandelijks. 2 De Sociale verzekeringsbank kan de aan een gehuwde pensioengerechtigde toegekende toeslag betaalbaar stellen aan de echtgenoot. 3 artikel 4:89, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht Indien het ouderdomspensioen in het buitenland wordt uitbetaald, geschiedt de betaling in afwijking vanop het tijdstip waarop de rekening van de daartoe door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd. 4 Wanneer een pensioengerechtigde een ander machtigt om het ouderdomspensioen in ontvangst te nemen, onderscheidenlijk een verleende machtiging intrekt, wordt daaraan gevolg gegeven met ingang van een betalingstermijn, aanvangende na de dag, waarop de machtiging wordt ingediend, onderscheidenlijk waarop van haar intrekking mededeling wordt gedaan, doch niet later dan de eerste dag van de tweede maand na de dag van indiening, onderscheidenlijk intrekking der machtiging. 5 De Sociale verzekeringsbank schort de betaling van het ouderdomspensioen op of schorst de betaling indien zij op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft, dat: a. het recht op ouderdomspensioen niet of niet meer bestaat; b. recht op een lager ouderdomspensioen bestaat; of c. artikel 20 artikel 15, tweede lid artikel 49 artikel 50 de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger of de instelling waaraan op grond vanouderdomspensioen wordt uitbetaald, een verplichting als bedoeld in,ofniet is nagekomen. 6 De Sociale verzekeringsbank stelt de betrokken persoon of instelling onverwijld schriftelijk in kennis van de beslissing, bedoeld in het vijfde lid. 2012 463 12-10-2012 04-10-2012 31929 2012 482 19-10-2012 13-10-2012 01-01-2013
Artikel 19a — Artikel 19a#
Artikel 19a 1 artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 De Sociale verzekeringsbank schort de betaling van het ouderdomspensioen op indien degene aan wie een ouderdomspensioen is toegekend een vreemdeling is die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt als bedoeld in. 2 De betaling van het ouderdomspensioen wordt hervat indien betrokkene daartoe een aanvraag indient en het de Sociale verzekeringsbank is gebleken dat hij feitelijk buiten Nederland woont of verblijf houdt. 2001 625 18-12-2001 29-11-2001 27665 2001 682 27-12-2001 13-12-2001 27665 01-01-2002
Artikel 19b — Artikel 19b#
Artikel 19b 1 De Sociale verzekeringsbank schort de betaling van de uitkering op, indien blijkt dat het door de pensioengerechtigde verstrekte adres van hemzelf of van zijn echtgenoot afwijkt van het adres waaronder de pensioengerechtigde of zijn echtgenoot in de basisregistratie personen staat ingeschreven. 2 Geen opschorting vindt plaats: a. indien de afwijking redelijkerwijs geen gevolgen kan hebben voor het recht op of de hoogte van de uitkering; b. indien de pensioengerechtigde van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. 3 De Sociale verzekeringsbank doet schriftelijk mededeling van de opschorting aan de belanghebbende. 4 De opschorting wordt beëindigd zodra het aan de Sociale verzekeringsbank gebleken is dat de afwijking niet meer bestaat. 2013 316 26-07-2013 10-07-2013 33555 2013 494 09-12-2013 28-11-2013 06-01-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet basisregistratie
personen in werking treedt.
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 Wet langdurige zorg artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet Indien degene aan wie een ouderdomspensioen is toegekend, aanspraak heeft op verstrekking of vergoeding van zorg als bedoeld in deen op grond van die wet een bijdrage voor die zorg verschuldigd is, is de Sociale verzekeringsbank bevoegd het ouderdomspensioen tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan degene, aan wie ouderdomspensioen is toegekend, zonder diens machtiging uit te betalen aan het Zorginstituut Nederland, genoemd in. 2 artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 wet artikel 6.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg Indien aan degene aan wie een ouderdomspensioen is toegekend, een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget wordt verstrekt voor beschermd wonen als bedoeld in, en hij op grond van diehiervoor een bijdrage is verschuldigd, is de Sociale verzekeringsbank bevoegd het ouderdomspensioen tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan degene, aan wie het ouderdomspensioen is toegekend, zonder diens machtiging uit te betalen aan het CAK, genoemd in, dat voor de gemeente de bijdrage int. 3 Indien degene, aan wie een ouderdomspensioen is toegekend, in een inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen en de Sociale verzekeringsbank, van de desbetreffende inrichting of van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente die de opnamekosten betaalt, het verzoek ontvangt om het ouderdomspensioen aan die inrichting of die gemeente uit te betalen, is de Sociale verzekeringsbank bevoegd dat verzoek zonder het stellen van andere voorwaarden in te willigen. 4 Indien het eerste of tweede lid toepassing vindt, heeft de in het derde lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte van het ouderdomspensioen dat niet aan de in het eerste of tweede lid genoemde instantie wordt uitbetaald. 5 Een herziening van het ouderdomspensioen op grond van het eerste of tweede lid als gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat dit bij beschikking wordt vastgesteld. 2020 67 24-02-2020 05-02-2020 35299 2020 93 18-03-2020 06-03-2020 19-03-2020 Abusievelijk is een wijziging geformuleerd die niet kan worden doorgevoerd.
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, wordt een voorschot op het nog niet vastgestelde ouderdomspensioen beschouwd als ouderdomspensioen op grond van deze wet. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 Vervallen 2014 307 12-08-2014 09-07-2014 33853 2014 519 18-12-2014 10-12-2014 01-10-2016
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 De termijnen van het ouderdomspensioen, welke niet zijn ingevorderd binnen twee jaren na de eerste dag, waarop zij konden worden ingevorderd, worden niet meer uitbetaald. 1985 181 29-03-1985 18515 1985 180 28-03-1985 18515 01-04-1985
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 1 artikel 17 Het ouderdomspensioen dat als gevolg van een besluit als bedoeld inonverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door de Sociale verzekeringsbank teruggevorderd van de pensioengerechtigde of zijn wettelijke vertegenwoordiger, dan wel van de erfgenaam van de pensioengerechtigde voor zover het onverschuldigd betaalde in het vermogen van die erfgenaam is gevallen. 2 In afwijking van het eerste lid kan de Sociale verzekeringsbank besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de pensioengerechtigde, of zijn wettelijke vertegenwoordiger: a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan; b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald; c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost. 3 artikel 49 De in het tweede lid, onderdelen a, b en c, genoemde termijn is tien jaar indien de terugvordering het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in. 4 De in het tweede lid, onder a en b, genoemde termijn is drie jaar indien: a. artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet bedoeld in deniet te boven is gegaan; en b. artikel 49 de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in. 5 Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. 6 Degene van wie wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan de Sociale verzekeringsbank de inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn. 7 In afwijking van het eerste lid kan de Sociale verzekeringsbank, onder voorwaarden die Onze Minister kan stellen, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een door Onze Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat. 2017 110 24-03-2017 08-03-2017 34628 2020 499 08-12-2020 30-11-2020 01-01-2021
Artikel 24a — Artikel 24a#
Artikel 24a 1 artikel 24, eerste lid De Sociale verzekeringsbank kan hetgeen is teruggevorderd op grond van, invorderen bij dwangbevel. 2 Artikel 17i artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld inkomen van de pensioengerechtigde of zijn wettelijke vertegenwoordiger gedurende drie jaar de beslagvrije voet bedoeld in deniet te boven is gegaan, de Sociale verzekeringsbank de aflossingsbedragen lager vaststelt. 2017 110 24-03-2017 08-03-2017 34628 2020 499 08-12-2020 30-11-2020 01-01-2021
Artikel 24b — Artikel 24b#
Artikel 24b Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is vastgesteld dat onverschuldigd is betaald. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 artikel 24, eerste lid In afwijking van, kan de Sociale verzekeringsbank, op verzoek van de pensioengerechtigde, of zijn wettelijke vertegenwoordiger, besluiten gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk van verdere terugvordering af te zien door medewerking aan een schuldregeling, indien: a. redelijkerwijs te voorzien is dat de pensioengerechtigde niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen; b. redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; c. artikel 48 van de Wet op het consumentenkrediet een naar het oordeel van de Sociale verzekeringsbank betrouwbaar voorstel voor een schuldregeling tot stand is gekomen door tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in; d. aannemelijk is dat medewerking aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend werkt; en e. artikel 349 van de Faillissementswet uitdeling in het kader van de schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig. 2 artikel 49 artikel 17c Wetboek van Strafrecht Het eerste lid is niet van toepassing indien een vordering is ontstaan door het opzettelijk of door grove schuld niet nakomen door de pensioengerechtigde van de verplichting, bedoeld in, en met betrekking tot het niet naleven van die verplichting een boete als bedoeld inis opgelegd, dan wel indien hiervoor aangifte is gedaan op grond van het. 3 Het besluit tot het afzien van terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien: a. niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid; b. de pensioengerechtigde, of zijn wettelijke vertegenwoordiger, zijn schuld aan de Sociale verzekeringsbank niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of c. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. 4 Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten aanzien van de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen. 2021 627 20-12-2021 15-12-2021 35897 2021 628 20-12-2021 15-12-2021 21-12-2021 15-11-2021
Artikel 25a — Artikel 25a#
Artikel 25a artikelen 24 25 artikel 288 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek Een vordering van de Sociale verzekeringsbank als bedoeld in deenis bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de vorderingen, bedoeld in. 2011 618 20-12-2011 01-12-2011 33015 2011 619 20-12-2011 12-12-2011 01-01-2012
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 Het ouderdomspensioen is: a. onvervreemdbaar; b. niet vatbaar voor verpanding of belening. 2 Volmacht tot ontvangst van ouderdomspensioen, onder welke vorm of welke benaming ook door de gepensioneerde verleend, is steeds herroepelijk. 3 Elk beding, strijdig met enige bepaling van dit artikel, is nietig. 1990 605 13-12-1990 17897 1990 605 13-12-1990 17897 01-04-1991
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 Vervallen 1994 916 15-12-1994 23775 1994 917 19-12-1994 01-01-1995
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 Degene, die over een maand recht heeft op ouderdomspensioen, heeft over die maand tevens recht op vakantie-uitkering. 1985 181 29-03-1985 18515 1985 180 28-03-1985 18515 01-04-1985
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 1 De bruto-vakantie-uitkering wordt zodanig vastgesteld, dat: a. de netto-vakantie-uitkering per maand van een ongehuwde pensioengerechtigde gelijk is aan 70% van de netto-minimumvakantiebijslag per maand; b. artikel 9, eerste lid onderdeel b artikel 8, eerste lid de netto-vakantie-uitkering per maand van de gehuwde pensioengerechtigde, bedoeld in, van wie de echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt dan wel de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt. maar voor wie geen recht op toeslag bestaat als bedoeld in, gelijk is aan 50% van de netto-minimumvakantiebijslag per maand. 2 De bruto-vakantie-uitkering per maand van een gehuwde pensioengerechtigde: a. aan wie een volledige toeslag is toegekend is gelijk aan tweemaal de bruto-vakantie-uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b; b. artikel 10, tweede lid artikel 13, tweede lid artikel 12, eerste lid aan wie een niet-volledige toeslag is toegekend met toepassing van,, of, is gelijk aan de bruto-vakantie-uitkering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, vermeerderd met de met behulp van de in artikel 12, tweede lid, bedoelde percenten over het verschil tussen de vastgestelde bruto-vakantie-uitkering, bedoeld in onderdeel a en de vastgestelde bruto-vakantie-uitkering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. 3 artikel 9, derde lid artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag artikel 15 van die wet De in het eerste lid bedoelde netto minimumvakantiebijslag bedraagt het verschil tussen het bedrag, dat voor een werknemer jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd ontstaat door toepassing van, op het inbedoelde bedrag vermeerderd met de aanspraak op vakantiebijslag op grond vanvan degene die aanspraak heeft op laatstgenoemd bedrag, en het netto-minimumloon, bedoeld in artikel 9, derde lid. 4 artikel 9 artikel 13, eerste lid In de gevallen, dat op het ouderdomspensioen, vastgesteld op grond van, met toepassing van, een korting wordt toegepast, wordt op de, op grond van het eerste en derde lid, vastgestelde bruto-vakantie-uitkering, een evenredige korting toegepast. 2023 168 23-05-2023 12-05-2023 35335 2023 247 07-07-2023 27-06-2023 01-01-2024
Artikel 29a — Artikel 29a#
Artikel 29a Vervallen 1988 115 30-03-1988 20384 1988 115 30-03-1988 20384 01-04-1988
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 Vervallen 2004 728 30-12-2004 23-12-2004 29513 2004 729 30-12-2004 23-12-2004 01-01-2005 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 1 Eenmaal per jaar vindt ambtshalve uitbetaling van de vakantie-uitkering plaats. 2 De in het vorige lid bedoelde uitbetaling vindt plaats in de maand mei en omvat de vakantie-uitkering, waarop recht bestond over de periode van twaalf maanden, voorafgaande aan de maand mei. 3 De vakantie-uitkering wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 artikelen 18 19 20 23 24 26 49 Het bepaalde bij of krachtens de,,,,,envindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vakantie-uitkering, voor zover bij of krachtens deze paragraaf niet anders is bepaald. 2012 328 18-07-2012 12-07-2012 33290 2012 329 18-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 artikel 31, tweede lid Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot deze paragraaf nadere regels worden gesteld. Daarbij kan worden afgeweken van het bepaalde in. 1989 127 10-05-1989 27-04-1989 20855 1989 123 27-04-1989 01-01-1990
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder gewezen verzekerde: degene, wiens verplichte verzekering is geëindigd. 2001 212 08-05-2001 26-04-2001 27468 2001 212 08-05-2001 26-04-2001 27468 09-05-2001 01-01-2001 Werkt terug tot en met 1 januari 2001.
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 1 De gewezen verzekerde die de aanvangsleeftijd heeft bereikt kan zich, zolang hij de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, vrijwillig verzekeren over een periode van maximaal tien jaar, met ingang van de dag na de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd. De eerste zin is alleen van toepassing indien de gewezen verzekerde direct voorafgaande aan de periode van vrijwillige verzekering ten minste een jaar verplicht verzekerd is geweest. 2 Indien de periode van vrijwillige verzekering is onderbroken door een periode van verplichte verzekering korter dan een jaar, kan de gewezen verzekerde zich opnieuw vrijwillig verzekeren voor de resterende periode van de tien jaar. 3 De periode van maximaal tien jaar, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op: a. de gewezen verzekerde die in dienstbetrekking staat tot een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon dan wel uit anderen hoofde loon geniet van een zodanige rechtspersoon; b. de gewezen verzekerde die is uitgezonden om werkzaamheden te verrichten voor door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken aan te wijzen organisaties voor ontwikkelingssamenwerking; c. de gewezen verzekerde die werkzaam is bij een door Onze Minister, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan te wijzen volkenrechtelijke organisatie; d. de gewezen verzekerde die werkzaamheden verricht die worden bekostigd door het Rijk en die tevens in opdracht van het Rijk worden verricht in het kader van een wettelijke taakomschrijving of ter uitvoering van een internationaal verdrag dan wel een daarmee gelijk te stellen overeenkomst of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; of e. de gewezen verzekerde, die op de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt, niet in Nederland woont en recht heeft op een: 1°. Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen uitkering op grond van de; 2°. Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering uitkering op grond van de; 3°. Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen uitkering op grond van de; 4°. Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten uitkering of op recht op arbeidsondersteuning op grond van de; 5°. Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen uitkering op grond van de; 6°. Wet privatisering Spoorwegpensioenfonds pensioen op basis van arbeidsongeschiktheid op grond van de; 7°. pensioen op basis van arbeidsongeschiktheid op grond van de Algemene militaire pensioenwet, zoals die luidde voor 1 januari 1998; of 8°. Algemene nabestaandenwet nabestaandenuitkering op grond van de, mits die uitkering of dat pensioen ten minste gelijk is aan 35% van het bruto-minimumloon; f. de gewezen verzekerde, bedoeld in artikel 40. 4 De periode van maximaal tien jaar, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op de echtgenoot van de in het derde lid genoemde gewezen verzekerde en de inwonende minderjarige kinderen met wie die gewezen verzekerde of die echtgenoot in familierechtelijke betrekking staat. Voor de toepassing van dit lid wordt onder de in het derde lid genoemde gewezen verzekerde mede verstaan de gewezen verzekerde, bedoeld in onderdeel e van dat lid, wiens recht op een uitkering als bedoeld in dat onderdeel uitsluitend als gevolg van het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd is geëindigd. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van dit artikel nadere regels worden gesteld. 2014 270 15-07-2014 02-07-2014 33161 2014 271 15-07-2014 04-07-2014 01-01-2015
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 1 artikel 35, eerste lid De gewezen verzekerde die van de vrijwillige verzekering, bedoeld in, gebruik wil maken, is verplicht uiterlijk een jaar na de dag, waarop de verplichte verzekering is geëindigd, een aanvraag daartoe in te dienen bij de Sociale verzekeringsbank. 2 De aanvraag wordt afgewezen indien de gewezen verzekerde niet voldoet aan de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde voorwaarden. 2001 625 18-12-2001 29-11-2001 27665 2001 682 27-12-2001 13-12-2001 27665 01-01-2002
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 artikel 35, eerste lid De vrijwillige verzekering, bedoeld in, eindigt: a. met ingang van de eerste dag van de tweede maand volgend op die waarin de Sociale verzekeringsbank een schriftelijke opzegging van de gewezen verzekerde heeft ontvangen; b. met ingang van de dag waarop de gewezen verzekerde de pensioengerechtigde leeftijd bereikt; c. artikel 35, eerste lid met ingang van de dag, waarop de periode van tien jaar, bedoeld in, is verstreken; d. met ingang van de dag, waarop de gewezen verzekerde verplicht verzekerd wordt op grond van deze wet; e. artikel 71 van de Wet financiering sociale verzekeringen met ingang van de eerste dag van de vierde maand volgend op de laatste dag van de door de Sociale verzekeringsbank gestelde termijn waarbinnen de verschuldigde premie voor de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering, bedoeld in, dient te worden betaald, indien de betaling niet of niet geheel heeft plaatsgevonden; f. met ingang van de dag volgend op de laatste dag van een door de Sociale verzekeringsbank gestelde termijn waarbinnen de gewezen verzekerde de van hem, in verband met de toepassing van dit hoofdstuk, verlangde inlichtingen dient te verstrekken, indien de gewezen verzekerde die gegevens niet heeft verstrekt, tenzij de gewezen verzekerde aannemelijk maakt dat dat hem niet in overwegende mate kan worden verweten. 2012 328 18-07-2012 12-07-2012 33290 2012 329 18-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 1 artikelen 6 6a De verzekerde, die voorafgaand aan de verplichte verzekering niet eerder verplicht verzekerd is geweest, kan zich, zolang hij de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, vrijwillig verzekeren vanaf de aanvangsleeftijd, over de achterliggende periode, waarin hij niet verplicht verzekerd is geweest, indien hij ten minste vijf jaar verplicht verzekerd is geweest ingevolge deof, en voor zover hij in die achterliggende periode niet onderworpen is geweest aan een buitenlandse wettelijk verplichte ouderdomsverzekering, die bij het bereiken van de daarin aangegeven leeftijd recht geeft op ouderdomspensioen. 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt degene wiens verplichte verzekering voor het bereiken van de aanvangsleeftijd is beëindigd, geacht niet verplicht verzekerd te zijn geweest gedurende de periode voorafgaand aan het bereiken van de aanvangsleeftijd. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van het eerste lid nadere regels worden gesteld. 2014 502 16-12-2014 26-11-2014 33928 2014 503 16-12-2014 08-12-2014 17-12-2014 24-03-2014
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 1 artikel 38, eerste lid De verzekerde die van de vrijwillige verzekering, bedoeld in, gebruik wil maken, is verplicht uiterlijk tien jaar na de dag, waarop de verplichte verzekering is ontstaan, een aanvraag daartoe in te dienen bij de Sociale verzekeringsbank. 2 artikelen 36, tweede lid 37, onderdelen e en f De, en, zijn van overeenkomstige toepassing. 2009 596 30-12-2009 17-12-2009 32037 2009 623 30-12-2009 23-12-2009 01-01-2010
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 artikelen 34 tot en met 39 Dezijn van overeenkomstige toepassing op de gewezen verzekerde die op 31 december 2005 vrijwillig verzekerd was op grond van een algemene maatregel van bestuur die gebaseerd was op artikel 40, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van een aantal wetten op het terrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid teneinde deze in overeenstemming te brengen met de motie van het lid Jurgens c.s. 2012 657 27-12-2012 27-09-2012 33133 2012 657 27-12-2012 27-09-2012 33133 28-12-2012
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 Vervallen 1989 127 10-05-1989 27-04-1989 20855 1989 123 27-04-1989 01-01-1990
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 Vervallen 1989 127 10-05-1989 27-04-1989 20855 1989 123 27-04-1989 01-01-1990
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 Vervallen 1989 127 10-05-1989 27-04-1989 20855 1989 123 27-04-1989 01-01-1990
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 Vervallen 1986 656 24-12-1986 19751 1986 656 24-12-1986 19751 01-01-1987
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 Vervallen 2001 212 08-05-2001 26-04-2001 27468 2001 212 08-05-2001 26-04-2001 27468 09-05-2001 01-01-2001 Werkt terug tot en met 1 januari 2001.
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 Vervallen 1989 127 10-05-1989 27-04-1989 20855 1989 123 27-04-1989 01-01-1990
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 Vervallen 2005 37 03-02-2005 16-12-2004 29531 2005 717 28-12-2005 15-12-2005 01-01-2006
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 1 artikel 65, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen Degene, van wie ingevolgebelasting is geheven of in door Onze Minister en Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen geacht wordt te zijn geheven, heeft recht op een uitkering, indien en zolang hij recht heeft op ouderdomspensioen krachtens deze wet en hij wegens gemoedsbezwaren geen aanspraak maakt op dit ouderdomspensioen. 2 Degene, die ingevolge het eerste lid recht op een uitkering heeft, dient de Sociale verzekeringsbank schriftelijk in kennis te stellen, zodra naar zijn oordeel het totaal aan uitkering betaalde bedragen heeft overschreden het totaal van de bedragen, die van hem op grond van de in de aanhef van het eerste lid bedoelde bepalingen aan belasting zijn geheven of geacht worden te zijn geheven. De uitbetaling van deze uitkering wordt dan beëindigd met ingang van een betalingstermijn, aanvangende na de dag, waarop de kennisgeving door de Sociale verzekeringsbank is ontvangen, doch niet later dan de eerste dag van de tweede maand na de dag van ontvangst van die kennisgeving. 3 Voor de toepassing van het bepaalde in het vorige lid wordt het totaal van de aan belasting geheven bedragen: a. verminderd met de bedragen die niet zijn ingevorderd, dan wel die de verzekerde nalatig is gebleven te betalen; b. vermeerderd met een door de in het eerste lid bedoelde uitkeringsgerechtigde te bepalen opslag. 4 Het bedrag van de uitkering is gelijk aan het bedrag aan ouderdomspensioen en vakantie-uitkering, waarop de belanghebbende krachtens deze wet recht heeft. 5 artikelen 14 tot en met 26 31 33 artikelen 17, derde lid 18 24, eerste lid Het bepaalde bij of krachtens de,enis, voor zover daarvan ten aanzien van de,, en, bij ministeriële regeling niet wordt afgeweken, van overeenkomstige toepassing. 6 artikel 49 Het bepaalde bijis van overeenkomstige toepassing. 7 Onze Minister en Onze Minister van Financiën kunnen bij ministeriële regeling ter zake van het bepaalde in het eerste tot en met het zesde lid nadere regels en uitvoeringsvoorschriften geven. 2012 328 18-07-2012 12-07-2012 33290 2012 329 18-07-2012 12-07-2012 01-01-2013 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 artikel 20 De pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, alsmede zijn wettelijke vertegenwoordiger of de instelling waaraan ingevolgeouderdomspensioen wordt uitbetaald, zijn verplicht aan de Sociale verzekeringsbank op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of op het bedrag van de uitkering, dat wordt betaald. De verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door de Sociale verzekeringsbank kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is. 2007 555 21-12-2007 12-12-2007 30970 2007 556 21-12-2007 14-12-2007 01-01-2008
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 artikel 49 In aanvulling opkan de Sociale verzekeringsbank de pensioengerechtigde of zijn wettelijke vertegenwoordiger verzoeken aan te tonen dat: Teneinde hem daartoe in de gelegenheid te stellen kan de Sociale verzekeringsbank bij die verzoeken aanbieden met de toestemming van de pensioengerechtigde dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger de woning van de pensioengerechtigde binnen te treden. a. artikel 9, eerste lid, onderdeel a de pensioengerechtigde een pensioengerechtigde is als bedoeld in; b. de feitelijke woonsituatie van de pensioengerechtigde in overeenstemming is met het door hem dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger verstrekte adres. 2014 227 27-06-2014 25-06-2014 33716 2014 271 15-07-2014 04-07-2014 01-01-2015
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 1 Een beschikking op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. 2 De redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking is gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in het derde lid is gedaan. 3 Indien een beschikking niet binnen de termijn van acht weken kan worden gegeven, wordt die termijn met een redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis gesteld. 2010 840 28-12-2010 13-12-2010 32435 2010 877 29-12-2010 23-12-2010 01-01-2011
Artikel 51a — Artikel 51a#
Artikel 51a Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vanbeslist de Sociale verzekeringsbank binnen dertien weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. 2009 384 30-09-2009 18-06-2009 31751 2009 384 30-09-2009 18-06-2009 31751 01-10-2009
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 1 artikelen 1, derde tot en met zevende lid 2 3 6 Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van de,,enen de op die artikelen berustende bepalingen. 2 Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof. 1997 789 30-12-1997 24-12-1997 25641 1997 789 30-12-1997 24-12-1997 25641 02-01-1998
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 Vervallen 1993 650 30-12-1993 16-12-1993 22495 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 6#
artikel 6
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 1 artikel 6 artikel 13, eerste lid artikel 6 artikel 8 artikel 13, tweede lid Degene, die vóór het in werking treden vande leeftijd van 15, doch nog niet die van 65 jaar heeft bereikt, en die - al dan niet onafgebroken - gedurende zes jaren na de voleindiging van zijn 59ste levensjaar in Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft gewoond, wordt voor de toepassing van het bepaalde in, gedurende het tijdvak, gelegen tussen de voleindiging van zijn 15de levensjaar en het in werking treden van, geacht verzekerd te zijn geweest. Voor de toepassing van het bepaalde in de vorige volzin wordt, uitsluitend voor de vaststelling van de toeslag, bedoeld inmet toepassing van het bepaalde in, de jongere echtgenoot van de pensioengerechtigde geacht het 59ste levensjaar te hebben voleindigd op dezelfde dag als de pensioengerechtigde. 2 artikel 7 Degene, die voldoet aan het bepaalde in de eerste volzin van het eerste lid, doch nimmer ingevolge deze wet verzekerd is geweest, wordt nochtans voor de toepassing vangeacht verzekerd te zijn geweest. 2023 381 01-11-2023 16-10-2023 2023 408 15-11-2023 08-11-2023 01-01-2024
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 artikel 55 De voordelen uitvoortvloeiende komen enkel toe aan degene die in Nederland woont. 2021 627 20-12-2021 15-12-2021 35897 2022 244 23-06-2022 15-06-2022 01-07-2022
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 artikelen 55 56 Bij algemene maatregel van bestuur kan onder daarbij te stellen voorwaarden worden bepaald, dat voor de toepassing van deenhet wonen buiten Nederland wordt gelijkgesteld met het wonen in Nederland. 2021 627 20-12-2021 15-12-2021 35897 2022 244 23-06-2022 15-06-2022 01-07-2022
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 Vervallen 2012 328 18-07-2012 12-07-2012 33290 2012 329 18-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 Vervallen 2012 328 18-07-2012 12-07-2012 33290 2012 329 18-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 Vervallen 2012 328 18-07-2012 12-07-2012 33290 2012 329 18-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 Vervallen 2012 328 18-07-2012 12-07-2012 33290 2012 329 18-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 62 — Artikel 62#
Artikel 62 1 artikelen 8a 9a Deenzijn niet van toepassing op de pensioengerechtigde, die: a. op 31 december 1999 recht heeft op een ouderdomspensioen en op die dag niet in Nederland woont, en b. artikel 2 van de wet van 9 december 2004, houdende goedkeuring van het voornemen tot opzegging van het op 28 juni 1962 te Genève tot stand gekomen Verdrag betreffende de gelijkheid van behandeling van eigen onderdanen en vreemdelingen met betrekking tot de sociale zekerheid op 19 december 2005 dit recht op een ouderdomspensioen uitsluitend nog heeft op grond van(Verdrag nr. 118 aangenomen door de Internationale Arbeidsconferentie in haar zesenveertigste zitting; Trb. 1962, 122 en Trb. 1964, 23) (Stb. 2004, 715). 2 Het eerste lid blijft van toepassing zolang de pensioengerechtigde blijft wonen in hetzelfde land als het land waar hij op 19 december 2005 woonde en blijft voldoen aan de voorwaarden voor het recht op ouderdomspensioen. 2014 238 01-07-2014 19-06-2014 33162 2014 346 08-10-2014 30-09-2014 01-01-2015
Artikel 62a — Artikel 62a#
Artikel 62a 1 artikelen 8a, eerste lid 9a, eerste lid De, en, zijn niet van toepassing op de pensioengerechtigde, op wie die artikelen als gevolg van de opzegging van een verdrag, de beëindiging van de voorlopige toepassing van een verdrag dan wel de beëindiging van een daarmee gelijk te stellen situatie van toepassing zouden worden, zolang de pensioengerechtigde blijft wonen in hetzelfde land of gebied als het land of gebied waar hij op de dag voor buitenwerkingtreding als gevolg van die opzegging respectievelijk op de dag voor de beëindiging woonde en blijft voldoen aan de voorwaarden voor het recht op ouderdomspensioen. 2 Onze Minister deelt mede ten aanzien van welk land of gebied, met inbegrip van de dag waarop, een verdrag als bedoeld in het eerste lid buitenwerking is getreden dan wel de voorlopige toepassing van een verdrag of een daarmee gelijk te stellen situatie als bedoeld in het eerste lid is beëindigd. 2024 409 17-12-2024 11-12-2024 36616 2024 410 17-12-2024 11-12-2024 01-01-2025 Abusievelijk is een wijziging geformuleerd die niet kan worden doorgevoerd. 2022 542 27-12-2022 21-12-2022 36208 2023 155 10-05-2023 24-04-2023 01-01-2025
Artikel 63 — Artikel 63#
Artikel 63 Vervallen 2014 307 12-08-2014 09-07-2014 33853 2014 451 27-11-2014 18-11-2015 28-11-2014 01-02-2014
Artikel 63a — Artikel 63a#
Artikel 63a Artikel 1, achtste en negende lid artikel 8 , is niet van toepassing, indien voor de inwerkingtreding van deze artikelleden, op grond vanrecht bestaat op toeslag, omdat de ongehuwde pensioengerechtigde wegens een gezamenlijke huishouding met een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind is aangemerkt als gehuwd, voor zolang dit recht op toeslag bestaat, tenzij toepassing van de genoemde artikelleden leidt tot een hoger ouderdomspensioen. 2009 596 30-12-2009 17-12-2009 32037 2009 623 30-12-2009 23-12-2009 01-01-2010
Artikel 64 — Artikel 64#
Artikel 64 artikel 8b dat artikel artikel 8b artikel 8b, tweede lid Ten aanzien van de persoon wiens vrijheid op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding vanreeds rechtens was ontnomen wordt voor de toepassing vanals eerste dag waarop de vrijheidsontneming plaatsvindt, aangemerkt de dag van inwerkingtreding vanen eindigt het recht op ouderdomspensioen in afwijking van, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming zes maanden heeft geduurd. De beëindiging gaat in op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming als bedoeld in de eerste zin zes maanden heeft geduurd. 2009 63 19-02-2009 29-12-2008 31525 2009 273 30-06-2009 18-06-2009 01-07-2009
Artikel 64a — Artikel 64a#
Artikel 64a Vervallen 2010 838 28-12-2010 16-12-2010 32520 2010 839 28-12-2010 23-12-2010 01-07-2011
Artikel 64b — Artikel 64b#
Artikel 64b 1 artikel 8, eerste lid artikel 11 Pensioengerechtigden die voor 1 januari 2015 zijn gehuwd en die in november of december 2014 de leeftijd van 65 jaar bereiken en van wie de echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd hebben, in afwijking van, overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op een toeslag, tenzij, met inachtneming van, het inkomen uit arbeid of overig inkomen van die echtgenoot meer bedraagt dan de volledige bruto-toeslag. 2 Artikel 8, tweede tot en met vierde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2015 464 10-12-2015 25-11-2015 34273 2015 465 10-12-2015 02-12-2015 11-12-2015 01-01-2015
Artikel 64c — Artikel 64c#
Artikel 64c Artikel 17, tweede lid , zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B, van de Wet van 9 juli 2014 tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet in verband met beëindiging van de voorschotregeling en vaststelling van een grondslag voor het stellen van regels ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het hebben van het hoofdverblijf in dezelfde woning (Stb. 2014, 307) blijft van toepassing op pensioengerechtigden ten aanzien waarvan dat artikellid is toegepast tot het tijdstip waarop niet meer wordt voldaan aan de in dat artikellid gestelde voorwaarden. 2014 307 12-08-2014 09-07-2014 33853 2014 451 27-11-2014 18-11-2015 28-11-2014 01-02-2014
Artikel 64d — Artikel 64d#
Artikel 64d Artikel 7 artikel III, onderdeel A, van de Wet vereenvoudiging regelingen SVB , zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding vanblijft na de inwerkingtreding van dat artikelonderdeel van toepassing op personen die op die dag op grond van artikel 7 recht hebben op ouderdomspensioen. 2013 115 29-03-2013 28-03-2013 33318 2013 116 29-03-2013 28-03-2013 01-04-2015
Artikel 64e — Artikel 64e#
Artikel 64e 1 artikel 38, eerste lid Op aanvragen om gebruik te maken van de vrijwillige verzekering, bedoeld in, die zijn ingediend voor de datum van inwerkingtreding van de Wet van 26 november 2014 tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet in verband met wijziging van de voorwaarden voor de vrijwillige verzekering over een achterliggende periode en wijziging van de Participatiewet in verband met wijziging van de berekening en de periodieke aanpassing van de bijstandsnormen voor pensioengerechtigden (Stb. 2014, 502) blijft artikel 38, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan die datum van inwerkingtreding van toepassing. 2 artikel 38, eerste lid Op aanvragen om gebruik te maken van de vrijwillige verzekering, bedoeld in, die zijn ingediend op of na de datum van inwerkingtreding van de Wet van 26 november 2014 tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet in verband met wijziging van de voorwaarden voor de vrijwillige verzekering over een achterliggende periode en wijziging van de Participatiewet in verband met wijziging van de berekening en de periodieke aanpassing van de bijstandsnormen voor pensioengerechtigden (Stb. 2014, 502) is artikel 38, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, zoals dat door die wet is komen te luiden van toepassing. 2015 464 10-12-2015 25-11-2015 34273 2015 465 10-12-2015 02-12-2015 11-12-2015 24-03-2014
Artikel 65 — Artikel 65#
Artikel 65 Een gedraging die in strijd is met een krachtens deze wet uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel aangeduid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie. Het feit wordt beschouwd als een overtreding. Het in de eerste zin bedoelde feit wordt beschouwd als een overtreding. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 66 — Artikel 66#
Artikel 66 Vervallen 2001 212 08-05-2001 26-04-2001 27468 2001 212 08-05-2001 26-04-2001 27468 09-05-2001 01-01-2001 Werkt terug tot en met 1 januari 2001.
Artikel 67 — Artikel 67#
Artikel 67 Vervallen 2000 40 01-02-2000 20-01-2000 23993 2000 237 13-06-2000 31-05-2000 01-07-2000
Artikel 68 — Artikel 68#
Artikel 68 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 69 — Artikel 69#
Artikel 69 Vervallen 2001 212 08-05-2001 26-04-2001 27468 2001 212 08-05-2001 26-04-2001 27468 09-05-2001 01-01-2001 Werkt terug tot en met 1 januari 2001.
Artikel 70 — Artikel 70#
Artikel 70 Hetgeen nog ter uitvoering van deze wet nodig is, wordt geregeld bij ministeriële regeling. 1989 127 10-05-1989 27-04-1989 20855 1989 123 27-04-1989 01-01-1990
Artikel 71 — Artikel 71#
Artikel 71 1 Indien in een pensioenregeling van een pensioenfonds of van een werkgever bepalingen zijn of worden opgenomen krachtens welke op enigerlei wijze geheel of gedeeltelijk met het ouderdomspensioen ingevolge deze wet rekening wordt gehouden, dient bij de toepassing van deze bepalingen in acht te worden genomen, dat een verhoging van het ouderdomspensioen, welke plaatsvindt na de datum van beëindiging van de actieve deelneming aan de pensioenregeling, buiten beschouwing blijft. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op pensioenregelingen waarin bepalingen zijn opgenomen volgens welke het ouderdomspensioen ingevolge deze wet en de premievrije aanspraken of het pensioen van die regeling tezamen na beëindiging van de actieve deelneming jaarlijks ten minste worden verhoogd met het percentage van de in het eerste lid bedoelde verhoging van het ouderdomspensioen of het percentage van de loon- of prijsontwikkeling. 2006 558 21-11-2006 02-11-2006 30666 2006 558 21-11-2006 02-11-2006 30666 22-11-2006
Artikel 72 — Artikel 72#
Artikel 72 Vervallen 1994 496 30-06-1994 23123 1994 496 30-06-1994 23123 08-07-1994
Artikel 72a — Artikel 72a#
Artikel 72a Vervallen 1988 115 30-03-1988 20384 1988 115 30-03-1988 20384 01-04-1988
Artikel 73 — Artikel 73#
Artikel 73 Vervallen 1994 496 30-06-1994 23123 1994 496 30-06-1994 23123 08-07-1994
Artikel 74 — Artikel 74#
Artikel 74 Vervallen 1989 127 10-05-1989 27-04-1989 20855 1989 123 27-04-1989 01-01-1990
Artikel 75 — Artikel 75#
Artikel 75 1 Deze wet kan worden aangehaald onder de titel "Algemene Ouderdomswet". 2 De artikelen van deze wet treden in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld. 1989 127 10-05-1989 27-04-1989 20855 1989 123 27-04-1989 01-01-1990