Wet van 6 april 1957, houdende regelen met betrekking tot het toezicht op waterleidingbedrijven en tot de organisatie van de openbare drinkwatervoorziening
- BWB-id
- BWBR0002246
- Type
- Wet
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- 2009-07-01 t/m 2011-06-30
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0002246
- ELI
- /eli/nl/wet/1958/waterleidingwet
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1958/waterleidingwet/2009-07-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0002246&g=2009-07-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0002246&z=2026-06-06&g=2009-07-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0002246/2009-07-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1958/waterleidingwet
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: a. «Onze Minister»: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; b. «leidingwater»: water, bestemd om te drinken, te koken, voedsel te bereiden of andere huishoudelijke doeleinden, dat door een waterleidingbedrijf of een collectieve watervoorziening aan derden ter beschikking wordt gesteld; c. «drinkwater»: leidingwater, bestemd of mede bestemd om te drinken; d. «waterleidingbedrijf»: 1°. een bedrijf uitsluitend of mede bestemd tot openbare drinkwatervoorziening door levering van drinkwater aan verbruikers; 2°. een bedrijf uitsluitend of mede bestemd tot levering van drinkwater in het groot aan bedrijven als bedoeld onder 1°; 3°. een bedrijf, zowel bestemd tot openbare drinkwatervoorziening door levering van drinkwater aan verbruikers, als tot levering van drinkwater in het groot aan bedrijven als bedoeld onder 1°; e. Wet gemeenschappelijke regelingen «publiekrechtelijke rechtspersoon»: staat, provincie, gemeente, waterschap of gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de; f. «gekwalificeerde rechtspersoon»: 1°. publiekrechtelijke rechtspersoon; 2°. naamloze of besloten vennootschap die voldoet aan de volgende voorwaarden: i. in de statuten is bepaald dat de aandelen in zijn kapitaal uitsluitend middellijk of onmiddellijk worden gehouden door publiekrechtelijke rechtspersonen en ii. de vennootschap heeft zich niet verbonden de zeggenschap over het waterleidingbedrijf dat haar toebehoort of zal toebehoren, uit te oefenen of te doen uitoefenen tezamen met anderen dan een publiekrechtelijke rechtspersoon of een vennootschap als bedoeld in dit onderdeel; 3°. coöperatie waarvan de leden voldoen aan de voorwaarden, bedoeld onder 2°; g. «bestaand waterleidingbedrijf»: waterleidingbedrijf dat op 1 september 2000 drinkwater leverde, alsmede diens rechtsopvolger onder algemene of bijzondere titel voorzover deze een gekwalificeerde rechtspersoon is; h. «distributiegebied»: het gebied waarbinnen de eigenaar van een waterleidingbedrijf bevoegd is tot levering van drinkwater aan verbruikers; i. «watervoorzieningswerken»: werken tot winning, opslag of overbrenging van water en daarmee rechtstreeks verband houdende werken en beschermingsvoorzieningen ten dienste van waterleidingbedrijven; j. «collectieve watervoorziening»: 1°. landgebonden voorziening, niet zijnde een waterleidingbedrijf, voor de winning of behandeling van water, dat met behulp van een leiding of distributienet als leidingwater ter beschikking wordt gesteld; 2°. artikel 1, onderdeel o, van de Mijnbouwwet voorziening voor de winning, behandeling of distributie van water dat als leidingwater ter beschikking wordt gesteld, die aanwezig is op een mijnbouwinstallatie als bedoeld in; k. «collectief leidingnet»: leidingen, fittingen en toestellen, tijdelijk, doch anders dan ten behoeve van bevoorrading, of permanent aangesloten op het distributienet van een waterleidingbedrijf of van een collectieve watervoorziening, met behulp waarvan leidingwater aan derden ter beschikking wordt gesteld; l. «woninginstallatie»: leidingen, fittingen en toestellen, aangesloten op het distributienet van een waterleidingbedrijf of van een collectieve watervoorziening of op een collectief leidingnet, en deel uitmakend van een woning; m. «inspecteur»: als zodanig bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaar; n. artikel 2 «de commissie»: de commissie, bedoeld in. 2 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat onderdelen van deze wet niet van toepassing zijn met betrekking tot water dat uitsluitend bestemd is voor bij die maatregel aangegeven doeleinden, waarvoor de kwaliteit van het water niet van invloed is op de gezondheid van de betrokken verbruikers. 3 Indien de eigenaar van een waterleidingbedrijf niet zelf dit bedrijf exploiteert, wordt voor de toepassing van het in deze wet bepaalde onder eigenaar van een waterleidingbedrijf mede verstaan de exploitant van een zodanig bedrijf. 4 Deze wet is mede van toepassing op een collectieve watervoorziening als bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, onder 2°, aanwezig op een mijnbouwinstallatie gelegen in het Nederlandse deel van het continentaal plat. 4 hoofdstuk IA bijlage Voor de toepassing vanwordt met een bestaand waterleidingbedrijf respectievelijk met een waterleidingbedrijf gelijkgesteld een bedrijf, genoemd in de bij deze wet behorende. 2006 593 05-12-2006 20-11-2006 30027 2006 621 12-12-2006 24-11-2006 13-12-2006 Abusievelijk geeft het Staatsblad een wijzigingsopdracht voor het eerste lid, onderdeel g, in plaats van het eerste lid, onderdeel j. Abusievelijk voegt het Staatsblad een tweede lid 4 toe.
Artikel 1a — Artikel 1a#
Artikel 1a De overheid draagt zorg voor de openbare drinkwatervoorziening. 2004 517 26-10-2004 09-09-2004 28339 2005 81 24-02-2005 08-02-2005 25-02-2005
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Er is een Commissie drinkwatervoorziening. 1994 766 13-10-1994 23487 1994 766 13-10-1994 23487 01-01-1995
Artikel 2a — Artikel 2a#
Artikel 2a 1 De commissie heeft tot taak Onze Minister op diens verzoek of uit eigen beweging te adviseren over onderwerpen betrekking hebbende op of in verband staande met de uitvoering van het beleid gericht op de drink- en industriewatervoorziening. 2 Een verzoek om advies omtrent een onderwerp dat niet in de eerste plaats tot de verantwoordelijkheid van Onze Minister behoort, wordt door deze gedaan in overeenstemming met Onze Minister wie dat onderwerp in het bijzonder aangaat. 3 Een advies omtrent een onderwerp als bedoeld in het tweede lid wordt door de commissie mede toegezonden aan Onze Minister wie dat onderwerp in het bijzonder aangaat. 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 21-02-1997 01-01-1997 Werkt terug tot en met 1 januari 1997.
Artikel 2b — Artikel 2b#
Artikel 2b Onze Minister en Onze Ministers wie het mede aangaat, dragen er zorg voor dat de commissie op de hoogte wordt gehouden van het beleid ten aanzien van de drink- en industriewatervoorziening. 1994 766 13-10-1994 23487 1994 766 13-10-1994 23487 01-01-1995
Artikel 2c — Artikel 2c#
Artikel 2c Telkens binnen een termijn van vier jaren brengt de commissie een rapport uit aan Onze Minister, waarin ten minste de taak, de samenstelling, de inrichting en werkwijze van de commissie aan een onderzoek worden onderworpen en voorstellen kunnen worden gedaan voor gewenste veranderingen. Onze Minister zendt dit rapport, voorzien van zijn standpunt, aan de beide kamers der Staten-Generaal. 1994 766 13-10-1994 23487 1994 766 13-10-1994 23487 01-01-1995
Artikel 2d — Artikel 2d#
Artikel 2d 1 De commissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste veertien andere leden. 2 De voorzitter en de andere leden van de commissie worden benoemd op grond van hun deskundigheid op het gebied van de openbare watervoorziening. 3 In de commissie hebben naast de voorzitter in ieder geval zitting: a. drie leden, benoemd uit de kring van de provincies; b. drie leden, benoemd uit de kring van de gemeenten; c. artikel 52, eerste lid vier leden, benoemd op de aanbeveling van de in, bedoelde organisatie. 1994 766 13-10-1994 23487 1994 766 13-10-1994 23487 01-01-1995
Artikel 2e — Artikel 2e#
Artikel 2e 1 De voorzitter en de andere leden van de commissie worden door Onze Minister benoemd. Onze Minister hoort de commissie alvorens hij de voorzitter benoemt. 2 Voor elk lid van de commissie kan door Onze Minister een plaatsvervanger worden benoemd. 3 De voorzitter, de leden en hun plaatsvervangers worden voor de tijd van vier jaren benoemd. Zij zijn terstond weer benoembaar. 4 De voorzitter, de leden en hun plaatsvervangers kunnen te allen tijde hun functie neerleggen door een schriftelijke kennisgeving aan Onze Minister. 5 In bijzondere gevallen kunnen de voorzitter, de leden en hun plaatsvervangers door Onze Minister in hun functie worden geschorst en uit hun functie worden ontslagen. 1994 766 13-10-1994 23487 1994 766 13-10-1994 23487 01-01-1995
Artikel 2f — Artikel 2f#
Artikel 2f 1 De commissie wijst uit haar midden een plaatsvervangend voorzitter aan. 2 De plaatsvervangend voorzitter kan te allen tijde zijn functie neerleggen door een schriftelijke kennisgeving aan de voorzitter. 3 In bijzondere gevallen kan de commissie de plaatsvervangend voorzitter in zijn functie schorsen en uit zijn functie ontslaan. 1994 766 13-10-1994 23487 1994 766 13-10-1994 23487 01-01-1995
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 De commissie wordt bijgestaan door een secretaris. Aan de secretaris kan een adjunct-secretaris worden toegevoegd. 2 De secretaris en de adjunct-secretaris worden door Onze Minister benoemd, in hun functie geschorst en uit hun functie ontslagen, de commissie gehoord. 3 De secretaris is geen lid van de commissie. 4 De secretaris is voor de uitoefening van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de commissie. 5 Onze Minister kan voorzien in een bureau voor de commissie, dat onder leiding staat van de secretaris. 1994 766 13-10-1994 23487 1994 766 13-10-1994 23487 01-01-1995
Artikel 3a — Artikel 3a#
Artikel 3a 1 De commissie kan voor bepaalde onderwerpen subcommissies instellen. 2 De voorzitter van een subcommissie wordt door de commissie uit haar midden benoemd. 1994 766 13-10-1994 23487 1994 766 13-10-1994 23487 01-01-1995
Artikel 3b — Artikel 3b#
Artikel 3b 1 De commissie kan voor de voorbereiding van bepaalde adviezen tijdelijke subcommissies instellen. 2 De voorzitter van een tijdelijke subcommissie wordt door de commissie uit haar midden benoemd. 1994 766 13-10-1994 23487 1994 766 13-10-1994 23487 01-01-1995
Artikel 3c — Artikel 3c#
Artikel 3c 1 De commissie en haar subcommissies kunnen zich bij hun werkzaamheden doen bijstaan door personen die geen lid of plaatsvervangend lid zijn van de commissie. 2 Onze Minister en Onze Ministers van Economische Zaken, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Verkeer en Waterstaat kunnen, ieder voor hun ministerie, ambtenaren aanwijzen, die bevoegd zijn tot het bijwonen van de door de commissie en de subcommissies te houden vergaderingen, met dien verstande dat in de vergaderingen van de commissie voor het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ten hoogste twee ambtenaren aanwezig zijn en voor ieder van die andere ministeries ten hoogste één ambtenaar aanwezig is. 1994 766 13-10-1994 23487 1994 766 13-10-1994 23487 01-01-1995
Artikel 3d — Artikel 3d#
Artikel 3d 1 h artikel 3 De vergaderingen van de commissie zijn openbaar. De commissie stelt bij haar inbedoelde besluit regels betreffende de openbaarheid van de vergaderingen van de subcommissies. 2 artikel 10, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur Een vergadering of een gedeelte daarvan is niet openbaar in gevallen als bedoeld inen in gevallen waarin het belang van openbaarheid niet opweegt tegen de in artikel 10, tweede lid, van die wet genoemde belangen. 1994 766 13-10-1994 23487 1994 766 13-10-1994 23487 01-01-1995
Artikel 3e — Artikel 3e#
Artikel 3e 1 De adviezen van de commissie worden uitgebracht overeenkomstig het gevoelen van de meerderheid van de vergadering. 2 Ter vergadering ingebrachte minderheidsstandpunten worden in of bij de adviezen vermeld. 1994 766 13-10-1994 23487 1994 766 13-10-1994 23487 01-01-1995
Artikel 3f — Artikel 3f#
Artikel 3f De commissie houdt de op de door haar uitgebrachte adviezen betrekking hebbende voorbereidende stukken ter beschikking van Onze Minister. 1994 766 13-10-1994 23487 1994 766 13-10-1994 23487 01-01-1995
Artikel 3g — Artikel 3g#
Artikel 3g 1 De voorzitter van de commissie pleegt ten minste eenmaal per jaar overleg met Onze Minister over de door de commissie voorgenomen werkzaamheden voor de komende twaalf maanden. De commissie stelt vervolgens het programma van haar werkzaamheden vast en zendt dit aan Onze Minister. 2 Ten behoeve van de voorbereiding van het in het eerste lid bedoelde overleg stelt de commissie een overzicht van de door haar voorgenomen werkzaamheden op en legt dit tijdig aan Onze Minister voor. De commissie voegt bij het overzicht een raming van de met de uitvoering van de werkzaamheden gepaard gaande kosten. 3 De commissie oefent haar werkzaamheden uit binnen het raam van de middelen welke haar jaarlijks ingevolge de begrotingswet ter beschikking worden gesteld. 1994 766 13-10-1994 23487 1994 766 13-10-1994 23487 01-01-1995
Artikel 3h — Artikel 3h#
Artikel 3h De commissie stelt nadere regels betreffende haar werkwijze en de werkwijze van de subcommissies en zendt deze aan Onze Minister. 1994 766 13-10-1994 23487 1994 766 13-10-1994 23487 01-01-1995
Artikel 3i — Artikel 3i#
Artikel 3i Het is verboden drinkwater: a. te produceren ten behoeve van verbruikers, of b. te leveren. 2004 517 26-10-2004 09-09-2004 28339 2005 81 24-02-2005 08-02-2005 25-02-2005
Artikel 3j — Artikel 3j#
Artikel 3j 1 artikel 3i, aanhef en onderdeel a Het verbod in, geldt niet: a. voor een bestaand waterleidingbedrijf waarover de zeggenschap uitsluitend wordt uitgeoefend door gekwalificeerde rechtspersonen; b. Wet milieubeheer voor degene die een inrichting drijft als bedoeld in de: 1e. voor het produceren ten behoeve van verbruikers binnen die inrichting, alsmede ten behoeve van verbruikers in een dergelijke inrichting die eerder onderdeel uitmaakte van de eerstbedoelde inrichting; 2e. voor het produceren ten behoeve van verbruikers in een dergelijke inrichting, die voor het tijdstip van ingang van het in dit lid bedoelde verbod was aangesloten op de collectieve watervoorziening van de in de aanhef bedoelde inrichting. 2 artikel 3i, aanhef en onderdeel b Het verbod in, geldt niet: a. voor een bestaand waterleidingbedrijf waarover de zeggenschap uitsluitend wordt uitgeoefend door gekwalificeerde rechtspersonen: in het bij ministeriële regeling per bedrijf vast te stellen distributiegebied. b. Wet milieubeheer voor degene die een inrichting drijft als bedoeld in de: 1e. voor het leveren aan verbruikers binnen die inrichting, alsmede voor het leveren aan verbruikers in een dergelijke inrichting die eerder onderdeel uitmaakte van de eerstbedoelde inrichting; 2e. voor het leveren aan verbruikers in een dergelijke inrichting, die voor het tijdstip van ingang van het in dit lid bedoelde verbod was aangesloten op de collectieve watervoorziening van de in de aanhef bedoelde inrichting; c. voor de eigenaar van een collectief leidingnet. 3 artikel 3i Wet milieubeheer Op een daartoe strekkende aanvraag kan Onze Minister aan de eigenaar van een collectieve watervoorziening ontheffing verlenen van de ingestelde verboden, voor het produceren ten behoeve van en het leveren aan verbruikers in een of meerdere inrichtingen als bedoeld in de, indien: a. de aansluiting van die inrichting of inrichtingen op het leidingnet van een waterleidingbedrijf naar het oordeel van Onze Minister in strijd is met het belang van een doelmatige openbare drinkwatervoorziening, en b. het belang van de volksgezondheid zich daartegen niet verzet. 4 Aan de ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Onze Minister kan de voorschriften en beperkingen wijzigen. 5 Onze Minister kan de ontheffing intrekken, indien de houder van de ontheffing: a. bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste en volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag zou hebben geleid; b. de aan de ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen niet nakomt; c. niet langer voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het derde lid. 6 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Op de voorbereiding van een beschikking als bedoeld in het derde of vijfde lid, isvan toepassing. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 3k — Artikel 3k#
Artikel 3k Degene die bevoegd is in een distributiegebied drinkwater te leveren, kan die bevoegdheid geheel of gedeeltelijk overdragen aan een waterleidingbedrijf waarover de zeggenschap uitsluitend wordt uitgeoefend door gekwalificeerde rechtspersonen. 2004 517 26-10-2004 09-09-2004 28339 2005 81 24-02-2005 08-02-2005 25-02-2005
Artikel 3l — Artikel 3l#
Artikel 3l 1 De eigenaar van een waterleidingbedrijf meldt de volgende handelingen terstond aan Onze Minister: a. het wijzigen van de statuten; b. het uitgeven van aandelen in het kapitaal van het waterleidingbedrijf; c. het overdragen van de eigendom van watervoorzieningswerken of werken ten behoeve van de productie van drinkwater; d. het belasten van watervoorzieningswerken of werken ten behoeve van de productie van drinkwater met enig zakelijk of persoonlijk recht; e. het belasten van de winst met enig zakelijk of persoonlijk recht; f. het sluiten van een overeenkomst waardoor zeggenschap over het waterleidingbedrijf door of tezamen met derden wordt uitgeoefend dan wel waardoor deze daartoe feitelijk in de gelegenheid wordt gesteld. 2 artikel 3k Bij de melding geeft hij aan of er sprake is van een overdracht als bedoeld in. 2004 517 26-10-2004 09-09-2004 28339 2005 81 24-02-2005 08-02-2005 25-02-2005
Artikel 3m — Artikel 3m#
Artikel 3m Het is verboden een rechtshandeling te verrichten, die tot gevolg heeft dat middellijk of onmiddellijk, alleen of tezamen met derden, door anderen dan een gekwalificeerde rechtspersoon zeggenschap wordt verkregen over een waterleidingbedrijf of een deel daarvan of over de bedrijfsvoering van een waterleidingbedrijf of een deel van die bedrijfsvoering. 2004 517 26-10-2004 09-09-2004 28339 2005 81 24-02-2005 08-02-2005 25-02-2005
Artikel 3n — Artikel 3n#
Artikel 3n artikel 3m Tot de handelingen, bedoeld in, behoren in ieder geval: a. het wijzigen van de bepalingen in de statuten van een waterleidingbedrijf zodanig dat daardoor de mogelijkheid wordt geboden dat een derde, niet zijnde een gekwalificeerde rechtspersoon, houder wordt van de aandelen; b. het overdragen van aandelen in het kapitaal van een waterleidingbedrijf aan een derde als bedoeld in onderdeel a; c. het overdragen aan een zodanige derde van de eigendom van watervoorzieningswerken of werken ten behoeve van de productie van drinkwater in het kader van een waterleidingbedrijf; d. het belasten of bezwaren van watervoorzieningswerken of werken ten behoeve van de productie van drinkwater ten behoeve van een zodanige derde met enig zakelijk of persoonlijk recht indien als gevolg daarvan de zeggenschap over het waterleidingbedrijf feitelijk niet meer zelfstandig wordt uitgeoefend door een gekwalificeerde rechtspersoon; e. het belasten of bezwaren van de winst van een waterleidingbedrijf ten behoeve van een zodanige derde met enig zakelijk of persoonlijk recht; f. het aangaan van een overeenkomst waardoor zeggenschap over een waterleidingbedrijf door of tezamen met een zodanige derde wordt uitgeoefend dan wel waardoor deze daartoe feitelijk in de gelegenheid wordt gesteld. 2004 517 26-10-2004 09-09-2004 28339 2005 81 24-02-2005 08-02-2005 25-02-2005
Artikel 3o — Artikel 3o#
Artikel 3o 1 artikel 3m Indien er naar het oordeel van Onze Minister sprake is van een handeling als bedoeld in, geeft hij een aanwijzing aan de daarbij betrokken partijen tot het ongedaan maken van de gevolgen daarvan. 2 Bij de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, kan tevens een last onder dwangsom worden opgelegd. 3 artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid is een besluit in de zin van. 4 Van een aanwijzing doet Onze Minister mededeling in de Staatscourant. 2004 517 26-10-2004 09-09-2004 28339 2005 81 24-02-2005 08-02-2005 25-02-2005
Artikel 3p — Artikel 3p#
Artikel 3p 1 De eigenaar van een waterleidingbedrijf is verplicht, binnen het distributiegebied waarin hij bevoegd is drinkwater te leveren, degene die daarom verzoekt een aanbod te doen te voorzien van een aansluiting op het door hem beheerde leidingnet. 2 De eigenaar van een waterleidingbedrijf is verplicht aan degene die daarom verzoekt een aanbod te doen met gebruikmaking van het door hem beheerde leidingnet drinkwater te leveren. 3 De eigenaar van een waterleidingbedrijf hanteert tarieven en voorwaarden die redelijk, transparant en niet discriminerend zijn. 4 Onze Minister kan, na overleg met Onze Minister van Economische Zaken, regels stellen in verband met de toepassing van het eerste tot en met derde lid. De regeling, bedoeld in de eerste volzin wordt niet eerder vastgesteld dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2004 517 26-10-2004 09-09-2004 28339 2005 81 24-02-2005 08-02-2005 25-02-2005
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 De eigenaar van een waterleidingbedrijf is gehouden zorg te dragen, dat de levering van deugdelijk leidingwater aan de verbruikers in zijn distributiegebied gewaarborgd is in zodanige hoeveelheid en onder zodanige druk als het belang der volksgezondheid vereist. 2 Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur in het belang der volksgezondheid bepalen aan welke eisen tenminste moet worden voldaan met betrekking tot: a. de hoedanigheid van het door waterleidingbedrijven afgeleverde leidingwater alsmede de hoedanigheid van het leidingwater op het punt waar het ter beschikking komt voor gebruik; b. de hoeveelheid van het door waterleidingbedrijven te leveren water en de druk, waaronder dit moet worden geleverd; c. de inrichting van de bedrijfsonderdelen van waterleidingbedrijven; d. het verrichten van werkzaamheden in waterleidingbedrijven; e. het toezicht door of vanwege de eigenaar van een waterleidingbedrijf te houden op de toestand en de werking van het bedrijf, zomede op de hoedanigheid van het in dat bedrijf bereide water; f. de vakbekwaamheid van het personeel van waterleidingbedrijven; g. de voorlichting in hygiënisch opzicht van het personeel van waterleidingbedrijven; h. de inrichting van en het toezicht op de aan het leidingnet van een waterleidingbedrijf middellijk of onmiddellijk aangesloten leidingen en toestellen; i. artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet de door de eigenaar van een waterleidingbedrijf bij de winning, de bereiding, de behandeling, de opslag, het transport of de distributie van leidingwater te gebruiken materialen en chemicaliën en de wijze waarop deze worden toegepast, met dien verstande dat de eisen met betrekking tot bij de distributie van leidingwater te gebruiken materialen slechts betrekking hebben op materialen die geen deel uitmaken van een gebouw als bedoeld in; j. de onder a het onderzoek dat de eigenaar van een waterleidingbedrijf verricht in geval niet wordt voldaan aanbedoelde eisen; k. de informatie die de eigenaar van een waterleidingbedrijf verstrekt: 1°. aan de verbruikers: over de kwaliteit van het te leveren leidingwater; 2°. aan de verbruikers: indien de levering van leidingwater gevaar kan opleveren voor de volksgezondheid; 3°. de onder a aan de eigenaars van percelen waaraan hij leidingwater levert, of aan de verbruikers: over te treffen herstelmaatregelen, ingeval, door een omstandigheid, te wijten aan het collectief leidingnet of de woninginstallatie, het leidingwater niet voldoet aanbedoelde eisen of de deugdelijkheid van het leidingwater anderszins is aangetast; l. de kwaliteit van het water waaruit leidingwater wordt bereid, ingeval het water wordt verwarmd voordat het als leidingwater ter beschikking wordt gesteld. 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden vastgesteld, inhoudende de verplichting van de eigenaar van een waterleidingbedrijf onderzoekingen te verrichten met betrekking tot de hoedanigheid van het water dat door hem gebruikt wordt voor de bereiding van leidingwater. 4 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het de eigenaar van een waterleidingbedrijf verboden is leidingwater te bereiden uit oppervlaktewater dat niet aan bij de maatregel gestelde eisen voldoet. Daarbij kan worden bepaald dat het verbod niet geldt indien het water tevoren op bij de maatregel vastgestelde wijze is behandeld; de wijze van behandeling kan verschillend worden vastgesteld met betrekking tot water van verschillende hoedanigheid. 5 In afwijking van het derde en vierde lid kunnen bepalingen van de daar bedoelde strekking worden vastgesteld door Onze Minister, voor zover die vaststelling geschiedt ter uitvoering van bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties. 6 Staatscourant Bij algemene maatregel van bestuur worden gevallen aangewezen, waarin Onze Minister ontheffing kan verlenen van het bepaalde krachtens het vierde of vijfde lid. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend; aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. De ontheffing kan worden ingetrokken en de aan de ontheffing verbonden voorschriften kunnen worden gewijzigd, aangevuld of ingetrokken, een en ander overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels. Van een besluit met betrekking tot een ontheffing wordt mededeling gedaan in de. 7 Voor de toepassing van het derde tot en met zesde lid wordt met een waterleidingbedrijf gelijkgesteld een bedrijf dat water uit oppervlaktewater inneemt teneinde dit aan een waterleidingbedrijf te leveren en wordt met de bereiding van leidingwater gelijkgesteld het leveren van water aan een waterleidingbedrijf ten behoeve van de bereiding van leidingwater. 8 dit artikel Voor de toepassing vanwordt onder oppervlaktewater niet verstaan zout en brak water alsmede water dat, alvorens voor de bereiding van leidingwater te worden gebruikt, in de bodem wordt geïnfiltreerd. 9 de artikelen 15c 15d 15e Onze Minister kan, indien naar zijn oordeel met het oog op het voorkomen of beperken van ernstig gevaar of dreigend ernstig gevaar voor de volksgezondheid een onverwijlde voorziening noodzakelijk is, na overleg met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, een regeling vaststellen van de in het tweede lid, onderdelen a, c tot en met e, en h tot en met l, dan wel in,ofbedoelde strekking. Een zodanige regeling vervalt een jaar nadat zij in werking is getreden, of, indien binnen die termijn een algemene maatregel van bestuur ter vervanging van die regeling in werking is getreden, op het tijdstip waarop die maatregel in werking treedt. Onze Minister kan de termijn bij ministeriële regeling eenmaal met ten hoogste een jaar verlengen. 10 Onze Minister kan omtrent in een maatregel krachtens het tweede lid, onder i, geregelde onderwerpen nadere regels stellen. 2000 295 18-07-2000 22-06-2000 26700 2000 315 27-07-2000 22-07-2000 01-08-2000
Artikel 4a — Artikel 4a#
Artikel 4a 1 artikel 4 Staatscourant Het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur krachtenswordt overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal en in debekendgemaakt. Aan een ieder wordt de gelegenheid geboden binnen een bij die bekendmaking vast te stellen termijn van ten minste een maand opmerkingen over het ontwerp schriftelijk ter kennis van Onze Minister te brengen. 2 Staatsblad Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid wordt, nadat hij is vastgesteld, toegezonden aan beide Kamers der Staten-Generaal. Hij treedt niet eerder in werking dan een maand na de datum van uitgifte van hetwaarin hij is geplaatst. 1994 766 13-10-1994 23487 1994 766 13-10-1994 23487 01-01-1995
Artikel 4b — Artikel 4b#
Artikel 4b Vervallen 2003 449 18-11-2003 22-10-2003 28744 2005 81 24-02-2005 08-02-2005 25-02-2005
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 De eigenaar van een waterleidingbedrijf is verplicht: a. op schriftelijk verzoek van de Inspecteur binnen de bij dat verzoek gestelde termijn de in het belang van de volksgezondheid gevraagde inlichtingen te verstrekken; b. medewerking te verlenen ten behoeve van een door de Inspecteur in het belang van de volksgezondheid in zijn bedrijf in te stellen onderzoek. 2 artikel 9, lid 1 Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur voorschrijven, dat de eigenaren van waterleidingbedrijven gehouden zijn, de door Ons bij die maatregel te bepalen gegevens te verstrekken aan de Inspecteur, dan wel aan degene, die belast is met het geneeskundig onderzoek, bedoeld in. 3 Het eerste en het tweede lid zijn van toepassing voor zover de Inspecteur optreedt anders dan als toezichthouder. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 artikel 4 De eigenaar van een waterleidingbedrijf geeft onverwijld kennis aan de Inspecteur van omstandigheden, die, naar hij redelijkerwijze kan weten of vermoeden, gevaar of beletsel kunnen opleveren voor de naleving van het bepaalde bij of krachtens. 1957 150 06-04-1957 4201 1960 536 28-11-1960 01-03-1961
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 artikel 4 Indien naar het oordeel van de Inspecteur niet wordt voldaan aan het bij of krachtensbepaalde, is de eigenaar van een waterleidingbedrijf verplicht binnen een door de Inspecteur te stellen termijn de maatregelen te nemen, welke deze nodig acht om daarin te voorzien. 1993 650 30-12-1993 16-12-1993 22495 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 De inspecteur kan, indien de levering van leidingwater naar zijn oordeel gevaar kan opleveren voor de volksgezondheid, die levering verbieden of slechts toestaan voor gebruik in door hem aan te geven gevallen. 2000 295 18-07-2000 22-06-2000 26700 2000 315 27-07-2000 22-07-2000 01-08-2000
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 De eigenaar van een waterleidingbedrijf is gehouden zorg te dragen, dat geneeskundig onderzoek plaats vindt van zodanige leden van het personeel van zijn bedrijf, als Wij bij algemene maatregel van bestuur hebben aangewezen. Deze aanwijzing zal slechts betrekking hebben op de leden van het personeel, door wier werkzaamheden aan bepaalde bedrijfsonderdelen besmetting van het water mogelijk is. 2 Wij stellen bij algemene maatregel van bestuur nadere voorschriften vast, met betrekking tot het geneeskundig onderzoek, bedoeld in lid 1. 1994 766 13-10-1994 23487 1994 766 13-10-1994 23487 01-01-1995
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 artikel 9 Degene ten aanzien van wie een geneeskundig onderzoek als bedoeld in, is voorgeschreven, is gehouden zich aan dat onderzoek te onderwerpen en terzake de nodige medewerking te verlenen. 1957 150 06-04-1957 4201 1960 536 28-11-1960 01-03-1961
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 artikel 9, lid 1 De krachtens, aangewezen leden van het personeel van een waterleidingbedrijf verrichten geen dienst, als bedoeld in dat lid, ten behoeve van een waterleidingbedrijf, indien zich in hun woning een geval voordoet van door Ons bij algemene maatregel van bestuur aan te geven ziekten, tenzij de Inspecteur toestemming tot het verrichten dier diensten heeft verleend. 2 artikel 9, lid 1 De krachtens, aangewezen leden van het personeel van een waterleidingbedrijf melden onverwijld aan de eigenaar van het waterleidingbedrijf, waarbij zij werkzaam zijn, een geval van ziekte, als bedoeld in lid 1 van dit artikel, dat zich in hun woning voordoet. Tevens geven zij die eigenaar onverwijld ervan kennis, indien zij in aanraking zijn geweest met een persoon, van wie zij weten of redelijkerwijs kunnen vermoeden, dat hij lijdt aan een der in lid 1 bedoelde ziekten. 3 artikel 38 van de Wet publieke gezondheid Het eerste lid geldt onverminderd. 2008 460 18-11-2008 09-10-2008 31316 2008 482 25-11-2008 10-11-2008 01-12-2008
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 artikel 9, lid 1 De eigenaar van een waterleidingbedrijf draagt de ingevolge, aangewezen leden van het personeel van dat bedrijf niet op, de in dat lid bedoelde werkzaamheden te verrichten, noch laat hij toe, dat zodanige personen deze werkzaamheden verrichten, indien: a. het voorgeschreven geneeskundig onderzoek niet heeft plaatsgehad; b. artikel 11, lid 2 lid 1 zij overeenkomstig het bepaalde in, een geval van ziekte, dat zich in hun woning voordoet, hebben gemeld, tenzij zij de invan dat artikel bedoelde schriftelijke toestemming van de Inspecteur hebben verkregen. 1957 150 06-04-1957 4201 1960 536 28-11-1960 01-03-1961
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 de artikelen 9 12 Onverminderd het bepaalde inenis de eigenaar van een waterleidingbedrijf verplicht binnen een door de Inspecteur te stellen termijn de maatregelen te nemen, welke nodig zijn te achten, teneinde te voorkomen, dat de gezondheidstoestand van personen of bepaalde groepen van personen de deugdelijkheid van het drinkwater in gevaar brengt. 2 De Inspecteur geeft in zijn beschikking aan welke maatregelen hij wenselijk acht. 3 artikel 25 van de Infectieziektenwet Het eerste lid geldt onverminderd. 1999 30 16-02-1999 28-01-1999 25836 1999 143 30-03-1999 19-03-1999 01-04-1999 Treedt in werking als de Infectieziektenwet in werking treedt.
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 De Inspecteur heeft, anders dan als toezichthouder, te allen tijde toegang tot de terreinen, werken en inrichtingen van waterleidingbedrijven en kan zich daarbij doen vergezellen door personen, al dan niet tot zijn dienst behorende; hij kan een onderzoek doen verrichten door schriftelijk door hem gemachtigde, al dan niet tot zijn dienst behorende personen. Wordt hun de toegang geweigerd, dan verschaffen zij zich die, desnoods met behulp van de sterke arm. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 14a — Artikel 14a#
Artikel 14a 1 De eigenaar van een waterleidingbedrijf is gehouden maatregelen te treffen, die de instandhouding van de openbare drinkwatervoorziening in buitengewone omstandigheden zoveel mogelijk waarborgen. 2 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld. 3 Onze Minister kan ontheffing verlenen van de krachtens het tweede lid gestelde regels. 4 Staatsblad Een algemene maatregel van bestuur als in het eerste lid bedoeld treedt niet eerder in werking dan een maand na de datum van uitgifte van hetwaarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld aan de Staten-Generaal mededeling gedaan. 1996 366 09-07-1996 03-04-1996 23791 1997 172 29-04-1997 23-04-1997 01-05-1997
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 Vervallen 2000 295 18-07-2000 22-06-2000 26700 2000 315 27-07-2000 22-07-2000 01-08-2000
Artikel 15a — Artikel 15a#
Artikel 15a 1 In geval van levering van leidingwater door een collectieve watervoorziening, draagt degene die dat water ter beschikking stelt van derden, zorg voor de deugdelijkheid van dat water. 2 De artikelen 4, tweede lid, onderdelen a, c tot en met e, en h tot en met l, negende lid artikel 4, tweede lid, onder i juncto voornoemde bepalingen, tiende lid juncto, alsmede derde tot en met achtste lid, 5 tot en met 8 en 14 zijn van overeenkomstige toepassing. 3 dit hoofdstuk Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald datof onderdelen daarvan niet van toepassing zijn met betrekking tot leidingwater dat afkomstig is van een collectieve watervoorziening, 1°. 3 die, gemeten over een jaar, gemiddeld minder dan 10 mper dag levert of 2°. waarvan minder dan 50 personen gebruik maken. 4 Een maatregel als bedoeld in het derde lid heeft geen betrekking op leidingwater dat wordt geleverd in het kader van een commerciële of openbare activiteit. 2000 295 18-07-2000 22-06-2000 26700 2000 315 27-07-2000 22-07-2000 01-08-2000
Artikel 15b — Artikel 15b#
Artikel 15b de artikelen 5, eerste en tweede lid 6 7 8 14 Onze Minister wijst ambtenaren aan, ten aanzien van wie, in geval van levering van leidingwater door een collectieve watervoorziening, het ten aanzien van de inspecteur in,,,enbepaalde van toepassing is, met dien verstande dat voor die toepassing in plaats van «de eigenaar van een waterleidingbedrijf» wordt gelezen «degene die een collectieve watervoorziening drijft» en in plaats van «de eigenaren van waterleidingbedrijven»: degenen die collectieve watervoorzieningen drijven. 2000 295 18-07-2000 22-06-2000 26700 2000 315 27-07-2000 22-07-2000 01-08-2000
Artikel 15c — Artikel 15c#
Artikel 15c De eigenaar van een collectief leidingnet verstrekt de verbruikers overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels informatie over maatregelen die deze moeten treffen ingeval het gebruik van het door hem geleverde water risico kan opleveren voor de volksgezondheid. 2000 295 18-07-2000 22-06-2000 26700 2000 315 27-07-2000 22-07-2000 01-08-2000
Artikel 15d — Artikel 15d#
Artikel 15d 1 Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald dat de eigenaren van daarbij aangewezen categorieën van collectieve leidingnetten metingen verrichten ten aanzien van de kwaliteit van het door hen beschikbaar gestelde leidingwater. 2 artikel 15f Zij houden de resultaten van de metingen gedurende vijf jaren ter beschikking van de ingevolgeaangewezen ambtenaren. 3 artikel 4, tweede lid, onder a, of negende lid artikel 15f Indien uit de metingen blijkt dat niet wordt voldaan aan de krachtensjuncto tweede lid, onder a, gestelde eisen, dan wel dat anderszins de deugdelijkheid van het leidingwater wordt aangetast, geven zij daarvan onverwijld kennis aan de ingevolgeaangewezen ambtenaren. 4 Bij de maatregel, bedoeld in het eerste lid, worden omtrent de metingen regels gesteld, die betrekking hebben op de frequentie van de metingen, de te hanteren parameters, de monstername en de te verrichten analyses. 2004 517 26-10-2004 09-09-2004 28339 2005 81 24-02-2005 08-02-2005 25-02-2005
Artikel 15e — Artikel 15e#
Artikel 15e 1 artikel 4, tweede lid, onder a, of negende lid juncto tweede lid, onder a De eigenaar van een collectief leidingnet draagt ervoor zorg dat het ontwerp van het leidingnet, de daarin toe te passen materialen en de staat van het leidingnet zodanig zijn dat deze geen omstandigheid opleveren waardoor niet wordt voldaan aan de krachtens, gestelde eisen alsmede dat deze de deugdelijkheid van het leidingwater niet aantasten. 2 artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de aanleg, uitbreiding of wijziging van of herstelling aan een collectief leidingnet voor zover het leidingnet geen deel uitmaakt van een gebouw als bedoeld in, alsmede aan de in het leidingnet te gebruiken materialen. 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën van leidingnetten worden aangewezen, waarop het eerste of tweede lid niet van toepassing zijn. Een zodanige aanwijzing betreft slechts leidingnetten met behulp waarvan het leidingwater niet in het kader van een commerciële of openbare activiteit ter beschikking wordt gesteld. 4 Onze Minister kan omtrent in een maatregel krachten het tweede lid geregelde onderwerpen nadere regels stellen. 2003 189 13-05-2003 03-04-2003 28651 2003 213 22-05-2003 16-05-2003 23-05-2003
Artikel 15f — Artikel 15f#
Artikel 15f de artikelen 5, eerste en tweede lid 6 7 8 14 Onze Minister wijst ambtenaren aan, ten aanzien van wie, in geval van levering van leidingwater door een collectief leidingnet, het ten aanzien van de inspecteur in,,,enbepaalde van toepassing is, met dien verstande dat voor die toepassing in plaats van« de eigenaar van een waterleidingbedrijf» wordt gelezen «degene die een collectief leidingnet drijft» en in plaats van «de eigenaren van waterleidingbedrijven»: degenen die collectieve leidingnetten drijven. 2000 295 18-07-2000 22-06-2000 26700 2000 315 27-07-2000 22-07-2000 01-08-2000
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 Provinciale staten stellen plannen vast tot reorganisatie van de openbare drinkwatervoorziening in hun provincie, voor zover zulks ter bevordering van de doelmatigheid dier voorziening gewenst is. 2 Alvorens een plan te ontwerpen stellen gedeputeerde staten de colleges van burgemeester en wethouders van de in hun provincie gelegen gemeenten en de eigenaren van de waterleidingbedrijven, voor zover die gemeenten en bedrijven bij het plan belang hebben, zomede de commissie in de gelegenheid hun zienswijze kenbaar te maken. 1994 766 13-10-1994 23487 1994 766 13-10-1994 23487 01-01-1995
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 artikel 16, tweede lid Het door gedeputeerde staten gemaakte ontwerp van een plan wordt toegezonden aan de colleges van burgemeester en wethouders van de in, bedoelde gemeenten en de eigenaren van de daar bedoelde waterleidingbedrijven. Gedurende acht weken na de verzending van het ontwerp kunnen die colleges van burgemeester en wethouders en eigenaren schriftelijk hun zienswijzen ten aanzien van het ontwerp ter kennis brengen van provinciale staten. 2 Binnen vier maanden na het verstrijken van de in het eerste lid, tweede volzin, genoemde termijn beslissen provinciale staten omtrent het ontwerp. Zij kunnen hun beslissing éénmaal voor ten hoogste vier maanden verdagen. 3 Indien provinciale staten binnen de krachtens het tweede lid geldende termijn geen beslissing hebben genomen, leggen gedeputeerde staten het ontwerp met de kenbaar gemaakte zienswijzen ter vaststelling aan Onze Minister voor. Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk. 2005 530 01-11-2005 06-10-2005 28995 2005 531 01-11-2005 20-10-2005 08-03-2006
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 Staatscourant Indien het plan is vastgesteld door provinciale staten behoeft het de goedkeuring van Onze Minister. Deze doet van het vastgestelde plan mededeling in de. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het belang van een goede drinkwatervoorziening. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 Staatscourant Van een besluit inzake goedkeuring wordt mededeling gedaan in de. 1993 650 30-12-1993 16-12-1993 22495 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 artikel 16, eerste lid artikel 16, eerste lid Indien Onze Minister, de commissie gehoord, een reorganisatie van de openbare drinkwatervoorziening in een gebied dat zich over een of meer provincies uitstrekt, ter bevordering van de doelmatigheid dier voorziening gewenst acht en hij van oordeel is dat provinciale staten met betrekking tot die reorganisatie geen of onvoldoende toepassing geven aan, nodigt hij provinciale staten van die provincie of provincies uit binnen een door hem te bepalen termijn ten aanzien van dat gebied toepassing te geven aan. Hij kan zijn uitnodiging vergezeld doen gaan van aanwijzingen omtrent de inhoud van het plan. 2 artikel 17, eerste lid Indien provinciale staten aan de uitnodiging van Onze Minister binnen de gestelde termijn geen gevolg hebben gegeven of aan het plan de goedkeuring is onthouden, kan Onze Minister een plan als bedoeld in die uitnodiging vaststellen. Alvorens daartoe over te gaan stelt Onze Minister de in, bedoelde colleges van burgemeester en wethouders en eigenaren, alsmede provinciale staten in de gelegenheid hun zienswijze kenbaar te maken. 3 Staatscourant Van het vastgestelde plan wordt mededeling gedaan in de. 4 artikel 17 Met betrekking tot een plan dat krachtens het tweede lid door Onze Minister wordt voorbereid of is vastgesteld, isniet van toepassing. 2005 530 01-11-2005 06-10-2005 28995 2005 531 01-11-2005 20-10-2005 08-03-2006
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 de eerste afdeling Een plan als bedoeld inhoudt in de aanwijzing van een of meer gebieden tot distributiegebied. 2 In het plan wordt tevens voor elk krachtens het eerste lid aangewezen distributiegebied de rechtspersoon aangewezen, op wie dat distributiegebied overgaat. 3 In het plan kan aan de eigenaar van een waterleidingbedrijf de verplichting worden opgelegd om: a. in het groot en tegen een ten minste alle kosten dekkende prijs drinkwater te leveren aan één of meer andere waterleidingbedrijven, b. op een in het plan omschreven wijze met één of meer andere waterleidingbedrijven samen te werken. 1975 514 10-09-1975 11252 1975 571 22-10-1975 01-11-1975
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 artikel 21, tweede lid Aanwijzing van een rechtspersoon krachtens, geschiedt slechts nadat die rechtspersoon zich tegenover gedeputeerde staten tot levering van drinkwater in het betrokken gebied aan verbruikers schriftelijk bereid heeft verklaard. 1975 514 10-09-1975 11252 1975 571 22-10-1975 01-11-1975
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 artikel 21, tweede lid De in, bedoelde overgang van een distributiegebied komt tot stand op een door Onze Minister vast te stellen tijdstip. Die overgang houdt in dat: a. de bevoegdheid tot levering van drinkwater aan verbruikers in dat gebied, voor zover deze aan een ander dan de krachtens dat lid aangewezen rechtspersoon toekomt, vervalt; b. de aangewezen rechtspersoon, zo voor de levering van drinkwater aan verbruikers in dat gebied geen concessie of vergunning vereist is, tot zodanige levering in dat gebied met uitsluiting van anderen bevoegd is; c. zo voor de levering van drinkwater aan verbruikers in dat gebied een concessie of vergunning vereist is, zodanige concessie of vergunning, zolang zij nog niet is verleend, geacht wordt onder de gebruikelijke voorwaarden aan die rechtspersoon te zijn verleend, mits binnen twaalf weken na het in het eerste lid bedoelde tijdstip een concessie of vergunning wordt aangevraagd. 2 Onze Minister stelt het in het eerste lid, aanhef, bedoelde tijdstip zo spoedig mogelijk vast nadat: Alvorens het tijdstip wordt vastgesteld, worden de eigenaren van de betrokken waterleidingbedrijven in de gelegenheid gesteld hun zienswijze daaromtrent kenbaar te maken. a. hetzij hem gebleken is dat de overdracht van de bedrijfsmiddelen, nodig voor de voortzetting van de drinkwatervoorziening in het betrokken gebied, in der minne geregeld is; b. artikel 36, eerste lid hetzij het vonnis, bedoeld in, kracht van gewijsde heeft verkregen. 3 b artikel 36, eerste lid In het geval, bedoeld in het tweede lid, onder, wordt het tijdstip zodanig vastgesteld dat het valt binnen vier weken nadat het vonnis, bedoeld in, kracht van gewijsde heeft verkregen. 4 b afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek Onze Minister doet zijn beschikking en, in geval van het tweede lid onder, ook het vonnis, onverwijld inschrijven in de openbare registers, bedoeld in. 1992 422 04-06-1992 22061 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 1 De werknemer: artikel 23, eerste lid heeft aanspraak op wachtgeld jegens de rechtspersoon die bij het plan is aangewezen voor het distributiegebied waarin de werknemer vóór het krachtens, vastgestelde tijdstip werkzaam was. a. artikel 16, eerste lid die wegens de reorganisatie van de openbare drinkwatervoorziening, beoogd door een plan als bedoeld in, door de eigenaar van een waterleidingbedrijf ontslagen wordt, b. die laatstelijk vóór de dag waarop het ontslag ingaat ten minste twee jaren zonder onderbreking in dienst was van die eigenaar, en c. artikel 125 134 der Ambtenarenwet voor wie niet ter zake van die dienst een krachtensofvastgestelde wachtgeld- of uitkeringsregeling geldt, 2 Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen vastgesteld omtrent het in het eerste lid bedoelde wachtgeld. 3 artikel 23, eerste lid Indien het distributiegebied waarin de werknemer vóór het krachtens, vastgestelde tijdstip werkzaam was, is gesplitst en is opgenomen in twee of meer bij het plan aangewezen distributiegebieden, zijn de voor deze gebieden aangewezen rechtspersonen hoofdelijk voor het wachtgeld aansprakelijk. Ieder van hen draagt bij in de kosten van het wachtgeld en de daarover door degene die het wachtgeld uitbetaalt verschuldigde premies voor zover deze niet op het wachtgeld kunnen worden ingehouden, alsmede in de desbetreffende administratiekosten. Indien partijen geen overeenstemming bereiken omtrent de verdeling van die kosten, beslist daaromtrent op verzoek van de meest gerede partij de rechtbank binnen welker rechtsgebied deze partij gevestigd is. 4 Indien de werknemer op grond van een andere wettelijke regeling of de voor hem geldende arbeidsvoorwaarden aanspraak heeft op een uitkering ter zake van ontslag, wordt voor de toepassing van in die regeling of die arbeidsvoorwaarden voorkomende bepalingen omtrent samenloop van die uitkering met uitkeringen uit anderen hoofde het in het eerste lid bedoelde wachtgeld buiten beschouwing gelaten. 5 Indien ten aanzien van een ontslagen werknemer die wachtgeld geniet op grond van het eerste lid geen regeling geldt, op grond waarvan een ander verplicht is bij te dragen in de premie voor de ziektekostenverzekering van de werknemer, draagt de rechtspersoon die het wachtgeld verschuldigd is bij in de premie van die verzekering op dezelfde voet als de werkgever die het ontslag verleend heeft, vóór het ontslag bijdroeg in de premie van de toenmalige ziektekostenverzekering van de werknemer. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing. 6 a artikel 21, tweede lid artikel 23, eerste lid Verplichtingen betreffende wachtgeld of een andere uitkering ter zake van ontslag als bedoeld in het eerste lid, onder, welke rusten op de eigenaar van een waterleidingbedrijf waarvan het distributiegebied overgaat op een krachtens, aangewezen rechtspersoon, gaan op het krachtens, vastgestelde tijdstip over op die rechtspersoon. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing. 7 artikel 46, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet Artikel 2.5.8 van de Invoerings en aanpassingswet Zorgverzekeringswet De vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in, mag worden verminderd met de bijdrage in de premie voor een ziektekostenverzekering als bedoeld in het vijfde lid, tot betaling waarvan de in dat lid bedoelde rechtspersoon verplicht is jegens de werknemer, dan wel met de bijdrage in die premie waartoe een ander verplicht is.is van overeenkomstige toepassing. 2005 525 01-11-2005 06-10-2005 30124 2005 649 20-12-2005 09-12-2005 01-01-2006
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 a artikel 24, eerste lid, onder Bij algemene maatregel van bestuur worden, zo nodig, regelen gesteld betreffende het ondervangen van aanmerkelijk nadeel ter zake van de opbouw van pensioen, dat mogelijkerwijze voor werknemers ontstaat als gevolg van ontslag als bedoeld in. 2 artikel 24, eerste en derde lid Ten aanzien van de betaling van de kosten van een voorziening, getroffen ingevolge regelen als bedoeld in het eerste lid, kan bij de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur, van overeenkomstige toepassing worden verklaard. 3 Degene bij wie het pensioen van een werknemer bij een waterleidingbedrijf verzekerd is, alsmede diens werkgever zijn gehouden ter zake van dat pensioen desgevraagd aan Onze Minister binnen een door hem gestelde termijn de gegevens te verschaffen waarvan kennisneming nodig is in verband met het treffen of uitvoeren van de algemene maatregel van bestuur als in het eerste lid bedoeld. 4 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld omtrent de vergoeding van kosten, verbonden aan het verschaffen van gegevens als bedoeld in het derde lid. 1997 162 24-04-1997 10-04-1997 24441 1997 162 24-04-1997 10-04-1997 24441 25-04-1997 01-01-1996 Werkt terug tot en met 1 januari 1996.
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 artikel 23, eerste lid deze paragraaf artikel 21, tweede lid Op het tijdstip, door Onze Minister vastgesteld krachtens, gaan overeenkomstig de bepalingen vande burgerrechtelijke rechten en verplichtingen van de eigenaar van een waterleidingbedrijf waarvan het distributiegebied geheel of gedeeltelijk overgaat op een krachtens, aangewezen rechtspersoon, van rechtswege over op die rechtspersoon, voor zover die rechten en verplichtingen zijn vermeld op een bij vonnis vast te stellen lijst. 1975 514 10-09-1975 11252 1975 571 22-10-1975 01-11-1975
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 1 artikel 26 Op de lijst, bedoeld in, worden vermeld de burgerrechtelijke rechten en verplichtingen van de in dat artikel bedoelde eigenaar, welke naar het oordeel van de rechtbank verband houden met de drinkwatervoorziening in het betrokken gebied. 2 Het in het eerste lid bepaalde geldt niet ten aanzien van: a. artikel 23, eerste lid rechten en verplichtingen uit een op het tijdstip, vastgesteld krachtens, lopende arbeidsovereenkomst; b. eigendom van roerende en onroerende lichamelijke zaken, waarvan aan de rechtbank blijkt dat partijen gezamenlijk van oordeel zijn dat overgang niet noodzakelijk is. 3 artikel 26 Burgerrechtelijke rechten en verplichtingen, verband houdende met de drinkwatervoorziening, waarvan het bestaan onzeker is, of waarvan onzeker is of zij behoren tot het vermogen van de inbedoelde eigenaar, worden niettemin op de lijst geplaatst. 1975 514 10-09-1975 11252 1975 571 22-10-1975 01-11-1975
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 de eerste afdeling dit hoofdstuk artikel 26 Nadat het invanbedoelde plan door Onze Minister is goedgekeurd of vastgesteld, is zowel de inbedoelde eigenaar als de in dat artikel bedoelde aangewezen rechtspersoon bevoegd bij dagvaarding te vorderen, dat de rechtbank, binnen welker rechtsgebied die eigenaar gevestigd is, bij vonnis de in dat artikel bedoelde lijst vaststelt. De dagvaarding bevat tevens een opgave van de burgerrechtelijke rechten en verplichtingen, welke naar het oordeel van eiser op die lijst behoren te worden vermeld. 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 1 Ten dage dienende concludeert de aanlegger voor eis. Bij conclusie van eis worden overgelegd: a. een exemplaar van het plan met bijlagen; b. Staatscourant een exemplaar van de, waarin van het plan mededeling is gedaan; c. Staatscourant indien het plan is vastgesteld door provinciale staten, een exemplaar van de, waarin is medegedeeld dat het plan is goedgekeurd. 2 Indien de in het eerste lid genoemde stukken niet volledig zijn overgelegd, stelt de rechtbank een termijn van ten hoogste drie weken vast, waarbinnen eiser alsnog tot aanvulling van die stukken kan overgaan, bij gebreke waarvan de vordering wordt afgewezen. 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 De gedaagde concludeert voor antwoord binnen zes weken. De conclusie houdt in een opgave van de burgerrechtelijke rechten en verplichtingen, welke naar gedaagde’s oordeel op de door de rechtbank vast te stellenen lijst behoren te worden vermeld. 2 Een conclusie van repliek kan slechts worden genomen binnen vier weken na de conclusie van antwoord. 3 Een conclusie van dupliek kan slechts worden genomen binnen vier weken na de conclusie van repliek, waarna binnen twee weken de stukken voor vonnis moeten worden overgelegd. 1975 514 10-09-1975 11252 1975 571 22-10-1975 01-11-1975
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 1 artikel 26 De rechtbank wijst bij vonnis een harer leden als rechter-commissaris aan en benoemt een of meer deskundigen in oneven getale. Zij geeft aan deskundigen de opdracht haar van advies te dienen omtrent de samenstelling van de lijst, bedoeld in. 2 De aanwijzing en benoeming vinden ook plaats indien de rechtbank verstek mocht hebben verleend. 3 Tegen het vonnis staat geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet. 1975 514 10-09-1975 11252 1975 571 22-10-1975 01-11-1975
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 De tijd en plaats van de opneming door de deskundigen worden door de rechter-commissaris met inachtneming van een korte termijn bepaald. De griffier draagt zorg dat partijen en de deskundigen afschrift ontvangen van de beschikking van de rechter-commissaris. 1975 514 10-09-1975 11252 1975 571 22-10-1975 01-11-1975
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 1 De griffier maakt van de opneming een door de rechter-commissaris en hem te ondertekenen proces-verbaal op. 2 Hij neemt daarin de verklaringen van partijen op. Voorts neemt hij daarin op de punten waarover partijen hebben toegezegd nadere inlichtingen te zullen geven of waaromtrent hun door de rechter-commissaris is opgedragen nadere inlichtingen te verschaffen. De rechter-commissaris bepaalt de termijn waarbinnen die inlichtingen moeten zijn verstrekt. 3 De rechter-commissaris is bevoegd aan partijen te gelasten aan deskundigen alle bescheiden ter inzage te geven, waarvan hij inzage hunnerzijds nodig acht voor het opstellen van het deskundigenadvies. 4 De rechter-commissaris stelt tevens na overleg met de deskundigen de datum vast, waarop zij hun advies bij de griffie zullen indienen. 1984 19 25-01-1984 17444 1984 128 12-04-1984 01-05-1984
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 1 artikel 26 De rechtbank stelt zo spoedig mogelijk na de indiening van het deskundigenadvies bij vonnis de lijst, bedoeld in, voorlopig vast. 2 Bij het vonnis wijst de rechtbank de provincie of provincies aan, ter griffie waarvan het vonnis, houdende de voorlopige lijst, ter inzage zal worden gelegd. De griffier van de rechtbank draagt zorg voor de nederlegging en doet hiervan mededeling aan partijen. Het vonnis ligt gedurende vier weken ter inzage. 3 De griffier draagt tevens zorg dat de nederlegging wordt gepubliceerd in twee of meer door de rechter-commissaris aan te wijzen nieuws- of advertentiebladen. 4 Tegen het vonnis staat geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet. 1975 514 10-09-1975 11252 1975 571 22-10-1975 01-11-1975
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 1 artikel 34, tweede lid Gedurende vier weken na afloop van de in, bedoelde termijn kunnen partijen, crediteuren of debiteuren van partijen dan wel andere belanghebbenden bij de rechter-commissaris schriftelijk hun bezwaren indienen tegen de voorlopig vastgestelde lijst. 2 De rechter-commissaris stelt de datum voor een zitting vast, waarop ingediende bezwaarschriften in aanwezigheid van de deskundigen zullen worden behandeld. 3 De griffier roept de belanghebbenden en de deskundigen voor deze zitting op. 4 Van het ter zitting behandelde wordt door de griffier een proces-verbaal opgemaakt. 5 Bij de behandeling stelt de rechter-commissaris op verzoek van partijen of een hunner een dag van pleidooi vast. De pleidooien worden gehouden binnen vier weken na de bezwaarschriftenbehandeling. 2000 295 18-07-2000 22-06-2000 26700 2000 315 27-07-2000 22-07-2000 01-08-2000
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 1 artikel 26 De rechtbank stelt zo spoedig mogelijk de lijst, bedoeld in, vast. 2 artikel 34, tweede lid De griffier draagt zorg, dat het vonnis ter griffie van de ingevolge, aangewezen provincie of provincies ter inzage wordt gelegd. Het vonnis ligt gedurende zes maanden ter inzage. Artikel 34, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. 3 Tevens zendt de griffier twee afschriften van het vonnis, zodra het kracht van gewijsde heeft gekregen, aan Onze Minister. 4 Tegen het vonnis staat geen ander rechtsmiddel open dan beroep in cassatie. De beroepstermijn beloopt veertien dagen. Het beroep in cassatie geschiedt door een verklaring ter griffie van de rechtbank. 5 Deze verklaring wordt binnen 6 weken na afloop van de in lid 4 genoemde termijn van 14 dagen met een ontwikkeling van de gronden der cassatie aan de tegenpartij betekend en gaat vergezeld van een dagvaarding tegen de eerste terechtzitting, welke na verloop van 14 dagen na de betekening plaats vindt. 1989 490 25-10-1989 19077 1991 607 03-12-1991 1990 90 20-02-1990 01-01-1992
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 1 artikel 26 De partij op welke ingevolgede in dat artikel bedoelde rechten en verplichtingen zijn overgegaan, is gehouden de wederpartij schadeloos te stellen. 2 De ingevolge het eerste lid verschuldigde schadeloosstelling bestaat uit: a onder b a onder artikel 26 De contante waarde, bedoelden, wordt berekend tegen de rente die ten tijde van de overgang op de kapitaalmarkt voor een tienjarige lening geldt. Bij de berekening van de netto-opbrengst, bedoeld, wordt wegens de aanwezigheid van eigen vermogen, voor zover ingevolgeovergegaan, een redelijke vergoeding toegekend. artikel 23, eerste lid de artikelen 38 39 40 Indien de wederpartij bij beëindiging van een haar vóór 13 april 1971 verleende concessie voor de levering van drinkwater in haar distributiegebied, welke op het in, bedoelde tijdstip nog van kracht was, aan die concessie rechten zou hebben kunnen ontlenen inzake schadeloosstelling, kan zij verlangen dat de schadeloosstelling welke haar wegens de overgang van het distributiegebied krachtens deze wet toekomt zoveel mogelijk in overeenstemming met de bepalingen van die concessie wordt vastgesteld, met dien verstande dat de waarde van de verplichtingen welke ingevolge artikel 26 op de in het eerste lid bedoelde partij zijn overgegaan, op deze schadeloosstelling in mindering wordt gebracht. Op de wijze van vaststelling van deze schadeloosstelling zijn, in afwijking van hetgeen daaromtrent in de concessie mocht zijn geregeld,,envan toepassing. a. de contante waarde van de netto-opbrengst welke de wederpartij over de tien jaren na de overgang op de grondslag van de tarieven die zonder de overgang in haar distributiegebied zouden hebben gegolden, zou hebben behaald; b. de contante waarde van de desintegratie-schade welke het rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de overgang is; c. artikel 26 het ten tijde van de overgang nog uitstaande bedrag van het door de wederpartij voor de financiering van de drinkwatervoorziening in het betrokken gebied bestede kapitaal, voor zover dit niet is verkregen uit geldleningen ter zake waarvan de verplichtingen krachtenszijn overgegaan. 3 artikel 40, eerste lid artikel 23, eerste lid Over de som van de in het tweede lid bedoelde bedragen is, voor zover deze som niet is voldaan, tevens een door de rechtbank bij het vonnis, bedoeld in, aan te wijzen rente verschuldigd, te rekenen van het in, bedoelde tijdstip. 1975 514 10-09-1975 11252 1975 571 22-10-1975 01-11-1975
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 1 artikel 36 artikel 37, eerste lid Bij het vonnis, bedoeld in, wijst de rechtbank een harer leden als rechter-commissaris aan en benoemt zij een of meer deskundigen in oneven getale. Zij geeft aan deskundigen de opdracht haar van advies te dienen omtrent de hoogte van de schadeloosstelling, bedoeld in. 2 De artikelen 32 33 enzijn van overeenkomstige toepassing. De griffier zendt ten spoedigste na de indiening van het in het eerste lid bedoelde advies afschriften daarvan aan partijen. 1975 514 10-09-1975 11252 1975 571 22-10-1975 01-11-1975
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 1 Gedurende een periode van zes weken na de datum van verzending van de afschriften van het advies door de griffier kunnen partijen schriftelijk hun bezwaren tegen het advies van deskundigen indienen bij de rechter-commissaris. 2 De rechter-commissaris stelt de datum voor een zitting vast, waarop ingediende bezwaarschriften in aanwezigheid van de deskundigen zullen worden behandeld. 3 De griffier roept partijen en deskundigen voor deze zitting op. 4 Van het ter zitting behandelde wordt door de griffier een proces-verbaal opgemaakt. 5 Bij de behandeling stelt de rechter-commissaris op verzoek van partijen of een hunner een dag van pleidooi vast. De pleidooien worden gehouden binnen vier weken na de bezwaarschriftenbehandeling. 1975 514 10-09-1975 11252 1975 571 22-10-1975 01-11-1975
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 1 artikel 37, tweede lid Zo spoedig mogelijk stelt de rechtbank bij vonnis de in, bedoelde bedragen vast. 2 artikel 26 artikel 37, derde lid Bij haar vonnis veroordeelt zij de partij op welke ingevolgede in dat artikel bedoelde rechten en verplichtingen zijn overgegaan, tot betaling van de schadeloosstelling en van de in, bedoelde rente. 3 dit artikel artikel 37, derde lid De rechtbank kan op verzoek van een der partijen, rekening houdende met de omstandigheden waarin partijen verkeren, bepalen dat de schadeloosstelling zal worden voldaan over een door haar vast te stellen aantal jaarlijkse termijnen van ten hoogste tien. Indien de rechtbank niet bepaalt dat de schadeloosstelling in termijnen zal worden voldaan, is de tot schadeloosstelling gehouden partij verplicht de verschuldigde som te voldoen binnen vier weken nadat het inbedoelde vonnis gezag van gewijsde heeft verkregen. Bij de betaling ineens of bij elke termijnbetaling moet de in, bedoelde rente worden voldaan, welke tot de dag van die betaling verschuldigd is. 4 artikel 26 De rechtbank veroordeelt de partij, op wie de inbedoelde rechten en verplichtingen overgaan, tot betaling van de kosten in het geding. 5 Tegen het vonnis staat geen ander rechtsmiddel open dan beroep in cassatie. 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 artikel 37, eerste of derde lid Indien een partij niet aan haar in, vermelde verbintenis voldoet, is de Staat, nadat die partij in gebreke is gesteld, gehouden de schadeloosstelling, onderscheidenlijk de rente, terstond te voldoen. De Staat heeft na betaling verhaal op de partij die aan haar verbintenis niet heeft voldaan. 1975 514 10-09-1975 11252 1975 571 22-10-1975 01-11-1975
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 artikel 23, eerste lid artikel 26 deze paragraaf Rechtsgedingen, vóór het krachtens, vastgestelde tijdstip ingesteld door of tegen degene van wie de inbedoelde rechten en verplichtingen zijn overgegaan, worden overeenkomstig de bepalingen vanvoor de rechter bij wie zij aanhangig zijn, voortgezet door of tegen degene op wie die rechten en verplichtingen zijn overgegaan, voor zover die rechtsgedingen daarop betrekking hebben. 1975 514 10-09-1975 11252 1975 571 22-10-1975 01-11-1975
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 1 artikel 26 artikel 42 Degene van wie de inbedoelde rechten en verplichtingen ingevolge dat artikel zijn overgegaan, doet, ingeval een rechtsgeding als bedoeld inaanhangig is, van die overgang onverwijld mededeling aan de rechter voor wie het rechtsgeding dient. Tevens doet hij van die overgang aan de wederpartij in het rechtsgeding mededeling bij aangetekende brief waarvoor een bericht van ontvangst wordt verlangd. 2 artikel 26 artikel 42 Hij stelt degene op wie de rechten en verplichtingen, bedoeld in, ingevolge dat artikel zijn overgegaan, op de hoogte van de inbedoelde rechtsgedingen en zendt hem bij aangetekend schrijven, waarvoor een bericht van ontvangst wordt verlangd, alle benodigde gegevens. 3 artikel 26 Degene op wie de inbedoelde rechten en verplichtingen ingevolge dat artikel zijn overgegaan, alsmede de wederpartij in het rechtsgeding zijn eveneens bevoegd tot het doen van de in het eerste lid bedoelde mededeling. 1975 514 10-09-1975 11252 1975 571 22-10-1975 01-11-1975
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 1 artikel 26 artikel 42 Ingeval de rechter blijkt, dat degene van wie de inbedoelde rechten en verplichtingen zijn overgegaan, en degene op wie deze zijn overgegaan, te zamen van oordeel zijn, dat het betrokken rechtsgeding een geding is als bedoeld in, stelt hij ambtshalve indeplaatsstelling ter rolle vast. 2 artikel 26 Ingeval de rechter zulks niet blijkt, bepaalt hij, alvorens in het rechtsgeding te beslissen, de datum waarop een zitting zal worden gehouden waarop de partijen in het rechtsgeding alsmede degene, op wie de inbedoelde rechten en verplichtingen ingevolge dat artikel zijn overgegaan, worden gehoord. 3 De griffier roept de betrokkenen voor deze zitting bij aangetekende brief op. 4 Van het ter zitting behandelde wordt door de griffier een proces-verbaal opgemaakt. 5 De rechter bepaalt bij beschikking tussen wie voortzetting van het betrokken rechtsgeding zal plaatsvinden. 6 artikel 358, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering In afwijking van, kan tegen de beschikkingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, door de in het tweede lid genoemde betrokkenen binnen een maand na de dagtekening van de in het vijfde lid genoemde beschikking hoger beroep worden ingesteld. Het hoger beroep wordt ingesteld bij verzoekschrift, waarvan de griffier bij aangetekend schrijven aan de in het tweede lid bedoelde betrokkenen, met uitzondering van degene, die dat hoger beroep heeft ingesteld, een afschrift doet toekomen. Op deze procedure is het in het tweede lid bepaalde van overeenkomstige toepassing. 7 artikel 426, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering In afwijking van, kan beroep in cassatie worden ingesteld binnen een maand na dagtekening van de in appèl gegeven beschikking. 8 Nadat de beschikking onherroepelijk is geworden, stelt de rechter zonodig ambtshalve indeplaatsstelling ter rolle vast. 9 artikel 43, eerste lid Indien een mededeling, als bedoeld in, geen gevolg heeft gehad in verband met het feit, dat het betrokken rechtsgeding reeds in staat van wijzen was ten tijde van de mededeling, is het volgende artikel van overeenkomstige toepassing. 2001 581 18-12-2001 06-12-2001 27824 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 1 artikel 43, eerste lid artikel 26 Ingeval de in, bedoelde mededeling niet heeft plaatsgevonden, en het vonnis in het rechtsgeding kracht van gewijsde heeft verkregen, is de betrokkene aan wie van het niet doen van de mededeling in redelijkheid geen verwijt kan worden gemaakt, bevoegd de rechter te verzoeken te bepalen, dat dat vonnis zal gelden ten opzichte van degene, op wie de inbedoelde rechten en verplichtingen ingevolge dat artikel zijn overgegaan. 2 Het verzoek kan worden gedaan binnen een maand nadat het vonnis in het betrokken rechtsgeding in kracht van gewijsde is gegaan. De griffier zendt aan betrokkenen een afschrift van het verzoekschrift. 3 artikel 44, tweede lid De rechter bepaalt de datum, waarop een zitting zal worden gehouden waarop de in, genoemde betrokkenen worden gehoord. Artikel 44, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. 4 De rechter doet bij beschikking uitspraak. Artikel 44, zesde, zevende en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing. 2001 581 18-12-2001 06-12-2001 27824 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 Dit hoofdstuk is niet van toepassing op bedrijven die niet in hoofdzaak bestemd zijn tot openbare drinkwatervoorziening door levering van drinkwater aan verbruikers of tot levering van drinkwater in het groot aan waterleidingbedrijven. 1975 514 10-09-1975 11252 1975 571 22-10-1975 01-11-1975
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 Onze Minister ontwerpt een beleidsplan, omvattende de hoofdlijnen en beginselen van het beleid ter verzekering van een goede drink- en industriewatervoorziening. Het beleidsplan geeft inzicht in de ruimtelijke aspecten van het beleid inzake de drink- en industriewatervoorziening, voor zover dat is gericht op het tot stand brengen van de nodige watervoorzieningswerken. 1986 27 29-01-1986 17488 1986 622 10-12-1986 01-01-1987
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 artikel 2.3, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening Het beleidsplan wordt aangemerkt als een structuurvisie als bedoeld inbetreffende het aspect drink- en industriewatervoorziening van het nationale ruimtelijk beleid. 2008 180 03-06-2008 22-05-2008 30938 2008 227 26-06-2008 16-06-2008 01-07-2008
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 Het beleidsplan kan geheel of gedeeltelijk worden herzien. De artikelen 47 en 48 zijn van overeenkomstige toepassing. 1986 27 29-01-1986 17488 1986 622 10-12-1986 01-01-1987
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 1 Een bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister daartoe op haar verzoek aangewezen representatieve organisatie van eigenaren van waterleidingbedrijven stelt een plan voor de middellange termijn op met inachtneming van het van kracht zijnde beleidsplan. 2 Ten einde voor de in het eerste lid bedoelde aanwijzing in aanmerking te komen, dienen de statuten en reglementen van de organisatie te voorzien in een regeling betreffende de voorbereiding en de besluitvorming ter zake van de opstelling en de herziening van het plan voor de middellange termijn. 3 Wijziging van de regels, bedoeld in het tweede lid, wordt onverwijld ter kennis van Onze Minister gebracht. 1986 27 29-01-1986 17488 1986 622 10-12-1986 01-01-1987
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 1 Het plan voor de middellange termijn omvat voor het gehele grondgebied van Nederland, op de grondslag van een overzicht van de bestaande watervoorzieningswerken en voor een periode van tenminste tien jaar, de voornemens met betrekking tot het wijzigen of uitbreiden van die werken, het tot stand brengen van zodanige werken alsmede het gebruik van de werken. 2 artikel 54, tweede lid Het plan dient zodanig te zijn uitgewerkt dat toetsing aan de in, bedoelde gronden mogelijk is; het dient aan te geven hoe in de te verwachten waterbehoefte door de verwezenlijking van de aangegeven voornemens wordt voorzien. 3 artikel 52, eerste lid Bij de voorbereiding van het plan pleegt de in, bedoelde organisatie overleg met: a. de eigenaren van de belanghebbende waterleidingbedrijven; b. de door gedeputeerde staten aangewezen personen of instellingen; c. de door Onze Minister aangewezen personen of instellingen. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot de inhoud van en het overleg over het plan nadere regels worden gesteld. 2005 532 01-11-2005 06-10-2005 29316 2005 533 01-11-2005 20-10-2005 08-03-2006
Artikel 53a — Artikel 53a#
Artikel 53a artikel 52, eerste lid De eigenaar van een waterleidingbedrijf verstrekt de in, bedoelde organisatie de hem ter beschikking staande gegevens die zij noodzakelijk acht voor het opstellen van het plan voor de middellange termijn. 1986 27 29-01-1986 17488 1986 622 10-12-1986 01-01-1987
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 1 artikelen 10:28 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht Het plan voor de middellange termijn behoeft de instemming van Onze Minister. Detot en metzijn van overeenkomstige toepassing. Het besluit omtrent instemming wordt binnen een jaar bekendgemaakt. 2 De instemming kan worden onthouden op de grond dat het plan in strijd is met onderdelen van het beleidsplan, ten aanzien waarvan in dat plan is bepaald dat daarvan niet kan worden afgeweken. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 Alvorens een besluit te nemen omtrent de instemming met het plan voor de middellange termijn hoort Onze Minister gedeputeerde staten der provincies en de commissie. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 Staatscourant Onze Minister draagt zorg dat het plan of gedeelte daarvan waarmee hij heeft ingestemd met het daarop betrekking hebbende besluit, houdende instemming algemeen verkrijgbaar wordt gesteld. Hij doet van deze verkrijgbaarstelling mededeling in de. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 1 artikel 52, eerste lid De in, bedoelde organisatie herziet het plan voor de middellange termijn telkens binnen drie jaren nadat Onze Minister ermee heeft ingestemd. 2 de artikelen 53 56 Op de herziening van het plan is het in-bepaalde van overeenkomstige toepassing. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 artikel 54, eerste lid Het is de eigenaar van een waterleidingbedrijf verboden een watervoorzieningswerk te wijzigen of uit te breiden, tot stand te brengen of te gebruiken in afwijking van een plan voor de middellange termijn waarmee ingevolge, is ingestemd. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 1 artikel 58 Onze Minister kan in het belang van een goede watervoorziening van het ingestelde verbod ontheffing verlenen, voor zover daardoor geen inbreuk wordt gemaakt op onderdelen van het beleidsplan, ten aanzien waarvan in dat plan is bepaald dat daarvan niet kan worden afgeweken. 2 Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend; aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. 3 de artikelen 54 56 Ten aanzien van het besluit betreffende ontheffing zijn-van overeenkomstige toepassing. 1986 27 29-01-1986 17488 1986 622 10-12-1986 01-01-1987
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 1 artikel 52, eerste lid artikel 57, eerste lid Indien de in, bedoelde organisatie in gebreke blijft een plan voor de middellange termijn op te stellen of binnen de in, gestelde termijn te herzien, is Onze Minister bevoegd een zodanig plan op te stellen. 2 Onze Minister maakt van deze bevoegdheid eerst gebruik, nadat hij de organisatie in de gelegenheid heeft gesteld om binnen een door hem te bepalen termijn, welke ten minste een half jaar bedraagt, alsnog het plan op te stellen of te herzien. 3 Artikel 53, eerste, tweede en vierde lid de artikelen 55 59 a b , alsmede het derde lid, aanhef en onderen, en-zijn ten aanzien van het door Onze Minister opgestelde plan van overeenkomstige toepassing. 1986 27 29-01-1986 17488 1986 622 10-12-1986 01-01-1987
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 1 hoofdstuk II tweede afdeling van hoofdstuk IV Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtensen debepaalde zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren. 2 Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. 2003 449 18-11-2003 22-10-2003 28744 2005 81 24-02-2005 08-02-2005 25-02-2005 2003 449 18-11-2003 22-10-2003 28744 2005 81 24-02-2005 08-02-2005 25-02-2005
Artikel 62 — Artikel 62#
Artikel 62 1 de artikelen 4, tweede, derde, vierde, vijfde, zesde negende en tiende lid 5, eerste en tweede lid 6 7 8 9 12 13, eerste lid 14a, tweede lid 15a, tweede lid 15c 15d 15e Overtreding van het bij of krachtens,,,,,,,,,,,,of 63c bepaalde wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of met een geldboete van de tweede categorie. 2 artikel 58 Met gelijke straf als bedoeld in het eerste lid wordt gestraft hij die handelt in strijd met het verbod gesteld bij. 3 artikel 52, eerste lid a artikel 53 Met gelijke straf als bedoeld in het eerste lid wordt gestraft de eigenaar van een waterleidingbedrijf die na schriftelijke aanmaning door of namens de in, bedoelde organisatie in gebreke blijft de inbedoelde gegevens te verstrekken. 4 artikel 11, eerste en tweede lid Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie wordt gestraft hij die de bepalingen overtreedt van. 5 De bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen. 2000 295 18-07-2000 22-06-2000 26700 2000 315 27-07-2000 22-07-2000 01-08-2000
Artikel 63 — Artikel 63#
Artikel 63 Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 63a — Artikel 63a#
Artikel 63a 1 Onze Minister stelt jaarlijks voor 31 december een verslag op over de kwaliteit van het leidingwater in het voorafgaande kalenderjaar. Het eerste verslag stelt hij op voor 31 december 2002. 2 Onze Minister maakt de vaststelling van het verslag bekend in de Staatscourant voor het eind van het kalenderjaar dat volgt op de desbetreffende verslagperiode. Hierbij geeft hij aan op welke wijze kennis kan worden genomen van de inhoud van het verslag. 2000 295 18-07-2000 22-06-2000 26700 2000 315 27-07-2000 22-07-2000 01-08-2000
Artikel 63b — Artikel 63b#
Artikel 63b 3 Het verslag omvat tenminste gegevens over de kwaliteit van het leidingwater afkomstig van de voorzieningen die gemiddeld meer dan 1000 mleidingwater per dag leveren of waarvan meer dan 5000 personen gebruik maken. 2000 295 18-07-2000 22-06-2000 26700 2000 315 27-07-2000 22-07-2000 01-08-2000
Artikel 63c — Artikel 63c#
Artikel 63c Ten behoeve van het opstellen van het verslag verschaffen de eigenaren van waterleidingbedrijven en degenen die met behulp van een collectieve watervoorziening leidingwater ter beschikking stellen aan derden, en de eigenaren van collectieve leidingnetten aan Onze Minister op zijn verzoek alle inlichtingen en gegevens waarover zij kunnen beschikken, voor zover die voor dat opstellen redelijkerwijs noodzakelijk zijn. 2000 295 18-07-2000 22-06-2000 26700 2000 315 27-07-2000 22-07-2000 01-08-2000
Artikel 64 — Artikel 64#
Artikel 64 1 artikel 149 van de Gemeentewet Stb. De bevoegdheid, de gemeenteraad toekomende ingevolge(1992, 96), blijft ten aanzien van het onderwerp, waarin deze wet voorziet, gehandhaafd voor zover de door hem te maken verordeningen niet met deze wet in strijd zijn. 2 artikel 119 van de Provinciewet artikel 122 van de Gemeentewet In afwijking van het bepaalde inenheeft de inwerkingtreding van deze wet en latere wijzigingen daarvan slechts ten aanzien van de gevallen, waarin strijd met de bij of krachtens haar gestelde voorschriften zou ontstaan, tot gevolg, dat de reglementen en verordeningen van de Provinciale Staten en van de Gemeenteraden, betreffende de onderwerpen, waarin deze wet voorziet van rechtswege ophouden te gelden. 1993 667 15-12-1993 23086 1993 667 15-12-1993 23086 01-01-1994
Artikel 65 — Artikel 65#
Artikel 65 Deze wet kan worden aangehaald onder de titel 'Waterleidingwet'. 1986 27 29-01-1986 17488 1986 622 10-12-1986 01-01-1987
Artikel 66 — Artikel 66#
Artikel 66 Deze wet treedt in werking met ingang van een door Ons te bepalen dag. Voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan kan de inwerkingtreding op verschillende tijdstippen worden vastgesteld. 1986 27 29-01-1986 17488 1986 622 10-12-1986 01-01-1987
Artikel 1#
artikel 1, vierde lid