Wet van 15 augustus 1955, houdende vaststelling van de wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag
- BWB-id
- BWBR0002195
- Type
- Wet
- Ministerie
- Veiligheid en Justitie
- Geldigheid
- 2003-06-01 t/m 2004-03-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0002195
- ELI
- /eli/nl/wet/1959/wet-op-de-justiti-le-documentatie-en-op-de-verklaringen-omtr
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1959/wet-op-de-justiti-le-documentatie-en-op-de-verklaringen-omtr/2003-06-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0002195&g=2003-06-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0002195&z=2026-06-06&g=2003-06-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0002195/2003-06-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1959/wet-op-de-justiti-le-documentatie-en-op-de-verklaringen-omtr
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 Er is een justitiële documentatiedienst, die de in het belang van een goede rechtsbedeling nodige en als zodanig bij algemene maatregel van bestuur aangewezen justitiële gegevens registreert. 2 De justitiële documentatiedienst is tevens belast met het registreren van de door deze wet aangewezen justitiële gegevens in de strafregisters. 3 De in de voorgaande leden bedoelde gegevens worden door de justitiële documentatiedienst beheerd. 4 De leiding van de dienst berust bij Onze Minister van Justitie. Bij iedere rechtbank en bij het Ministerie van Justitie is een afdeling van de dienst geplaatst. 2001 584 18-12-2001 06-12-2001 27878 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 De gegevens betreffende in Nederland geboren personen, wier geboorteplaats bekend is, worden geregistreerd ter griffie van de rechtbank van het arrondissement, waarbinnen die plaats is gelegen. De griffier is belast met het beheer van de geregistreerde gegevens. 1955 395 15-08-1955 3551 1958 468 17-10-1958 23-09-1958 01-01-1959
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 De gegevens betreffende personen, wier geboorteplaats buiten Nederland is gelegen of onbekend is, alsmede betreffende rechtspersonen of vennootschappen worden geregistreerd ten Departemente van Justitie. Onze Minister van Justitie wijst een ambtenaar aan, die met het beheer van de geregistreerde gegevens is belast. 1976 229 08-04-1976 11416 1976 342 22-06-1976 26-07-1976
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 De strafregisters bestaan uit: a. strafbladen van de tegen natuurlijke personen gewezen onherroepelijke veroordelingen, waarbij, al dan niet tezamen met maatregelen, een of meer straffen zijn opgelegd, door Nederlandse rechters gewezen: 1°. wegens misdrijven; 2°. wegens overtredingen, indien daarbij vrijheidsstraf – anders dan vervangende – is opgelegd. b. uittreksels van onherroepelijk geworden veroordelingen door andere dan Nederlandse rechters gewezen, voorzover Onze Minister van Justitie daartoe een voorschrift heeft gegeven. Deze uittreksels worden, voor de toepassing van deze wet, met strafbladen gelijkgesteld. 2 a artikelen 37 h a 77, vierde lid, onder, van het Wetboek van Strafrecht Met een veroordeling wordt gelijkgesteld een rechterlijke beslissing waarbij een maatregel is opgelegd als bedoeld in deof. 3 g artikelen 77tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht Indien een veroordeling is gewezen waarbij de rechter recht heeft gedaan overeenkomstig de, wordt een strafblad slechts opgemaakt, indien de veroordeelde ten tijde van het begaan van het strafbare feit de leeftijd van zestien jaren had bereikt, de veroordeling is gewezen wegens misdrijf en daarbij, al dan niet te zamen met andere straffen of maatregelen, zijn opgelegd: 1°. jeugddetentie; 2°. geldboete van meer dan € 113; 3°. een alternatieve sanctie met een duur van meer dan veertig uren of 4°. plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. 4 x artikel 77, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht Het derde lid is niet van toepassing, indien de rechter met toepassing vanheeft bepaald, dat de straf of maatregel geheel niet zal worden ten uitvoer gelegd en een last tot herroeping niet is gegeven. 5 De strafregisters bestaan tevens uit de strafbladen van de omtrent natuurlijke personen gewezen onherroepelijke uitspraken of beslissingen krachtens welke tegen deze personen veroordelingen door andere dan Nederlandse rechters gewezen in Nederland kunnen worden ten uitvoer gelegd, voor zover die veroordelingen zijn gewezen wegens feiten, die naar Nederlands recht misdrijven opleveren of ingevolge die uitspraken of beslissingen in Nederland vrijheidsstraf - anders dan vervangende - moet worden ondergaan. Betreft het een minderjarige, dan geldt het voorgaande eveneens wanneer ingevolge de bedoelde uitspraak of beslissing de in het derde lid genoemde straffen of maatregelen moeten worden ondergaan. 2001 481 01-11-2001 27-09-2001 27472 2001 481 01-11-2001 27-09-2001 27472 01-01-2002
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 Het strafblad vermeldt: 1°. de personalia van de veroordeelde; 2°. de rechter, bij wiens onherroepelijk geworden uitspraak de straffen of maatregelen zijn bepaald; 3°. de dagtekening van de uitspraak; 4°. de kwalificatie van het feit, waarvoor de veroordeling is uitgesproken met aanhaling van de daarbij betrokken strafbepalingen; Onze Minister van Justitie kan bepalen dat in de daartoe aangewezen gevallen wordt volstaan met een korte aanduiding; 5°. de opgelegde straffen of maatregelen; 6°. de datum waarop de uitspraak onherroepelijk is geworden; 7°. indien gehele of gedeeltelijke gratie wordt verleend van de opgelegde straf of maatregel, het daartoe strekkende koninklijke besluit. 2 Het strafblad vermeld tevens: 1°. de bij een uitspraak of beslissing, krachtens welke een veroordeling door een andere dan een Nederlandse rechter gewezen in Nederland kan worden ten uitvoer gelegd, opgelegde of uitvoerbaar geworden straf of maatregel; 2°. de in een vreemde Staat genomen beslissing als gevolg waarvan het recht tot tenuitvoerlegging in Nederland van een door de rechter van die Staat gewezen veroordeling geheel of gedeeltelijk is komen te vervallen. 3 Op de wijze door Onze Minister van Justitie te bepalen wordt in de strafregisters aantekening gehouden van: 1°. een last tot gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke veroordeling; 2°. een last tot verlenging van de proeftijd van een voorwaardelijke veroordeling; 3°. een last tot uitstel of het niet doen plaats vinden van vervroegde invrijheidstelling; 4°. een beslissing tot verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling. 1986 587 19-11-1986 11932 1988 380 01-08-1988 01-09-1988
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 Een strafblad wordt uit het strafregister verwijderd indien na vernietiging van het gewijsde geen straf of maatregel wordt opgelegd. 1994 528 07-07-1994 21327 1995 357 27-07-1995 10-07-1995 01-09-1995
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 Een strafblad wordt uit het strafregister verwijderd na verloop van een termijn van vier jaren. 2 De termijn beloopt acht jaren indien bij de veroordeling is opgelegd gevangenisstraf of plaatsing in een rijkswerkinrichting. 3 a artikel 14van het Wetboek van Strafrecht Het tweede lid is niet van toepassing indien de rechter met toepassing vanheeft bepaald, dat de straf of straffen geheel niet zullen worden ten uitvoer gelegd en een last tot herroeping voor het geheel of voor een deel niet is gegeven. 4 artikelen 7-9 In geval bij de veroordeling de doodstraf is opgelegd, doch deze bij wege van gratie wordt omgezet in een andere straf, wordt voor de toepassing van degerekend, dat een straf is opgelegd, zoals in het besluit, waarbij de omzetting wordt geregeld, is bepaald. 1994 528 07-07-1994 21327 1995 357 27-07-1995 10-07-1995 01-09-1995
Artikel 7a — Artikel 7a#
Artikel 7a artikel 7 g de artikelen 77tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht In afwijking van het bepaalde inwordt een strafblad uit het strafregister verwijderd indien de rechter recht heeft gedaan overeenkomstig: 1°. na verloop van een termijn van vier jaren indien bij de veroordeling jeugddetentie of plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd; 2°. in de overige gevallen na verloop van een termijn van twee jaren. 1994 528 07-07-1994 21327 1995 357 27-07-1995 10-07-1995 01-09-1995
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 artikelen 7 a 7 De termijn, bedoeld in de, en, vangt aan op de dag na die waarop de uitspraak onherroepelijk is geworden. 1994 528 07-07-1994 21327 1995 357 27-07-1995 10-07-1995 01-09-1995
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 artikelen 7 a 7 De termijn, bedoeld in deen, wordt verlengd met de bij de uitspraak bepaalde duur van de opgelegde vrijheidsstraf met uitzondering van de straf of het gedeelte daarvan ten aanzien waarvan de rechter heeft bepaald dat het niet zal worden tenuitvoergelegd en een last tot herroeping niet is gegeven. 2 De termijn wordt mede verlengd met de duur van de verlenging van de proeftijd van een voorwaardelijke veroordeling en van de termijn van terbeschikkingstelling. 3 f artikel 38van het Wetboek van Strafrecht De termijn loopt niet in de tijd gedurende welke ingevolgede termijn van terbeschikkingstelling niet loopt. 4 artikel 4, lid 3 Indien bij de in, bedoelde veroordeling de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd, wordt het strafblad niet eerder verwijderd dan op de dag waarop de plaatsing onvoorwaardelijk is beëindigd. 1994 528 07-07-1994 21327 1995 357 27-07-1995 10-07-1995 01-09-1995
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 Een strafblad wordt niet verwijderd zolang nog enig ander strafblad ten aanzien van de veroordeelde in het strafregister blijft geplaatst. 2 artikelen 7 a 7 Indien de veroordeelde vóór de afloop van de in deenbedoelde termijnen opnieuw wordt vervolgd, kan het gerecht in feitelijke aanleg, voor hetwelk de zaak wordt vervolgd of zal worden vervolgd, op vordering van het openbaar ministerie gelasten, dat het strafblad niet wordt verwijderd alvorens over die strafzaak onherroepelijk is beslist. 1994 528 07-07-1994 21327 1995 357 27-07-1995 10-07-1995 01-09-1995
Artikel 10a — Artikel 10a#
Artikel 10a artikel 7 In geval van tenuitvoerlegging in Nederland van een veroordeling door een andere dan de Nederlandse rechter gewezen vangt de inbedoelde termijn aan op de dag na die, waarop die veroordeling onherroepelijk is geworden. De duur van de termijn wordt bepaald aan de hand van de bij de uitspraak of beslissing, krachtens welke de bovenbedoelde veroordeling in Nederland kan worden ten uitvoer gelegd, opgelegde of uitvoerbaar geworden straf of maatregel. 1986 464 10-09-1986 18129 1987 448 03-10-1987 01-01-1988
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 De justitiële documentatiedienst verstrekt, op de wijze door Onze Minister van Justitie te bepalen, inlichtingen aan: 1°. Nederlandse rechterlijke ambtenaren; 2°. andere dan Nederlandse rechterlijke ambtenaren, voorzover Onze Minister van Justitie dat voorschrijft; 3°. Onze Minister van Justitie. 2 artikel 37 van de Wet op de economische delicten Aan personen of lichamen, welke ingevolgede bevoegdheid tot transactie is verleend, worden ten behoeve van de uitoefening dier bevoegdheid gegevens verstrekt aangaande economische delicten. 3 artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur Aan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in, worden ten behoeve van de uitoefening van zijn wettelijk omschreven taak justitiële gegevens ter beschikking gesteld. 2002 347 04-07-2002 20-06-2002 26883 2003 216 22-05-2003 19-05-2003 01-06-2003 Bij Stb. 2002/347 is in artikel 43 een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 De justitiële documentatiedienst verstrekt, in de gevallen door Onze Minister van Justitie bepaald, inlichtingen aan personen en instellingen, die op het gebied der reclassering, der kinderbescherming of der psychopathenzorg werkzaam zijn, en die in verband met die werkzaamheid krachtens wettelijk voorschrift zijn erkend. 1955 395 15-08-1955 3551 1958 468 17-10-1958 23-09-1958 01-01-1959
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 Wij kunnen aan het College van procureurs-generaal de bevoegdheid verlenen om, indien het zwaarwegend algemeen belang dit vordert, uit inlichtingen van de justitiële documentatiedienst, overeenkomstig de door Ons te geven voorschriften, gegevens te verschaffen aan de daartoe aangewezen personen, met een publieke taak belast. 2 Staatscourant Ons besluit wordt in degeplaatst. 2001 180 19-04-2001 05-04-2001 26410 2001 337 19-07-2001 05-07-2001 25892 01-09-2001 Treedt in werking als het voorstel van wet 25892 (Wet
bescherming persoonsgegevens) tot wet wordt verheven en in
werking treedt.
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 De justitiële documentatiedienst verstrekt, op de wijze door Onze Minister van Justitie te bepalen, aan de burgemeesters der gemeenten uittreksels uit de strafregisters ten dienste van de afgifte van de verklaringen omtrent het gedrag. 1955 395 15-08-1955 3551 1958 468 17-10-1958 23-09-1958 01-01-1959
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 Onze Minister van Justitie kan bepalen dat, indien het zwaarwegend algemeen belang zulks naar zijn oordeel vordert, de justitiële documentatiedienst uittreksels uit de strafregisters verstrekt aan andere personen, met een publieke taak belast. 2001 180 19-04-2001 05-04-2001 26410 2001 337 19-07-2001 05-07-2001 25892 01-09-2001 Treedt in werking als het voorstel van wet 25892 (Wet
bescherming persoonsgegevens) tot wet wordt verheven en in
werking treedt.
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Vervallen 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 21-02-1997 01-01-1997 Werkt terug tot en met 1 januari 1997.
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 Vervallen 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 21-02-1997 01-01-1997 Werkt terug tot en met 1 januari 1997.
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 Vervallen 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 21-02-1997 01-01-1997 Werkt terug tot en met 1 januari 1997.
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 De burgemeester geeft geen andere verklaring omtrent het gedrag, onder welke benaming ook, af dan overeenkomstig de bepalingen van deze wet. 2 Het voorgaande lid geldt niet: a. indien het verzoek om inlichtingen betrekking heeft op een persoon, in dienst van de gemeente; b. indien, buiten het geval, waarin het verzoek om inlichtingen omtrent een bepaald persoon verband houdt met het vervullen van een bepaalde werkzaamheid, de burgemeester gehouden is andere bestuursorganen te dienen van bericht en raad; 3 Een verklaring omtrent het gedrag houdt niet anders in dan dat de burgemeester uit het onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokkene ingesteld, gelet op het doel waarvoor de afgifte is gevraagd, niet is gebleken van bezwaren tegen die persoon. Bij algemene maatregel van bestuur wordt een model voor de verklaring vastgesteld. 1993 725 09-12-1993 23088 1994 27 13-01-1994 07-01-1994 01-04-1994
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 De afgifte van een verklaring omtrent het gedrag geschiedt door de burgemeester van de gemeente, waar de betrokkene in de basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven. 2 Indien de betrokkene niet is ingeschreven in een basisadministratie persoonsgegevens, geschiedt de afgifte door de burgemeester van 's-Gravenhage, behoudens uitzonderingen, bij algemene maatregel van bestuur te bepalen. 1994 565 07-07-1994 21147 1994 707 29-09-1994 22-09-1994 01-10-1994
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 Het verzoek tot afgifte geschiedt schriftelijk. 2 Het behelst de naam, de voornamen, de dag en het jaar van geboorte van de betrokkene, alsmede een omschrijving van het doel, waarvoor de afgifte van de verklaring wordt gevraagd. Indien het doel, waarvoor de afgifte wordt gevraagd, verband houdt met het vervullen van een bepaalde werkzaamheid, wordt bij het verzoekschrift overgelegd een geschrift van degene, te wiens behoeve die werkzaamheid zal worden vervuld, waarin de aard dier werkzaamheden is vermeld. 1955 395 15-08-1955 3551 1958 468 17-10-1958 23-09-1958 01-01-1959
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 Het verzoek wordt ingediend door degene omtrent wiens gedrag een verklaring wordt gevraagd. Onze Minister van Binnenlandse Zaken kan voor bijzondere gevallen een afwijkende regeling vaststellen. Alsdan moet ten genoege van de burgemeester blijken dat degene, omtrent wiens gedrag een verklaring wordt gevraagd, met het indienen van het verzoek instemt. 1955 395 15-08-1955 3551 1958 468 17-10-1958 23-09-1958 01-01-1959
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken kunnen, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, doeleinden worden aangewezen, welke een onderzoek naar het gedrag niet wettigen. 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 1 De burgemeester weigert het verzoek in behandeling te nemen, indien: a. artikel 21 artikel 22 niet is voldaan aan het bepaalde inof in, dan wel krachtens,, of b. artikel 23 de afgifte zou strijden met een regeling als bedoeld in, dan wel anderszins het doel waarvoor de afgifte wordt gevraagd het instellen van een onderzoek niet wettigt. 2 Zodanige beslissing wordt onverwijld bij aangetekende brief aan de verzoeker medegedeeld, met vermelding van de reden der weigering. 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 artikel 24 artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht Tegen de beslissing bedoeld inkan de verzoeker administratief beroep instellen bij Onze commissaris in de provincie, waarin de gemeente is gelegen. In afwijking vanbedraagt de termijn voor het instellen van beroep een week. 2 Onze commissaris beslist of het verzoek al dan niet in verdere behandeling moet worden genomen. 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 De burgemeester geeft een verklaring omtrent het gedrag slechts af in die gevallen, waarin hem uit een onderzoek, met betrekking tot het gedrag van de betrokkene ingesteld, gelet op het doel waarvoor de afgifte is gevraagd, niet is gebleken, dat bezwaren tegen die persoon bestaan. In alle andere gevallen weigert hij de gevraagde verklaring af te geven. 2 In de verklaring wordt het doel, waarvoor de afgifte is gevraagd, vermeld. 1955 395 15-08-1955 3551 1958 468 17-10-1958 23-09-1958 01-01-1959
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 1 De burgemeester mag bij zijn onderzoek uitsluitend acht slaan op: 1°. hem ten aanzien van de betrokkene verstrekte uittreksels uit de strafregisters; 2°. gegevens ontleend aan de registers van de politie in de tegenwoordige of in de vroegere woonplaatsen of verblijfplaatsen van de betrokkene; 3°. andere schriftelijke bescheiden, welke hem in verband met de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag ter beschikking zijn gesteld. 2 Indien ten aanzien van de betrokkene geen strafblad in de strafregisters voorkomt, let de burgemeester bij zijn onderzoek niet op feiten en gedragingen, vermeld in andere registers en bescheiden, indien sedert de dag waarop deze zijn voorgevallen, meer dan vier jaren zijn verlopen. 3 artikel 28 In bijzondere gevallen kan de burgemeester van het bepaalde in het voorgaande lid afwijken. Alvorens in zodanig geval op het verzoek te beslissen, wint hij het advies in van een commissie, bedoeld in. 1955 395 15-08-1955 3551 1958 468 17-10-1958 23-09-1958 01-01-1959
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 1 De burgemeester kan, alvorens te beslissen, het oordeel inwinnen van een door hem ingestelde commissie van advies. 2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld, met betrekking tot de samenstelling van de commissies van advies. 3 Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie stellen een bijzondere commissie van advies in. De burgemeester kan het oordeel van deze commissie inwinnen, indien niet een commissie, als in het eerste lid bedoeld, kan worden gehoord. 4 De burgemeester en, indien hij het oordeel van een commissie van advies inwint, deze commissie zijn bevoegd door tussenkomst van de Reclasseringsraad in het arrondissement, waarin de gemeente is gelegen, inlichtingen omtrent de betrokkene in te winnen. 1955 395 15-08-1955 3551 1958 468 17-10-1958 23-09-1958 01-01-1959
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 1 artikel 25 De burgemeester beslist binnen vier weken, nadat het verzoek is gedaan, of, indien Onze commissaris op grond vanheeft beslist, dat het verzoek alsnog in verdere behandeling wordt genomen, binnen vier weken, te rekenen van de dagtekening van de verzending van diens beslissing, of de verklaring kan worden afgegeven. 2 artikel 30 artikel 27, derde lid Indien de burgemeester, gelet op het ingestelde onderzoek, van oordeel is, dat de verklaring niet behoort te worden gegeven, deelt hij binnen de in het voorgaande lid bedoelde termijn, bij aangetekende brief, zijn met redenen omklede beslissing tot weigering mede aan de betrokkene, waarbij deze tevens wordt gewezen op het bepaalde in. Onder de redenen worden de feiten en gedragingen opgenomen, waarop de beslissing steunt. In het bijzondere geval, bedoeld in, wordt in de beslissing vermeld, dat die bepaling toepassing heeft gevonden. 3 De burgemeester kan de afgifte slechts weigeren, indien uit het onderzoek is gebleken, dat de betrokkene zich heeft schuldig gemaakt aan een misdrijf of een overtreding, welke in het strafregister is vermeld, dan wel dat hij zich anderszins heeft misdragen. 4 Indien een commissie van advies is gehoord, wordt tevens medegedeeld of de beslissing tot weigering van de afgifte al dan niet genomen is in overeenstemming met haar oordeel. 5 De in het eerste en tweede lid bedoelde termijnen kunnen, indien de burgemeester een commissie van advies hoort, ten hoogste twee keer met vier weken worden verlengd. Van de verlenging wordt mededeling gedaan aan de betrokkene. 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 artikel 29, tweede lid De betrokkene kan binnen twee weken na ontvangst van de mededeling, in, bedoeld, daartegen een klaagschrift indienen ter griffie van de arrondissements-rechtbank binnen welker gebied de gemeente is gelegen. 2 Het klaagschrift wordt door de betrokkene, zijn gemachtigde of zijn raadsman ondertekend en wordt in tweevoud ingediend. 3 Het klaagschrift houdt in: a. de naam en de woonplaats van de betrokkene; b. een gekozen woonplaats binnen het Rijk in Europa, indien de verzoeker daarbuiten woonplaats heeft; c. een duidelijke omschrijving van de beslissing van de burgemeester, waartegen het klaagschrift is gericht, onder overlegging voor zoveel mogelijk van een afschrift van de beslissing. 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 1 De rechtbank stelt binnen een week na ontvangst van het klaagschrift de dag vast, waartegen de betrokkene en de burgemeester worden opgeroepen om te worden gehoord. 2 De griffier doet de burgemeester bij de oproeping een exemplaar van het klaagschrift toekomen. 3 De burgemeester doet onverwijld na ontvangst van de oproeping de bescheiden, op grond waarvan zijn beslissing is genomen, aan de rechtbank overleggen. 4 De rechtbank stelt het openbaar ministerie, de klager en zijn raadsman in de gelegenheid van de door de burgemeester overgelegde bescheiden kennis te nemen. 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 1 Het openbaar ministerie wordt bij de behandeling van het klaagschrift gehoord. 2 De betrokkene wordt in persoon gehoord. Hij kan zich doen vertegenwoordigen door een gemachtigde en zich doen bijstaan door een raadsman. De rechtbank kan weigeren bepaalde personen, die van het verlenen van rechtsgeleerde hulp hun beroep maken en geen advocaat of procureur zijn, als gemachtigde toe te laten. 3 De burgemeester kan zich doen vertegenwoordigen. Hij kan zich doen bijstaan door een raadsman. 4 Als raadsman kan alleen een advocaat optreden, die zijn praktijk in Nederland uitoefent. 5 Indien de rechtbank dit in het belang van het onderzoek nodig oordeelt, hoort zij getuigen. Zij kan het openbaar ministerie bevelen de getuigen tegen een bepaalde dag te dagvaarden. 6 Ieder die als getuige is gedagvaard, is verplicht voor de rechtbank te verschijnen, de eed of de belofte te doen en getuigenis af te leggen, een en ander behoudens verschoning wegens ambts- of beroepsgeheim. Indien de getuige niet op de dagvaarding verschijnt, kan de rechtbank hem andermaal doen dagvaarden en daarbij tevens zijn medebrenging gelasten. 7 Degene, die als getuige is verschenen, ontvangt een vergoeding overeenkomstig het Tarief van justitiekosten in strafzaken. 8 De rechtbank is bevoegd door tussenkomst van de Reclasseringsraad in het arrondissement inlichtingen omtrent de betrokkene in te winnen. 1955 395 15-08-1955 3551 1958 468 17-10-1958 23-09-1958 01-01-1959
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 1 De rechtbank geeft binnen vier weken nadat het klaagschrift is ontvangen, haar met redenen omklede beschikking, welke door de griffier onverwijld bij aangetekend schrijven aan de betrokkene en aan de burgemeester wordt toegezonden. 2 De behandeling der zaak geschiedt in raadkamer. 3 Tegen de beschikking van de rechtbank staat hoger beroep of beroep in cassatie niet open, behoudens beroep in cassatie "in het belang der wet". 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 Wordt het klaagschrift gegrond verklaard, dan geeft de burgemeester binnen drie dagen na ontvangst van het in het voorgaande artikel bedoelde schrijven, de verklaring omtrent het gedrag af. 1955 395 15-08-1955 3551 1958 468 17-10-1958 23-09-1958 01-01-1959
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 1 In de gevallen ten aanzien waarvan voor de inwerkingtreding van deze wet voorschriften zijn gegeven over de afgifte of de overlegging van een bewijs van goed zedelijk gedrag of een verklaring van overeenkomstige strekking, worden deze bewijzen of verklaringen, onder de benaming verklaring omtrent het gedrag, bij uitsluiting door de burgemeester overeenkomstig de bepalingen van deze wet afgegeven. De bepalingen betreffende deze bewijzen of verklaringen in bedoelde voorschriften blijven buiten toepassing. 2 artikel 13 artikel 27, tweede lid Indien ten dienste van de afgifte van een zodanige verklaring inlichtingen aan de burgemeester worden verstrekt, met toepassing van, blijft, buiten toepassing. 1955 395 15-08-1955 3551 1958 468 17-10-1958 23-09-1958 01-01-1959
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 1 Een ieder die ingevolge deze wet de beschikking krijgt over gegevens met betrekking tot een derde, is verplicht tot geheimhouding daarvan behoudens voor zover een bij of krachtens deze wet gegeven voorschrift mededelingen toelaat, dan wel de uitvoering van de taak met het oog waarop de gegevens zijn verstrekt, tot mededeling noodzaakt. 2 Artikel 272, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is niet van toepassing. 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1955 395 15-08-1955 3551 1958 468 17-10-1958 23-09-1958 01-01-1959
Artikel 37a — Artikel 37a#
Artikel 37a Vervallen 2001 180 19-04-2001 05-04-2001 26410 2001 337 19-07-2001 05-07-2001 25892 01-09-2001 Treedt in werking als het voorstel van wet 25892 (Wet
bescherming persoonsgegevens) tot wet wordt verheven en in
werking treedt.
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 Deze wet kan worden aangehaald als "Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag". 1955 395 15-08-1955 3551 1958 468 17-10-1958 23-09-1958 01-01-1959
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip. 1955 395 15-08-1955 3551 1958 468 17-10-1958 23-09-1958 01-01-1959