Wet van 2 juli 1959, houdende regelen, welke aan een aantal rijksbelastingen gemeen zijn
- BWB-id
- BWBR0002320
- Type
- Wet
- Ministerie
- Financiën
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-04-11
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0002320
- ELI
- /eli/nl/wet/1961/algemene-wet-inzake-rijksbelastingen
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1961/algemene-wet-inzake-rijksbelastingen/2026-04-11
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0002320&g=2026-04-11
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0002320&z=2026-06-06&g=2026-04-11
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0002320/2026-04-11
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1961/algemene-wet-inzake-rijksbelastingen
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 hoofdstuk VIII van de Belastingwet BES De bepalingen van deze wet gelden in Nederland bij de heffing van rijksbelastingen, de heffing van belastingrente, revisierente en bestuurlijke boeten welke ingevolge de belastingwet kunnen worden vastgesteld of opgelegd, alsmede bij de uitvoering van de basisregistratie inkomen, een en ander met uitzondering van de belastingen voor zover voor een belanghebbende na een door de inspecteur gedane uitspraak op bezwaar met betrekking tot deze belastingen beroep openstaat bij het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba, bedoeld in. 2 Onder rijksbelastingen worden verstaan belastingen welke van rijkswege door de rijksbelastingdienst worden geheven. 3 titel 5.2 afdeling 10.2.1 van de Algemene wet bestuursrecht Met betrekking tot de heffing van rijksbelastingen blijvenenbuiten toepassing. 2011 640 29-12-2011 22-12-2011 33004 2015 143 16-04-2015 08-04-2015 30-06-2015
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Deze wet verstaat onder: a. artikel 1 belastingwet: zowel deze wet als andere wettelijke bepalingen betreffende de heffing van de ondervallende belastingen; b. lichamen: verenigingen en andere rechtspersonen, maat- en vennootschappen, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens. 2 Waar in de belastingwet wordt gesproken: a. van vereniging, is daaronder begrepen de samenwerkingsvorm zonder rechtspersoonlijkheid die met een vereniging maatschappelijk gelijk kan worden gesteld; b. met betrekking tot een lichaam van bestuurder, zijn daaronder begrepen de beherende vennoot van een maat- of vennootschap en de binnenlandse vertegenwoordiger van een niet in Nederland gevestigd lichaam, alsmede in geval van ontbinding hij die met de vereffening is belast; c. van Mogendheid, wordt daaronder mede begrepen een daarmee gelijk te stellen bestuurlijke eenheid; d. van staat, wordt daaronder mede begrepen Mogendheid; e. van verdrag, wordt daaronder mede begrepen een regeling ter voorkoming van dubbele belasting die is overeengekomen met een in onderdeel c bedoelde bestuurlijke eenheid, alsmede een regeling ter voorkoming van dubbele belasting die is getroffen voor de relatie met een of meer landen binnen het Koninkrijk; f. van regeling ter voorkoming van dubbele belasting, wordt daaronder mede begrepen regelen ter voorkoming van dubbele belasting die zijn overeengekomen met een in onderdeel c bedoelde bestuurlijke eenheid. 3 De belastingwet verstaat onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Financiën; b. directeur, inspecteur of ontvanger: de functionaris die als zodanig bij ministeriële regeling is aangewezen; c. 1°. Koninkrijk: Koninkrijk der Nederlanden; 2°. Rijk: het land Nederland, zijnde Nederland en de BES eilanden; 3°. Nederland: artikel 1 van de Rijkswet instelling exclusieve economische zone het in Europa gelegen deel van het Koninkrijk, met dien verstande dat voor de heffing van de inkomstenbelasting, de loonbelasting, de vennootschapsbelasting, de assurantiebelasting en de minimumbelasting Nederland tevens omvat de exclusieve economische zone van het Koninkrijk, bedoeld in, voorzover deze grenst aan de territoriale zee in Nederland; 4°. BES eilanden: Rijkswet tot vaststelling van een zeegrens tussen Curaçao en Bonaire en tussen Sint Maarten en Saba de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, met daaronder begrepen, met inachtneming van de, het buiten de territoriale zee van de BES eilanden gelegen deel van de zeebodem en de ondergrond daarvan, voor zover het Koninkrijk daar op grond van het internationale recht ten behoeve van de exploratie en de exploitatie van natuurlijke rijkdommen soevereine rechten mag uitoefenen, alsmede de in, op, of boven dat gebied aanwezige installaties en andere inrichtingen ten behoeve van de exploratie en exploitatie van natuurlijke rijkdommen in dat gebied; d. belastingaanslag: de voorlopige aanslag, de aanslag, de navorderingsaanslag en de naheffingsaanslag, alsmede de voorlopige conserverende aanslag, de conserverende aanslag en de conserverende navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting, de schenk- en erfbelasting; e. artikel 2, elfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 aandeel: mede het stemrecht, kapitaalbelang of winstrecht in een lichaam als bedoeld in, indien de houder van het stemrecht, kapitaalbelang of winstrecht woonachtig of gevestigd is in een staat die dat lichaam als een belastingplichtige voor een naar de winst geheven belasting beschouwt; f. Douanewetboek van de Unie: Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PbEU 2013, L 269); g. Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie: Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (PbEU 2015, L 343); h. Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie: Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PbEU 2015, L 343); i. kind: eerstegraads bloedverwant en aanverwant in de neergaande lijn; j. artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer burgerservicenummer: het nummer, bedoeld in; k. vennootschap: artikel 2, elfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 mede een lichaam als bedoeld in; l. artikel 5a partner: persoon als bedoeld in; m. artikel 5b algemeen nut beogende instelling: een instelling als bedoeld in; n. artikel 5b, vierde lid culturele instelling: een instelling als bedoeld in; o. artikel 5c sociaal belang behartigende instelling: een instelling als bedoeld in; p. artikel 5d steunstichting SBBI: een stichting als bedoeld in. 4 Het in de belastingwet genoemde bestuur van ’s Rijks belastingen wordt uitgeoefend door de door Onze Minister aangewezen ambtenaren. 5 Hetgeen bij of krachtens deze wet wordt bepaald inzake de in het derde lid, onderdeel e, bedoelde voorlopige aanslag, aanslag of navorderingsaanslag, is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de in dat onderdeel bedoelde voorlopige conserverende aanslag, onderscheidenlijk conserverende aanslag of conserverende navorderingsaanslag, met dien verstande dat: a. een voorlopige aanslag en in de belastingwet daartoe aangewezen voorheffingen niet worden verrekend met een conserverende aanslag en een voorlopige conserverende aanslag niet wordt verrekend met een aanslag; b. een voorlopige conserverende aanslag niet wordt verrekend met een conserverende aanslag doch vervalt tegelijk met de vaststelling van de conserverende aanslag onder toerekening van het ter zake van de voorlopige conserverende aanslag verleende uitstel van betaling, de daaromtrent gestelde zekerheid, alsmede van de betalingen die op die conserverende voorlopige aanslag mochten zijn verricht, aan de conserverende aanslag. 6 Bepalingen van de belastingwet die rechtsgevolgen verbinden aan het aangaan, het bestaan, de beëindiging of het beëindigd zijn van een huwelijk zijn van overeenkomstige toepassing op het aangaan, het bestaan, de beëindiging onderscheidenlijk het beëindigd zijn van een geregistreerd partnerschap. 7 Voor de toepassing van de belastingwet en de daarop berustende bepalingen wordt een Europese coöperatieve vennootschap gelijkgesteld met een Europese naamloze vennootschap met dien verstande dat bij algemene maatregel van bestuur voor de toepassing van de in die algemene maatregel van bestuur genoemde bepalingen de rechtsvorm gelijkgesteld kan worden met een coöperatie. 2023 508 27-12-2023 20-12-2023 36425 2023 508 27-12-2023 20-12-2023 36425 01-01-2025
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 De bevoegdheid van een directeur, inspecteur of ontvanger is niet bepaald naar een geografische indeling van het Rijk. 2 artikel 2, derde lid, onderdeel b Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de hoofdlijnen van de inrichting van de rijksbelastingdienst alsmede omtrent de functionaris, bedoeld in, onder wie een belastingplichtige ressorteert. 2010 363 01-10-2010 30-09-2010 32217 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 3a — Artikel 3a#
Artikel 3a 1 artikelen 2:7, tweede lid 2:8 van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking van de, enwordt in het verkeer tussen belastingplichtigen, inhoudingsplichtigen, administratieplichtigen of algemeen nut beogende instellingen en de inspecteur of het bestuur van ’s Rijks belastingen een bericht uitsluitend elektronisch verzonden. 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop het elektronische berichtenverkeer plaatsvindt. 3 Bij ministeriële regeling kunnen berichten en groepen van belastingplichtigen inhoudingsplichtigen of administratieplichtigen, of algemeen nut beogende instellingen worden aangewezen waarvoor, alsmede omstandigheden worden aangewezen waaronder, het berichtenverkeer kan plaatsvinden anders dan langs elektronische weg. 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 01-01-2026 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026
Artikel 3b — Artikel 3b#
Artikel 3b 1 In afwijking van artikel 2:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen bij ministeriële regeling berichten, groepen van belastingplichtigen, inhoudingsplichtigen, administratieplichtigen of algemeen nut beogende instellingen of omstandigheden worden aangewezen waarvoor, voor wie, onderscheidenlijk waaronder, geldt dat een belastingplichtige, inhoudingsplichtige, administratieplichtige of een algemeen nut beogende instelling berichten uitsluitend langs elektronische weg dan wel uitsluitend anders dan langs elektronische weg aan de inspecteur of het bestuur van ’s Rijks belastingen verzendt. 2 Het ontwerp van een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid wordt ten minste vier weken voordat de regeling wordt vastgesteld, overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal. 2019 512 27-12-2019 18-12-2019 35303 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld. 2 Voor de toepassing van het eerste lid worden schepen en luchtvaartuigen welke in Nederland hun thuishaven hebben, ten opzichte van de bemanning als deel van Nederland beschouwd. 3 Voor de toepassing van de wettelijke bepalingen ter uitvoering van Richtlijn 2009/133/EG van de Raad van 19 oktober 2009 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, gedeeltelijke splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten en voor de verplaatsing van de statutaire zetel van een SE of een SCE van een lidstaat naar een andere lidstaat (PbEU 2009, L 310), Richtlijn 2011/96/EU van de Raad van 30 november 2011 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (PbEU 2011, L 345) of Richtlijn 2003/49/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten (PbEU 2003, L 157) wordt, in afwijking in zoverre van het eerste lid en voor zover dat voortvloeit uit de genoemde richtlijnen, een lichaam geacht te zijn gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie indien dat lichaam volgens de fiscale wetgeving van die lidstaat aldaar is gevestigd. 4 Een instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 1 van Richtlijn 2009/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PbEU 2009, L 302), wordt geacht te zijn gevestigd in de lidstaat of staat waarvan de bevoegde autoriteit de instelling overeenkomstig artikel 5 van die richtlijn heeft toegelaten. 5 Een alternatieve beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel k, van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PbEU 2011, L 174) wordt geacht te zijn gevestigd in de lidstaat van herkomst, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel p, van die richtlijn, indien: a. het lichaam is opgericht of aangegaan naar het recht van die lidstaat, en b. artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 het doel en de feitelijke werkzaamheid van het lichaam uitsluitend bestaan in het beleggen van vermogen, bedoeld in. 2013 413 25-10-2013 16-10-2013 33637 2013 413 25-10-2013 16-10-2013 33637 01-01-2014
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 De vaststelling van een belastingaanslag geschiedt door het ter zake daarvan opmaken van een aanslagbiljet door de inspecteur. De dagtekening van het aanslagbiljet geldt als dagtekening van de vaststelling van de belastingaanslag. De inspecteur stelt het aanslagbiljet ter invordering van de daaruit blijkende belastingaanslag aan de ontvanger ter hand. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het door de inspecteur nemen van een beschikking of het doen van uitspraak strekkende tot - al dan niet nadere - vaststelling van een ingevolge de belastingwet verschuldigd of terug te geven bedrag. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 5a — Artikel 5a#
Artikel 5a 1 Als partner wordt aangemerkt: a. de echtgenoot; b. de ongehuwde meerderjarige persoon waarmee de ongehuwde meerderjarige belastingplichtige een notarieel samenlevingscontract is aangegaan en met wie hij staat ingeschreven op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland. 2 Degene die ingevolge het eerste lid voor een deel van het kalenderjaar als partner wordt aangemerkt, wordt ook als partner aangemerkt in de andere perioden van het kalenderjaar, voor zover hij in die perioden op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland. 3 Voor de toepassing van het eerste lid wordt een persoon die van tafel en bed is gescheiden, aangemerkt als ongehuwd. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit lid. 4 In afwijking van het eerste lid wordt een persoon niet meer als partner aangemerkt ingeval: a. artikel 150 169 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek een verzoek, zoals bedoeld in, respectievelijktot echtscheiding, respectievelijk tot scheiding van tafel en bed is ingediend, en b. hij niet meer op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland staat ingeschreven als de belastingplichtige. 5 Een persoon kan op enig moment slechts één partner hebben. Ingeval een persoon meer dan één echtgenoot heeft, wordt alleen de echtgenoot uit de oudste verbintenis als partner aangemerkt. Bij meer dan één notarieel samenlevingscontract, wordt alleen het oudste samenlevingscontract in aanmerking genomen. Een notarieel samenlevingscontract met meer dan één persoon, wordt niet in aanmerking genomen. 6 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld op basis waarvan iemand die niet in Nederland woont, geacht wordt op zijn woonadres te zijn ingeschreven in een naar aard en strekking met de basisregistratie personen overeenkomende registratie buiten Nederland. 7 Personen die partners waren op grond van het eerste lid, onderdeel b, blijven als partners aangemerkt nadat de in dat onderdeel bedoelde inschrijving op hetzelfde woonadres niet langer mogelijk is als gevolg van opname in een verpleeghuis of verzorgingshuis vanwege medische redenen of ouderdom van een van hen, zolang na het einde van die inschrijving op hetzelfde woonadres ten aanzien van geen van beiden een derde persoon als partner wordt aangemerkt. De eerste volzin vindt geen toepassing meer indien één van beiden door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de inspecteur laat weten dat zij niet langer als partners willen worden aangemerkt. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit lid. 2013 316 26-07-2013 10-07-2013 33555 2013 494 09-12-2013 28-11-2013 06-01-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet basisregistratie
personen in werking treedt.
Artikel 5b — Artikel 5b#
Artikel 5b 1 Een algemeen nut beogende instelling is een instelling – niet zijnde een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal, een coöperatie, een onderlinge waarborgmaatschappij of een ander lichaam waarin bewijzen van deelgerechtigdheid kunnen worden uitgegeven – die: a. uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt; b. haar gegevens op elektronische wijze via internet openbaar maakt; c. voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden; en d. als zodanig is aangemerkt door: 1°. de inspecteur ingeval de instelling is gevestigd in het Koninkrijk, in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een bij ministeriële regeling aangewezen staat; of 2°. Onze Minister ingeval de instelling niet is gevestigd in het Koninkrijk, een andere lidstaat van de Europese Unie en een bij ministeriële regeling aangewezen staat waarbij aanvullende voorwaarden kunnen worden gesteld. 2 Algemeen nut beogende instellingen zijn in ieder geval: a. de Staat, de provincies, de gemeenten en de waterschappen in Nederland alsmede daarmee vergelijkbare lichamen in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte; b. de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten, de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba alsmede de gemeenten, waterschappen en daarmee vergelijkbare publiekrechtelijke lichamen in die landen of openbare lichamen. 3 Als algemeen nut in de zin van dit artikel wordt beschouwd: a. welzijn; b. cultuur; c. onderwijs, wetenschap en onderzoek; d. bescherming van natuur en milieu, daaronder begrepen bevordering van duurzaamheid; e. gezondheidszorg; f. jeugd- en ouderenzorg; g. ontwikkelingssamenwerking; h. dierenwelzijn; i. religie, levensbeschouwing en spiritualiteit; j. de bevordering van de democratische rechtsorde; k. volkshuisvesting; l. een combinatie van de bovengenoemde doelen, alsmede m. het financieel of op andere wijze ondersteunen van een algemeen nut beogende instelling. 4 Een algemeen nut beogende instelling die zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend richt op cultuur, kan verzoeken tevens te worden aangemerkt als culturele instelling. 5 artikel 19 van de Woningwet Een instelling die werkzaamheden verricht die gericht zijn op het bieden van volkshuisvesting als bedoeld in het derde lid, onderdeel k, kan slechts worden aangemerkt als algemeen nut beogende instelling, indien zij op de voet vanbij koninklijk besluit is toegelaten als instelling die in het belang van de volkshuisvesting werkzaam is. 6 Het aanmerken als een algemeen nut beogende instelling of als culturele instelling geschiedt op verzoek van de instelling. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking eventueel onder door hem te stellen voorwaarden. In afwijking van de eerste volzin kan de inspecteur een categorie instellingen dan wel een groep met elkaar verbonden instellingen bij één voor bezwaar vatbare beschikking aanmerken als instellingen als bedoeld in het eerste lid, ook zonder dat een daartoe strekkend verzoek is gedaan door die instellingen. 7 Een instelling als bedoeld in het eerste lid, wordt door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking niet meer als zodanig aangemerkt met ingang van het tijdstip waarop deze instelling niet langer uitsluitend of nagenoeg uitsluitend een algemeen nut beogend karakter heeft, niet meer voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde voorwaarden dan wel niet meer is gevestigd als aangegeven in het eerste lid. Een instelling als bedoeld in het vierde lid wordt door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking niet meer als zodanig aangemerkt met ingang van het tijdstip waarop deze instelling zich niet langer uitsluitend of nagenoeg uitsluitend richt op cultuur. Het tijdstip van intrekking kan liggen voor de datum van de dagtekening van de beschikking. 8 artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering artikelen 137c, eerste lid 137d, eerste lid 266 van het Wetboek van Strafrecht Een instelling als bedoeld in het eerste lid wordt eveneens door de inspecteur niet, of niet langer, als algemeen nut beogende instelling aangemerkt indien de instelling, een bestuurder van die instelling, een persoon die feitelijk leiding geeft aan die instelling of een voor die instelling gezichtsbepalende persoon door een Nederlandse rechter onherroepelijk is veroordeeld wegens het opzettelijk plegen van een misdrijf als bedoeld inen de,, en, mits: a. het misdrijf is gepleegd in de hoedanigheid van bestuurder, feitelijk leidinggevende of gezichtsbepalend persoon van de instelling; b. nog geen vier kalenderjaren zijn verstreken sinds de veroordeling, en c. het misdrijf gezien zijn aard of de samenhang met andere door de algemeen nut beogende instelling of genoemde personen begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. 9 artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens Een instelling als bedoeld in het eerste lid wordt eveneens door de inspecteur niet, of niet langer, als algemeen nut beogende instelling aangemerkt indien de inspecteur gerede twijfel heeft over de integriteit van de instelling, een bestuurder van die instelling, een persoon die feitelijk leiding geeft aan die instelling of een voor die instelling gezichtsbepalende persoon, en die instelling, onderscheidenlijk persoon, ondanks een verzoek daartoe van de inspecteur, niet binnen een termijn van zestien weken nadat dit verzoek is gedaan een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld inoverlegt. 10 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, die openbaar worden gemaakt, alsmede met betrekking tot de wijze waarop deze gegevens via internet openbaar worden gemaakt, waarbij een verplicht standaardformulier wordt gebruikt. 11 Voor de toepassing van het vierde en het zesde tot en met negende lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld. 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 01-01-2026
Artikel 5c — Artikel 5c#
Artikel 5c Een sociaal belang behartigende instelling is een instelling: a. die in overeenstemming met haar regelgeving een sociaal belang behartigt; b. die niet aan een winstbelasting is onderworpen dan wel daarvan is vrijgesteld; c. die aan de leden van het orgaan van de instelling dat het beleid bepaalt ter zake van de door die leden voor de instelling verrichte werkzaamheden geen andere beloning toekent dan een vergoeding voor gemaakte onkosten en een niet bovenmatig vacatiegeld; d. die is gevestigd in het Koninkrijk, in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een bij ministeriële regeling aangewezen staat. 2011 641 29-12-2011 22-12-2011 33006 2011 641 29-12-2011 22-12-2011 33006 01-01-2012
Artikel 5d — Artikel 5d#
Artikel 5d 1 Een steunstichting SBBI is een stichting die voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden en die is opgericht uitsluitend met het doel geld in te zamelen ter ondersteuning van een sociaal belang behartigende instelling ten behoeve van een bij ministeriële regeling aan te wijzen doel. 2 Het ontwerp van een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid wordt ten minste vier weken voordat de regeling wordt vastgesteld, overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal. 2011 641 29-12-2011 22-12-2011 33006 2011 641 29-12-2011 22-12-2011 33006 01-01-2012
Artikel 5e — Artikel 5e#
Artikel 5e 1 artikel 87 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek Indien tussen echtgenoten of gewezen echtgenoten een recht op of een plicht tot vergoeding bestaat op grond van, wordt bij de echtgenoot, onderscheidenlijk de gewezen echtgenoot, met het vergoedingsrecht ter zake hiervan geen voor de belastingwet relevant belang bij het onderliggende goed of een bestanddeel daarvan aanwezig geacht. 2 artikelen 95 96 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek artikel 87 van Boek 1 van dat wetboek Onder een recht op of een plicht tot vergoeding als bedoeld in het eerste lid wordt mede begrepen een recht op of een plicht tot vergoeding waarvan het verloop op grond van deenovereenkomstigwordt bepaald. 3 artikel 87, eerste tot en met derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien bij overeenkomst wordt afgeweken van. 2013 566 23-12-2013 18-12-2013 33753 2013 566 23-12-2013 18-12-2013 33753 01-01-2014
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 Met betrekking tot belastingen welke ingevolge de belastingwet bij wege van aanslag worden geheven, dan wel op aangifte worden voldaan of afgedragen, kan de inspecteur degene die naar zijn mening vermoedelijk belastingplichtig of inhoudingsplichtig is uitnodigen tot het doen van aangifte. Worden door de belastingwet aangelegenheden van een derde aangemerkt als aangelegenheden van degene die vermoedelijk belastingplichtig of inhoudingsplichtig is, dan kan de inspecteur ook die derde uitnodigen tot het doen van aangifte. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop het uitnodigen tot het doen van aangifte geschiedt. 2 Degene die een daartoe strekkend verzoek bij de inspecteur indient, wordt in elk geval uitgenodigd tot het doen van aangifte. 3 Bij ministeriële regeling kan degene, die in de daarbij omschreven omstandigheden verkeert, worden verplicht om binnen een te stellen termijn om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken. 1995 606 19-12-1995 06-12-1995 24341 1995 606 19-12-1995 06-12-1995 24341 01-01-1996
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 In de uitnodiging tot het doen van aangifte wordt opgave verlangd van gegevens en kan overlegging of toezending worden gevraagd van bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, waarvan de kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan zijn. 2 Onder bescheiden en andere gegevensdragers worden voor de toepassing van het eerste lid niet begrepen bescheiden en andere gegevensdragers welke plegen te worden opgemaakt om te dienen als bewijs tegenover derden. 2000 569 27-12-2000 14-12-2000 27431 2000 569 27-12-2000 14-12-2000 27431 01-01-2001
Artikel 7a — Artikel 7a#
Artikel 7a Artikel 7 artikel 9.4a, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing op gegevens, bescheiden en andere gegevensdragers waarvan de kennisneming van belang kan zijn voor de vaststelling van de beschikkingen, bedoeld in. 2020 546 23-12-2020 16-12-2020 35577 2020 546 23-12-2020 16-12-2020 35577 01-01-2021
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 Ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, is gehouden aangifte te doen door: a. de in de uitnodiging gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud op bij ministeriële regeling te bepalen wijze in te vullen, te ondertekenen en in te leveren of toe te zenden, alsmede b. de in de uitnodiging gevraagde bescheiden of andere gegevensdragers, dan wel de inhoud daarvan, op bij ministeriële regeling te bepalen wijze in te leveren of toe te zenden. 2 artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht Het doen van aangifte is geen aanvraag in de zin van. 3 Bij ontvangst van de aangifte wordt desverlangd een ontvangstbevestiging afgegeven. 4 Bij ministeriële regeling kan worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden de inspecteur ontheffing kan verlenen van de verplichting de in de uitnodiging tot het doen van aangifte gevraagde gegevens en bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan in te leveren of toe te zenden. 2015 378 28-10-2015 14-10-2015 34196 2015 379 28-10-2015 14-10-2015 01-11-2015
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 Met betrekking tot belastingen welke ingevolge de belastingwet bij wege van aanslag worden geheven, wordt de aangifte gedaan bij de inspecteur binnen een door deze gestelde termijn van ten minste een maand na het uitnodigen tot het doen van aangifte. 2 De inspecteur kan de door hem gestelde termijn verlengen. Hij kan aan de verlenging voorwaarden verbinden, onder meer dat vóór een door hem te bepalen datum op bij ministeriële regeling te bepalen wijze gegevens voor het opleggen van een voorlopige aanslag worden verstrekt. 3 De inspecteur kan niet eerder dan na verloop van de in het eerste, onderscheidenlijk het tweede lid bedoelde termijn de belastingplichtige aanmanen binnen een door hem te stellen termijn aangifte te doen. 4 artikel 8, eerste lid Indien voordat de aanslag is vastgesteld gegevens worden verstrekt zonder een aan die verstrekking van gegevens voorafgaande uitnodiging tot het doen van aangifte en die gegevens ook en op dezelfde wijze zouden moeten worden verstrekt in geval van een aan die verstrekking van gegevens voorafgaande uitnodiging tot het doen van aangifte, wordt die verstrekking van gegevens aangemerkt als het op uitnodiging doen van aangifte als bedoeld in. 2019 512 27-12-2019 18-12-2019 35303 2019 512 27-12-2019 18-12-2019 35303 01-01-2020 Artikel XX van Stb. 2019/512 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 Met betrekking tot belastingen welke ingevolge de belastingwet op aangifte moeten worden voldaan of afgedragen, wordt de aangifte gedaan bij de inspecteur of de ontvanger die is vermeld in de uitnodiging tot het doen van aangifte. 2 Heeft de aangifte betrekking op een tijdvak, dan wordt zij gedaan binnen een door de inspecteur gestelde termijn van ten minste een maand na het einde van het tijdvak. Heeft de aangifte niet betrekking op een tijdvak, dan wordt zij gedaan binnen een door de inspecteur gestelde termijn van ten minste een maand. 3 De inspecteur kan onder door hem te stellen voorwaarden uitstel van het doen van aangifte verlenen. 1995 606 19-12-1995 06-12-1995 24341 1995 606 19-12-1995 06-12-1995 24341 01-01-1996
Artikel 10a — Artikel 10a#
Artikel 10a 1 In bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen kunnen belastingplichtigen of inhoudingsplichtigen worden gehouden de inspecteur eigener beweging mededeling te doen van onjuistheden of onvolledigheden in voor de belastingheffing van belang zijnde gegevens en inlichtingen die hun bekend zijn of zijn geworden. 2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het uiterste tijdstip en de wijze waarop mededeling als bedoeld in het eerste lid gedaan moet worden. 3 Bij algemene maatregel van bestuur kan het niet nakomen van de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting worden aangemerkt als een overtreding. Indien het niet nakomen van die verplichting is te wijten aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van het bedrag aan belasting dat als gevolg van het niet nakomen van de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting niet is of zou zijn geheven. 2011 640 29-12-2011 22-12-2011 33004 2011 640 29-12-2011 22-12-2011 33004 01-01-2012
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 De aanslag wordt vastgesteld door de inspecteur. 2 De inspecteur kan bij het vaststellen van de aanslag van de aangifte afwijken, zomede de aanslag ambtshalve vaststellen. 3 artikel 6, tweede of derde lid artikel 9, vierde lid De bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag vervalt door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt deze termijn met de duur van dit uitstel verlengd. Indien binnen zes maanden voor het einde van de termijn, bedoeld in de eerste zin, een verzoek als bedoeld in, wordt gedaan of gegevens als bedoeld in, worden verstrekt, wordt die termijn met zes maanden verlengd. 4 Voor de toepassing van het derde lid wordt belastingschuld, waarvan de grootte eerst kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, geacht te zijn ontstaan op het tijdstip waarop dat tijdvak eindigt. 2019 512 27-12-2019 18-12-2019 35303 2019 512 27-12-2019 18-12-2019 35303 01-01-2020 Artikel XX van Stb. 2019/512 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 De inspecteur neemt het besluit om aan hem die aangifte heeft gedaan, geen aanslag op te leggen, bij voor bezwaar vatbare beschikking. 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 artikel 15 Ingeval de grootte van de belastingschuld eerst kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, kan de inspecteur volgens bij ministeriële regeling te stellen regels aan de belastingplichtige een voorlopige aanslag opleggen tot ten hoogste het bedrag waarop de aanslag, met toepassing van de invoorgeschreven verrekening van de voorlopige aanslagen en de in de belastingwet aangewezen voorheffingen, vermoedelijk zal worden vastgesteld. Een voorlopige aanslag tot een positief bedrag wordt niet vastgesteld voor de aanvang van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven. 2 Een voorlopige aanslag tot een negatief bedrag die voor of in de loop van het tijdvak wordt vastgesteld, wordt aangeduid als voorlopige teruggaaf. 3 Een voorlopige aanslag kan, met inachtneming van de vorige leden, door een of meer voorlopige aanslagen worden aangevuld. 4 artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht De belastingplichtige kan de inspecteur verzoeken om een voorlopige aanslag vast te stellen. Het verzoek om een voorlopige aanslag vast te stellen is geen aanvraag in de zin van. 5 De inspecteur kan afzien van het opleggen van een voorlopige aanslag of een voorlopige aanslag opleggen tot een ander bedrag dan volgt uit het eerste lid, indien: a. gerede twijfel bestaat over de juistheid van het adresgegeven van de belastingplichtige of indien dit gegeven ontbreekt; b. artikelen 67cc 67d 67e artikel 40 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen de belastingplichtige een vergrijp heeft begaan waarvoor hem een bestuurlijke boete is opgelegd op grond van de,ofof op grond vanof waarvoor hem een strafrechtelijke sanctie wegens een daaraan soortgelijk misdrijf is opgelegd, mits de bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie binnen een periode van vijf jaren voorafgaand aan het jaar waarop de voorlopige aanslag betrekking heeft onherroepelijk is geworden; c. de belastingplichtige niet of niet binnen de gestelde termijn aangifte voor de inkomstenbelasting heeft gedaan. 2013 567 23-12-2013 18-12-2013 33754 2016 113 30-03-2016 18-03-2016 01-04-2016
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 artikel 13 In de gevallen waarinniet van toepassing is, kan de inspecteur na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan, volgens door Onze Minister te stellen regelen een voorlopige aanslag opleggen tot ten hoogste het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld. 2 Een voorlopige aanslag kan met inachtneming van het in het eerste lid bepaalde, door één of meer voorlopige aanslagen worden aangevuld. 1984 531 08-11-1984 18323 1984 531 08-11-1984 18323 24-11-1984
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 De voorlopige aanslagen en de in de belastingwet aangewezen voorheffingen worden verrekend met de aanslag, dan wel - voor zoveel nodig - bij een door de inspecteur te nemen voor bezwaar vatbare beschikking. 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting dan wel de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. 2 Navordering kan mede plaatsvinden in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven, doordat: a. een voorlopige aanslag, een voorheffing, een voorlopige teruggaaf of een voorlopige verliesverrekening ten onrechte of tot een onjuist bedrag is verrekend; b. artikel 2.17, derde of vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 zich een geval voordoet als bedoeld in; c. ten gevolge van een fout een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of ten gevolge van een fout een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, hetgeen de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is, waarvan in elk geval sprake is indien de te weinig geheven belasting ten minste 30 percent van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt. 3 Artikel 11, vierde lid artikel 2.17, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 De bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan., is te dezen van toepassing. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt de navorderingstermijn met de duur van dit uitstel verlengd. De eerste volzin is niet van toepassing voor zover navordering plaatsvindt met toepassing van. Voor zover navordering zonder toepassing van het tweede lid, onderdeel c, niet zou kunnen plaatsvinden, vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag, in afwijking in zoverre van de eerste volzin, door verloop van twee jaren na het tijdstip waarop het besluit is genomen om geen aanslag op te leggen, dan wel de belastingaanslag is vastgesteld. 4 Indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen, vervalt, in afwijking in zoverre van het derde lid, eerste volzin, de bevoegdheid tot navorderen door verloop van twaalf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. 5 artikel 6, tweede of derde lid artikel 9, vierde lid Indien binnen zes maanden voor het einde van de termijn, bedoeld in het derde lid, eerste zin, of van de termijn, bedoeld in het vierde lid, een verzoek als bedoeld in, wordt gedaan of gegevens als bedoeld in, worden verstrekt, wordt die termijn met zes maanden verlengd. 6 Indien een bedrag als verlies van een jaar door middel van verrekening in aanmerking is genomen in een voorafgaand jaar, en in verband daarmede een in de belastingwet voorziene vermindering of teruggaaf ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, blijft de bevoegdheid tot navorderen bestaan zolang navordering mogelijk is over het jaar waaruit het als verlies verrekende bedrag afkomstig is. 7 artikelen 8.9, eerste of tweede lid 8.9a, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Indien een heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend aan de belastingplichtige doordat het maximale bedrag, bedoeld in de, of, is overschreden, of de hoogte van het verzamelinkomen of de arbeidskorting van zijn partner, bedoeld in artikel 8.9, eerste lid, is gewijzigd, blijft, na afloop van de navorderingstermijn, bedoeld in het derde lid, de bevoegdheid tot navorderen bestaan tot acht weken na het tijdstip waarop een belastingaanslag van zijn partner welke relevant is voor die heffingskorting, of een beschikking dan wel uitspraak strekkende tot vermindering van een zodanige belastingaanslag van zijn partner onherroepelijk is geworden. 8 Richtlijn 2011/16 Richtlijn 77/799/EEG Voor de toepassing van het eerste lid worden gegevens en inlichtingen als bedoeld in artikel 8 bis ter, veertiende lid, van/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van(PbEU 2011, L 64) die de inspecteur niet anders dan ingevolge die richtlijn bekend zijn geworden, geacht een feit te zijn dat de inspecteur niet bekend was en ook niet redelijkerwijs bekend had kunnen zijn. 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 2024 434 23-12-2024 18-12-2024 36602 01-01-2025
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 Vervallen 1997 738 29-12-1997 18-12-1997 23470 1997 737 29-12-1997 18-12-1997 24800 1997 739 29-12-1997 18-12-1997 01-01-1998
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 Vervallen 1997 738 29-12-1997 18-12-1997 23470 1997 737 29-12-1997 18-12-1997 24800 1997 739 29-12-1997 18-12-1997 01-01-1998
Artikel 18a — Artikel 18a#
Artikel 18a 1 hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken Indien een op de voet vangegeven beschikking tot vaststelling van de waarde, welke ingevolge een wettelijk voorschrift ten grondslag heeft gelegen aan de heffing van belasting, is herzien met als gevolg dat: a. een aanslag of navorderingsaanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, dan kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen; b. een aanslag of navorderingsaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf ten onrechte niet of tot een te laag bedrag is verleend, dan vernietigt de inspecteur de ten onrechte vastgestelde aanslag of navorderingsaanslag dan wel vermindert hij de aanslag of navorderingsaanslag, onderscheidenlijk verleent hij alsnog de in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf. 2 Het vaststellen van de navorderingsaanslag, onderscheidenlijk het nemen van de beschikking tot vernietiging, vermindering, ontheffing of teruggaaf op de voet van het eerste lid geschiedt binnen acht weken na het tijdstip waarop de beschikking of uitspraak strekkende tot de herziene vaststelling van de waarde onherroepelijk is geworden. Eerstbedoelde beschikking is voor bezwaar vatbaar. 3 artikel 3.30a van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 16 Ingeval de herziening gevolgen heeft voor de toepassing vanmet betrekking tot een jaar, wordt in afwijking in zoverre van het tweede lid de termijn waarbinnen navordering mogelijk is bepaald op de voet vanen vangt de in dat lid bedoelde termijn van acht weken niet eerder aan dan op het tijdstip waarop de belastingplichtige een verzoek heeft ingediend tot aanpassing van de aanslag of beschikking met betrekking tot dat jaar. Een verzoek tot aanpassing wordt gedaan binnen een jaar na het tijdstip waarop de beschikking of uitspraak strekkende tot de herziene vaststelling van de waarde, onherroepelijk is geworden. 4 hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken Indien aan de heffing van belasting een aan een onroerende zaak toegekende waarde ten grondslag ligt en met betrekking tot die onroerende zaak voor een voor die heffing van belang zijnd kalenderjaar een waarde wordt vastgesteld op de voet van, zijn het eerste, tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing. 2004 656 23-12-2004 09-12-2004 29612 2006 43 31-01-2006 18-01-2006 01-01-2007 2006 631 12-12-2006 30-11-2006 30572 2006 631 12-12-2006 30-11-2006 30572 01-01-2007
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 In de gevallen waarin de belastingwet voldoening van in een tijdvak verschuldigd geworden of afdracht van in een tijdvak ingehouden belasting op aangifte voorschrijft, is de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, gehouden de belasting binnen één maand na het einde van dat tijdvak overeenkomstig de aangifte aan de ontvanger te betalen. 2 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld: a. met betrekking tot het tijdvak waarover de belasting moet worden betaald, waarbij tevens regels kunnen worden gesteld volgens welke in de loop van dat tijdvak één of meer voorlopige betalingen moeten worden gedaan; b. krachtens welke door de inspecteur aan de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, uitstel wordt verleend voor de voldoening van in een tijdvak verschuldigd geworden belasting of de afdracht van in een tijdvak ingehouden belasting, indien met betrekking tot dat tijdvak dan wel een tijdvak dat is geëindigd vóór, tegelijk met of minder dan 34 dagen na dat tijdvak een verzoek om teruggaaf van belasting is ingediend. 3 In de niet in het eerste lid bedoelde gevallen waarin de belastingwet voldoening of afdracht van belasting op aangifte voorschrijft, is de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, gehouden de belasting overeenkomstig de aangifte aan de ontvanger te betalen binnen één maand na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. 4 Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt de in het eerste en in het derde lid genoemde termijn van één maand met de duur van dit uitstel verlengd. 5 Algemene termijnenwet Deis niet van toepassing op de in het eerste en in het derde lid gestelde termijn van één maand. 2008 262 10-07-2008 03-07-2008 31404 2008 263 10-07-2008 03-07-2008 11-07-2008
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 Indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen. Met geheel of gedeeltelijk niet betaald zijn wordt gelijkgesteld het geval waarin, naar aanleiding van een gedaan verzoek, ten onrechte of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding van belasting dan wel teruggaaf van belasting is verleend. 2 De naheffing geschiedt bij wege van naheffingsaanslag, die wordt opgelegd aan degene, die de belasting had behoren te betalen, dan wel aan degene aan wie ten onrechte, of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding dan wel teruggaaf is verleend. In gevallen waarin ten gevolge van het niet naleven van bepalingen van de belastingwet door een ander dan de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, te weinig belasting is geheven, wordt de naheffingsaanslag aan die ander opgelegd. 3 De bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend. 4 artikel 2, tweede lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer Indien de belastingschuld is ontstaan door de verkrijging van de economische eigendom van onroerende zaken of van rechten waaraan deze zijn onderworpen, bedoeld in, vervalt de bevoegdheid tot naheffing, in afwijking in zoverre van het derde lid, door verloop van twaalf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 01-01-2010
Artikel 20a — Artikel 20a#
Artikel 20a 1 artikel 1 van de Wet terugvordering staatssteun Indien een Commissiebesluit als bedoeld inverplicht tot terugvordering van staatssteun en die staatssteun voortvloeit uit de toepassing van een belastingwet, vordert de inspecteur de staatssteun als belasting terug met toepassing van de voor de uitvoering van die belastingwet geldende regels. 2 Bij terugvordering op grond van het eerste lid zijn de ingevolge andere bepalingen van de belastingwet ter zake geldende verjaringstermijnen en voorwaarden niet van toepassing. 3 Artikel 4 van de Wet terugvordering staatssteun is van overeenkomstige toepassing. 2018 75 16-03-2018 21-02-2018 34753 2018 99 12-04-2018 26-03-2018 01-07-2018
Artikel 20b — Artikel 20b#
Artikel 20b hoofdstuk VA artikel 20a, eerste lid In afwijking vanwordt de rente ter zake van op grond van een terugvorderingsbesluit als bedoeld in, terug te vorderen staatssteun berekend overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de artikelen 16, tweede lid, en 33, onderdeel e, van Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PbEU 2015, L 248). 2018 75 16-03-2018 21-02-2018 34753 2018 99 12-04-2018 26-03-2018 01-07-2018
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. basisregistratie: verzameling gegevens waarvan bij wet is bepaald dat deze authentieke gegevens bevat; b. authentiek gegeven: in een basisregistratie opgenomen gegeven dat bij wettelijk voorschrift als authentiek is aangemerkt; c. artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001 verzamelinkomen: verzamelinkomen als bedoeld in; d. artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964 belastbaar loon: belastbaar loon als bedoeld in, met uitzondering van loon dat als een eindheffingsbestanddeel in de zin van die wet is belast; e. inkomensgegeven: 1°. indien over een kalenderjaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde verzamelinkomen; 2°. indien over een kalenderjaar geen aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde belastbare loon; f. afnemer: bestuursorgaan dat op grond van een wettelijk voorschrift bevoegd is tot gebruik van een inkomensgegeven; g. betrokkene: degene op wie het inkomensgegeven betrekking heeft; h. artikel 21h, eerste lid terugmelding: melding als bedoeld in. 2009 612 29-12-2009 23-12-2009 32133 2009 612 29-12-2009 23-12-2009 32133 01-01-2010 01-01-2009
Artikel 21a — Artikel 21a#
Artikel 21a 1 Er is een basisregistratie inkomen waarin inkomensgegevens met bijbehorende temporele en meta-kenmerken zijn opgenomen. Het inkomensgegeven, bedoeld in de vorige volzin, is een authentiek gegeven. 2 In de basisregistratie inkomen zijn ook bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen authentieke gegevens uit andere basisregistraties opgenomen. 2008 269 15-07-2008 27-06-2008 31085 2008 568 29-12-2008 18-12-2008 01-01-2009 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot inkomensgegevens over het kalenderjaar 2008.
Artikel 21b — Artikel 21b#
Artikel 21b 1 De basisregistratie inkomen heeft tot doel de afnemers te voorzien van inkomensgegevens. 2 De inspecteur is belast met de uitvoering van de basisregistratie inkomen. 3 De inspecteur draagt zorg voor de juistheid, volledigheid en actualiteit van de inkomensgegevens. 4 De inspecteur draagt er zorg voor dat de weergave van een meegeleverd authentiek gegeven uit een andere basisregistratie overeenstemt met dat gegeven, als opgenomen in die andere basisregistratie. 2008 269 15-07-2008 27-06-2008 31085 2008 568 29-12-2008 18-12-2008 01-01-2009
Artikel 21c — Artikel 21c#
Artikel 21c 1 artikel 21, onderdeel e, onder 1° Bij de bepaling van het inkomensgegeven, bedoeld in, zijn de regels die gelden bij de heffing van de inkomstenbelasting van overeenkomstige toepassing. 2 artikel 21, onderdeel e, onder 2° Bij de bepaling van het inkomensgegeven, bedoeld in, zijn de regels die gelden bij de heffing van de loonbelasting van overeenkomstige toepassing. 3 artikel 65 Bij de bepaling van het inkomensgegeven blijftbuiten toepassing. 4 Indien in het kader van de heffing van de inkomstenbelasting of de loonbelasting aan betrokkene een aanslagbiljet, een afschrift van de uitspraak op bezwaar of een afschrift van de beschikking ambtshalve vermindering wordt verstrekt, wordt het bijbehorende inkomensgegeven afzonderlijk vermeld. 2008 269 15-07-2008 27-06-2008 31085 2008 568 29-12-2008 18-12-2008 01-01-2009
Artikel 21d — Artikel 21d#
Artikel 21d 1 De inspecteur plaatst de aantekening «in onderzoek» bij een inkomensgegeven indien ten aanzien van dat inkomensgegeven: Voor de onderdelen a en d geldt een bij ministeriële regeling te bepalen termijn waarbinnen de inspecteur bepaalt of de aantekening «in onderzoek» al dan niet wordt geplaatst. a. een terugmelding is gedaan; b. een bezwaar- of beroepschrift is ingediend; c. een verzoek om ambtshalve vermindering is ingediend, of d. overigens gerede twijfel is ontstaan omtrent de juistheid van dat gegeven. 2 De inspecteur verwijdert de aantekening «in onderzoek»: a. na de afhandeling van het onderzoek naar aanleiding van de terugmelding; b. nadat de beslissing op bezwaar of de rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden; c. na de afhandeling van het verzoek om ambtshalve vermindering, of d. na de afhandeling van het onderzoek naar aanleiding van de situatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d. 2008 269 15-07-2008 27-06-2008 31085 2008 269 15-07-2008 27-06-2008 31085 2008 568 29-12-2008 18-12-2008 01-01-2009
Artikel 21e — Artikel 21e#
Artikel 21e 1 De inspecteur verstrekt aan een afnemer op zijn verzoek een inkomensgegeven met bijbehorende temporele en meta-kenmerken. 2 Een inkomensgegeven waarbij de aantekening «in onderzoek» is geplaatst, wordt uitsluitend verstrekt onder mededeling van die aantekening. 3 Met een inkomensgegeven kunnen authentieke gegevens uit andere basisregistraties worden meegeleverd. 4 De inspecteur deelt, na verwijdering van de aantekening «in onderzoek», op verzoek aan een afnemer die het desbetreffende inkomensgegeven voorafgaand aan de verwijdering van de aantekening verstrekt heeft gekregen mee dat de aantekening is verwijderd en of het gegeven is gewijzigd. 2008 269 15-07-2008 27-06-2008 31085 2008 568 29-12-2008 18-12-2008 01-01-2009
Artikel 21f — Artikel 21f#
Artikel 21f 1 Een afnemer gebruikt een inkomensgegeven uitsluitend bij de uitoefening van een op grond van een wettelijk voorschrift verleende bevoegdheid tot gebruik van dit gegeven. 2 Een afnemer is niet bevoegd een inkomensgegeven verder bekend te maken dan noodzakelijk voor de uitoefening van de hem verleende bevoegdheid. 3 Voor zover een inkomensgegeven ten grondslag ligt aan een besluit van een afnemer wordt het bekendgemaakt en verenigd in één geschrift met dat besluit. 2008 269 15-07-2008 27-06-2008 31085 2008 568 29-12-2008 18-12-2008 01-01-2009
Artikel 21g — Artikel 21g#
Artikel 21g 1 Voor zover een afnemer een op grond van een wettelijk voorschrift verleende bevoegdheid tot gebruik van het inkomensgegeven uitoefent, gebruikt hij het inkomensgegeven zoals dat ten tijde van het gebruik is opgenomen in de basisregistratie inkomen. 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien bij het inkomensgegeven de aantekening «in onderzoek» is geplaatst. 2008 269 15-07-2008 27-06-2008 31085 2008 568 29-12-2008 18-12-2008 01-01-2009
Artikel 21h — Artikel 21h#
Artikel 21h 1 Een afnemer die gerede twijfel heeft over de juistheid van een authentiek gegeven dat hij verstrekt heeft gekregen uit de basisregistratie inkomen meldt dit aan de inspecteur, onder opgaaf van redenen. 2 Voor zover een terugmelding betrekking heeft op een authentiek gegeven dat is overgenomen uit een andere basisregistratie, zendt de inspecteur die melding onverwijld door aan de beheerder van die andere basisregistratie en doet daarvan mededeling aan de afnemer die de terugmelding heeft gedaan. 3 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent: a. de gevallen waarin een terugmelding achterwege kan blijven, omdat de terugmelding niet van belang is voor het bijhouden van de basisregistratie; b. de wijze waarop een terugmelding moet worden gedaan; c. de termijn waarbinnen de afhandeling van het onderzoek naar aanleiding van een terugmelding over een inkomensgegeven moet plaatsvinden. 2008 269 15-07-2008 27-06-2008 31085 2008 568 29-12-2008 18-12-2008 01-01-2009
Artikel 21i — Artikel 21i#
Artikel 21i artikel 21g, eerste lid Voor zover, van toepassing is, hoeft een betrokkene aan wie door een afnemer een inkomensgegeven wordt gevraagd dat gegeven niet te verstrekken. 2008 269 15-07-2008 27-06-2008 31085 2008 568 29-12-2008 18-12-2008 01-01-2009
Artikel 21j — Artikel 21j#
Artikel 21j 1 artikel 21, onderdeel e, onder 2° artikel 21f, derde lid Met een voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur wordt gelijkgesteld het inkomensgegeven, bedoeld in, zoals dat met het oorspronkelijke besluit van de afnemer is bekendgemaakt op grond van. 2 Een bezwaarschrift tegen of verzoekschrift om wijziging van het besluit van de afnemer wordt, voor zover het gericht is tegen het inkomensgegeven, mede aangemerkt als een bezwaarschrift tegen of verzoekschrift om ambtshalve vermindering van het inkomensgegeven. 3 Een bezwaarschrift tegen of verzoekschrift om ambtshalve vermindering van het inkomensgegeven wordt, indien gericht tegen het besluit van de afnemer, mede aangemerkt als een bezwaarschrift tegen of verzoekschrift om wijziging van het besluit van die afnemer. 2008 269 15-07-2008 27-06-2008 31085 2008 568 29-12-2008 18-12-2008 01-01-2009
Artikel 21ja — Artikel 21ja#
Artikel 21ja artikelen 21d en 21j artikel 9.5, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de toepassing van dewordt onder ambtshalve vermindering mede verstaan een herziening als bedoeld in. 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 01-01-2010 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot
inkomensgegevens over het kalenderjaar
2010.
Artikel 21k — Artikel 21k#
Artikel 21k 1 In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen wordt een onjuist inkomensgegeven door de inspecteur ambtshalve verminderd. 2 Indien betrokkene een verzoek om ambtshalve vermindering heeft gedaan en dat verzoek geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, beslist de inspecteur dat bij een voor bezwaar vatbare beschikking. 3 artikel 21, onderdeel e, onder 1° Het met de belastingaanslag inkomstenbelasting samenhangende inkomensgegeven, bedoeld in, wordt voor de toepassing van dit artikel geacht onderdeel uit te maken van die belastingaanslag. 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 2009 611 29-12-2009 23-12-2009 32130 01-01-2010 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot
inkomensgegevens over het kalenderjaar
2010.
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 Vervallen 1997 738 29-12-1997 18-12-1997 23470 1997 737 29-12-1997 18-12-1997 24800 1997 739 29-12-1997 18-12-1997 01-01-1998
Artikel 22a — Artikel 22a#
Artikel 22a Vervallen 2008 112 15-04-2008 03-04-2008 30979 2008 287 22-07-2008 05-07-2008 01-08-2008 Artikel XLVII van Stb. 2008/112 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 22b — Artikel 22b#
Artikel 22b Vervallen 2008 112 15-04-2008 03-04-2008 30979 2008 287 22-07-2008 05-07-2008 01-08-2008 Artikel XLVII van Stb. 2008/112 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 22c — Artikel 22c#
Artikel 22c Vervallen 2008 112 15-04-2008 03-04-2008 30979 2008 287 22-07-2008 05-07-2008 01-08-2008 Artikel XLVII van Stb. 2008/112 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 22d — Artikel 22d#
Artikel 22d Vervallen 2008 112 15-04-2008 03-04-2008 30979 2008 287 22-07-2008 05-07-2008 01-08-2008 Artikel XLVII van Stb. 2008/112 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 22e — Artikel 22e#
Artikel 22e Vervallen 2008 112 15-04-2008 03-04-2008 30979 2008 287 22-07-2008 05-07-2008 01-08-2008 Artikel XLVII van Stb. 2008/112 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 22f — Artikel 22f#
Artikel 22f Vervallen 2008 112 15-04-2008 03-04-2008 30979 2008 287 22-07-2008 05-07-2008 01-08-2008 Artikel XLVII van Stb. 2008/112 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 22g — Artikel 22g#
Artikel 22g Vervallen 2008 112 15-04-2008 03-04-2008 30979 2008 287 22-07-2008 05-07-2008 01-08-2008 Artikel XLVII van Stb. 2008/112 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 22h — Artikel 22h#
Artikel 22h Vervallen 2008 112 15-04-2008 03-04-2008 30979 2008 287 22-07-2008 05-07-2008 01-08-2008 Artikel XLVII van Stb. 2008/112 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 22i — Artikel 22i#
Artikel 22i Vervallen 2008 112 15-04-2008 03-04-2008 30979 2008 287 22-07-2008 05-07-2008 01-08-2008 Artikel XLVII van Stb. 2008/112 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 22j — Artikel 22j#
Artikel 22j artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vanvangt de termijn voor het instellen van bezwaar aan: a. met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of van het afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking, dan wel b. met ingang van de dag na die van de voldoening of de inhouding onderscheidenlijk de afdracht. 1998 621 17-11-1998 29-10-1998 25175 1999 265 01-07-1999 17-06-1999 01-09-1999
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 Vervallen 2004 672 23-12-2004 15-12-2004 29251 2004 692 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 Vervallen 2004 672 23-12-2004 15-12-2004 29251 2004 692 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 24a — Artikel 24a#
Artikel 24a 1 Hij die bezwaar heeft tegen meer dan één belastingaanslag of voor bezwaar vatbare beschikking kan daartegen bezwaar maken bij één bezwaarschrift. 2 Indien de bedragen van een belastingaanslag en van een voor bezwaar vatbare beschikking op één aanslagbiljet zijn vermeld, wordt de voor bezwaar vatbare beschikking voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep geacht onderdeel uit te maken van de belastingaanslag. 3 artikel 67r, tweede lid Indien een voor bezwaar vatbare beschikking waarbij een bestuurlijke boete is opgelegd en een voor bezwaar vatbare beschikking tot openbaarmaking als bedoeld in, in één geschrift zijn vervat, wordt een bezwaarschrift tegen de boete geacht mede te zijn gericht tegen de openbaarmaking ervan, tenzij uit het bezwaarschrift het tegendeel blijkt. 4 In afwijking van hetgeen in andere wetten is bepaald, is het tweede lid niet van toepassing op andere belastingen dan rijksbelastingen. 2022 530 27-12-2022 21-12-2022 36107 2022 530 27-12-2022 21-12-2022 36107 01-01-2023 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot
aanslagbiljetten waarvan de datum van dagtekening is gelegen op of
na 1 januari 2023.
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vanwordt de belanghebbende gehoord op zijn verzoek. 2 artikel 7:5 van de Algemene wet bestuursrecht Indien omstandigheden daartoe nopen, kan het horen geschieden in afwijking van. 3 artikel 52a, eerste lid Indien het bezwaar is gericht tegen een aanslag, een navorderingsaanslag, een naheffingsaanslag of een beschikking, met betrekking tot welke de vereiste aangifte niet is gedaan of sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking als bedoeld in, wordt bij de uitspraak op het bezwaarschrift de belastingaanslag of beschikking gehandhaafd, tenzij is gebleken dat en in hoeverre die belastingaanslag of beschikking onjuist is. De eerste volzin vindt geen toepassing voor zover het bezwaar is gericht tegen een vergrijpboete. 4 Indien bezwaar is gemaakt tegen meer dan één belastingaanslag of voor bezwaar vatbare beschikking, kan de inspecteur de uitspraken vervatten in één geschrift. 2011 265 03-06-2011 27-05-2011 30645 2011 301 23-06-2011 14-06-2011 01-07-2011
Artikel 25a — Artikel 25a#
Artikel 25a Vervallen 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 01-01-2016 Artikel blijft van toepassing zoals het luidde op 31 december
2015 op bezwaren die ingevolge dat artikel vóór 1 januari 2016 zijn
aangewezen als massaal bezwaar.
Artikel 25b — Artikel 25b#
Artikel 25b 1 Een uit een uitspraak van de inspecteur voortvloeiende teruggaaf van ingehouden of op aangifte afgedragen belasting wordt verleend aan degene die het bezwaarschrift heeft ingediend. 2 Indien zowel de inhoudingsplichtige als degene van wie is ingehouden ter zake van dezelfde feiten een bezwaarschrift heeft ingediend, wordt, indien uit een uitspraak terzake een teruggaaf voortvloeit, die teruggaaf uitsluitend verleend aan degene van wie is ingehouden. 2003 10 09-01-2003 19-12-2002 28349 2003 10 09-01-2003 19-12-2002 28349 01-04-2003
Artikel 25c — Artikel 25c#
Artikel 25c 1 Algemene wet bestuursrecht In afwijking in zoverre van het overigens bij of krachtens deze wet en debepaalde, zijn de bepalingen van deze afdeling van toepassing op bezwaren waarvoor een aanwijzing massaal bezwaar als bedoeld in het tweede lid is gegeven. 2 Indien naar het oordeel van Onze Minister voor de beslissing op een groot aantal bezwaarschriften de beantwoording van eenzelfde rechtsvraag van belang is, kan hij een aanwijzing massaal bezwaar geven. De aanwijzing massaal bezwaar bevat de te beantwoorden rechtsvraag, al dan niet met accessoire kwesties. Onze Minister zendt een afschrift van de aanwijzing massaal bezwaar aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. 3 artikel 25d De aanwijzing massaal bezwaar geldt voor bezwaren voor zover deze de rechtsvraag, bedoeld in het tweede lid, betreffen, mits het bezwaarschrift is ingediend tot en met de dag voorafgaande aan de dag waarop de collectieve uitspraak, bedoeld in, wordt gedaan, de indiening tijdig is en nog geen uitspraak op het bezwaarschrift is gedaan. 4 artikel 25d Afdeling 7.2 van de Algemene wet bestuursrecht De termijn om te beslissen op bezwaren waarvoor de aanwijzing massaal bezwaar geldt, wordt opgeschort tot en met de dag voorafgaande aan de dag waarop de collectieve uitspraak, bedoeld in, wordt gedaan.is niet van toepassing op bezwaren waarvoor de aanwijzing massaal bezwaar geldt. 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 01-01-2016
Artikel 25d — Artikel 25d#
Artikel 25d 1 artikel 25c Met het oog op beantwoording van de rechtsvraag, bedoeld in, door de bestuursrechter in belastingzaken selecteert de inspecteur een of meer zaken. 2 artikelen 8:74 tot en met 8:75a titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht De inspecteur kan met de belanghebbenden in de zaken, bedoeld in het eerste lid, een vergoeding overeenkomen voor griffierecht en proceskosten in verband met de beantwoording van de rechtsvraag door de bestuursrechter in belastingzaken, alsmede voorwaarden waaronder deze vergoeding wordt betaald. In dat geval zijn deenniet van toepassing. 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 01-01-2016
Artikel 25e — Artikel 25e#
Artikel 25e 1 artikel 25c Binnen zes weken nadat de rechtsvraag, bedoeld in, al dan niet met accessoire kwesties, onherroepelijk is beantwoord, beslist de inspecteur door middel van één collectieve uitspraak op bezwaren waarvoor de aanwijzing massaal bezwaar geldt. 2 In afwijking in zoverre van het eerste lid kan de inspecteur, indien de bestuursrechter in belastingzaken de rechtsvraag heeft voorgelegd aan de Hoge Raad ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, collectief uitspraak doen binnen zes weken nadat die bestuursrechter heeft beslist. 3 De collectieve uitspraak, bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt bekendgemaakt door gelijktijdige kennisgeving ervan in de Staatscourant en op de website van de Belastingdienst. Tegen de collectieve uitspraak kan geen beroep worden ingesteld. 4 Indien de inspecteur bij de rechterlijke uitspraak, bedoeld in het eerste of tweede lid, geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, vermindert hij de belastingaanslagen en beschikkingen waarop bezwaren waarvoor de aanwijzing massaal bezwaar geldt betrekking hadden binnen zes maanden na de kennisgeving van de collectieve uitspraak. Indien de bezwaren waarvoor de aanwijzing massaal bezwaar geldt betrekking hebben op ingehouden of op aangifte afgedragen belasting verleent de inspecteur binnen zes maanden na de kennisgeving van de collectieve uitspraak een teruggaaf. 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 01-01-2016
Artikel 25f — Artikel 25f#
Artikel 25f 1 De inspecteur beslist bij individuele uitspraak: a. artikel 25c op andere bezwaren dan bezwaren waarvoor de aanwijzing massaal bezwaar, bedoeld in, geldt; b. artikel 25c op bezwaren die de rechtsvraag, bedoeld in, betreffen en niet tijdig zijn ingediend. 2 Algemene wet bestuursrecht Op de individuele uitspraak, bedoeld in het eerste lid, is het bij of krachtens deze wet en debepaalde onverkort van toepassing. 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 01-01-2016
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vankan tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld, indien het betreft: a. artikel 15 een belastingaanslag, daaronder begrepen de invoorgeschreven verrekening, of b. een voor bezwaar vatbare beschikking. 2 De voldoening of afdracht op aangifte, dan wel de inhouding door een inhoudingsplichtige, van een bedrag als belasting wordt voor de mogelijkheid van beroep gelijkgesteld met een voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. De wettelijke voorschriften inzake bezwaar en beroep tegen zodanige beschikking zijn van overeenkomstige toepassing, voorzover de aard van de voldoening, de afdracht of de inhouding zich daartegen niet verzet. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 26a — Artikel 26a#
Artikel 26a 1 artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vankan het beroep slechts worden ingesteld door: a. de belanghebbende aan wie de belastingaanslag is opgelegd; b. de belanghebbende die de belasting op aangifte heeft voldaan of afgedragen of van wie de belasting is ingehouden; c. degene tot wie de voor bezwaar vatbare beschikking zich richt; d. artikel 8, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 de laatste bestuurder, aandeelhouder of vereffenaar in geval van een belastingaanslag die is vastgesteld met toepassing vanaan een belastingschuldige die is opgehouden te bestaan of waarvan vermoed wordt dat deze is opgehouden te bestaan. 2 Het beroep kan mede worden ingesteld door degene van wie inkomens- of vermogensbestanddelen zijn begrepen in het voorwerp van de belasting waarop de belastingaanslag of de voor bezwaar vatbare beschikking betrekking heeft. 3 De inspecteur stelt de in het eerste of het tweede lid bedoelde belanghebbende desgevraagd op de hoogte van de gegevens met betrekking tot de belastingaanslag of de beschikking voorzover deze gegevens voor het instellen van beroep of het maken van bezwaar redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht. 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 01-01-2019
Artikel 26b — Artikel 26b#
Artikel 26b 1 Hij die beroep instelt tegen meer dan één uitspraak kan dat doen bij één beroepschrift. 2 Artikel 24a, derde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2022 530 27-12-2022 21-12-2022 36107 2022 530 27-12-2022 21-12-2022 36107 01-01-2023 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot
aanslagbiljetten waarvan de datum van dagtekening is gelegen op of
na 1 januari 2023.
Artikel 26c — Artikel 26c#
Artikel 26c artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vanvangt de termijn voor het instellen van beroep aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de uitspraak van de inspecteur, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. 1998 621 17-11-1998 29-10-1998 25175 1999 265 01-07-1999 17-06-1999 01-09-1999
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 27a — Artikel 27a#
Artikel 27a hoofdstuk VIII, afdeling 2 Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig doen van een uitspraak door de inspecteur, kan de rechtbank bepalen dat, gedurende een daarbij te bepalen termijn van toepassing blijft. 2008 112 15-04-2008 03-04-2008 30979 2008 287 22-07-2008 05-07-2008 01-08-2008 Artikel XLVII van Stb. 2008/112 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 27b — Artikel 27b#
Artikel 27b Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 27c — Artikel 27c#
Artikel 27c Artikel 8:62 van de Algemene wet bestuursrecht is slechts van toepassing voorzover het beroep is gericht tegen een uitspraak waarbij een bestuurlijke boete geheel of gedeeltelijk is gehandhaafd. In andere gevallen heeft het onderzoek ter zitting plaats met gesloten deuren, maar kan de rechtbank bepalen dat het onderzoek openbaar is, voorzover de belangen van partijen daardoor niet worden geschaad. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 27d — Artikel 27d#
Artikel 27d artikel 8:67, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vanbedraagt de termijn voor verdaging van de mondelinge uitspraak ten hoogste twee weken. 2004 672 23-12-2004 15-12-2004 29251 2004 692 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 27e — Artikel 27e#
Artikel 27e 1 artikel 52a, eerste lid Indien de vereiste aangifte niet is gedaan of sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking als bedoeld in, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. 2 artikel 52a, eerste lid Indien de rechtbank het beroep tegen een in, bedoelde informatiebeschikking ongegrond verklaart, stelt de rechtbank een nieuwe termijn voor het voldoen aan de in die beschikking bedoelde verplichtingen, in situaties waarin daar nog gevolg aan kan worden gegeven, tenzij sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. 3 Dit artikel vindt geen toepassing voor zover het beroep is gericht tegen een vergrijpboete. 2011 265 03-06-2011 27-05-2011 30645 2011 301 23-06-2011 14-06-2011 01-07-2011
Artikel 27f — Artikel 27f#
Artikel 27f 1 Een uit een uitspraak van de rechtbank voortvloeiende teruggaaf van ingehouden of op aangifte afgedragen belasting wordt verleend aan degene die het beroep heeft ingesteld. 2 Indien zowel de inhoudingsplichtige als degene van wie is ingehouden ter zake van dezelfde feiten beroep heeft ingesteld, wordt, indien uit een uitspraak terzake een teruggaaf voortvloeit, die teruggaaf uitsluitend verleend aan degene van wie is ingehouden. 2004 672 23-12-2004 15-12-2004 29251 2004 692 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 27g — Artikel 27g#
Artikel 27g 1 artikel 8:79, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vangeschiedt de verstrekking overeenkomstig die bepaling van afschriften of uittreksels aan anderen dan partijen met machtiging van de rechtbank. 2 Met betrekking tot schriftelijke uitspraken blijft de machtiging, bedoeld in het eerste lid, slechts achterwege indien op een voor de uitspraak gedaan verzoek van een der partijen de rechtbank oordeelt dat ook na anonimisering de geheimhouding van persoonlijke en financiële gegevens onvoldoende wordt beschermd en bovendien het belang van de openbaarheid van de rechtspraak niet opweegt tegen dit belang. 2004 672 23-12-2004 15-12-2004 29251 2004 692 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 27ga — Artikel 27ga#
Artikel 27ga 1 De rechtbank kan in de procedure op verzoek van een partij of ambtshalve de Hoge Raad een rechtsvraag voorleggen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, indien een antwoord op deze vraag nodig is om op het beroep te beslissen. 2 Alvorens de Hoge Raad een vraag voor te leggen, stelt de rechtbank partijen in de gelegenheid zich uit te laten over het voornemen om de Hoge Raad een vraag voor te leggen, alsmede over de inhoud van de voor te leggen vraag. 3 De beslissing waarbij de Hoge Raad een vraag wordt voorgelegd, vermeldt het onderwerp van geschil, de door de rechtbank vastgestelde feiten en de door partijen ingenomen standpunten. 4 De griffier zendt onverwijld een afschrift van de beslissing aan de Hoge Raad. De griffier zendt afschriften van de andere op de zaak betrekking hebbende stukken op diens verzoek aan de griffier van de Hoge Raad. 5 De beslissing om een vraag ter beantwoording aan de Hoge Raad voor te leggen, schorst de behandeling van de zaak totdat een afschrift van de beslissing van de Hoge Raad is ontvangen. 6 Indien in een andere lopende procedure het antwoord op een vraag rechtstreeks van belang is om in die procedure te beslissen, kan de rechtbank op verzoek van een partij of ambtshalve de behandeling van de zaak schorsen totdat de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan. Alvorens te beslissen als bedoeld in de eerste volzin, stelt de rechtbank partijen in de gelegenheid zich daarover uit te laten. 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 01-01-2016
Artikel 27gb — Artikel 27gb#
Artikel 27gb In een procedure ter beantwoording van een rechtsvraag bij wijze van prejudiciële beslissing, treedt bij de Hoge Raad Onze Minister op als partij in plaats van de inspecteur. 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 01-01-2016
Artikel 27gc — Artikel 27gc#
Artikel 27gc 1 Tenzij de Hoge Raad, gehoord de procureur-generaal, aanstonds beslist overeenkomstig het achtste lid, stelt hij partijen in de gelegenheid om binnen een door de Hoge Raad te bepalen termijn schriftelijk opmerkingen te maken. 2 De Hoge Raad kan bepalen dat ook anderen dan partijen binnen een door de Hoge Raad te bepalen termijn in de gelegenheid worden gesteld om schriftelijke opmerkingen als bedoeld in het eerste lid te maken. De aankondiging hiervan geschiedt op een door de Hoge Raad te bepalen wijze. 3 Schriftelijke opmerkingen worden ter griffie van de Hoge Raad ingediend. 4 Artikel 29c, eerste, derde en vierde lid Indien het belang van de zaak dit geraden doet voorkomen, kan de Hoge Raad, hetzij ambtshalve, hetzij op een daartoe strekkend verzoek, een termijn bepalen voor mondelinge of schriftelijke toelichting door partijen. De Hoge Raad kan, indien hij een mondelinge toelichting heeft bevolen, degenen die ingevolge het tweede lid schriftelijke opmerkingen hebben gemaakt, uitnodigen ter zitting aanwezig te zijn teneinde over hun opmerkingen te worden gehoord., is van overeenkomstige toepassing. 5 Een schriftelijke toelichting wordt door de partij getekend en ter griffie van de Hoge Raad ingediend. 6 Nadat de toelichtingen zijn gehouden of ontvangen of, indien deze niet zijn verzocht, na het verstrijken van de termijn voor het maken van schriftelijke opmerkingen, stelt de griffier, indien de procureur-generaal bij de Hoge Raad de wens te kennen heeft gegeven om te worden gehoord, alle stukken in diens handen. De procureur-generaal brengt zijn schriftelijke conclusie ter kennis van de Hoge Raad. Partijen kunnen binnen twee weken na verzending van het afschrift van de conclusie hun schriftelijk commentaar daarop doen toekomen aan de Hoge Raad. 7 artikel 27ga De uitspraak van de Hoge Raad wordt schriftelijk gedaan. De Hoge Raad kan de vraag, bedoeld in, herformuleren. Tenzij de herformulering van ondergeschikte betekenis is, stelt de Hoge Raad partijen in de gelegenheid om binnen een door de Hoge Raad te bepalen termijn schriftelijke opmerkingen te maken. 8 artikel 27ga De Hoge Raad ziet af van beantwoording van de vraag, bedoeld in, indien hij, gehoord de procureur-generaal, oordeelt dat de vraag zich niet voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing leent of dat de vraag van onvoldoende gewicht is om beantwoording te rechtvaardigen. De Hoge Raad kan zich bij de vermelding van de gronden van zijn beslissing beperken tot dit oordeel. 9 artikel 27ga Indien het antwoord op de vraag, bedoeld in, nadat deze is gesteld, niet meer nodig is om in de procedure, bedoeld in artikel 27ga, te beslissen, kan de Hoge Raad, indien hem dat geraden voorkomt, de vraag desondanks beantwoorden. 10 artikel 27ga De griffier zendt onverwijld een afschrift van de beslissing aan de rechtbank die de vraag, bedoeld in, heeft voorgelegd en aan partijen. De griffier zendt daarbij aan de rechtbank die de vraag heeft voorgelegd tevens een afschrift van: Artikel 30 is van overeenkomstige toepassing. a. de schriftelijke opmerkingen, bedoeld in het derde lid; b. de schriftelijke toelichtingen, bedoeld in het vierde lid; c. de conclusie van de procureur-generaal, bedoeld in het zesde lid; en d. het schriftelijke commentaar, bedoeld in het zesde lid. 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 01-01-2016
Artikel 27gd — Artikel 27gd#
Artikel 27gd artikel 27ga artikelen 8:14 tot en met 8:25 8:27 tot en met 8:29 8:31 tot en met 8:40 8:41a 8:44 8:45 8:60 8:71 8:77 tot en met 8:79 van de Algemene wet bestuursrecht Bij de beantwoording van de vraag, bedoeld in, zijn de,,,,,,,envan overeenkomstige toepassing, voor zover in deze afdeling niet anders is bepaald. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026
Artikel 27ge — Artikel 27ge#
Artikel 27ge artikel 27ga Behoudens indien het antwoord op de vraag, bedoeld in, niet meer nodig is om op het beroep te beslissen, beslist de rechtbank, nadat zij partijen de gelegenheid heeft gegeven zich schriftelijk over de uitspraak van de Hoge Raad uit te laten, met inachtneming van deze uitspraak. 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 01-01-2016
Artikel 27h — Artikel 27h#
Artikel 27h 1 artikel 8:104, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vankunnen slechts de belanghebbende die bevoegd was beroep bij de rechtbank in te stellen en de inspecteur hoger beroep instellen. 2 artikelen 24a, derde lid 26a, derde lid 26b, eerste lid 27c tot en met 27ge De,,, enzijn van overeenkomstige toepassing in hoger beroep. 3 De werking van de uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken of, indien hoger beroep is ingesteld, op het hoger beroep onherroepelijk is beslist. De eerste volzin geldt niet indien de uitspraak een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit betreft. 2022 530 27-12-2022 21-12-2022 36107 2022 530 27-12-2022 21-12-2022 36107 01-01-2023 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot
aanslagbiljetten waarvan de datum van dagtekening is gelegen op of
na 1 januari 2023.
Artikel 27i — Artikel 27i#
Artikel 27i Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 27j — Artikel 27j#
Artikel 27j Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 27k — Artikel 27k#
Artikel 27k Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 27l — Artikel 27l#
Artikel 27l Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 27m — Artikel 27m#
Artikel 27m Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2013 258 28-06-2013 25-06-2013 01-07-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 27n — Artikel 27n#
Artikel 27n Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 27o — Artikel 27o#
Artikel 27o Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 27p — Artikel 27p#
Artikel 27p Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 27q — Artikel 27q#
Artikel 27q Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 27r — Artikel 27r#
Artikel 27r Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 27s — Artikel 27s#
Artikel 27s Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 1 De belanghebbende die bevoegd was om hoger beroep bij het gerechtshof in te stellen en Onze Minister kunnen bij de Hoge Raad beroep in cassatie instellen tegen: a. afdeling 8.2.6 artikel 8:104, eerste lid, onderdeel c van de Algemene wet bestuursrecht een uitspraak van het gerechtshof die overeenkomstigofis gedaan, en b. artikel 8:86 van die wet is gedaan een uitspraak van de voorzieningenrechter van het gerechtshof die overeenkomstig. 2 artikel 8:55, zevende lid, onderdelen a en b, van die wet De belanghebbende en Onze Minister kunnen bij de Hoge Raad voorts beroep in cassatie instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in. 3 afdeling 8.2.6 artikel 8:104, eerste lid, onderdeel c van de Algemene wet bestuursrecht artikel 8:86 van die wet Indien de belanghebbenden en Onze Minister daarmee schriftelijk instemmen, kan bij de Hoge Raad voorts beroep in cassatie worden ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld inof, alsmede tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in. 4 Geen beroep in cassatie kan worden ingesteld tegen: a. artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht een uitspraak van het gerechtshof of de rechtbank overeenkomstig; b. artikel 8:54a van die wet een uitspraak van de rechtbank overeenkomstig; c. artikel 8:84, tweede lid, van die wet een uitspraak van de voorzieningenrechter van het gerechtshof of de rechtbank overeenkomstig, en d. artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht artikel 8:84, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht een uitspraak van de voorzieningenrechter van het gerechtshof of de rechtbank overeenkomstig, in verband met. 5 Tegen andere beslissingen van het gerechtshof, van de rechtbank of van de voorzieningenrechter kan slechts tegelijkertijd met het beroep in cassatie tegen de in het eerste of het tweede lid bedoelde uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld. 6 artikelen 24a, derde lid 26a, derde lid 26b, eerste lid De,, en, zijn van overeenkomstige toepassing. 7 De werking van de uitspraak van het gerechtshof, de rechtbank of de voorzieningenrechter wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van beroep in cassatie is verstreken of, indien beroep in cassatie is ingesteld, op het beroep in cassatie is beslist. 2022 530 27-12-2022 21-12-2022 36107 2022 530 27-12-2022 21-12-2022 36107 01-01-2023 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot
aanslagbiljetten waarvan de datum van dagtekening is gelegen op of
na 1 januari 2023.
Artikel 28a — Artikel 28a#
Artikel 28a 1 De griffier van de Hoge Raad doet van het ingestelde beroep in cassatie zo spoedig mogelijk mededeling aan de griffier van het gerecht dat de aangevallen uitspraak heeft gedaan. 2 De griffier van dit gerecht zendt een afschrift van de uitspraak en de op de uitspraak betrekking hebbende gedingstukken die onder hem berusten, onverwijld aan de griffier van de Hoge Raad. 3 De griffier maakt zo nodig onverwijld alsnog een proces-verbaal op van de zitting en zendt dit aan de griffier van de Hoge Raad. De griffier van de Hoge Raad stelt dit proces-verbaal ter beschikking aan partijen. 2016 290 21-07-2016 13-07-2016 34212 2020 99 23-03-2020 06-03-2020 15-04-2020 Artikel CIX van Stb. 2016/290 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 28b — Artikel 28b#
Artikel 28b 1 artikel 28a, eerste lid Indien beroep in cassatie is ingesteld tegen een mondelinge uitspraak, wordt de mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke uitspraak, tenzij het beroep in cassatie kennelijk niet-ontvankelijk is of de Hoge Raad anders bepaalt. De vervanging geschiedt binnen zes weken na de dag waarop de mededeling, bedoeld in, is gedaan. Het beroep in cassatie wordt geacht gericht te zijn tegen de schriftelijke uitspraak. 2 Het gerecht dat de mondelinge uitspraak heeft gedaan, verzendt de vervangende schriftelijke uitspraak gelijktijdig aan partijen en aan de griffier van de Hoge Raad. 3 artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vankan de indiener van het beroepschrift de gronden van het beroep verstrekken of aanvullen tot zes weken na de dag waarop de schriftelijke uitspraak aan hem is verzonden. 2005 603 01-12-2005 17-11-2005 30200 2005 603 01-12-2005 17-11-2005 30200 02-12-2005 01-01-2005
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 afdeling 8.1.2b artikelen 8:14 tot en met 8:25 8:27 tot en met 8:29 8:31 tot en met 8:40 8:41, met uitzondering van het tweede lid 8:41a 8:43 tot en met 8:45 8:52 8:53 8:59 8:60 8:61 8:63 8:64 8:65, eerste en tweede lid 8:70 8:71 8:72a 8:75 tot en met 8:79 8:109 8:110, derde en vijfde lid 8:111 8:112 8:113, tweede lid 8:114 titels 8.4 8.6 van de Algemene wet bestuursrecht Op de behandeling van het beroep in cassatie zijn, de,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,, enen deenvan overeenkomstige toepassing, voor zover in deze afdeling niet anders is bepaald. 2020 416 04-11-2020 14-10-2020 35550 2021 281 18-06-2021 10-06-2021 01-07-2021 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is.
Artikel 29a — Artikel 29a#
Artikel 29a Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 29b — Artikel 29b#
Artikel 29b 1 De andere partij dan de partij die het beroep in cassatie heeft ingesteld, kan binnen acht weken na de dag van verzending van het beroepschrift: a. een verweerschrift indienen; b. incidenteel beroep in cassatie instellen. 2 artikel 8:110, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht De Hoge Raad kan de in het eerste lid en de inbedoelde termijnen verlengen. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2013 258 28-06-2013 25-06-2013 01-07-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 29c — Artikel 29c#
Artikel 29c 1 Indien, hetzij in het beroepschrift hetzij in het verweerschrift hetzij nadien door degene die beroep in cassatie heeft ingesteld, binnen twee weken nadat het verweerschrift is verzonden, schriftelijk is verzocht de zaak mondeling te mogen toelichten, dan wel de Hoge Raad een onderzoek ter zitting geraden acht, bepaalt de Hoge Raad het tijdstip van de zitting. De griffier stelt beide partijen of de door hen aangewezen advocaten hiervan ten minste tien dagen tevoren in kennis. 2 De mondelinge toelichting door partijen geschiedt bij pleidooi van de door hen aangewezen advocaten. De advocaten kunnen in plaats van de zaak mondeling bij pleidooi toe te lichten een schriftelijke toelichting overleggen of toezenden. 3 Artikel 8:62 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing voor zover het beroep in cassatie is gericht tegen een uitspraak waarbij de gehele of gedeeltelijke handhaving van een bestuurlijke boete in het geding is. 4 In andere gevallen dan in het derde lid bedoeld, heeft de zitting plaats met gesloten deuren, maar kan de Hoge Raad bepalen dat de zitting openbaar is, voor zover de belangen van partijen daardoor niet worden geschaad. 2022 345 07-09-2022 22-08-2022 36003 2022 364 21-09-2022 16-09-2022 01-10-2022
Artikel 29d — Artikel 29d#
Artikel 29d 1 Nadat de toelichtingen zijn gehouden of ontvangen of, indien deze niet zijn verzocht, na indiening van de schrifturen door partijen, stelt de griffier, indien de procureur-generaal bij de Hoge Raad de wens te kennen heeft gegeven om te worden gehoord, alle stukken in diens handen. 2 De procureur-generaal brengt zijn schriftelijke conclusie ter kennis van de Hoge Raad. 3 Een afschrift van de conclusie wordt aan partijen gezonden. Partijen kunnen binnen twee weken na verzending van het afschrift van de conclusie hun schriftelijk commentaar daarop aan de Hoge Raad doen toekomen. 1998 621 17-11-1998 29-10-1998 25175 1999 265 01-07-1999 17-06-1999 01-09-1999
Artikel 29e — Artikel 29e#
Artikel 29e 1 De uitspraak van de Hoge Raad wordt schriftelijk gedaan. 2 Wanneer de Hoge Raad, hetzij op de in het beroepschrift aangevoerde, hetzij op andere gronden, de uitspraak van het gerechtshof, de rechtbank of de voorzieningenrechter vernietigt, beslist hij bij dezelfde uitspraak de zaak, zoals het gerechtshof, de rechtbank of de voorzieningenrechter had behoren te doen. Indien de beslissing van de hoofdzaak afhangt van feiten die bij de vroegere behandeling niet zijn komen vast te staan, verwijst de Hoge Raad, tenzij het punten van ondergeschikte aard betreft, het geding naar een gerechtshof of een rechtbank, ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad. 2004 672 23-12-2004 15-12-2004 29251 2004 692 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 29f — Artikel 29f#
Artikel 29f 1 artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht In geval van intrekking van het beroep in cassatie door Onze Minister, kan Onze Minister op verzoek van de belanghebbende bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing vanin de kosten worden veroordeeld. 2 De griffier zendt een door hem voor eensluidend getekend afschrift van de intrekking onverwijld aan die belanghebbende. 3 artikelen 6:5 tot en met 6:9 6:11 6:14 6:15 6:17 6:21 8:75a, tweede lid, eerste en tweede volzin, van de Algemene wet bestuursrecht artikelen 29c 29d De,,,,,enzijn van overeenkomstige toepassing, alsmede deen. 2013 50 15-02-2013 31-01-2013 32621 2013 162 26-04-2013 22-04-2013 01-07-2013 Artikelen IV en V van Stb. 2013/50 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 29g — Artikel 29g#
Artikel 29g Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 29h — Artikel 29h#
Artikel 29h 1 In geval van verwijzing zendt de griffier van de Hoge Raad de stukken en een afschrift van de uitspraak binnen een week aan het gerechtshof of aan de rechtbank waarheen de zaak is verwezen. 2 Indien de uitspraak geen verwijzing inhoudt, zendt de griffier de door partijen overgelegde stukken onverwijld aan hen terug. 2004 672 23-12-2004 15-12-2004 29251 2004 692 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 29i — Artikel 29i#
Artikel 29i 1 Een uit een uitspraak van de Hoge Raad voortvloeiende teruggaaf van ingehouden of op aangifte afgedragen belasting wordt verleend aan degene die het beroep in cassatie heeft ingesteld. 2 Indien zowel de inhoudingsplichtige als degene van wie is ingehouden ter zake van dezelfde omstandigheden beroep in cassatie heeft ingesteld, wordt, indien uit een uitspraak terzake een teruggaaf voortvloeit, die teruggaaf uitsluitend verleend aan degene van wie is ingehouden. 1999 406 30-09-1999 16-09-1999 26569 1999 406 30-09-1999 16-09-1999 26569 01-10-1999 01-09-1999 Werkt terug tot en met 1 september 1999.
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 artikel 8:79, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vangeschiedt de verstrekking overeenkomstig die bepaling van afschriften of uittreksels aan anderen dan partijen met machtiging van de Hoge Raad. 2 Artikel 27g, tweede lid , is van overeenkomstige toepassing. 1998 621 17-11-1998 29-10-1998 25175 1999 265 01-07-1999 17-06-1999 01-09-1999
Artikel 30a — Artikel 30a#
Artikel 30a Vervallen 2008 112 15-04-2008 03-04-2008 30979 2008 287 22-07-2008 05-07-2008 01-08-2008 Artikel XLVII van Stb. 2008/112 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 30b — Artikel 30b#
Artikel 30b Vervallen 2008 112 15-04-2008 03-04-2008 30979 2008 287 22-07-2008 05-07-2008 01-08-2008 Artikel XLVII van Stb. 2008/112 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 30c — Artikel 30c#
Artikel 30c Vervallen 1998 621 17-11-1998 29-10-1998 25175 1999 265 01-07-1999 17-06-1999 01-09-1999
Artikel 30d — Artikel 30d#
Artikel 30d Vervallen 2004 654 23-12-2004 16-12-2004 29758 2004 654 23-12-2004 16-12-2004 29758 01-01-2005 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet. 2004 672 23-12-2004 15-12-2004 29251 2004 251 28-12-2004 21-12-2004 WDB2004/799M 2004 692 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 30e — Artikel 30e#
Artikel 30e Vervallen 1997 738 29-12-1997 18-12-1997 23470 1997 737 29-12-1997 18-12-1997 24800 1997 739 29-12-1997 18-12-1997 01-01-1998
Artikel 30f — Artikel 30f#
Artikel 30f 1 Indien met betrekking tot de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting na het verstrijken van een periode van 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven een voorlopige aanslag met een door de belastingplichtige te betalen bedrag aan belasting wordt vastgesteld, wordt met betrekking tot die aanslag aan de belastingplichtige rente – belastingrente – in rekening gebracht. 2 artikel 9 van de Invorderingswet 1990 De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de voorlopige aanslag invorderbaar is ingevolgeen heeft als grondslag het te betalen bedrag aan belasting. 3 Ingeval de voorlopige aanslag is vastgesteld overeenkomstig een op de door de inspecteur aangegeven wijze ingediend verzoek of overeenkomstig de ingediende aangifte met betrekking tot het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, eindigt het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend in afwijking in zoverre van het tweede lid, uiterlijk 14 weken na de datum van ontvangst van het verzoek, onderscheidenlijk 19 weken na de datum van ontvangst van deze aangifte. 4 Geen belastingrente wordt in rekening gebracht ingeval de voorlopige aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting is vastgesteld overeenkomstig een op de door de inspecteur aangegeven wijze ingediend verzoek dat is ontvangen voor de eerste dag van de vijfde maand of overeenkomstig een ingediende aangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting die is ontvangen voor de eerste dag van de vijfde, onderscheidenlijk zesde, maand na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven. 2019 512 27-12-2019 18-12-2019 35303 2019 512 27-12-2019 18-12-2019 35303 01-01-2020 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot
belastingaanslagen die betrekking hebben op belastingtijdvakken die
zijn aangevangen op of na 1 januari 2019.
Artikel 30fa — Artikel 30fa#
Artikel 30fa 1 Indien met betrekking tot de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting na het verstrijken van een periode van 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven een voorlopige aanslag tot een negatief bedrag aan te betalen belasting wordt vastgesteld, wordt met betrekking tot die aanslag aan de belastingplichtige rente – belastingrente – vergoed ingeval wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de voorlopige aanslag is overeenkomstig een op de door de inspecteur aangegeven wijze ingediend verzoek of overeenkomstig de ingediende aangifte met betrekking tot het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, en b. tussen de datum van ontvangst van dat verzoek of die aangifte en de datum van vaststelling van de voorlopige aanslag zijn meer dan 8 weken, onderscheidenlijk meer dan 13 weken, verstreken. 2 De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt 8 weken na ontvangst van het verzoek, onderscheidenlijk 13 weken na ontvangst van de aangifte, doch niet eerder dan 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, en eindigt 6 weken na de dagtekening van het aanslagbiljet en heeft als grondslag het te betalen bedrag aan belasting. 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2013 Artikel XXXIV, eerste lid, van Stb. 2011/639 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 30fb — Artikel 30fb#
Artikel 30fb 1 artikel 9 van de Invorderingswet 1990 Bij herziening van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting met een positief bedrag tot een voorlopige aanslag met een hoger positief bedrag, wordt met betrekking tot het verschil belastingrente in rekening gebracht over het tijdvak dat aanvangt 6 maanden te rekenen vanaf het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop het verschil invorderbaar is ingevolge. Ingeval de herziening is vastgesteld overeenkomstig een op de door de inspecteur aangegeven wijze ingediend verzoek of overeenkomstig de ingediende aangifte met betrekking tot het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, eindigt het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend in afwijking in zoverre van de eerste volzin, uiterlijk 14 weken na de datum van ontvangst van het verzoek, onderscheidenlijk 19 weken na ontvangst van de aangifte. 2 artikel 30fa, eerste lid Bij herziening van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting met een positief bedrag tot een voorlopige aanslag met een lager positief bedrag, wordt, zo eerder ter zake van dat positieve bedrag belastingrente in rekening is gebracht, die eerder in rekening gebrachte belastingrente voor zover toerekenbaar aan het verschil, verminderd. Ter zake van het verschil in positieve bedragen wordt belastingrente vergoed ingeval wordt voldaan aan de voorwaarden van, welke wordt berekend volgens het tweede lid van dat artikel. 3 artikel 30fa, eerste lid Bij herziening van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting met een positief bedrag tot een voorlopige aanslag met een negatief bedrag, wordt, zo eerder ter zake van dat positieve bedrag belastingrente in rekening is gebracht, die eerder in rekening gebrachte belastingrente verminderd. Ter zake van het verschil tussen het positieve bedrag en het negatieve bedrag wordt belastingrente vergoed ingeval wordt voldaan aan de voorwaarden van, welke wordt berekend volgens het tweede lid van dat artikel. 4 artikel 9 van de Invorderingswet 1990 Bij herziening van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting met een negatief bedrag tot een voorlopige aanslag met positief bedrag, wordt met betrekking tot het verschil tussen die bedragen belastingrente in rekening gebracht over het tijdvak dat aanvangt 6 maanden te rekenen vanaf het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop het verschil invorderbaar is ingevolge. Ingeval de herziening is vastgesteld overeenkomstig een op de door de inspecteur aangegeven wijze ingediend verzoek of overeenkomstig de ingediende aangifte met betrekking tot het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, eindigt het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend in afwijking in zoverre van de eerste volzin uiterlijk 14 weken na de datum van ontvangst van het verzoek, onderscheidenlijk 19 weken na de datum van ontvangst van deze aangifte. 5 artikel 9 van de Invorderingswet 1990 Bij herziening van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting met een negatief bedrag tot een voorlopige aanslag met een kleiner negatief bedrag wordt met betrekking tot het verschil tussen die bedragen belastingrente in rekening gebracht over het tijdvak dat aanvangt 6 maanden te rekenen vanaf het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop het verschil invorderbaar is ingevolge. Ingeval de herziening is vastgesteld overeenkomstig een op de door de inspecteur aangegeven wijze ingediend verzoek of overeenkomstig de ingediende aangifte met betrekking tot het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, eindigt het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend in afwijking in zoverre van de eerste volzin, uiterlijk 14 weken na de datum van ontvangst van het verzoek, onderscheidenlijk 19 weken na de datum van ontvangst van de aangifte. 6 artikel 30fa, eerste lid Bij herziening van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting met een negatief bedrag tot een voorlopige aanslag met een groter negatief bedrag wordt, ingeval wordt voldaan aan de voorwaarden van, belastingrente vergoed, berekend over het tijdvak, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, en met als grondslag het verschil tussen de twee negatieve bedragen. 7 artikel 30f, vierde lid Bij een herziening van een voorlopige aanslag als bedoeld in het eerste, vierde en vijfde lid, is, van overeenkomstige toepassing. 8 Indien naar aanleiding van een bezwaarschrift of een daaropvolgende gerechtelijke procedure een voorlopige aanslag wordt herzien overeenkomstig het tweede, derde of zesde lid, wordt geen rente vergoed. In het geval ter zake van de herziene voorlopige aanslag eerder belastingrente in rekening is gebracht, wordt deze rente verminderd overeenkomstig het tweede lid, onderscheidenlijk derde lid. 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 01-01-2015
Artikel 30fc — Artikel 30fc#
Artikel 30fc 1 Indien met betrekking tot de inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting na het verstrijken van een periode van 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven een aanslag of een navorderingsaanslag met een door de belastingplichtige te betalen bedrag aan belasting wordt vastgesteld, wordt met betrekking tot die aanslag, onderscheidenlijk die navorderingsaanslag, aan de belastingplichtige rente – belastingrente – in rekening gebracht. 2 artikel 9 van de Invorderingswet 1990 De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de aanslag, onderscheidenlijk de navorderingsaanslag, invorderbaar is ingevolgeen heeft als grondslag het te betalen bedrag aan belasting. 3 Ingeval de aanslag is vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte, eindigt het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend in afwijking in zoverre van het tweede lid, uiterlijk 19 weken na de datum van ontvangst van de aangifte. 4 Geen belastingrente wordt in rekening gebracht ingeval de aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting is vastgesteld overeenkomstig een ingediende aangifte die is ontvangen voor de eerste dag van de vijfde, onderscheidenlijk zesde, maand na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven. 5 Ingeval de navorderingsaanslag is vastgesteld naar aanleiding van een verzoek, eindigt het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend in afwijking in zoverre van het tweede lid, uiterlijk 12 weken na de datum van ontvangst van het verzoek. 6 artikel 2.8, tweede en vierde tot en met zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.58, eerste lid artikel 3.64, eerste lid, van die wet Dit artikel is niet van toepassing met betrekking tot inkomstenbelasting ter zake van te conserveren inkomen als bedoeld in, uitgezonderd te conserveren inkomen dat is ontstaan door toepassing van, of. 7 Voor de toepassing van dit artikel geldt als het te betalen bedrag aan belasting: het bedrag na de verrekening ingevolge: a. artikel 15 ; b. artikelen 3 152, zesde lid 4.51, zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 de, en; c. artikel 21, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 . 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 30fd — Artikel 30fd#
Artikel 30fd 1 Indien met betrekking tot de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting na het verstrijken van een periode van 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven een aanslag tot een negatief bedrag aan te betalen belasting wordt vastgesteld, wordt met betrekking tot die aanslag aan de belastingplichtige rente – belastingrente – vergoed ingeval wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de aanslag is overeenkomstig de ingediende aangifte, en b. tussen de datum van ontvangst van die aangifte en de datum van vaststelling van de aanslag zijn meer dan 13 weken verstreken. 2 Artikel 30fc, zesde en zevende lid , is van overeenkomstige toepassing. 3 Ingeval met de aanslag geen voorlopige aanslag is verrekend, wordt de belastingrente enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt 13 weken na ontvangst van de aangifte doch niet eerder dan 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, en eindigt 6 weken na de dagtekening van het aanslagbiljet en heeft als grondslag het te betalen bedrag aan belasting. 4 artikel 30fb Ingeval met de aanslag wel een voorlopige aanslag is verrekend, vindt de renteberekening plaats overeenkomstig de renteberekening bij een herziening van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting, onderscheidenlijk vennootschapsbelasting, bedoeld in. 2013 566 23-12-2013 18-12-2013 33753 2013 566 23-12-2013 18-12-2013 33753 01-01-2014 01-01-2013
Artikel 30fe — Artikel 30fe#
Artikel 30fe 1 artikel 30fb, tweede en derde lid. Indien met betrekking tot de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting na het verstrijken van een periode van 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven naar aanleiding van een bezwaarschrift of een daaropvolgende gerechtelijke procedure een aanslag of een navorderingsaanslag wordt verminderd of wordt vernietigd, dan wel een aanslag of navorderingsaanslag ambtshalve wordt verminderd, wordt geen rente vergoed. In het geval ter zake van de verminderde of vernietigde aanslag of navorderingsaanslag eerder belastingrente in rekening is gebracht, wordt deze rente verminderd overeenkomstig de herziening van een voorlopige aanslag, bedoeld in 2 Dit artikel vindt geen toepassing bij een vermindering van een aanslag of navorderingsaanslag die voortvloeit uit een verrekening van een verlies van een volgend jaar. 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2013 Artikel XXXIV, eerste lid, van Stb. 2011/639 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 30g — Artikel 30g#
Artikel 30g 1 Indien met betrekking tot de erfbelasting een belastingaanslag met een door de belastingplichtige te betalen bedrag aan belasting wordt vastgesteld, wordt met betrekking tot die belastingaanslag rente – belastingrente – in rekening gebracht. 2 De belastingrente wordt enkelvoudig berekend: De renteberekening heeft als grondslag het te betalen bedrag aan belasting. a. artikel 9 van de Invorderingswet 1990 indien het betreft een belastingaanslag ter zake van een overlijden: over het tijdvak dat aanvangt twintig maanden na het overlijden en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de belastingaanslag invorderbaar is ingevolge; b. artikel 9 van de Invorderingswet 1990 indien het betreft een belastingaanslag ter zake van een verkrijging ten gevolge van de vervulling van een voorwaarde: over het tijdvak dat aanvangt twintig maanden na de dag van de vervulling van de voorwaarde en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de belastingaanslag invorderbaar is ingevolge; c. artikel 8, vijfde lid, van de Natuurschoonwet 1928 artikel 9 van de Invorderingswet 1990 indien het betreft een belastingaanslag als bedoeld in: over het tijdvak dat aanvangt op de dag dat zich een van de gevallen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Natuurschoonwet 1928, voordoet en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de belastingaanslag invorderbaar is ingevolge. 3 Indien de belastingaanslag is vastgesteld overeenkomstig een verzoek of overeenkomstig de aangifte, eindigt het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend in afwijking in zoverre van het tweede lid uiterlijk 14 weken na de datum van ontvangst van het verzoek, onderscheidenlijk 19 weken na de datum van ontvangst van de aangifte. Ingeval het betreft een navorderingsaanslag die is vastgesteld naar aanleiding van een verzoek, eindigt het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend in afwijking in zoverre van de eerste volzin uiterlijk 12 weken na de datum van de ontvangst van het verzoek. 4 Geen belastingrente wordt in rekening gebracht ingeval de belastingaanslag ter zake van een overlijden is vastgesteld overeenkomstig een verzoek of overeenkomstig een ingediende aangifte indien het verzoek, onderscheidenlijk de aangifte, is ontvangen voor de eerste dag van de eenentwintigste maand na het overlijden. 5 Indien een belastingaanslag ter zake waarvan belastingrente in rekening is gebracht naar aanleiding van een bezwaarschrift, een daaropvolgende gerechtelijke procedure of een ambtshalve vermindering wordt verminderd of wordt vernietigd, wordt de eerder in rekening gebrachte rente naar evenredigheid verminderd, onderscheidenlijk vernietigd. 6 artikel 15 Voor de toepassing van dit artikel geldt als het te betalen bedrag aan belasting, het bedrag na de verrekening ingevolge. 7 artikel 45, tweede lid, van de Successiewet 1956 Met betrekking tot het tweede lid, onderdelen a en b, en het vierde lid isvan overeenkomstige toepassing. 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 2025 444 23-12-2025 17-12-2025 36812 01-01-2026 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot
belastingaanslagen erfbelasting ter zake van overlijdens die op of
na 1 januari 2026 plaatsvinden.
Artikel 30h — Artikel 30h#
Artikel 30h 1 artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag Met betrekking tot naheffingsaanslagen ter zake van loonbelasting, dividendbelasting, bronbelasting, omzetbelasting, overdrachtsbelasting, belasting van personenauto’s en motorrijwielen, accijns, verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken of een ingenoemde belasting, wordt aan degene ten name van wie de naheffingsaanslag is gesteld, rente – belastingrente – in rekening gebracht, ingeval de naheffingsaanslag is vastgesteld na het einde van het kalenderjaar of boekjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft. 2 artikel 9 van de Invorderingswet 1990 De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag volgend op het kalenderjaar of boekjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de naheffingsaanslag invorderbaar is ingevolgeen heeft als grondslag de nageheven belasting. 3 artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag Ingeval een naheffingsaanslag ter zake van loonbelasting, dividendbelasting, bronbelasting, overdrachtsbelasting, belasting van personenauto’s en motorrijwielen, accijns, verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken of een ingenoemde belasting is vastgesteld overeenkomstig een verzoek, eindigt het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend, in afwijking in zoverre van het tweede lid, uiterlijk 10 weken na de datum van ontvangst van het verzoek. Het verzoek wordt op een door de inspecteur aangegeven wijze ingediend. 4 Het eerste lid vindt geen toepassing ingeval de naheffingsaanslag het gevolg is van een verzoek dat is gedaan binnen 3 maanden na het einde van het kalenderjaar of boekjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft. 5 Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing voor zover een in het eerste lid bedoelde belasting te laat, doch voordat een naheffingsaanslag is vastgesteld, wordt betaald, behoudens ingeval de betaling plaatsvindt binnen 3 maanden na het einde van het kalenderjaar of boekjaar waarop de te laat betaalde belasting betrekking heeft. Belastingrente wordt berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag volgend op het kalenderjaar of boekjaar waarop de te laat betaalde belasting betrekking heeft en eindigt op de dag van betaling en heeft als grondslag het bedrag van de te laat betaalde belasting. 6 Indien een naheffingsaanslag ter zake waarvan belastingrente in rekening is gebracht naar aanleiding van een bezwaarschrift, een daaropvolgende gerechtelijke procedure of een ambtshalve vermindering wordt verminderd of wordt vernietigd, wordt de eerder in rekening gebrachte rente naar evenredigheid verminderd, onderscheidenlijk vernietigd. 7 artikel 28a van de Wet op de loonbelasting 1964 Voor de toepassing van het derde en vierde lid wordt onder een verzoek onder meer verstaan een herziening van een aangifte (suppletie) en een correctiebericht als bedoeld in. 2022 530 27-12-2022 21-12-2022 36107 2022 530 27-12-2022 21-12-2022 36107 01-01-2023
Artikel 30ha — Artikel 30ha#
Artikel 30ha 1 artikel 30h Met betrekking tot de inbedoelde belastingen wordt rente – belastingrente – vergoed ingeval een teruggaafbeschikking niet wordt vastgesteld binnen 8 weken na de ontvangst van het verzoek om die beschikking. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt 8 weken na ontvangst van het verzoek, doch niet eerder dan 3 maanden na het einde van het kalenderjaar of boekjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft en eindigt 14 dagen na de dagtekening van de teruggaafbeschikking. 2 artikel 30h Uitgezonderd bij een vermindering van een naheffingsaanslag, wordt met betrekking tot de inbedoelde belastingen ook belastingrente vergoed indien recht ontstaat op een terug te geven bedrag dat verband houdt met een door de inspecteur ingenomen standpunt ter zake van de bij wege van voldoening of afdracht op aangifte verschuldigde of terug te geven belasting. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na die van de voldoening of afdracht van die belasting, doch niet eerder dan 3 maanden na het einde van het kalenderjaar of boekjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft en eindigt 14 dagen na de dagtekening van de teruggaafbeschikking en heeft als grondslag het terug te geven bedrag. 3 artikel 30h Met betrekking tot de inbedoelde belastingen wordt ook belastingrente vergoed indien een afwijzende beschikking op een verzoek om een teruggaaf wordt vervangen door een teruggaafbeschikking. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt 8 weken na de ontvangst van het verzoek om de teruggaaf, doch niet eerder dan 3 maanden na het einde van het kalenderjaar of boekjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft en eindigt 14 dagen na de dagtekening van de teruggaafbeschikking. 4 Wet bronbelasting 2021 artikel 6.2 van de Wet bronbelasting 2021 artikelen 47 47a In afwijking van het eerste lid wordt de termijn van 8 weken bij de vaststelling van een teruggaafbeschikking ter zake van dividendbelasting of bronbelasting als bedoeld in deopgeschort met ingang van de dag na die waarop de inspecteur op grond van deenofverzoekt gegevens en inlichtingen te verstrekken of boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan voor raadpleging ter beschikking te stellen, tot de dag waarop aan dit verzoek is voldaan. 5 artikel 32, onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 32b van die wet Geen belastingrente wordt vergoed aan een ondernemer als bedoeld inter zake van een teruggaaf van in Nederland in rekening gebrachte omzetbelasting als bedoeld in. 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 01-01-2021
Artikel 30hb — Artikel 30hb#
Artikel 30hb Het percentage van de belastingrente bedraagt een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage, dat voor verschillende belastingen en voor in rekening te brengen rente en te vergoeden rente verschillend kan worden vastgesteld. 2024 440 23-12-2024 18-12-2024 36605 2024 440 23-12-2024 18-12-2024 36605 01-01-2025
Artikel 30i — Artikel 30i#
Artikel 30i 1 Met betrekking tot de inkomstenbelasting wordt rente – revisierente – verschuldigd, indien: a. artikel 19b, eerste lid of tweede lid, eerste volzin, van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 3.81 van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.83, eerste of tweede lid 7.2, achtste lid, van de laatstgenoemde wet door de toepassing vanin verbinding metof van, dan wel artikelde aanspraak ingevolge een pensioenregeling tot het loon wordt gerekend; b. artikel 3.133 3.136 7.2, tweede lid, aanhef en onderdeel g, van de Wet inkomstenbelasting 2001 ingevolge,ofpremies voor een aanspraak op periodieke uitkeringen als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen; c. artikel 3.135 7.2, tweede lid, aanhef en onderdeel g, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van die wet ingevolgeofpremies voor een aanspraak uit een pensioenregeling als bedoeld inals negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen. 2 artikel 3.133 artikelen 3.133, negende lid 3.136, tweede, derde of vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 De revisierente bedraagt 20 percent van de waarde in het economische verkeer van aanspraken als bedoeld in het eerste lid. In afwijking van de eerste zin bedraagt de revisierente, ingevaldan wel de, ofvan toepassing is, 20% van het bedrag dat ingevolge dat artikel respectievelijk die leden als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking wordt genomen. 3 artikel 30fc Ingeval de aanspraak is bedongen minder dan 10 jaren vóór het jaar waarin de aanspraak ingevolge een pensioenregeling of de aanspraak op periodieke uitkeringen tot loon wordt gerekend dan wel de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen worden genoten, wordt, indien de belastingplichtige dit verzoekt, in afwijking van het tweede lid, de revisierente gesteld op het door de belastingplichtige aannemelijk te maken bedrag dat ingevolgeaan belastingrente in rekening zou worden gebracht indien: artikel 30fc, tweede lid artikel 3.133, negende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Hierbij worden de bedragen van die navorderingsaanslagen gesteld op 50 percent van de premies, bedoeld in de vorige volzin onderdeel a, danwel van de aanspraak, bedoeld in de vorige volzin onderdeel b, en wordt het einde van het in, bedoelde tijdvak gesteld op 31 december van het jaar waarin de aanspraak ingevolge een pensioenregeling of de aanspraak op periodieke uitkeringen tot loon wordt gerekend dan wel de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen worden genoten. Indienwordt toegepast, wordt het bedrag aan revisierente, berekend op grond van de eerste en tweede zin, vermenigvuldigd met het bedrag dat door toepassing van artikel 3.133, eerste en negende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, als negatieve uitgave voor inkomensvoorzieningen als bedoeld in artikel 3.133, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 in aanmerking wordt genomen, gedeeld door het gezamenlijke bedrag, bedoeld in artikel 3.133, negende lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001. a. ingeval het betreft een aanspraak ingevolge een pensioenregeling of negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen: de mogelijkheid zou bestaan de aftrek van de premies voor de aanspraak ongedaan te maken door navorderingsaanslagen over de jaren van die aftrek, of b. ingeval het betreft een aanspraak op periodieke uitkeringen: de mogelijkheid zou bestaan de aanspraak tot inkomen uit werk en woning te rekenen in het jaar waarop de aanspraak is ontstaan en ter zake daarvan een navorderingsaanslag op te leggen. 4 artikelen 3.83, eerste of tweede lid 3.133, tweede lid, onderdelen h of j 3.136, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid 7.2, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 30fc, zesde lid Indien revisierente wordt berekend met betrekking tot inkomstenbelasting die betrekking heeft op inkomsten die in aanmerking zijn genomen op grond van de,,, of, wordt bij de toepassing van het derde lid, buiten toepassing gelaten. 2024 440 23-12-2024 18-12-2024 36605 2024 440 23-12-2024 18-12-2024 36605 01-01-2025
Artikel 30ia — Artikel 30ia#
Artikel 30ia 1 Voor zover gedurende het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend het te betalen bedrag aan belasting reeds is geheven, dan wel op aangifte is voldaan of afgedragen, kan de inspecteur de belastingrente die over dat gedeelte van het tijdvak in rekening wordt gebracht verminderen naar evenredigheid van het reeds geheven, dan wel voldane of afgedragen bedrag. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op de belastingrente die in rekening wordt gebracht over de periode vanaf de dagtekening van de vaststelling van de belastingaanslag ter zake waarvan de belastingrente wordt berekend. 3 Bij ministeriële regeling kunnen: a. situaties worden aangewezen waarin het te betalen bedrag aan belasting geacht wordt reeds te zijn geheven, dan wel op aangifte te zijn voldaan of afgedragen; b. nadere regels worden gesteld voor de toepassing van het eerste lid; c. regels worden gesteld op grond waarvan toepassing van het eerste lid om doelmatigheidsredenen achterwege blijft. 2022 530 27-12-2022 21-12-2022 36107 2023 432 29-11-2023 23-11-2023 01-01-2024
Artikel 30j — Artikel 30j#
Artikel 30j 1 De inspecteur stelt het bedrag van de belastingrente vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Met betrekking tot deze beschikking zijn de bepalingen in de belastingwet die gelden voor de belastingaanslag ter zake waarvan belastingrente wordt berekend, van overeenkomstige toepassing. 2 Het bedrag van de belastingrente wordt op het aanslagbiljet of op het afschrift van de uitspraak of bij de bekendmaking afzonderlijk vermeld. Ingeval de eerste volzin geen toepassing vindt, blijkt het bedrag van de belastingrente uit het afschrift van de beschikking. 3 artikel 30i Met betrekking tot de revisierente bedoeld inzijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing. 4 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de bij de berekening van belastingrente toe te passen afrondingen. Voorts kunnen regels worden gesteld met betrekking tot een doelmatige berekening van de belastingrente. 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2013 Artikel XXXIV, eerste lid, van Stb. 2011/639 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 30k — Artikel 30k#
Artikel 30k Trb. Belastingregeling voor het Koninkrijk artikelen 30f tot en met 30hb Onze Minister kan in het kader van een regeling voor onderling overleg op grond van het Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen (1990, 173), deof een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting, voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen afwijkingen toestaan van de. 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2013 Artikel XXXIV, eerste lid, van Stb. 2011/639 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 Voor de heffing van de directe belastingen en de inkomstenbelasting wordt geen rekening gehouden met rechtshandelingen waarvan op grond van de omstandigheid dat zij geen wezenlijke verandering van feitelijke verhoudingen hebben ten doel gehad, of op grond van andere bepaalde feiten en omstandigheden moet worden aangenomen dat zij zouden achterwege gebleven zijn indien daarmede niet de heffing van de belasting voor het vervolg geheel of ten dele zou worden onmogelijk gemaakt. 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 artikel 31 Het besluit van de inspecteur om een belastingaanslag met toepassing vanvast te stellen, wordt genomen bij voor bezwaar vatbare beschikking en niet dan nadat Onze Minister daartoe toestemming heeft verleend. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 1 artikel 31 In geval van twijfel of een beraamde rechtshandeling onderzou vallen, kan de belanghebbende deze vraag onderwerpen aan het oordeel van de inspecteur. De beslissing van de inspecteur wordt genomen bij voor bezwaar vatbare beschikking. 2 artikel 31 Indien de inspecteur de in het eerste lid bedoelde vraag ontkennend beantwoordt, kanop de rechtshandeling, zo zij tot stand komt, niet worden toegepast, tenzij mocht blijken, dat de feiten niet volkomen overeenstemmen met de tevoren gegeven voorstelling. 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 artikel 32 33 artikel 31 In geval van beroep tegen een uitspraak op een bezwaarschrift betreffende een beschikking als bedoeld inof, handhaaft de rechtbank de uitspraak indien blijkt, dat de in de beschikking omschreven rechtshandeling voldoet aan de voor de toepassing vangestelde voorwaarden, en vernietigt het de uitspraak indien dit niet het geval is. 2004 672 23-12-2004 15-12-2004 29251 2004 692 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 artikel 32 artikelen 32 33 artikel 31 artikel 31 Nadat de inbedoelde beschikking onherroepelijk is geworden kan daaraan uitvoering worden gegeven. Een na het onherroepelijk worden van de in deofbedoelde beschikking, met toepassing vanvastgestelde belastingaanslag kan niet worden bestreden met het bezwaar, datgeen toepassing had mogen vinden. 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 artikel 11, derde lid artikel 16, derde en vierde lid artikel 20, derde lid artikel 32 De termijnen van,, en, worden verlengd met de tijd die verloopt tussen de dagtekening van het afschrift van de inbedoelde beschikking en de dag welke valt een jaar na die waarop die beschikking onherroepelijk geworden dan wel vernietigd is. 1994 928 23-12-1994 23782 1994 928 23-12-1994 23782 01-01-1995
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, met inachtneming van het beginsel van wederkerigheid, regelen worden gesteld, waardoor in aansluiting aan de desbetreffende bepalingen voorkomende in de wetgeving van een ander deel van het Koninkrijk of van een andere Mogendheid dan wel in de besluiten van een volkenrechtelijke organisatie, dubbele belasting geheel of gedeeltelijk wordt voorkomen. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter voorkoming van dubbele belasting in gevallen waarin daaromtrent niet op andere wijze is voorzien, regels worden gesteld ten einde gehele of gedeeltelijke vrijstelling of vermindering te verlenen van de belasting die betrekking heeft op inkomen of vermogen uit de BES eilanden. 3 De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2011 562 02-12-2011 24-11-2011 32810 2011 562 02-12-2011 24-11-2011 32810 01-01-2012
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter voorkoming van dubbele belasting in gevallen waarin daaromtrent niet op andere wijze is voorzien, regelen worden gesteld ten einde gehele of gedeeltelijke vrijstelling of vermindering van belasting te verlenen, indien en voor zover het voorwerp van de belasting is onderworpen aan een belasting die vanwege een ander land van het Koninkrijk, een andere Mogendheid of een volkenrechtelijke organisatie wordt geheven. 2 artikel 37 Belastbaar loon uit tegenwoordige arbeid wordt voor de toepassing van het eerste lid geacht te zijn onderworpen aan een belasting die vanwege een andere Mogendheid wordt geheven, indien zij wordt genoten uit privaatrechtelijke dienstbetrekking tot een werkgever die is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie of in een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, voorzover dat loon betrekking heeft op arbeid die gedurende ten minste drie aaneengesloten maanden wordt verricht binnen het gebied van een Mogendheid waarmee Nederland geen verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten en met betrekking waartoe geen regelen zijn gesteld op grond van. Voor de toepassing van de vorige volzin omvat het gebied van een andere Mogendheid mede het gebied buiten de territoriale wateren van die Mogendheid waar deze in overeenstemming met het internationale recht soevereine rechten kan uitoefenen. Onze Minister is bevoegd voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen te bepalen dat loon betrekking heeft op arbeid die gedurende ten minste drie aaneengesloten maanden wordt verricht. 2011 562 02-12-2011 24-11-2011 32810 2011 562 02-12-2011 24-11-2011 32810 01-01-2012
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 In de gevallen waarin het volkenrecht, dan wel naar het oordeel van Onze Minister het internationale gebruik, daartoe noopt, wordt vrijstelling van belasting verleend. Onze Minister is bevoegd ter zake nadere regelen te stellen. 1959 301 02-07-1959 4080 1962 319 18-08-1962 01-10-1962
Artikel 39a — Artikel 39a#
Artikel 39a hoofdstuk V Onze Minister neemt bij voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld ineen besluit tot afwijzing van een verzoek dat is gedaan ingevolge het Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen of een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting in welk verzoek een onderneming of persoon als bedoeld in die verdragen die van oordeel is dat de maatregelen van een of van beide verdragsluitende staten voor haar, onderscheidenlijk hem, leiden of zullen leiden tot belastingheffing die niet in overeenstemming is met het betreffende verdrag Onze Minister verzoekt om in onderling overleg te treden met de bevoegde autoriteit van een andere staat. 2022 530 27-12-2022 21-12-2022 36107 2022 530 27-12-2022 21-12-2022 36107 01-01-2023 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot besluiten
waarvan de datum van dagtekening is gelegen op of na 1 januari 2023.
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 Vervallen 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 2000 216 30-05-2000 11-05-2000 26728 01-01-2001
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 Hij die zich, ingevolge de belastingwet opgeroepen tot het mondeling aan de inspecteur verstrekken van gegevens en inlichtingen, voor het onderhoud met de inspecteur doet vertegenwoordigen, is desgevorderd gehouden zijn vertegenwoordiger te vergezellen. 2006 681 22-12-2006 14-12-2006 30577 2006 681 22-12-2006 14-12-2006 30577 01-01-2007
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 De bevoegdheden van een lichaam kunnen worden uitgeoefend en zijn verplichtingen kunnen worden nagekomen door iedere bestuurder. 1959 301 02-07-1959 4080 1962 319 18-08-1962 01-10-1962
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 De bevoegdheden en de verplichtingen van een minderjarige, een onder curatele gestelde, iemand die in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is, of wiens vermogen onder bewind is gesteld, kunnen worden uitgeoefend en nagekomen door hun wettelijke vertegenwoordiger, curator en bewindvoerder. Desgevorderd zijn laatstgenoemden tot nakoming van de verplichtingen gehouden. 1998 446 23-07-1998 25-06-1998 23429 1998 622 17-11-1998 09-11-1998 01-12-1998
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 1 Na iemands overlijden kunnen zijn rechtverkrijgenden onder algemene titel in het uitoefenen van de bevoegdheden en in het nakomen van de verplichtingen, welke de overledene zou hebben gehad, ware hij in leven gebleven, worden vertegenwoordigd door een hunner, de executeur, de door de rechter benoemde vereffenaar van de nalatenschap of de bewindvoerder over de nalatenschap. Desgevorderd is ieder der in dit lid genoemde personen tot nakoming van die verplichtingen gehouden. 2 Stukken betreffende belastingaangelegenheden van een overledene kunnen worden gericht aan een der in het eerste lid genoemde personen. 2002 230 23-05-2002 18-04-2002 27245 2002 558 19-11-2002 11-11-2002 01-01-2003 2002 429 22-08-2002 16-08-2002 2002 558 19-11-2002 11-11-2002 01-01-2003 Tekstplaatsing met aanpassing van de in de regeling genoemde nummering. De gegevens van inwerkingtreding zijn ontleend aan de bron van de tekstplaatsing.
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 Om geldige redenen kan de inspecteur vertegenwoordiging uitsluiten in de nakoming van een verplichting van hem die zelf tot die nakoming in staat is. 1959 301 02-07-1959 4080 1962 319 18-08-1962 01-10-1962
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 De bepalingen van deze afdeling gelden niet met betrekking tot strafvordering. 1959 301 02-07-1959 4080 1962 319 18-08-1962 01-10-1962
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 1 Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur: a. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn; b. de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan - zulks ter keuze van de inspecteur - waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen. 2 Ingeval de belastingwet aangelegenheden van een derde aanmerkt als aangelegenheden van degene die vermoedelijk belastingplichtig is, gelden, voor zover het deze aangelegenheden betreft, gelijke verplichtingen voor de derde. 3 artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht Een ieder die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, is verplicht op vordering van de inspecteur terstond een identiteitsbewijs als bedoeld inter inzage aan te bieden, indien dit van belang kan zijn voor de belastingheffing te zijnen aanzien. 2004 300 06-07-2004 24-06-2004 29218 2004 583 18-11-2004 09-11-2004 01-01-2005
Artikel 47a — Artikel 47a#
Artikel 47a 1 artikel 47, eerste lid Met betrekking tot een vennootschap met een geheel of ten dele in aandelen verdeeld kapitaal waarin een niet in Nederland gevestigd lichaam of een niet in Nederland wonende natuurlijke persoon een belang heeft van meer dan 50 percent en met betrekking tot een ander lichaam waarover dat niet in Nederland gevestigde lichaam of die natuurlijke persoon de zeggenschap heeft, is, van overeenkomstige toepassing ter zake van gegevens en inlichtingen alsmede gegevensdragers die in het bezit zijn van dat niet in Nederland gevestigde lichaam of die natuurlijke persoon. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing in gevallen waarin twee of meer lichamen of natuurlijke personen waarvan er ten minste één niet in Nederland is gevestigd of woont, volgens een onderlinge regeling tot samenwerking een belang houden van meer dan 50 percent in een vennootschap met een geheel of ten dele in aandelen verdeeld kapitaal dan wel de zeggenschap hebben in een ander lichaam. Ter zake van die gegevensdragers kan worden volstaan met het voor raadpleging beschikbaar stellen van de inhoud daarvan door middel van kopieën, leesbare afdrukken of uittreksels. 2 artikel 47, eerste lid Met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde vennootschap en het andere lichaam is, eveneens van overeenkomstige toepassing ter zake van gegevens en inlichtingen alsmede gegevensdragers die in het bezit zijn van een niet in Nederland gevestigde vennootschap met een geheel of ten dele in aandelen verdeeld kapitaal waarin een in het eerste lid bedoeld niet in Nederland gevestigd lichaam of wonend natuurlijk persoon een belang heeft van meer dan 50 percent of die in het bezit zijn van een ander niet in Nederland gevestigd lichaam waarover dat niet in Nederland gevestigde lichaam of die natuurlijke persoon zeggenschap heeft. Ter zake van die gegevensdragers kan worden volstaan met het voor raadpleging beschikbaar stellen van de inhoud daarvan door middel van kopieén, leesbare afdrukken of uittreksels. 3 Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien het in die leden bedoelde niet in Nederland gevestigde lichaam of de in die leden bedoelde natuurlijke persoon is gevestigd onderscheidenlijk woont in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een staat waarmee in de relatie met Nederland een wederkerige regeling bestaat die voorziet in inlichtingenuitwisseling met betrekking tot de belasting voor de heffing waarvan de inspecteur de gegevens, inlichtingen of gegevensdragers nodig heeft. 4 In afwijking van het derde lid kan Onze Minister de inspecteur toestaan het eerste en het tweede lid alsnog toe te passen indien is gebleken dat bij toepassing van het derde lid de gevraagde inlichtingen niet kunnen worden verkregen. 5 Voor een weigering om te voldoen aan de in dit artikel omschreven verplichtingen kunnen de vennootschap en het andere lichaam zich niet met vrucht beroepen op een gebrek aan medewerking van het niet in Nederland gevestigde lichaam of de niet in Nederland wonende natuurlijke persoon. 2010 363 01-10-2010 30-09-2010 32217 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 47b — Artikel 47b#
Artikel 47b artikel 53, tweede en derde lid Degene op wie de gegevens en inlichtingen, bedoeld in, betrekking hebben, is gehouden, volgens bij of krachtens de belastingwet te stellen regels, aan de administratieplichtige opgave te verstrekken van zijn burgerservicenummer. 2013 316 26-07-2013 10-07-2013 33555 2013 494 09-12-2013 28-11-2013 06-01-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet basisregistratie
personen in werking treedt.
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 1 artikel 47, eerste lid, onderdeel b De in, bedoelde verplichting geldt onverminderd voor een derde bij wie zich gegevensdragers bevinden van degene die gehouden is deze, of de inhoud daarvan, aan de inspecteur voor raadpleging beschikbaar te stellen. 2 De inspecteur stelt degene wiens gegevensdragers hij bij een derde voor raadpleging vordert, gelijktijdig hiervan in kennis. 1994 499 29-06-1994 21287 1993 598 08-11-1993 23024 1994 499 29-06-1994 21287 14-07-1994
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 1 De gegevens en inlichtingen dienen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden verstrekt, mondeling, schriftelijk of op andere wijze - zulks ter keuze van de inspecteur - en binnen een door de inspecteur te stellen termijn. 2 Toegelaten moet worden, dat kopieën, leesbare afdrukken of uittreksels worden gemaakt van de voor raadpleging beschikbaar gestelde gegevensdragers of de inhoud daarvan. 1994 499 29-06-1994 21287 1993 598 08-11-1993 23024 1994 499 29-06-1994 21287 14-07-1994
Artikel 49a — Artikel 49a#
Artikel 49a artikel 1, onderdeel c, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer Bij ministeriële regeling wordt aangewezen degene die is gehouden bij het verrichten van de in die ministeriële regeling aan te wijzen werkzaamheden het burgerservicenummer te gebruiken ten behoeve van de rijksbelastingdienst. Voor aanwijzing komt niet in aanmerking een overheidsorgaan als bedoeld inof degene aan wie het burgerservicenummer is toegekend. Onder werkzaamheden als bedoeld in de eerste volzin wordt mede verstaan het doen van aangifte. 2018 247 27-07-2018 11-07-2018 34939 2018 248 27-07-2018 11-07-2018 28-07-2018 25-05-2018
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 1 Degene die een gebouw of grond in gebruik heeft, is verplicht de inspecteur en de door deze aangewezen deskundigen desgevraagd toegang te verlenen tot alle gedeelten van dat gebouw en alle grond, voor zover dat voor een ingevolge de belastingwet te verrichten onderzoek nodig is. 2 De gevraagde toegang moet worden verleend, tussen acht uur ’s ochtends en zes uur ’s avonds, met uitzondering van zaterdagen, zondagen en algemeen erkende feestdagen. 3 artikel 52, eerste lid Indien het gebouw of de grond wordt gebruikt voor het uitoefenen van een bedrijf, een zelfstandig beroep of een werkzaamheid als bedoeld in, wordt, voor zover het redelijkerwijs niet mogelijk is het onderzoek te doen plaatsvinden gedurende de in het tweede lid bedoelde uren, de gevraagde toegang verleend tijdens de uren waarin het gebruik voor de uitoefening van dat bedrijf, dat zelfstandig beroep of die werkzaamheid daadwerkelijk plaatsvindt. 4 De gebruiker van het gebouw of de grond is verplicht desgevraagd de aanwijzingen te geven die voor het onderzoek nodig zijn. 1994 573 22-06-1994 22539 1994 683 02-09-1994 01-10-1994
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 1 artikelen 47 47a 47b 48 49 Voor een weigering om te voldoen aan de in de,,,enomschreven verplichtingen kan niemand zich met vrucht beroepen op de omstandigheden dat hij uit enigerlei hoofde tot geheimhouding verplicht is, zelfs niet indien deze hem bij een wettelijke bepaling is opgelegd. 2 artikelen 47 47a 49 artikel 53a, eerste lid Voor een weigering om te voldoen aan de in de,enomschreven verplichtingen kan niemand zich met vrucht beroepen op de vertrouwelijkheid van zijn contacten met een verschoningsgerechtigde als bedoeld in, voor zover het gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan betreft waarover diegene ook zonder die vertrouwelijke contacten beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 1 Administratieplichtigen zijn gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, zelfstandig beroep of werkzaamheid naar de eisen van dat bedrijf, dat zelfstandig beroep of die werkzaamheid op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken. 2 Administratieplichtigen zijn: a. lichamen; b. artikel 3.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 natuurlijke personen die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefenen, alsmede natuurlijke personen die belastbare winst uit onderneming als bedoeld ingenieten; c. natuurlijke personen die inhoudingsplichtige zijn; d. artikelen 3.91 3.92 3.92b van de Wet inkomstenbelasting 2001 natuurlijke personen die een werkzaamheid als bedoeld in de,enverrichten. 3 Tot de administratie behoort hetgeen ingevolge andere belastingwetten wordt bijgehouden, aangetekend of opgemaakt. 4 Voorzover bij of krachtens de belastingwet niet anders is bepaald, zijn administratieplichtigen verplicht de in de voorgaande leden bedoelde gegevensdragers gedurende zeven jaar te bewaren. 5 De op een gegevensdrager aangebrachte gegevens, uitgezonderd de op papier gestelde balans en staat van baten en lasten, kunnen op een andere gegevensdrager worden overgebracht en bewaard, mits de overbrenging geschiedt met juiste en volledige weergave der gegevens en deze gegevens gedurende de volledige bewaartijd beschikbaar zijn en binnen redelijke tijd leesbaar kunnen worden gemaakt. 6 De administratie dient zodanig te zijn ingericht en te worden gevoerd en de gegevensdragers dienen zodanig te worden bewaard, dat controle daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk is. Daartoe verleent de administratieplichtige de benodigde medewerking met inbegrip van het verschaffen van het benodigde inzicht in de opzet en de werking van de administratie. 7 Ingeval een administratieplichtige een door de inspecteur op het eerste lid gebaseerde verplichting is nagekomen maar van oordeel is dat de verplichting onrechtmatig is opgelegd, kan hij verzoeken om vergoeding van kosten die rechtstreeks verband houden met deze nakoming. De inspecteur beslist op dat verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking en kent een redelijke kostenvergoeding toe in geval van een onrechtmatig opgelegde verplichting. 2011 265 03-06-2011 27-05-2011 30645 2011 301 23-06-2011 14-06-2011 01-07-2011
Artikel 52a — Artikel 52a#
Artikel 52a 1 artikel 41 47 47a 49 52 artikel 53, eerste, tweede en derde lid artikel 25, derde lid Indien met betrekking tot een op te leggen aanslag, navorderingsaanslag of naheffingsaanslag of een te nemen beschikking niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge,,,,, en, voor zover het verplichtingen van administratieplichtigen betreft ten behoeve van de heffing van de belasting waarvan de inhouding aan hen is opgedragen, aan de verplichtingen ingevolge, kan de inspecteur dit vaststellen bij voor bezwaar vatbare beschikking (informatiebeschikking). De inspecteur wijst in de informatiebeschikking op. 2 De termijn voor de vaststelling van een aanslag, navorderingsaanslag of naheffingsaanslag of het nemen van een beschikking wordt verlengd met de periode tussen de bekendmaking van de met betrekking tot die belastingaanslag of beschikking genomen informatiebeschikking waarin wordt vastgesteld dat de belastingplichtige niet of niet volledig aan zijn verplichtingen heeft voldaan en het moment waarop deze informatiebeschikking onherroepelijk komt vast te staan of wordt vernietigd. 3 Indien de inspecteur een aanslag, navorderingsaanslag of naheffingsaanslag vaststelt of een beschikking neemt voordat de met betrekking tot die belastingaanslag of beschikking genomen informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, vervalt de informatiebeschikking. 4 Dit artikel laat onverlet de mogelijkheid voor de inspecteur om een procedure aanhangig te maken bij de burgerlijke rechter strekkende tot een veroordeling tot nakoming van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet op straffe van een dwangsom. 2011 265 03-06-2011 27-05-2011 30645 2011 301 23-06-2011 14-06-2011 01-07-2011
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 1 artikel 52 artikelen 47 48 tot en met 50 Met betrekking tot administratieplichtigen als bedoeld inzijn de in deengeregelde verplichtingen van overeenkomstige toepassing ten behoeve van: a. de belastingheffing van derden; b. de heffing van de belasting waarvan de inhouding aan hen is opgedragen. 2 Onverminderd de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn de bij of krachtens de belastingwet aan te wijzen administratieplichtigen gehouden de bij of krachtens de belastingwet aan te wijzen gegevens en inlichtingen waarvan de kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan zijn eigener beweging te verstrekken aan de inspecteur volgens bij of krachtens de belastingwet te stellen regels. 3 De administratieplichtigen, bedoeld in het tweede lid, zijn gehouden bij de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, het burgerservicenummer te vermelden van degene op wie de gegevens en inlichtingen betrekking hebben. 4 a artikel 55 Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onderdeel, is niet van toepassing op de personen en de lichamen als bedoeld in, voor zover het de in dat artikel bedoelde gegevens en inlichtingen betreft. 5 Ingeval een administratieplichtige een door de inspecteur op het eerste lid, aanhef en onderdeel a, gebaseerde verplichting is nagekomen maar van oordeel is dat de verplichting onrechtmatig is opgelegd, kan hij verzoeken om vergoeding van kosten die rechtstreeks verband houden met deze nakoming. De inspecteur beslist op dat verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking en kent een redelijke kostenvergoeding toe in geval van een onrechtmatig opgelegde verplichting. 2013 316 26-07-2013 10-07-2013 33555 2013 494 09-12-2013 28-11-2013 06-01-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet basisregistratie
personen in werking treedt.
Artikel 53bis — Artikel 53bis#
Artikel 53bis 1 artikel 10j, eerste lid 10l, tweede lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen artikel 2e, onderdeel n, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen Richtlijn 2011/16 Rapporterende platformexploitanten als bedoeld in, en, zijn verplicht om gegevens en inlichtingen als bedoeld in artikel 10j, tweede, derde, vijfde en negende lid, en artikel 10l, derde en vijfde lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen te rapporteren aan de inspecteur, voor zover de te rapporteren verkoper, bedoeld in, een ingezetene als bedoeld in bijlage V, deel II, onderdeel D, van/EU is van Nederland of voor zover de relevante activiteit van de te rapporteren verkoper de verhuur van onroerende zaken betreft van in Nederland gelegen onroerende zaken. De rapporterende platformexploitant verstrekt de gegevens en inlichtingen met betrekking tot de rapportageperiode, bedoeld in artikel 2e, onderdeel u, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen, uiterlijk op 31 januari van het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarin een verkoper als te rapporteren verkoper is aangemerkt. 2 Artikel 10i van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen en de daarop berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing voor zover de rapportage ziet op gegevens en inlichtingen als bedoeld in het eerste lid. 3 artikelen 10j, achtste lid 10l, zevende en achtste lid 10m 10o 10p van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen De,,,enzijn van overeenkomstige toepassing op de rapporterende platformexploitant, bedoeld in het eerste lid, met het oog op het door die platformexploitant rapporteren van gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid. 4 Met betrekking tot de verplichtingen die volgen uit het eerste, tweede en derde lid: a. artikelen 68, eerste lid 69, eerste lid wordt bij toepassing van de, en, voor de derde, onderscheidenlijk vierde, categorie gelezen de zesde categorie; b. artikel 69 vervalt bij toepassing vanhet vereiste dat het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven. 2026 79 10-04-2026 01-04-2026 36782 2026 79 10-04-2026 01-04-2026 36782 11-04-2026 01-01-2026
Artikel 53ter — Artikel 53ter#
Artikel 53ter 1 artikel 10ob, eerste en tweede lid 10od, vierde lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen artikel 2f van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen Richtlijn 2011/16/EU Rapporterende aanbieders van cryptoactivadiensten als bedoeld in, en, zijn verplicht om gegevens en inlichtingen als bedoeld in artikel 10ob, derde en vierde lid, en artikel 10od, vijfde lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen te rapporteren aan de inspecteur, voor zover de te rapporteren gebruiker, bedoeld in, een ingezetene als bedoeld in bijlage VI, deel III, onderdelen A en B, vanis van Nederland. De rapporterende aanbieder van cryptoactivadiensten verstrekt de gegevens en inlichtingen uiterlijk op 31 januari van het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarop de gegevens en inlichtingen betrekking hebben en voor het eerst uiterlijk op 31 januari 2027 met betrekking tot de gegevens en inlichtingen die betrekking hebben op het kalenderjaar 2026. 2 Artikel 10oa van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen en de daarop berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing voor zover de rapportage ziet op gegevens en inlichtingen als bedoeld in het eerste lid. 3 artikelen 10oc 10oe 10p van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen De,enzijn van overeenkomstige toepassing op de rapporterende aanbieder van cryptoactivadiensten, bedoeld in het eerste lid, met het oog op het door die aanbieder van cryptoactivadiensten rapporteren van gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid. 4 Artikel 53bis, vierde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2026 79 10-04-2026 01-04-2026 36782 2026 79 10-04-2026 01-04-2026 36782 11-04-2026 01-01-2026
Artikel 53a — Artikel 53a#
Artikel 53a 1 Voor een weigering om te voldoen aan de verplichtingen ten behoeve van de belastingheffing van derden kunnen alleen bekleders van een geestelijk ambt, notarissen, advocaten, artsen en apothekers zich beroepen op de omstandigheid, dat zij uit hoofde van hun stand, ambt of beroep tot geheimhouding verplicht zijn, voor zover het betreft hetgeen aan hen in die hoedanigheid is toevertrouwd of door hen in die hoedanigheid is meegedeeld. 2 artikel 51 Met betrekking tot de verplichtingen ten behoeve van de heffing van de belasting waarvan de inhouding aan administratieplichtigen is opgedragen, isvan overeenkomstige toepassing. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 artikelen 25 27e artikel 52 De administratieplichtige die niet of niet volledig voldoet aan de vordering gegevensdragers, of de inhoud daarvan, voor raadpleging beschikbaar te stellen, wordt voor de toepassing van deengeacht niet volledig te hebben voldaan aan een bij of krachtensopgelegde verplichting, tenzij aannemelijk is dat de afwezigheid of onvolledigheid van de gegevensdragers of de inhoud daarvan het gevolg is van overmacht. 2008 303 29-07-2008 15-07-2008 31238 2008 304 29-07-2008 15-07-2008 01-08-2008
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 1 Onze Ministers, openbare lichamen en rechtspersonen die bij of krachtens een bijzondere wet rechtspersoonlijkheid hebben verkregen, de onder hen ressorterende instellingen en diensten, alsmede lichamen die hoofdzakelijk uitvoering geven aan het beleid van de rijksoverheid, verschaffen, mondeling, schriftelijk of op andere wijze - zulks ter keuze van de inspecteur - de gegevens en inlichtingen, en wel kosteloos, die hun door de inspecteur ter uitvoering van de belastingwet worden gevraagd. 2 Onze Minister kan, op schriftelijk verzoek, ontheffing verlenen van de in het eerste lid omschreven verplichting. 2010 363 01-10-2010 30-09-2010 32217 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 De verplichtingen welke volgens deze afdeling bestaan jegens de inspecteur, gelden mede jegens iedere door Onze Minister aangewezen andere ambtenaar van de rijksbelastingdienst. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 56a — Artikel 56a#
Artikel 56a artikelen 47 47b 48 49 49a 51 52a 53 53a 54 55 56 artikel 9.4a, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 De,,,,,,,,,,enzijn van overeenkomstige toepassing op gegevens en inlichtingen die van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de beschikkingen, bedoeld in. 2020 546 23-12-2020 16-12-2020 35577 2020 546 23-12-2020 16-12-2020 35577 01-01-2021
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 In bezwaar-, verzoek-, beroep-, verweer- en verzetschriften moet hij die niet in Nederland een vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, domicilie kiezen in Nederland. 2010 363 01-10-2010 30-09-2010 32217 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 Het uitnodigen tot het doen van aangifte van degene die niet in Nederland een vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, alsmede het ingevolge de belastingwet uitreiken van een stuk aan die persoon, kan ook geschieden aan de in Nederland gelegen vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep, dan wel aan de woning of het kantoor van de in Nederland wonende of gevestigde vertegenwoordiger. 2010 363 01-10-2010 30-09-2010 32217 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 Vervallen 2007 503 18-12-2007 06-12-2007 30943 2007 503 18-12-2007 06-12-2007 30943 01-01-2008
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend verzoekschrift isvan overeenkomstige toepassing. 1998 621 17-11-1998 29-10-1998 25175 1999 265 01-07-1999 17-06-1999 01-09-1999
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 Wij behouden Ons voor bij algemene maatregel van bestuur bepalingen vast te stellen tot verzekering van de heffing en invordering van belasting van hen die niet in Nederland een vaste woonplaats of plaats van vestiging hebben. 2010 363 01-10-2010 30-09-2010 32217 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 62 — Artikel 62#
Artikel 62 Onze Minister is bevoegd regelen te geven ter uitvoering van de belastingwet. 1959 301 02-07-1959 4080 1984 637 18-12-1984 01-01-1985
Artikel 63 — Artikel 63#
Artikel 63 Onze Minister is bevoegd voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, welke zich bij de toepassing van de belastingwet mochten voordoen. 1959 301 02-07-1959 4080 1962 319 18-08-1962 01-10-1962
Artikel 64 — Artikel 64#
Artikel 64 1 Ter bevordering van een doelmatige formalisering van de uit een belastingwet voortvloeiende schuld of van de op grond van een belastingwet op te leggen bestuurlijke boete kan de inspecteur afwijken van het overigens bij of krachtens de belastingwet bepaalde, indien: a. de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige instemt met deze wijze van formaliseren, en b. de formalisering niet leidt tot een lagere schuld dan de schuld die zonder toepassing van dit artikel voortvloeit uit de belastingwet of tot een lagere bestuurlijke boete dan de zonder toepassing van dit artikel op grond van de belastingwet op te leggen bestuurlijke boete. 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel. 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 01-01-2016
Artikel 65 — Artikel 65#
Artikel 65 1 Een onjuiste belastingaanslag of beschikking kan door de inspecteur ambtshalve worden verminderd. Een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf kan door hem ambtshalve worden verleend. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van degene die een onjuist bedrag op aangifte heeft voldaan of afgedragen, of van wie een onjuist bedrag is ingehouden. 1997 738 29-12-1997 18-12-1997 23470 1997 737 29-12-1997 18-12-1997 24800 1997 739 29-12-1997 18-12-1997 01-01-1998
Artikel 66 — Artikel 66#
Artikel 66 Van de bij beschikking opgelegde bestuurlijke boete kan door Onze Minister gehele of gedeeltelijke kwijtschelding worden verleend. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 66a — Artikel 66a#
Artikel 66a 1 De inspecteur verleent ter zake van de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen rijksbelastingen uiterlijk bij de bekendmaking van een belastingaanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking jegens een belastingplichtige of inhoudingsplichtige inzage in de op de zaakbetrekking hebbende stukken. 2 artikel 3 van de Archiefwet 1995 De inspecteur stelt de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige beschikbaar via een digitaal portaal. De stukken blijven beschikbaar tot het moment dat de stukken zijn of worden vernietigd op grond van. 3 artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht De inspecteur kan toepassing van het eerste en tweede lid achterwege laten voor zover geheimhouding om gewichtige redenen als bedoeld inis geboden. Van de toepassing van deze bepaling wordt melding gemaakt in het digitale portaal. 4 De voldoening of afdracht op aangifte, dan wel de inhouding door een inhoudingsplichtige, van een bedrag als belasting wordt voor de toepassing van het eerste lid aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking. In afwijking van het eerste lid verleent de inspecteur uiterlijk binnen een maand na de ontvangst van de betaling van de belasting door de ontvanger inzage in de op de zaak betrekking hebbende stukken. 2025 447 23-12-2025 17-12-2025 36816 2025 447 23-12-2025 17-12-2025 36816 31-12-2025 Artikel XIII van Stb. 2025/447 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 31-12-2025
Artikel 66b — Artikel 66b#
Artikel 66b 1 artikel 66a, eerste lid Voorafgaand aan de aanwijzing van de rijksbelastingen bij algemene maatregel van bestuur, bedoeld in, kan de inspecteur ter zake van die rijksbelastingen, jegens een belastingplichtige of inhoudingsplichtige inzage verlenen in stukken die betrekking hebben op een belastingaanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking. 2 Artikel 66a, tweede tot en met vierde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2025 447 23-12-2025 17-12-2025 36816 2025 447 23-12-2025 17-12-2025 36816 31-12-2025
Artikel 67 — Artikel 67#
Artikel 67 1 Invorderingswet 1990 Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de invordering van enige rijksbelasting als bedoeld in de(geheimhoudingsplicht). 2 De geheimhoudingsplicht geldt niet indien: a. enig wettelijk voorschrift tot de bekendmaking verplicht; b. bij regeling van Onze Minister is bepaald dat bekendmaking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak van een bestuursorgaan; c. artikelen 66a 66b indien inzage wordt verleend zoals bedoeld in deen. 3 In andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid kan Onze Minister ontheffing verlenen van de geheimhoudingsplicht. 2025 447 23-12-2025 17-12-2025 36816 2025 447 23-12-2025 17-12-2025 36816 31-12-2025 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 31-12-2025
Artikel 67a — Artikel 67a#
Artikel 67a 1 artikel 9, derde lid Indien de belastingplichtige de aangifte voor een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven niet, dan wel niet binnen de ingevolge, gestelde termijn heeft gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem, uiterlijk bij de vaststelling van de aanslag, een bestuurlijke boete van ten hoogste € 6.709 kan opleggen. 2 Indien over een jaar zowel een aanslag als een conserverende aanslag wordt vastgesteld, wordt de in het eerste lid bedoelde boete uitsluitend opgelegd uiterlijk bij het vaststellen van de aanslag. Wordt over een jaar uitsluitend een conserverende aanslag vastgesteld, dan wordt die boete opgelegd bij het vaststellen van de conserverende aanslag. 2024 38492 24-12-2024 20-12-2024 2024-0000553969 2024 38492 24-12-2024 20-12-2024 2024-0000553969 01-01-2025
Artikel 67b — Artikel 67b#
Artikel 67b 1 artikel 10 Indien de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige de aangifte voor een belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, dan wel niet binnen de inbedoelde termijn heeft gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete van ten hoogste € 165 kan opleggen. 2 Indien de inhoudingsplichtige de aangifte loonbelasting niet, niet binnen de in artikel 10 bedoelde termijn, dan wel onjuist of onvolledig heeft gedaan, vormt dit, in afwijking van het eerste lid, een verzuim terzake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete van ten hoogste € 1.675 kan opleggen. 3 De bevoegdheid tot het opleggen van de boete wegens het niet dan wel niet tijdig doen van de aangifte vervalt door verloop van een jaar na het einde van de termijn waarbinnen de aangifte had moeten worden gedaan. De bevoegdheid tot het opleggen van de boete wegens het doen van een onjuiste of onvolledige aangifte vervalt door verloop van vijf jaar na het einde van het kalenderjaar van het aangiftetijdvak waarop de aangifte betrekking heeft. 2024 38492 24-12-2024 20-12-2024 2024-0000553969 2024 38492 24-12-2024 20-12-2024 2024-0000553969 01-01-2025
Artikel 67c — Artikel 67c#
Artikel 67c 1 Indien de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige de belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete van ten hoogste € 6.709 kan opleggen. 2 Bij niet of gedeeltelijk niet betalen legt de inspecteur de boete op, gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag. 3 De bevoegdheid tot het opleggen van de boete wegens niet tijdig betalen vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. 4 Artikel 20, eerste lid, tweede zin, en tweede lid , is van overeenkomstige toepassing. 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 01-01-2026 Vindt voor het eerst toepassing op beboetbare gedragingen die zijn
begaan op of na 1 januari 2026.
Artikel 67ca — Artikel 67ca#
Artikel 67ca 1 Degene die niet voldoet aan de verplichting hem opgelegd bij of krachtens: a. artikelen 6, derde lid 43 44 47b 49, tweede lid 50, eerste lid de,,,,, en; b. artikelen 28, eerste lid, aanhef en onderdelen a, b, e en f 29 35d 35e, aanhef en onderdelen a, b, d en e 35k 35l 35m, aanhef en onderdelen a en c, van de Wet op de loonbelasting 1964 de,,,,,en; c. artikelen 4, elfde lid 9, eerste lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 de, en; d. artikelen 34c, eerste lid 34e 34g 35a, eerste en tweede lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 de,,en, of e. artikel 54 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer , begaat een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete van ten hoogste € 6.709 kan opleggen. 2 De bevoegdheid tot het opleggen van de in het eerste lid bedoelde boete vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de verplichting is ontstaan. 2024 38492 24-12-2024 20-12-2024 2024-0000553969 2024 38492 24-12-2024 20-12-2024 2024-0000553969 01-01-2025
Artikel 67cb — Artikel 67cb#
Artikel 67cb 1 artikelen 67a, eerste lid 67b, eerste en tweede lid 67c, eerste lid 67ca, eerste lid artikelen 10.1 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 De in de,,, en, genoemde bedragen worden elke vijf jaar, met ingang van 1 januari van een jaar, bij ministeriële regeling gewijzigd. Deze wijziging vindt voor het eerst plaats per 1 januari 2015. Deenzijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat als tabelcorrectiefactor wordt genomen het product van de factoren van de laatste vijf kalenderjaren. 2 De gewijzigde bedragen vinden voor het eerst toepassing met betrekking tot verzuimen die zijn begaan na het begin van het kalenderjaar bij de aanvang waarvan de bedragen zijn gewijzigd. 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 01-01-2015
Artikel 67cc — Artikel 67cc#
Artikel 67cc 1 artikel 9.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 27 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Indien het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat in een verzoek om het vaststellen van een voorlopige aanslag of in een verzoek om herziening als bedoeld inenonjuiste of onvolledige gegevens of inlichtingen zijn verstrekt, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete. 2 De grondslag voor de boete wordt gevormd door het bedrag aan belasting dat als gevolg van de onjuiste of onvolledige gegevens of inlichtingen ten onrechte is of zou zijn teruggegeven of ten onrechte niet is of zou zijn betaald. 3 De bevoegdheid tot het opleggen van de boete, bedoeld in het eerste lid, vervalt vijf jaren na het tijdstip waarop het verzoek is gedaan. 2013 567 23-12-2013 18-12-2013 33754 2013 567 23-12-2013 18-12-2013 33754 01-01-2014 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot vergrijpen die
zijn begaan op of na 1 januari 2014.
Artikel 67d — Artikel 67d#
Artikel 67d 1 Indien het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven, de aangifte niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem, gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag, een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete. 2 De grondslag voor de boete wordt gevormd door: a. het bedrag van de aanslag, dan wel b. indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen, het bedrag waarop de aanslag zou zijn berekend zonder rekening te houden met die verliezen; een en ander voor zover dat bedrag als gevolg van de opzet van de belastingplichtige niet zou zijn geheven. 3 Indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen en als gevolg daarvan geen aanslag kan worden vastgesteld, kan de inspecteur de boete, bedoeld in het eerste lid, niettemin opleggen. De bevoegdheid tot het opleggen van de boete vervalt door verloop van de termijn die geldt voor het vaststellen van de aanslag, die zou kunnen zijn vastgesteld indien geen verliezen in aanmerking zouden zijn genomen. 4 artikel 6.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de toepassing van het tweede en derde lid wordt met verliezen gelijkgesteld de persoonsgebonden aftrek, bedoeld in. 5 artikel 5.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor zover de aanslag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op belastbaar inkomen als bedoeld in, bedraagt de boete, in zoverre in afwijking van het eerste lid, ten hoogste 300 percent van de daarover verschuldigde belasting zoals deze bij de aanslag is vastgesteld. 2009 280 01-07-2009 01-07-2009 31301 2009 280 01-07-2009 01-07-2009 31301 02-07-2009 Artikel XV, eerste lid, van Stb. 2009/280 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 67e — Artikel 67e#
Artikel 67e 1 Indien het met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem, gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag, een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete. 2 De grondslag voor de boete wordt gevormd door: a. het bedrag van de navorderingsaanslag, dan wel b. indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen, het bedrag waarop de navorderingsaanslag zou zijn berekend zonder rekening te houden met die verliezen; een en ander voor zover dat bedrag als gevolg van de opzet of de grove schuld van de belastingplichtige niet zou zijn geheven. 3 artikel 16 De inspecteur kan, in afwijking van het eerste lid, binnen zes maanden na de vaststelling van de navorderingsaanslag, een bestuurlijke boete opleggen indien de feiten of omstandigheden op grond waarvan wordt nagevorderd eerst bekend worden op of na het tijdstip dat is gelegen zes maanden vóór de afloop van de inbedoelde termijnen, en er tevens aanwijzingen bestaan dat het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Alsdan doet de inspecteur gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag mededeling aan de belastingplichtige dat wordt onderzocht of in verband met de navordering het opleggen van een vergrijpboete gerechtvaardigd is. 4 Indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen en als gevolg daarvan geen navorderingsaanslag kan worden vastgesteld, kan de inspecteur de boete, bedoeld in het eerste lid, niettemin opleggen. De bevoegdheid tot het opleggen van de boete vervalt door verloop van de termijn die geldt voor het vaststellen van de navorderingsaanslag, die zou kunnen zijn vastgesteld indien geen verliezen in aanmerking zouden zijn genomen. 5 artikel 6.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de toepassing van het tweede en vierde lid wordt met verliezen gelijkgesteld de persoonsgebonden aftrek, bedoeld in. 6 artikel 5.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor zover de navorderingsaanslag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op belastbaar inkomen als bedoeld in, bedraagt de boete, in zoverre in afwijking van het eerste lid, ten hoogste 300 percent van de daarover verschuldigde belasting zoals deze bij de navorderingsaanslag is vastgesteld. 2009 280 01-07-2009 01-07-2009 31301 2009 280 01-07-2009 01-07-2009 31301 02-07-2009 Artikel XV, eerste lid, van Stb. 2009/280 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 67f — Artikel 67f#
Artikel 67f 1 Indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige is te wijten dat belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete. 2 De grondslag voor de boete wordt gevormd door het bedrag van de belasting dat niet of niet tijdig is betaald, voor zover dat bedrag als gevolg van de opzet of de grove schuld van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige niet of niet tijdig is betaald. 3 Bij niet of gedeeltelijk niet betalen legt de inspecteur de boete op, gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag. 4 De bevoegdheid tot het opleggen van de boete wegens niet tijdig betalen, vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. 5 Artikel 67e, derde lid , is van overeenkomstige toepassing. 6 Artikel 20, eerste lid, tweede zin, en tweede lid , is van overeenkomstige toepassing. 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 01-01-2026 Vindt voor het eerst toepassing op beboetbare gedragingen die zijn
begaan op of na 1 januari 2026.
Artikel 67fa — Artikel 67fa#
Artikel 67fa 1 artikel 53bis artikel 53ter artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht Indien het aan opzet of grove schuld van de rapporterende platformexploitant of de rapporterende aanbieder van cryptoactivadiensten, bedoeld in, onderscheidenlijk, is te wijten dat de verplichtingen die volgen uit artikel 53bis onderscheidenlijk artikel 53ter, niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig zijn of worden nagekomen, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur aan hem een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste het bedrag van de zesde categorie, bedoeld in. 2 De bevoegdheid tot het opleggen van de boete, bedoeld in het eerste lid, vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de verplichting, bedoeld in het eerste lid, is ontstaan. 2026 79 10-04-2026 01-04-2026 36782 2026 79 10-04-2026 01-04-2026 36782 11-04-2026 01-01-2026
Artikel 67g — Artikel 67g#
Artikel 67g 1 De inspecteur legt de bestuurlijke boete op bij voor bezwaar vatbare beschikking. 2 artikel 5:9 van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vanstelt de inspecteur de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige, uiterlijk bij de in het eerste lid bedoelde beschikking, in kennis van de in dat artikel bedoelde gegevens. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 67h — Artikel 67h#
Artikel 67h Indien de grondslag voor een bestuurlijke boete wordt gevormd door het bedrag van de belasting, wordt de opgelegde boete naar evenredigheid verlaagd bij vermindering, teruggaaf, terugbetaling of kwijtschelding van belasting, voor zover deze vermindering, teruggaaf, terugbetaling of kwijtschelding het bedrag betreft waarover de boete is berekend. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 67i — Artikel 67i#
Artikel 67i Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 67j — Artikel 67j#
Artikel 67j Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 67k — Artikel 67k#
Artikel 67k Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 67l — Artikel 67l#
Artikel 67l Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 67m — Artikel 67m#
Artikel 67m Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 67n — Artikel 67n#
Artikel 67n 1 Wanneer de belastingplichtige uiterlijk twee jaar nadat hij een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan of aangifte had moeten doen, alsnog een juiste en volledige aangifte doet, dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden, wordt geen vergrijpboete opgelegd. 2 Ook na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn van twee jaar is het alsnog doen van een juiste en volledige aangifte, dan wel het verstrekken van juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen door de belastingplichtige vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden, een omstandigheid die aanleiding geeft tot matiging van de vergrijpboete. 3 artikel 4.12 van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.1 van die wet Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de juiste en volledige aangifte, dan wel de juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft, onderscheidenlijk hebben, op inkomen uit aanmerkelijk belang als bedoeld inof op inkomen uit sparen en beleggen als bedoeld in. 2019 512 27-12-2019 18-12-2019 35303 2019 512 27-12-2019 18-12-2019 35303 01-01-2020
Artikel 67o — Artikel 67o#
Artikel 67o 1 artikel 5:1 van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vanwordt onder overtreder mede verstaan: a. degene die de overtreding doet plegen; b. degene die door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging, misleiding of het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen de overtreding opzettelijk uitlokt; c. degene die als medeplichtige opzettelijk behulpzaam is bij of opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft tot het plegen van de overtreding. 2 artikelen 67a 67b 67c 67ca De bestuurlijke boete, bedoeld in de,,en, kan niet worden opgelegd aan een medeplichtige. 3 artikelen 67cc 67d 67e 67f 67fa Indien de bestuurlijke boete, bedoeld in de,,,en, wordt opgelegd aan een medeplichtige, wordt het bedrag van de boete dat ten hoogste kan worden opgelegd met een derde verminderd. 2026 79 10-04-2026 01-04-2026 36782 2026 79 10-04-2026 01-04-2026 36782 11-04-2026 01-01-2026 Abusievelijk geeft het Staatsblad een wijzigingsopdracht voor het
vierde lid in plaats van het derde lid.
Artikel 67oa — Artikel 67oa#
Artikel 67oa Indien aan een ander dan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige een bestuurlijke boete wordt opgelegd, zijn niet van toepassing: a. artikelen 67c, tweede lid 67d, eerste lid 67e, eerste lid 67f, derde lid de voorwaarde, bedoeld in de,,, en, dat de bestuurlijke boete wordt opgelegd gelijktijdig met de vaststelling van de belastingaanslag; b. artikel 67a, eerste lid de voorwaarde, bedoeld in, dat een verzuimboete uiterlijk bij het vaststellen van de aanslag wordt opgelegd. 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 01-01-2015
Artikel 67ob — Artikel 67ob#
Artikel 67ob 1 artikelen 67a, eerste lid 67d, eerste lid De bevoegdheid om aan een ander dan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige een bestuurlijke boete als bedoeld in de, en, op te leggen vervalt door verloop van drie jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de overtreding heeft plaatsgevonden. 2 artikelen 67c, eerste lid 67e, eerste lid 67f, eerste lid De bevoegdheid om aan een ander dan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige een bestuurlijke boete als bedoeld in de,, en, op te leggen vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de overtreding heeft plaatsgevonden. 3 artikel 67fa, eerste lid De bevoegdheid om aan anderen dan de rapporterende platformexploitant of de rapporterende aanbieder van cryptoactivadiensten een bestuurlijke boete als bedoeld in, op te leggen, vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de verplichting, bedoeld in artikel 67fa, eerste lid, is ontstaan. 4 artikel 67e, eerste lid artikel 16, vierde lid artikel 66, vierde lid, van de Successiewet 1956 In afwijking van het tweede lid vervalt de bevoegdheid om aan een ander dan de belastingplichtige een bestuurlijke boete als bedoeld in, op te leggen door verloop van twaalf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de overtreding heeft plaatsgevonden, indien navordering mogelijk is met toepassing van, of. 5 artikelen 67c, eerste lid 67f, eerste lid artikel 20, vierde lid In afwijking van het tweede lid vervalt de bevoegdheid om aan een ander dan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige een bestuurlijke boete als bedoeld in de, en, op te leggen door verloop van twaalf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de overtreding heeft plaatsgevonden, indien naheffing mogelijk is met toepassing van. 2026 79 10-04-2026 01-04-2026 36782 2026 79 10-04-2026 01-04-2026 36782 11-04-2026 01-01-2026
Artikel 67p — Artikel 67p#
Artikel 67p Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van anderen dan de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige aan wie ingevolge de belastingwet een bestuurlijke boete kan worden opgelegd. 1997 738 29-12-1997 18-12-1997 23470 1997 739 29-12-1997 18-12-1997 01-01-1998
Artikel 67pa — Artikel 67pa#
Artikel 67pa 1 artikel 5:53 van de Algemene wet bestuursrecht Met betrekking tot het opleggen van een verzuimboete vindtgeen toepassing. 2 artikel 5:45 van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking in zoverre vanvervalt de bevoegdheid om een in een belastingwet geregelde verzuim- of vergrijpboete op te leggen niet na drie, onderscheidenlijk vijf jaren nadat de overtreding heeft plaatsgevonden. 2009 609 29-12-2009 23-12-2009 32128 2009 609 29-12-2009 23-12-2009 32128 01-01-2010
Artikel 67pb — Artikel 67pb#
Artikel 67pb artikel 10:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vankan degene die de overtreding constateert ook worden belast met het opleggen van een bestuurlijke boete. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 67q — Artikel 67q#
Artikel 67q 1 artikel 5:43 van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vankan de inspecteur een vergrijpboete opleggen wegens hetzelfde feit als waarvoor eerder een verzuimboete is opgelegd, indien nieuwe bezwaren bekend zijn geworden. 2 Als nieuwe bezwaren kunnen enkel worden aangemerkt verklaringen van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige of van derden en boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, welke later bekend zijn geworden of niet zijn onderzocht. 3 artikel 5:48 van de Algemene wet bestuursrecht Het rapport, bedoeld in, vermeldt tevens waaruit de nieuwe bezwaren bestaan. 4 De eerder opgelegde verzuimboete wordt verrekend met de wegens hetzelfde feit opgelegde vergrijpboete. 5 artikelen 67d, eerste lid 67e, eerste lid 67f, derde lid Bij toepassing van dit artikel vervalt de voorwaarde van gelijktijdigheid, bedoeld in de,, en, voor zover nodig. 2011 640 29-12-2011 22-12-2011 33004 2011 640 29-12-2011 22-12-2011 33004 01-01-2012
Artikel 67r — Artikel 67r#
Artikel 67r 1 artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht artikel 6.4 van de Wet bronbelasting 2021 artikelen 10a 67cc 67d 67e 67f De inspecteur maakt openbaar de voor bezwaar vatbare beschikking waarbij een bestuurlijke boete is opgelegd aan een overtreder als bedoeld invanwege een vergrijp als bedoeld in de,,,ofofdat door de overtreder opzettelijk is begaan tijdens de door hem beroepsmatig of bedrijfsmatig verleende bijstand bij het door de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige voldoen aan diens uit een belastingwet voortvloeiende verplichtingen, binnen tien werkdagen na het laatste van de volgende momenten: a. het moment van onherroepelijk worden van de beschikking tot openbaarmaking, bedoeld in het tweede lid; b. het moment van onherroepelijk worden van de beschikking waarbij een bestuurlijke boete wordt opgelegd. 2 Het besluit tot openbaarmaking van de voor bezwaar vatbare beschikking waarbij een bestuurlijke boete wordt opgelegd wordt uiterlijk genomen op het moment van oplegging van die bestuurlijke boete en geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking. 3 De inspecteur stelt de overtreder, bedoeld in het eerste lid, in de gelegenheid een zienswijze naar voren te brengen voordat hij besluit tot openbaarmaking als bedoeld in het eerste lid. 4 De inspecteur gaat niet over tot openbaarmaking als bedoeld in het eerste lid indien de overtreder, bedoeld in het eerste lid, daardoor onevenredig in zijn belang zou worden getroffen. 5 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van het derde en vierde lid. 6 Indien de inspecteur de voor bezwaar vatbare beschikking waarbij een bestuurlijke boete is opgelegd, bedoeld in het eerste lid, openbaar maakt, maakt hij tevens de volgende gegevens op de website van de Belastingdienst openbaar, voor zover deze niet reeds blijken uit die beschikking: a. de naam van de overtreder; b. de wettelijke grondslag van de boete; c. het bedrag van de boete; d. de dagtekening van de boete; e. het jaar waarin de beboetbare gedraging is begaan; f. de naam van de plaats waar de overtreder het vergrijp, bedoeld in het eerste lid, heeft begaan. 7 De voor bezwaar vatbare beschikking waarbij een bestuurlijke boete is opgelegd, bedoeld in het eerste lid, blijft gedurende een periode van vijf jaren na openbaarmaking beschikbaar op de website van de Belastingdienst. 8 De gegevens, bedoeld in het zesde lid, blijven gedurende een periode van vijf jaren na openbaarmaking beschikbaar op de website van de Belastingdienst. 2019 512 27-12-2019 18-12-2019 35303 2019 512 27-12-2019 18-12-2019 35303 01-01-2021
Artikel 68 — Artikel 68#
Artikel 68 1 Degene die ingevolge de belastingwet verplicht is tot: wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie. a. het verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, en deze niet, onjuist of onvolledig verstrekt; b. het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, en deze niet voor dit doel beschikbaar stelt; c. het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, en deze in valse of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar stelt; d. het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen, en een zodanige administratie niet voert; e. het bewaren van boeken, bescheiden of andere gegevensdragers, en deze niet bewaart; f. artikel 52, zesde lid het verlenen van medewerking als bedoeld in, en deze niet verleent; g. het uitreiken van een factuur of nota, en een onjuiste of onvolledige factuur of nota verstrekt; 2 artikel 47, derde lid Degene die niet voldoet aan de verplichting, hem opgelegd bij, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie. 3 artikel 47a Niet strafbaar is degene die de inbedoelde verplichting niet nakomt ten gevolge van een voor het niet in Nederland gevestigde lichaam of de niet in Nederland wonende natuurlijke persoon geldend wettelijk of rechterlijk verbod tot het verlenen van medewerking aan de verstrekking van de verlangde gegevens of inlichtingen of het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, dan wel ten gevolge van een hem niet toe te rekenen weigering van het niet in Nederland gevestigde lichaam of de niet in Nederland wonende natuurlijke persoon de verlangde gegevens of inlichtingen te verstrekken of boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan voor raadpleging beschikbaar te stellen. 2010 363 01-10-2010 30-09-2010 32217 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Abusievelijk geeft het Staatsblad een wijzigingsopdracht voor het vierde lid in plaats van het derde lid. Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 69 — Artikel 69#
Artikel 69 1 artikel 68, eerste lid, onderdelen a, b, d, e, f of g Degene die opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doet, niet binnen de daarvoor gestelde termijn doet, dan wel een der feiten begaat, omschreven in, wordt, indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven belasting. 2 artikel 68, eerste lid, onderdeel c artikel 5.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Degene die opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doet, dan wel het feit begaat, omschreven in, wordt, indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven belasting, met dien verstande dat voor zover de onjuistheid in of onvolledigheid van de aangifte betrekking heeft op belastbaar inkomen als bedoeld inde geldboete ten hoogste driemaal het bedrag van de te weinig geheven belasting bedraagt. 3 artikel 80, eerste lid artikel 4.12 van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.1 van die wet Het recht tot strafvervolging op de voet van dit artikel vervalt, indien de schuldige alsnog een juiste en volledige aangifte doet, dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat een of meer van de in, bedoelde ambtenaren de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden. In afwijking van de eerste volzin vervalt het recht tot strafvervolging op de voet van dit artikel niet voor zover de schuldige alsnog een juiste en volledige aangifte doet, dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt die betrekking heeft, onderscheidenlijk hebben, op inkomen uit aanmerkelijk belang als bedoeld inof op inkomen uit sparen en beleggen als bedoeld in. 4 artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht artikel 225, tweede lid Indien het feit, ter zake waarvan de verdachte kan worden vervolgd, zowel valt onder een van de bepalingen van het eerste of het tweede lid, als onder die van, is strafvervolging op grond van genoemd, uitgesloten. 5 Artikel 68, derde lid , is van overeenkomstige toepassing. 6 Indien de schuldige een van de strafbare feiten, omschreven in het eerste en tweede lid, in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet. 2019 512 27-12-2019 18-12-2019 35303 2019 512 27-12-2019 18-12-2019 35303 01-01-2020
Artikel 69a — Artikel 69a#
Artikel 69a 1 Degene die opzettelijk de belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn betaalt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig betaalde belasting. 2 Artikel 69, zesde lid , is van overeenkomstige toepassing. 3 Niet strafbaar is degene die de ontvanger tijdig heeft verzocht uitstel van betaling te verlenen of die onverwijld nadat gebleken is dat het lichaam niet tot betaling in staat is schriftelijk mededeling heeft gedaan aan de ontvanger. 2013 567 23-12-2013 18-12-2013 33754 2013 567 23-12-2013 18-12-2013 33754 01-01-2014
Artikel 70 — Artikel 70#
Artikel 70 Overtreding van door Ons krachtens de belastingwet bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde bepalingen wordt, voor zover die overtreding is aangemerkt als strafbaar feit, gestraft met geldboete van de derde categorie. 1988 251 19-05-1988 19489 1988 251 19-05-1988 19489 11-06-1988
Artikel 71 — Artikel 71#
Artikel 71 Overtreding van door Onze Minister krachtens de belastingwet vastgestelde algemene voorschriften wordt, voor zover die overtreding is aangemerkt als strafbaar feit, gestraft met geldboete van de tweede categorie. 1988 251 19-05-1988 19489 1988 251 19-05-1988 19489 11-06-1988
Artikel 72 — Artikel 72#
Artikel 72 De bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten waarop gevangenisstraf is gesteld, zijn misdrijven. De overige bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. 1959 301 02-07-1959 4080 1962 319 18-08-1962 01-10-1962
Artikel 73 — Artikel 73#
Artikel 73 De Nederlandse strafwet is ook van toepassing op ieder die zich niet in Nederland schuldig maakt aan enig in de belastingwet omschreven misdrijf. 2010 363 01-10-2010 30-09-2010 32217 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 74 — Artikel 74#
Artikel 74 e artikel 36van het Wetboek van Strafrecht Ter zake van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten vindtgeen toepassing. 1993 11 10-12-1992 21504 1993 98 05-02-1993 01-03-1993
Artikel 75 — Artikel 75#
Artikel 75 Vervallen 1988 251 19-05-1988 19489 1988 251 19-05-1988 19489 11-06-1988
Artikel 76 — Artikel 76#
Artikel 76 1 artikel 80, tweede lid artikelen 257a 257b 257ba van het Wetboek van Strafvordering Ten aanzien van de bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten met betrekking tot welke het proces-verbaal niet overeenkomstig, in handen van de officier van justitie is gesteld, kan, in afwijking van de,en, uitsluitend het bestuur van ’s Rijks belastingen een strafbeschikking uitvaardigen. Bij ministeriële regeling kunnen functionarissen worden aangewezen die deze bevoegdheid namens dat bestuur kunnen uitoefenen. 2 In deze strafbeschikking kan een geldboete worden opgelegd. Voorts kan deze strafbeschikking aanwijzingen bevatten waaraan de verdachte moet voldoen. De aanwijzingen kunnen inhouden: a. afstand van voorwerpen die in beslag zijn genomen en vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer; b. uitlevering, of voldoening aan de staat van de geschatte waarde, van voorwerpen die vatbaar zijn voor verbeurdverklaring; c. voldoening aan de Staat van een geldbedrag gelijk aan of lager dan het geschatte voordeel – met inbegrip van besparing van kosten – door de verdachte verkregen door middel van of uit het strafbare feit; d. het alsnog voldoen aan een bij de belastingwet gestelde verplichting. 3 artikel 257c, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering Een strafbeschikking waarin een geldboete wordt opgelegd van meer dan € 2 000, wordt, in afwijking van, slechts uitgevaardigd indien de verdachte daaraan voorafgaand is gehoord. 4 artikel 6:1:17 van het Wetboek van Strafvordering Invorderingswet 1990 Een geldboete wordt, in zoverre in afwijking van, ingevorderd op de wijze, voorzien in de. Daartoe wordt een afschrift van de strafbeschikking aan de ontvanger ter hand gesteld. Het bestuur van ’s Rijks belastingen of de aangewezen functionaris bepaalt voorts de termijn binnen welke aan de gegeven aanwijzingen moet zijn voldaan en zo nodig tevens de plaats waar zulks moet geschieden. De gestelde termijn kan voor de afloop daarvan eenmaal worden verlengd. 5 artikel 257h, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering In afwijking vanverstrekt het bestuur van ’s Rijks belastingen desgevraagd een afschrift van een strafbeschikking aan ieder ander dan de verdachte of zijn raadsman, tenzij verstrekking naar het oordeel van het bestuur ter bescherming van de belangen van degene ten aanzien van wie de strafbeschikking is uitgevaardigd of van de derden die in de strafbeschikking worden genoemd, geheel of gedeeltelijk dient te worden geweigerd. In het laatste geval kan het bestuur van ’s Rijks belastingen een geanonimiseerd afschrift van de strafbeschikking verstrekken. 6 artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering Indien binnen veertien dagen geen afschrift dan wel een geanonimiseerd afschrift wordt verstrekt, kan de verzoeker een klaagschrift indienen bij het bestuur van ’s Rijks belastingen. Deze stelt het klaagschrift, de strafbeschikking en het proces-verbaal in handen van de officier van justitie, welke het klaagschrift en de processtukken onverwijld ter kennis brengt van de rechtbank, tenzij hij alsnog aan het verzoek tegemoetkomt. De procesdeelnemers zijn, in afwijking vanniet bevoegd van de inhoud van de processtukken kennis te nemen dan voorzover de rechtbank zulks toestaat. 7 Artikel 552ab van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing. 2017 82 09-03-2017 22-02-2017 34086 2019 507 24-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 76a — Artikel 76a#
Artikel 76a Vervallen 2008 112 15-04-2008 03-04-2008 30979 2008 287 22-07-2008 05-07-2008 01-08-2008 Artikel XLVII van Stb. 2008/112 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 76b — Artikel 76b#
Artikel 76b Vervallen 2008 112 15-04-2008 03-04-2008 30979 2008 287 22-07-2008 05-07-2008 01-08-2008 Artikel XLVII van Stb. 2008/112 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 76c — Artikel 76c#
Artikel 76c Vervallen 2008 112 15-04-2008 03-04-2008 30979 2008 287 22-07-2008 05-07-2008 01-08-2008 Artikel XLVII van Stb. 2008/112 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 77 — Artikel 77#
Artikel 77 1 De rechtbanken vonnissen in eerste aanleg over bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten. 2 De vonnissen zijn aan hoger beroep onderworpen, voor zover zij zijn gewezen: a. ter zake van misdrijven; b. ter zake van overtredingen ten aanzien van degene die op het tijdstip waarop de vervolging tegen hem is aangevangen, de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt. 3 Tegen andere vonnissen kan de verdachte hoger beroep instellen, indien hechtenis als hoofdstraf is opgelegd, een geldboete van € 113 of meer is opgelegd dan wel een verbeurdverklaring is uitgesproken; het openbaar ministerie kan hoger beroep instellen, indien het gelijke straffen heeft gevorderd. 2004 215 25-05-2004 13-05-2004 28958 2004 275 24-06-2004 17-06-2004 01-07-2004 De wijzigingsopdracht is niet geheel juist.
Artikel 78 — Artikel 78#
Artikel 78 artikel 2 van het Wetboek van Strafvordering Ten aanzien van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten worden lichamen voor de toepassing vangeacht te wonen, waar zij gevestigd zijn. 1959 301 02-07-1959 4080 1962 319 18-08-1962 01-10-1962
Artikel 79 — Artikel 79#
Artikel 79 Vervallen 1976 377 23-06-1976 13655 1976 377 23-06-1976 13655 01-09-1976
Artikel 80 — Artikel 80#
Artikel 80 1 artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering Met het opsporen van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten zijn, behalve de inbedoelde personen, de ambtenaren van de rijksbelastingdienst belast. 2 artikel 156 van het Wetboek van Strafvordering In afwijking van deworden alle processen-verbaal betreffende bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten ingezonden bij het bestuur van ’s Rijks belastingen. Het bestuur doet de processen-verbaal betreffende strafbare feiten, onverwijld toekomen aan de bevoegde officier van justitie. De overige processen-verbaal doet het bestuur, met de inbeslaggenomen voorwerpen, toekomen aan de officier van justitie, indien het een vervolging of verdere vervolging door deze wenselijk acht. a. als bedoeld in de artikelen 22 en 25 van de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie («EOM») (PbEU 2017, L 283), of b. ter zake waarvan inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is toegepast dan wel een woning tegen de wil van de bewoner is binnengetreden, met de inbeslaggenomen voorwerpen, 3 artikel 76 De officier van justitie is bevoegd, de zaak ter afdoening weder in handen van het bestuur van ’s Rijks belastingen te stellen, hetwelk daarmede alsdan kan handelen overeenkomstig. 4 artikel 148, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering Het bepaalde invindt geen toepassing in zaken, waarin het bestuur van ’s Rijks belastingen het proces-verbaal niet aan de officier van justitie heeft doen toekomen. 2021 155 31-03-2021 17-03-2021 35429 2021 221 06-05-2021 22-04-2021 07-05-2021
Artikel 81 — Artikel 81#
Artikel 81 Wetboek van Strafvordering De ambtenaren belast met het opsporen van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten, zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van de ingevolge hetvoor inbeslagneming vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen. 1959 301 02-07-1959 4080 1962 319 18-08-1962 01-10-1962
Artikel 82 — Artikel 82#
Artikel 82 1 artikel 80, tweede lid artikel 116 van het Wetboek van Strafvordering In zaken waarin het bestuur van ’s Rijks belastingen het proces-verbaal niet ingevolge het bepaalde in, aan de officier van justitie heeft doen toekomen, geldt ten aanzien van het bestuur van ’s Rijks belastingen hetgeen inten aanzien van het openbaar ministerie is bepaald. 2 artikelen 552a 552ab van het Wetboek van Strafvordering artikel 552d van dat wetboek In de zaken, bedoeld in het vorige lid, wordt bij de toepassing van deen, alvorens het gerecht ingevolge artikel 552a, zesde lid, onderscheidenlijk artikel 552ab, vierde lid, van dat wetboek een beschikking neemt, ook het bestuur van ’s Rijks belastingen in de gelegenheid gesteld te worden gehoord en is, in afwijking van het bepaalde in, niet het openbaar ministerie doch het bestuur van ’s Rijks belastingen bevoegd tot het instellen van beroep in cassatie. De griffier van het gerecht hetwelk in die zaken ingevolge artikel 552a, zesde lid, of artikel 552ab, vierde lid, van dat wetboek een beschikking neemt, deelt deze onverwijld mede aan het bestuur van ’s Rijks belastingen. 2009 525 10-12-2009 26-11-2009 31391 2010 139 31-03-2010 25-03-2010 01-04-2010
Artikel 83 — Artikel 83#
Artikel 83 artikel 80, eerste lid Bij het opsporen van een bij de belastingwet strafbaar gesteld feit hebben de in, bedoelde ambtenaren toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Zij zijn bevoegd zich door bepaalde door hen aangewezen personen te doen vergezellen. 1994 573 22-06-1994 22539 1994 683 02-09-1994 01-10-1994
Artikel 84 — Artikel 84#
Artikel 84 Ten dienste van de vervolging en berechting van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten kan Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Veiligheid, ambtenaren van de rijksbelastingdienst aanwijzen, die het contact onderhouden met het openbaar ministerie. 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 01-01-2019
Artikel 85 — Artikel 85#
Artikel 85 De griffiers verstrekken aan het bestuur van ’s Rijks belastingen desgevraagd kosteloos afschrift of uittreksel van arresten of vonnissen, in belastingstrafzaken gewezen. 1959 301 02-07-1959 4080 1962 319 18-08-1962 01-10-1962
Artikel 86 — Artikel 86#
Artikel 86 Wetboek van Strafvordering Met betrekking tot gerechtelijke mededelingen inzake bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten hebben de ambtenaren van de rijksbelastingdienst de bevoegdheden bij hetaan ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, toegekend. 2012 316 16-07-2012 12-07-2012 32822 2012 317 16-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 87 — Artikel 87#
Artikel 87 Ten aanzien van de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen inzake bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten hebben de ambtenaren van de rijksbelastingdienst de bevoegdheid van deurwaarders. 1959 301 02-07-1959 4080 1962 319 18-08-1962 01-10-1962
Artikel 88 — Artikel 88#
Artikel 88 1 De ambtenaren van de rijksbelastingdienst zijn tevens belast met de opsporing van: a. artikelen 179 tot en met 182 van het Wetboek van Strafrecht de misdrijven omschreven in de, welke jegens hen zijn begaan; b. artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht het misdrijf omschreven in, indien het bevel of de vordering is gedaan krachtens of de handeling is ondernomen ter uitvoering van de belastingwet. 2 artikelen 152 153 156 159 van het Wetboek van Strafvordering De,,enzijn te dezen op de ambtenaren van overeenkomstige toepassing. 2011 601 22-12-2011 01-12-2011 32468 2012 408 19-09-2012 13-09-2012 01-01-2013
Artikel 88a — Artikel 88a#
Artikel 88a Vervallen 2008 112 15-04-2008 03-04-2008 30979 2008 287 22-07-2008 05-07-2008 01-08-2008 Artikel XLVII van Stb. 2008/112 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 88b — Artikel 88b#
Artikel 88b Vervallen 2008 112 15-04-2008 03-04-2008 30979 2008 287 22-07-2008 05-07-2008 01-08-2008 Artikel XLVII van Stb. 2008/112 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 88c — Artikel 88c#
Artikel 88c Vervallen 2008 112 15-04-2008 03-04-2008 30979 2008 287 22-07-2008 05-07-2008 01-08-2008 Artikel XLVII van Stb. 2008/112 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 89 — Artikel 89#
Artikel 89 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1959 301 02-07-1959 4080 1962 319 18-08-1962 01-10-1962
Artikel 90 — Artikel 90#
Artikel 90 Stb. Hoofdstuk VII De krachtens de wet van 14 Juni 1930 (244), houdende bepalingen tot voorkoming van dubbele belasting, uitgevaardigde voorschriften worden geacht krachtenste zijn uitgevaardigd. 1959 301 02-07-1959 4080 1962 319 18-08-1962 01-10-1962
Artikel 91 — Artikel 91#
Artikel 91 Stb. De wet van 13 Januari 1922 (9), betreffende het opleggen van voorlopige aanslagen in de directe belastingen, wordt ingetrokken. 1959 301 02-07-1959 4080 1984 637 18-12-1984 01-01-1985
Artikel 92 — Artikel 92#
Artikel 92 Stb. De wet van 29 April 1925 (171), tot bevordering van de richtige heffing der directe belastingen, wordt ingetrokken. 1959 301 02-07-1959 4080 1984 637 18-12-1984 01-01-1985
Artikel 93 — Artikel 93#
Artikel 93 Stb. De wet van 28 Juni 1926 (227), houdende bepalingen met betrekking tot het overschrijden van in belastingwetten gestelde termijnen, wordt ingetrokken. 1959 301 02-07-1959 4080 1984 637 18-12-1984 01-01-1985
Artikel 94 — Artikel 94#
Artikel 94 Stb. De wet van 23 April 1952 (191), houdende bepalingen inzake vervanging van het fiscale noodrecht, wordt ingetrokken, behoudens ten aanzien van begane strafbare feiten. 1959 301 02-07-1959 4080 1962 319 18-08-1962 01-10-1962
Artikel 95 — Artikel 95#
Artikel 95 1 De bepalingen van deze wet treden in werking op een door Ons te bepalen tijdstip, dat verschillend kan zijn zowel voor de onderscheidene bepalingen van de wet als voor de onderscheidene belastingen en tijdvakken waarin of waarover deze worden geheven. 2 Voor zoverre de bepalingen van deze wet ten aanzien van enige belasting in werking zijn getreden, blijven, behoudens ten aanzien van begane strafbare feiten, de bepalingen in andere belastingwetten betreffende de onderwerpen, geregeld in eerstbedoelde bepalingen, ten aanzien van die belasting in zoverre buiten toepassing. 2001 584 18-12-2001 06-12-2001 27878 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 96 — Artikel 96#
Artikel 96 Deze wet kan worden aangehaald als "Algemene wet inzake rijksbelastingen". 1959 301 02-07-1959 4080 1962 319 18-08-1962 01-10-1962