Wet van 26 april 1962, tot vaststelling van een algemene kinderbijslagverzekering
- BWB-id
- BWBR0002368
- Type
- Wet
- Ministerie
- Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0002368
- ELI
- /eli/nl/wet/1962/algemene-kinderbijslagwet
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1962/algemene-kinderbijslagwet/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0002368&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0002368&z=2026-06-06&g=2026-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0002368/2026-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1962/algemene-kinderbijslagwet
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; b. lichamen: rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens; c. Vreemdelingenwet 2000 vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de; d. artikel 1 van de Rijkswet instelling exclusieve economische zone continentaal plat: de exclusieve economische zone van het Koninkrijk, bedoeld in, voor zover deze grenst aan de territoriale zee van Nederland; e. artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap uitreiziger: persoon ten aanzien van wie op grond van een melding van de opsporingsdiensten of inlichtingen- en veiligheidsdiensten, gericht aan de Sociale verzekeringsbank, is gebleken dat het gegronde vermoeden bestaat dat deze persoon zich buiten Nederland bevindt met het doel om zich aan te sluiten bij een organisatie die is geplaatst op de lijst van organisaties, bedoeld in. 2017 78 09-03-2017 16-01-2017 34577 2017 354 29-09-2017 22-09-2017 01-10-2017
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Ingezetene in de zin van deze wet is degene, die in Nederland woont. 1989 127 10-05-1989 27-04-1989 20855 1989 123 27-04-1989 01-01-1990
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld. 2 Voor de toepassing van het eerste lid worden schepen welke in Nederland hun thuishaven hebben, ten opzichte van de bemanning als deel van Nederland beschouwd. 3 Hij die Nederland metterwoon heeft verlaten en binnen een jaar nadien metterwoon terugkeert zonder inmiddels in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, of op het grondgebied van een andere Mogendheid te hebben gewoond, wordt ook voor de duur van zijn afwezigheid geacht in Nederland te hebben gewoond. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2010 389 07-10-2010 30-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van Nederland.
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder kind: eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind. 2 Als eigen kind wordt beschouwd het kind a. artikel 198 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van de vrouw die op grond vanals zijn moeder wordt aangemerkt; b. artikel 199 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van de man die op grond vanals zijn vader wordt aangemerkt; c. artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek artikel 199 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van de man die op grond vanverplicht is bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding, tenzij het kind reeds op grond vanals eigen kind van een andere man wordt aangemerkt; d. van de man wiens biologisch vaderschap door middel van DNA-onderzoek is vastgesteld, mits de man het kind feitelijk in relevante mate onderhoudt en het kind niet reeds tot een andere man in een familierechtelijke vaderschapsrelatie staat; e. van de man die na toepassing van Nederlands internationaal privaatrecht tot het kind in een familierechtelijke vaderschapsrelatie staat. 3 Als pleegkind wordt beschouwd het kind dat als eigen kind wordt onderhouden en opgevoed. 4 Bij ministeriële regeling kan worden bepaald in welke gevallen een kind met een pleegkind wordt gelijkgesteld. 2010 74 02-03-2010 04-02-2010 31890 2010 101 02-03-2010 13-02-2010 03-03-2010 01-01-2010
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Vervallen 1994 916 15-12-1994 23775 1994 917 19-12-1994 01-01-1995
Artikel 5a — Artikel 5a#
Artikel 5a artikelen 14, vierde lid 21 Bij een besluit ingevolge de, enis mede belanghebbende het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen. 1995 198 18-04-1995 23-03-1995 23938 1995 198 18-04-1995 23-03-1995 23938 01-01-1997
Artikel 5b — Artikel 5b#
Artikel 5b Vervallen 2000 627 28-12-2000 21-12-2000 27248 2000 627 28-12-2000 21-12-2000 27248 01-01-2001
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die a. ingezetene is; b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen. 2 artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 Niet verzekerd is de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring der verzekerden. 4 artikel 8, onder a tot en met e en l Bij een maatregel, als bedoeld in het derde lid, kan worden bepaald dat bij een niet rechtmatig verblijf in Nederland in de zin van, verzekerd zijn: a. vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid verrichten, dan wel hebben verricht; b. artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 artikel 8, onder g of h, van de Vreemdelingenwet 2000 vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in. 2011 9 13-01-2011 23-12-2010 32383 2011 121 11-03-2011 26-02-2011 01-01-2012
Artikel 6a — Artikel 6a#
Artikel 6a artikel 6 Zo nodig in afwijking vanen de daarop berustende bepalingen: a. wordt als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; b. hoofdstuk 3 wordt voor de toepassing vanvan deze wet onder verzekerde mede verstaan de niet-verzekerde persoon die recht op kinderbijslag heeft verkregen op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU 2004, L 166); c. wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is. 2017 484 15-12-2017 29-11-2017 34766 2017 485 15-12-2017 06-12-2017 01-01-2018
Artikel 6b — Artikel 6b#
Artikel 6b Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder centrum voor topsport verstaan een voorziening waar een topsporter op tenminste toptalentniveau de mogelijkheid heeft op één locatie te trainen, wonen en studeren. 2016 471 07-12-2016 14-11-2016 34528 2016 472 07-12-2016 26-11-2016 08-12-2016 01-10-2016
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 De verzekerde heeft overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op kinderbijslag voor een kind dat jonger is dan 18 jaar en dat: a. tot zijn huishouden behoort, of b. door hem wordt onderhouden. 2 De verzekerde heeft voor een kind van 16 of 17 jaar slechts recht op kinderbijslag indien: a. artikelen 2, eerste lid 4a, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 de verzekerde heeft voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in de, en, dan wel daarvan op grond van die wet is vrijgesteld; b. Wet educatie en beroepsonderwijs artikel 4a van de Leerplichtwet 1969 het kind als leerling, vavo-student of student als bedoeld in devan een met een school of instelling als bedoeld invergelijkbare inrichting van onderwijs buiten Nederland staat ingeschreven en deze inrichting geregeld bezoekt, dan wel met overeenkomstige toepassing van de vrijstellingsgronden van die wet van die verplichting is vrijgesteld; c. artikel 1, onderdeel f, van de Leerplichtwet 1969 het kind een startkwalificatie als bedoeld inheeft behaald; of d. het kind een school of instelling als bedoeld in onderdeel b heeft afgerond op vergelijkbare wijze als bedoeld in onderdeel c. 3 Het niet voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, blijkt uit een daartoe strekkende mededeling van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het kind woont. 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het tweede en derde lid. 5 Vervallen. 6 artikel 12, eerste en tweede lid Het bedrag aan kinderbijslag, bedoeld in, wordt verdubbeld indien de verzekerde per kalenderkwartaal een bijdrage levert aan het onderhoud van het kind die meer bedraagt dan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag en het kind, bedoeld in het eerste lid, niet tot het huishouden van de verzekerde noch als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind tot het huishouden van een ander behoort: a. in verband met ziekte of gebreken van het kind; of b. artikel 1, onder b of c, van de Leerplichtwet 1969 artikel 4a, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 in verband met het volgen van onderwijs of een beroepsopleiding aan een school of instelling in de zin vanwaar het kind staat ingeschreven of in verband met het volgen van onderwijs, genoemd inwaar het kind overeenkomstig artikel 4a, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 staat ingeschreven of in verband met het volgen van onderwijs aan een vergelijkbare inrichting van onderwijs buiten Nederland waar het kind staat ingeschreven, waarbij: 1°. de verzekerde aantoont dat het kind een bij ministeriële regeling te bepalen beroepsopleiding volgt of als toptalent op het gebied van dans en muziek dan wel als topsporter op tenminste toptalentniveau een bij ministeriële regeling te bepalen school bezoekt voor het volgen van voortgezet onderwijs of een opleiding volgt in het voorbereidend beroepsonderwijs of in het beroepsonderwijs en als topsporter op tenminste toptalentniveau een opleiding bij een bij ministeriële regeling te bepalen centrum voor topsport volgt waardoor de afstand tussen het woonadres van de verzekerde of het woonadres van de ander tot wiens huishouden het kind laatstelijk behoorde en de dichtstbijzijnde instelling of school waar de beroepsopleiding of het voortgezet onderwijs wordt aangeboden meer bedraagt dan een bij ministeriële regeling te bepalen aantal kilometers; of 2°. de verzekerde een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen beroep uitoefent; of 3°. de verzekerde of de ander tot wiens huishouden het kind laatstelijk behoorde in een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen deel van Nederland woont, of de verzekerde aantoont dat hij of die ander in een gebied buiten Nederland woont waarbij niet verwacht kan worden dat het kind op basis van openbaar of eigen vervoer dagelijks heen en weer reist tussen school en het adres van de verzekerde of die ander; of 4°. artikel 7b, vierde lid, onderdelen a en b het het kind betreft van de verzekerde, bedoeld in; of 5°. de verzekerde aantoont dat het kind een bij ministeriële regeling te bepalen school bezoekt waarbij de afstand tussen het woonadres van de verzekerde of het woonadres van de ander tot wiens huishouden het kind laatstelijk behoorde en de dichtstbijzijnde school waar het onderwijs wordt aangeboden meer bedraagt dan een bij ministeriële regeling te bepalen aantal kilometers, met dien verstande dat de afstandseis niet geldt als het kind verplicht is gedurende het schooljaar meer dan drie nachten per kalenderweek op een aan de school gelieerde locatie te overnachten. 7 Indien de beroepsopleiding of de school, bedoeld in het zesde lid, onderdeel b, onder 1°, niet langer is opgenomen in de ministeriële regeling, bedoeld in het zesde lid, onderdeel b, onder 1°, dan wel indien gedurende de beroepsopleiding of het voortgezet onderwijs, bedoeld in het zesde lid, onderdeel b, onder 1°, een gelijke opleiding of school in die ministeriële regeling wordt opgenomen die valt binnen de afstand, bedoeld in het zesde lid, onderdeel b, onder 1°, blijft de verdubbeling van de kinderbijslag, bedoeld in het zesde lid, van toepassing tot de dag waarop het kind de opleiding of het onderwijs, bedoeld in het zesde lid, onderdeel b, onder 1°, niet langer volgt. 8 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste lid, onderdeel b, en het zesde lid. 9 Voor de toepassing van dit artikel wordt het kind geacht het onderwijs of de beroepsopleiding eerst na de vakantie te hebben beëindigd, indien: a. het onderwijs of de beroepsopleiding wordt beëindigd tijdens een door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de school of instelling vastgestelde vakantie, dan wel b. het onderwijs of de beroepsopleiding wordt afgesloten met een eindexamen, dat kort voor het begin van de laatste door de Minister van Cultuur, Onderwijs en Wetenschap, de school of instelling vastgestelde vakantie van het desbetreffende schooljaar wordt afgelegd. 10 In afwijking van het zesde lid, onderdeel b, sub 1°, is het woord «dichtstbijzijnde» niet van toepassing wanneer: a. artikel 1.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs het kind een beroepsopleiding volgt aan een niet uit ’s Rijks kas bekostigde instelling als bedoeld in; of b. artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs artikel 1.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs het kind een beroepsopleiding volgt aan een uit ’s Rijks kas bekostigde instelling als bedoeld inen de dichtstbijzijnde instelling een niet uit ’s Rijks kas bekostigde instelling is als bedoeld in. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-08-2022
Artikel 7a — Artikel 7a#
Artikel 7a 1 artikel 12, eerste en tweede lid Een verzekerde heeft voor een tot zijn huishouden behorend kind dat drie jaar is of ouder, maar nog niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, recht op een verdubbeling van het bedrag aan kinderbijslag, genoemd in, indien het kind is aangewezen op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen mate van intensieve zorg. 2 Indien een verzekerde over een kalenderjaar tot uitbetaling gekomen recht heeft gehad op een verdubbeling van het bedrag aan kinderbijslag op grond van het eerste lid, en heeft de verzekerde recht op een extra bedrag aan kinderbijslag over dat kalenderjaar ten bedrage van € 2.783,46. a. artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 met betrekking tot dat kalenderjaar, dan wel een gedeelte daarvan, geen partner heeft als bedoeld in; of b. artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.80 van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.90 van de Wet inkomstenbelasting 2001 met betrekking tot dat kalenderjaar een partner heeft als bedoeld inen de verzekerde of diens partner in dat kalenderjaar belastbare winst uit een of meer ondernemingen als bedoeld in, belastbaar loon als bedoeld inof belastbaar resultaat uit een of meer werkzaamheden als bedoeld inheeft genoten dat niet meer is dan € 6.323; 3 Indien een verzekerde of diens partner voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, en recht heeft op meer dan eenmaal de verdubbeling van de kinderbijslag, bedoeld in het eerste lid, heeft hij dan wel zijn partner recht op ten hoogste eenmaal het extra bedrag aan kinderbijslag, bedoeld in het tweede lid. 4 Indien twee personen die voor eenzelfde kind recht hebben op kinderbijslag als bedoeld in het eerste lid, dit kind op basis van een overeenkomst of rechterlijke beschikking overwegend in gelijke mate verzorgen en onderhouden zonder met elkaar een gemeenschappelijke huishouding te voeren, is voor de beoordeling van het recht op het extra bedrag aan kinderbijslag, bedoeld in het tweede lid, de situatie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a of b, van de ouder wiens recht op kinderbijslag wordt uitbetaald, bepalend. 5 Bij het uitvoeren van de verdubbeling van het bedrag aan kinderbijslag, bedoeld in het eerste lid, kan de Sociale verzekeringsbank gezondheidsgegevens uitwisselen en verwerken. 6 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste, tweede en vijfde lid. 2025 44508 29-12-2025 17-12-2025 2025-0000238548 2025 44508 29-12-2025 17-12-2025 2025-0000238548 01-01-2026
Artikel 7aa — Artikel 7aa#
Artikel 7aa Vervallen 2019 483 17-12-2019 11-12-2019 35275 2019 484 17-12-2019 11-12-2019 01-01-2020
Artikel 7b — Artikel 7b#
Artikel 7b 1 Geen recht op kinderbijslag heeft de verzekerde ten behoeve van het kind, indien dat kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal niet in Nederland woont. 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien dat kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal woont in een land waarin ten behoeve van hem op grond van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU L 166) recht op kinderbijslag bestaat. 3 Het eerste lid is niet van toepassing indien het kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal niet in Nederland woont doch langer dan drie maanden onafgebroken in Nederland verblijft. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat ten behoeve van het kind dat op de eerste dag van een kalenderkwartaal niet in Nederland woont, recht bestaat op kinderbijslag voor: a. de verzekerde, die werkzaamheden verricht in het algemeen belang en niet in Nederland woont; b. de verzekerde, die in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba woont; of c. de gezinsleden van de in de onderdelen a of b bedoelde verzekerde. 2014 238 01-07-2014 19-06-2014 33162 2014 346 08-10-2014 30-09-2014 01-01-2015
Artikel 7c — Artikel 7c#
Artikel 7c Vervallen 2016 471 07-12-2016 14-11-2016 34528 2016 472 07-12-2016 26-11-2016 01-01-2018
Artikel 7d — Artikel 7d#
Artikel 7d 1 Geen recht op kinderbijslag overeenkomstig de bepalingen van deze wet heeft de verzekerde die een uitreiziger is. 2 De verzekerde heeft geen recht op kinderbijslag overeenkomstig de bepalingen van deze wet voor een kind dat een uitreiziger is. 2017 78 09-03-2017 16-01-2017 34577 2017 354 29-09-2017 22-09-2017 01-10-2017
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 Vervallen 2010 74 02-03-2010 04-02-2010 31890 2010 101 02-03-2010 13-02-2010 03-03-2010 01-01-2010
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 Vervallen 2010 74 02-03-2010 04-02-2010 31890 2010 101 02-03-2010 13-02-2010 03-03-2010 01-01-2010
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Vervallen 2010 74 02-03-2010 04-02-2010 31890 2010 101 02-03-2010 13-02-2010 03-03-2010 01-01-2010
Artikel 10a — Artikel 10a#
Artikel 10a Vervallen 1995 220 27-04-1995 26-04-1995 23795 1995 220 27-04-1995 26-04-1995 23795 01-10-1995
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 Recht op kinderbijslag voor een kind ingevolge deze wet heeft slechts degene, die op de eerste dag van een kalenderkwartaal verzekerd is. 2 artikel 7 artikel 7a Recht op kinderbijslag over een kalenderkwartaal voor een kind bestaat indien op de eerste dag van dat kalenderkwartaal is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in, en, indien van toepassing,. 3 artikel 7d artikel 1, onderdeel e Recht op kinderbijslag voor een kind ingevolge deze wet heeft slechts degene, die op de eerste dag van een kalenderkwartaal verzekerd is en na toepassing vanniet langer het gegronde vermoeden bestaat dat hij of het kind zich buiten Nederland bevindt met het doel om zich aan te sluiten bij een organisatie als bedoeld in. 2019 483 17-12-2019 11-12-2019 35275 2019 484 17-12-2019 11-12-2019 01-01-2020
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 Het basiskinderbijslagbedrag over een kalenderkwartaal bedraagt € 421,53 per kind. 2 artikel 7a, tweede lid Het basiskinderbijslagbedrag en het extra bedrag aan kinderbijslag, bedoeld in, bedraagt voor een kind dat woont buiten Nederland, een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland, een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van het bedrag, genoemd in het eerste lid, respectievelijk artikel 7a, tweede lid. Het percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land waar het kind woonachtig is en dat van Nederland. Het percentage bedraagt maximaal 100. 3 Het aan een verzekerde over een kalenderkwartaal te betalen bedrag aan kinderbijslag bedraagt voor een kind, dat op de eerste dag van dat kwartaal: van het op grond van het eerste en tweede lid vastgestelde basiskinderbijslagbedrag. a. jonger is dan 6 jaar: € 295,07 b. 6 jaar of ouder, maar jonger is dan 12 jaar: € 358,30 en c. 12 jaar en ouder, maar jonger is dan 18 jaar: € 421,53 4 De kinderbijslag op grond van het derde lid, onderdelen b en c, wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld. 5 Het tweede lid is niet van toepassing indien het kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal niet in Nederland woont doch langer dan drie maanden onafgebroken in Nederland verblijft. 2025 44508 29-12-2025 17-12-2025 2025-0000238548 2025 44508 29-12-2025 17-12-2025 2025-0000238548 01-01-2026
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 artikelen 7a, tweede lid 12, eerste lid De bedragen, genoemd in de, en, worden al naar gelang de ontwikkeling van het algemene prijsniveau verhoogd of verlaagd. 2 artikel 7a, tweede lid, onderdeel b artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Het bedrag, genoemd in, wordt telkens gewijzigd met ingang van 1 januari. Bij een wijziging met ingang van 1 januari wordt dit bedrag vermenigvuldigd met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in, en vervolgens wordt de nodig geachte afronding aangebracht. Indien in het voorafgaande kalenderjaar een dergelijke afronding is toegepast, wordt bij de wijziging uitgegaan van het afgeronde bedrag. Het gewijzigde bedrag wordt door of namens Onze Minister medegedeeld in de Staatscourant. 3 artikel 7a, tweede lid Het extra bedrag aan kinderbijslag, genoemd aan het slot van, wordt telkens gewijzigd met ingang van 1 januari. Bij een wijziging met ingang van 1 januari wordt dit bedrag verhoogd of verlaagd met hetzelfde percentage, als waarmee de consumentenprijsindex over de maand oktober daaraan voorafgaande, naar boven of naar beneden afwijkt van de consumentenprijsindex, waarop de laatste wijziging is gebaseerd. Het gewijzigde bedrag wordt door of namens Onze Minister medegedeeld in de Staatscourant. In afwijking van de eerste zin blijft wijziging per 1 januari achterwege, indien de consumentenprijsindex over de maand oktober daaraan voorafgaande geen afwijking vertoont ten opzichte van de consumentenprijsindex, waarop de laatste wijziging is gebaseerd. 4 artikel 12, eerste lid Het bedrag, genoemd in, wordt telkens gewijzigd met ingang van 1 januari en 1 juli. Bij een wijziging met ingang van 1 januari onderscheidenlijk 1 juli wordt dit bedrag verhoogd of verlaagd met hetzelfde percentage, al waarmede de consumentenprijsindex over de maand oktober daaraan voorafgaande onderscheidenlijk over de maand april daaraan voorafgaande, naar boven of naar beneden afwijkt van de consumentenprijsindex, waarop de laatste wijziging is gebaseerd. Het gewijzigde bedrag wordt door of namens Onze Minister medegedeeld in de Staatscourant. In afwijking van de eerste zin blijft wijziging per 1 januari onderscheidenlijk per 1 juli achterwege, indien de consumentenprijsindex over de maand oktober onderscheidenlijk over de maand april daaraan voorafgaande geen afwijking vertoont ten opzichte van de consumentenprijsindex, waarop de laatste wijziging is gebaseerd. 5 artikel 7a, tweede lid, onderdeel b artikel 12, eerste lid Het overeenkomstig het tweede, derde of vierde lid gewijzigde bedrag treedt in de plaats van het bedrag, genoemd in, het extra bedrag aan kinderbijslag, genoemd aan het slot van artikel 7a, tweede lid, onderscheidenlijk het bedrag, genoemd in. 6 artikel 7a, tweede lid artikel 12, eerste lid Indien daartoe naar Ons oordeel een bijzondere aanleiding bestaat, kan het extra bedrag aan kinderbijslag, genoemd aan het slot van, of het bedrag, genoemd in, bij algemene maatregel van bestuur met ingang van een bij die algemene maatregel van bestuur aan te geven datum worden verhoogd. De op grond van de vorige zin verhoogde bedragen treden in de plaats van het extra bedrag aan kinderbijslag, genoemd aan het slot van artikel 7a, tweede lid, onderscheidenlijk het bedrag, genoemd in artikel 12, eerste lid. 7 Indien een verhoging als bedoeld in het zesde lid samenvalt met een wijziging als bedoeld in het derde of het vierde lid, wordt het bedrag voorafgaande aan de verhoging gewijzigd en geschiedt de wijziging, in afwijking van het derde lid, onderscheidenlijk het vierde lid, bij de in het zesde lid bedoelde algemene maatregel van bestuur. 8 Hetgeen onder consumentenprijsindex als bedoeld in het derde en vierde lid wordt verstaan, wordt nader bij algemene maatregel van bestuur geregeld. 9 artikel 12, eerste lid Indien het bedrag, genoemd in, wordt gewijzigd, worden de uit de toepassing van artikel 12, derde lid, met betrekking tot dat bedrag voortvloeiende bedragen, samen met de dag waarop de wijziging ingaat, door of namens Onze Minister medegedeeld in de Staatscourant. 10 Een wijziging van de kinderbijslag op grond van dit artikel vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld. 11 De Sociale verzekeringsbank betaalt de gewijzigde kinderbijslag, bedoeld in het tiende lid, bij de eerstvolgende betaling van de kinderbijslag nadat de wijziging, bedoeld in het derde dan wel vierde lid, heeft plaatsgevonden. 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 2022 532 27-12-2022 21-12-2022 36202 01-01-2025
Artikel 13a — Artikel 13a#
Artikel 13a Vervallen 2012 614 06-12-2012 22-11-2012 33294 2012 614 06-12-2012 22-11-2012 33294 01-07-2016 2014 227 27-06-2014 25-06-2014 33716 Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2012/614 gesteld op 1 januari 2015.
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 De Sociale verzekeringsbank stelt: a. op aanvraag vast of een recht op kinderbijslag bestaat; b. artikel 9.1.3a, eerste lid, van de Wet langdurige zorg artikel 7a, eerste lid op aanvraag of, indien informatie is verschaft door het Centrum Indicatiestelling zorg, als bedoeld in, ambtshalve op basis daarvan vast of een recht op een verdubbeling van het bedrag aan kinderbijslag als bedoeld in, bestaat; en c. artikel 7a, tweede lid op aanvraag vast of een recht op het extra bedrag aan kinderbijslag, bedoeld in, bestaat. 2 Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door de Sociale verzekeringsbank beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de verder bij de aanvraag te verstrekken gegevens. 3 artikel 7a, tweede lid De aanvraag om het extra bedrag aan kinderbijslag, bedoeld in, wordt ingediend voor 1 december van het kalenderjaar na het kalenderjaar waarover het recht op het extra bedrag aan kinderbijslag bestaat. 4 Indien de verzekerde nalaat een aanvraag om kinderbijslag in te dienen, kan deze aanvraag worden ingediend door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, dat tevens adviseert aan wie de kinderbijslag wordt betaald. 5 artikel 7a, eerste lid Het recht op kinderbijslag of een verdubbeling van het bedrag aan kinderbijslag, als bedoeld in, gaat niet eerder in dan: a. indien het kinderbijslag betreft, een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal waarin de aanvraag om kinderbijslag werd ingediend; of b. artikel 7a, eerste lid indien het een verdubbeling van het bedrag aan kinderbijslag, als bedoeld in, betreft, zes maanden voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal: 1°. waarin de aanvraag om een verdubbeling van het bedrag aan kinderbijslag werd ingediend; of 2°. artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg waarin het recht op zorg aanvangt op grond van het indicatiebesluit, bedoeld in, indien het recht op een verdubbeling van het bedrag aan kinderbijslag ambtshalve wordt vastgesteld op basis van de informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. 2024 409 17-12-2024 11-12-2024 36616 2024 410 17-12-2024 11-12-2024 01-01-2025
Artikel 14a — Artikel 14a#
Artikel 14a 1 Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van kinderbijslag en terzake van weigering van kinderbijslag, herziet de Sociale verzekeringsbank een dergelijk besluit of trekt zij dat in: a. artikel 15 16 indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond vanofheeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van kinderbijslag; b. indien anderszins de kinderbijslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend; c. artikel 15 16 indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond vanofertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op kinderbijslag bestaat. 2 Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking als bedoeld in het eerste lid af te zien. 3 artikel 21 artikel 15a hoofdstuk III, paragraaf 1 2 Indien de verzekerde of de persoon aan wie of de instelling waaraan op grond vankinderbijslag wordt betaald niet op grond vandesgevraagd aantoont dat is voldaan aan artikel 15a, eerste lid, onderdelen a en b, en als gevolg hiervan niet kan worden vastgesteld tot wiens huishouden het kind behoort, wordt het recht op kinderbijslag vastgesteld, herzien of ingetrokken en het recht op kinderbijslag geldend gemaakt overeenkomstigen. 2016 471 07-12-2016 14-11-2016 34528 2016 472 07-12-2016 26-11-2016 01-01-2018
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 artikel 21 De verzekerde, alsmede de persoon aan wie of de instelling waaraan op grond vankinderbijslag wordt betaald, zijn verplicht aan de Sociale verzekeringsbank op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hem of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op kinderbijslag, de hoogte van de kinderbijslag, het geldend maken van het recht op kinderbijslag of op het bedrag van de kinderbijslag, dat wordt betaald. 2 De verplichting van het eerste lid geldt niet indien: die feiten en omstandigheden door de Sociale verzekeringsbank kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens dit onderdeel van toepassing is. 2020 496 04-12-2020 25-11-2020 35494 2020 497 04-12-2020 30-11-2020 01-01-2021
Artikel 15a — Artikel 15a#
Artikel 15a 1 artikel 15 artikel 21 In aanvulling opkan de Sociale verzekeringsbank de verzekerde of de persoon aan wie of de instelling waaraan op grond vankinderbijslag wordt betaald verzoeken aan te tonen dat: a. artikel 7, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid ten aanzien van een kind als bedoeld in, wordt voldaan aan de voorwaarden, gesteld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, of b. artikel 7, zesde lid een kind als bedoeld in, niet tot het huishouden van de verzekerde noch tot het huishouden van een ander behoort. 2 artikel 21 Teneinde de verzekerde of de persoon aan wie of de instelling waaraan op grond vankinderbijslag wordt betaald daartoe in de gelegenheid te stellen, kan de Sociale verzekeringsbank bij dit verzoek aanbieden met de toestemming van de verzekerde of de bewoner van de woning waar het kind woont, de woning van verzekerde onderscheidenlijk de woning waar het kind woont binnen te treden. 3 Indien door het ontbreken van toestemming van de bewoner niet kan worden vastgesteld tot wiens huishouden het kind behoort, heeft dit gevolgen voor het recht op en het geldend maken van het recht op kinderbijslag. 2016 471 07-12-2016 14-11-2016 34528 2016 472 07-12-2016 26-11-2016 01-01-2018
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 De Sociale verzekeringsbank is bevoegd controlevoorschriften vast te stellen. Deze voorschriften mogen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wet. 2 artikel 21 De verzekerde, alsmede de persoon aan wie of de instelling waaraan op grond vankinderbijslag wordt betaald, zijn verplicht de voorschriften op te volgen en anderszins aan de Sociale verzekeringsbank desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. 3 artikel 21 De verzekerde, alsmede de persoon aan wie op grond vankinderbijslag wordt betaald, onthouden zich van zeer ernstige misdragingen jegens de met de uitvoering van deze wet belaste personen en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden. 2016 471 07-12-2016 14-11-2016 34528 2016 472 07-12-2016 26-11-2016 01-01-2018
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 artikel 21 artikel 16 artikel 15 artikel 55, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen De Sociale verzekeringsbank weigert de kinderbijslag tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk indien de verzekerde of de persoon aan wie op grond vankinderbijslag wordt betaald, een verplichting op grond vanopgelegd, of de verplichting, bedoeld in, niet of niet behoorlijk is nagekomen, dan wel de verplichting, bedoeld inniet binnen de door de Sociale verzekeringsbank daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen. 2 artikel 21 Een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de verzekerde dan wel de persoon aan wie op grond vankinderbijslag wordt betaald, de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. 3 artikel 15 artikel 21 De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in, indien het niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van kinderbijslag, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de verzekerde, of de persoon aan wie op grond vankinderbijslag wordt betaald, een zodanige waarschuwing is gegeven. 4 De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. 5 artikel 17a Het opleggen van een maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een bestuurlijke boete als bedoeld inwordt opgelegd. 6 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid. 2016 471 07-12-2016 14-11-2016 34528 2016 472 07-12-2016 26-11-2016 01-01-2018
Artikel 17a — Artikel 17a#
Artikel 17a 1 artikel 21 artikel 15 artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde, of de persoon aan wie op grond vankinderbijslag wordt betaald, van de verplichting, bedoeld in. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 15, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 15, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding niet opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. 2 artikel 15 In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan kinderbijslag is verleend. 3 artikel 21 artikel 15 artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht Indien het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde, of de persoon aan wie op grond vankinderbijslag wordt betaald, van de verplichting, bedoeld in, niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, legt de Sociale verzekeringsbank een bestuurlijke boete op van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie, bedoeld in. 4 artikel 15 artikel 21 De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in, in situaties die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaats vindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de verzekerde, of aan de persoon aan wie op grond vankinderbijslag wordt betaald, een zodanige waarschuwing is gegeven. 5 artikel 21 artikel 15 De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde, of de persoon aan wie op grond vankinderbijslag wordt betaald, van de verplichting, bedoeld in, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan kinderbijslag is ontvangen, van ten hoogste 150 procent van het benadelingsbedrag, met overeenkomstige toepassing van het eerste lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan van de overtreding een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden. 6 artikel 21 In afwijking van het vijfde lid is het in dat lid genoemde tijdvak van vijf jaar tien jaar indien wegens de eerdere overtreding, bedoeld in het vijfde lid, de verzekerde, of de persoon aan wie op grond vankinderbijslag wordt betaald, is gestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. 7 De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. 8 Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan de Sociale verzekeringsbank de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn. 9 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete. 10 artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 21 In afwijking vankan de rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook ten nadele van de verzekerde, dan wel de persoon aan wie op grond vankinderbijslag wordt betaald, wijzigen. 11 Artikel 24c, eerste, derde en vierde lid Indien ten aanzien van een overtreding waarvoor een bestuurlijke boete is opgelegd geen sprake is geweest van opzet of grove schuld, en voorts is gebleken dat binnen een jaar nadat de bestuurlijke boete is opgelegd niet nogmaals een overtreding wegens eenzelfde gedraging is begaan, is de Sociale verzekeringsbank bevoegd op verzoek van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd, de bestuurlijke boete geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden bij medewerking aan een schuldregeling., is van overeenkomstige toepassing. 12 Het besluit tot kwijtschelding, bedoeld in het elfde lid, wordt ingetrokken of ten nadele van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd herzien indien binnen vijf jaar na het besluit tot kwijtschelding wederom een overtreding wegens eenzelfde gedraging is begaan. 2022 543 27-12-2022 21-12-2022 36216 2022 544 27-12-2022 21-12-2022 01-01-2023
Artikel 17b — Artikel 17b#
Artikel 17b Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 17c — Artikel 17c#
Artikel 17c artikel 17g, eerste of tweede lid Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de termijn waarvoor uitstel van betaling van de bestuurlijke boete kan worden verleend alsmede omtrent de hoogte van het op grond van, te verrekenen bedrag en de termijn of termijnen waarbinnen deze verrekening plaatsvindt. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 17d — Artikel 17d#
Artikel 17d Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 17e — Artikel 17e#
Artikel 17e Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 17f — Artikel 17f#
Artikel 17f Vervallen 2012 462 12-10-2012 04-10-2012 33207 2012 498 23-10-2012 11-10-2012 01-01-2013
Artikel 17g — Artikel 17g#
Artikel 17g 1 artikel 17a, vijfde lid Algemene Ouderdomswet Algemene nabestaandenwet De Sociale verzekeringsbank verrekent de bestuurlijke boete en een eerdere bestuurlijke boete wegens eenzelfde gedraging als bedoeld in, met kinderbijslag op grond van deze wet, ouderdomspensioen op grond van deof een uitkering op grond van de, die degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel degene met wie hij een huishouden vormt, ontvangt. 2 Onverminderd het eerste lid kan de Sociale verzekeringsbank de bestuurlijke boete verrekenen met een vordering die degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd op hem heeft. 3 Participatiewet Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen Wet inkomensvoorziening oudere werklozen Werkloosheidswet Ziektewet Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering Wet arbeid en zorg Toeslagenwet Het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente, onderscheidenlijk het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is, op haar verzoek aan de Sociale verzekeringsbank indien degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel degene met wie hij een huishouden vormt, een uitkering ontvangt op grond van de, de, de, de, de, de, de, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de, deof deof een toeslag op grond van de. 4 artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht De inaan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan de Sociale verzekeringsbank. Indien de Sociale verzekeringsbank gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van, door middel van toezending per post aan degene aan wie de boete is opgelegd. 5 artikel 21 artikel 17a, achtste lid Zolang de verzekerde en degene met wie hij een huishouden vormt, dan wel de persoon aan wie op grond vankinderbijslag wordt betaald, zijn verplichting als bedoeld in, niet of niet behoorlijk nakomt: a. artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is de Sociale verzekeringsbank, in afwijking van, bevoegd tot verrekening van de bestuurlijke boete voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn; b. artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de, in afwijking van, niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel. 2016 471 07-12-2016 14-11-2016 34528 2016 472 07-12-2016 26-11-2016 01-01-2018
Artikel 17h — Artikel 17h#
Artikel 17h Vervallen 2016 318 08-09-2016 23-08-2016 34396 2016 421 08-11-2016 27-10-2016 01-01-2017
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 De Sociale verzekeringsbank betaalt: a. artikel 14, eerste lid, onderdeel a de kinderbijslag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden na afloop van het kwartaal waarover recht op kinderbijslag bestaat, respectievelijk binnen drie maanden na indiening van de aanvraag, bedoeld in; b. artikel 7a, eerste lid artikel 14, eerste lid, onderdeel b de verdubbeling van het bedrag aan kinderbijslag, bedoeld in, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden na indiening van de aanvraag of ontvangst van de informatie, bedoeld in; en c. artikel 7a, tweede lid artikel 14, eerste lid, onderdeel c het extra bedrag aan kinderbijslag, bedoeld in, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden na indiening van de aanvraag, bedoeld in. 2 Indien twee personen, die gezamenlijk een huishouden vormen, over eenzelfde tijdvak recht op kinderbijslag voor eenzelfde kind hebben, wordt de kinderbijslag uitbetaald aan degene van hen die zij gezamenlijk daartoe hebben aangewezen. 3 Bij gebreke van een gezamenlijke aanwijzing als bedoeld in het tweede lid bepaalt de Sociale verzekeringsbank aan welke persoon de kinderbijslag wordt uitbetaald. 4 Indien twee of meer personen waaronder één persoon tot wiens huishouden het kind behoort, over eenzelfde tijdvak recht op kinderbijslag voor eenzelfde kind hebben, wordt de kinderbijslag waarop degene recht heeft, tot wiens huishouden dit kind niet behoort, niet betaald. 5 Indien twee of meer personen over eenzelfde tijdvak recht hebben op kinderbijslag voor eenzelfde kind, in andere situaties dan bedoeld in het tweede en vierde lid, wordt betaald de kinderbijslag waarop degene recht heeft die de hoogste bijdrage in het onderhoud van dit kind levert. Aan de andere personen wordt geen kinderbijslag uitbetaald. 6 Zolang de persoon aan wie op grond van het vierde of vijfde lid kinderbijslag zou moeten worden betaald geen aanvraag daartoe heeft ingediend, blijft de kinderbijslag, in afwijking van het vierde en vijfde lid, betaald worden aan de persoon die daartoe wel een aanvraag heeft ingediend. Indien de persoon die geen aanvraag heeft ingediend, alsnog een aanvraag indient, wordt de kinderbijslag aan die persoon betaald: a. na afloop van het kalenderkwartaal waarin de aanvraag is ingediend, indien deze is ingediend in de eerste twee maanden van dat kalenderkwartaal; of b. na afloop van het kalenderkwartaal volgend op het kalenderkwartaal waarin de aanvraag is ingediend, indien deze is ingediend in de laatste maand van dat kalenderkwartaal. 7 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot situaties van samenloop, bedoeld in het tweede, vierde en vijfde lid, nadere en aanvullende regels worden gesteld waarbij bepaald kan worden dat aan een ander persoon de kinderbijslag wordt uitbetaald dan de persoon, bedoeld in het vierde en vijfde lid. 8 De kinderbijslag die op grond van het tweede tot en met vijfde en zevende lid aan een verzekerde wordt betaald, kan op verzoek van die verzekerde in gedeelten aan meer verzekerden worden betaald. 9 artikel 4:89, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht Indien de kinderbijslag in het buitenland wordt uitbetaald, geschiedt de betaling in afwijking vanop het tijdstip waarop de rekening van de daartoe door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd. 2024 78 03-04-2024 13-03-2024 36385 2024 79 03-04-2024 26-03-2024 01-07-2024
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 De Sociale verzekeringsbank schort de betaling van de kinderbijslag op of schorst de betaling, indien zij op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft, dat: a. het recht op kinderbijslag niet of niet meer bestaat; b. recht op een lagere kinderbijslag bestaat, of c. artikel 21 artikelen 15 15a, eerste lid 16 de verzekerde, alsmede de persoon aan wie of de instelling aan welke op grond vankinderbijslag wordt betaald, een verplichting hem of haar op grond van de,, enopgelegd, niet is nagekomen. 2016 471 07-12-2016 14-11-2016 34528 2016 472 07-12-2016 26-11-2016 01-01-2018
Artikel 19a — Artikel 19a#
Artikel 19a 1 De Sociale verzekeringsbank schort de betaling van de kinderbijslag op, indien blijkt dat het door de verzekerde verstrekte adres van hemzelf of van zijn kind afwijkt van het adres waaronder de verzekerde of het kind in de basisregistratie personen staat ingeschreven. 2 Geen opschorting vindt plaats: a. indien de afwijking redelijkerwijs geen gevolgen kan hebben voor het recht op of de hoogte van de kinderbijslag; b. indien de belanghebbende van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. 3 De Sociale verzekeringsbank doet schriftelijk mededeling van de opschorting aan de verzekerde. 4 De opschorting wordt beëindigd zodra het aan de Sociale verzekeringsbank gebleken is dat de afwijking niet meer bestaat. 2013 316 26-07-2013 10-07-2013 33555 2013 494 09-12-2013 28-11-2013 06-01-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet basisregistratie
personen in werking treedt.
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 Indien voor hetzelfde kind kinderbijslag of een naar aard en strekking daarmee overeenkomende gezinsbijslag is betaald, dan wel kan worden betaald ingevolge deze wet en ingevolge een rechtens geldende regeling, bestaande in een ander land, of ingevolge een regeling van een volkenrechtelijke organisatie, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld ter voorkoming, verrekening en beperking van samenloop met dergelijke gezinsbijslagen of ter voorkoming van dubbele kinderbijslag. 2017 484 15-12-2017 29-11-2017 34766 2017 485 15-12-2017 06-12-2017 01-01-2018
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 De Sociale verzekeringsbank is bevoegd, voor zover nodig na ingewonnen advies van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen de kinderbijslag voor een kind te betalen aan een ander dan de rechthebbende. 2001 625 18-12-2001 29-11-2001 27665 2001 682 27-12-2001 13-12-2001 27665 01-01-2002 Door de Sociale verzekeringsbank, op grond van de artikelen 17c,
derde lid, en 24b, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet,
zoals deze artikelen luidden op de datum vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet, gestelde regels gelden met ingang
van dat tijdstip als ministeriële regelingen op grond van de
artikelen 17c, derde lid, en 24b van de Algemene Kinderbijslagwet.
Artikel 21a — Artikel 21a#
Artikel 21a Vervallen 2017 484 15-12-2017 29-11-2017 34766 2017 485 15-12-2017 06-12-2017 01-01-2018
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 De kinderbijslag die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd binnen twee jaar na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet meer betaald. 2024 409 17-12-2024 11-12-2024 36616 2024 410 17-12-2024 11-12-2024 01-01-2025
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 De kinderbijslag is: a. onvervreemdbaar; b. niet vatbaar voor verpanding of belening; c. artikel 24 behoudens voor zoveel dit dient tot verhaal van een uitkering tot levensonderhoud van het kind, of tot terugvordering van onverschuldigd betaalde kinderbijslag als bedoeld in, niet vatbaar voor executoriaal of conservatoir beslag noch voor beslag ingevolge faillissement of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. 2 Volmacht tot ontvangst van kinderbijslag, onder welke vorm of welke benaming ook door de verzekerde verleend, is steeds herroepelijk. 3 Elk beding, strijdig met enige bepaling van dit artikel, is nietig. 2004 728 30-12-2004 23-12-2004 29513 2004 729 30-12-2004 23-12-2004 01-01-2005 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 1 artikel 14a artikel 21 De kinderbijslag die als gevolg van een besluit als bedoeld inonverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door de Sociale verzekeringsbank van de verzekerde, dan wel degene met wie hij een huishouding vormt, of de persoon aan wie op grond vankinderbijslag wordt betaald, teruggevorderd. 2 artikel 21 In afwijking van het eerste lid kan de Sociale verzekeringsbank besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de verzekerde, dan wel degene met wie hij een huishouding vormt, of de persoon aan wie op grond vankinderbijslag wordt betaald: a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan; b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald; c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost. 3 artikel 15 De in het tweede lid, onderdelen a, b en c, genoemde termijn is tien jaar indien de terugvordering het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in. 4 De in het tweede lid, onder a en b, genoemde termijn is drie jaar indien: a. artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet bedoeld in deniet te boven is gegaan; en b. artikel 15 de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in. 5 Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. 6 Degene van wie wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan de Sociale verzekeringsbank de inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn. 7 In afwijking van het eerste lid kan de Sociale verzekeringsbank, onder voorwaarden die Onze Minister kan stellen, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een door Onze Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat. 2017 110 24-03-2017 08-03-2017 34628 2020 499 08-12-2020 30-11-2020 01-01-2021
Artikel 24a — Artikel 24a#
Artikel 24a 1 artikel 24, eerste lid De Sociale verzekeringsbank kan de onverschuldigd betaalde kinderbijslag, bedoeld in, invorderen bij dwangbevel. 2 Artikel 17g is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: a. artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering indien het gemiddeld inkomen van de belanghebbende gedurende drie jaar de beslagvrije voet bedoeld in deniet te boven is gegaan, de Sociale verzekeringsbank de aflossingsbedragen lager vaststelt; en b. artikel 17g, eerste lid indien degene van wie wordt teruggevorderd, dan wel degene met wie hij een huishouden vormt, kinderbijslag op grond van deze wet ontvangt, in afwijking van, het besluit tot terugvordering ten uitvoer kan worden gelegd door verrekening met die bijslag. 2017 110 24-03-2017 08-03-2017 34628 2020 499 08-12-2020 30-11-2020 01-01-2021
Artikel 24b — Artikel 24b#
Artikel 24b Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is vastgesteld dat onverschuldigd is betaald. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 24c — Artikel 24c#
Artikel 24c 1 artikel 24, eerste lid artikel 21 In afwijking van, kan de Sociale verzekeringsbank, op verzoek van de verzekerde, dan wel degene met wie hij een huishouding vormt, of de persoon aan wie op grond vankinderbijslag wordt betaald, besluiten gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk van verdere terugvordering af te zien bij medewerking aan een schuldregeling, indien: a. artikel 21 redelijkerwijs te voorzien is dat verzekerde, dan wel degene met wie hij een huishouding vormt, of de persoon aan wie op grond vankinderbijslag wordt betaald niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen; b. redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; c. artikel 48 van de Wet op het consumentenkrediet een naar het oordeel van de Sociale verzekeringsbank betrouwbaar voorstel voor een schuldregeling tot stand is gekomen door tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in; d. aannemelijk is dat medewerking aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend werkt; en e. artikel 349 van de Faillissementswet uitdeling in het kader van de schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig. 2 artikel 21 artikel 15 artikel 17a Wetboek van Strafrecht Het eerste lid is niet van toepassing indien een vordering is ontstaan door het opzettelijk of door grove schuld niet nakomen door de verzekerde, dan wel degene met wie hij een huishouding vormt, of de persoon aan wie op grond vankinderbijslag wordt betaald, van de verplichting, bedoeld in, en hiervoor een boete als bedoeld inis opgelegd, dan wel met betrekking tot het niet naleven van die verplichting aangifte is gedaan op grond van het. 3 artikel 21 Het besluit tot het afzien van terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van de verzekerde, dan wel degene met wie hij een huishouding vormt, of de persoon aan wie op grond vankinderbijslag wordt betaald gewijzigd indien: a. niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid; b. artikel 21 de verzekerde, dan wel degene met wie hij een huishouding vormt, of de persoon aan wie op grond vankinderbijslag wordt betaald zijn schuld aan de Sociale verzekeringsbank niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of c. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. 4 Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten aanzien van de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen. 2021 627 20-12-2021 15-12-2021 35897 2021 628 20-12-2021 15-12-2021 21-12-2021 15-11-2021
Artikel 24d — Artikel 24d#
Artikel 24d artikelen 24 24c artikel 288 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek Een vordering van de Sociale verzekeringsbank als bedoeld in deenis bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de vorderingen, bedoeld in. 2011 618 20-12-2011 01-12-2011 33015 2011 619 20-12-2011 12-12-2011 01-01-2012
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 Vervallen 2019 483 17-12-2019 11-12-2019 35275 2019 484 17-12-2019 11-12-2019 01-01-2020
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 Vervallen 1995 691 28-12-1995 21-12-1995 24326 1995 691 28-12-1995 21-12-1995 24326 01-01-1996
Artikel 26a — Artikel 26a#
Artikel 26a Vervallen 1995 691 28-12-1995 21-12-1995 24326 1995 691 28-12-1995 21-12-1995 24326 01-01-1996
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 Vervallen 1995 691 28-12-1995 21-12-1995 24326 1995 691 28-12-1995 21-12-1995 24326 01-01-1996
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 Vervallen 1995 691 28-12-1995 21-12-1995 24326 1995 691 28-12-1995 21-12-1995 24326 01-01-1996
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 Vervallen 1995 691 28-12-1995 21-12-1995 24326 1995 691 28-12-1995 21-12-1995 24326 01-01-1996
Artikel 29a — Artikel 29a#
Artikel 29a 1 artikel 17a De Sociale verzekeringsbank beheert en administreert afzonderlijk de middelen tot dekking van de uitgaven, bedoeld in het derde lid, in de vorm van een Algemeen Kinderbijslagfonds dat deel uitmaakt van de Sociale verzekeringsbank, alsmede door de met toepassing vanverkregen boeten. 2 artikel 17a In de middelen tot dekking van de uitgaven ten laste van het Algemeen Kinderbijslagfonds wordt voorzien door het Rijk, onderscheidenlijk de afdracht van de boeten, bedoeld in, door de Sociale verzekeringsbank. 3 De ingevolge deze wet uit te keren kinderbijslagen en de aan de uitvoering van deze wet verbonden kosten komen ten laste van het Algemeen Kinderbijslagfonds. 2001 625 18-12-2001 29-11-2001 27665 2001 682 27-12-2001 13-12-2001 27665 01-01-2002 Door de Sociale verzekeringsbank, op grond van de artikelen 17c,
derde lid, en 24b, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet,
zoals deze artikelen luidden op de datum vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet, gestelde regels gelden met ingang
van dat tijdstip als ministeriële regelingen op grond van de
artikelen 17c, derde lid, en 24b van de Algemene Kinderbijslagwet.
Artikel 29b — Artikel 29b#
Artikel 29b Vervallen 1994 916 15-12-1994 23775 1994 917 19-12-1994 01-01-1995
Artikel 29c — Artikel 29c#
Artikel 29c 1 artikel 14, eerste lid, onderdeel b Een beschikking op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag of na ontvangst van de informatie, bedoeld in. 2 artikel 14, eerste lid, onderdeel b De redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag of na ontvangst van de informatie, bedoeld in, geen beschikking is gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in het derde lid is gedaan. 3 Indien een beschikking niet binnen de termijn van acht weken kan worden gegeven, wordt die termijn met een redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager of, indien geen sprake is van een aanvrager, degene aan wie de kinderbijslag wordt uitbetaald daarvan schriftelijk in kennis gesteld. 4 artikel 14, eerste lid, onderdeel b Indien ambtshalve op basis van de verschafte informatie bedoeld in, niet wordt overgegaan tot vaststelling van een recht op een verdubbeling van het bedrag aan kinderbijslag, wordt hiervan binnen een redelijke termijn schriftelijk in kennis gesteld: a. degene aan wie de kinderbijslag wordt uitbetaald; of b. artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg degene aan wie het indicatiebesluit, bedoeld in, is gericht, als geen kinderbijslag wordt uitbetaald. 2024 78 03-04-2024 13-03-2024 36385 2024 79 03-04-2024 26-03-2024 01-07-2024
Artikel 29d — Artikel 29d#
Artikel 29d Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vanbeslist de Sociale verzekeringsbank binnen dertien weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. 2009 384 30-09-2009 18-06-2009 31751 2009 384 30-09-2009 18-06-2009 31751 01-10-2009
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 1 artikel 2 3 6 Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens,of. 2 Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof. 1997 789 30-12-1997 24-12-1997 25641 1997 789 30-12-1997 24-12-1997 25641 31-12-1997
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 Vervallen 1988 631 21-12-1988 20892 1988 631 21-12-1988 20892 01-01-1989
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 Vervallen 1988 655 28-12-1988 20854 1988 656 28-12-1988 01-01-1989
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 Vervallen 2000 40 01-02-2000 20-01-2000 23993 2000 237 13-06-2000 31-05-2000 01-07-2000
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 Vervallen 2000 40 01-02-2000 20-01-2000 23993 2000 237 13-06-2000 31-05-2000 01-07-2000
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht Een gedraging die in strijd is met een krachtens deze wet uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel aangeduid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie, bedoeld in. Het feit wordt beschouwd als een overtreding. 2017 484 15-12-2017 29-11-2017 34766 2017 485 15-12-2017 06-12-2017 01-01-2018
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 Vervallen 2003 544 30-12-2003 19-12-2003 28978 2003 545 30-12-2003 19-12-2003 01-01-2004
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 Vervallen 1995 691 28-12-1995 21-12-1995 24326 1995 691 28-12-1995 21-12-1995 24326 29-12-1995
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 Vervallen 2000 40 01-02-2000 20-01-2000 23993 2000 237 13-06-2000 31-05-2000 01-07-2000
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 Hetgeen nog ter uitvoering van deze wet nodig is, wordt geregeld bij ministeriële regeling. 1989 127 10-05-1989 27-04-1989 20855 1989 123 27-04-1989 01-01-1990
Artikel 41a — Artikel 41a#
Artikel 41a Artikel 7a, tweede lid artikel I, onderdeel B, van de Verzamelwet SZW 2018 , zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van, blijft van toepassing op een recht op een extra bedrag aan kinderbijslag over het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin artikel I, onderdeel B, van de Verzamelwet SZW 2018 in werking is getreden. 2017 484 15-12-2017 29-11-2017 34766 2017 485 15-12-2017 06-12-2017 01-01-2018
Artikel 41b — Artikel 41b#
Artikel 41b 1 artikel 7b Op de persoon die op grond van een verdrag, de voorlopige toepassing van een verdrag dan wel een daarmee gelijk te stellen situatie in afwijking vanrecht heeft op kinderbijslag en wiens recht op kinderbijslag uitsluitend zou eindigen als gevolg van de opzegging of wijziging van dat verdrag, de beëindiging van de voorlopige toepassing van dat verdrag dan wel de beëindiging van een daarmee gelijk te stellen situatie, blijft artikel 7b gedurende de eerste twee kalenderkwartalen vanaf de buitenwerkingtreding van het verdrag, de inwerkingtreding van de desbetreffende wijziging respectievelijk de beëindiging van de voorlopige toepassing of de beëindiging van de daarmee gelijk te stellen situatie buiten toepassing. 2 Het eerste lid blijft van toepassing zolang het kind op de eerste dag van de in dat lid bedoelde kalenderkwartalen woont in hetzelfde land als waar hij op de eerste dag van het daaraan voorafgaande kalenderkwartaal woonde en de verzekerde blijft voldoen aan de overige voorwaarden voor het recht op kinderbijslag. 2024 409 17-12-2024 11-12-2024 36616 2024 410 17-12-2024 11-12-2024 01-01-2025
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 Deze wet kan worden aangehaald onder de titel: "Algemene Kinderbijslagwet". 1980 1 11-01-1980 15683 1979 709 20-12-1979 15683 01-01-1980
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 De artikelen van deze wet treden in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld. 1989 127 10-05-1989 27-04-1989 20855 1989 123 27-04-1989 01-01-1990