Wet van 12 juli 1962, houdende vaststelling van nieuwe regelen met betrekking tot de handel in en het gebruik van bestrijdingsmiddelen
- BWB-id
- BWBR0002380
- Type
- Wet
- Ministerie
- Economische Zaken
- Geldigheid
- 2005-01-01 t/m 2007-10-16
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0002380
- ELI
- /eli/nl/wet/1962/bestrijdingsmiddelenwet-1962
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1962/bestrijdingsmiddelenwet-1962/2005-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0002380&g=2005-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0002380&z=2026-06-06&g=2005-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0002380/2005-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1962/bestrijdingsmiddelenwet-1962
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. planten: levende planten en levende delen van planten met inbegrip van vers fruit en zaden; b. plantaardige produkten: van planten afkomstige produkten die geen of slechts een eenvoudige bewerking hebben ondergaan, zoals malen, drogen of persen, voor zover het geen planten zijn; c. organismen: organismen van het dieren- of plantenrijk en virussen, bacteriën, mycoplasma's of andere pathogenen die schade kunnen veroorzaken of waarvan uit anderen hoofde bestrijding of afwering wenselijk is; d. stof: chemisch element of verbinding daarvan, zoals dat of zoals deze in de natuur voorkomt of industrieel wordt vervaardigd, met inbegrip van verontreinigingen die onvermijdelijk bij het fabricageproces ontstaan; e. g h werkzame stof: stof of micro-organisme, met inbegrip van een virus of fungus met een algemene of algemeen verkrijgbare werking als bedoeld in de onderdelenof, op of tegen schadelijke organismen; f. bestrijdingsmiddel: gewasbeschermingsmiddel of biocide; g. gewasbeschermingsmiddel: werkzame stof of een preparaat dat één of meer werkzame stoffen bevat, bestemd om te worden gebruikt om: 1°. planten of plantaardige produkten te beschermen tegen organismen of de werking daarvan te voorkomen; 2°. Meststoffenwet 1947 Meststoffenwet Stb. Stb. levensprocessen van planten te beïnvloeden, voor zover niet zijnde meststoffen in de zin van de(H. 123) of van de(1986, 598); 3°. plantaardige produkten te bewaren; 4°. ongewenste planten te doden of 5°. delen van planten te vernietigen of een ongewenste groei van planten te remmen of te voorkomen; h. biocide: werkzame stof of preparaat, welke in de vorm waarin die stof of dat preparaat aan de gebruiker wordt geleverd, een of meer werkzame stoffen bevat, en bestemd is om een schadelijk organisme te vernietigen, af te weren, onschadelijk te maken, de effecten daarvan te voorkomen af dat organisme op andere wijze langs chemische of biologische weg te bestrijden, niet zijnde een gewasbeschermingsmiddel, en welke is opgenomen in de lijst, bedoeld in het vijfde lid; i. biocide met gering risico: biocide dat als werkzame stof uitsluitend een of meer, bij communautaire maatregel aangewezen, geen aanleiding tot bezorgdheid gevende stoffen bevat; j. basisstof: bij communautaire maatregel opgenomen stof die hoofdzakelijk voor andere dan bestrijdingsdoeleinden wordt gebruikt, doch in ondergeschikte mate als biocide wordt toegepast, hetzij rechtstreeks, hetzij in een product dat bestaat uit die stof en een eenvoudig oplosmiddel, dat zelf geen tot bezorgdheid aanleiding gevende stof is, en die niet rechtstreeks voor gebruik als biocide op de markt wordt gebracht; k. tot bezorgdheid aanleiding gevende stof: iedere stof, met uitzondering van de werkzame stof, die als intrinsieke eigenschap heeft dat zij een schadelijk effect heeft op mensen, dieren of het milieu en die in een biocide in voldoende concentratie aanwezig is of ontstaat om een dergelijk effect te veroorzaken; l. afleveren: verkopen, te koop of in ruil aanbieden, ter beschikking stellen, schenken alsmede uitdelen; m. milieu: water, bodem, lucht en wilde soorten van dieren en planten alsmede hun onderlinge relatie en hun relatie met levende organismen; n. geïntegreerde bestrijding: rationele toepassing van een combinatie van biologische, biotechnologische, chemische, mechanische en fysische bestrijding, teelt- of gewasverbeteringsmaatregelen, waarbij het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen wordt beperkt tot het strikte minimum dat noodzakelijk is om populaties van organismen onder de niveaus te houden waarbij in economisch opzicht onaanvaardbare schade of verliezen optreden; o. verpakking: omhulsel waarin een bestrijdingsmiddel aan of ten behoeve van een gebruiker wordt afgeleverd, of dat daartoe is bestemd; p. residu: een of meer van de in een bestrijdingsmiddel aanwezige stoffen, die als gevolg van het gebruik ervan achterblijven, met inbegrip van de metabolieten van die stof dan wel stoffen en de producten die bij afbraak of reactie vrijkomen; q. artikel 189 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (Trb. 1957, 91) communautaire maatregel: verordening, richtlijn of beschikking als bedoeld inbetrekking hebbende op onderwerpen geregeld in, dan wel hun grondslag hebbende in: richtlijn nr. 91 /414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (Pb EG L 236); richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (Pb EG L123); o. artikel 66 van de Wet op de bedrijfsorganisatie bedrijfslichaam: een bedrijfslichaam als bedoeld in. 2 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: "Onze betrokken Minister": "Onze Ministers": Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. a. voor wat betreft gewasbeschermingsmiddelen, met uitzondering van gewasbeschermingsmiddelen bestemd voor plantaardige produkten die slechts een eenvoudige bewerking hebben ondergaan: Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in overeenstemming met Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; b. voor wat betreft biociden alsmede gewasbeschermingsmiddelen bestemd voor plantaardige produkten voor zover deze een eenvoudige bewerking hebben ondergaan: Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; 3 Onze betrokken Minister kan bij regeling deze wet ten aanzien van bepaalde bestrijdingsmiddelen of groepen van bestrijdingsmiddelen buiten toepassing verklaren. 4 Voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet kunnen bij algemene maatregel van bestuur: a. andere zelfstandigheden worden gelijkgesteld met de in het eerste lid bedoelde stoffen of werkzame stoffen; b. g h andere bestemmingen worden gelijkgesteld met één of meer in de maatregel aan te wijzen bestemmingen, genoemd in het eerste lid, onderdelenen. 5 Bij ministeriele regeling wordt een lijst van soorten biociden vastgesteld met voor elke soort een indicatieve lijst van beschrijvingen. 6 Staatscourant Onze betrokken Minister doet mededeling in devan de vaststelling of wijziging van een communautaire maatregel voor zover daaraan uitvoering moet worden gegeven, onder vermelding van de artikelen van deze wet waarop de betreffende communautaire maatregel betrekking heeft. Een communautaire maatregel of wijziging daarvan treedt voor de toepassing van deze wet in werking met ingang van de dag waarop daaraan uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven, tenzij Onze betrokken Minister hiervoor een ander tijdstip heeft vastgesteld. 2003 62 25-02-2003 06-02-2003 28358 2003 63 25-02-2003 08-02-2003 01-03-2003 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16, eerste lid, van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 1a — Artikel 1a#
Artikel 1a 1 Er is een College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen, voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet verder te noemen het college. Het college bezit rechtspersoonlijkheid. 2 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder «Onze Minister» verstaan: Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 1998 689 22-12-1998 12-11-1998 24817 1999 587 30-12-1999 21-12-1999 01-01-2000
Artikel 1b — Artikel 1b#
Artikel 1b 1 Het college is belast met: a. de uitvoering van de bij of krachtens deze wet aan hem opgedragen taken en b. andere, bij algemene maatregel van bestuur opgedragen taken, die verband houden met de onder a bedoelde taken. 2 Het college draagt zorg voor de systematische bewaking van de kwaliteit van de taakverrichting. 1998 689 22-12-1998 12-11-1998 24817 1999 587 30-12-1999 21-12-1999 01-01-2000
Artikel 1c — Artikel 1c#
Artikel 1c 1 Het college bestaat uit vijf leden, de voorzitter daaronder begrepen, en ten hoogste vier plaatsvervangende leden, die op voordracht van Onze Minister bij koninklijk besluit worden benoemd en ontslagen. De benoeming vindt plaats op grond van deskundigheid op het gebied van de taken waarmee het college is belast. Geen benoeming vindt plaats van aan Onze Ministers ondergeschikte personen. 2 De leden wijzen uit hun midden een plaatsvervangend voorzitter aan. 3 De leden, de plaatsvervangers en de voorzitter worden voor de duur van vier jaren benoemd. Zij zijn ten hoogste twee keer herbenoembaar. 4 De leden hebben op persoonlijke titel zitting in het college en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. 5 De leden en de plaatsvervangend leden kunnen om zwaarwichtige redenen door Onze Minister worden geschorst of tussentijds worden ontslagen. Ontslag kan op eigen verzoek worden verleend. 6 Zolang in een vacature niet is voorzien, vormen de overblijvende leden het college, met de bevoegdheid van het volledig college. 7 Degene die is benoemd ter vervanging van een tussentijds opengevallen plaats, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou moeten aftreden. 8 Het college regelt bij reglement zijn werkwijze. Het reglement behoeft de instemming van Onze Minister. 9 Onze Minister kent de leden van het college een vergoeding toe voor hun werkzaamheden. Deze vergoeding komt ten laste van het college. 1998 689 22-12-1998 12-11-1998 24817 1999 587 30-12-1999 21-12-1999 01-01-2000
Artikel 1d — Artikel 1d#
Artikel 1d 1 Het college heeft een secretaris en een secretariaat. Het secretariaat is belast met de ondersteuning van het college. 2 De secretaris wordt op voordracht van het college benoemd door Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Hij kan worden geschorst of ontslagen door Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. 3 De secretaris van het college is tevens directeur van het secretariaat. Hij is belast met de dagelijkse leiding daarvan. 1998 689 22-12-1998 12-11-1998 24817 1999 587 30-12-1999 21-12-1999 01-01-2000
Artikel 1e — Artikel 1e#
Artikel 1e 1 artikel 1c, achtste lid Het college kan bij het reglement, bedoeld in, zijn vertegenwoordiging in en buiten rechte opdragen aan een of meer leden van het college of aan de secretaris. Het kan bepalen dat deze vertegenwoordiging uitsluitend betrekking heeft op bepaalde aangelegenheden. 2 artikel 1c, achtste lid Het college kan bij het reglement als bedoeld in, de uitoefening van daarbij aan te wijzen taken en bevoegdheden opdragen aan een of meer leden of aan de secretaris. 3 De opgedragen bevoegdheid wordt uit naam en onder verantwoordelijkheid van het college uitgeoefend. Het college kan te dien aanzien alle aanwijzingen geven die het nodig acht. 1998 689 22-12-1998 12-11-1998 24817 1999 587 30-12-1999 21-12-1999 01-01-2000
Artikel 1f — Artikel 1f#
Artikel 1f 1 Ambtenarenwet 1929 De directeur en het personeel van het secretariaat zijn ambtenaar in de zin van de, behoudens degene met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is gesloten. 2 artikel 1d, tweede lid Onverminderd, is de rechtspositie van de directeur en het personeel van het secretariaat in overeenstemming met de regels die gelden voor ambtenaren die zijn aangesteld bij de ministeries en die behoren tot de sector Rijk, met dien verstande dat waar in deze regels een bevoegdheid is toegekend aan een andere minister dan Onze Minister van Binnenlandse Zaken, deze bevoegdheid ten aanzien van het personeel van het secretariaat wordt uitgeoefend door de directeur. 3 Bij algemene maatregel van bestuur kan zo nodig worden afgeweken van de in het tweede lid bedoelde regels. 1998 689 22-12-1998 12-11-1998 24817 1999 587 30-12-1999 21-12-1999 01-01-2000
Artikel 1g — Artikel 1g#
Artikel 1g 1 De inkomsten van het college bestaan uit: a. artikelen 4 4a 6 15 de opbrengsten van de bedragen, gelden en vergoedingen, bedoeld in de,,en; b. vergoedingen voor verrichte diensten; c. bijdragen van het Rijk; d. andere baten, hoe ook genoemd. 2 Instemming van Onze Minister behoeft een besluit van het college strekkende tot: a. het aangaan van geldleningen die een door Onze Minister vast te stellen bedrag te boven gaan; b. het aangaan van lease-overeenkomsten waarvan de door het college te leveren tegenprestatie een door Onze Minister vast te stellen omvang te boven gaat; c. het (mede) oprichten van rechtspersonen. 1998 689 22-12-1998 12-11-1998 24817 1999 587 30-12-1999 21-12-1999 01-01-2000
Artikel 1h — Artikel 1h#
Artikel 1h 1 Het college stelt jaarlijks een werkplan voor het eerstvolgende jaar vast. Het werkplan bevat tevens een visie op de ontwikkelingen voor de eerstvolgende vier jaren met betrekking tot aard en omvang van de aan het college toebedeelde taken en de daaruit voortvloeiende gevolgen voor de organisatie. Het werkplan wordt vóór 1 oktober aan Onze Ministers ter kennis gebracht. 2 Het college stelt jaarlijks een begroting vast. De begroting bevat ten minste een staat van lasten en baten, een balans en een toelichting op deze stukken. 3 De begroting met daaraan toegevoegd een onderbouwing aan de hand van kostencomponenten en prestatie-elementen alsmede een financieel meerjarenplan wordt vóór 1 oktober van het voorafgaande jaar ter instemming aan Onze Minister voorgelegd. Indien de begroting waarmee Onze Minister heeft ingestemd niet toereikend is, legt het college lopende het jaar een wijziging van die begroting ter instemming voor aan Onze Minister. 4 artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek Het college dient jaarlijks vóór 1 april bij Onze Ministers een jaarrekening in waarin rekening en verantwoording wordt afgelegd over het afgelopen kalenderjaar. De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid, afgegeven door een door het college, in overleg met Onze Minister aangewezen accountant als bedoeld in. Bij de aanwijzing van de accountant wordt bedongen dat aan Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij dan wel aan een door hem aangewezen accountant als bedoeld in het vijfde lid op diens verzoek inzicht wordt geboden in de controlewerkzaamheden van de accountant. De jaarrekening behoeft de instemming van Onze Minister. 5 Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij belast een tot de departementale accountantsdienst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij behorende accountant met een onderzoek naar de controlewerkzaamheden van de accountant, bedoeld in het vierde lid. 6 Het college stelt de in het vierde lid bedoelde stukken algemeen verkrijgbaar. 7 Onze Minister kan tevens een onderzoek instellen naar de doelmatigheid van het beheer, de organisatie en het beleid van het college. Desgevraagd geeft het college ten behoeve van dit onderzoek inzage van de boeken en bescheiden en verstrekt het alle inlichtingen die voor dit onderzoek nodig geoordeeld worden. 8 Onze Minister kan regelen stellen omtrent de inrichting van de stukken, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, alsmede omtrent de aandachtspunten voor de accountantscontrole. 1998 689 22-12-1998 12-11-1998 24817 1999 587 30-12-1999 21-12-1999 01-01-2000
Artikel 1i — Artikel 1i#
Artikel 1i 1 Op verzoek van Onze Ministers verstrekt het college alle door Onze Ministers gevraagde gegevens en inlichtingen die zij nodig achten voor de uitoefening van hun bevoegdheden en de uitvoering van deze wet. 2 Onze Minister stelt na overleg met het college een informatiestatuut vast. Het informatiestatuut bevat regels met betrekking tot de informatievoorziening tussen Onze Ministers en het college. 3 Het college stelt jaarlijks voor 1 april een verslag op omtrent zijn werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkwijze in het bijzonder in het afgelopen kalenderjaar. Hij biedt dit verslag aan Onze Ministers aan en stelt het algemeen verkrijgbaar. 1998 689 22-12-1998 12-11-1998 24817 1999 587 30-12-1999 21-12-1999 01-01-2000
Artikel 1j — Artikel 1j#
Artikel 1j Onze betrokken Minister kan het college aanwijzingen van algemene aard geven met betrekking tot de uitoefening van de aan het college opgedragen taken. 1998 689 22-12-1998 12-11-1998 24817 1999 587 30-12-1999 21-12-1999 01-01-2000
Artikel 1k — Artikel 1k#
Artikel 1k In de Staatscourant worden bekendgemaakt: a. de door het college vastgestelde reglementen; b. de door Onze betrokken Minister gegeven aanwijzingen van algemene aard, voor zover zij te beschouwen zijn als algemene regels omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van de aan het college toegekende bevoegdheden. 1998 689 22-12-1998 12-11-1998 24817 1999 587 30-12-1999 21-12-1999 01-01-2000
Artikel 1l — Artikel 1l#
Artikel 1l 1 Indien het college de hem bij deze wet opgedragen taken niet of niet naar behoren uitvoert, kan Onze betrokken Minister, zo nodig in afwijking van deze wet, daarin voorzien. 2 Na het tot stand komen van een voorziening, bedoeld in het eerste lid, draagt Onze betrokken Minister zorg voor vervanging van de voorziening door een algemene maatregel van bestuur. De voordracht daartoe wordt Ons zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen drie maanden na inwerkingtreding van de voorziening gedaan. 1998 689 22-12-1998 12-11-1998 24817 1999 587 30-12-1999 21-12-1999 01-01-2000
Artikel 1m — Artikel 1m#
Artikel 1m 1 artikelen 10.28 tot en met 10.31 van de Algemene wet bestuursrecht artikelen 1c, achtste lid 1g, tweede lid 1h, derde en vierde lid Dezijn van overeenkomstige toepassing op de instemming als bedoeld in de,, en. 2 Indien de instemming wordt onthouden aan de begroting, is het college gerechtigd gedurende ten hoogste zes maanden voor iedere maand gedurende welke de instemming wordt onthouden, uitgaven te doen ter grootte van ten hoogste een twaalfde deel van de begroting van het voorafgaande jaar waarmee is ingestemd. 1998 689 22-12-1998 12-11-1998 24817 1999 587 30-12-1999 21-12-1999 01-01-2000
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Het is verboden een bestrijdingsmiddel af te leveren, voorhanden of in voorraad te hebben, binnen Nederland te brengen of te gebruiken, waarvan niet blijkt dat het ingevolge deze wet is toegelaten of voor zover het een biocide met een gering risico betreft, is geregistreerd. 2 Voor de toepassing van het eerste lid gelden als toegelaten of geregistreerd: bestrijdingsmiddelen, op de verpakking waarvan de naam van een toegelaten of geregistreerd middel en het nummer van de toelating of de registratie zijn vermeld. 3 Het verbod van het eerste lid geldt niet voor het afleveren of voorhanden of in voorraad hebben elders dan in winkels, op markten of op enige andere voor het publiek toegankelijke verkoopplaats van bestrijdingsmiddelen, welke kennelijk bestemd zijn voor uitvoer of doorvoer, mits wordt voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regelen. 4 Het verbod van het eerste lid geldt niet voor: a. het voorhanden of in voorraad hebben door een particuliere persoon, voor zover het betreft een biocide dat kennelijk bestemd is om door die persoon in een door hem bewoonde ruimte te worden gebruikt; b. het gebruiken van een biocide door een particuliere persoon in een door hem bewoonde ruimte. 5 artikel 7, eerste of tweede lid artikel 5, tweede lid Het college maakt in de Staatscourant bekend dat een bestrijdingsmiddel, dat ten gevolge van de toepassing van, niet meer is toegelaten of geregistreerd, gedurende een bij die bekendmaking bepaalde termijn in afwijking van het in het eerste lid bedoelde verbod nog mag worden afgeleverd, gebruikt dan wel in voorraad of voorhanden gehouden. Daarbij kan het voorschriften met betrekking tot het gebruik geven als bedoeld in. De termijn, bedoeld in de eerste volzin, staat in verhouding tot de reden waarom het bestrijdingsmiddel niet meer is toegelaten of geregistreerd. 6 Bij regeling van Onze betrokken Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de aflevering of het in voorraad of voorhanden hebben van de in het vijfde lid bedoelde bestrijdingsmiddelen. Daarbij kunnen tevens regelen worden gesteld omtrent de verwijdering binnen een daarbij te bepalen tijdvak van een niet meer toegelaten of geregistreerd bestrijdingsmiddel. 7 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan Onze betrokken Minister, indien er bij het college gegronde aanwijzingen bestaan om te oordelen dat een ingevolge een communautaire maatregel toe te laten of te registreren middel gevaar oplevert voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu, tijdelijk bepalen dat de aflevering en het gebruik van dat middel verboden is. 2003 62 25-02-2003 06-02-2003 28358 2003 63 25-02-2003 08-02-2003 01-03-2003 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16, eerste lid, van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 2a — Artikel 2a#
Artikel 2a 1 a artikel 4 Het is verboden een werkzame stof af te leveren, voorhanden of in voorraad te hebben of binnen Nederland te brengen, tenzij het bepaalde inin acht is genomen. 2 Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een werkzame stof: a. die tot de samenstelling behoort van een ingevolge deze wet toegelaten of geregistreerd bestrijdingsmiddel of van een bestrijdingsmiddel waarvoor deze wet buiten toepassing is verklaard, of b. artikel 15 die kennelijk bestemd is om overeenkomstig het bepaalde bij of krachtensvoor een proef te worden gebruikt. 2002 461 17-09-2002 20-06-2002 27085 2003 28 28-01-2003 24-12-2003 29-01-2003 Bij Stb. 2002/461 is in artikel II een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 2b — Artikel 2b#
Artikel 2b Vervallen 2007 125 10-04-2007 17-02-2007 30474 2007 386 16-10-2007 10-10-2007 17-10-2007
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 Een bestrijdingsmiddel wordt slechts toegelaten of geregistreerd indien: a. artikel 4, tweede lid a artikel 3 op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis en aan de hand van onderzoek van de gegevens, bedoeld in, met inachtneming van de bij of krachtensvastgestelde regels en beginselen voor de beoordeling, is vastgesteld dat het bestrijdingsmiddel en zijn omzettingsprodukten, wanneer het overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt gebruikt: 1. voldoende werkzaam is; 2. geen onaanvaardbare uitwerking heeft op planten of plantaardige produkten; 3. geen schadelijke uitwerking heeft op de gezondheid van de mens, hetzij direct, hetzij indirect; 4. geen schadelijke uitwerking heeft op de gezondheid van dieren, hetzij direct, hetzij indirect; 5. de gezondheid niet schaadt of de veiligheid niet in gevaar brengt van degene die het middel toepast; 6. de gezondheid niet schaadt of de veiligheid niet in gevaar brengt van diegenen, die na toepassing van het middel door het verrichten van werkzaamheden daarmee of met de residuen daarvan in aanraking komen; 7. de hoedanigheid van voedingsmiddelen niet schaadt; 8. het welzijn van de te bestrijden gewervelde dieren niet onnodig schaadt; 9. geen schadelijke uitwerking heeft op het grondwater; 10. geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met: - de plaats waar het bestrijdingsmiddel in het milieu terecht komt en wordt verspreid, met name voor wat betreft besmetting van het water, met inbegrip van drink- en grondwater en belasting van de bodem; - de gevolgen voor niet-doelsoorten; b. de aard en de hoeveelheid van de werkzame stoffen en zo nodig de in toxicologisch en ecotoxicologisch opzicht belangrijke onzuiverheden en hulpstoffen en omzettingsprodukten kunnen worden bepaald overeenkomstig de bij een communautaire maatregel vastgestelde methoden, of, voor zover deze methoden niet zijn vastgesteld, door Onze betrokken Minister zijn vastgesteld of worden goedgekeurd; c. de residuen die het gevolg zijn van het gebruik van het bestrijdingsmiddel overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet en die uit toxicologisch of milieu-oogpunt van belang zijn, kunnen worden bepaald door middel van methoden die voldoen aan door Onze betrokken Minister gestelde regelen; d. de fysisch-chemische eigenschappen van het bestrijdingsmiddel worden vastgesteld en voor het gebruik van het bestrijdingsmiddel overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet aanvaardbaar zijn. 2 Een bestrijdingsmiddel wordt voorts slechts toegelaten of geregistreerd indien: a. voor zover het een bestrijdingsmiddel betreft, de werkzame stof of werkzame stoffen zijn aangewezen bij een communautaire maatregel die de werkzame stoffen vermeldt die mogen worden gebruikt als basis voor bestrijdingsmiddelen en aan de daarbij gestelde voorwaarden wordt voldaan; b. het gehalte aan werkzame stof of werkzame stoffen en de verdere samenstelling, de kleur, vorm, afwerking, verpakking en aanduidingen en vermeldingen op, aan of bij de verpakking voldoen aan door Onze betrokken Minister gestelde regelen; c. voor zover het betreft een biocide, voldaan is aan de ingevolge een communautaire maatregel gestelde eisen. 3 Een biocide wordt voorts slechts toegelaten of geregistreerd indien op adequate wijze rekening wordt gehouden met: a. alle omstandigheden waaronder het biocide normaliter gebruikt wordt, b. de wijze waarop het met het biocide behandelde materiaal kan worden gebruikt en c. de gevolgen van gebruik en verwijdering van het biocide. 2002 461 17-09-2002 20-06-2002 27085 2003 28 28-01-2003 24-12-2003 29-01-2003 De wijzigingsopdracht is niet geheel juist. Bij Stb. 2002/461 is in artikel II een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 3a — Artikel 3a#
Artikel 3a 1 artikel 3, eerste lid, onderdeel a en het tweede lid, onderdeel c Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gesteld met betrekking tot de toelatingscriteria of registratiecriteria als bedoeld in, en kunnen beginselen voor de beoordeling worden vastgesteld. 2 De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid, wordt: a. a artikel 3, eerste lid, onderdeel, ten eerste, ten tweede, ten vierde en ten achtste en derde lid voor zover daarin gestelde regelen betrekking hebben op de toelatingscriteria of registratiecriteria, bedoeld in, Ons gedaan door Onze betrokken Minister; b. a artikel 3, eerste lid, onderdeel, ten derde en ten zevende en derde lid voor zover daarin gestelde regelen betrekking hebben op de toelatingscriteria of registratiecriteria als bedoeld in, Ons gedaan door Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; c. a artikel 3, eerste lid, onderdeel, ten derde, ten vijfde en ten zesde voor zover daarin gestelde regelen, betrekking hebben op de toelatingscriteria of registratiecriteria als bedoeld in, Ons gedaan door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; d. a artikel 3, eerste lid, onderdeel, ten negende en ten tiende voor zover daarin gestelde regelen, betrekking hebben op de toelatingscriteria of registratiecriteria als bedoeld in, Ons gedaan door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; e. a artikel 3, eerste lid, onderdeelen derde lid b c d voor zover daarin gestelde regelen betrekking hebben op meerdere toelatingscriteria of registratiecriteria als bedoeld in, Ons gedaan door Onze meest betrokken minister in overeenstemming met de andere in onderdeel,ofgenoemde ministers. 3 a artikel 3, eerste lid, onderdeel Indien Onze Minister, bedoeld in het tweede lid, overweegt een voordracht te doen tot vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid kan hij indien in verband met de toelatingscriteria of registratiecriteria, bedoeld in, naar zijn oordeel een onmiddellijke voorziening is vereist, in overeenstemming met de andere in het tweede lid genoemde ministers regelen stellen overeenkomstig de in overweging zijnde maatregelen. 4 Een regeling als bedoeld in het derde lid blijft, behoudens eerdere intrekking, van kracht totdat de daar bedoelde algemene maatregel van bestuur, in werking treedt, doch uiterlijk tot acht maanden na het in werking treden van de regeling. 2002 461 17-09-2002 20-06-2002 27085 2003 28 28-01-2003 24-12-2003 29-01-2003 Bij Stb. 2002/461 is in artikel II een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 Over de toelating of registratie van een bestrijdingsmiddel wordt op aanvraag beslist door het college. 2 Onze betrokken Minister stelt regelen omtrent het indienen van een aanvraag, de bij een aanvraag door de aanvrager over te leggen gegevens en zelfstandigheden, de aan de gegevens en zelfstandigheden ten grondslag liggende onderzoeksmethoden en omstandigheden en de wijze van behandeling daarvan. Daarbij kan onder meer worden bepaald: a. dat een aanvraag eerst in behandeling wordt genomen nadat een daarvoor vastgesteld bedrag is voldaan; b. in welke gevallen een aanvraag voor een toelating of registratie niet in behandeling wordt genomen. 3 Bij de regeling, bedoeld in het tweede lid, wordt bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden het overleggen van gevraagde gegevens achterwege kan blijven. 4 Degene die het voornemen heeft een aanvraag in te dienen, dient, indien aan de over te leggen gegevens dierproeven ten grondslag liggen, alvorens tot dergelijke proeven wordt overgegaan, inlichtingen in te winnen bij het college omtrent: De identiteit van de betrokken partijen wordt door het college over en weer aan hen bekendgemaakt nadat zij zekerheid heeft verkregen over het voornemen. Indien is overgegaan tot het verrichten van dierproeven zonder dat daaraan voorafgaand de in de eerste zin bedoelde inlichtingen zijn ingewonnen, wordt de aanvraag door het college niet in behandeling genomen. a. het reeds verleend zijn van een toelating of registratie voor het betrokken middel en omtrent de identiteit van degenen die daartoe de betrokken gegevens hebben overgelegd, en b. a artikel 3, tweede lid, onderdeel voor zover het een niet bij een communautaire maatregel als bedoeld in, aangewezen werkzame stof van een middel betreft, het met betrekking tot die stof reeds overgelegd zijn van aan dierproeven ontleende gegevens en omtrent de identiteit van degenen die deze gegevens hebben overgelegd. 5 Bij ministeriële regeling worden regelen gesteld die onder meer betrekking kunnen hebben op: a. gegevens die het verzoek om inlichtingen als bedoeld in het vierde lid dienen te vergezellen; b. de te volgen procedure om tot verwijzing naar of uitwisseling van gegevens als bedoeld in het vierde lid te komen, en, c. de voorwaarden waaronder de gegevens als bedoeld in het vierde lid niet behoeven te worden overgelegd indien partijen niet tot overeenstemming komen omtrent de verwijzing naar of uitwisseling van die gegevens; onder deze voorwaarden kan zijn begrepen de betaling van een geldsom ter vergoeding aan degenen die die gegevens hebben overgelegd. 6 De kosten van het onderzoek, voortvloeiende uit een aanvraag, de kosten van voortgezette onderzoekingen na de beslissing op een aanvraag, alsmede de kosten voortvloeiende uit de toepassing van het vierde en vijfde lid kunnen geheel of gedeeltelijk ten laste van de aanvrager worden gebracht. 7 artikel 6, tweede lid De toelatinghouder of registratiehouder, die in het in, bedoelde register staat vermeld, is periodiek een vergoeding verschuldigd. 8 Een aanvraag kan slechts worden gedaan door een binnen de Europese Gemeenschappen permanent gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die er verantwoordelijk voor is dat het middel wordt afgeleverd. 9 Het bepaalde in dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de verlenging van een toelating of registratie. 2002 461 17-09-2002 20-06-2002 27085 2003 28 28-01-2003 24-12-2003 29-01-2003 Bij Stb. 2002/461 is in artikel II een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 4a — Artikel 4a#
Artikel 4a 1 a artikel 3, tweede lid, onderdeel Ten behoeve van de aanwijzing van een werkzame stof bij een communautaire maatregel als bedoeld in, alsmede de verlenging van die aanwijzing dient een aanvraag te worden gedaan. 2 Artikel 4, tweede, zesde, achtste en negende lid , is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid. Onze betrokken Minister stelt daarbij voorts regelen met betrekking tot de door de aanvrager aan de bevoegde instanties van de andere Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen alsmede aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen te zenden gegevens en de wijze waarop dit dient te geschieden. 3 Onze betrokken Minister kan regelen stellen met betrekking tot de verstrekking door toelatinghouders of registratiehouders van gegevens met betrekking tot werkzame stoffen aan de in het tweede lid genoemde instanties en aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen. 4 a artikel 3, tweede lid, onderdeel Ten behoeve van het anders dan op aanvraag als bedoeld in het eerste lid aanwijzen van een werkzame stof bij een communautaire maatregel als bedoeld in, het herbeoordelen van die aanwijzing alsmede het verlengen van die aanwijzing, kan Onze betrokken Minister bepalen dat de kosten verbonden aan de beoordeling van die werkzame stof geheel of gedeeltelijk ten laste worden gebracht van de kennisgevers als bedoeld in een communautaire maatregel van die werkzame stof of van een bestrijdingsmiddel waarin die werkzame stof wordt gebruikt. 2002 461 17-09-2002 20-06-2002 27085 2003 28 28-01-2003 24-12-2003 29-01-2003 Bij Stb. 2002/461 is in artikel II een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 4b — Artikel 4b#
Artikel 4b 1 artikelen 4 4a 6 15 De bedragen, gelden en vergoedingen als bedoeld in de,,enworden met inachtneming van het bepaalde krachtens het tweede lid door het college vastgesteld en in de Staatscourant bekendgemaakt. 2 artikelen 4 4a 6 15 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld inzake bedragen, gelden en vergoedingen als bedoeld in de,,en. 3 De tarieven behoeven de goedkeuring van Onze betrokken Minister. 4 De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. 1998 689 22-12-1998 12-11-1998 24817 1999 587 30-12-1999 21-12-1999 01-01-2000
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 De toelating of registratie van een bestrijdingsmiddel geldt voor een in het besluit tot toelating of registratie te bepalen termijn van ten hoogste tien jaren. De toelating of registratie kan één of meerdere malen met ten hoogste tien jaren worden verlengd indien is gebleken dat nog steeds aan de voorwaarden voor toelating of registratie is voldaan. Zonodig kan de toelating of registratie worden verlengd voor de periode die met de beoordeling van de aanvraag tot verlenging gemoeid is. 2 Bij de toelating of de registratie: a. worden voorschriften gegeven omtrent: 1. de doeleinden waarvoor het middel uitsluitend dan wel niet gebruikt mag worden; 2. voor zover het een biocide betreft, een rationele toepassing van een combinatie van fysische, biologische, chemische of eventueel andere maatregelen, waardoor het gebruik van biociden tot het strikt noodzakelijke wordt beperkt, en 3. voor zover het de toelating van een gewasbeschermingsmiddel betreft, waar mogelijk, de toepassing van de beginselen van geïntegreerde bestrijding; b. kunnen voorschriften worden gegeven welke onder meer betrekking hebben op: 1. de tijden en de plaatsen waarop, 2. de klimatologische omstandigheden waaronder, 3. de doseringen waarin, 4. de wijze waarop, of 5. de technische hulpmiddelen waarmede het middel uitsluitend dan wel niet mag worden gebruikt, alsmede op de bij het gebruik in acht te nemen veiligheidstermijnen. 3 Bij de toelating of registratie kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de samenstelling, kleur, vorm, afwerking, verpakking en aanduidingen en vermeldingen op, aan of bij de verpakking van het bestrijdingsmiddel. 4 Bij de toelating: a. kan worden bepaald, dat het bestrijdingsmiddel uitsluitend mag worden afgeleverd aan en gebruikt door personen of rechtspersonen, behorende tot een daarbij aangewezen categorie; b. richtlijn nr. 1999/45/EG wordt bepaald dat het verboden is aan het grote publiek biociden af te leveren, welke ingevolgevan het Europese Parlement en de Raad van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassingen van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (Pb EG L 187) als vergiftig, zeer vergiftig, kankerverwekkend of mutageen categorie 1 of 2, of als vergiftig voor de voortplanting categorie 1 of 2 zijn ingedeeld. 5 Artikel 4, derde en vierde lid Het college kan, hetzij op een met redenen omkleed schriftelijk verzoek van de toelatinghouder of registratiehouder, hetzij in bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen gevallen, de ingevolge dit artikel gestelde voorschriften wijzigen met ingang van een bij die wijziging aan te geven tijdstip. Alvorens tot wijziging van de voorschriften te besluiten, stelt het college de toelatinghouder of registratiehouder binnen een daarvoor aangegeven termijn in de gelegenheid zijn zienswijze omtrent de voorgenomen wijziging en het tijdstip van ingang daarvan kenbaar te maken en kan hij hem verzoeken aanvullende informatie te verschaffen., is van overeenkomstige toepassing op de op verzoek of anders dan op verzoek te verstrekken gegevens. Indien is overgegaan tot het verrichten van dierproeven zonder dat daaraan voorafgaand de bedoelde inlichtingen zijn ingewonnen, worden de uit die dierproeven verkregen gegevens door het college bij de beslissing buiten beschouwing gelaten, tenzij zij leiden tot een inperking van de toelating. 6 Het college kan, voor zover het gewasbeschermingsmiddelen betreft, op aanvraag van wetenschappelijke instanties, lichamen, organisaties en instellingen die werkzaamheden verrichten of mede verrichten op het gebied van de landbouw dan wel van organisaties van gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen onder nader door Onze betrokken Minister gestelde regelen, de doeleinden waarvoor het middel gebruikt mag worden, bedoeld in het tweede lid, uitbreiden. 7 artikel 3, tweede lid, onderdeel a Het college kan voorts op aanvraag van de toelating- of registratiehouder onder nader door Onze betrokken Minister te stellen regelen de doeleinden waarvoor een bestrijdingsmiddel gebruikt mag worden, bedoeld in het tweede lid, uitbreiden, voor zover het een gewasbeschermingsmiddel onderscheidenlijk biocide betreft dat een werkzame stof bevat die reeds vóór 26 juli 1993, onderscheidenlijk vóór 15 mei 2000 werd afgeleverd en niet bij een in, bedoelde communautaire maatregel is aangewezen of ten aanzien waarvan geen communautaire maatregel geldt op grond waarvan de toelating of registratie niet verleend mag worden of dient te worden ingetrokken. 8 artikel 3, eerste lid, onderdeel a, ten derde artikel 3, eerste lid, onderdeel a, aanhef artikel 3, eerste lid, onderdeel a, ten derde artikel 3, eerste lid, onderdeel a, aanhef Met uitzondering van het toelatingscriterium, bedoeld in, kan bij de regelen, bedoeld in het zesde en zevende lid, voor bij die regelen aangewezen bestrijdingsmiddelen onder meer worden bepaald dat voor de beoordeling van de uitbreiding van de doeleinden, waarvoor het middel mag worden gebruikt, één of meer eisen van toepassing zijn aan de hand waarvan het betrokken middel of een ander bestrijdingsmiddel dat dezelfde werkzame stof bevat en is toegelaten of geregistreerd voor een naar het oordeel van het college vergelijkbaar doeleinde, laatstelijk is beoordeeld, en dat die beoordeling, in afwijking van, plaatsvindt aan de hand van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop het betrokken middel, dan wel een ander bestrijdingsmiddel, zoals hiervoor bedoeld, laatstelijk is beoordeeld. Het college kan, indien het belang van de volksgezondheid zich hier naar het oordeel van het college niet tegen verzet, op een daartoe gemotiveerd verzoek van de aanvrager, bepalen dat de beoordeling van de uitbreiding van de doeleinden van een bestrijdingsmiddel aan de hand van het toelatingscriterium, bedoeld in, voor zover dat toelatingscriterium betrekking heeft op de beoordeling van de uitwerking van residuen van bestrijdingsmiddelen op de gezondheid van de mens, in afwijking van, plaatsvindt aan de hand van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop het betrokken middel laatstelijk is beoordeeld. 9 artikel 4, tweede tot en met zesde, achtste en negende lid Het bepaalde in, is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag als bedoeld in het zesde, onderscheidenlijk zevende lid. In het geval het college overweegt een wijziging aan te brengen in de uitbreiding, bedoeld in het zesde, onderscheidenlijk zevende lid, is het bepaalde in het vijfde lid, met uitzondering van de eerste volzin, van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat, indien het een uitbreiding betreft als bedoeld in het zesde lid, ook de toelatinghouder of registratiehouder bij die procedure wordt betrokken. 2004 164 27-04-2004 13-04-2004 29317 2004 164 27-04-2004 13-04-2004 29317 27-05-2004 De datum van inwerkingtreding is ingevolge artikel 12, tweede lid
van de Tijdelijke referendumwet van rechtswege opgeschort tot 27 mei 2004.
Artikel 5a — Artikel 5a#
Artikel 5a 1 Onze betrokken Minister kan bij regeling voorschriften geven omtrent: a. het in acht nemen van veiligheidstermijnen bij het oogsten van met een bestrijdingsmiddel behandelde planten of bij het in het verkeer brengen van met een bestrijdingsmiddel behandelde planten of delen daarvan; b. het in acht nemen van veiligheidstermijnen bij het in het verkeer brengen van voortbrengselen van met een bestrijdingsmiddel behandelde dieren of bij het slachten van zodanige dieren; c. het gebruiken van met een bestrijdingsmiddel behandelde planten of delen van planten; d. het telen van gewassen op met een bestrijdingsmiddel behandelde grond; e. het gebruiken van met een bestrijdingsmiddel behandeld water; f. het betreden onderscheidenlijk gebruiken van met een bestrijdingsmiddel behandelde ruimten, oppervlakken en goederen, dan wel van ruimten waarin zich behandelde goederen bevinden of bevonden hebben; g. het rekening houden met de voordelen van het gebruik van het biocide. 2 Ten aanzien van een bestrijdingsmiddel, waarop de in het vorige lid bedoelde regeling geen betrekking heeft, kunnen bij de toelating of registratie één of meer voorschriften van die regeling van toepassing worden verklaard. Dit wordt bekend gemaakt in de Staatscourant. 3 Degene die een bestrijdingsmiddel ten aanzien waarvan een voorschrift geldt, als bedoeld in de vorige leden, heeft gebruikt met betrekking tot in het eerste lid bedoelde zelfstandigheden waarvan een ander het genot heeft, is verplicht omtrent dat gebruik de ander, onder vermelding van de naam, de werkzame stof en het nummer van toelating of registratie van het bestrijdingsmiddel, zodanig op de hoogte te stellen als voor deze nodig is om vorenbedoeld voorschrift te kunnen naleven. Het in de vorige volzin bepaalde is van overeenkomstige toepassing op degene die het genot van zelfstandigheden als daar bedoeld aan een ander overdraagt. 4 Behoudens tegenbewijs wordt men geacht niet aan de in het derde lid bedoelde verplichting te hebben voldaan, voor zover dit niet blijkt uit een geschrift, ondertekend door degene aan wie de inlichtingen moesten worden verstrekt. 2003 62 25-02-2003 06-02-2003 28358 2003 63 25-02-2003 08-02-2003 01-03-2003 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16, eerste lid, van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 Van een toelating of registratie wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. 2 Het college draagt zorg, dat van de toegelaten of geregistreerde bestrijdingsmiddelen aantekening wordt gehouden in een register dat volgens door Onze betrokken Minister te stellen regelen wordt ingericht. 3 Op aanvraag van de in het register vermelde fabrikant, importeur of handelaar en tegen betaling van een bedrag worden wijzigingen in het register aangetekend. 4 Van de wijziging wordt aan de belanghebbenden een bewijs verstrekt en wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. 2002 461 17-09-2002 20-06-2002 27085 2003 28 28-01-2003 24-12-2003 29-01-2003 Bij Stb. 2002/461 is in artikel II een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 artikel 4 Het college trekt een toelating of registratie als bedoeld inin, indien: a. artikelen 3 a 3 niet of niet meer wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deen; b. artikel 4 onjuiste of misleidende informatie is verstrekt met betrekking tot de gegevens op grond waarvan een toelating of registratie als bedoeld inis verleend of c. zulks noodzakelijk is ter uitvoering van een communautaire maatregel. 2 artikel 4 Het college trekt een toelating of registratie als bedoeld inin, indien de toelatinghouder of registratiehouder hiertoe een aanvraag indient. 3 Staatscourant Een besluit op grond van het eerste of tweede lid wordt bekend gemaakt in de. 4 Het besluit vermeldt de datum met ingang waarvan de intrekking van kracht wordt. 5 Een toelating of registratie kan tijdelijk worden ingetrokken, indien het college gegronde aanwijzingen heeft dat het bestrijdingsmiddel een gevaar oplevert voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu. Het bepaalde in het derde en vierde lid is van overeenkomstige toepassing op de tijdelijke intrekking. 6 artikel 2, eerste lid In afwijking van, is het toegestaan een bestrijdingsmiddel, waarvan de toelating of registratie tijdelijk is ingetrokken, voorhanden of in voorraad te hebben. 7 Artikel 4, derde en vierde lid , is van overeenkomstige toepassing op de op verzoek of anders dan op verzoek te verstrekken gegevens. Indien is overgegaan tot het verrichten van dierproeven zonder dat daaraan voorafgaand de bedoelde inlichtingen zijn ingewonnen, worden de uit die dierproeven verkregen gegevens door het college bij de beslissing buiten beschouwing gelaten. 2003 62 25-02-2003 06-02-2003 28358 2003 63 25-02-2003 08-02-2003 01-03-2003 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16, eerste lid, van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 Op verzoek van Onze betrokken Minister wordt een bestrijdingsmiddel door het college ambtshalve toegelaten of geregistreerd. 2 artikel 5, tweede lid Aan een toelating of registratie ingevolge het eerste lid kunnen voorschriften, als bedoeld in, worden verbonden. 3 artikel 5, derde en vierde lid Aan een toelating of registratie ingevolge het eerste lid kunnen nadere voorschriften, als bedoeld in, worden verbonden. 4 Staatscourant Een besluit tot ambtshalve toelating of registratie, tot wijziging van de in het tweede en derde lid bedoelde voorschriften en tot intrekking van de toelating of registratie wordt in debekend gemaakt. 2003 62 25-02-2003 06-02-2003 28358 2003 63 25-02-2003 08-02-2003 01-03-2003 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16, eerste lid, van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 9a — Artikel 9a#
Artikel 9a 1 artikel 5, zesde lid De toelatinghouder of registratiehouder alsmede de instanties, lichamen, organisaties of instellingen waarvan het verzoek als bedoeld in, is toegewezen, zijn verplicht terstond mededeling aan het college te doen van alle nieuwe gegevens die zij verkrijgen met betrekking tot de mogelijke gevaarlijke gevolgen van een bestrijdingsmiddel of van de residuen van een werkzame stof voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu. 2 De toelatinghouder of registratiehouder alsmede de in het eerste lid bedoelde instanties, lichamen, organisaties of instellingen zijn onverminderd het eerste lid tevens verplicht de gegevens, bedoeld in het eerste lid terstond te melden aan de bevoegde instanties van de andere Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen alsmede aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen. 3 Onze betrokken Minister kan regelen stellen omtrent de wijze waarop en de instanties waaraan een mededeling als bedoeld in het eerste of tweede lid dient te geschieden. 4 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat andere dan de in het eerste lid bedoelde gegevens dienen te worden medegedeeld. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op deze gegevens. 2002 461 17-09-2002 20-06-2002 27085 2003 28 28-01-2003 24-12-2003 29-01-2003 Bij Stb. 2002/461 is in artikel II een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 artikelen 5, tweede, derde, vierde, zesde, zevende en achtste lid a 5, eerste en tweede lid 9, tweede en derde lid Het is verboden te handelen in strijd met de krachtens de,, en, vastgestelde voorschriften. 2 Het is een ieder verboden van een bij regeling van Onze betrokken Minister aangewezen bestrijdingsmiddel een hoeveelheid voorhanden of in voorraad te hebben, tenzij die hoeveelheid bestemd is voor een gebruik waarvoor het middel is toegelaten, geregistreerd of ter aflevering. 3 Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een particuliere persoon, voor zover het betreft het gebruiken van een bestrijdingsmiddel in een door hem bewoonde ruimte. 2003 62 25-02-2003 06-02-2003 28358 2003 63 25-02-2003 08-02-2003 01-03-2003 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16, eerste lid, van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 artikel 5, tweede lid artikel 9, tweede lid b artikel 3, tweede lid, onderdeel artikel 5, derde lid artikel 9, derde lid Het is verboden toegelaten of geregistreerde bestrijdingsmiddelen af te leveren, en, voor zover ze voor de handel bestemd zijn, voorhanden of in voorraad te hebben, indien de krachtens, of krachtens, voor het gebruik gegeven voorschriften niet op de daarbij voorgeschreven wijze op, aan of bij de verpakking zijn vermeld, en indien het gehalte aan werkzame stof en de verdere samenstelling kleur, vorm, afwerking, verpakking, aanduidingen of vermeldingen op, aan of bij de verpakking niet voldoen aan de krachtens, gegeven algemene voorschriften, of de krachtens, of, gegeven nadere voorschriften. 2002 461 17-09-2002 20-06-2002 27085 2003 28 28-01-2003 24-12-2003 29-01-2003 Bij Stb. 2002/461 is in artikel II een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 11a — Artikel 11a#
Artikel 11a 1 Het aanbevelen of aanprijzen van een niet ingevolge deze wet toegelaten of geregistreerd bestrijdingsmiddel of van enig gebruik van een bestrijdingsmiddel in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde, is verboden. 2 richtlijn nr. 98/8/EG Onze betrokken Minister stelt ter uitvoering vanvan het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (Pb EG L 123), nadere regels betreffende het aanbevelen en aanprijzen van biociden. 2002 461 17-09-2002 20-06-2002 27085 2003 28 28-01-2003 24-12-2003 29-01-2003 Bij Stb. 2002/461 is in artikel II een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 b artikel 3, tweede lid, onderdeel artikel 5, derde lid artikel 9, derde lid Het is verboden aan personen beneden de leeftijd van zestien jaren bestrijdingsmiddelen af te leveren, voor welke krachtens,, of, is voorgeschreven, dat de giftigheid moet worden aangeduid door middel van een doodshoofd. 2 Het is verboden de in het vorige lid bedoelde bestrijdingsmiddelen af te leveren aan personen, die niet in het bezit zijn van een daartoe door Onze betrokken Minister aangewezen legitimatiebewijs, tenzij degene aan wie wordt afgeleverd aantoont, dat hij de handel in bestrijdingsmiddelen uitoefent. Aangewezen zullen worden legitimatiebewijzen, waaruit blijkt, dat de houder een beroep uitoefent, hetwelk het gebruik van in dit artikel bedoelde bestrijdingsmiddelen meebrengt. 3 Het is aan anderen dan de houder der in het tweede lid bedoelde legitimatiebewijzen verboden de in het eerste lid bedoelde bestrijdingsmiddelen te gebruiken. 4 Staatscourant Het in het tweede en derde lid bepaalde geldt niet ten aanzien van door Onze betrokken Minister bij in debekend te maken regeling aangewezen middelen ter bestrijding van schadelijke knaagdieren, waarvan uit een bij die regeling vastgestelde aanduiding op de verpakking blijkt, dat deze voor gebruik door particuliere personen zijn bestemd. 1995 4 10-01-1995 15-12-1994 23177 1995 35 26-01-1995 13-01-1995 01-02-1995
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften onderscheidenlijk nadere voorschriften worden gegeven betreffende het afleveren, het voorhanden of in voorraad hebben, het vervoeren na aflevering aan de kleinhandel anders dan in een vervoeronderneming, het vervoeren door de gebruiker, en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen, alsmede omtrent het verwijderen en vernietigen van bestrijdingsmiddelen, resten van bestrijdingsmiddelen en ledige verpakkingen. Voorzover de in de vorige volzin bedoelde voorschriften het verwijderen van de daarbedoelde zelfstandigheden betreffen kunnen zij mede betrekking hebben op de afgifte van die zelfstandigheden aan, het vervoer naar en de in ontvangstneming door personen, behorende tot een daarbij aangewezen categorie. 2 Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld betreffende het gebruik van bestrijdingsmiddelen in verband met de veiligheid en de gezondheid bij de arbeid. Deze regels kunnen in ieder geval betrekking hebben op: a. de verdamping of verspreiding van bestrijdingsmiddelen op de werkplek; b. de omgang met en de opslag van bestrijdingsmiddelen; c. de voorkoming van blootstelling aan bestrijdingsmiddelen; d. kleding, kledingbergplaatsen, kleedruimten, toiletten en wasgelegenheden; e. persoonlijke beschermingsmiddelen; f. het registreren, melden of bewaren van gegevens met betrekking tot bestrijdingsmiddelen, het melden van ongevallen met bestrijdingsmiddelen of het melden van beroepsziekten in verband met bestrijdingsmiddelen. 3 Door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid daartoe aangewezen onder hem ressorterende ambtenaren zijn namens hem bevoegd voorschriften te geven betreffende de uitvoering van een of meer voorschriften als bedoeld in het eerste en tweede lid met betrekking tot het vervoer of het gebruik van bestrijdingsmiddelen in verband met de arbeid alsmede omtrent het voorhanden hebben van deze middelen en het opbergen van ledige verpakkingen of restanten van bestrijdingsmiddelen. Bij de bekendmaking van het voorschrift wordt de termijn gesteld, waarbinnen aan het voorschrift moet worden voldaan. Een bezwaarschrift, ingediend tegen het voorschrift, heeft schorsende werking. 4 Een ieder is verplicht ten aanzien van bestrijdingsmiddelen, resten van bestrijdingsmiddelen en ledige verpakkingen: a. zodanige zorgvuldigheid in acht te nemen dat geen gevaar ontstaat voor de mens dan wel voor dieren of planten welker instandhouding gewenst is of voor grond of water, en b. overigens zodanige zorgvuldigheid in acht te nemen als redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om te voorkomen dat schade wordt toegebracht aan planten of delen van planten, welke aan anderen toebehoren. 1995 598 19-12-1995 23-11-1995 23646 1995 600 19-12-1995 04-12-1995 01-01-1996
Artikel 13a — Artikel 13a#
Artikel 13a artikel 13, tweede lid, aanhef en onderdeel f Onze betrokken Minister kan regels stellen omtrent het voeren van een administratie en het verstrekken van gegevens door toelatinghouders of registratiehouders en, voor zover zij geen toelatinghouder of registratiehouder zijn, door fabrikanten, importeurs, handelaren en gebruikers met betrekking tot de door hen in voorraad gehouden, ontvangen, afgeleverde en gebruikte hoeveelheden van aangewezen bestrijdingsmiddelen of groepen van bestrijdingsmiddelen. De regels hebben geen betrekking op onderwerpen die uit hoofde van het bepaalde in, gesteld kunnen worden. 2002 461 17-09-2002 20-06-2002 27085 2003 28 28-01-2003 24-12-2003 29-01-2003 Bij Stb. 2002/461 is in artikel II een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 13b — Artikel 13b#
Artikel 13b 1 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen degenen die bestrijdingsmiddelen afleveren waarvan de toelating of registratie niet te hunnen name is gesteld worden verplicht zich te doen inschrijven in een register. 2 Bij of krachtens een algemene maatregel, bedoeld in het vorige lid, wordt bepaald waar de inschrijving geschiedt, en kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de inrichting van het register, de wijze van aanmelding ter inschrijving, de wijze waarop van de inschrijving kan blijken, de duur van de inschrijving en het vervallen van de inschrijving. 3 In geval van toepassing van het eerste lid is het verboden bestrijdingsmiddelen af te leveren aan anderen dan degenen die in het register zijn ingeschreven. 4 Het verbod, gesteld in het vorige lid, geldt niet voor het afleveren van bestrijdingsmiddelen aan gebruikers. 2002 461 17-09-2002 20-06-2002 27085 2003 28 28-01-2003 24-12-2003 29-01-2003 Bij Stb. 2002/461 is in artikel II een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 13c — Artikel 13c#
Artikel 13c 1 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat arbeid met bestrijdingsmiddelen of categorieën van bestrijdingsmiddelen, dan wel arbeid met bestrijdingsmiddelen onder bepaalde omstandigheden, slechts mag worden verricht nadat degenen die de arbeid verrichten gezondheidskundig zijn onderzocht. Daarbij kan voorts worden bepaald dat dit gezondheidskundig onderzoek na de aanvang van de werkzaamheden met een bestrijdingsmiddel periodiek moet worden herhaald. 2 Met betrekking tot het in het eerste lid bedoelde onderzoek kunnen door een daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen onder hem ressorterende ambtenaar eisen worden gesteld met betrekking tot: a. de wijze waarop en de termijn waarbinnen het onderzoek moet worden verricht; b. de persoon of personen door wie of onder wier leiding het onderzoek moet worden gedaan. 1995 598 19-12-1995 23-11-1995 23646 1995 600 19-12-1995 04-12-1995 01-01-1996
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van de veiligheid en de gezondheid van de mens en van dieren, welker instandhouding gewenst is, voorschriften worden gegeven betreffende het aanbrengen van waarschuwingstekens in verband met het gebruik van bestrijdingsmiddelen. 1962 288 12-07-1962 6014 1964 329 01-08-1964 01-09-1964
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven betreffende het afleveren, voorhanden of in voorraad hebben en gebruiken van bestrijdingsmiddelen welke als zodanig dan wel voor wat betreft een uitbreiding van de toepassingsmogelijkheden kennelijk in een proefstadium verkeren. Daarbij kan worden afgeweken van de bepalingen van deze wet. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven betreffende het afleveren, voorhanden of in voorraad hebben en gebruiken van niet-toegelaten of niet-geregistreerde bestrijdingsmiddelen voor onderzoeksdoeleinden. 3 a artikel 5, eerste lid a artikel 5, derde lid Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op behandelingen, uitgevoerd met de in het eerste en tweede lid bedoelde middelen, voorschriften worden gegeven als bedoeld in. Ten aanzien van zodanige voorschriften is, van overeenkomstige toepassing. 4 Voor zover krachtens het eerste en tweede lid proefnemingen als daar bedoeld slechts na daartoe gedane aanvraag kunnen worden toegestaan, kunnen de kosten voortvloeiende uit deze aanvraag geheel of gedeeltelijk ten laste van de aanvrager worden gebracht. 2002 461 17-09-2002 20-06-2002 27085 2003 28 28-01-2003 24-12-2003 29-01-2003 Bij Stb. 2002/461 is in artikel II een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 verordening (EG) nr. 178/2002 Indien op of in eet- of drinkwaren een hoeveelheid van een of meer bestrijdingsmiddelen, bestanddelen daarvan of omzettingsprodukten van deze aanwezig is, welke groter is dan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is bepaald, worden zij voor de toepassing van artikel 14, eerste lid, vanvan het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PbEG L 31) aangemerkt als onveilige levensmiddelen. 2 In de krachtens het eerste lid bepaalde hoeveelheid wordt geacht te zijn begrepen een uit anderen hoofde aanwezige hoeveelheid van dezelfde stof. 3 De krachtens het eerste lid te bepalen hoeveelheid kan worden uitgedrukt in termen van een kenmerkend element, een kenmerkende moleculaire groep of een reactieprodukt van de betreffende stof. 2004 164 27-04-2004 13-04-2004 29317 2004 164 27-04-2004 13-04-2004 29317 01-01-2005
Artikel 16a — Artikel 16a#
Artikel 16a 1 artikelen 2, eerste lid 10, eerste en tweede lid Onze betrokken Minister kan in bijzondere omstandigheden van het bepaalde in de, envoor ten hoogste 120 dagen, vrijstelling of ontheffing verlenen: a. voor zover het gewasbeschermingsmiddelen betreft, indien de plantaardige produktie door onvoorziene, op geen enkele andere wijze te bestrijden gevaren wordt bedreigd; b. voor zover het biociden betreft, voor zover noodzakelijk wegens een onvoorzien, niet op andere wijze te bestrijden gevaar. 2 De in het eerste lid bedoelde vrijstelling of ontheffing wordt in ieder geval verleend ter uitvoering van een communautaire maatregel met in achtneming van het daarin gestelde. 3 Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Zij kunnen onder beperkingen worden verleend en te allen tijde worden ingetrokken. 2002 461 17-09-2002 20-06-2002 27085 2003 28 28-01-2003 24-12-2003 29-01-2003 Bij Stb. 2002/461 is in artikel II een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 16aa — Artikel 16aa#
Artikel 16aa 1 artikelen 2, eerste lid 10, eerste en tweede lid Onze betrokken Minister kan, wanneer de belangen van de landbouw zulks dringend vereisen, vrijstelling of ontheffing verlenen van het bepaalde in de, en, ten aanzien van een gewasbeschermingsmiddel dat een werkzame stof bevat: a. die reeds vóór 26 juli 1993 werd afgeleverd; b. artikel 3, tweede lid, onderdeel a die niet bij een in, bedoelde communautaire maatregel is aangewezen, en c. Richtlijn nr. 91/414/EEG ten aanzien waarvan het onderzoek, bedoeld in artikel 8, tweede lid, vanvan de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991, betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 230), na 26 juli 2003 wordt aangevangen of voortgezet. 2 Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Zij kunnen onder beperkingen worden verleend en te allen tijde worden ingetrokken. 2003 62 25-02-2003 06-02-2003 28358 2003 63 25-02-2003 08-02-2003 01-03-2003 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16, eerste lid, van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 16b — Artikel 16b#
Artikel 16b 1 artikel 13 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan ter uitvoering vande medewerking worden gevorderd van het bestuur van een bedrijfslichaam. 2 Indien de van het bestuur van een bedrijfslichaam gevorderde medewerking bestaat in het stellen van nadere regels bij verordening, behoeft deze verordening de goedkeuring van Onze Minister en van Onze Ministers wie het mede aangaat, tezamen. Krachtens de verordening genomen besluiten behoeven, voorzover dit bij of krachtens de maatregel, bedoeld in het eerste lid, is bepaald, de goedkeuring van de daarbij aangewezen autoriteit. 1999 253 29-06-1999 03-04-1999 25695 1999 254 29-06-1999 17-06-1999 25695 01-07-1999
Artikel 16c — Artikel 16c#
Artikel 16c 1 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet of onderdelen daarvan zijn belast de bij besluit van Onze betrokken Minister aangewezen ambtenaren. 2 Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. 2002 461 17-09-2002 20-06-2002 27085 2003 28 28-01-2003 24-12-2003 29-01-2003 Bij Stb. 2002/461 is in artikel II een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 16d — Artikel 16d#
Artikel 16d Een toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner. 2002 461 17-09-2002 20-06-2002 27085 2003 28 28-01-2003 24-12-2003 29-01-2003 Bij Stb. 2002/461 is in artikel II een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 16e — Artikel 16e#
Artikel 16e Vervallen 2007 125 10-04-2007 17-02-2007 30474 2007 386 16-10-2007 10-10-2007 17-10-2007
Artikel 16f — Artikel 16f#
Artikel 16f Vervallen 2007 125 10-04-2007 17-02-2007 30474 2007 386 16-10-2007 10-10-2007 17-10-2007
Artikel 16g — Artikel 16g#
Artikel 16g Vervallen 2007 125 10-04-2007 17-02-2007 30474 2007 386 16-10-2007 10-10-2007 17-10-2007
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 De opsporingsambtenaar, die een monster van een bestrijdingsmiddel neemt, verpakt en verzegelt dit ter plaatse. 2 Op verlangen van hem, in wiens bezit het bestrijdingsmiddel zich tijdens de monsterneming bevindt, neemt de opsporingsambtenaar een tweede monster, hetwelk hij verpakt en verzegeld in diens bezit laat. 1962 288 12-07-1962 6014 1964 329 01-08-1964 01-09-1964
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 De ambtenaar, die het monster heeft genomen, stelt dit in handen van de instelling, die voor onderzoek daarvan bij regeling van Onze betrokken Minister is aangewezen. 2 Het monster wordt zo spoedig mogelijk door de aangewezen instelling onderzocht. 3 Indien de directeur van de aangewezen instelling van mening is, dat de resultaten van het onderzoek aanleiding kunnen geven tot het uitlokken van een strafvervolging, doet hij hiervan mededeling aan de ambtenaar, die het monster heeft genomen. De uitkomsten van het onderzoek worden als bijlage bij het proces-verbaal gevoegd. 2003 62 25-02-2003 06-02-2003 28358 2003 63 25-02-2003 08-02-2003 01-03-2003 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16, eerste lid, van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 Bij regeling van Onze Ministers kunnen regelen worden gegeven betreffende de wijze van monsterneming, het verpakken en het verzegelen der monsters. 2003 62 25-02-2003 06-02-2003 28358 2003 63 25-02-2003 08-02-2003 01-03-2003 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16, eerste lid, van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 Vervallen 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 21-02-1997 01-01-1997 Werkt terug tot en met 1 januari 1997.
Artikel 20a — Artikel 20a#
Artikel 20a Vervallen 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 21-02-1997 01-01-1997 Werkt terug tot en met 1 januari 1997.
Artikel 20b — Artikel 20b#
Artikel 20b Vervallen 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 21-02-1997 01-01-1997 Werkt terug tot en met 1 januari 1997.
Artikel 20c — Artikel 20c#
Artikel 20c Vervallen 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 21-02-1997 01-01-1997 Werkt terug tot en met 1 januari 1997.
Artikel 20d — Artikel 20d#
Artikel 20d Vervallen 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 21-02-1997 01-01-1997 Werkt terug tot en met 1 januari 1997.
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 Bij gemeentelijke verordening worden geen bepalingen vastgesteld met betrekking tot de onderwerpen waarin deze wet voorziet. 2 Bestaande bepalingen van gemeentelijke verordeningen met betrekking tot de onderwerpen waarin deze wet voorziet vervallen een jaar na het in werking treden van dit artikel. 1993 484 21-04-1993 20319 1993 484 21-04-1993 20319 01-11-1993
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 artikel 2:5 van de Algemene wet bestuursrecht De verplichting tot geheimhouding op grond vangeldt niet ten aanzien van die bestanddelen van een bestrijdingsmiddel, welke schadelijk zijn voor de mens, of voor dieren of planten, welker instandhouding gewenst is. 2 Indien in een stuk dat ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde aan Onze betrokken Minister, onderscheidenlijk het college, dan wel aan een andere persoon of instelling wordt overgelegd, gegevens voorkomen of uit zodanig stuk gegevens kunnen worden afgeleid, waarvan de geheimhouding met het oog op bedrijfsgeheimen gerechtvaardigd is, besluit Onze betrokken Minister, onderscheidenlijk het college, op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van degene die het stuk overlegt, dat die gegevens geheim worden gehouden. Een zodanig verzoek is met redenen omkleed. 3 Onze betrokken Minister stelt regelen met betrekking tot de gegevens waarvoor de verplichting tot geheimhouding niet geldt. 1998 689 22-12-1998 12-11-1998 24817 1999 587 30-12-1999 21-12-1999 01-01-2000
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van een communautaire maatregel inzake onderwerpen waarop deze wet van toepassing is, regelen worden gesteld. 2 Bij de regelen, bedoeld in het eerste lid, kan worden afgeweken van het bij deze wet bepaalde inzoverre het betreft: a. artikel 3, eerste of tweede lid de voorwaarden, genoemd in; b. e artikel 1, eerste lid, onderdeel werkzame stoffen voor bestrijdingsmiddelen als bedoeld in; c. a a artikel 3, eerste lid de invulling van de in onderdeelbedoelde voorwaarden, bedoeld in; d. artikelen 4 a 4 5, vijfde lid de aanvraag als bedoeld in de,of; e. artikel 5, eerste lid de duur van de toelating of registratie alsmede van de verlenging daarvan als bedoeld in; f. artikel 25, eerste lid de datum van 26 juli 2003, genoemd in; g. artikel 25b, eerste lid de datum van 13 mei 2010, genoemd in. 2002 461 17-09-2002 20-06-2002 27085 2003 28 28-01-2003 24-12-2003 29-01-2003 Bij Stb. 2002/461 is in artikel II een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 1 a Artikel 3, tweede lid, onderdeel , is niet van toepassing op gewasbeschermingsmiddelen die werkzame stoffen bevatten die op 25 juli 1993 nog niet eerder werden afgeleverd en die niet bij de in dat artikelonderdeel bedoelde communautaire maatregel zijn aangewezen, mits: a. a artikel 4, tweede lid, tweede zin voldaan is aan de regelen, bedoeld in; b. door het college wordt vastgesteld dat: - de residuen van de betreffende werkzame stoffen geen schadelijke uitwerking hebben op de gezondheid van mens en dier of op het grondwater en geen voor het milieu onaanvaardbaar effect, en deze residuen, voor zover zij in toxicologisch opzicht of uit milieu-oogpunt van belang zijn, door middel van algemeen gebruikte methoden kunnen worden gemeten; - a artikel 3, eerste lid, onderdeel het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen na een toepassing die in overeenstemming is met de goede gewasbeschermingspraktijken, geen schadelijke uitwerking op de gezondheid van mens en dier en geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft als bedoeld in, ten derde tot en met ten tiende, en - artikelen 3, eerste en tweede lid a 3 het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de overige voorwaarden voor toelating, bedoeld in de, en. 2 In geval van een toelating waarbij toepassing is gegeven aan het eerste lid, geldt deze voor een termijn van ten hoogste drie jaren. Indien de termijn van toelating korter is dan drie jaren, kan deze één of meerdere malen worden verlengd met dien verstande, dat de totale duur van de termijn niet langer zal zijn dan drie jaren, tenzij ter uitvoering van een communautaire maatregel een langere termijn kan worden gesteld. 3 Het college kan een toelating waarbij toepassing is gegeven aan het eerste lid intrekken. Artikel 7 is van overeenkomstige toepassing op een zodanige intrekking. 1998 689 22-12-1998 12-11-1998 24817 1999 587 30-12-1999 21-12-1999 01-01-2000
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 a Artikel 3, tweede lid, onderdeel , is tot 26 juli 2003 evenmin van toepassing op gewasbeschermingsmiddelen die uitsluitend werkzame stoffen bevatten die niet bij de in dat artikelonderdeel bedoelde communautaire maatregel zijn aangewezen en reeds vóór 26 juli 1993 werden afgeleverd. 2 artikelen 5 7 artikel 5, tweede lid Artikel 7, derde en vierde lid artikel 5, vijfde lid, laatste zin Onverminderd het bepaalde in deentrekt het college ter uitvoering van een communautaire maatregel met betrekking tot een bestrijdingsmiddel als bedoeld in het eerste lid een toelating, waarbij toepassing is gegeven aan het eerste lid, in, of wijzigt het de voorschriften als bedoeld in., zijn op de intrekking van de toelating en, is op de wijziging van de voorschriften van toepassing. 1998 689 22-12-1998 12-11-1998 24817 1999 587 30-12-1999 21-12-1999 01-01-2000
Artikel 25a — Artikel 25a#
Artikel 25a 1 Artikel 3, tweede lid, onderdeel a artikelen 3, eerste lid, onderdelen a, b en d 3a 4a, tweede lid, tweede zin , is niet van toepassing op biociden die werkzame stoffen bevatten die op 13 mei 2000 nog niet eerder werden afgeleverd en die niet bij de in dat artikelonderdeel bedoelde communautaire maatregel zijn aangewezen, mits voldaan is aan de regelen, bedoeld in de;en. 2 In geval van een toelating dan wel registratie waarbij toepassing is gegeven aan het eerste lid, geldt deze voor een termijn van ten hoogste drie jaren. Indien de termijn van toelating dan wel registratie korter is dan drie jaren, kan deze een of meerdere malen worden verlengd met dien verstande, dat de totale duur van de termijn niet langer zal zijn dan drie jaren. 3 Artikel 7 Het college kan een toelating dan wel registratie waarbij toepassing is gegeven aan het eerste lid intrekken.is van overeenkomstige toepassing op een zodanige intrekking. 4 In afwijking van het bepaalde in het tweede lid kan ter uitvoering van een communautaire maatregel, de termijn van drie jaren met ten hoogste een jaar worden verlengd. 2002 461 17-09-2002 20-06-2002 27085 2003 28 28-01-2003 24-12-2003 29-01-2003 Bij Stb. 2002/461 is in artikel II een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 25b — Artikel 25b#
Artikel 25b 1 Artikel 3, tweede lid, onderdeel a , is tot en met 13 mei 2010 evenmin van toepassing op biociden die uitsluitend werkzame stoffen bevatten die niet bij de in dat artikelonderdeel bedoelde communautaire maatregel zijn aangewezen en reeds voor 13 mei 2000 werden afgeleverd. 2 artikel 5 artikel 5, tweede lid Artikel 5, vijfde lid Onverminderdwijzigt het college ter uitvoering van een communautaire maatregel met betrekking tot een bestrijdingsmiddel als bedoeld in het eerste lid, de voorschriften, bedoeld inwaarbij toepassing is gegeven aan het eerste lid., is van toepassing op de wijziging van de voorschriften. 3 artikel 7 Artikel 7, derde en vierde lid Onverminderd het bepaalde intrekt het college ter uitvoering van een communautaire maatregel met betrekking tot een bestrijdingsmiddel als bedoeld in het eerste lid, een toelating of registratie in, waarbij toepassing is gegeven aan het eerste lid., is van toepassing op de intrekking van de toelating of registratie. 2002 461 17-09-2002 20-06-2002 27085 2003 28 28-01-2003 24-12-2003 29-01-2003 Bij Stb. 2002/461 is in artikel II een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 25c — Artikel 25c#
Artikel 25c Vervallen 2003 62 25-02-2003 06-02-2003 28358 2003 63 25-02-2003 08-02-2003 01-03-2003 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16, eerste lid, van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 25d — Artikel 25d#
Artikel 25d 1 artikelen 3 3a artikelen 4, eerste lid 5, eerste lid Een bestrijdingsmiddel, waarvan de werkzame stof of stoffen door het college zijn aangewezen, is, in afwijking van het bepaalde bij of krachtens deenen van de, en, van rechtswege toegelaten of geregistreerd met ingang van het in het derde lid bedoelde tijdstip. 2 artikel 3, eerste lid, onderdeel a, ten derde tot en met ten tiende Bij de aanwijzing van een werkzame stof, bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de effecten van de betrokken werkzame stof, bedoeld in. 3 artikel 4 artikel 5, eerste lid artikel 3, tweede lid, onderdeel a De toelating of registratie, bedoeld in het eerste lid, is van kracht met ingang van het tijdstip van beëindiging van de uit hoofde vanafgegeven toelating of registratie, met dien verstande dat indien dit tijdstip van beëindiging reeds is verstreken, de toelating, onderscheidenlijk registratie terug werkt tot en met dat tijdstip. De toelating, onderscheidenlijk registratie geldt, in afwijking van, tot het tijdstip waarop uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven aan een met betrekking tot de betrokken werkzame stof vastgestelde communautaire maatregel als bedoeld in, met dien verstande dat zij in ieder geval doorloopt na 26 juli 2003, dan wel 15 mei 2010 indien uiterlijk op die onderscheiden datum geen communautaire maatregel is vastgesteld die vermeldt of de betrokken werkzame stof mag worden gebruikt als basis voor een gewasbeschermingsmiddel onderscheidenlijk biocide. 4 artikel 5, tweede en derde lid artikel 4 artikel 13 Met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde bestrijdingsmiddelen is het verboden te handelen in strijd met de krachtens, gegeven voorschriften, zoals deze golden tot het moment van beëindiging van de toelating of registratie uit hoofde van, en met de krachtensgegeven voorschriften. 5 artikelen 5 7 artikel 5, tweede lid Artikel 7, derde en vierde lid Onverminderd deenwordt een toelating of registratie als bedoeld in het eerste lid, door het college ingetrokken of worden de voorschriften, bedoeld in, door het college gewijzigd indien dat noodzakelijk is ter uitvoering van een communautaire maatregel., zijn op de intrekking van de toelating, onderscheidenlijk registratie van toepassing. 6 Het eerste lid is: a. niet van toepassing op een bestrijdingsmiddel waarvan de toelating of registratie ingevolge een communautaire maatregel niet verleend mag worden; b. niet van toepassing op een bestrijdingsmiddel waarvan de toelating of registratie ingevolge een communautaire maatregel dient te worden ingetrokken, vanaf het tijdstip waarop aan die maatregel uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven; c. artikel 3, tweede lid, onderdeel a uitsluitend van toepassing op een bestrijdingsmiddel dat een werkzame stof bevat die reeds vóór 26 juli 1993, indien het een gewasbeschermingsmiddel betreft, onderscheidenlijk 15 mei 2000, indien het een biocide betreft, werd afgeleverd en niet bij een in, bedoelde communautaire maatregel is aangewezen; d. uitsluitend van toepassing op een bestrijdingsmiddel dat is toegelaten of laatstelijk op 1 januari 2001 toegelaten is geweest of is geregistreerd; e. artikel 4 niet van toepassing op een bestrijdingsmiddel waarvan de toelating of registratie is ingetrokken op verzoek van de toelatinghouder of ten aanzien waarvan geen aanvraag tot verlenging van de toelating of registratie is ingediend overeenkomstig de krachtensgestelde regelen omtrent het indienen van een aanvraag; f. artikel II van de wet van 25 januari 2001, houdende wijziging van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 niet van toepassing op een bestrijdingsmiddel waarop(landbouwkundig onmisbare gewasbeschermingsmiddelen) van toepassing is of is geweest. 7 Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid wordt door de zorg van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in de Staatscourant bekend gemaakt. Hij gaat daartoe niet eerder over dan nadat de aanwijzing aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd voor een periode van 30 dagen. 8 Onze betrokken minister kan, ter uitvoering van een communautaire maatregel, dit artikel onder door hem te stellen regelen van overeenkomstige toepassing verklaren voor bestrijdingsmiddelen op basis van door hem aangewezen werkzame stoffen. 2002 461 17-09-2002 20-06-2002 27085 2002 577 03-12-2002 22-11-2002 04-12-2002 Bij Stb. 2002/461 is in artikel II een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 Deze wet wordt aangehaald als Bestrijdingsmiddelenwet 1962. 1995 4 10-01-1995 15-12-1994 23177 1995 103 28-02-1995 20-02-1995 01-03-1995
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 Vervallen 1995 4 10-01-1995 15-12-1994 23177 1995 103 28-02-1995 20-02-1995 01-03-1995
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 Vervallen 1995 4 10-01-1995 15-12-1994 23177 1995 103 28-02-1995 20-02-1995 01-03-1995