Wet van 27 september 1962, houdende regeling inzake vrijstelling van de militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren
- BWB-id
- BWBR0002386
- Type
- Wet
- Ministerie
- Defensie
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2020-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0002386
- ELI
- /eli/nl/wet/1964/wet-gewetensbezwaren-militaire-dienst
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1964/wet-gewetensbezwaren-militaire-dienst/2020-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0002386&g=2020-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0002386&z=2026-06-06&g=2020-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0002386/2020-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1964/wet-gewetensbezwaren-militaire-dienst
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: «militair»: degene die behoort tot de krijgsmacht, ook gedurende de tijd, dat deze niet in werkelijke dienst is; «vervangende dienst»: de dienst die verplicht wordt vervuld ter vervanging van de militaire dienst; «erkende gewetensbezwaarde» degene van wie bezwaren tegen de persoonlijke vervulling van de militaire dienst als ernstige gewetensbezwaren zijn erkend; «groot verlof»: de tijd gedurende welke de erkende gewetensbezwaarde geen vervangende dienst vervult of behoeft te vervullen; «tewerkgestelde»: degene die voor vervangende dienst is opgeroepen van het ogenblik af dat deze op de plaats van de eerste bestemming is aangekomen tot het tijdstip, waarop deze met groot verlof wordt gezonden; «dienstplichtige»: Kaderwet dienstplicht degene die ingevolge degeschikt is verklaard voor het vervullen van werkelijke dienst. 2 Waar in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gesproken van personen die ongeschikt zijn verklaard, zijn erkend als gewetensbezwaarde, ontheven zijn van de verplichting tot het vervullen van de vervangende dienst in gewone omstandigheden, disciplinair gestraft of veroordeeld zijn, worden hieronder, voor zover het tegendeel niet blijkt, verstaan degenen omtrent wie het desbetreffende besluit of de desbetreffende uitspraak onherroepelijk is geworden. 3 Waar in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gesproken van het oproepen voor de vervangende dienst wordt daaronder ten aanzien van hen die reeds de vervangende dienst vervullen verstaan het blijven vervullen van de vervangende dienst. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020 Abusievelijk ontbreekt in het Staatsblad de aanhef van het eerste lid.
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Ernstige gewetensbezwaren in de zin van deze wet zijn de onoverkomelijke gewetensbezwaren tegen de persoonlijke vervulling van militaire dienst in verband met het gebruik van middelen van geweld waarbij men door dienstvervulling in de Nederlandse krijgsmacht kan worden betrokken. 1978 694 03-01-1978 24-11-1978 11155 1978 694 03-01-1978 24-11-1978 11155 06-01-1979
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 Op aanvraag kan Onze Minister van Defensie de bezwaren van een dienstplichtige of een militair als ernstige gewetensbezwaren erkennen. De aanvraag vermeldt mede het registratienummer en is met redenen omkleed. 2 Onze Minister van Defensie doet een onderzoek instellen naar de vraag of de bezwaren zijn aan te merken als ernstige gewetensbezwaren. Onze Minister van Defensie kan het inwinnen van een advies achterwege laten, indien het een hernieuwde aanvraag betreft. 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 01-09-2003
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 artikel 3, eerste lid Degene die een aanvraag heeft gedaan als bedoeld in, kan door Onze Minister, in afwachting van een beslissing daarop, geheel of gedeeltelijk van dienstverrichtingen worden vrijgesteld. 2 artikel 3, eerste lid artikel 139 van het Wetboek van Militair Strafrecht artikel 36 van de Kaderwet dienstplicht Ingeval tegen degene die een aanvraag heeft gedaan als bedoeld in, een strafvervolging is ingesteld wegens overtreding van, wegens ongehoorzaamheid aan enig dienstbevel of dienstvoorschrift, dan wel wegens overtreding vankan het openbaar ministerie besluiten deze strafvervolging, in afwachting van een beslissing op die aanvraag, te schorsen. Ingeval van een hernieuwde aanvraag wordt geen schorsing verleend, tenzij bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven. 2006 330 18-07-2006 07-07-2006 29849 2008 4 10-01-2008 21-12-2007 01-02-2008
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 artikel 3, tweede lid Het in, bedoelde onderzoek wordt verricht door een of meer leden van een commissie van advies. De leden van de commissie worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen. 2 De commissie brengt advies uit, nadat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld ter zitting te worden gehoord. 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 01-09-2003
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 Vervallen 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 Indien Onze Minister van Defensie van oordeel is, dat de bezwaren zijn aan te merken als ernstige gewetensbezwaren, zal hij die bezwaren als zodanig erkennen. 2 artikel 5 Indien aanvrager zonder gegronde redenen niet voor het onderzoek ter zitting voor de commissie, bedoeld in, is verschenen, wordt de aanvraag in ieder geval afgewezen. 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 01-09-2003
Artikel 7a — Artikel 7a#
Artikel 7a 1 artikel 5, eerste lid Indien de aanvrager bezwaar maakt tegen een besluit tot afwijzing van de aanvraag om erkenning, beslist Onze Minister van Defensie op dat bezwaar na advies van de commissie, bedoeld in. De commissie adviseert nadat zij met ten minste drie leden een onderzoek heeft ingesteld. 2 artikel 7:3, onder a tot en met e, van de Algemene wet bestuursrecht In de gevallen genoemd inwint Onze Minister van Defensie geen advies als bedoeld in het eerste lid in. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 7b — Artikel 7b#
Artikel 7b Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 7c — Artikel 7c#
Artikel 7c Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ter uitvoering van dit hoofdstuk. 1995 250 16-05-1995 26-04-1995 23780 1995 250 16-05-1995 26-04-1995 23780 17-05-1995
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 artikel 4 Een beschikking op grond vanblijft van kracht totdat de afwijzing van een aanvraag omtrent erkenning als gewetensbezwaarde onherroepelijk is geworden. 2 artikel 7b artikel 4, eerste lid Zolang de beroepstermijn niet is verstreken, dan wel op een tegen een beschikking omtrent erkenning als gewetensbezwaarde ingesteld beroep als bedoeld inniet is beslist, kan Onze Minister van Defensie alsnog toepassing geven aan. 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 01-09-2003
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 De erkende gewetensbezwaarde is onder alle omstandigheden vrijgesteld van de militaire dienst. Evenmin mogen degene werkzaamheden worden opgedragen, welke naar hun aard er slechts op gericht kunnen zijn de krijgsmacht hulp te verlenen. 2 Onverminderd het vierde lid is de dienstplichtige die als gewetensbezwaarde is erkend, verplicht tot vervangende dienst in gewone omstandigheden en vervangende dienst in buitengewone omstandigheden. 3 De militair, die als gewetensbezwaarde is erkend, wordt zo spoedig mogelijk uit de militaire dienst ontslagen. 4 De erkende gewetensbezwaarde die als dienstplichtige uitsluitend in buitengewone omstandigheden tot het vervullen van werkelijke dienst zou kunnen worden verplicht is alleen verplicht tot het vervullen van vervangende dienst in buitengewone omstandigheden. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 artikel 4, tweede lid Het recht tot strafvordering terzake van een delict, als bedoeld in, vervalt, zodra de gewetensbezwaren van de verdachte zijn erkend. 1962 370 27-09-1962 5394 1964 404 29-10-1964 01-12-1964
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 De erkende gewetensbezwaarde wordt op of zo spoedig mogelijk na de datum, waarop deze zijn militaire dienst zou moeten aanvangen of voortzetten, door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor de vervangende dienst opgeroepen. De erkende gewetensbezwaarde is verplicht aan deze oproeping gevolg te geven. 2 Voor vervangende dienst in gewone omstandigheden worden erkende gewetensbezwaarden ouder dan 35 jaar niet opgeroepen. In geval van buitengewone omstandigheden vindt geen oproeping van erkende gewetensbezwaarden ouder dan 45 jaar plaats. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 De duur van de vervangende dienst in gewone omstandigheden is een derde langer dan die van het verplichte verblijf onder de wapenen voor opleiding en oefening van het merendeel van de dienstplichtigen. 2 De duur van de vervangende dienst in gewone omstandigheden wordt voor de dienstplichtige die als gewetensbezwaarde is erkend, verminderd met de duur van de werkelijke dienst die de betrokkene reeds als dienstplichtige in gewone omstandigheden heeft volbracht. 3 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan de duur van de vervangende dienst in gewone omstandigheden verkorten ten aanzien van de dienstplichtige, die voor het ontslag uit militaire dienst, de opleiding en oefening reeds heeft volbracht. 4 De duur van de vervangende dienst in buitengewone omstandigheden is voor de erkende gewetensbezwaarde gelijk aan de periode gedurende welke de betrokkene als dienstplichtige in buitengewone omstandigheden in werkelijke dienst zou zijn geweest. 5 Voor zover de erkende gewetensbezwaarde bij aanvang van de vervulling van de vervangende dienst in buitengewone omstandigheden de vervangende dienst in gewone omstandigheden nog niet heeft volbracht, wordt voor de betrokkene de periode gedurende welke deze verplicht is tot vervulling van vervangende dienst in buitengewone omstandigheden verlengd. Voor zover als gevolg van beëindiging van de buitengewone omstandigheden geen of geen verdere toepassing kan worden gegeven aan de eerste volzin is de betrokkene nog verplicht tot vervulling van vervangende dienst in gewone omstandigheden. 6 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen groepen van personen worden aangewezen die niet of voorlopig niet tot het vervullen van vervangende dienst in buitengewone omstandigheden worden opgeroepen. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020 Abusievelijk is voor het derde lid een wijzigingsopdracht
geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 De vervangende dienst wordt vervuld bij overheidsdiensten, dan wel bij, door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen, voor tewerkstelling van gewetensbezwaarden geschikte instellingen, die in het algemeen belang werkzaam zijn. 2 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan aan de tewerkstelling, anders dan bij overheidsdiensten, voorwaarden verbinden. 3 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bepaalt bij welke instantie of in wiens dienst de tewerkstelling plaats vindt. 1985 647 07-11-1985 18009 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 De tewerkgestelde is verplicht de opdrachten en voorschriften naar behoren na te leven, die de betrokkene worden gegeven of voor de betrokkene zijn vastgesteld door of vanwege Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of degene aan wie bij de instelling of dienst van tewerkstelling de bevoegdheid tot het geven van opdrachten of het vaststellen van voorschriften krachtens bijzondere aanwijzing of ten aanzien van aldaar werkzame werknemers uit hoofde van zijn functie toekomt. De tewerkgestelde is voorts in het algemeen verplicht zich tijdens de vervangende dienst naar behoren te gedragen. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verleent in bij algemene maatregel van bestuur nader aangewezen categorieën van gevallen ontheffing van de vervangende dienst in gewone omstandigheden wegens: a. persoonlijke onmisbaarheid; b. de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden; c. kostwinnerschap; d. het bekleden van een geestelijk ambt of het volgen van een opleiding tot een zodanig ambt; of e. broeder- of zusterdienst. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. 2 Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. 3 Een ontheffing kan door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden ingetrokken, wanneer: a. een of meer redenen waarom de ontheffing is verleend, zijn vervallen; b. een of meer van de daaraan verbonden voorschriften niet worden nageleefd; of c. na de verlening zodanige feiten of omstandigheden bekend zijn geworden dat, indien deze ten tijde van de verlening bekend waren geweest, de ontheffing niet of niet in die vorm zou zijn verleend. 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 01-09-2003
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 artikel 15 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de ontheffing. Een krachtensof krachtens de eerste volzin vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal. 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 01-09-2003
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 Vervallen 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 01-09-2003
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 Vervallen 1993 650 30-12-1993 16-12-1993 22495 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 Vervallen 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 01-09-2003
Artikel 21a — Artikel 21a#
Artikel 21a Vervallen 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 01-09-2003
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 Vervallen 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 01-09-2003
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan de dienstplichtige die als gewetensbezwaarde is erkend, verplichten de vervangende dienst in gewone omstandigheden bij gedeelten in twee of meer niet aansluitende tijdvakken te vervullen. 2 Indien de in het eerste lid bedoelde verplichting wordt opgelegd als gevolg van omstandigheden onafhankelijk van de wil van de tewerkgestelde komt het tijdvak gelegen tussen de gedeelten van de vervangende dienst in mindering op de duur van de vervangende dienst in gewone omstandigheden. 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 01-09-2003
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 Vervallen 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 01-09-2003
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 De vervangende dienst kan voor de tewerkgestelde, indien deze voor groot verlof in aanmerking komt, worden verlengd: a. gedurende evenveel dagen als deze door ongeoorloofde afwezigheid niet aan de dagelijkse dienst heeft deelgenomen; b. zolang het vertrek met groot verlof gevaar zou opleveren voor de verspreiding van een heersende of geheerst hebbende besmettelijke ziekte. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 Vervallen 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 01-09-2003
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 1 Het verlenen van groot verlof geschiedt door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 2 De erkende gewetensbezwaarde met groot verlof is verplicht om aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te wijzen functionarissen inzage te verlenen van de aan de gewetensbezwaarde ter zake van de erkenning uitgereikte bescheiden alsmede om aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid desgevraagd alle gewenste inlichtingen te verschaffen in verband met de betreffende vervangende dienst. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 De uit deze wet voortvloeiende verplichtingen met betrekking tot het vervullen van vervangende dienst zijn niet langer van toepassing indien de betrokkene: a. blijkt daarvoor wegens ziekte of gebreken voorgoed ongeschikt te zijn; b. blijkens een verdrag daartoe niet is verplicht; of c. het Nederlanderschap verliest. 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 01-09-2003
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 1 Vervreemding, verpanding of belening van het aan de tewerkgestelde toekomende zakgeld is slechts geldig voor zover beslag op zijn zakgeld geldig zou zijn bij ontbreken van andere inkomsten. 2 Een volmacht tot invordering van het zakgeld is slechts geldig, indien zij schriftelijk is verleend. Zij is steeds herroepelijk. 3 Elk beding, strijdig met enige bepaling van dit artikel, is nietig. 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 01-09-2003
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 artikel 14 De tewerkgestelde die zich gedraagt in strijd metkan deswege disciplinair worden gestraft door een daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen persoon. 1985 647 07-11-1985 18009 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 1 De disciplinaire straffen zijn: a. berisping; b. geldboete, van ten minste € 2 en ten hoogste het bedrag van het zakgeld over een halve maand; c. verlenging van de duur van de vervangende dienst in gewone omstandigheden met ten hoogste veertien dagen. 2 Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald dat deze geheel of ten dele niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien de tewerkgestelde zich gedurende een vastgestelde termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim, als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim. 3 Een opgelegde geldboete kan worden geïnd door inhouding van het bedrag op het aan de tewerkgestelde toekomende zakgeld. Een geldboete kan niet worden geïnd, indien en voor zover daardoor de som van de in één kalendermaand te innen geldboeten, ingevolge deze wet aan de tewerkgestelde opgelegd, het bedrag gelijk aan één derde gedeelte van het zakgeld over één maand te boven zou gaan. 4 Bij beëindiging van de vervangende dienst in gewone omstandigheden worden geldboeten, voor zover zij nog niet zijn geïnd, op het nog aan de tewerkgestelde toekomende zakgeld ingehouden. 5 artikel 12 Geen straf van verlenging kan worden opgelegd indien en voor zover als gevolg daarvan de krachtensvastgestelde duur van de vervangende dienst in gewone omstandigheden van de tewerkgestelde met meer dan dertig dagen zou worden verlengd. 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 01-09-2003
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 1 Geen straf wordt opgelegd of het voorwaardelijke karakter van een opgelegde straf herroepen dan nadat de tewerkgestelde in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk binnen zes maal vierentwintig uur te verantwoorden. Bij de uitnodiging zich te verantwoorden worden afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken meegezonden, tenzij het belang van geheimhouding van gegevens of het belang van derden zich daartegen verzet. 2 De tewerkgestelde die zich overeenkomstig het eerste lid heeft verantwoord wordt op verzoek in de gelegenheid gesteld ten overstaan van de strafoplegger dan wel een door deze aangewezen andere persoon een nadere mondelinge toelichting op de verantwoording te geven. 3 De strafoplegging of herroeping geschiedt schriftelijk en is met redenen omkleed. 4 De gestrafte ontvangt van de strafoplegging of herroeping onverwijld bericht door toezending of uitreiking van het daartoe strekkende besluit. Daarbij wordt degene medegedeeld binnen welke termijn en bij welke instantie degene beroep kan instellen. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 1 artikel 32, vierde lid De gestrafte kan binnen vijf dagen na de ontvangst van het in, bedoelde bericht beroep instellen bij de rechtbank Den Haag. De straf, behalve die van berisping, wordt niet ten uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen. 2 De behandeling van het beroep geschiedt door een meervoudige kamer van de rechtbank, welke zitting houdt en beslist met drie leden, van wie twee, onder wie de voorzitter, lid of plaatsvervangend lid zijn van de rechtbank en één niet tot de rechterlijke macht behoort. Laatstgenoemde en zoveel plaatsvervangers voor deze als Wij dienstig oordelen worden door Ons benoemd op voordracht van Onze Ministers van Veiligheid en Justitie en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor de tijd van vier jaren. 3 artikel 4 artikelen 46c 46ca 46d 46e 46i met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c 46j 46l 46m van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren Aan de deskundige leden en hun plaatsvervangers wordt een vergoeding toegekend met overeenkomstige toepassing van de regels die gelden voor de rechters-plaatsvervangers. Op hen zijnen de,,,,,,envan overeenkomstige toepassing. 4 artikelen 512 tot en met 515 artikelen 517 518 van het Wetboek van Strafvordering Op de zittende leden van de in het tweede lid bedoelde kamer zijn deen deenvan overeenkomstige toepassing. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020 Abusievelijk is voor het vierde lid een wijzigingsopdracht
geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 1 artikel 33, eerste lid Het beroep wordt ingesteld door indiening van een beroepschrift bij de griffie van de in, genoemde rechtbank. 2 De rechtbank kan bij gemotiveerde beslissing verklaren, dat een na de beroepstermijn ingediend beroepschrift geacht wordt tijdig te zijn ingekomen indien de gestrafte redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest. 1985 647 07-11-1985 18009 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 1 artikel 33, tweede lid Het beroep wordt zo spoedig mogelijk behandeld. De voorzitter van de in, bedoelde kamer bepaalt de dag van behandeling. 2 De gestrafte wordt ten minste zes dagen voor de behandeling van het beroep door de griffier opgeroepen. Daarbij wordt de gestrafte opmerkzaam gemaakt op de bevoegdheid zich door een raadsman te doen bijstaan, alsmede op het recht op kennisneming van de processtukken. Indien de gestrafte niet verschijnt en de rechtbank de aanwezigheid van de gestrafte noodzakelijk acht, kan zij de behandeling van het beroep voor bepaalde tijd uitstellen en de oproeping van de gestrafte gelasten. Verschijnt deze ten dienende dage wederom niet, dan kan de rechtbank het beroep vervallen verklaren. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 1 De behandeling van het beroep geschiedt ter openbare terechtzitting. De voorzitter heeft de leiding van de behandeling. Hij kan op verzoek van de gestrafte of om redenen aan de openbare orde ontleend gelasten dat de behandeling achter gesloten deuren plaatsvindt. 2 De gestrafte kan zich door een raadsman doen bijstaan. De rechtbank kan weigeren personen, die geen advocaat zijn, als raadsman toe te laten. 3 Wet tarieven in strafzaken De rechtbank is bevoegd getuigen en deskundigen schriftelijk te bevragen of op te roepen. Vergoeding van door getuigen en deskundigen gemaakte kosten geschiedt overeenkomstig het bepaalde krachtens de. 1985 647 07-11-1985 18009 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 1 De rechtbank beslist uiterlijk op de veertiende dag na afloop van de behandeling van het beroep in een schriftelijke, met redenen omklede, uitspraak. 2 De voorlezing van de uitspraak in beroep geschiedt in het openbaar en de uitspraak wordt de gestrafte uitgereikt of toegezonden. Een afschrift van de uitspraak wordt toegezonden aan degene die de straf in eerste aanleg heeft opgelegd en aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 3 De rechtbank bevestigt in beroep de beslissing in eerste aanleg tot oplegging of uitvoerbaarverklaring van straf of vernietigt deze geheel of gedeeltelijk en doet de zaak zelf af. 4 Indien bij de beslissing in beroep een reeds geheel of gedeeltelijk ten uitvoer gelegde straf van verlenging van de duur van de vervangende dienst in gewone omstandigheden wordt tenietgedaan of verminderd, bepaalt de rechtbank, volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regelen, op welke wijze het door de gestrafte geleden nadeel zal worden hersteld. 5 Tegen de beslissing van de rechtbank staat geen verdere voorziening open. 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 01-09-2003
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 1 Het recht van strafvordering vervalt door de toepassing van disciplinaire straf. 2 Boven de door de strafrechter uitgesproken straf zal geen disciplinaire straf worden opgelegd. 1985 647 07-11-1985 18009 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 Vervallen 1985 647 07-11-1985 18009 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 Vervallen 1985 647 07-11-1985 18009 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 Vervallen 1985 647 07-11-1985 18009 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 Vervallen 1985 647 07-11-1985 18009 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 Vervallen 1985 647 07-11-1985 18009 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 Vervallen 1985 647 07-11-1985 18009 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 Vervallen 1985 647 07-11-1985 18009 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 Vervallen 1985 647 07-11-1985 18009 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 Vervallen 1985 647 07-11-1985 18009 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 Vervallen 1985 647 07-11-1985 18009 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 Vervallen 1985 647 07-11-1985 18009 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 Vervallen 1985 647 07-11-1985 18009 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 Vervallen 1985 647 07-11-1985 18009 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 1 Degene die opzettelijk niet voldoet aan een wettige oproeping tot het vervullen van vervangende dienst, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie. 2 Blijkt niet, dat het feit opzettelijk is gepleegd, dan wordt degene gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden of geldboete van de derde categorie. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 52a — Artikel 52a#
Artikel 52a 1 artikel 27, tweede lid Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft degene die niet voldoet aan de ingevolge, op hem rustende verplichtingen. 2 artikel 27, tweede lid Met gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie wordt gestraft degene die opzettelijk niet voldoet aan de ingevolge, op hem rustende verplichtingen. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 1 De tewerkgestelde, die opzettelijk ongeoorloofd afwezig is, wordt gestraft: a. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie, indien die afwezigheid langer dan vier dagen duurt; b. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie, indien die afwezigheid langer dan dertig dagen duurt dan wel de schuldige zich heeft verwijderd met het oogmerk zich voorgoed aan de dienstverplichtingen te onttrekken. 2 Onder afwezig zijn wordt verstaan het afwezig zijn van die plaats of plaatsen waar de tewerkgestelde zich ter vervulling van de op betrokkene rustende dienstverplichtingen behoort te bevinden; onder zich verwijderen wordt mede begrepen het zich schuil houden, afwezig blijven of achterblijven van die plaats of plaatsen. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 De tewerkgestelde die de dienstverplichtingen stelselmatig niet nakomt wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste één jaar en negen maanden of geldboete van de vierde categorie. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 1 artikelen 52 52a 53, eerste lid 54 De duur van een vrijheidsberoving ondergaan wegens overtreding van een van de,,, enkomt in mindering op de duur van de vervangende dienst in gewone of buitengewone omstandigheden. 2 In gevallen waarin na toepassing van het eerste lid de tewerkgestelde nog verplicht is tot het vervullen van vervangende dienst gedurende één maand of minder, kan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de tewerkgestelde van deze verplichting ontslaan. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 55a — Artikel 55a#
Artikel 55a artikel 52, eerste lid Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan degene, die op grond van, of wegens een misdrijf begaan tijdens de vervangende dienst onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, ontslaan van de voor die persoon uit deze wet voortvloeiende verplichtingen. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 55b — Artikel 55b#
Artikel 55b 1 artikelen 52, eerste lid 52a, tweede lid 53 54 De in de,,en, strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven. 2 artikelen 52, tweede lid 52a, eerste lid De in de, en, strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 01-09-2003
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 1 Met betrekking tot de voorlopige hechtenis worden misdrijven, omschreven in deze wet, gelijkgesteld met misdrijven, waarop als maximum een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. 2 artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering Met het opsporen van deze feiten zijn, behalve de ambtenaren, aangewezen bij, belast de door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen personen. 3 Zij die ingevolge het voorgaande lid met de opsporing zijn belast, kunnen degene die zich schuldig maakt aan een feit, strafbaar gesteld bij deze wet, na aanhouding overbrengen naar de plaats waar degene zich voor het vervullen van de dienstverplichtingen behoort te bevinden. 2019 160 25-04-2019 03-10-2018 34764 2019 234 28-06-2019 13-05-2019 01-01-2020
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 1 De voor de uitvoering van deze wet nodige regelen worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld, tenzij de wet anders bepaalt. 2 Hierbij zal de rechtspositie van de dienstplichtigen die als gewetensbezwaarden zijn erkend zoveel mogelijk op gelijke wijze worden geregeld als die van de dienstplichtige militairen. 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 01-09-2003
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 Alle stukken, die in verband met de bepalingen van deze wet of van de te harer uitvoering gegeven voorschriften worden gevorderd, ingediend, overgelegd of uitgereikt, zijn vrij van legesheffing, van kosten van legalisatie en van griffiekosten. 1962 370 27-09-1962 5394 1964 404 29-10-1964 01-12-1964
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 Vervallen 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 01-09-2003
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 Vervallen 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 01-09-2003
Artikel 60a — Artikel 60a#
Artikel 60a 1 artikelen 11 tot en met 13 artikelen 23 25 Kaderwet dienstplicht Ten aanzien van erkende gewetensbezwaarden worden dealsmede deenbij inwerkingtreding van deopgeschort. 2 Hoofdstuk 4 van de Kaderwet dienstplicht is van overeenkomstige toepassing. 3 artikel 64 van de Kaderwet dienstplicht De in het eerste lid bedoelde opschorting is niet van toepassing bij de oproeping van dienstplichtigen als bedoeld in. 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 2003 255 24-06-2003 22-05-2003 25990 01-09-2003
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 Deze wet kan worden aangehaald als "Wet gewetensbezwaren militaire dienst". 1962 370 27-09-1962 5394 1964 404 29-10-1964 01-12-1964
Artikel 62 — Artikel 62#
Artikel 62 Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip. 1971 231 08-04-1971 10179 1982 691 13-12-1982 01-01-1983