Wet van 5 juli 1962, houdende vaststelling van nieuwe voorschriften omtrent de ruimtelijke ordening
- BWB-id
- BWBR0002375
- Type
- Wet
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- 2008-02-01 t/m 2008-06-30
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0002375
- ELI
- /eli/nl/wet/1964/wet-op-de-ruimtelijke-ordening
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1964/wet-op-de-ruimtelijke-ordening/2008-02-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0002375&g=2008-02-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0002375&z=2026-06-06&g=2008-02-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0002375/2008-02-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1964/wet-op-de-ruimtelijke-ordening
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; artikel 2a planologische kernbeslissing: een plan als bedoeld in; concrete beleidsbeslissing: een als zodanig door het bestuursorgaan aangegeven besluit in een planologische kernbeslissing, een streekplan of een regionaal structuurplan; artikel 39a, eerste lid Onze projectminister: Onze minister die overeenkomstig, als zodanig is aangewezen; artikel 39b rijksprojectbesluit: besluit als bedoeld in; inspecteur: als zodanig bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaar. 2003 449 18-11-2003 22-10-2003 28744 2005 81 24-02-2005 08-02-2005 25-02-2005
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Wet openbaarheid van bestuur Onze Minister verricht het nodige ter voorbereiding en ter uitvoering van het Regeringsbeleid inzake de ruimtelijke ordening. De uitkomsten hiervan worden, met inachtneming van de grenzen gesteld bij of krachtens de, gepubliceerd. 2 Jaarlijks doet Onze Minister aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal in de memorie van toelichting op het desbetreffende hoofdstuk van de Rijksbegroting toekomen: a. een verslag van het door de Regering gevoerde beleid inzake de ruimtelijke ordening; b. een wetgevingsprogramma gericht op harmonisatie en coördinatie van ruimtelijk relevante wetgeving. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 2a — Artikel 2a#
Artikel 2a 1 Wet op de VROM-raad De Ministerraad stelt voor bepaalde aspecten van het nationale ruimtelijke beleid plannen vast. Deze plannen kunnen bestaan uit structuurschetsen, structuurschema’s of nota's, die van belang zijn voor het nationaal ruimtelijk beleid, zoals nader bepaald bij algemene maatregel van bestuur. Indien een onderdeel van een zodanig plan een concrete beleidsbeslissing is, wordt die beslissing bij de vaststelling van andere plannen op grond van deze wet in acht genomen. De in het eerste volzin bedoelde plannen worden voorbereid door Onze Ministers, wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen. Van het voornemen een plan voor te bereiden doen Onze Ministers mededeling aan de Staten-Generaal. Afschrift van deze mededeling zendt Onze Minister aan de VROM-raad, ingesteld bij de. In het plan wordt vermeld voor welke tijdsduur het geldt. 2 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Op de voorbereiding van het plan isvan toepassing, met dien verstande dat: a. daaraan toepassing wordt gegeven door de eerstverantwoordelijke van Onze Ministers als bedoeld in het eerste lid; b. zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder; c. de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen twaalf weken bedraagt. 3 Onze in het eerste lid bedoelde Ministers kunnen de VROM-raad verzoeken advies uit te brengen over het ontwerp. De raad brengt zijn advies uit binnen een door Onze bedoelde Ministers te bepalen termijn, die ten hoogste twaalf weken na de in het tweede lid, onder c, bedoelde termijn beloopt. 4 Onze in het eerste lid bedoelde Ministers zenden het ontwerp gelijktijdig met de terinzagelegging aan de Staten-Generaal. 5 artikel 3:15 Het plan wordt uiterlijk negen maanden na de terinzagelegging aan de instemming van de Tweede Kamer der Staten-Generaal onderworpen. De motivering van het plan vermeldt in elk geval op welke wijze door de Ministerraad bij de vaststelling van het plan rekening is gehouden met overeenkomstignaar voren gebrachte zienswijzen, uitkomsten van bestuurlijk overleg en het advies, bedoeld in het derde lid. 6 Alvorens omtrent instemming te besluiten stelt de Tweede Kamer Onze in het eerste lid bedoelde Ministers in de gelegenheid het plan te wijzigen. De Tweede Kamer zendt het plan, voor zover zij daarmee heeft ingestemd, onverwijld naar de Eerste Kamer. De Eerste Kamer besluit tot verlening of tot onthouding van instemming met het plan, zoals het daar ligt. De Eerste Kamer wordt geacht te hebben ingestemd met het plan, indien zij niet binnen vier weken na ontvangst van het plan uitdrukkelijk tot behandeling ervan besluit. 7 artikelen 3:11, eerste, tweede en derde lid 3:12, eerste en tweede lid, en derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht De bekendmaking van het plan waarmee beide Kamers hebben ingestemd geschiedt door terinzagelegging op door Onze in het eerste lid bedoelde Ministers te bepalen plaatsen. De, enzijn van overeenkomstige toepassing. 8 Het plan treedt in werking met ingang van de dag volgende op die waarop het overeenkomstig het zevende lid ter inzage is gelegd. 2005 705 27-12-2005 14-12-2005 30134 2005 705 27-12-2005 14-12-2005 30134 28-12-2005
Artikel 2b — Artikel 2b#
Artikel 2b 1 Artikel 2a, eerste lid Een planologische kernbeslissing kan geheel of gedeeltelijk worden herzien of ingetrokken., is van overeenkomstige toepassing. 2 artikel 2a, eerste lid Uiterlijk één jaar voor de geldingsduur van een plan verstrijkt, delen Onze in, bedoelde Ministers aan de Staten-Generaal mede of en in hoeverre zij voornemens zijn toepassing te geven aan het bepaalde in het eerste lid. Afschrift van deze mededeling zendt Onze Minister aan de VROM-raad. 3 artikel 2a, eerste lid artikel 2a, tweede, derde of vierde lid Bij de mededeling aan de Staten-Generaal van het voornemen tot herziening of intrekking doen Onze in, bedoelde Ministers de Staten-Generaal weten of en in hoeverre zij bij de herziening of intrekking toepassing zullen geven aan het bepaalde in. 4 Voor zover de herziening of intrekking een concrete beleidsbeslissing betreft is het derde lid niet van toepassing. 5 artikel 2a, vijfde tot en met achtste lid Ten aanzien van een herziening of intrekking is, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat, indien het ontwerp van een besluit tot herziening of intrekking niet ter inzage is gelegd, de toezending van dat besluit aan Staten-Generaal onverwijld na vaststelling door de Ministerraad geschiedt. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 2c — Artikel 2c#
Artikel 2c artikelen 2a 2b Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent het bepaalde in deen. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 Maatregelen en plannen, die van betekenis zijn voor het Regeringsbeleid inzake de ruimtelijke ordening, komen tot stand door tussenkomst van de Rijksplanologische Commissie. 2 Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur al dan niet onder het stellen van voorwaarden, afwijking van het eerste lid toestaan. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 3a — Artikel 3a#
Artikel 3a Staatsblad De in deze wet voorziene algemene maatregelen van bestuur treden niet eerder in werking dan twee maanden na de dagtekening van het, waarin de desbetreffende besluiten zijn geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld aan de Staten-Generaal mededeling gedaan. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 Gedeputeerde staten verrichten het nodige ter voorbereiding van de bepaling van het provinciale beleid inzake de ruimtelijke ordening. Over maatregelen en plannen, die van betekenis zijn voor dit beleid, horen zij vooraf de provinciale planologische commissie. 2 Jaarlijks doen gedeputeerde staten aan provinciale staten een verslag toekomen van het door hen gevoerde beleid inzake de ruimtelijke ordening. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 4a — Artikel 4a#
Artikel 4a 1 hoofdstukken IV IVA van deze wet artikel 37, vijfde lid Provinciale staten kunnen voor één of meer gedeelten of voor het gehele gebied der provincie een streekplan vaststellen, waarin de toekomstige ontwikkeling van het in het plan begrepen gebied in hoofdlijnen wordt aangegeven, alsmede een vastgesteld streekplan herzien. Indien een onderdeel van een zodanig plan een concrete beleidsbeslissing is, wordt die beslissing bij de uitwerking of afwijking bedoeld in het tiende lid of bij de vaststelling van gemeentelijke of regionale plannen als bedoeld in deofin acht genomen. Provinciale staten geven bij het plan aan in hoeverre het voorgenomen beleid is afgestemd op, dan wel leidt tot aanpassing van het provinciale milieubeleid, het provinciale waterhuishoudingsbeleid of het provinciale verkeers- en vervoersbeleid en in hoeverre en binnen welke termijn zij voornemens zijn het geldende provinciale milieubeleidsplan, het geldende provinciale waterhuishoudingsplan of het geldende provinciale verkeers- en vervoersplan te herzien. Een streekplan strekt tot grondslag aan aanwijzingen als bedoeld in. 2 Gedeputeerde staten zijn met de voorbereiding belast. Hierbij horen zij de provinciale planologische commissie. 3 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Op de voorbereiding van het streekplan isvan toepassing, met dien verstande dat: a. de terinzagelegging tevens geschiedt ter secretarie van de gemeenten op wier gebied het plan betrekking heeft; b. artikel 3:12 van die wet aantevens toepassing wordt gegeven door burgemeester en wethouders van elke gemeente op wier gebied het plan betrekking heeft; c. zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder. 4 Binnen vier maanden na afloop van de in het derde lid genoemde termijn stellen provinciale staten het streekplan vast. Zij kunnen hun beslissing éénmaal voor ten hoogste acht weken verdagen. Voor zover bij de vaststelling van het plan wijzigingen worden aangebracht ten opzichte van het ontwerp en de gewijzigde vaststelling een concrete beleidsbeslissing betreft, wordt Onze Minister tevoren in de gelegenheid gesteld alsnog daarover zienswijzen naar voren te brengen. 5 Voor zover het ontwerp van een streekplan zijn grondslag vindt in een in een planologische kernbeslissing opgenomen concrete beleidsbeslissing is het derde lid, onder c niet van toepassing. 6 artikel 4b, eerste lid artikelen 3:11, eerste, tweede en derde lid 3:12, eerste lid, en derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht Behoudens indien toepassing kan worden gegeven aan, wordt het besluit tot vaststelling van het streekplan binnen twee weken na de dagtekening daarvan bekendgemaakt door dit besluit samen met het vastgestelde streekplan voor een ieder ter inzage te leggen op het provinciehuis en ter secretarie van de gemeenten op wier gebied het betrekking heeft. De, enalsmede het derde lid, onderdeel b, zijn van overeenkomstige toepassing. 7 Besluiten tot vaststelling van een streekplan worden terstond na dagtekening aan Onze Minister medegedeeld door toezending van een afschrift. Indien in het streekplan een concrete beleidsbeslissing is opgenomen gaat het afschrift vergezeld van een exemplaar van het streekplan. 8 Bij een streekplan wordt bepaald, in hoeverre gedeputeerde staten volgens bij het plan aan te geven regelen het plan moeten uitwerken en binnen bij het plan te bepalen grenzen van het plan mogen afwijken. De uitwerking of afwijking kan geen concrete beleidsbeslissing inhouden. 9 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de voorbereiding, vormgeving en inrichting van streekplannen. 2005 705 27-12-2005 14-12-2005 30134 2005 705 27-12-2005 14-12-2005 30134 28-12-2005
Artikel 4b — Artikel 4b#
Artikel 4b 1 artikel 6 Voor zover in het streekplan een concrete beleidsbeslissing is opgenomen kan Onze Minister binnen vier weken na de toezending van het afschrift van het besluit tot vaststelling van het streekplan provinciale staten schriftelijk mededelen dat hij overweegt ten aanzien van die concrete beleidsbeslissing toepassing te geven aan. 2 artikel 4a, derde of vierde lid Onze Minister geeft slechts toepassing aan het eerste lid, indien hij op grond van, zienswijzen over die concrete beleidsbeslissing naar voren heeft gebracht wegens kennelijke strijd met het nationaal ruimtelijk beleid. 3 3:11, eerste, tweede en derde lid 3:12, eerste en derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht artikel 4a, derde lid, onderdeel b Indien Onze Minister geen toepassing geeft aan het eerste lid, wordt het besluit tot vaststelling van het streekplan met ingang van de zesde week na de dagtekening daarvan bekendgemaakt door dit besluit samen met het vastgestelde streekplan voor een ieder ter inzage te leggen op het provinciehuis en ter secretarie van de gemeenten op wier gebied het betrekking heeft. De artikelen, enalsmede, zijn van overeenkomstige toepassing. 4 Indien Onze Minister toepassing geeft aan het eerste lid, zendt hij gelijktijdig een afschrift van zijn mededeling aan de Rijksplanologische Commissie, aan gedeputeerde staten en aan de inspecteur. 5 artikel 6 Binnen twaalf weken na dagtekening van de in het eerste lid bedoelde mededeling beslist Onze Minister omtrent toepassing van. 6 Onze Minister maakt zijn besluit binnen een week na dagtekening daarvan bekend aan provinciale staten. Indien Onze Minister niet heeft beslist binnen de in het vijfde lid bedoelde termijn, wordt het besluit van Onze Minister vervangen door een schriftelijke mededeling van dat feit. 7 Het besluit van Onze Minister of de mededeling, bedoeld in het zesde lid, wordt met het vaststellingsbesluit van provinciale staten en het vastgestelde streekplan door gedeputeerde staten bekendgemaakt door terinzagelegging voor een ieder op het provinciehuis en ter secretarie van de gemeenten op wier gebied het betrekking heeft. 8 artikel 6 Indien het besluit van Onze Minister strekt tot toepassing vanblijft voor wat betreft het daarbij aangegeven gebied, het besluit van provinciale staten tot vaststelling van het streekplan buiten werking. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 artikel 6 Een streekplan wordt, behoudens door Onze Minister voor ten hoogste tien jaren verleende vrijstelling en onverminderd het bepaalde bij, ten minste eenmaal in de tien jaren herzien. 2 artikelen 4a 4b Ten aanzien van de herziening en de intrekking van een streekplan zijn deenvan overeenkomstige toepassing. 1999 302 20-07-1999 01-07-1999 25311 2000 7 13-01-2000 24-12-1999 03-04-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 Onze Minister kan na overleg met gedeputeerde staten, de Rijksplanologische Commissie gehoord, de provinciale staten verplichten binnen een door hem te bepalen termijn een streekplan vast te stellen of te herzien. 2 Bij toepassing van het eerste lid kan Onze Minister na overleg met gedeputeerde staten, de Rijksplanologische Commissie gehoord, voor zover een juiste uitvoering van het Regeringsbeleid de totstandkoming of herziening van planologische maatregelen vordert, aan de provinciale staten aanwijzingen geven omtrent de inhoud van een streekplan. 3 Staatscourant Van zijn besluit, bedoeld in het eerste lid en van aanwijzingen, als bedoeld in het tweede lid, zendt Onze Minister behalve aan het provinciaal bestuur afschriften aan de Rijksplanologische Commissie en aan de inspecteur. Van de dag der verzending van de afschriften af liggen aanwijzingen, als bedoeld in het tweede lid op door Onze Minister te bepalen plaatsen ter inzage. De nederlegging wordt tevoren door de zorg van Onze Minister in deen daarvoor in aanmerking komende dag- of nieuwsbladen bekendgemaakt. 4 Provinciale staten zijn verplicht, bij de herziening van een streekplan dit plan in overeenstemming te brengen met de in het tweede lid bedoelde aanwijzingen. Voor zover deze aanwijzingen betrekking hebben op een gebied waarvoor geen streekplan is vastgesteld, bestaat een overeenkomstige verplichting zodra provinciale staten tot vaststelling van een streekplan overgaan. 5 Een ieder die bedenkingen heeft tegen een besluit als bedoeld in het eerste lid en aanwijzingen als bedoeld in het tweede lid, kan deze als onderdeel van zijn zienswijze over het ontwerp voor het streekplan, dat strekt ter uitvoering van dat besluit en die aanwijzingen, naar voren brengen. 6 artikel 4a, derde lid Indien provinciale staten niet voldoen aan een verplichting, als bedoeld in het eerste en vierde lid, gaat Onze Minister op kosten van de provincie over tot het vaststellen of herzien van een streekplan. In dit geval is, van toepassing, met dien verstande dat Onze Minister in de plaats treedt van provinciale staten en gedeputeerde staten. 7 Een streekplan dat ingevolge het zesde lid is tot stand gekomen of herzien, wordt geacht te zijn vastgesteld door provinciale staten. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 6a — Artikel 6a#
Artikel 6a Vervallen 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 De gemeenteraad kan voor het grondgebied van de gemeente een structuurplan vaststellen, waarin de toekomstige ontwikkeling van de gemeente wordt aangegeven. 2 De gemeenteraad kan in samenwerking met de raden van aangrenzende gemeenten voor het gebied van de betrokken gemeenten een structuurplan vaststellen, waarin de toekomstige ontwikkeling van die gemeenten wordt aangegeven. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Op de voorbereiding van het structuurplan isvan toepassing, met dien verstande dat: a. artikel 3:12 van die wet burgemeester en wethouders de kennisgeving, bedoeld in, tevens in de Staatscourant plaatsen; b. zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 artikelen 3:11, eerste, tweede en derde lid 3:12, eerste en tweede lid, en derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht artikel 8, onderdeel a De vaststelling van het structuurplan wordt bekendgemaakt door het besluit tot vaststelling samen met het structuurplan voor een ieder ter inzage te leggen ter gemeentesecretarie. De, enalsmede, zijn van overeenkomstige toepassing. Tegelijkertijd met de bekendmaking wordt van het structuurplan mededeling gedaan aan gedeputeerde staten en aan de inspecteur. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 Voor het gebied van de gemeente, dat niet tot een bebouwde kom behoort, stelt de gemeenteraad een bestemmingsplan vast, waarbij, voor zover dit ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening nodig is, de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en zo nodig, in verband met de bestemming, voorschriften worden gegeven omtrent het gebruik van de in het plan begrepen grond en de zich daarop bevindende opstallen. Deze voorschriften mogen slechts om dringende redenen een beperking van het meest doelmatige gebruik inhouden en mogen geen eisen bevatten met betrekking tot de structuur van agrarische bedrijven. Onder grond wordt water mede begrepen. 2 Voor het gebied van de gemeente, dat tot een bebouwde kom behoort, of voor een gedeelte daarvan, kan de gemeenteraad een bestemmingsplan, als in het vorige lid bedoeld, vaststellen. 3 Gedeputeerde staten kunnen voor een door hen te bepalen termijn van de in het eerste lid bedoelde verplichting ontheffing verlenen. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald, dat, tenzij de gemeenteraad zich daarbij een van deze bevoegdheden zelf heeft voorbehouden, burgemeester en wethouders volgens bij het plan te geven regelen het plan moeten uitwerken of binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen. De wijzigingsbevoegdheid kan mede een uitwerkingsplicht inhouden. Bij het plan wordt geregeld op welke wijze belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijzen omtrent de uitwerking of wijziging naar voren te brengen. 2 De besluiten van burgemeester en wethouders of, in voorkomend geval van de gemeenteraad, behoeven de goedkeuring van gedeputeerde staten. Met het besluit ontvangen gedeputeerde staten de bij burgemeester en wethouders, of in voorkomend geval de raad, ingebrachte zienswijzen. 3 artikel 10:31, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht Het besluit omtrent goedkeuring wordt binnen acht weken na de verzending ter goedkeuring aan de gemeenteraad bekendgemaakt. In afwijking vankan het nemen van het besluit omtrent goedkeuring eenmaal voor ten hoogste vier weken worden verdaagd. 4 De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening. 5 Artikel 23, eerste lid, onder a Het besluit van gedeputeerde staten wordt door burgemeester en wethouders bekendgemaakt door de terinzagelegging daarvan met het uitwerkings- of wijzigingsplan en het desbetreffende bestemmingsplan ter gemeentesecretarie voor een ieder., is van overeenkomstige toepassing. 6 Uitwerkingen en wijzigingen als in dit artikel bedoeld worden geacht van het plan deel uit te maken, met dien verstande, dat zij, zolang en voor zover de bestemming nog niet verwerkelijkt is, kunnen worden herzien op dezelfde wijze, als waarop zij tot stand zijn gebracht. 7 Artikel 23, eerste lid, onder a In afwijking van het tweede lid behoeven de besluiten van burgemeester en wethouders of, in voorkomend geval, de gemeenteraad tot uitwerking of tot wijziging van het bestemmingsplan geen goedkeuring van gedeputeerde staten, voor zover deze in hun besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan zulks hebben omschreven en tegen die uitwerking of wijziging niet van zienswijzen is gebleken. Zodanig besluit van burgemeester en wethouders of de raad wordt bekendgemaakt door de terinzagelegging daarvan met het uitwerkings- of wijzigingsplan en het desbetreffend bestemmingsplan ter gemeentesecretarie voor een ieder., is van overeenkomstige toepassing. Van zodanig besluit tot uitwerking of wijziging van het bestemmingsplan zenden burgemeester en wethouders onverwijld afschrift aan gedeputeerde staten. 1999 302 20-07-1999 01-07-1999 25311 2000 7 13-01-2000 24-12-1999 03-04-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 Bij een bestemmingsplan kunnen voor een daarbij te stellen termijn: a. voorlopige bestemmingen worden aangewezen; b. artikel 10 voorlopige gebruiksregelen als bedoeld inworden gegeven. 2 De gemeenteraad kan de in het eerste lid bedoelde termijn eenmaal met ten hoogste drie jaren verlengen. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 Bij een bestemmingsplan kunnen voor zover het gronden betreft, waarvan het gebruik afwijkt van het plan, een of meer onderdelen worden aangewezen, ten aanzien waarvan de verwerkelijking van het plan in de naaste toekomst nodig wordt geacht. 2 Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald, dat met de verwerkelijking van gemeentewege van één of meer onderdelen daarvan eerst na een bij het plan te bepalen tijdstip een aanvang kan worden gemaakt. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald, dat het verboden is binnen een bij het plan aan te geven gebied bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning), voor zover zulks noodzakelijk is: a. om te voorkomen, dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de daaraan bij het plan gegeven bestemming; b. ter handhaving en ter bescherming van een verwerkelijkte bestemming als bedoeld onder a. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald, dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd zijn: a. van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen; b. ten opzichte van in het plan omschreven punten nadere eisen te stellen. 2 Bij het plan kan worden bepaald, dat vrijstelling van bepaalde voorschriften slechts kan worden verleend mits vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van de vrijstelling geen bezwaar hebben. Gedeputeerde staten kunnen de verklaring weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening. 3 a Aan een vrijstelling als bedoeld ondervan het eerste lid mogen slechts voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de belangen, ten behoeve waarvan de bepalingen, waarvan vrijstelling wordt verleend, in het plan zijn opgenomen. Aan de vrijstelling kan een termijn worden verbonden, waarbinnen van de vrijstelling gebruik moet zijn gemaakt. 1999 302 20-07-1999 01-07-1999 25311 2000 7 13-01-2000 24-12-1999 03-04-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Bij een bestemmingsplan kan ten aanzien van bepaalde werken uit te voeren in bepaalde gebieden worden voorgeschreven, dat bouw- of aanlegvergunning slechts mag worden verleend mits vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van de vergunning geen bezwaar hebben. Gedeputeerde staten kunnen de verklaring weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 derde lid van artikel 15 Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan voor die termijn vrijstelling verlenen van dat plan. De termijn kan, ook na mogelijke verlenging, ten hoogste vijf jaren belopen. Hetis van overeenkomstige toepassing. 2 Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald, dat de toepasselijkheid van dit artikel is uitgesloten indien het belang ter bescherming waarvan een bepaalde bestemming in het plan is opgenomen, zich niet verdraagt met een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid. 3 Burgemeester en wethouders zenden van iedere vrijstelling onverwijld afschrift aan de inspecteur. 4 Na het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn is degeen aan wie de vrijstelling is verleend of diens rechtsopvolger verplicht de met het bestemmingsplan strijdige situatie te zijner keuze hetzij in de vorige toestand te herstellen, hetzij met het bestemmingsplan in overeenstemming te brengen. 5 artikel 25 artikel 26 De in het vierde lid genoemde verplichting wordt opgeschort, indien vóór het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn een ontwerp voor een op opheffing van bedoelde strijdigheid gerichte herziening van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd. Deze opschorting duurt totdat de termijn bedoeld inis overschreden, de termijn voor terinzagelegging, genoemd inis overschreden, dan wel omtrent goedkeuring van de herziening onherroepelijk is beslist. Ingeval van goedkeuring vervalt de verplichting. 6 Indien degeen aan wie de vrijstelling is verleend of diens rechtsopvolger in gebreke blijft aan zijn verplichting als in het vierde lid bedoeld te voldoen, schrijven burgemeester en wethouders hem onverwijld aan tot naleving van die verplichting. 7 Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur voorschriften geven, die bij het verlenen van vrijstelling ingevolge dit artikel in acht genomen moeten worden. 2003 449 18-11-2003 22-10-2003 28744 2005 81 24-02-2005 08-02-2005 25-02-2005
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 artikel 17 Burgemeester en wethouders beslissen zo spoedig mogelijk doch in elk geval binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag tot vrijstelling als bedoeld inof toepassing zal worden gegeven aan het derde lid. 2 Indien besloten wordt geen toepassing te geven aan het derde lid wordt de vrijstelling geweigerd. 3 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Op de voorbereiding van het besluit omtrent de vrijstelling isvan toepassing, met dien verstande dat: a. zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder; b. artikel 3:18, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht in afwijking van, burgemeester en wethouders beslissen binnen vier weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 18a — Artikel 18a#
Artikel 18a Vervallen 1999 302 20-07-1999 01-07-1999 25311 2000 7 13-01-2000 24-12-1999 03-04-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 De gemeenteraad kan, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders. 2 Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing. 3 derde lid van artikel 15 Burgemeester en wethouders kunnen eveneens vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen. Hetis van overeenkomstige toepassing. 4 Vrijstelling krachtens het eerste lid wordt niet verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor a. artikel 33, eerste lid het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig, is herzien of b. artikel 33, tweede lid geen vrijstelling overeenkomstig, is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd. 2005 666 22-12-2005 24-11-2005 29532 2005 667 22-12-2005 09-12-2005 01-01-2006
Artikel 19a — Artikel 19a#
Artikel 19a 1 artikel 19, eerste en tweede lid Artikel 15, derde lid Het vrijstellingsbesluit, bedoeld in, bevat een beschrijving van het betrokken project, de ruimtelijke onderbouwing en de afwegingen die aan het verlenen van vrijstelling ten grondslag liggen., is van overeenkomstige toepassing. 2 artikel 19 De gemeenteraad of in voorkomend geval burgemeester en wethouders beslissen zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag tot vrijstelling als bedoeld in, of toepassing zal worden gegeven aan het vierde lid. 3 Indien besloten wordt geen toepassing te geven aan het vierde lid wordt de vrijstelling geweigerd. 4 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Op de voorbereiding van het besluit omtrent de vrijstelling isvan toepassing, met dien verstande dat: a. zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder; b. artikel 3:18, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht in afwijking van, burgemeester en wethouders beslissen binnen vier weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken, indien geen verklaring van geen bezwaar is vereist. 5 De gemeenteraad beslist of in voorkomend geval burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na afloop van de termijn van terinzageligging omtrent het aanvragen van een verklaring van geen bezwaar. 6 Indien tot aanvraag van de verklaring van geen bezwaar wordt besloten, wordt deze binnen twee weken nadien met de aanvraag om vrijstelling en de in voorkomend geval naar voren gebrachte zienswijzen aan gedeputeerde staten gezonden. 7 artikel 19, eerste lid Alvorens het besluit omtrent de verklaring van geen bezwaar, bedoeld in, of in voorkomend geval tweede lid, te nemen, horen gedeputeerde staten de inspecteur. 8 artikel 19, eerste lid Artikel 10:31, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht Het besluit omtrent de verklaring van geen bezwaar, bedoeld in, of in voorkomend geval tweede lid, wordt binnen acht weken na ontvangst van de desbetreffende aanvraag bekendgemaakt. Van het besluit wordt onverwijld mededeling gedaan aan de inspecteur.is niet van toepassing. Gedeputeerde staten kunnen de verklaring weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening. Indien gedeputeerde staten binnen de gestelde termijn geen besluit aan de gemeenteraad, of in voorkomend geval burgemeester en wethouders hebben bekendgemaakt, wordt dit gelijkgesteld met een besluit tot weigering van de verklaring. 9 Indien de inspecteur aan gedeputeerde staten te kennen heeft gegeven dat de beoogde vrijstelling in kennelijke strijd is met het nationaal ruimtelijk beleid en gedeputeerde staten niettemin besluiten tot verlening van de verklaring van geen bezwaar, treedt het besluit van gedeputeerde staten niet in werking. Gedeputeerde staten doen hiervan mededeling bij de bekendmaking van hun besluit aan de gemeenteraad of in voorkomend geval burgemeester en wethouders, onder gelijktijdige verzending van een afschrift aan de inspecteur. 10 Onze Minister kan gedurende acht weken na verzending aan de inspecteur van de mededeling, bedoeld in het negende lid, het besluit van gedeputeerde staten vervangen door een eigen besluit inhoudende weigering van de verklaring. Alvorens te besluiten hoort hij de Rijksplanologische Commissie en gedeputeerde staten. Indien Onze Minister binnen die termijn geen besluit heeft bekendgemaakt dan wel zoveel eerder als hij heeft medegedeeld van vervanging af te zien, treedt het besluit van gedeputeerde staten in werking. Gedeputeerde staten doen daarvan mededeling aan de gemeenteraad of in voorkomend geval burgemeester en wethouders. 11 artikel 3:18, eerste en tweede lid In afwijking van, beslist de gemeenteraad of beslissen in voorkomend geval burgemeester en wethouders omtrent het verlenen van vrijstelling binnen twee weken na de inwerkingtreding van het besluit van gedeputeerde staten. Burgemeester en wethouders zenden afschrift van het besluit omtrent vrijstelling aan de inspecteur. 12 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven die in acht moeten worden genomen alvorens vrijstelling mag worden verleend. 2005 705 27-12-2005 14-12-2005 30134 2005 705 27-12-2005 14-12-2005 30134 28-12-2005
Artikel 19b — Artikel 19b#
Artikel 19b artikelen 15 17 19 Een krachtens de,ofverleende vrijstelling wordt door burgemeester en wethouders als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen, zodra die vrijstelling is verleend. Een zodanige bijlage is geen onderdeel van het bestemmingsplan. 1999 302 20-07-1999 01-07-1999 25311 2000 7 13-01-2000 24-12-1999 03-04-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 De voorschriften van het bestemmingsplan blijven buiten toepassing voor zover deze: artikel 43, eerste lid, van de Woningwet a. betrekking hebben op het bouwen waarvoor krachtens, geen bouwvergunning vereist is, of artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de Woningwet b. betrekking hebben op het gebruik van bouwwerken en standplaatsen dat voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in. 2001 518 08-11-2001 18-10-2001 26734 2002 411 08-08-2002 13-07-2002 15-08-2002
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 artikel 37, eerste of vierde lid De gemeenteraad kan verklaren, dat een bestemmingsplan wordt voorbereid (voorbereidingsbesluit). Indien, toepassing hebben gevonden, hebben Onze Minister onderscheidenlijk gedeputeerde staten gelijke bevoegdheid. 2 Bij een voorbereidingsbesluit wordt bepaald voor welk gebied het geldt en met ingang van welke dag het in werking treedt. 3 artikel 14 Bij een voorbereidingsbesluit kunnen voorschriften als bedoeld inworden gegeven voor zover zulks noodzakelijk is om te voorkomen, dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van een daaraan bij het plan te geven bestemming. 4 Een besluit als in het eerste lid bedoeld vervalt, indien niet binnen één jaar na de datum van inwerkingtreding daarvan het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd. 5 Is het voorbereidingsbesluit genomen door Onze Minister, dan kan hij de in het vierde lid genoemde termijn eenmaal met één jaar verlengen. Hetzelfde geldt voor gedeputeerde staten, indien zij het voorbereidingsbesluit hebben genomen. 6 Geldt het voorbereidingsbesluit voor een gebied dat tot een bebouwde kom behoort en ten aanzien waarvan bij een structuurplan aanwijzingen voor de bestemming zijn gegeven, dan kan in afwijking van het vierde lid bij het besluit worden bepaald, dat het besluit vervalt indien niet binnen een bij het besluit aan te geven termijn het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd. Die termijn mag op niet langer dan twee jaar gesteld worden. 1999 302 20-07-1999 01-07-1999 25311 2000 7 13-01-2000 24-12-1999 03-04-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 Artikel 3:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht Staatscourant De bekendmaking van een voorbereidingsbesluit geschiedt door terinzagelegging van dit besluit voor een ieder.is van overeenkomstige toepassing. Van het voorbereidingsbesluit wordt tevens mededeling gedaan in de. 1999 302 20-07-1999 01-07-1999 25311 2000 7 13-01-2000 24-12-1999 03-04-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Op de voorbereiding van een bestemmingsplan isvan toepassing, met dien verstande dat: a. artikel 3:12 van die wet burgemeester en wethouders de kennisgeving, bedoeld in, tevens in de Staatscourant plaatsen; b. zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder. 2 artikel 13, eerste lid Worden in het ontwerp van een bestemmingsplan ingevolge, gronden aangewezen ten aanzien waarvan de verwerkelijking van het plan in de naaste toekomst nodig wordt geacht, dan geschiedt daarvan, onverminderd het eerste lid, afzonderlijke kennisgeving aan degenen die in de basisregistratie kadaster staan vermeld als eigenaar van die gronden of rechthebbende op een beperkt recht waaraan die gronden onderworpen zijn. 2007 105 22-03-2007 05-03-2007 30544 2007 499 18-12-2007 05-12-2007 01-01-2008
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 artikel 23, eerste lid, onder b artikel 27, eerste en tweede lid Voor zover het ontwerp van een bestemmingsplan zijn grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing is, alsmede, niet van toepassing. 2005 705 27-12-2005 14-12-2005 30134 2005 705 27-12-2005 14-12-2005 30134 28-12-2005
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 artikel 3:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht Binnen acht weken of, indien over het ontwerp tijdig een zienswijze naar voren is gebracht, binnen vier maanden na afloop van de ingenoemde termijn beslist de gemeenteraad omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 Artikel 23, eerste lid, onder a Het bestemmingsplan wordt zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na de dagtekening van het raadsbesluit voor een ieder ter inzage gelegd voor de duur van zes weken., is van overeenkomstige toepassing. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 1 artikel 23 artikel 26 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Degene die tijdig zijn zienswijze bij de gemeenteraad naar voren heeft gebracht, alsmede een belanghebbende aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet overeenkomstigjunctozijn zienswijze bij de gemeenteraad naar voren heeft gebracht, kan gedurende de ingenoemde termijn van terinzageligging bij gedeputeerde staten bedenkingen inbrengen tegen het bestemmingsplan. 2 artikel 26 Voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, kan een ieder gedurende de inbedoelde termijn bij gedeputeerde staten daartegen bedenkingen inbrengen. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 1 Het bestemmingsplan behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten. Het plan wordt daartoe zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na de dagtekening van het raadsbesluit tot vaststelling, aan gedeputeerde staten verzonden. 2 artikel 27 artikel 26 Artikel 10:31, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht Indien tegen het vastgestelde plan tijdig bedenkingen zijn ingebracht krachtens, wordt het besluit omtrent goedkeuring bekendgemaakt binnen zes maanden na afloop van de termijn van terinzagelegging, bedoeld in. Alvorens het besluit te nemen, horen gedeputeerde staten de provinciale planologische commissie.is niet van toepassing. De goedkeuring kan worden onthouden indien de ingebrachte bedenkingen daartoe aanleiding geven dan wel wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening. 3 Aan het plan wordt geacht goedkeuring te zijn onthouden, indien het eerste lid, tweede volzin, niet is nageleefd en niet tijdig een besluit omtrent goedkeuring is bekendgemaakt. 4 artikel 14 Indien het besluit van gedeputeerde staten strekt tot het onthouden van goedkeuring, kunnen daarbij voorschriften als bedoeld inworden gegeven voor zover dat noodzakelijk is om te voorkomen dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van een daaraan bij het plan te geven bestemming. 5 artikel 27 artikel 10:31, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht Gelijktijdig met de bekendmaking doen gedeputeerde staten mededeling van hun besluit door toezending van een afschrift aan hen die bedenkingen hebben ingebracht krachtens, aan de provinciale planologische commissie en aan de inspecteur. Indien het derde lid dan weltoepassing heeft gevonden wordt het besluit van gedeputeerde staten vervangen door een schriftelijke mededeling van gedeputeerde staten van dat feit. 6 artikel 29, eerste lid Artikel 23, eerste lid, onder a artikel 10:31, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht Behoudens indien toepassing kan worden gegeven aan, wordt binnen twee weken na de bekendmaking van het besluit omtrent goedkeuring van gedeputeerde staten dit besluit, of zo het derde lid dan weltoepassing heeft gevonden, de schriftelijke mededeling van dat feit, met het bestemmingsplan ter gemeentesecretarie voor een ieder ter inzage gelegd voor de duur van zes weken., is van overeenkomstige toepassing. 7 Een besluit van gedeputeerde staten omtrent goedkeuring treedt in werking met ingang van de dag na die waarop de beroepstermijn afloopt. 2003 449 18-11-2003 22-10-2003 28744 2005 81 24-02-2005 08-02-2005 25-02-2005
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 1 Onze Minister kan binnen vier weken na de bekendmaking van het besluit omtrent goedkeuring van het bestemmingsplan aan gedeputeerde staten schriftelijk mededelen dat hij overweegt dat besluit voor zover in kennelijke strijd met het nationaal ruimtelijk beleid te vervangen door een eigen besluit. 2 artikel 27, eerste of tweede lid Voor zover het besluit van gedeputeerde staten strekt tot goedkeuring geeft Onze Minister slechts toepassing aan het eerste lid, indien de inspecteur op de in het eerste lid genoemde grondslag bedenkingen heeft ingebracht bij gedeputeerde staten op grond van. 3 artikel 28, vijfde lid Indien Onze Minister geen toepassing geeft aan het eerste lid wordt het besluit van gedeputeerde staten met het bestemmingsplan met ingang van de zesde week na de bekendmaking, bedoeld in, ter gemeentesecretarie voor een ieder ter inzage gelegd. 4 Indien Onze Minister toepassing geeft aan het eerste lid zenden gedeputeerde staten hem terstond hun besluit onder bijvoeging van de zich onder hen bevindende, op de zaak betrekking hebbende stukken, voor zover dit niet in strijd is met enige wettelijke bepaling tot geheimhouding. 5 Artikel 3:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid doet Onze Minister daarvan gelijktijdig mededeling door toezending van een afschrift aan de Rijksplanologische Commissie, aan de betrokken gemeente en aan de inspecteur.is van overeenkomstige toepassing. 6 Binnen twaalf weken na de dagtekening van de in het eerste lid bedoelde mededeling beslist Onze Minister omtrent vervanging van het besluit van gedeputeerde staten. Alvorens te beslissen hoort hij de Rijksplanologische Commissie, gedeputeerde staten en de betrokken gemeenteraad. 7 artikel 27, eerste of tweede lid Artikel 23, eerste lid, onder a Onze Minister maakt zijn besluit binnen twee weken na dagtekening daarvan bekend aan gedeputeerde staten. Indien Onze Minister niet heeft beslist binnen de in het zesde lid bedoelde termijn, wordt het besluit van Onze Minister vervangen door een schriftelijke mededeling van dat feit. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing. Voorts zendt Onze Minister een afschrift van zijn besluit of van de in de tweede volzin van dit lid bedoelde mededeling aan hen die bij gedeputeerde staten bedenkingen hebben ingebracht als bedoeld in. Het besluit van Onze Minister of de mededeling, bedoeld in de tweede volzin van dit lid, wordt binnen twee weken na de bekendmaking daarvan met het besluit van gedeputeerde staten en het bestemmingsplan ter gemeentesecretarie voor een ieder ter inzage gelegd voor de duur van zes weken., is van overeenkomstige toepassing. 8 Artikel 28, vierde lid Voor zover het besluit, bedoeld in het zesde lid, strekt tot vervanging, komt het besluit van Onze Minister in de plaats van het besluit van gedeputeerde staten. Onze Minister geeft zo nodig het door hem vervangen gedeelte van het besluit van gedeputeerde staten op de tot het plan behorende kaart en in de daarbij behorende voorschriften aan., is van overeenkomstige toepassing. 9 Indien het besluit, bedoeld in het zesde lid, ertoe strekt van vervanging af te zien, dan wel de in dat lid bedoelde termijn is verstreken zonder dat een besluit als bedoeld in dat lid is genomen, blijft het besluit van gedeputeerde staten gehandhaafd. 2003 449 18-11-2003 22-10-2003 28744 2005 81 24-02-2005 08-02-2005 25-02-2005
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 artikel 29, achtste lid artikel 56a, onder b of c Indien door gedeputeerde staten of, in een geval als bedoeld in, door Onze Minister goedkeuring aan een vastgesteld bestemmingsplan is onthouden, stelt de gemeenteraad binnen een jaar met ingang van de dag na die, waarop de beroepstermijn bedoeld in, afloopt of, indien binnen de beroepstermijn bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, dat verzoek is afgewezen, een nieuw plan vast, waarbij het besluit van gedeputeerde staten, dan wel van Onze Minister in acht wordt genomen. 2 artikel 29, achtste lid Gedeputeerde staten kunnen of, in een geval als bedoeld in, Onze Minister kan de termijn tot vaststelling van een nieuw plan op verzoek van burgemeester en wethouders met zes maanden verlengen of bij het besluit inzake goedkeuring die termijn door een andere vervangen, dan wel bepalen dat geen nieuw plan behoeft te worden vastgesteld. 1999 302 20-07-1999 01-07-1999 25311 2000 7 13-01-2000 24-12-1999 03-04-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 Artikel 23, eerste lid, onder a Het bestemmingsplan ligt, nadat de goedkeuring onherroepelijk is geworden, voor een ieder ter inzage ter gemeentesecretarie., is van overeenkomstige toepassing. 1999 302 20-07-1999 01-07-1999 25311 2000 7 13-01-2000 24-12-1999 03-04-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 31a — Artikel 31a#
Artikel 31a 1 artikel 28, eerste lid Indien ten behoeve van belangen, uitsluitend of mede behartigd door andere openbare lichamen dan de gemeente, op schriftelijk verzoek van die openbare lichamen, dan wel krachtens wettelijk voorschrift bepalingen in een bestemmingsplan zijn opgenomen die hogere kosten voor de gemeente ten gevolge kunnen hebben en blijkens de bij het bestemmingsplan behorende toelichting over de verdeling van deze kosten geen overeenstemming kon worden bereikt, kan de gemeenteraad binnen de termijn, bedoeld in, gedeputeerde staten verzoeken gelijktijdig met hun besluit omtrent goedkeuring van het vastgestelde plan te beslissen omtrent het opleggen van de verplichting aan die openbare lichamen de hogere kosten, welke redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de gemeente behoren te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd en evenmin krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten, geheel of gedeeltelijk aan de gemeente te vergoeden. 2 Indien ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan de hogere kosten, bedoeld in het eerste lid, in redelijkheid niet waren te voorzien kunnen gedeputeerde staten, in afwijking van het eerste lid, op een desbetreffend verzoek van de gemeente beslissen nadat het bestemmingsplan in werking is getreden. Burgemeester en wethouders vermelden in hun verzoek uitdrukkelijk waarom over de verdeling van de hogere kosten tussen de gemeente en de desbetreffende openbare lichamen geen overeenstemming kon worden bereikt. 3 In afwijking van het eerste en het tweede lid beslist Onze Minister dan wel beslissen Onze Minister en Onze Minister die het mede aangaat omtrent een verzoek als bedoeld in die leden, indien het andere openbaar lichaam het Rijk is. In een geval als bedoeld in het eerste lid beslissen Onze Minister en Onze Minister die het mede aangaat, zodra de desbetreffende bepalingen van het bestemmingsplan in werking zijn getreden. 1999 302 20-07-1999 01-07-1999 25311 2000 7 13-01-2000 24-12-1999 03-04-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 31b — Artikel 31b#
Artikel 31b 1 artikelen 17 19 40 artikel 46, tweede lid artikel 31a artikel 40 artikel 41 artikel 50, eerste lid, van de Woningwet Indien ten behoeve van belangen, uitsluitend of mede behartigd door andere openbare lichamen dan de gemeente, op schriftelijk verzoek van die openbare lichamen onherroepelijk vrijstelling is verleend als bedoeld in de,en, dan wel onherroepelijk is beslist de verlening van een bouw- of aanlegvergunning ingevolge, dan wel ingevolge, aan te houden, kunnen burgemeester en wethouders gedeputeerde staten gedurende vier weken, ingaande daags nadat de vrijstelling, dan wel het besluit tot aanhouding onherroepelijk is geworden, een verzoek doen als bedoeld in. Burgemeester en wethouders kunnen vorenbedoeld verzoek ook tot gedeputeerde staten richten binnen de in de vorige volzin bedoelde termijn wanneer ingevolgeeen vrijstelling of ingevolgeeen vergunning of andere beschikking is verleend. 2 artikel 40 artikel 41 In afwijking van het eerste lid, eerste volzin, beslist Onze Minister dan wel beslissen Onze Minister en Onze Minister die het mede aangaat omtrent het in die volzin bedoelde verzoek, indien het andere openbaar lichaam het Rijk is. In afwijking van het eerste lid, tweede volzin, beslist Onze Minister omtrent het in die volzin bedoelde verzoek, in gevaloftoepassing heeft gevonden op verzoek van Onze Minister. 1999 302 20-07-1999 01-07-1999 25311 2000 7 13-01-2000 24-12-1999 03-04-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 31c — Artikel 31c#
Artikel 31c Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 1 artikel 37, eerste en vierde lid Een structuurplan en een bestemmingsplan worden, onverminderd het bepaalde bij, tenminste eenmaal in de tien jaren herzien. 2 Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van de gemeenteraad voor ten hoogste tien jaren vrijstelling verlenen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid. 3 artikel 23, eerste lid Op de totstandkoming van het besluit tot vrijstelling is, van overeenkomstige toepassing. 2003 189 13-05-2003 03-04-2003 28651 2003 213 22-05-2003 16-05-2003 23-05-2003
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 1 artikelen 8 9 Ten aanzien van de herziening van een structuurplan zijn deenvan overeenkomstige toepassing. 2 artikelen 21-31 Ten aanzien van de herziening van een bestemmingsplan zijn devan overeenkomstige toepassing. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 artikelen 23-29 artikel 10, derde lid De gemeenteraad kan besluiten een bestemmingsplan geheel of gedeeltelijk in te trekken. Dezijn van overeenkomstige toepassing. Intrekking van een bestemmingsplan voor een gebied, dat niet tot een bebouwde kom behoort, is behoudens ingeval ontheffing is verleend ingevolge het bepaalde in, slechts mogelijk, indien voor dat gebied een ontwerp voor een nieuw bestemmingsplan ter inzage is gelegd dan wel een nieuw bestemmingsplan is vastgesteld. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften omtrent de voorbereiding, de vormgeving en de inrichting van structuurplannen en bestemmingsplannen gegeven. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 36a — Artikel 36a#
Artikel 36a In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen regionaal openbaar lichaam: een plusregio als bedoeld indie de gemeente of gemeenten Amsterdam, Arnhem en Nijmegen, Eindhoven en Helmond, Enschede en Hengelo, ’s-Gravenhage, Rotterdam of Utrecht omvat; b. samenwerkingsgebied: het grondgebied van een regionaal openbaar lichaam. 2005 666 22-12-2005 24-11-2005 29532 2005 667 22-12-2005 09-12-2005 01-01-2006
Artikel 36b — Artikel 36b#
Artikel 36b Vervallen 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 36c — Artikel 36c#
Artikel 36c 1 Hoofdstuk IV Hoofdstuk IV van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing Het algemeen bestuur van een regionaal openbaar lichaam stelt voor het samenwerkingsgebied een regionaal structuurplan vast, waarin de toekomstige ontwikkeling van dat gebied wordt aangegeven. In dat plan worden concrete beleidsbeslissingen opgenomen over de lokatie van projecten of voorzieningen van regionaal belang. Bij de vaststelling van gemeentelijke plannen als bedoeld invan deze wet enworden die beslissingen in acht genomen. 2 artikel 7, tweede lid Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, blijft voor het daarbij begrepen gebied, buiten toepassing. 1999 302 20-07-1999 01-07-1999 25311 2000 7 13-01-2000 24-12-1999 03-04-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 36d — Artikel 36d#
Artikel 36d 1 artikel 8 Op de voorbereiding van een regionaal structuurplan isvan overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het ontwerp ter inzage ligt ter secretarie van het regionaal openbaar lichaam en van de gemeenten op wier gebied het betrekking heeft en dat burgemeester en wethouders worden vervangen door het dagelijks bestuur van het regionaal openbaar lichaam. 2 Binnen acht weken of, indien over het ontwerp een zienswijze naar voren is gebracht, binnen vier maanden na afloop van de termijn voor terinzageligging van het ontwerp, stelt het algemeen bestuur van het regionaal openbaar lichaam het regionaal structuurplan vast. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 36e — Artikel 36e#
Artikel 36e 1 Het regionaal structuurplan behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten. Het plan wordt daartoe zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na de dagtekening van het besluit tot vaststelling, aan gedeputeerde staten verzonden. 2 Artikel 10:31, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht Alvorens het besluit omtrent goedkeuring te nemen horen gedeputeerde staten de provinciale planologische commissie en voorzover het regionaal structuurplan mede een beschermd stads- of dorpsgezicht omvat, de Rijksdienst voor de Monumentenzorg.is niet van toepassing. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening, wegens het belang van het aangewezen beschermde stads- of dorpsgezicht of wegens het belang van bescherming van archeologische vindplaatsen. Van het besluit wordt onverwijld mededeling gedaan door toezending van een afschrift aan Onze Minister, aan de provinciale planologische commissie en aan genoemde Rijksdienst. 2003 449 18-11-2003 22-10-2003 28744 2005 81 24-02-2005 08-02-2005 25-02-2005
Artikel 36f — Artikel 36f#
Artikel 36f artikel 36e, tweede lid artikel 4a, derde lid, onderdeel b artikelen 3:11, eerste, tweede en derde lid 3:12, eerste en tweede lid, en derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht De bekendmaking van een besluit als bedoeld in, geschiedt door het besluit tezamen met het regionaal structuurplan voor een ieder ter inzage te leggen ter secretarie van het regionaal openbaar lichaam en van de gemeenten op wier gebied het betrekking heeft. De, enalsmede, zijn van overeenkomstige toepassing. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 36g — Artikel 36g#
Artikel 36g artikel 36k Een regionaal structuurplan wordt, behoudens door gedeputeerde staten voor ten hoogste tien jaren verleende vrijstelling en onverminderd het bepaalde bij, ten minste eenmaal in de tien jaren herzien. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 36h — Artikel 36h#
Artikel 36h artikelen 36c tot en met 36f Ten aanzien van de herziening van een regionaal structuurplan zijn devan overeenkomstige toepassing. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 36i — Artikel 36i#
Artikel 36i artikelen 36c tot en met 36f Intrekking van een regionaal structuurplan of van een gedeelte daarvan is slechts mogelijk indien voor dat gebied een ontwerp voor een nieuw regionaal structuurplan ter inzage is gelegd dan wel een nieuw regionaal structuurplan is vastgesteld. Ten aanzien van de intrekking zijn devan overeenkomstige toepassing. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 36j — Artikel 36j#
Artikel 36j Bij of krachtens algemeen maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de voorbereiding, de vormgeving en inrichting van regionale structuurplannen. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 36k — Artikel 36k#
Artikel 36k 1 Onze Minister kan na overleg met het algemeen bestuur, gedeputeerde staten en de Rijksplanologische Commissie gehoord, het algemeen bestuur van een regionaal openbaar lichaam verplichten binnen een door hem te bepalen termijn een regionaal structuurplan vast te stellen of te herzien. 2 Bij toepassing van het eerste lid kan Onze Minister na overleg met het algemeen bestuur, gedeputeerde staten en de Rijksplanologische Commissie gehoord, voor zover een juiste uitvoering van het Regeringsbeleid de totstandkoming of herziening van regionale planologische maatregelen vordert, aan het algemeen bestuur aanwijzingen geven omtrent de inhoud van een regionaal structuurplan. 3 Staatscourant Van zijn besluit, bedoeld in het eerste lid en van aanwijzingen, als bedoeld in het tweede lid, zendt Onze Minister behalve aan het algemeen bestuur afschriften aan de Rijksplanologische Commissie, aan gedeputeerde staten en aan de inspecteur. Van de dag der verzending van de afschriften af liggen aanwijzingen, als bedoeld in het tweede lid op door Onze Minister te bepalen plaatsen ter inzage. De nederlegging wordt tevoren door de zorg van Onze Minister in deen daarvoor in aanmerking komende dag- of nieuwsbladen bekendgemaakt. 4 Gedeputeerde staten kunnen na overleg met het algemeen bestuur van een regionaal openbaar lichaam, de provinciale planologische commissie gehoord, dat algemeen bestuur verplichten binnen een door hen te bepalen termijn een regionaal structuurplan vast te stellen of te herzien. 5 Bij toepassing van het vierde lid kunnen gedeputeerde staten na overleg met het algemeen bestuur, de provinciale planologische commissie gehoord, voor zover bovengemeentelijke belangen dat vorderen, aanwijzingen geven omtrent de inhoud van een regionaal structuurplan. Deze aanwijzingen moeten hun grondslag vinden in of redelijkerwijs voortvloeien uit een streekplan of het provinciaal ruimtelijk beleid, voor zover dit is neergelegd in een besluit van provinciale staten, de provinciale planologische commissie gehoord. 6 Artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht Staatscourant Van hun besluit, bedoeld in het vierde lid, en van aanwijzingen als bedoeld in het vijfde lid, zenden gedeputeerde staten behalve aan het algemeen bestuur, afschriften aan de provinciale planologische commissie en aan Onze Minister. Van de dag der verzending van de afschriften af liggen aanwijzingen als bedoeld in het vijfde lid ter provinciale griffie, op de secretarie van het desbetreffende regionale openbaar lichaam en van de gemeenten op wier grondgebied het betrekking heeft ter inzage.is van overeenkomstige toepassing. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, wordt door gedeputeerde staten tevens in degeplaatst. 7 Het algemeen bestuur is verplicht bij de herziening van het regionaal structuurplan dit plan in overeenstemming te brengen met aanwijzingen als bedoeld in het tweede of vijfde lid. Voor zover die aanwijzingen betrekking hebben op een gebied, waarvoor geen regionaal structuurplan is vastgesteld, bestaat een overeenkomstige verplichting zodra het algemeen bestuur tot vaststelling van een regionaal structuurplan overgaat. 8 Een ieder die bedenkingen heeft tegen een besluit als bedoeld in het eerste of vierde lid en aanwijzingen als bedoeld in het tweede of vijfde lid, kan deze als onderdeel van zijn zienswijze over het ontwerp voor het regionaal structuurplan, dat strekt ter uitvoering van dat besluit en die aanwijzingen, naar voren brengen. 9 Indien het algemeen bestuur niet voldoet aan een verplichting, als bedoeld in het eerste of vierde lid, gaat Onze Minister onderscheidenlijk gaan gedeputeerde staten op kosten van het algemeen bestuur over tot het vaststellen of herzien van een regionaal structuurplan. Zolang de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan nog niet heeft plaatsgevonden blijft het algemeen bestuur tot de vaststelling of herziening bevoegd. 10 artikelen 36c tot en met 36f In het geval bedoeld in het negende lid zijn devan overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat Onze Minister in de plaats treedt onderscheidenlijk gedeputeerde staten in de plaats treden van het algemeen en het dagelijks bestuur van het regionaal openbaar lichaam. 11 Een regionaal structuurplan dat ingevolge het negende lid is tot stand gekomen of herzien, staat gelijk aan een door het algemeen bestuur van het regionaal openbaar lichaam vastgesteld regionaal structuurplan. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 36l — Artikel 36l#
Artikel 36l 1 Indien voor het gebied begrepen in een regionaal structuurplan een bestemmingsplan is vastgesteld en dit aan de goedkeuring van gedeputeerde staten wordt onderworpen, houden gedeputeerde staten bij hun besluit omtrent goedkeuring van dat bestemmingsplan rekening met het regionaal structuurplan. 2 Voor zover het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, in strijd is met het regionaal structuurplan, vragen gedeputeerde staten het dagelijks bestuur van het regionaal openbaar lichaam om advies. Binnen vier weken na ontvangst van de adviesaanvraag bericht het dagelijks bestuur gedeputeerde staten, dat a. het regionaal structuurplan zal worden gewijzigd en het bestemmingsplan, vooruitlopend op die wijziging kan worden goedgekeurd, of b. aan het bestemmingsplan goedkeuring moet worden onthouden wegens strijd met het regionaal structuurplan. 3 b artikel 30, eerste lid In een geval, bedoeld in het tweede lid, onder, stellen gedeputeerde staten de termijn bedoeld in, op drie maanden. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 36m — Artikel 36m#
Artikel 36m artikel 19 46 Voor zover in een gebied, begrepen in een regionaal structuurplan, toepassing wordt gegeven aanof, horen gedeputeerde staten tevens het dagelijks bestuur van het regionaal openbaar lichaam alvorens zij besluiten omtrent de verklaring van geen bezwaar. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 36n — Artikel 36n#
Artikel 36n artikel 37 Voor zover een gemeente, waarvan grondgebied begrepen is in een regionaal structuurplan, weigert een bestemmingsplan voor dat gebied in overeenstemming te brengen met dat regionaal structuurplan, ondanks een daartoe strekkend verzoek van het regionaal openbaar lichaam, kan het dagelijks bestuur van dat openbaar lichaam gedeputeerde staten verzoeken toepassing te geven aan, met dien verstande dat de aanwijzing, bedoeld in het vijfde lid van dat artikel, haar grondslag vindt in het regionaal structuurplan. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 1 Onze Minister kan na overleg met gedeputeerde staten en de gemeenteraad, de Rijksplanologische Commissie gehoord, voor zover een juiste uitvoering van het Regeringsbeleid de totstandkoming of herziening van planologische maatregelen vordert, de gemeenteraad verplichten, een bestemmingsplan vast te stellen of te herzien. 2 Bij toepassing van het eerste lid kan Onze Minister na overleg met gedeputeerde staten en de gemeenteraad, de Rijksplanologische Commissie gehoord, voorzover bovengemeentelijke belangen dat vorderen, aanwijzingen geven omtrent de inhoud van een bestemmingsplan. Hij gaat hiertoe niet eerder over dan vier weken nadat hij de Tweede Kamer der Staten-Generaal van zijn voornemen tot het geven van bedoelde aanwijzingen in kennis heeft gesteld. Het voornemen gaat vergezeld van de door gedeputeerde staten en de gemeenteraad gemaakte opmerkingen. Indien en voor zover bedoelde aanwijzingen niet gebaseerd zijn op een planologische kernbeslissing geeft Onze Minister geen uitvoering aan zijn voornemen, dan na uitdrukkelijke instemming daarmee door de Tweede Kamer. Met het voornemen wordt geacht te zijn ingestemd, indien de Tweede Kamer binnen vier weken na de inkennisstelling van het voornemen geen besluit heeft genomen omtrent de behandeling daarvan. 3 Artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht Staatscourant Zo spoedig mogelijk na de bekendmaking wordt van besluiten en aanwijzingen van Onze Minister, als bedoeld in het eerste en tweede lid, mededeling gedaan door toezending van een afschrift aan de Rijksplanologische Commissie, aan gedeputeerde staten en aan de inspecteur. Een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid wordt, tegelijkertijd met de toezending van de afschriften, op door Onze Minister te bepalen plaatsen ter inzage gelegd.is van overeenkomstige toepassing. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, wordt tevens in degeplaatst. 4 Gedeputeerde staten kunnen na overleg met de gemeenteraad, de provinciale planologische commissie gehoord, de gemeenteraad verplichten een bestemmingsplan vast te stellen of te herzien. 5 Bij toepassing van het vierde lid kunnen gedeputeerde staten na overleg met de gemeenteraad, de provinciale planologische commissie gehoord, voorzover bovengemeentelijke belangen dat vorderen, aanwijzingen geven omtrent de inhoud van een bestemmingsplan. Deze aanwijzingen moeten hun grondslag vinden in of redelijkerwijs voortvloeien uit een streekplan of het provinciaal ruimtelijk beleid, voorzover dit is neergelegd in een besluit van provinciale staten, de provinciale planologische commissie gehoord. 6 Artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht Staatscourant Zo spoedig mogelijk na de bekendmaking wordt van besluiten en aanwijzingen van gedeputeerde staten, als bedoeld in het vierde en vijfde lid, mededeling gedaan door toezending van een afschrift aan de provinciale planologische commissie en aan de inspecteur. Een aanwijzing als bedoeld in het vijfde lid wordt, tegelijkertijd met de toezending van de afschriften, op het provinciehuis en bij de desbetreffende gemeentesecretarie ter inzage gelegd.is van overeenkomstige toepassing. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, wordt tevens in degeplaatst. 7 De gemeenteraden zijn verplicht binnen een jaar na dagtekening van een besluit als bedoeld in het eerste of vierde lid, een bestemmingsplan vast te stellen of te herzien en dat in overeenstemming te brengen met aanwijzingen als bedoeld in het tweede of vijfde lid. 8 Een ieder die bedenkingen heeft tegen een besluit als bedoeld in het eerste of vierde lid en aanwijzingen als bedoeld in het tweede of vijfde lid, kan deze als onderdeel van zijn zienswijze over het ontwerp voor het bestemmingsplan, dat strekt ter uitvoering van dat besluit en die aanwijzingen, naar voren brengen. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 1 artikel 37, eerste of vierde lid Zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen zes weken na de bekendmaking van een besluit als bedoeld in, en van aanwijzingen als bedoeld in het tweede of vijfde lid, van dat artikel, besluit de gemeenteraad omtrent medewerking aan de opgedragen vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Burgemeester en wethouders maken dit besluit onverwijld bekend. 2 Indien de gemeenteraad a b c kunnen Onze Minister onderscheidenlijk gedeputeerde staten binnen een jaar na afloop van de onder,ofbedoelde termijn, met uitsluiting van de bevoegdheid ter zake van de gemeenteraad, op kosten van de gemeente overgaan tot die vaststelling of herziening. a. de termijn genoemd in het eerste lid, voor het besluit omtrent medewerking overschrijdt, b. binnen de termijn, genoemd in het eerste lid, besluit niet mee te werken aan de opgedragen vaststelling of herziening van het bestemmingsplan, of c. artikel 37, zevende lid binnen de termijn van een jaar, genoemd in, geen bestemmingsplan of herziening hiervan heeft vastgesteld in overeenstemming met de gegeven aanwijzingen, 3 artikelen 21 tot en met 26 28, zevende lid 31a Indien Onze Minister overgaat tot de vaststelling of herziening, zijn de,, envan overeenkomstige toepassing met dien verstande dat: a. Onze Minister in de plaats treedt van de gemeenteraad en van burgemeester en wethouders; b. Onze Minister, alvorens te besluiten, de Rijksplanologische Commissie hoort. 4 artikelen 21 tot en met 27 28, eerste, vierde, vijfde en zevende lid 30 31a Indien gedeputeerde staten overgaan tot de vaststelling of herziening, zijn de,,en, van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat: a. gedeputeerde staten in de plaats treden van de gemeenteraad en van burgemeester en wethouders; b. gedeputeerde staten, alvorens te besluiten, de provinciale planologische commissie horen; c. Onze Minister in de plaats treedt van gedeputeerde staten; d. Onze Minister, alvorens te besluiten, de Rijksplanologische Commissie hoort. 5 Een planologische maatregel overeenkomstig dit artikel tot stand gekomen, wordt geacht door de gemeenteraad onder goedkeuring van gedeputeerde staten te zijn vastgesteld. 6 Indien door Onze Minister of gedeputeerde staten niet binnen het jaar bedoeld in het tweede lid, het bestemmingsplan is vastgesteld of herzien, vervalt de desbetreffende aanwijzing. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 Een planologische kernbeslissing ten behoeve van een groot project van nationaal belang bevat een of meer concrete beleidsbeslissingen. Bij de nadere besluitvorming over zodanige projecten worden die beleidsbeslissingen in acht genomen. 1999 302 20-07-1999 01-07-1999 25311 2000 7 13-01-2000 24-12-1999 03-04-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 39a — Artikel 39a#
Artikel 39a 1 paragrafen 2 3 Bij de wet, in een planologische kernbeslissing of, indien spoedeisende maatschappelijke belangen dit vergen, in een besluit van Onze Ministers wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen, na overleg in de ministerraad, kan worden bepaald dat op de besluitvorming omtrent een project of een categorie van projecten van nationaal belang de procedure die is beschreven in deenvan deze afdeling, dan wel een van die paragrafen van toepassing is. Onder projecten van nationaal belang worden verstaan projecten met een bovenlokale ruimtelijke dimensie of met bovenlokale ruimtelijke effecten. Indien de grondslag wordt gevonden in de wet of een planologische kernbeslissing wordt daarbij aangegeven welke minister optreedt als projectminister. Indien de grondslag is gelegen in een besluit van Onze Ministers wie het aangaat treedt Onze minister op als projectminister tenzij bij dat besluit uitdrukkelijk een andere minister wordt aangewezen. 2 paragraaf 2 Indienvan deze afdeling van toepassing is verklaard, wordt in de wet, de planologische kernbeslissing of het besluit tevens bepaald of het rijksprojectbesluit wordt vastgesteld door Onze Ministers wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen, na overleg in de ministerraad of door Onze projectminister. 3 Een besluit van Onze Ministers wie het aangaat als bedoeld in het eerste lid, geeft een aanduiding van de betekenis en het belang van het betrokken project en bevat een globale beschrijving van de te verwachten gevolgen van het project voor het nationaal ruimtelijk beleid, van de sociaal-economische gevolgen van het project en van de gevolgen voor de andere bij het project betrokken belangen. Het besluit wordt toegezonden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Aan het besluit wordt geen uitvoering gegeven dan nadat de Tweede Kamer daarmee heeft ingestemd. Met het besluit van Onze Ministers wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen, wordt geacht te zijn ingestemd indien de Tweede Kamer binnen vier weken na de toezending van dat besluit geen besluit heeft genomen omtrent de behandeling daarvan. 4 Voorzover de uitvoering van een project waarop een wet of een besluit van Onze Ministers wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen, als bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft, in strijd zou zijn met een planologische kernbeslissing, wordt door Onze Ministers wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen, aan de Tweede Kamer mededeling gedaan van het voornemen deze planologische kernbeslissing te herzien. 2003 519 18-12-2003 20-11-2003 27178 2004 27 29-01-2004 15-01-2004 01-02-2004
Artikel 39b — Artikel 39b#
Artikel 39b Onze Ministers wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen, na overleg in de ministerraad dan wel Onze projectminister stelt een rijksprojectbesluit vast, dat ten minste een beschrijving bevat van: a. het betrokken project en de wijze waarop het zal worden uitgevoerd, b. de gevolgen van het project voor de bij het project betrokken belangen, en c. de wijze waarop de inpassing van het betrokken project zal geschieden en, waar deze in redelijkheid niet kan worden verlangd, de compenserende maatregelen, die zullen worden getroffen. 2003 519 18-12-2003 20-11-2003 27178 2004 27 29-01-2004 15-01-2004 01-02-2004
Artikel 39c — Artikel 39c#
Artikel 39c 1 artikel 7.2 artikel 7.4 van de Wet milieubeheer artikel 7.12, eerste lid artikel 7.13, eerste lid, van die wet Indien ten aanzien van het project het maken van een milieueffectrapport krachtensofverplicht is, gaat de mededeling, bedoeld in, of, vergezeld van een toelichting met betrekking tot de wijze waarop het project past binnen het in planologische kernbeslissingen vastgestelde nationale ruimtelijk beleid. Indien het project strijdig is met het vastgestelde nationale ruimtelijk beleid, dient de mededeling vergezeld te gaan van een uitgebreide motivering waarom afwijking van dit beleid gerechtvaardigd is. Voorts dient de mededeling vergezeld te gaan van een globale beschrijving van de te verwachten sociaal-economische gevolgen van het project en van de gevolgen voor de overige bij het project betrokken belangen. 2 Onze projectminister draagt ervoor zorg dat bij de publicatie van de beschrijving wordt vermeld binnen welke termijn een ontwerp van het rijksprojectbesluit ter inzage zal worden gelegd. Indien de terinzagelegging niet binnen deze termijn kan geschieden, deelt Onze projectminister dit voor het verstrijken daarvan onder vermelding van de redenen mee: a. aan beide kamers der Staten-Generaal; b. in de Staatscourant. 3 Indien ten aanzien van het project het maken van een milieueffectrapport niet verplicht is, draagt Onze projectminister ervoor zorg dat in het kader van de voorbereiding van een rijksprojectbesluit een beschrijving als bedoeld in het eerste lid wordt opgesteld. Het tweede lid is alsdan niet van toepassing. 2003 519 18-12-2003 20-11-2003 27178 2004 27 29-01-2004 15-01-2004 01-02-2004
Artikel 39d — Artikel 39d#
Artikel 39d 1 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Op de voorbereiding van het rijksprojectbesluit isvan toepassing. 2 Voor zover een ontwerp van een rijksprojectbesluit als bedoeld in het eerste lid zijn grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing, kunnen zienswijzen daarop geen betrekking hebben. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 39e — Artikel 39e#
Artikel 39e paragraaf 3 Indienvan deze afdeling op het project van toepassing is, kan desalniettemin in het rijksprojectbesluit worden bepaald dat in de verdere procedure ter realisering van het project van de toepassing van die paragraaf wordt afgezien, indien het nut van de toepassing naar het oordeel van de ministerraad of de projectminister niet opweegt tegen de daaraan verbonden bezwaren. 2003 519 18-12-2003 20-11-2003 27178 2004 27 29-01-2004 15-01-2004 01-02-2004
Artikel 39f — Artikel 39f#
Artikel 39f 1 Het rijksprojectbesluit wordt vastgesteld binnen dertien weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken. 2 De vaststelling van het rijksprojectbesluit kan eenmaal voor ten hoogste dertien weken worden verdaagd. 3 Artikel 39c, tweede lid, tweede volzin , is van overeenkomstige toepassing. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 39g — Artikel 39g#
Artikel 39g Het rijksprojectbesluit vervalt van rechtswege indien het niet binnen tien jaar na het tijdstip waarop het onherroepelijk is geworden in uitvoering is genomen. 2003 519 18-12-2003 20-11-2003 27178 2004 27 29-01-2004 15-01-2004 01-02-2004
Artikel 39h — Artikel 39h#
Artikel 39h 1 artikel 21 artikel 21, vierde tot en met zesde lid Voor het gebied dat is begrepen in een rijksprojectbesluit geldt het rijksprojectbesluit als voorbereidingsbesluit als bedoeld in. Voorzover het rijksprojectbesluit geldt als voorbereidingsbesluit, is, niet van toepassing. Het rijksprojectbesluit geldt niet meer als voorbereidingsbesluit indien voor het gebied een bestemmingsplan in overeenstemming met het rijksprojectbesluit in werking is getreden. 2 Artikel 50 van de Woningwet is niet van toepassing op aanvragen om een bouwvergunning ter uitvoering van het rijksprojectbesluit. 3 artikel 19 Voorzover het rijksprojectbesluit en het bestemmingsplan niet met elkaar in overeenstemming zijn, geldt het rijksprojectbesluit voor de uitvoering daarvan als vrijstelling, als bedoeld in. 4 artikel 14 Voorzover een bestemmingsplan of een ander besluit voor de uitvoering van werken en werkzaamheden een aanlegvergunning als bedoeld invereist, geldt zodanige eis niet voor de uitvoering van werken en werkzaamheden ter uitvoering van het rijksprojectbesluit in het gebied dat is begrepen in een rijksprojectbesluit. 5 artikel 9, derde lid, van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing Voorschriften in een leefmilieuverordening als bedoeld inblijven buiten toepassing voor de uitvoering van werken, werkzaamheden en bouwwerken en voor het gebruik van gronden en opstallen ter uitvoering van een rijksprojectbesluit, voorzover het rijksprojectbesluit en die voorschriften niet met elkaar in overeenstemming zijn. 6 De gemeenteraad is verplicht binnen een jaar nadat het rijksprojectbesluit onherroepelijk is geworden, het bestemmingsplan overeenkomstig dat rijksprojectbesluit vast te stellen of te herzien. 7 Indien het bestemmingsplan nog niet in overeenstemming is met het rijksprojectbesluit, verleent het gemeentebestuur aan degenen die inzage verlangen in dat plan tevens inzage in het rijksprojectbesluit. 2003 519 18-12-2003 20-11-2003 27178 2004 27 29-01-2004 15-01-2004 01-02-2004
Artikel 39i — Artikel 39i#
Artikel 39i 1 Indien voor de uitvoering van een project een op aanvraag te nemen besluit van een bestuursorgaan is vereist, zendt het bestuursorgaan onverwijld na de ontvangst van de aanvraag een afschrift daarvan aan Onze projectminister. 2 artikel 19 dat artikel Met betrekking tot een verzoek om vrijstelling van een geldend bestemmingsplan krachtensis een verklaring van geen bezwaar als bedoeld inniet vereist. 2003 519 18-12-2003 20-11-2003 27178 2004 27 29-01-2004 15-01-2004 01-02-2004
Artikel 39j — Artikel 39j#
Artikel 39j 1 39i, eerste lid Onze projectminister bevordert een gecoördineerde voorbereiding van de besluiten, bedoeld in artikel, en van de ambtshalve met het oog op de uitvoering van het project te nemen besluiten. 2 Onze projectminister kan van de andere betrokken bestuursorganen de medewerking vorderen die voor het welslagen van de coördinatie nodig is. Die bestuursorganen verlenen de van hen gevorderde medewerking. 3 artikel 39a paragraaf 3 Indien voor een project of categorie van projecten, bedoeld in, is bepaald dat uitsluitend de procedure vanvan deze afdeling van toepassing is, geeft Onze projectminister bij de gecoördineerde voorbereiding, bedoeld in het eerste lid, aan op welke wijze de inpassing van het betrokken project bevorderd kan worden en, waar deze in redelijkheid niet kan worden verlangd, de compenserende maatregelen die kunnen worden getroffen. 2003 519 18-12-2003 20-11-2003 27178 2004 27 29-01-2004 15-01-2004 01-02-2004
Artikel 39k — Artikel 39k#
Artikel 39k 1 artikel 39j, eerste lid afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Op de voorbereiding van de in, bedoelde besluiten isvan toepassing, met dien verstande dat: a. artikel 3:13, eerste lid, van die wet de ontwerpen van de besluiten binnen een door Onze projectminister te bepalen termijn worden toegezonden aan Onze projectminister, die zorg draagt voor de inbedoelde toezending; b. artikelen 3:11, eerste lid 3:12 van die wet Onze projectminister ten aanzien van de ontwerpen van de besluiten gezamenlijk toepassing kan geven aan de, en; c. zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder; d. artikel 3:18 van die wet in afwijking vande besluiten worden genomen binnen een door Onze projectminister te bepalen termijn; e. de besluiten onverwijld worden toegezonden aan Onze projectminister. 2 Voor zover een ontwerp van een besluit als bedoeld in het eerste lid, zijn grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing of in een projectbesluit, kunnen bedenkingen daarop geen betrekking hebben. 3 Artikel 46, eerste lid, van de Woningwet is niet van toepassing op aanvragen om een bouwvergunning ter uitvoering van het rijksprojectbesluit. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 39l — Artikel 39l#
Artikel 39l 1 artikel 39i Indien een bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is een besluit als bedoeld inte nemen, niet of niet tijdig op de aanvraag beslist dan wel een beslissing neemt die naar het oordeel van Onze Minister en van Onze projectminister wijziging behoeft kunnen Onze projectminister en Onze Minister wie het mede aangaat gezamenlijk een beslissing op de aanvraag nemen. In het laatste geval treedt hun besluit in de plaats van het besluit van het in het eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan. Indien Onze in de eerste volzin bedoelde Ministers voornemens zijn zelf een beslissing op de aanvraag te nemen, plegen zij overleg met het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is op de aanvraag te beslissen. 2 artikel 39j, eerste lid Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de in, bedoelde ambtshalve te nemen besluiten. 3 Indien bij de toepassing van het eerste lid de beslissing op een aanvraag wordt genomen door in dat lid bedoelde ministers, stort het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd was te beslissen op de aanvraag, de ter zake ontvangen leges in 's Rijks kas. 4 artikel 39i, eerste lid Ten aanzien van de in de in, bedoelde aanvragen is Onze projectminister mede bevoegd deze in te dienen bij de bevoegde bestuursorganen. 2003 519 18-12-2003 20-11-2003 27178 2004 27 29-01-2004 15-01-2004 01-02-2004
Artikel 39m — Artikel 39m#
Artikel 39m artikel 39j, eerste lid De in, bedoelde besluiten worden gelijktijdig door Onze projectminister bekendgemaakt. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 39n — Artikel 39n#
Artikel 39n paragrafen 2 3 artikel 39j, eerste lid artikelen 39k 39m Indien ten behoeve van een project deenvan deze afdeling gelijktijdig worden toegepast, zijn op de gezamenlijke voorbereiding en bekendmaking van het rijksprojectbesluit en de in, bedoelde besluiten deenvan overeenkomstige toepassing. 2003 519 18-12-2003 20-11-2003 27178 2004 27 29-01-2004 15-01-2004 01-02-2004
Artikel 39o — Artikel 39o#
Artikel 39o 1 artikel 39a paragrafen 2 3 Belemmeringenwet Privaatrecht Projecten waarop krachtensdeendan wel een van die paragrafen van toepassing zijn, worden voor de toepasssing van deaangemerkt als openbare werken van algemeen nut. 2 artikel 39j, eerste lid Belemmeringenwet Privaatrecht Indien voor de uitvoering van een of meer besluiten als bedoeld in, toepassing van denoodzakelijk is: a. artikel 2, vierde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht kan Onze Minister in afwijking van: 1°. een andere plaats of gemeente aanwijzen waar de zitting plaatsvindt; 2°. bepalen dat de zitting wordt geleid door een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aan te wijzen persoon; b. artikelen 2, vijfde lid 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht worden in afwijking van de, engedeputeerde staten niet gehoord; c. artikel 4 van de Belemmeringenwet Privaatrecht geldt in plaats vandat: 1°. artikel 2, vijfde lid artikel 3, tweede lid, van die wet tegen een besluit als bedoeld in, ofeen belanghebbende beroep kan instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; 2°. artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is; 3°. artikel 2, vijfde lid artikel 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht de werking van een besluit als bedoeld in, ofopgeschort wordt totdat de termijn voor het indienen van een beroepschrift is verstreken. 2003 519 18-12-2003 20-11-2003 27178 2004 27 29-01-2004 15-01-2004 01-02-2004
Artikel 39p — Artikel 39p#
Artikel 39p artikel 18, eerste lid, van de onteigeningswet De inbedoelde dagvaarding kan geschieden nadat het rijksprojectbesluit is vastgesteld. 2003 519 18-12-2003 20-11-2003 27178 2004 27 29-01-2004 15-01-2004 01-02-2004
Artikel 39q — Artikel 39q#
Artikel 39q 1 artikel 59, eerste lid, van de onteigeningswet Onverminderd het bepaalde inkan het vonnis van onteigening van de rechtbank niet eerder in de openbare registers worden ingeschreven dan nadat het rijksprojectbesluit onherroepelijk is geworden. 2 artikelen 54n 59 van de onteigeningswet In aanvulling op deenis ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde inschrijving een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dan wel een verklaring van de Secretaris van de Raad van State nodig, waaruit blijkt dat het rijksprojectbesluit onherroepelijk is geworden. 2003 519 18-12-2003 20-11-2003 27178 2004 27 29-01-2004 15-01-2004 01-02-2004
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 1 artikel 19 artikel 21 Gedeputeerde staten kunnen burgemeester en wethouders verzoeken ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling te verlenen van het geldende bestemmingsplan voor zover bovengemeentelijke belangen zulks vorderen, een verwezenlijking van dat project in de naaste toekomst noodzakelijk is en naar het oordeel van gedeputeerde staten of van Onze Minister de besluitvorming omtrent die verwezenlijking is vastgelopen. In dat geval isniet van toepassing. Bij hun verzoek voegen gedeputeerde staten, onder vermelding van de redenen tot het verzoek, een beschrijving van het betrokken project en geven zij aan welke consequenties het project zal hebben voor het betreffende bestemmingsplan. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent het verzoek en de daarbij behorende stukken. Het verzoek geeft aan voor welk gebied het geldt en wordt vanaf het tijdstip van ontvangst voor dit gebied gelijkgesteld met een voorbereidingsbesluit als bedoeld in. Bij hun verzoek voegen gedeputeerde staten het desbetreffend verzoek tot vrijstelling voor het betrokken project met daarbij behorende stukken. Zij doen hiervan gelijktijdig mededeling aan provinciale staten en Onze Minister door toezending van een afschrift van hun verzoek. Onze Minister heeft gelijke bevoegdheid. Hij doet gelijktijdig mededeling van zijn verzoek door toezending van een afschrift daarvan aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal en gedeputeerde staten. 2 Voor zover het verzoek van gedeputeerde staten geen grondslag vindt in of redelijkerwijs voortvloeit uit een streekplan of het provinciaal ruimtelijk beleid, voor zover dit is neergelegd in een besluit van provinciale staten, de provinciale planologische commissie gehoord, stellen gedeputeerde staten vier weken tevoren provinciale staten in kennis van hun voornemen om toepassing te geven aan het eerste lid, onder vermelding van de redenen daarvoor. Het verzoek kan binnen de in de eerste volzin genoemde termijn worden gedaan artikel 2a, achtste lid artikel 37, tweede lid Voor zover het verzoek van Onze Minister geen grondslag vindt in een plan als bedoeld in, dan wel in een aanwijzing als bedoeld in, stelt hij de Tweede Kamer vier weken tevoren in kennis van zijn voornemen om toepassing te geven aan het eerste lid, onder vermelding van de redenen daarvoor. De tweede volzin is van overeenkomstige toepassing. a. indien door of namens provinciale staten de wens te kennen wordt gegeven dat zij over het voornemen in het openbaar willen beraadslagen en die beraadslagingen binnen die termijn zijn beëindigd, dan wel b. indien binnen die termijn te kennen wordt gegeven dat van beraadslagingen wordt afgezien. 3 Zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen zes weken na ontvangst van het verzoek met de bijbehorende aanvraag besluiten burgemeester en wethouders omtrent medewerking aan het verzoek tot het verlenen van vrijstelling. 4 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Indien burgemeester en wethouders besluiten tot medewerking aan het verzoek, is op het te nemen besluit omtrent het verzoek tot verlenen van vrijstellingvan toepassing. De terinzagelegging vindt plaats binnen twee weken na dagtekening van het besluit tot medewerking aan het verzoek. 5 artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht Burgemeester en wethouders plaatsen de kennisgeving, bedoeld in, tevens in de Staatscourant. Afschrift van de kennisgeving wordt gezonden aan gedeputeerde staten en de inspecteur. Indien Onze Minister om medewerking heeft verzocht, wordt tevens een afschrift gezonden aan Onze Minister. 6 Zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder. 7 artikel 3:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht artikel 3:18, tweede lid, van die wet In afwijking vanbesluiten burgemeester en wethouders omtrent het verzoek tot het verlenen van vrijstelling binnen acht weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken. In afwijking vankunnen gedeputeerde staten of Onze Minister deze termijn op verzoek van burgemeester en wethouders eenmaal met ten hoogste acht weken verlengen. 8 Indien burgemeester en wethouders niet tijdig hebben besloten omtrent medewerking als bedoeld in het derde lid, dan wel hun medewerking weigeren of, indien de termijn voor terinzagelegging wordt overschreden, besluiten gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister omtrent het verlenen van vrijstelling. Het vierde tot en met zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing. 9 Indien burgemeester en wethouders niet binnen de in het zevende lid genoemde termijn besluiten dan wel bij hun besluit ingevolge het zevende lid geen vrijstelling verlenen, besluiten gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister omtrent het verlenen van de vrijstelling binnen vier weken na afloop van die termijn, dan wel na eerdere kennisgeving van dat besluit. Burgemeester en wethouders dragen onverwijld de desbetreffende stukken over aan gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister. 10 Tegelijkertijd met de bekendmaking van het besluit op het verzoek om vrijstelling wordt daarvan mededeling gedaan aan degenen die zienswijzen naar voren hebben gebracht, aan gedeputeerde staten en de inspecteur en, indien Onze Minister om medewerking heeft verzocht, tevens aan Onze Minister. Indien gedeputeerde staten of Onze Minister hebben besloten tot verlening van vrijstelling, handelen zij overeenkomstig, met dien verstande dat gedeputeerde staten of Onze Minister tevens mededeling doen van het besluit door toezending van een afschrift aan burgemeester en wethouders alsmede aan provinciale staten onderscheidenlijk de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Afschrift van het besluit ligt zo spoedig mogelijk voor een ieder ter gemeentesecretarie ter inzage. Het vijfde lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 40a — Artikel 40a#
Artikel 40a artikel 40 Indien met toepassing vanbesloten wordt tot verlening van vrijstelling, is de gemeenteraad verplicht binnen een jaar te rekenen vanaf de dagtekening van dat besluit het bestemmingsplan dienovereenkomstig vast te stellen of te herzien. Gedeputeerde staten of Onze Minister kunnen deze termijn eenmaal met ten hoogste een jaar verlengen. 1999 302 20-07-1999 01-07-1999 25311 2000 7 13-01-2000 24-12-1999 03-04-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 40b — Artikel 40b#
Artikel 40b 1 artikel 30 Artikel 38, vierde lid Indien de gemeenteraad niet voldoet aan een verplichting als bedoeld in, gaan gedeputeerde staten op kosten van de gemeente tot de vaststelling of herziening van het bestemmingsplan over. Zolang de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan nog niet heeft plaatsgevonden blijft de gemeenteraad tot de vaststelling of herziening bevoegd., is van toepassing; het vijfde lid van dat artikel is van overeenkomstige toepassing. 2 artikel 40a Artikel 38, vierde, onderscheidenlijk derde lid Indien de gemeenteraad niet voldoet aan een verplichting als bedoeld in, gaan gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister op kosten van de gemeente tot de vaststelling of herziening van het bestemmingsplan over. De tweede volzin van het eerste lid is van toepassing., is van toepassing; het vijfde lid van dat artikel is van overeenkomstige toepassing. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 1 artikel 40, eerste lid Artikel 40 Voor zover bovengemeentelijke belangen zulks vorderen, een verwezenlijking van een project in de naaste toekomst noodzakelijk is en naar het oordeel van gedeputeerde staten of van Onze Minister de besluitvorming omtrent die verwezenlijking is vastgelopen, kunnen gedeputeerde staten of Onze Minister aan het daartoe bevoegde orgaan van een gemeente, een waterschap, een provincie of enig ander publiekrechtelijk lichaam verzoeken enige andere beschikking dan bedoeld in, inzake toestemming ten behoeve van het verwezenlijken van dat project te geven.is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: a. indien de desbetreffende beschikking bij of krachtens een wet is vereist en Onze Minister het verzoek heeft gedaan, ten aanzien van de betrokken beschikking overigens Onze Minister die de verantwoordelijkheid of de eerste verantwoordelijkheid heeft voor de uitvoering van de desbetreffende wet, in de plaats treedt van Onze Minister, b. artikel 40 de invoorgeschreven procedure, met inbegrip van de daarbij aangegeven termijnen, in de plaats treedt van de bij de desbetreffende regeling voorgeschreven procedure voor het tot stand brengen van die beschikking, c. ten aanzien van de inhoud van de beschikking in acht genomen wordt hetgeen daarover bij of krachtens de wet is bepaald; bepalingen, die - al dan niet krachtens de wet - bij of krachtens een regeling van een provincie, gemeente of waterschap daaromtrent zijn vastgesteld, kunnen om dringende redenen buiten toepassing worden gelaten, voor zover het toepassen daarvan een onevenredige belemmering met zich zou brengen voor de verwezenlijking van het project. 2 artikel 40, eerste lid artikel 40 Indien ten behoeve van een zelfde project een of meer beschikkingen vereist zijn, als bedoeld in, of in het eerste lid van dit artikel, worden de aanvragen om de betrokken beschikkingen te zamen, overeenkomstig de invoorgeschreven procedure, behandeld. 3 artikel 40, achtste of negende lid Het bestuursorgaan dat het verzoek om medewerking aan de verwezenlijking van het betrokken project heeft gedaan, kan, indien dat met het oog op de samenhang tussen de onderscheidene beschikkingen ter verwezenlijking van het project geboden is, en, niet wordt toegepast, aan het in eerste aanleg bevoegde orgaan een bindende aanwijzing geven ter zake van de inhoud van een zodanige beschikking. Deze aanwijzing wordt niet gegeven dan na overleg met het betrokken orgaan. 4 Een aanwijzing als bedoeld in het derde lid wordt vermeld in de beschikking ter zake waarvan zij wordt gegeven. Een exemplaar ervan wordt gevoegd bij ieder exemplaar van die beschikking. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 41a — Artikel 41a#
Artikel 41a Vervallen 1999 302 20-07-1999 01-07-1999 25311 2000 7 13-01-2000 24-12-1999 03-04-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 41b — Artikel 41b#
Artikel 41b artikel 40 artikel 41 Indien, bij de toepassing vanof, de beslissing omtrent enige bestuursrechtelijke toestemming als in die artikelen bedoeld, wordt genomen door een ander bestuursorgaan dan het oorspronkelijk bevoegde bestuursorgaan, zijn de leges, die ingevolge wettelijk voorschrift verschuldigd zijn terzake van die toestemming, verschuldigd aan het bestuursorgaan dat omtrent die toestemming heeft beslist, tenzij de beslissing van dat orgaan niet afwijkt van de beslissing van het oorspronkelijk bevoegde bestuursorgaan. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 41c — Artikel 41c#
Artikel 41c 1 Bij besluit van de gemeenteraad kunnen gevallen of categorieën van gevallen worden aangewezen waarin verwezenlijking van een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk beleid het wenselijk maakt dat de voorbereiding en de bekendmaking van nader aan te duiden, op aanvraag of ambtshalve te nemen besluiten worden gecoördineerd. 2 artikelen 41d 41e Bij de gecoördineerde voorbereiding en bekendmaking, bedoeld in het eerste lid, wordt de procedure, bedoeld in deen, toegepast. 2006 37 31-01-2006 19-01-2006 29871 2006 38 31-01-2006 23-01-2006 01-02-2006
Artikel 41d — Artikel 41d#
Artikel 41d 1 artikel 41c, eerste lid In de door de gemeenteraad met toepassing van, bepaalde gevallen bevorderen burgemeester en wethouders een gecoördineerde voorbereiding van de krachtens dat lid aangeduide besluiten. Burgemeester en wethouders kunnen andere bestuursorganen verzoeken de medewerking te verlenen, die voor het welslagen van de coördinatie nodig is. Met het oog daarop zendt het bestuursorgaan dat bevoegd is op een aanvraag voor een dergelijk besluit te beslissen, hen onverwijld een afschrift van die aanvraag. 2 Ten aanzien van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, derde volzin, zijn burgemeester en wethouders mede bevoegd die in te dienen bij het bevoegde bestuursorgaan. 3 artikel 41c, eerste lid afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Op de voorbereiding van besluiten als bedoeld in, isvan toepassing, met dien verstande dat: a. artikel 3:12 van die wet de kennisgeving, bedoeld in, tevens wordt gedaan in de Staatscourant en langs elektronische weg; b. artikel 3:12 van die wet burgemeester en wethouders de kennisgevingen, bedoeld in, voor verschillende onderwerpen kunnen samenvoegen in een kennisgeving die door burgemeester en wethouders wordt gedaan; c. artikel 3:13 van die wet de ontwerpbesluiten binnen een door burgemeester en wethouders in overeenstemming met het betrokken bevoegd gezag te bepalen termijn worden toegezonden aan burgemeester en wethouders die zorg dragen voor de toezending, bedoeld in; d. zienswijzen door een ieder naar voren kunnen worden gebracht; e. artikel 3:18 van die wet in afwijking vande besluiten worden genomen binnen een door burgemeester en wethouders in overeenstemming met het betrokken bevoegd gezag te bepalen termijn; f. de besluiten onverwijld worden toegezonden aan burgemeester en wethouders; g. artikel 3:18, tweede lid, van die wet burgemeester en wethouders beslissen over de toepassing van, en h. artikel 3:44 van die wet de toezending, bedoeld in, tevens geschiedt aan burgemeester en wethouders. 2006 37 31-01-2006 19-01-2006 29871 2006 38 31-01-2006 23-01-2006 01-02-2006
Artikel 41e — Artikel 41e#
Artikel 41e artikel 41c, eerste lid Burgemeester en wethouders maken de vaststelling van de op grond van, gecoördineerde besluiten gelijktijdig bekend. Zij doen mededeling van die besluiten in de Staatscourant en langs elektronische weg. 2006 37 31-01-2006 19-01-2006 29871 2006 38 31-01-2006 23-01-2006 01-02-2006
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 1 De gemeenteraad stelt een verordening vast waarin de voorwaarden worden vastgelegd, waaronder de gemeente medewerking zal verlenen aan de exploitatie van gronden, die in de naaste toekomst voor bebouwing in aanmerking komen (exploitatieverordening). 2 Een exploitatieverordening bevat onder meer voorschriften omtrent: a. de gevallen, waarin en de wijze waarop het treffen van voorzieningen voor doeleinden van openbaar nut afhankelijk wordt gesteld van de afstand van grond aan de gemeente; b. het aandeel van de kosten van voorzieningen van openbaar nut, dat ten laste wordt gebracht van de gronden, die door deze voorzieningen worden gebaat en de wijze, waarop deze kosten over de genoemde gronden worden omgeslagen. 3 Gedeputeerde staten kunnen van de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieverordening op verzoek vrijstelling verlenen. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 1 De aanlegvergunning mag alleen en moet worden geweigerd, indien: a. het werk of de werkzaamheid in strijd zou zijn met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen; b. Monumentenwet 1988 voor het werk of de werkzaamheid een vergunning ingevolge deof een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend. 2 Aan een vergunning mogen slechts voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de belangen ten behoeve waarvan de bepalingen strekken krachtens welke de vergunning wordt verleend en waaraan het werk of de werkzaamheid, waarop de aanvraag betrekking heeft, moet voldoen. 3 Monumentenwet 1988 Indien de vergunning betrekking heeft op een werk of werkzaamheid in een gebied dat behoort tot een beschermd stads- of dorpsgezicht in de zin van dezenden burgemeester en wethouders terstond na de bekendmaking een afschrift van hun besluit aan de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. 4 De vergunning treedt in werking met ingang van de zevende week na de dag waarop zij is verleend. 1999 302 20-07-1999 01-07-1999 25311 2000 7 13-01-2000 24-12-1999 03-04-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 1 Indien het werk of de werkzaamheid slechts toelaatbaar is ingevolge een voorlopige bestemming of een voorlopige gebruiksregel, stellen burgemeester en wethouders overeenkomstig hetgeen bij het bestemmingsplan omtrent de duur van de bestemming is bepaald, in de vergunning een termijn na het verstrijken waarvan het werk of de werkzaamheid moet worden verwijderd of beëindigd of op andere wijze met het bestemmingsplan in overeenstemming moet worden gebracht. De termijn kan worden verlengd, indien en voor zover de duur van de voorlopige bestemming is verlengd. 2 Indien de termijn is verstreken is de rechthebbende verplicht binnen twaalf weken na aanzegging van burgemeester en wethouders te zijner keuze het werk of de werkzaamheden te verwijderen of te beëindigen of in overeenstemming te brengen met het bestemmingsplan. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 1 Burgemeester en wethouders beslissen omtrent een aanvraag om aanlegvergunning binnen vier weken na de dag, waarop de aanvraag ontvangen is. 2 In afwijking van het eerste lid houden burgemeester en wethouders de beslissing aan, indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en voor het gebied, waarin het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd, voordat de aanvraag is ingekomen een voorbereidingsbesluit in werking is getreden, een ontwerp-bestemmingsplan of het ontwerp voor een herziening daarvan ter inzage is gelegd, dan wel een bestemmingsplan of een herziening daarvan is vastgesteld, dan wel een bestemmingsplan of een herziening daarvan na vaststelling ter inzage is gelegd. 3 artikel 21 artikel 25 artikel 26 artikel 30 De aanhouding duurt totdat het voorbereidingsbesluit overeenkomstigis vervallen, de termijn, genoemd in, is overschreden, de termijn voor terinzagelegging, genoemd in, is overschreden, de termijn, genoemd in, is overschreden, dan wel het bestemmingsplan of de herziening daarvan in werking is getreden. 4 Monumentenwet 1988 In afwijking van het eerste lid houden burgemeester en wethouders de beslissing omtrent een aanvraag om vergunning eveneens aan indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en de aanvraag van de vergunning een werk of werkzaamheid betreft in een gebied, behorend tot een beschermd stads- of dorpsgezicht in de zin van de, waarvoor nog geen ter bescherming daarvan strekkend bestemmingsplan geldt. 5 artikel 36 van de Monumentenwet 1988 De aanhouding, bedoeld in het vierde lid, duurt totdat een ter voldoening aanvast te stellen of te herzien bestemmingsplan in werking is getreden. 6 In afwijking van het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders de aanlegvergunning verlenen indien het werk of de werkzaamheid niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan dan wel met het provinciaal en nationaal ruimtelijk beleid. 7 Artikel 19a, eerste, vierde tot en met elfde lid In afwijking van het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders de aanlegvergunning eveneens verlenen indien het werk of de werkzaamheid in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan, mits het werk of de werkzaamheid is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vergunning geen bezwaar hebben., is van overeenkomstige toepassing. 8 In afwijking van het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders de aanlegvergunning eveneens verlenen indien het werk of de werkzaamheid in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan en het betreft: a. artikel 17 een werk of werkzaamheid ten aanzien waarvanwordt toegepast; b. artikel 19, tweede of derde lid een geval als bedoeld in. 9 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht Op de voorbereiding van het besluit tot vergunningverlening, bedoeld in het achtste lid, isvan toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.is niet van toepassing. 10 Onverminderd het zesde en zevende lid, kunnen burgemeester en wethouders, in afwijking van het vierde lid, de aanlegvergunning verlenen indien het werk of de werkzaamheid niet strijdt met het in voorbereiding zijnde ter bescherming van het beschermde stads- of dorpsgezicht, alsmede van beschermd landschap, natuurgebied, rijksbufferzone en archeologische vindplaats strekkende bestemmingsplan en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van de vergunning geen bezwaar hebben. 11 Artikel 19a, achtste lid, eerste volzin Artikel 10:31, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht De in het zevende en tiende lid bedoelde verklaringen worden gelijktijdig bekendgemaakt., is alsdan niet van toepassing. Alvorens het besluit omtrent de in het tiende lid bedoelde verklaring te nemen, horen gedeputeerde staten de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Van het besluit wordt onverwijld mededeling gedaan aan genoemde dienst.is niet van toepassing. Gedeputeerde staten kunnen een verklaring weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 Burgemeester en wethouders kunnen een aanlegvergunning intrekken: a. indien blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; b. indien binnen een in de vergunning te bepalen termijn na de dagtekening van de vergunning geen begin met de werkzaamheden is gemaakt; c. indien de werkzaamheden langer dan een in de vergunning te bepalen termijn zijn gestaakt. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 48a — Artikel 48a#
Artikel 48a 1 Voorzover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een onherroepelijk rijksprojectbesluit schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, en ten aanzien waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of op andere wijze is verzekerd, kent Onze projectminister hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. 2 Artikel 49 blijft buiten toepassing voor zover de belanghebbende met betrekking tot de schade een beroep doet of kan doen op een schadevergoeding als bedoeld in het eerste lid. 3 Onze projectminister kan nadere regels geven omtrent de indiening en afhandeling van een verzoek om schadevergoeding. 2005 557 10-11-2005 20-10-2005 29859 2005 601 29-11-2005 15-11-2005 30-11-2005
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 1 Voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van: schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd kennen burgemeester en wethouders hem op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. a. de bepalingen van een bestemmingsplan, b. artikelen 17 19 het besluit omtrent vrijstelling, als bedoeld in deof, c. artikel 40 artikel 41 het besluit tot het verlenen van vrijstelling ingevolge, of van een vergunning of andere beschikking ingevolge, d. artikel 50, eerste lid, van de Woningwet artikel 46, tweede lid de aanhouding van het besluit omtrent het verlenen van een bouw- of aanlegvergunning ingevolgedan wel ingevolge, e. artikel 37, tweede of vijfde lid aanwijzingen als bedoeld in, f. artikel 66 het koninklijk besluit als bedoeld in, 2 Een aanvraag om vergoeding van schade als bedoeld in het eerste lid, onder a, b, c, of f, moet worden ingediend binnen vijf jaar nadat de desbetreffende bepaling van het bestemmingsplan onderscheidenlijk het desbetreffende besluit onherroepelijk is geworden. Ingeval van schade ten gevolge van een aanhouding bedoeld onder d of van een aanwijzing onder e, kan de aanvraag om schadevergoeding eerst worden ingediend na de terinzagelegging van het vastgestelde bestemmingsplan, doch niet later dan vijf jaar nadat dat bestemmingsplan onherroepelijk is geworden. 3 Van de aanvrager heffen burgemeester en wethouders een recht ten bedrage van € 300, welk bedrag bij verordening van de gemeenteraad met ten hoogste twee derde deel kan worden verhoogd of verlaagd. Zij wijzen hem op de verschuldigdheid van het recht en delen hem mede dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling op de rekening van de gemeente dan wel op een aangegeven plaats moet zijn gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort verklaren zij de aanvrager niet ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat aanvrager in verzuim is geweest. Indien op de aanvraag geheel of gedeeltelijk positief wordt beslist, storten burgemeester en wethouders het betaalde recht terug. 4 Het in het derde lid genoemde bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd voor zover het prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie daartoe aanleiding geeft. 2005 305 21-06-2005 08-06-2005 29490 2005 305 21-06-2005 08-06-2005 29490 01-09-2005 Dit artikel, zoals het luidde voor het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet, blijft van toepassing op aanvragen om
vergoeding van schade die voor dat tijdstip zijn ingediend (Stb.
2005, 305).
Artikel 49a — Artikel 49a#
Artikel 49a 1 artikel 49 artikel 31a 31b Voor zover schade die op grond vanvoor vergoeding in aanmerking zou komen, haar grondslag vindt in een besluit op een verzoek om ten behoeve van de verwezenlijking van een project bepalingen in een bestemmingsplan op te nemen of te wijzigen dan wel om vrijstelling te verlenen, anders dan bedoeld inof, kunnen burgemeester en wethouders met de verzoeker overeenkomen dat die schade geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening komt. 2 artikel 49 De verzoeker die een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid heeft gesloten, is belanghebbende bij een besluit van burgemeester en wethouders op een aanvraag om schadevergoeding op grond vanterzake van de wijziging van het bestemmingsplan dan wel de verlening van de vrijstelling waarom hij heeft verzocht. 2005 305 21-06-2005 08-06-2005 29490 2005 305 21-06-2005 08-06-2005 29490 22-06-2005 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16, eerste lid, van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 50a — Artikel 50a#
Artikel 50a 1 Onze Minister kan ter uitvoering van het nationaal ruimtelijk beleid, zoals verwoord in de Planologische Kernbeslissing Nationaal Ruimtelijk Beleid, subsidies verstrekken ten behoeve van: a. hoofdstuk IVA de ontwikkeling of herziening van ruimtelijke plannen van provincies, samenwerkingsgebieden als bedoeld inof gemeenten; b. de voorbereiding van projecten of activiteiten die voor de uitvoering van het nationaal ruimtelijk beleid van strategisch belang zijn; c. de realisering van projecten of activiteiten die voor de uitvoering van het nationaal ruimtelijk beleid van strategisch belang zijn. 2 Onze Minister kan tevens subsidies verstrekken ten behoeve van activiteiten ter uitvoering van het nationaal ruimtelijk beleid, zoals verwoord in een andere planologische kernbeslissing dan genoemd in het eerste lid, indien bij algemene maatregel van bestuur zodanige planologische kernbeslissing alsmede de activiteiten waarvoor een subsidie kan worden verstrekt, zijn aangewezen. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 50b — Artikel 50b#
Artikel 50b Vervallen 1999 302 20-07-1999 01-07-1999 25311 2000 7 13-01-2000 24-12-1999 03-04-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 50c — Artikel 50c#
Artikel 50c 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven met betrekking tot de wijze van verdeling van de subsidiegelden. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven met betrekking tot: a. de vaststelling van een subsidieplafond, het tijdvak waarvoor het subsidieplafond is vastgesteld, alsmede de wijze waarop dit bekend wordt gemaakt; b. de subsidieverlening; c. de gevallen waarin de subsidieverlening wordt geweigerd; d. de verplichtingen van de subsidie-ontvanger; e. de subsidievaststelling; f. het intrekken of het ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen zolang de subsidie niet is vastgesteld; g. de betaling van de subsidie; h. het verlenen van voorschotten en de betaling daarvan. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 1 Ten behoeve van overleg over zaken betreffende de ruimtelijke ordening is er een Rijksplanologische Commissie. De commissie heeft voorts tot taak Onze Minister en desgevraagd Onze andere Ministers van advies te dienen over zaken betreffende de ruimtelijke ordening. 2 De voorzitter van de Commissie wordt door Ons benoemd. Onze bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen Ministers benoemen de leden der commissie. Elke Minister kan zoveel leden benoemen als bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald. 3 Onze Minister voorziet in het secretariaat van de commissie. 4 Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur subcommissies instellen en bepalen, in welke gevallen het advies dier subcommissies in de plaats treedt van dat der Rijksplanologische Commissie. 5 Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere voorschriften geven omtrent de taak en de werkwijze van de commissie. 2003 449 18-11-2003 22-10-2003 28744 2005 81 24-02-2005 08-02-2005 25-02-2005
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 Vervallen 2003 449 18-11-2003 22-10-2003 28744 2005 81 24-02-2005 08-02-2005 25-02-2005
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 1 Ten behoeve van het overleg over zaken betreffende de ruimtelijke ordening is er in elke provincie een provinciale planologische commissie. Deze commissie dient voorts het provinciaal bestuur van advies over de uitvoering van de taak, die bij of krachtens deze wet aan dat bestuur is opgedragen. 2 De voorzitter, de leden en de secretaris der commissie worden door gedeputeerde staten benoemd. De inspecteur is ambtshalve lid van de commissie. 3 Wij geven bij algemene maatregel van bestuur voorschriften omtrent de samenstelling der commissies. 4 Gedeputeerde staten kunnen nadere voorschriften geven omtrent de taak en werkwijze der commissie. Zij kunnen bepalen, dat bepaalde bevoegdheden van de provinciale planologische commissie worden uitgeoefend door subcommissies. 2003 449 18-11-2003 22-10-2003 28744 2005 81 24-02-2005 08-02-2005 25-02-2005
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 1 Afdeling 7.1 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 29, zesde lid is niet van toepassing op een besluit van Onze Minister als bedoeld in. 2 Een belanghebbende kan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep instellen tegen: a. een concrete beleidsbeslissing, een herziening of een intrekking daarvan, opgenomen in een planologische kernbeslissing, een streekplan of een regionaal structuurplan; b. een besluit inzake goedkeuring van een besluit van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad tot uitwerking of tot wijziging van een bestemmingsplan; c. artikel 11, zevende lid een besluit van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad tot uitwerking of wijziging van een bestemmingsplan overeenkomstig; d. een besluit omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan of van de herziening of intrekking daarvan; e. een besluit van Onze Minister tot vervanging van het besluit van gedeputeerde staten omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan of van de herziening of intrekking daarvan; f. een besluit omtrent een verzoek tot vergoeding van hogere kosten ten gevolge van het opnemen van bepalingen in een bestemmingsplan op verzoek of krachtens wettelijke bepaling; g. een besluit omtrent een verzoek om vergoeding van hogere kosten ten gevolge van het verlenen van vrijstelling of aanhouding van bouw- of aanlegvergunning op verzoek van een ander openbaar lichaam; h. artikel 33, tweede lid een besluit van gedeputeerde staten omtrent vrijstelling als bedoeld in; i. artikel 40 een besluit tot vrijstelling als bedoeld in; j. artikel 41, eerste lid een beschikking als bedoeld in; k. een rijksprojectbesluit; l. artikel 39j, eerste lid een besluit als bedoeld in, voorzover dat besluit geen grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing of in een rijksprojectbesluit; m. artikel 41c, eerste lid besluiten als bedoeld in. 3 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beslist op: a. de beroepen, bedoeld in het tweede lid, onder d en e, binnen twaalf maanden na afloop van de beroepstermijn; b. een beroep als bedoeld in het tweede lid, onder k, binnen twaalf maanden na ontvangst van het verweerschrift, met dien verstande dat de Afdeling bestuursrechtspraak in bijzondere omstandigheden deze termijn met ten hoogste drie maanden kan verlengen; c. een beroep als bedoeld in het tweede lid, onder l en m, binnen zes maanden na ontvangst van het verweerschrift; d. op een beroep als bedoeld in het tweede lid, onder k en l, indien gelijktijdig beroep is ingesteld, binnen twaalf maanden na ontvangst van het verweerschrift, met dien verstande dat de Afdeling bestuursrechtspraak in bijzondere omstandigheden deze termijn met ten hoogste drie maanden kan verlengen. 4 artikel 13, eerste lid, onderdelen Indien het beroep een bestemmingsplan of een herziening daarvan betreft waarin ingevolgezijn aangewezen ten aanzien waarvan de verwerkelijking van het plan in de naaste toekomst nodig wordt geacht, wordt het beroep behandeld vóór andere ingestelde beroepen als bedoeld in het derde lid. 5 artikel 41 Indien tegen een beschikking als bedoeld ineen beroep anders dan ingevolge het tweede lid, onder j, openstaat, blijven de bepalingen inzake dat beroep buiten toepassing. 6 Indien tegen een rijksprojectbesluit tevens een beroep anders dan overeenkomstig het tweede lid, onder k, kan worden ingesteld, blijven de bepalingen inzake dat beroep buiten toepassing. 7 Bij het beroep tegen een rijksprojectbesluit kunnen geen gronden worden aangevoerd die betrekking hebben op de concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing, waarop dat besluit berust. 2006 37 31-01-2006 19-01-2006 29871 2006 38 31-01-2006 23-01-2006 01-02-2006
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht Voor de mogelijkheid van beroep ingevolgeworden als één besluit aangemerkt: a. artikel 15, tweede lid 16 19, eerste, of, in voorkomend geval, tweede lid 46, zevende of tiende lid een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in,,,, en het besluit waarop de verklaring betrekking heeft; b. artikel 29, zevende lid 28, tweede lid een besluit van Onze Minister als bedoeld in, en een besluit van gedeputeerde staten als bedoeld in, voor zover niet vervangen; c. artikel 40, eerste lid artikel 40, derde, achtste en negende lid een besluit omtrent een verzoek om vrijstelling als bedoeld in, en besluiten omtrent medewerking als bedoeld in, en het besluit omtrent die vrijstelling; d. artikel 40 artikel 41 een besluit tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld inen een besluit omtrent een beschikking als bedoeld in, in onderlinge samenhang genomen; e. artikel 41 de beschikkingen, bedoeld in, met betrekking tot de verwezenlijking van eenzelfde project; f. artikel 39j, eerste lid de besluiten, bedoeld in; g. paragrafen 2 3 afdeling 1a van hoofdstuk Va artikel 39j, eerste lid indien ten behoeve van een project deenvangelijktijdig zijn toegepast, de besluiten, bedoeld in, en het rijksprojectbesluit; h. artikel 41c, eerste lid de besluiten, bedoeld in, met betrekking tot de verwezenlijking van eenzelfde project. 2006 37 31-01-2006 19-01-2006 29871 2006 38 31-01-2006 23-01-2006 01-02-2006
Artikel 55a — Artikel 55a#
Artikel 55a Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 55b — Artikel 55b#
Artikel 55b Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 55c — Artikel 55c#
Artikel 55c Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 55d — Artikel 55d#
Artikel 55d Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 55e — Artikel 55e#
Artikel 55e Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 55f — Artikel 55f#
Artikel 55f Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 55g — Artikel 55g#
Artikel 55g Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 55h — Artikel 55h#
Artikel 55h Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 55i — Artikel 55i#
Artikel 55i Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 55j — Artikel 55j#
Artikel 55j Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 55k — Artikel 55k#
Artikel 55k Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 55l — Artikel 55l#
Artikel 55l Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 55m — Artikel 55m#
Artikel 55m Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 55n — Artikel 55n#
Artikel 55n Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 1 artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 54, tweede lid, onder d en e artikel 27, eerste of tweede lid Voor de toepassing vanop een beroep als bedoeld in, wordt het inbrengen van bedenkingen overeenkomstig, aangemerkt als het naar voren brengen van zienswijzen als bedoeld in. 2 artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vankan beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden ingesteld door uitsluitend: a. het algemeen bestuur van het regionaal openbaar lichaam tegen een besluit van gedeputeerde staten tot onthouding van goedkeuring aan een regionaal structuurplan of een herziening daarvan; b. artikel 41, vierde lid het in eerste aanleg bevoegde gezag tegen een besluit houdende een aanwijzing krachtens. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 56a — Artikel 56a#
Artikel 56a artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vanvangt de beroepstermijn aan: a. artikel 54, tweede lid, onder b artikel 11, vijfde lid in een geval als bedoeld in, met ingang van de dag van terinzagelegging van het besluit omtrent goedkeuring overeenkomstig; b. artikel 54, tweede lid, onder d artikel 28, zesde lid artikel 29, derde lid in een geval als bedoeld in, met ingang van de dag van terinzagelegging van het besluit omtrent goedkeuring overeenkomstigof; c. artikel 54, tweede lid, onder e artikel 29, zevende lid in een geval als bedoeld in, met ingang van de dag van terinzagelegging van het besluit van Onze Minister overeenkomstig; d. artikel 54, tweede lid, onder f artikel 28, zesde lid in een geval als bedoeld in, met ingang van de dag van terinzagelegging van het besluit van gedeputeerde staten overeenkomstig; e. artikel 56, tweede lid, onder b in een geval als bedoeld in, met ingang van de dag na die waarop de beschikking waarop de aanwijzing betrekking heeft, is gegeven; f. artikel 39j, eerste lid artikel 39j, eerste lid artikel 39j, eerste lid voor beroepen tegen een of meer concrete beleidsbeslissingen of een herziening daarvan, in een planologische kernbeslissing die de grondslag vormt voor een rijksprojectbesluit of voor een besluit als bedoeld in, met ingang van de dag waarop beroep kan worden ingesteld tegen het rijksprojectbesluit of de herziening daarvan dan wel tegen een besluit als bedoeld in, met dien verstande dat indien niet binnen een jaar na het van kracht worden van de planologische kernbeslissing of de herziening daarvan een daarop berustend rijksprojectbesluit onderscheidenlijk een besluit als bedoeld in, is bekendgemaakt, de beroepstermijn aanvangt met ingang van de dag waarop dat jaar is verstreken; g. artikel 39j, eerste lid artikel 39j, eerste lid artikel 39j, eerste lid voor een beroep tegen een rijksprojectbesluit dat de grondslag vormt voor een besluit als bedoeld in, met ingang van de dag waarop beroep kan worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in, met dien verstande dat indien niet binnen een jaar na het van kracht worden van het rijksprojectbesluit een daarop berustend besluit als bedoeld in, is bekendgemaakt, de beroepstermijn aanvangt met ingang van de dag waarop dat jaar is verstreken; dit onderdeel is niet van toepassing in gevallen als bedoeld in onderdeel f. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 56b — Artikel 56b#
Artikel 56b 1 artikel 11, zevende lid Indien gedurende de beroepstermijn met betrekking tot een besluit inzake goedkeuring van een bestemmingsplan, de uitwerking of wijziging of de herziening of intrekking daarvan of met betrekking tot een besluit tot uitwerking of wijziging als bedoeld in, bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, wordt de werking van het besluit opgeschort totdat op het verzoek is beslist. Bij toewijzing van het verzoek geeft de voorzitter aan op welke onderdelen van het plan de voorlopige voorziening betrekking heeft. 2 artikel 37 artikel 38, tweede lid, onder a, b of c artikel 37 artikel 26 van de Luchtvaartwet artikel 15 van de Tracéwet Luchtvaartwet Tracéwet Ontgrondingenwet In geval van samenloop van een aanwijzing ingevolgemet een aanwijzing ingevolgeofbegint de termijn van een jaar na afloop van de in, bedoelde termijn voor Onze Minister of voor gedeputeerde staten te lopen met ingang van de dag na die waarop de beroepstermijn voor de aanwijzing krachtens de, deof deafloopt. Indien gedurende de beroepstermijn bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, wordt de werking van de aanwijzing ingevolgeopgeschort totdat op het verzoek is beslist. 3 artikel 40 artikel 40a, eerste lid Indien tegen het besluit tot het verlenen van vrijstelling ingevolgeberoep is ingesteld en binnen de beroepstermijn bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, begint de in, bedoelde termijn te lopen zodra dat verzoek is afgewezen. 2007 256 17-07-2007 21-06-2007 30346 2008 19 24-01-2008 09-01-2008 01-02-2008
Artikel 56c — Artikel 56c#
Artikel 56c Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 56d — Artikel 56d#
Artikel 56d Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 56e — Artikel 56e#
Artikel 56e Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 56f — Artikel 56f#
Artikel 56f Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 56g — Artikel 56g#
Artikel 56g Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 56h — Artikel 56h#
Artikel 56h Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 56i — Artikel 56i#
Artikel 56i Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 56j — Artikel 56j#
Artikel 56j Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 56k — Artikel 56k#
Artikel 56k Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 56l — Artikel 56l#
Artikel 56l Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 56m — Artikel 56m#
Artikel 56m Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 56n — Artikel 56n#
Artikel 56n Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 56o — Artikel 56o#
Artikel 56o Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 1 artikel 57a Onze Minister is gemachtigd namens de Staat tot oprichting over te gaan van een stichting die tot doel heeft de taak te verrichten, bedoeld in. 2 Wijziging van de statuten van de stichting, dan wel ontbinding van de stichting behoeft de toestemming van Onze Minister. Alvorens te beslissen over de toestemming, hoort Onze Minister de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 3 De statuten van de stichting waarborgen dat de stichting haar werkzaamheden onpartijdig en onafhankelijk verricht. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 57a — Artikel 57a#
Artikel 57a De stichting heeft tot taak aan de administratieve rechter op diens verzoek deskundigenbericht uit te brengen inzake beroepen op grond van deze wet. Op verzoek van de administratieve rechter brengt de stichting tevens deskundigenbericht uit inzake beroepen op grond van andere wetten, voor zover het onderwerpen betreft die samenhangen met de ruimtelijke ordening. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 57b — Artikel 57b#
Artikel 57b De personen die deel uitmaken van de organen van de stichting, en het personeel van de stichting vervullen geen functies en betrekkingen, waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op de handhaving van de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de stichting dan wel van het vertrouwen daarin. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 57c — Artikel 57c#
Artikel 57c 1 artikel 57 Indien met toepassing vaneen stichting is opgericht, verstrekt Onze Minister aan de stichting subsidie overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorschriften, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor een goede taakuitoefening. 2 Artikel 8:36, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 Vervallen 2004 361 22-07-2004 30-06-2004 28734 2004 446 09-09-2004 24-08-2004 13-09-2004
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 Vervallen 2004 361 22-07-2004 30-06-2004 28734 2004 446 09-09-2004 24-08-2004 13-09-2004
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 Vervallen 2004 361 22-07-2004 30-06-2004 28734 2004 446 09-09-2004 24-08-2004 13-09-2004
Artikel 62 — Artikel 62#
Artikel 62 Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 63 — Artikel 63#
Artikel 63 artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering artikelen 179 tot en met 182 184 van het Wetboek van Strafrecht De inspecteur alsmede de door de commissaris van de Koning en de burgemeester aangewezen ambtenaren zijn, onverminderd, belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in deen, voorzover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf. 2003 449 18-11-2003 22-10-2003 28744 2005 81 24-02-2005 08-02-2005 25-02-2005
Artikel 64 — Artikel 64#
Artikel 64 Vervallen 2004 361 22-07-2004 30-06-2004 28734 2004 446 09-09-2004 24-08-2004 13-09-2004
Artikel 65 — Artikel 65#
Artikel 65 1 Met het toezicht op de uitvoering en de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren. 2 artikelen 5:13 5:15 5:16 5:17 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht De,,,enzijn van overeenkomstige toepassing, mede met betrekking tot de uitvoering van verordeningen betreffende de ruimtelijke ordening. 3 Onze Minister kan bij ministeriële regeling bepalen dat bestuursorganen die met de uitvoering of de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast, daarbij aan te geven gegevens verstrekken aan de krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren. Bij de regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het tijdstip waarop, de frequentie waarmee en de vorm waarin de gegevens worden verstrekt. Tevens kan bij de regeling worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven gevallen. 2003 449 18-11-2003 22-10-2003 28744 2005 81 24-02-2005 08-02-2005 25-02-2005
Artikel 66 — Artikel 66#
Artikel 66 Op de gezamenlijke voordracht van Onze Minister en van Onze Minister, die het mede aangaat, kunnen Wij bepalen, dat deze wet niet van toepassing is op een in Ons besluit aan te wijzen werk of werkzaamheid ten behoeve van de landsverdediging. Alvorens Ons een voordracht te doen horen Onze Ministers de Rijksplanologische Commissie. 2002 292 18-06-2002 16-05-2002 27922 2002 292 18-06-2002 16-05-2002 27922 01-09-2002
Artikel 67 — Artikel 67#
Artikel 67 Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 68 — Artikel 68#
Artikel 68 Vervallen 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 69 — Artikel 69#
Artikel 69 1 Onderstaande personen hebben in de hierna genoemde gebieden van zonsopgang tot zonsondergang toegang tot alle terreinen, voor zover dat redelijkerwijs voor de uitvoering van deze wet nodig is: de burgemeester en de door hem aan te wijzen personen. 1°. in het gehele Rijk: de voorzitter en de leden van de Rijksplanologische Commissie en de door Onze Minister aan te wijzen rijksambtenaren; 2°. in een provincie: de door de commissaris van de Koning aan te wijzen personen; 3°. in een gemeente: 2 Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur voorschrijven dat ten aanzien van bepaalde plaatsen de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid slechts wordt uitgeoefend door bepaalde van de in het eerste lid genoemde personen. 3 De in het eerste lid bedoelde personen verschaffen zich zo nodig de toegang met behulp van de sterke arm. 2004 361 22-07-2004 30-06-2004 28734 2004 446 09-09-2004 24-08-2004 13-09-2004
Artikel 70 — Artikel 70#
Artikel 70 Alle stukken, opgemaakt ter verkrijging van de beschikking door de gemeente over onroerende zaken ten einde uitvoering te kunnen geven aan een bestaand of toekomstig bestemmingsplan, zijn vrij van kosten van legalisatie en van griffiekosten. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 71 — Artikel 71#
Artikel 71 artikel 193 van de Gemeentewet Artikel 194 van die wet De kosten, voor de gemeente voortvloeiende uit de medewerking aan de uitvoering van deze wet, zijn uitgaven als bedoeld in.vindt toepassing. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 72 — Artikel 72#
Artikel 72 artikel 145 van de Provinciewet artikel 149 van de Gemeentewet De bevoegdheid aan provinciale staten overeenkomstigen aan de gemeenteraad overeenkomstigtoekomende blijft ten aanzien van het onderwerp, waarin deze wet voorziet, gehandhaafd voor zover de door deze colleges te maken verordeningen niet met deze wet in strijd zijn. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000
Artikel 73 — Artikel 73#
Artikel 73 1 Deze wet kan worden aangehaald als Wet op de Ruimtelijke Ordening. 2 Zij treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip. 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 2000 8 13-01-2000 10-01-2000 03-04-2000