Wet van 10 december 1969, houdende nieuwe regeling van de toekenning van uitkering en van pensioen aan politieke ambtsdragers, zomede van pensioen aan hun nabestaanden
- BWB-id
- BWBR0002691
- Type
- Wet
- Ministerie
- Algemene Zaken
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-04-24
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0002691
- ELI
- /eli/nl/wet/1966/algemene-pensioen-en-uitkeringswet-politieke-ambtsdragers
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1966/algemene-pensioen-en-uitkeringswet-politieke-ambtsdragers/2026-04-24
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0002691&g=2026-04-24
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0002691&z=2026-06-06&g=2026-04-24
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0002691/2026-04-24
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1966/algemene-pensioen-en-uitkeringswet-politieke-ambtsdragers
Artikel 1 — Artikel 1 Begripsomschrijvingen#
Artikel 1 Begripsomschrijvingen 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; b. Rijksvertegenwoordiger: Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; c. pensioengerechtigde leeftijd: artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in; d. pensioenrichtleeftijd: artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964 Wet toekomst pensioenen de pensioenrichtleeftijd, bedoeld in, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de. 2 Voor zover de voor uitkering en pensioen in aanmerking komende tijd kalenderjaren of kalendermaanden omvat, wordt deze tijd uitgedrukt in jaren, onderscheidenlijk maanden voor uitkering en pensioen in aanmerking komende tijd. De overige tijd wordt uitgedrukt in gedeelten van jaren, onderscheidenlijk gedeelten van maanden, waarbij het jaar op 12 maanden en de maand op 30 dagen wordt gesteld. 3 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden onder pensioen tevens begrepen de toeslagen die in deze wet als zodanig zijn aangeduid, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt. 2023 216 30-06-2023 03-06-2023 36067 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. artikel 2a aanmelding: aanmelding als bedoeld in; b. artikel 2a partner: de persoon die met een politieke ambtsdrager, gewezen politieke ambtsdrager of gepensioneerde een huwelijk of een geregistreerd partnerschap is aangegaan, dan wel de persoon, die is aangemeld op de wijze, bedoeld in; c. artikel 2a partnerschap: het huwelijk, het geregistreerd partnerschap of de relatie tussen de aanmelder en degene die als zijn partner is aangemeld op de wijze, bedoeld in; d. pensioengeldige tijd: de tijd waarover pensioenaanspraken zijn opgebouwd op grond van deze wet. 2 Onder politieke ambtsdrager wordt verstaan voor de toepassing van a. tweede afdeling devan deze wet: minister; b. derde afdeling devan deze wet: lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal; c. vierde afdeling devan deze wet: minister of lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal; d. vijfde afdeling hoofdstuk V, paragraaf 2, van de Gemeentewet devan deze wet: commissaris van de Koning, lid van gedeputeerde staten, burgemeester, wethouder, lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente in de zin van, zoals deze paragraaf luidde op de dag voorafgaand aan de datum van de verkiezing van de gemeenteraden in 2014, voorzitter of lid van het dagelijks bestuur van een waterschap of de Rijksvertegenwoordiger. 3 Waar in deze wet betekenis toekomt aan het gegeven dat een belanghebbende gehuwd is, gehuwd is geweest of een huwelijk aangaat, wordt mede begrepen onder gehuwd: als partner geregistreerd, respectievelijk onder huwelijk: geregistreerd partnerschap. 4 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder: a. ouderdomspensioen mede verstaan eigen pensioen als bedoeld in deze wet, zoals deze luidde voor 1 juli 2022; b. partnerpensioen mede verstaan nabestaandenpensioen als bedoeld in deze wet, zoals deze luidde voor 1 juli 2022. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022 Abusievelijk is in artikel XI, eerste lid, van Stb. 2021/328 een
wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 3 — Artikel 3 Bijzonder partnerpensioen#
Artikel 3 Bijzonder partnerpensioen De bepalingen van deze wet voor het partnerpensioen zijn van overeenkomstige toepassing op het bijzonder partnerpensioen, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 4 — Artikel 4 Tijdelijk pensioen#
Artikel 4 Tijdelijk pensioen De bepalingen van deze wet voor het partner- en wezenpensioen zijn van overeenkomstige toepassing op het tijdelijk pensioen, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 4a — Artikel 4a#
Artikel 4a artikelen 47 53 55, vierde lid 97 van de Pensioenwet Op een bij of krachtens deze wet vastgestelde pensioenregeling zijn de,,, envan overeenkomstige toepassing. 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 27-07-2013 01-01-2013
Artikel 2a — Artikel 2a#
Artikel 2a 1 artikel 2, tweede lid, onder a en b De politieke ambtsdrager, bedoeld in, alsmede de Rijksvertegenwoordiger kan bij Onze Minister één man of vrouw aanmelden, indien hij en deze man of vrouw: a. beiden als ingezetene met het zelfde woonadres in de basisregistratie personen zijn ingeschreven; b. zich bij een notarieel verleden samenlevingscontract tegenover elkaar hebben verplicht om wederkerig bij te dragen in de kosten van levensonderhoud; c. beiden ongehuwd zijn; d. beiden ten tijde van de aanmelding achttien jaar of ouder zijn en e. geen bloed- of aanverwanten in de rechte lijn zijn. 2 Een gewezen politieke ambtsdrager als bedoeld in het eerste lid kan, voordat hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, eveneens een aanmelding doen als bedoeld in dat lid. 3 Degene die een aanmelding doet, voegt daarbij een gewaarmerkt afschrift van de benodigde gegevens uit de basisregistratie personen waaruit blijkt dat is voldaan aan de voorwaarde, gesteld in het eerste lid, onder a, alsmede een afschrift van het contract, bedoeld in het eerste lid, onder b, dan wel een uittreksel daaruit of een verklaring van een notaris dienaangaande, waaruit de wederzijdse onderhoudsplichtigheid blijkt. 4 Indien aan de voorwaarden voor aanmelding, gesteld in het eerste lid, niet wordt voldaan, weigert Onze Minister de aanmelding. 5 Onze Minister kan regels stellen omtrent de aanmelding door degene die niet als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven. 6 De aanmelding eindigt met het doorhalen ervan. 7 Een aanmelding als bedoeld in het eerste lid wordt doorgehaald: a. op de dag waarop een aanvraag daartoe van degene die de aanmelding heeft gedaan, dan wel van de man of vrouw die is aangemeld, is ontvangen; b. op de dag van overlijden van de man of vrouw die is aangemeld dan wel van degene die de aanmelding heeft gedaan, of c. op de dag waarop degene die de aanmelding heeft gedaan, dan wel de man of vrouw die is aangemeld, hetzij in het huwelijk treedt, hetzij partij is bij een volgende aanmelding. 8 Onze Minister kan, indien daartoe aanleiding bestaat, bevestiging vragen of nog aan de voorwaarden voor aanmelding wordt voldaan. Degene die de aanmelding heeft gedaan legt alsdan een schriftelijke verklaring ter zake over van hem en de aangemelde persoon gezamenlijk, alsmede een gewaarmerkt afschrift van de benodigde gegevens uit de basisregistratie personen waaruit blijkt dat aan de voorwaarde, gesteld in het eerste lid, onder a, op het tijdstip van die verklaring wordt voldaan. Indien evenwel in de voorgaande periode het samenlevingscontract een wijziging heeft ondergaan die van belang kan zijn voor de aanmelding, wordt een afschrift van het gewijzigde contract overgelegd dan wel een uittreksel daaruit of een verklaring van een notaris dienaangaande, waaruit blijkt dat nog wordt voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. 9 Indien de bevestiging niet binnen zes weken wordt gedaan herhaalt Onze Minister zijn in het achtste lid bedoelde vraag. 10 Indien de bevestiging niet binnen drie weken na de herhaalde vraag wordt gegeven, kan Onze Minister de aanmelding op een door hem vast te stellen datum doorhalen. De bedoelde datum is niet gelegen voor de datum waarop de in het achtste lid bedoelde bevestiging is gevraagd. 11 artikel 2 van de Wet basisadministratie persoonsgegevens BES Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de Rijksvertegenwoordiger, kan voor «basisregistratie personen» telkens worden gelezen: basisadministratie, als bedoeld in. 2013 316 26-07-2013 10-07-2013 33555 2013 494 09-12-2013 28-11-2013 06-01-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet basisregistratie
personen in werking treedt.
Artikel 2b — Artikel 2b#
Artikel 2b 1 Artikel 2a artikel 2, tweede lid, onder d is van overeenkomstige toepassing op de politieke ambtsdrager, bedoeld inmet uitzondering van de Rijksvertegenwoordiger. 2 artikel 2a, vijfde lid Voor de toepassing, bedoeld in het eerste lid, treden gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van het waterschap in de plaats van Onze Minister, uitgezonderd ten aanzien van diens bevoegdheid, gegeven in. 2010 830 24-12-2010 16-12-2010 32428 2010 831 24-12-2010 16-12-2010 01-01-2011 10-10-2010 Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 05.00 uur in het Europese deel van Nederland.
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder minister mede verstaan: staatssecretaris. 2 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde wordt verstaan onder: a. gewezen minister: hij die uit hoofde van een ontslag uitzicht heeft op pensioen krachtens deze afdeling; b. gepensioneerd minister: hij die uit hoofde van een ontslag recht heeft op pensioen krachtens deze afdeling; c. overheidswerknemer: Wet privatisering ABP een overheidswerknemer of een gewezen overheidswerknemer in de zin van de, die werkzaam was bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 6 — Artikel 6 Het recht op uitkering#
Artikel 6 Het recht op uitkering 1 Een minister aan wie door Ons ontslag wordt verleend, heeft met ingang van de dag van zijn ontslag, indien hij nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en hij niet zonder onderbreking weer als minister optreedt, recht op een uitkering op de voet van de volgende artikelen. 2 artikel 9 De uitkering of, na verrekening ingevolge, het restant van de uitkering, wordt niet uitbetaald voor de periode dat: a. de belanghebbende Onze Minister daarom verzoekt; b. aan de belanghebbende rechtens zijn vrijheid is ontnomen; c. de belanghebbende zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel; d. artikel 19, tiende, dertiende en veertiende lid, van de Werkloosheidswet de belanghebbende buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie, met dien verstande datalsmede de regels die op grond van genoemd tiende lid gesteld zijn, van overeenkomstige toepassing zijn; e. de belanghebbende vakantie geniet buiten de bij algemene maatregel van bestuur gestelde periode. 3 Wij, de Raad van State gehoord, kunnen bepalen dat geen uitkering wordt toegekend, indien de belanghebbende: a. zich in vreemde krijgsdienst of in vreemde overheidsdienst heeft begeven en naar Ons oordeel zich daardoor uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen; b. wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit naar Ons oordeel blijkt dat hij zich uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen. 4 artikel 7, eerste of tweede lid Het niet uitbetalen van de uitkering op grond van het tweede lid, is niet van invloed op de met toepassing van, berekende duur waarvoor de uitkering is toegekend. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 7 — Artikel 7 Duur van de uitkering#
Artikel 7 Duur van de uitkering 1 De uitkering wordt toegekend voor een duur gelijk aan de tijd waarin de belanghebbende minister is geweest, maar ten minste voor de duur van twee jaren en ten hoogste voor de duur van drie jaren en twee maanden. Indien de belanghebbende met een of meer onderbrekingen minister is geweest, wordt in aanmerking genomen de tijd gedurende welke hij minister is geweest in een tijdvak, laatstelijk voor zijn ontslag, waarin zijn ministerschap voor ten hoogste een zesde deel van dat tijdvak is onderbroken. 2 In afwijking van het eerste lid wordt de uitkering toegekend voor de duur van zes maanden, indien de belanghebbende korter dan drie maanden minister is geweest. 3 Als de belanghebbende op de datum van zijn ontslag of aftreden vijf jaren of minder verwijderd is van de voor hem van toepassing zijnde pensioengerechtigde leeftijd en hij in de daaraan voorafgaande periode van twaalf jaren ten minste tien jaren Minister is geweest, wordt de uitkering voortgezet tot de pensioengerechtigde leeftijd. 4 artikel 2, tweede lid, onder b en d Voor de berekening van de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, en de tien jaren, bedoeld in het derde lid, wordt met tijd waarin de belanghebbende minister is geweest gelijkgesteld de tijd waarin hij een functie heeft bekleed als genoemd in. Indien sprake is van gelijkgestelde tijd als bedoeld in de vorige zin wordt met betrekking tot die tijd op dezelfde wijze als in de tweede zin van het eerste lid rekening gehouden met onderbreking in de uitoefening van deze functies. 5 artikel 11, tweede lid, onder b In geval van tussentijds vervallen van de uitkering krachtens, wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het tijdstip waarop eerstgenoemde uitkering, indien zij niet was vervallen, zou zijn geëindigd. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 7a — Artikel 7a#
Artikel 7a 1 artikel 6 De belanghebbende aan wie een uitkering als bedoeld ingeheel of gedeeltelijk wordt uitbetaald en die niet binnen twaalf maanden na ontslag de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, is verplicht: a. in voldoende mate te trachten passende arbeid te vinden; b. aangeboden passende arbeid te aanvaarden; c. mee te werken aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid. 2 De belanghebbende voorkomt dat hij: a. door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt; b. door eigen toedoen passende arbeid opgeeft; c. eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren. 3 artikel 24, derde lid, van de Werkloosheidswet Onverminderd het zesde en zevende lid, isvan overeenkomstige toepassing op de belanghebbende, met dien verstande dat de termijn van zes maanden aanvangt na de termijn van drie maanden, bedoeld in het zesde lid. 4 Dit artikel is niet van toepassing: a. artikel 8, tweede lid artikel 2, tweede lid op de belanghebbende die inkomsten geniet ten bedrage van 100% van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, bedoeld in, of een ambt heeft aanvaard als bedoeld in, en daaruit inkomsten geniet ten bedrage van 70% of meer van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 8, tweede lid; b. artikel 8a op de belanghebbende die recht heeft op een voortgezette uitkering ingevolge; c. artikel 9 artikel 6, tweede lid, onder a voor de periode dat de uitkering of, na verrekening ingevolge, het restant van de uitkering op verzoek van de belanghebbende met toepassing van, niet wordt uitbetaald. 5 Dit artikel is niet van toepassing gedurende de eerste drie maanden na het aftreden van de belanghebbende. 6 artikel 2 van de Wet regels vervolgfuncties bewindspersonen Indien het adviescollege rechtspositie politieke ambtsdragers op grond vanmet betrekking tot een dienstverband een negatief advies heeft gegeven omtrent de aanvaardbaarheid ervan binnen twee jaar na de datum van het ontslag van betrokkene, wordt dat dienstverband niet aangemerkt als passende arbeid. 7 artikel 3, tweede lid, van de Wet regels vervolgfuncties bewindspersonen Dienstverbanden waarvoor geen ontheffing is verleend als bedoeld in, worden niet aangemerkt als passende arbeid. 2025 269 13-10-2025 01-10-2025 36549 2026 34 17-02-2026 12-02-2026 20-02-2026
Artikel 7b — Artikel 7b#
Artikel 7b 1 artikel 7a Onze Minister kan de belanghebbende, bedoeld in, verplichten zich bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid planmatig te laten begeleiden en ondersteunen. 2 Onze Minister verstrekt de belanghebbende een tegemoetkoming in de kosten van planmatige begeleiding en ondersteuning bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid. 3 artikel 8, tweede lid De tegemoetkoming bedraagt ten hoogste 20% van de laatstelijk als minister per jaar genoten wedde, bedoeld in. De verplichte planmatige begeleiding en ondersteuning, bedoeld in het eerste lid, wordt volledig vergoed. 4 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent: a. de aanvraag voor tegemoetkoming in de kosten; b. de voor vergoeding in aanmerking komende kosten; c. de eisen die worden gesteld aan de organisatie die de planmatige ondersteuning uitvoert. 2010 72 26-02-2010 17-02-2010 30424 2010 73 26-02-2010 17-02-2010 27-02-2010
Artikel 7c — Artikel 7c#
Artikel 7c 1 artikel 7a 7b Indien de belanghebbende een bij of krachtensofgeregelde verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, besluit Onze Minister tot gehele of gedeeltelijke inhouding van de uitkering. Onze Minister is bevoegd tot verrekening van de inhouding van de uitkering met betalingen aan belanghebbende op grond van deze wet. 2 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van het eerste lid. 2010 72 26-02-2010 17-02-2010 30424 2010 73 26-02-2010 17-02-2010 27-02-2010
Artikel 8 — Artikel 8 Bedrag van de uitkering#
Artikel 8 Bedrag van de uitkering 1 De uitkering bedraagt gedurende het eerste jaar 80% en vervolgens 70% van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging. 2 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder laatstelijk genoten bezoldiging verstaan de bezoldiging, de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering waarop de belanghebbende aanspraak had op de dag voorafgaande aan de dag waarop hij als minister is ontslagen. 3 Indien voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt de in het eerste lid bedoelde laatstelijk genoten bezoldiging voor de toepassing van dat lid met ingang van het tijdstip van ingang van die wijziging door Onze Minister overeenkomstig de wijziging aangepast. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 8a — Artikel 8a#
Artikel 8a 1 artikel 11 artikel 8b Indien de belanghebbende op de dag waarop de duur van de uitkering eindigt geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is, wordt, met inachtneming van, de uitkering voor de duur van de invaliditeit voortgezet op de voet van. 2 hoofdstuk 2 van de Wet sociale werkvoorziening Algemeen invalide, geheel of gedeeltelijk, in de zin van deze wet is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid wordt niet begrepen arbeid op grond van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in. 3 Bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit wordt buiten beschouwing gelaten of de betrokkene de arbeid feitelijk kan verkrijgen. 4 Indien de betrokkene zonder redelijke grond weigert deel te nemen aan een voor hem gewenste opleiding of scholing of onvoldoende meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan, wordt er bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit van uitgegaan dat die opleiding of scholing is afgerond. 5 Bij een algemene invaliditeit van minder dan 25 percent wordt de uitkering niet voortgezet. 1997 465 16-10-1997 11-09-1997 24787 1997 466 16-10-1997 06-10-1997 01-01-1998
Artikel 8b — Artikel 8b#
Artikel 8b 1 De voortzetting van de uitkering vindt plaats als aangegeven in het tweede en derde lid en vervolgens als aangegeven in het vierde en het vijfde lid van dit artikel. 2 artikel 8 De uitkering bedraagt gedurende een periode als aangegeven in het derde lid 70% van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, bedoeld in, bij een algemene invaliditeit van 80% of meer, 60% van deze bezoldiging bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80% en 40% van die bezoldiging bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%. 3 De in het tweede lid bedoelde periode is ten hoogste voor de betrokkene die op het tijdstip van voortzetting van de uitkering: jonger is dan 33 jaar: nihil. 58 jaar of ouder is: zes jaar; 53 jaar of ouder is: drie jaar; 48 jaar of ouder is: twee jaar; 43 jaar of ouder is: anderhalf jaar; 38 jaar of ouder is: een jaar; 33 jaar of ouder is: een half jaar; 4 artikel 8 De uitkering bedraagt na afloop van de volgens het derde lid bepaalde periode een percentage, volgens het tweede lid, van een bedrag gelijk aan het minimumloon verhoogd met een percentage van het verschil tussen de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, bedoeld in, en het minimumloon. 5 Voor de berekening van het in het vierde lid bedoelde bedrag geldt een percentage van 2 maal het aantal verstreken jaren tussen het 15e jaar en de leeftijd van de belanghebbende op het tijdstip van voortzetting van de uitkering. 6 a artikel 8, eerste lid, onderdeel, van de Wet mimimumloon en minimumvakantiebijslag artikel 7, derde lid artikel 8, derde lid, van de genoemde wet artikel 15 van die wet Het minimumloon, bedoeld in het vierde lid, is het tot een jaarbedrag herleide minimumloon per maand, bedoeld inof, indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het tot een jaarbedrag herleide voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand, bedoeld in, en, beide vermeerderd met de daarover berekende vakantietoeslag, bedoeld in. 7 De belanghebbende heeft recht op een aanvulling van de uitkering, indien die uitkering minder bedraagt dan het volgens het tweede lid vastgestelde percentage van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging. 8 De aanvulling is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het zevende lid bedoelde percentage van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging. 9 artikel 106, eerste lid In afwijking van het achtste lid is de aanvulling gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het tiende lid aangegeven percentage van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, indien de belanghebbende de keuze heeft gemaakt voor een verlaging van de inhouding ingevolge. 10 Het in het negende lid bedoelde percentage bedraagt bij een algemene invaliditeit van 80% of meer 65%, bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80%: 56% en bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%: 37%. 11 artikel 106, eerste lid Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in, worden regels gesteld met betrekking tot de verlaging, bedoeld in het negende lid. Onze Minister stelt regels met betrekking tot de wijze en het tijdstip waarop de minister of de gewezen minister de in het negende lid bedoelde keuze, die eenmalig is, kenbaar dient te maken. 12 artikel 9 Indien de wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering te zamen met inkomsten, bedoeld in, minder bedraagt dan het minimumloon wordt de uitkering verhoogd tot het minimumloon. De verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen de uitkering en het bedrag waarvan deze is afgeleid en tevens niet meer dan 30% van het minimumloon. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 8c — Artikel 8c#
Artikel 8c 1 artikel 8a De voortzetting van de uitkering, bedoeld in, geschiedt op aanvraag van de belanghebbende en voor termijnen van niet langer dan drie jaar, onverminderd het in deze wet bepaalde over herziening of intrekking van de uitkering. 2 Onze Minister stelt de belanghebbende uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis van de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag tot voortzetting van de uitkering na afloop van die termijn. 3 Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt door de belanghebbende uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn gedaan. 4 Indien Onze Minister niet tijdig beslist op een tijdig ingediende aanvraag als bedoeld in het derde lid, wordt de uitkering voortgezet tot het tijdstip van de beslissing op de aanvraag. 5 Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt geacht tijdig te zijn ingediend indien Onze Minister de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, niet heeft gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving als bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen een maand nadat deze kennisgeving is ontvangen. 6 Indien de uitkering na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn wordt voortgezet, wordt de uitkering berekend op de wijze die van toepassing zou zijn geweest indien die termijn niet zou zijn afgelopen. 7 Onze Minister kan ten aanzien van bepaalde groepen algemeen invaliden bepalen dat in bepaalde situaties geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn van drie jaar. 1994 417 16-05-1994 23416 1994 863 02-12-1994 01-01-1995
Artikel 8d — Artikel 8d#
Artikel 8d 1 artikel 8a Binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering voor de eerste maal met toepassing vanis voortgezet, doet Onze Minister een onderzoek instellen ten einde te doen bezien of er als gevolg van gronden die invloed hebben op de mate van algemene invaliditeit redenen aanwezig zijn voor herziening of intrekking van de uitkering. 2 Onze Minister kan ten aanzien van bepaalde groepen algemeen invaliden bepalen dat geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn. 3 Onze Minister wijzigt ambtshalve of op aanvraag van de belanghebbende het bedrag van de uitkering bij wijziging van de mate van algemene invaliditeit. 4 Een wijziging van het bedrag van de uitkering gaat in: a. indien daartoe een aanvraag is ingediend, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de aanvraag is ingekomen; b. indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de beslissing tot wijziging is genomen. 5 artikel 8a De toepassing vanwordt ten aanzien van een belanghebbende gestaakt indien en zolang hij niet voldoet aan een uitnodiging van Onze Minister zich te onderwerpen aan een onderzoek door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen ter beantwoording van de vraag, of er nog sprake is van algemene invaliditeit. 6 artikel 8a, tweede lid artikel 8a, tweede lid Indien degene die recht heeft op wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering inkomsten uit of in verband met arbeid geniet, is Onze Minister bevoegd, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in, kan worden aangemerkt, niet tot herziening of intrekking van de uitkering over te gaan. De toepassing van de eerste volzin vindt ten hoogste plaats over een aaneengesloten periode van drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit of in verband met arbeid als bedoeld in de eerste volzin worden genoten. Deze periode wordt geacht niet te zijn onderbroken indien korter dan een maand geen inkomsten uit of in verband met arbeid worden genoten. Na afloop van de in de tweede volzin genoemde periode wordt de in de eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in. 2010 72 26-02-2010 17-02-2010 30424 2010 72 26-02-2010 17-02-2010 30424 27-02-2010
Artikel 8e — Artikel 8e#
Artikel 8e 1 a artikel 8, tweede lid Op verzoek van een minister doet Onze Minister een onderzoek instellen door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen, ter beantwoording van de vraag of de minister die het verzoek deed algemene invalide is als bedoeld in. 2 Onze Minister brengt de uitkomst van een onderzoek dat is ingesteld ingevolge het eerste lid ter kennis van de verzoeker. 1994 393 16-05-1994 23613 1994 863 02-12-1994 01-01-1995
Artikel 9 — Artikel 9 Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf#
Artikel 9 Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf 1 Wet inkomstenbelasting 2001 De inkomsten die de belanghebbende geniet, worden bepaald overeenkomstig de regels van deen worden met de uitkering verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben. 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder inkomsten verstaan het gezamenlijk bedrag dat de belanghebbende wegens het verrichten van activiteiten geniet als Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten Onder inkomsten bedoeld in de vorige volzin, wordt mede verstaan een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een inkomensvoorziening krachtens deof de. a. artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 winst uit een of meer ondernemingen, bedoeld in; b. belastbaar loon uit of in verband met arbeid en c. artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001 belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, behoudens voorzover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de, en. 3 artikel 7c, eerste lid De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmede de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, de laatstelijk genoten bezoldiging, waarvan de uitkering is afgeleid, overschrijdt. Bij de verrekening wordt voor de hoogte van de uitkering de op grond van, opgelegde inhouding buiten beschouwing gelaten. 4 Algemene Ouderdomswet Algemene nabestaandenwet Indien in het bedrag der inkomsten bedoeld in de vorige leden, is of geacht kan worden te zijn begrepen een vergoeding ter zake van de premieen, blijft deze vergoeding voor de toepassing van dit artikel buiten beschouwing. De vorige volzin is slechts van toepassing voor zover de daar bedoelde inkomsten betrekking hebben op een tijdvak gelegen voor 1 juni 1985. 5 Kinderbijslag wordt niet aangemerkt als inkomst. 6 artikel 7, zesde lid artikel 8a Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de voortgezette uitkering bedoeld in, en, kan Onze Minister andere inkomsten aanmerken als te zijn genoten wegens activiteiten bedoeld in het tweede lid. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 9a — Artikel 9a#
Artikel 9a 1 artikel 9, tweede lid artikel 9, tweede lid De belanghebbende is verplicht van het ter hand nemen van enige activiteiten als bedoeld in, terstond mededeling te doen aan Onze Minister onder opgave, voor zover mogelijk, van de inkomsten, die hij uit die activiteiten zal trekken. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten, die hij sinds het ter hand nemen van de activiteiten of sinds de vorige opgave heeft genoten. Onze Minister geeft nadere voorschriften aangaande het doen van mededelingen door de belanghebbende met betrekking tot de activiteiten bedoeld in. 2 artikel 9 Brengt de aard van de activiteiten of van de inkomsten mede, dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op de uitkering een vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het eind van de evenbedoelde termijn. Ten aanzien van deze verrekening isvan toepassing, met dien verstande, dat zij geschiedt over de in de vorige volzin bedoelde langere termijn in plaats van over iedere maand afzonderlijk. 3 Onze Minister kan bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering van de opgave van de belanghebbende afwijken. 4 De belanghebbende aan wie uitkering is toegekend, wordt door het aanvaarden van de uitkering geacht erin toe te stemmen, dat allen, die daarvoor naar het oordeel van Onze Minister in aanmerking komen, omtrent zijn omstandigheden alle inlichtingen geven, welke voor de uitvoering van dit hoofdstuk noodzakelijk zijn. 1988 300 20-04-1988 19473 1988 300 20-04-1988 19473 01-01-1984
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 De uitkering, berekend over een maand, wordt in maandelijkse termijnen betaald. 2 artikel 9a De uitkering wordt niet uitbetaald zolang de belanghebbende niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van. 2003 249 24-06-2003 02-06-2003 28227 2003 306 16-07-2003 22-07-2003 16-07-2003 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
Artikel 11 — Artikel 11 Einde en verval van de uitkering#
Artikel 11 Einde en verval van de uitkering 1 De uitkering eindigt met ingang van de dag volgende op die, waarop de gewezen minister is overleden. 2 De uitkering vervalt: a. met ingang van de dag waarop de gewezen minister de pensioengerechtigde leeftijd bereikt; b. met ingang van de dag waarop de gewezen minister wederom minister wordt. 3 artikel 9a De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende herhaaldelijk niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van. 4 Voorts kunnen Wij, de Raad van State gehoord, de uitkering vervallen verklaren, indien de gewezen minister: a. zich in vreemde krijgsdienst of in vreemde overheidsdienst heeft begeven en naar Ons oordeel zich daardoor uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen; b. wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit naar Ons oordeel blijkt dat hij zich uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 12 — Artikel 12 Uitkering bij overlijden#
Artikel 12 Uitkering bij overlijden 1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de gewezen minister wordt aan de partner, van die de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd gelijk aan driemaal het bedrag van de uitkering, dat over de laatste volle maand aan de gewezen minister is uitgekeerd. 2 Laat de overledene geen partner na, van wie hij niet duurzaam gescheiden leefde, dan geschiedt de uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag, ten behoeve van de minderjarige kinderen die in familierechtelijke betrekking stonden tot de overledene, of minderjarige kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag, indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen. 3 Laat de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het eerste en tweede lid na, dan kan het aldaar bedoelde bedrag geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 13 — Artikel 13 Het recht op ouderdomspensioen#
Artikel 13 Het recht op ouderdomspensioen 1 Een persoon die minister is of minister is geweest, heeft recht op een ouderdomspensioen. 2 Het pensioen gaat in op de pensioengerechtigde leeftijd. Op verzoek van de betrokkene gaat het pensioen eerder of later in. 3 Het pensioen kan niet eerder in gaan dan op de eerste dag van de maand waarin betrokkene de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt. 4 hoofdstuk 3 Gedurende de tijd dat de betrokkene optreedt als minister en gedurende de tijd dat hij een uitkering geniet als bedoeld in, kan het pensioen niet ingaan. 5 artikel 18a, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 Wet toekomst pensioenen Het pensioen gaat, zo nodig in afwijking van het vierde lid, niet later in dan het tijdstip waarop de betrokkene de leeftijd heeft bereikt, bedoeld in, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de. 6 Nadat het pensioen is ingegaan worden geen aanspraken voor het pensioen opgebouwd. 2023 216 30-06-2023 03-06-2023 36067 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 13a — Artikel 13a De opbouw van aanspraken op pensioen#
Artikel 13a De opbouw van aanspraken op pensioen 1 De betrokkene bouwt gedurende ieder dienstjaar pensioenaanspraak op. De aanspraak bedraagt voor ieder dienstjaar een percentage van de pensioengrondslag. 2 De opgebouwde aanspraak wordt geïndexeerd op een wijze die aansluit bij de indexering van de opbouw die wordt gehanteerd ten aanzien van het ouderdomspensioen van overheidswerknemers. 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 27-07-2013 01-01-2013
Artikel 13b — Artikel 13b Een dienstjaar#
Artikel 13b Een dienstjaar hoofdstuk 3 Ieder jaar dat de betrokkene als minister werkzaam is geweest, of in het genot is geweest van een uitkering als bedoeld in, is voor hem een dienstjaar. 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 27-07-2013 01-01-2013
Artikel 13c — Artikel 13c Het opbouwpercentage#
Artikel 13c Het opbouwpercentage 1 artikel 13a Het opbouwpercentage, bedoeld in, dat voor enig dienstjaar wordt gehanteerd, is het percentage dat voor dat dienstjaar voor de opbouw van het ouderdomspensioen van overheidswerknemers wordt gehanteerd. 2 hoofdstuk 3 artikel 6, tweede lid Gedurende de periode dat een uitkering als bedoeld inwordt genoten, is het opbouwpercentage de helft van het percentage, bedoeld in het eerste lid. Gedurende de periode waarin de uitkering met toepassing van, niet wordt uitbetaald, is het opbouwpercentage nihil. 3 In afwijking van het tweede lid wordt het opbouwpercentage niet gehalveerd gedurende de tijd dat de betrokkene voor 55 procent of meer algemeen invalide is en de invaliditeit veroorzaakt is door een dienstongeval. 4 artikel 7c, eerste lid artikel 9 Gedurende de tijd waarin de uitkering is verminderd vanwege toepassing van, of vanwege inkomsten als bedoeld in, wordt het met toepassing van het eerste tot en met derde lid gevonden opbouwpercentage vermenigvuldigd met een factor die gelijk is aan de verminderde uitkering gedeeld door de uitkering zonder vermindering. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 13d — Artikel 13d De pensioengrondslag#
Artikel 13d De pensioengrondslag 1 artikel 18ga, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 De pensioengrondslag is gebaseerd op het pensioengevend loon verminderd met een bij een middelloonstelsel behorende franchise die wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers. Het pensioengevend loon is de in het dienstjaar als Minister genoten bezoldiging, waaronder begrepen de vakantie-uitkering, de eindejaarsuitkering en een eenmalige uitkering, voor zover dit niet het ingenoemde bedrag te boven gaat, op de peildatum van 1 januari van een kalenderjaar of op de datum waarop betrokkene tot minister is benoemd. 2 hoofdstuk 3 Voor zover de betrokkene in het dienstjaar in het genot is van een uitkering als bedoeld in, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de pensioengrondslag wordt gebaseerd op de laatstelijk voor het ontslag als minister genoten bezoldiging. De bezoldiging wordt geïndexeerd op een wijze die aansluit bij de overeenkomstige indexering die wordt gehanteerd ten aanzien van het ouderdomspensioen van overheidswerknemers. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 13e — Artikel 13e Het pensioen#
Artikel 13e Het pensioen 1 Het pensioen bedraagt op jaarbasis de som van de opgebouwde pensioenaanspraken. 2 Voor zover het pensioen in gaat op een leeftijd die afwijkt van de pensioenrichtleeftijd die gold op het moment dat pensioenaanspraak werd opgebouwd, wordt voor de bepaling van de in het eerste lid bedoelde som dat deel van de aanspraak herrekend. Daarbij wordt voor het deel van de aanspraak dat is opgebouwd onder een lagere of hogere pensioenrichtleeftijd dan de leeftijd waarop het pensioen in gaat, de aanspraak verhoogd onderscheidenlijk verlaagd. 3 Het pensioen kan op verzoek van de betrokkene in hoogte variëren in de loop der jaren, waarbij herrekening over de jaren plaats vindt. Daarbij wordt een eerdere verlaging of verhoging gecompenseerd door een latere verhoging onderscheidenlijk verlaging. 4 Bij de herrekening, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt aangesloten bij de herrekening die in overeenkomstige gevallen wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers. 5 Over de pensioenaanspraak van de persoon die aantreedt als Minister op of na de pensioenrichtleeftijd die geldt op het moment van zijn aantreden, vindt geen herrekening plaats als bedoeld in het tweede en derde lid. 2014 467 05-12-2014 26-11-2014 33946 2014 467 05-12-2014 26-11-2014 33946 01-01-2015
Artikel 13f — Artikel 13f Verhoging ouderdomspensioen door omzetting van partnerpensioen#
Artikel 13f Verhoging ouderdomspensioen door omzetting van partnerpensioen 1 hoofdstuk 5 Een minister of gewezen minister kan bij de ingang van het pensioen de opgebouwde aanspraken op partnerpensioen als bedoeld in, omzetten in aanspraken op ouderdomspensioen. 2 Met de keuze voor de omzetting vervalt de aanspraak op het partnerpensioen. De keuze is onherroepelijk. 3 De keuze voor de omzetting kan slechts worden gedaan met toestemming van de partner. 4 Bij de omzetting wordt een ruilvoet toegepast die aansluit bij de ruilvoet die in overeenkomstige gevallen wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 13g — Artikel 13g Verlaging ouderdomspensioen door omzetting in partnerpensioen#
Artikel 13g Verlaging ouderdomspensioen door omzetting in partnerpensioen 1 artikel 7 Een gewezen minister kan na afloop van de uitkeringsduur, bedoeld in, een deel van de tussen 1 augustus 2003 en 1 juli 2022 door hem opgebouwde aanspraken op ouderdomspensioen omzetten in een aanspraak op partnerpensioen bij overlijden voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. 2 Onze Minister doet binnen vier maanden voor de afloop van de uitkering mededeling van deze omzettingsmogelijkheid. De gewezen minister maakt zijn keuze voor een omzetting binnen zes weken na de mededeling schriftelijk aan Onze Minister kenbaar. Tot het einde van die termijn verkrijgt de gewezen minister een premievrije aanspraak op partnerpensioen overeenkomstig de tijd tot het aftreden van de minister. 3 De in het eerste lid bedoelde omzetting wordt gevolgd door een omzetting van de verkregen aanspraken op partnerpensioen in een aanspraak op ouderdomspensioen indien: a. artikel 107 de in het eerste lid bedoelde omzetting gevolgd wordt door een waardeoverdracht als bedoeld in; b. de gewezen minister opnieuw minister wordt; c. het huwelijk van de gewezen minister eindigt, anders dan door zijn overlijden. 4 Bij de omzettingen wordt een ruilvoet toegepast die aansluit bij de ruilvoet die in overeenkomstige gevallen wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 13h — Artikel 13h Verlaging van pensioenaanspraken en pensioenen#
Artikel 13h Verlaging van pensioenaanspraken en pensioenen 1 artikel 134 Pensioenwet Indien het pensioenfonds ABP een verlaging als bedoeld intoepast op de pensioenaanspraken of de pensioenrechten, verlaagt Onze Minister de in dit hoofdstuk bedoelde pensioenaanspraken en de pensioenen op overeenkomstige wijze. 2 Onze Minister informeert de ministers en de gewezen ministers schriftelijk over zijn voornemen om de pensioenaanspraken of pensioenen te verlagen. 3 De verlaging kan op zijn vroegst een maand nadat de betrokkenen hierover geïnformeerd zijn, in gaan. 4 artikel 134 Pensioenwet Indien het pensioenfonds ABP een compensatie van een verlaging als bedoeld intoepast, past Onze Minister de compensatie toe op overeenkomstige wijze. 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 27-07-2013 01-01-2013
Artikel 13i — Artikel 13i Afkoop klein pensioen#
Artikel 13i Afkoop klein pensioen 1 artikel 66, eerste lid, van de Pensioenwet Als het pensioen op de dag van ingang op jaarbasis minder bedraagt dan het bedrag bedoeld in, wordt dit pensioen afgekocht door een uitkering ineens, mits de minister of gewezen minister daarmee instemt. 2 artikel 13j, eerste lid Onze Minister kan een pensioen als bedoeld in het eerste lid eveneens afkopen, mits Onze Minister na het ontslag van de belanghebbende als minister ten minste vijf maal tevergeefs heeft gepoogd de overdrachtswaarde over te dragen als bedoeld in, en na het ontslag ten minste vijf jaar is verstreken. 3 Artikel 66, achtste lid, van de Pensioenwet Bij de vaststelling van de uitkering ineens wordt aangesloten bij de berekening die in overeenkomstige gevallen wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers.is van overeenkomstige toepassing. 2022 387 11-10-2022 28-09-2022 36004 2022 467 24-11-2022 21-11-2022 01-01-2023 2022 497 09-12-2022 07-12-2022
Artikel 13j — Artikel 13j Waardeoverdracht klein pensioen#
Artikel 13j Waardeoverdracht klein pensioen 1 artikelen 70a 220b van de Pensioenwet Pensioenwet Onze Minister kan de overdrachtswaarde van de pensioenaanspraken van een gewezen minister met overeenkomstige toepassing van deenoverdragen aan een pensioenuitvoerder als bedoeld in de, met dien verstande dat voor deze overeenkomstige toepassing Onze Minister wordt beschouwd als de overdragende pensioenuitvoerder. 2 Pensioenwet artikel 70a van de Pensioenwet Een pensioenuitvoerder als bedoeld in dekan de pensioenaanspraken van een gewezen deelnemer als bedoeld in de Pensioenwet met overeenkomstige toepassing vanoverdragen aan Onze Minister, met dien verstande dat voor deze overeenkomstige toepassing Onze Minister wordt beschouwd als de ontvangende pensioenuitvoerder. 3 artikelen 70a, zesde lid 220b, vierde lid, onderdeel a, van de Pensioenwet De krachtens de, engestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing op de waardeoverdracht. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022 2022 387 11-10-2022 28-09-2022 36004
Artikel 13k — Artikel 13k Afkoop deel aanspraken op ouderdomspensioen#
Artikel 13k Afkoop deel aanspraken op ouderdomspensioen artikel 69a van de Pensioenwet Onze Minister is verplicht om na een verzoek van een minister of een gewezen minister met overeenkomstige toepassing vanen de op het zesde lid van dat artikel gebaseerde nadere regels over te gaan tot afkoop van een deel van de waarde van diens aanspraken op ouderdomspensioen. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2024 391 10-12-2024 23-10-2024 36481 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel C,
van de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen in werking treedt.
Artikel 14 — Artikel 14 Nadere regels#
Artikel 14 Nadere regels 1 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over: a. de opbouw van aanspraken op pensioen waaronder de indexering daarvan; b. de in aanmerking te nemen dienstjaren en het in aanmerking te nemen opbouwpercentage; c. de bepaling van de pensioengrondslag, de in aanmerking te nemen bezoldiging waaronder de indexering daarvan en de franchise; d. het bepalen van het pensioen; e. artikel 13e, tweede lid de herrekening, bedoeld in; f. artikel 13e, derde lid de beperkingen die bij toepassing van, in acht worden genomen en de herrekening die bij die toepassing wordt gehanteerd; g. de verhoging van het pensioen door omzetting van partnerpensioen, waaronder de daarbij te hanteren ruilvoet; h. de verlaging van het pensioen door omzetting in partnerpensioen, waaronder de daarbij te hanteren ruilvoet en de bepaling van dat partnerpensioen; i. artikel 134 van de Pensioenwet de verlaging van het pensioen na verlaging van pensioenaanspraken en pensioenen door het pensioenfonds ABP overeenkomstig; j. de afkoop en de waardeoverdracht van een klein pensioen; k. overige aspecten in het belang van een goede vaststelling en uitkering van het pensioen. 2 Krachtens de maatregel, bedoeld in het eerste lid, kunnen nadere regels worden gesteld over de aanpassing van in de maatregel genoemde bedragen. 3 Wet op de loonbelasting 1964 Wet toekomst pensioenen Bij deze regels worden de voorwaarden en maxima in acht genomen die op grond van de, zoals deze luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de, gelden voor een op een middelloonstelsel gebaseerd ouderdomspensioen. 2023 216 30-06-2023 03-06-2023 36067 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 15 — Artikel 15 Recht op partnerpensioen#
Artikel 15 Recht op partnerpensioen 1 De partner van een minister, gewezen minister of gepensioneerd minister heeft bij diens overlijden recht op partnerpensioen. 2 Het partnerpensioen gaat in op de dag volgende op de dag van het overlijden, bedoeld in het eerste lid. 3 In afwijking van het eerste lid bestaat geen recht op partnerpensioen: a. indien het partnerschap is aangegaan nadat de gepensioneerde minister de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt; b. artikel 13g, eerste lid bij overlijden van een gewezen minister vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, voor zover de pensioengeldige tijd is gelegen tussen 1 augustus 2003 en 1 juli 2022 en geen omzetting is gedaan als bedoeld in; c. artikel 13f bij overlijden van een gepensioneerd minister, voor zover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en de keuze is gedaan, bedoeld in; d. indien de partner de minister, gewezen minister of gepensioneerd minister opzettelijk van het leven heeft beroofd of daaraan medeplichtig is en hiervoor is veroordeeld. 4 artikel 6, eerste lid artikel 8a, eerste lid Voor de toepassing van het derde lid, onder b, geldt niet als gewezen minister de gewezen minister die recht heeft op een uitkering als bedoeld in, of. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Vervallen 1992 654 23-11-1992 22490 1992 654 23-11-1992 22490 18-12-1992 01-01-1986
Artikel 17 — Artikel 17 Bijzonder partnerpensioen#
Artikel 17 Bijzonder partnerpensioen 1 Bij een overlijden van de minister, de gewezen minister of de gepensioneerd minister heeft de gewezen partner recht op bijzonder partnerpensioen, mits: a. de gewezen partner recht op partnerpensioen zou hebben gehad, indien de minister, gewezen minister of gepensioneerde op de dag van het beëindigen van het partnerschap zou zijn overleden; en b. indien het partnerschap een huwelijk betrof, de dag van het vonnis, waarbij de echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk is uitgesproken ligt na het tijdstip van de inwerkingtreding van de Wet herziening echtscheidingsrecht en de echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk niet is uitgesproken met toepassing van het voor bedoeld tijdstip geldende recht. 2 In afwijking van het eerste lid heeft de gewezen partner bij overlijden geen recht op bijzonder partnerpensioen: a. indien de partners bij huwelijkse voorwaarden, bij voorwaarden bij geregistreerd partnerschap of bij een schriftelijk gesloten overeenkomst met het oog op het einde van het partnerschap dit overeenkomen en Onze Minister daarmee instemt; b. indien betrokkene als gevolg van het aangaan van een nieuw partnerschap met dezelfde minister wegens diens overlijden recht op partnerpensioen heeft; c. bij overlijden van een minister of gewezen minister vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, voor zover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen tussen 31 juli 2003 en 1 juli 2022; d. artikel 13f bij overlijden van een gepensioneerd minister voor zover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en de keuze is gedaan, bedoeld in; e. indien de gewezen partner de minister, gewezen minister of gepensioneerd minister opzettelijk van het leven heeft beroofd of daaraan medeplichtig is, en hiervoor is veroordeeld; f. indien bij de scheiding het partnerpensioen van de minister, de gewezen minister of de gepensioneerd minister is omgezet in een eigen aanspraak op ouderdomspensioen voor de gewezen partner. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022 Abusievelijk is in artikel XI, eerste lid, van Stb. 2021/328 een
wijziging geformuleerd die niet kan worden doorgevoerd.
Artikel 18 — Artikel 18 Recht op wezenpensioen#
Artikel 18 Recht op wezenpensioen 1 In deze afdeling wordt onder wees verstaan een kind van wie een verzorger is overleden en: a. Wet basisregistratie persoonsgegevens die als kind van de minister, gewezen minister of gepensioneerd minister staat ingeschreven in de basisadministratie, bedoeld in de; b. dat deel uitmaakte van het gezin van de minister, gewezen minister of gepensioneerd minister, waarvoor deze de kosten van levensonderhoud droeg; of c. artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES voor wie de minister, gewezen minister of gepensioneerd minister ten tijde van overlijden een onderhoudsplicht krachtensdan welwas opgelegd, dan wel door hem bij authentieke akte een dergelijke verplichting was erkend. 2 In deze afdeling wordt onder verzorger verstaan: a. de ouder van de wees indien de wees is geboren tijdens het huwelijk of geregistreerd partnerschap; b. de persoon die de wees heeft erkend of geadopteerd; c. de pleegouder van de wees. 3 Onder pleegouder bedoeld in het tweede lid, onder c, wordt verstaan de persoon die de zorg draagt voor het onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of het genieten van een vergoeding daarvoor. 4 De wees heeft bij overlijden van zijn verzorger die minister, gewezen minister of gepensioneerd minister was recht op wezenpensioen, indien hij de leeftijd van vijfentwintig jaar nog niet heeft bereikt. 5 Het wezenpensioen gaat in op de dag volgende op de dag van het overlijden van de verzorger, bedoeld in het vierde lid. 6 In afwijking van het vierde lid heeft een wees geen recht op wezenpensioen als hij opzettelijk de minister, gewezen minister of gepensioneerd minister van het leven heeft beroofd of daaraan medeplichtig is, en hiervoor is veroordeeld. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 21 — Artikel 21 Tijdelijk pensioen#
Artikel 21 Tijdelijk pensioen 1 Indien een minister, gewezen minister of gepensioneerd minister naar het oordeel van Onze Minister is vermist, hebben degenen die aan zijn overlijden recht op pensioen zouden ontlenen, recht op tijdelijk pensioen op dezelfde voet als in de voorgaande artikelen van dit hoofdstuk is omschreven. 2 Het tijdelijk pensioen gaat in op een door Onze Minister te bepalen dag. 3 Het tijdelijk pensioen gaat van rechtswege over in een voortdurend pensioen zodra het overlijden van de vermiste vaststaat. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 22 — Artikel 22 Berekening partnerpensioen#
Artikel 22 Berekening partnerpensioen 1 artikel 15 Het partnerpensioen, bedoeld in, bedraagt 70 procent van het ouderdomspensioen, waarop de overleden minister als zodanig aanspraak zou hebben gehad indien hij met ingang van de dag na die van zijn overlijden was ontslagen of waarop de overleden gewezen minister als zodanig recht of uitzicht had, een en ander met inachtneming van artikel 15, tweede lid, onder b en c. 2 In afwijking van het vorige lid bedraagt het partnerpensioen: a. artikel 13e, tweede of derde lid bij overlijden van een minister vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, 70 procent van het ouderdomspensioen waarop die minister aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hij zijn ambt tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd zou hebben bekleed, zonder rekening te houden met; b. bij overlijden van een gewezen minister in de periode, waarover hem een uitkering is toegekend, 70 procent van het ouderdomspensioen waarop de gewezen minister aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hij tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd recht op uitkering zou hebben gehad, met dien verstande, dat voor de berekening van het ouderdomspensioen de diensttijd wordt doorgeteld naar de mate van medetelling van diensttijd op de dag van overlijden. 3 Indien wegens eenzelfde overlijden voor een partner recht ontstaat zowel op partnerpensioen krachtens deze afdeling als op partnerpensioen krachtens of op de voet van de derde of vijfde afdeling van deze wet, wordt voor de berekening van de ouderdomspensioenen waarvan de partnerpensioenen zijn afgeleid, tijd die zowel voor de berekening van eerstbedoeld pensioen als voor de berekening van het andere pensioen meetelt en niet daadwerkelijk gelijktijdig in de verschillende ambten is doorgebracht, slechts meegeteld voor de berekening van het pensioen, waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert. 4 Bij de toepassing van het eerste tot en met derde lid wordt ten aanzien van het ouderdomspensioen opgebouwd tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995, gerekend met een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde franchise. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 22a — Artikel 22a#
Artikel 22a Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 01-10-2022
Artikel 22b — Artikel 22b#
Artikel 22b Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 01-10-2022
Artikel 22c — Artikel 22c#
Artikel 22c Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 01-10-2022
Artikel 23 — Artikel 23 Berekening bijzonder partnerpensioen#
Artikel 23 Berekening bijzonder partnerpensioen 1 Het bijzonder partnerpensioen bedraagt 70 procent van een ouderdomspensioen, waarbij in aanmerking wordt genomen: a. artikel 13e, tweede of derde lid de berekeningsgrondslag waarnaar het ouderdomspensioen van de minister, gewezen minister of gepensioneerde zou zijn berekend indien deze op de dag van het beëindigen van het partnerschap recht op ouderdomspensioen zou hebben verkregen, zonder rekening te houden met; b. pensioengeldige tijd die is gelegen vóór de onder a bedoelde dag, met dien verstande dat: i. bij overlijden van een minister of gewezen minister voor de pensioengerechtigde leeftijd, uitsluitend tijd vóór 1 augustus 2003 en na 1 juli 2022, in aanmerking wordt genomen; ii. artikel 13f bij overlijden van een gepensioneerd minister uitsluitend tijd vóór 1 juli 1999 in aanmerking wordt genomen, indien de keuze is gedaan, bedoeld in. 2 Indien er bij overlijden recht bestaat op meer dan een bijzonder partnerpensioen vindt het eerste lid overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de berekening van het bijzonder partnerpensioen ontleend aan elk partnerschap waaraan een eerder partnerschap voorafgaat slechts de diensttijd meetelt die samenloopt of geacht kan worden samen te lopen met de duur van het partnerschap. 3 Wanneer er in verband met hetzelfde overlijden behalve partnerpensioen ook recht op een of meer bijzondere partnerpensioenen bestaat, wordt het partnerpensioen verminderd met deze bijzondere partnerpensioenen. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 24 — Artikel 24 Nabestaandenpensioen bij hertrouwen dan wel aanmelding#
Artikel 24 Nabestaandenpensioen bij hertrouwen dan wel aanmelding Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 25 — Artikel 25 Berekening wezenpensioen#
Artikel 25 Berekening wezenpensioen 1 artikel 18, tweede lid Het wezenpensioen bedraagt 14 procent van het ouderdomspensioen als de wees een verzorger als bedoeld in, heeft. 2 artikel 18, tweede lid Het wezenpensioen bedraagt 28 procent van het ouderdomspensioen als er geen sprake is van een verzorger als bedoeld in. 3 artikel 18, tweede lid Onze Minister stelt het wezenpensioen, bedoeld in het eerste lid, opnieuw vast als de wees geen verzorger als bedoeld in, meer heeft. Het gewijzigde bedrag van het wezenpensioen gaat in met ingang van de eerste dag van de maand na de maand waarin de verzorger is overleden. 4 Voor de toepassing van dit artikel is het ouderdomspensioen het ouderdomspensioen: a. artikel 13e, tweede lid 13f 13g voordat het pensioen is verlaagd of verhoogd met toepassing van,,; b. 13e, derde lid zonder rekening te houden met de toepassing. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 25a — Artikel 25a#
Artikel 25a Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 27 — Artikel 27 Beperking gezamenlijk bedrag wezenpensioenen#
Artikel 27 Beperking gezamenlijk bedrag wezenpensioenen 1 Het gezamenlijk bedrag van de wezenpensioenen gaat een bedrag gelijk aan 70 procent van het bedrag waarvan die pensioenen zijn afgeleid niet te boven. 2 Indien wegens toepassing van het eerste lid de wezenpensioenen worden verminderd, geschiedt deze vermindering in evenredigheid naar de omvang van die pensioenen. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 27a — Artikel 27a Toeslag op nabestaandenpensioen#
Artikel 27a Toeslag op nabestaandenpensioen Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 27b — Artikel 27b Toeslag op wezenpensioen#
Artikel 27b Toeslag op wezenpensioen Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 28 — Artikel 28 Tijdelijk pensioen#
Artikel 28 Tijdelijk pensioen Het tijdelijk pensioen is gelijk aan het pensioen waarop recht zou bestaan indien de vermiste op de dag van zijn vermissing was overleden. 1969 594 10-12-1969 9636 1969 594 10-12-1969 9636 01-01-1966
Artikel 28a — Artikel 28a Afkoop klein pensioen#
Artikel 28a Afkoop klein pensioen 1 artikel 66, eerste lid, van de Pensioenwet Als het partnerpensioen, het bijzonder partnerpensioen, het wezenpensioen of het tijdelijk pensioen op de dag van ingang op jaarbasis minder bedraagt dan het bedrag bedoeld in, wordt dit pensioen afgekocht door een uitkering ineens, mits de betrokkene daarmee instemt. 2 Artikel 66, achtste lid, van de Pensioenwet Bij de vaststelling van de uitkering ineens wordt aangesloten bij de berekening die in overeenkomstige gevallen wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers.is van overeenkomstige toepassing. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de afkoop van een klein pensioen. 2022 387 11-10-2022 28-09-2022 36004 2022 467 24-11-2022 21-11-2022 01-01-2023 2022 497 09-12-2022 07-12-2022 Abusievelijk geeft het Staatsblad een wijzigingsopdracht voor het
derde lid in plaats van het tweede lid.
Artikel 28b — Artikel 28b#
Artikel 28b Een partnerpensioen, een bijzonder partnerpensioen en een wezenpensioen wordt geïndexeerd op een wijze die gelijk is aan de indexering die wordt gehanteerd ten aanzien van het partnerpensioen, het bijzonder partnerpensioen en het wezenpensioen van overheidswerknemers. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 29 — Artikel 29 Verval van uitzicht of recht op pensioen#
Artikel 29 Verval van uitzicht of recht op pensioen Wij, de Raad van State gehoord, verklaren het uitzicht of het recht op pensioen geheel of gedeeltelijk vervallen, indien degene die dat uitzicht of recht heeft: a. zich in vreemde krijgsdienst of in vreemde overheidsdienst heeft begeven en naar Ons oordeel zich daardoor uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen; b. wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit naar Ons oordeel blijkt dat hij zich uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen. 1969 594 10-12-1969 9636 1969 594 10-12-1969 9636 01-01-1966
Artikel 30 — Artikel 30 Herstel van uitzicht op pensioen#
Artikel 30 Herstel van uitzicht op pensioen 1 artikel 29 In bijzondere gevallen kunnen Wij, de Raad van State gehoord, een door of als gevolg van de toepassing vanvervallen uitzicht of recht op pensioen geheel of gedeeltelijk herstellen. 2 Wanneer een vervallen recht op pensioen geheel of gedeeltelijk wordt hersteld gaat het pensioen in op de eerste dag van de maand waarin het herstel heeft plaatsgevonden. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 31 — Artikel 31 Verval van recht op pensioen bij het niet-invorderen#
Artikel 31 Verval van recht op pensioen bij het niet-invorderen 1 Het recht op pensioen vervalt indien gedurende vijf achtereenvolgende jaren iedere invordering achterwege is gebleven. 2 Wij kunnen, de Raad van State gehoord, een door of als gevolg van de toepassing van het vorige lid vervallen recht of uitzicht op pensioen herstellen. 1969 594 10-12-1969 9636 1969 594 10-12-1969 9636 01-01-1966
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 Vervallen 1979 518 05-07-1979 14333 1979 518 05-07-1979 14333 01-01-1979
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 Vervallen 1979 518 05-07-1979 14333 1979 518 05-07-1979 14333 01-01-1979
Artikel 34 — Artikel 34 Samenloop partnerpensioenen bij nieuw partnerschap#
Artikel 34 Samenloop partnerpensioenen bij nieuw partnerschap 1 Indien een partner aan wie reeds een partnerpensioen is toegekend, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, ter zake van een later huwelijk of een latere aanmelding eveneens recht op partnerpensioen verkrijgt, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, wordt samenlopende tijd slechts medegeteld bij de berekening van het pensioen waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert. 2 Onder een pensioen krachtens een andere regeling als bedoeld in het vorige lid wordt verstaan een pensioen ten laste van de Nederlandse schatkist - anders dan ingevolge wettelijke garanties of ingevolge overneming van de verplichting tot betaling -, ten laste van Aruba, van Curaçao, van Sint Maarten, van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, van een publiekrechtelijk lichaam in Nederland of in evengenoemde landen, dan wel ten laste van een door het openbaar gezag in Nederland, in die landen of in die openbare lichamen ingesteld fonds. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 34a — Artikel 34a Samenloop van wezenpensioenen#
Artikel 34a Samenloop van wezenpensioenen 1 Indien een wees die reeds recht op een wezenpensioen heeft, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, daarna eveneens recht op enig ander wezenpensioen verkrijgt, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, wordt voor de berekening van de ouderdomspensioenen waarvan die wezenpensioenen zijn of geacht moeten worden te zijn afgeleid, samenlopende tijd slechts medegeteld bij de berekening van het pensioen, waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert. 2 Artikel 34, tweede lid , is van overeenkomstige toepassing. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 34b — Artikel 34b#
Artikel 34b Op uitkeringen en pensioenen op grond van deze afdeling is beslag mogelijk overeenkomstig de voorschriften van het gemene recht. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 34c — Artikel 34c#
Artikel 34c Onverschuldigd betaalde uitkeringen of pensioenen op grond van deze afdeling kunnen worden teruggevorderd. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 34d — Artikel 34d#
Artikel 34d 1 Met uitkeringen en pensioenen op grond van deze afdeling kan worden verrekend hetgeen de gewezen of gepensioneerde minister of zijn nagelaten betrekkingen zelf als zodanig aan de Staat verschuldigd is. 2 artikel 34e, eerste lid Verrekening als bedoeld in het eerste lid kan plaatshebben ondanks gelegd beslag of toegepaste korting als bedoeld in. 3 artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Verrekening als bedoeld in het eerste lid is slechts in zoverre geldig als een beslag op die uitkeringen of pensioenen geldig zou zijn, met dien verstande dat verrekening van hetgeen wegens genoten huisvesting of voeding is verschuldigd eveneens kan plaatsvinden met dat deel van de bezoldiging dat de beslagvrije voet, bedoeld in devormt. 2020 496 04-12-2020 25-11-2020 35494 2020 497 04-12-2020 30-11-2020 01-01-2021
Artikel 34e — Artikel 34e#
Artikel 34e 1 Op uitkeringen en pensioenen op grond van deze afdeling kan ten behoeve van een schuldeiser van de gewezen of gepensioneerde minister of zijn nagelaten betrekkingen een korting worden toegepast, mits de gewezen of gepensioneerde minister onderscheidenlijk zijn nagelaten betrekkingen de vordering van de schuldeiser erkent of erkennen dan wel het bestaan van de vordering blijkt uit een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak dan wel uit een authentieke akte. 2 Korting is slechts in zoverre geldig als een beslag op die uitkering of dat pensioen geldig zou zijn. 3 Beslag, faillissement, surseance van betaling en toepassing ten aanzien van de gewezen of gepensioneerde minister of zijn nagelaten betrekkingen van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen sluiten korting uit. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 34f — Artikel 34f#
Artikel 34f artikel 475b, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 34d, tweede lid artikel 34e, derde lid Voor de toepassing vanworden, onverminderd, en, verrekening en korting gelijkgesteld met beslag. 2020 496 04-12-2020 25-11-2020 35494 2020 497 04-12-2020 30-11-2020 01-01-2021
Artikel 34g — Artikel 34g#
Artikel 34g Indien verscheidene schuldeisers uit hoofde van beslag of korting aanspraak hebben op een deel van de uitkering of het pensioen geschiedt de verdeling naar evenredigheid der inschulden, voor zover niet de ene schuldeiser voorrang heeft boven de anderen. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 34h — Artikel 34h#
Artikel 34h 1 Overdracht, inpandgeving of elke andere handeling waardoor de gewezen of gepensioneerde minister of zijn nagelaten betrekkingen enig recht op zijn uitkering of pensioen aan een derde toekent of toekennen, is slechts geldig voor dat deel van de uitkering of het pensioen waarop beslag geldig zou zijn. 2 Een volmacht tot voldoening of invordering van de uitkering of het pensioen is slechts geldig indien zij schriftelijk is verleend en is steeds herroepelijk. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 34i — Artikel 34i#
Artikel 34i Betaling of afgifte aan een gemachtigde, nadat een volmacht tot voldoening of invorderingen van bezoldiging is geëindigd, ontlasten de Staat, indien een gegeven opdracht tot de betaling of afgifte niet meer tijdig kon worden ingetrokken, toen de Staat van het eindigen van de volmacht kennis kreeg. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 34j — Artikel 34j#
Artikel 34j artikel 19 van de Invorderingswet 1990 Beslag omvat in dit hoofdstuk ook de invordering, bedoeld in. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 35 — Artikel 35 Intrekking wet van 1 augustus 1956, Stb. 455#
Artikel 35 Intrekking wet van 1 augustus 1956, Stb. 455 Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 36a — Artikel 36a (behoort bij hoofdstuk 3)#
Artikel 36a (behoort bij hoofdstuk 3) Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 37 — Artikel 37 Toepasselijkheid van deze wet#
Artikel 37 Toepasselijkheid van deze wet Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 38 — Artikel 38 Keuze-bepaling#
Artikel 38 Keuze-bepaling Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 39 — Artikel 39 Het bedrag van de uitkering (behoort bij hoofdstuk 3)#
Artikel 39 Het bedrag van de uitkering (behoort bij hoofdstuk 3) Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 39a — Artikel 39a hoofdstuk 3 (behoort bij)#
Artikel 39a hoofdstuk 3 (behoort bij) Wet aanpassing uitkeringsduur Appa Ten aanzien van de uitkeringen die zijn toegekend ter zake van een ontslag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de, blijft de uitkeringsduur van kracht zoals deze gold op de dag voorafgaand aan dat tijdstip. 2012 401 14-09-2012 13-09-2012 33298 2012 401 14-09-2012 13-09-2012 33298 18-09-2012
Artikel 39b — Artikel 39b hoofdstuk 3 (behoort bij)#
Artikel 39b hoofdstuk 3 (behoort bij) 1 Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa Uitkeringen ter zake van een ontslag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deworden verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voorafgaand aan dat tijdstip. 2 Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa artikel 7, derde lid De uitkering van een betrokkene ter zake van een ontslag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dewordt voortgezet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd indien zij is toegekend op grond van. 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 27-07-2013 01-01-2013
Artikel 40 — Artikel 40 Het bedrag van het eigen pensioen (behoort bij hoofdstuk 4)#
Artikel 40 Het bedrag van het eigen pensioen (behoort bij hoofdstuk 4) Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 40a — Artikel 40a hoofdstuk 4 (behoort bij)#
Artikel 40a hoofdstuk 4 (behoort bij) 1 artikelen 13 tot en met 14 De opbouw van aanspraken op het ouderdomspensioen geschiedt overeenkomstig devoor dienstjaren vanaf 1 januari 2014. 2 Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa Voor dienstjaren vóór 1 januari 2014 geschiedt de opbouw overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de. 3 hoofdstuk 4 Indien de betrokkene op 31 december 2013 pensioen opbouwt op grond van, wordt de in het tweede lid bedoelde opbouw vastgesteld met als pensioengrondslag de grondslag die zou gelden als hij met ingang van 1 januari 2014 zou zijn ontslagen. Daarbij wordt de laatstelijk genoten wedde niet aangepast. De opgebouwde aanspraak wordt vervolgens geïndexeerd op een wijze die aansluit bij de indexering van de opbouw die wordt gehanteerd ten aanzien van het ouderdomspensioen van overheidswerknemers. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de toepassing van het eerste tot en met derde lid. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 40b — Artikel 40b hoofdstuk 4 (behoort bij)#
Artikel 40b hoofdstuk 4 (behoort bij) 1 artikel 13h Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa Pensioenaanspraken en pensioenen kunnen met toepassing vanworden verlaagd vanaf de inwerkingtreding van de. 2 Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa Bij de toepassing kunnen tevens de pensioenaanspraken worden verlaagd die zijn opgebouwd vóór de inwerkingtreding van de. De verlaging kan eveneens betrekking hebben op de pensioenen die zijn gebaseerd op pensioenaanspraken die zijn opgebouwd vóór die inwerkingtreding. 3 De toepassing vindt plaats ter zake van een verlaging door het pensioenfonds ABP vanaf 1 januari 2013. 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 27-07-2013 01-01-2013
Artikel 40c — Artikel 40c artikel 13c (behoort bij) Pensioenopbouw tijdens uitkering#
Artikel 40c artikel 13c (behoort bij) Pensioenopbouw tijdens uitkering 1 hoofdstuk 3 artikel 13c, tweede lid Ingeval aan een gewezen minister reeds voor 1 juli 2022 een uitkering als bedoeld inis toegekend, wordt in afwijking van, het opbouwpercentage niet gehalveerd: a. gedurende de eerste drie jaar en twee maanden van de uitkeringsperiode, te rekenen vanaf de datum waarop de uitkering is toegekend; en b. gedurende de periode waarin de uitkering langer dan drie jaar en twee maanden wordt genoten en betrokkene voor 55 procent of meer algemeen invalide is. 2 artikel 13c, tweede lid Bij een ontslag van een belanghebbende die op 1 juli 2022 het ambt van minister vervult is in afwijking van, het eerste lid van overeenkomstige toepassing, tenzij de belanghebbende dit ambt opnieuw bekleedt in het eerstvolgende kabinet dat aantreedt na die datum. 3 artikel 13c Het opbouwpercentage, bedoeld in, is nul indien de betrokkene daarom reeds voor 1 juli 2022 heeft verzocht. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 40d — Artikel 40d hoofdstuk 5 (behoort bij) Anw-compensatie#
Artikel 40d hoofdstuk 5 (behoort bij) Anw-compensatie 1 Algemene nabestaandenwet artikel 22 De partner aan wie op grond van deze wet een partnerpensioen is toegekend in verband met een overlijden voor 1 oktober 2022 en die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt maar geen recht heeft op een nabestaandenuitkering ingevolge de, ontvangt tot hij die leeftijd bereikt een toeslag op zijn volgensberekende pensioen, indien dat is berekend of mede is berekend over diensttijd na 31 december 1985. 2 Algemene nabestaandenwet De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het partnerpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 procent van 75 procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de, zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op partnerpensioen ontstaat. 3 Indien de partner, bedoeld in het eerste lid, bij de toekenning van het partnerpensioen jonger was dan 40 jaar, wordt de toeslag toegekend voor een periode van ten hoogste 12 maanden. 4 artikel 105, eerste lid De toeslag wordt met ingang van 1 januari van ieder jaar aangepast volgens de regels, bedoeld in. 5 Het recht op toeslag eindigt met ingang van de dag waarop de partner de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. 6 Algemene nabestaandenwet Wet aanpassing Appa en enkele andere wetten 2021 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de partner aan wie op grond van deze wet een partnerpensioen is toegekend in verband met een overlijden binnen vijf jaar na 1 oktober 2022 en die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, maar geen recht heeft op een nabestaandenuitkering ingevolge de, indien de overledene aantoonbaar reeds ten tijde van het tijdstip van inwerkingtreding van deongeneeslijk ziek was en daardoor of door andere blijvende omstandigheden voor die datum geen aanvullende nabestaandenverzekering bij een verzekeraar heeft kunnen afsluiten tegen ten hoogste de dubbele basispremie. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 40e — Artikel 40e hoofdstuk 5 (behoort bij) Compensatie lagere Anw#
Artikel 40e hoofdstuk 5 (behoort bij) Compensatie lagere Anw 1 Algemene nabestaandenwet artikel 22 De partner aan wie op grond van deze wet een partnerpensioen is toegekend in verband met een overlijden voor 1 oktober 2022 en die recht heeft op een nabestaandenuitkering ingevolge de, waarop inkomen in mindering wordt gebracht, heeft recht op een toeslag op zijn volgensberekende pensioen, indien dat is berekend of mede is berekend over diensttijd na 31 december 1985. 2 Algemene nabestaandenwet Recht op toeslag heeft eveneens de partner aan wie in het tijdvak van 1 juli 1996 tot 1 juli 1999 nabestaandenpensioen is toegekend en op wiens uitkering ingevolge dein dat tijdvak inkomen in mindering is gebracht. 3 Algemene nabestaandenwet De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het partnerpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 procent van het verschil tussen 75 procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de, zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op partnerpensioen ontstaat, zonder de vermindering en het verminderde bedrag. De toeslag bedraagt niet meer dan 75 procent van het in de eerste volzin eerstbedoelde bedrag en kan niet negatief zijn. De toeslag wordt nader vastgesteld: a. artikel 105, eerste lid met ingang van 1 januari van ieder jaar volgens de regels, bedoeld in; b. Algemene nabestaandenwet bij iedere nadere vaststelling van de vermindering van een uitkering ingevolge de. 4 Artikel 40d, vierde, vijfde en zesde lid , zijn mede van toepassing op de toeslag ingevolge dit artikel. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 40f — Artikel 40f hoofdstuk 5 (behoort bij) compensatie Aow-premie#
Artikel 40f hoofdstuk 5 (behoort bij) compensatie Aow-premie 1 artikel 22 De partner die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, heeft tot de dag waarop hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgensberekende pensioen ten bedrage van 15 procent van dat pensioen voor zover dat is berekend over diensttijd vóór 1 augustus 2003 en van 7,5 procent voor zover berekend over de diensttijd na 31 juli 2003, behoudens het bepaalde in het tweede en derde lid. 2 hoofdstuk 17 Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een pensioen als daar bedoeld verstaan het pensioen nadat eventueeltoepassing heeft gevonden. 3 De compensatie bedraagt niet meer dan het voor overheidswerknemers gestelde grensbedrag voor compensatie voor premiebetaling AOW/Anw over nabestaandenpensioen. 4 Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van degene die recht heeft op bijzonder partnerpensioen. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 40g — Artikel 40g hoofdstuk 5 artikel 115 (behoort bijen) leeftijd wees#
Artikel 40g hoofdstuk 5 artikel 115 (behoort bijen) leeftijd wees 1 artikel 18, vierde lid In afwijking van, heeft de wees van een minister, gewezen minister of gepensioneerd minister die voor 1 juli 2022 is overleden, recht op een wezenpensioen, zolang hij de leeftijd van eenentwintig jaren nog niet heeft bereikt. 2 artikel 115, vierde lid In afwijking van, eindigt het wezenpensioen, bedoeld in het eerste lid, op de laatste dag van de maand waarin de wees de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt of betrokken is bij een partnerschap. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022 Abusievelijk is in artikel XI, eerste lid, van Stb. 2021/328 een
wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 40h — Artikel 40h hoofdstuk 5 (behoort bij) Anw-compensatie en toeslag wezenpensioen#
Artikel 40h hoofdstuk 5 (behoort bij) Anw-compensatie en toeslag wezenpensioen 1 Een wees met recht op wezenpensioen heeft, voor zover dat pensioen is berekend over de diensttijd voor 1 oktober 2022, vanaf de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van vijftien jaar heeft bereikt recht op een toeslag van vijftien procent van het wezenpensioen. 2 hoofdstuk 17 Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder wezenpensioen verstaan het pensioen nadat eventueeltoepassing heeft gevonden. 3 Wet op de loonbelasting 1964 De in het eerste lid bedoelde compensatie gaat niet uit boven het fiscale maximum als bedoeld in deeen bedraagt niet meer dan het voor wezen van overheidswerknemers gestelde grensbedrag. 4 artikel 27 Voor de toepassing vanwordt de toeslag op grond van dit artikel buiten beschouwing gelaten. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 41 — Artikel 41 Het recht op weduwen- en wezenpensioen (behoort bij hoofdstuk 5, § 1)#
Artikel 41 Het recht op weduwen- en wezenpensioen (behoort bij hoofdstuk 5, § 1) Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 41a — Artikel 41a#
Artikel 41a Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 Vervallen 1992 654 23-11-1992 22490 1992 654 23-11-1992 22490 18-12-1992 01-01-1986
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 45a — Artikel 45a hoofdstuk 5 (behoort bij)#
Artikel 45a hoofdstuk 5 (behoort bij) 1 Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels gesteld worden omtrent de bepaling van het partnerpensioen, het bijzonder partnerpensioen, het wezenpensioen en het tijdelijk pensioen in verband met de inwerkingtreding van de. 2 Wet op de loonbelasting 1964 Bij deze regels worden de voorwaarden en maxima in acht genomen die op grond van degelden voor een op een middelloonstelsel gebaseerd partnerpensioen en wezenpensioen. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 46 — Artikel 46 De berekening van het weduwen- en wezenpensioen (behoort bij hoofdstuk 5, § 2)#
Artikel 46 De berekening van het weduwen- en wezenpensioen (behoort bij hoofdstuk 5, § 2) Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 48 — Artikel 48 Verval van pensioen (behoort bij hoofdstuk 6)#
Artikel 48 Verval van pensioen (behoort bij hoofdstuk 6) Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 49 — Artikel 49 Samenloop van pensioenen (behoort bij hoofdstuk 7)#
Artikel 49 Samenloop van pensioenen (behoort bij hoofdstuk 7) Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 50 — Artikel 50 Begripsomschrijvingen#
Artikel 50 Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde wordt verstaan onder: a. kamerlid: lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal; b. gewezen kamerlid: hij die uit hoofde van een aftreden als lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal uitzicht heeft op pensioen krachtens deze afdeling; c. gepensioneerd kamerlid: hij die uit hoofde van een aftreden als lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal recht heeft op pensioen krachtens deze afdeling; d. kamerlidtijd of kamerlidjaar: tijd of jaar, gedurende welke belanghebbende als lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal is opgetreden en waarover schadeloosstelling is genoten; e. artikelen 2 2b van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer artikel 2 van de evengenoemde wet berekeningsgrondslag: het bedrag van de op de dag vóór het aftreden geldende schadeloosstelling en aanspraak op eindejaarsuitkering, bedoeld in deen, waarbij de evenbedoelde aanspraak wordt berekend over de schadeloosstelling, bedoeld in, verminderd met het in dat artikel bedoelde percentage van de vakantie-uitkering. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 50a — Artikel 50a#
Artikel 50a 1 artikel X 10 van de Kieswet Voor de toepassing van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde wordt tevens als kamerlidtijd aangemerkt een periode van tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, ingevolge. 2 artikel X 12 van de Kieswet Deze wet is niet van toepassing op het kamerlid dat is benoemd in de plaats die is opengevallen als gevolg van het tijdelijk ontslag van een lid wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, ingevolge. 2006 418 21-09-2006 07-09-2006 30229 2006 449 10-10-2006 26-09-2006 11-10-2006
Artikel 51 — Artikel 51 Het recht op uitkering#
Artikel 51 Het recht op uitkering 1 Een kamerlid heeft met ingang van de dag van zijn aftreden, indien hij nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en hij niet zonder onderbreking weer als kamerlid optreedt, recht op een uitkering op de voet van de volgende artikelen. 2 artikel 54 De uitkering of, na verrekening ingevolge, het restant van de uitkering wordt niet uitbetaald: a. voor zover en voor de periode dat de belanghebbende daarom verzoekt; b. voor de periode dat aan de belanghebbende rechtens zijn vrijheid is ontnomen; c. voor de periode dat de belanghebbende zicht onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel; d. artikel 19, tiende, dertiende en veertiende lid, van de Werkloosheidswet voor de periode dat de belanghebbende buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie, met dien verstande datalsmede de regels die op grond van genoemd tiende lid gesteld zijn, van overeenkomstige toepassing zijn; e. voor de periode dat de belanghebbende vakantie geniet buiten de bij algemene maatregel van bestuur gestelde periode. 3 artikel 52, eerste of tweede lid Het niet uitbetalen van de uitkering op grond van het tweede lid, is niet van invloed op de met toepassing van, berekende duur waarvoor de uitkering is toegekend. 4 artikel X 10 van de Kieswet Een tijdelijk ontslag als bedoeld in, wordt niet aangemerkt als aftreden als bedoeld in het eerste lid. 5 Indien de belanghebbende is geboren in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius of Saba, of indien hij daar ten minste vijf jaren aaneengesloten heeft verbleven, wordt voor de toepassing van het tweede lid, onder d, voor «buiten Nederland» gelezen «buiten het Koninkrijk der Nederlanden». 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 52 — Artikel 52 Duur van de uitkering#
Artikel 52 Duur van de uitkering 1 De uitkering wordt toegekend voor een duur gelijk aan de tijd waarin de belanghebbende kamerlid is geweest, maar ten minste voor de duur van twee jaren en ten hoogste voor de duur van drie jaren en twee maanden. Indien de belanghebbende met een of meer onderbrekingen kamerlid is geweest, wordt in aanmerking genomen de tijd gedurende welke hij kamerlid is geweest in een tijdvak, laatstelijk voor zijn aftreden, waarin zijn kamerlidmaatschap voor ten hoogste een zesde deel van dat tijdvak is onderbroken. 2 In afwijking van het eerste lid wordt de uitkering toegekend voor de duur van zes maanden, indien de belanghebbende korter dan drie maanden kamerlid is geweest. 3 artikel 2, tweede lid Als de belanghebbende op de datum van zijn aftreden vijf jaren of minder verwijderd is van de voor hem van toepassing zijnde pensioengerechtigde leeftijd en hij in de daaraan voorafgaande periode hij in het tijdvak van twaalf jaren dat direct aan zijn aftreden voorafgaat ten minste tien jaren een functie heeft bekleed als genoemd in, wordt de uitkering voortgezet tot de pensioengerechtigde leeftijd. 4 artikel 2, tweede lid, onder a en d Voor de berekening van de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, en de tien jaren, bedoeld in het derde lid, wordt met tijd waarin de belanghebbende kamerlid is geweest gelijkgesteld de tijd waarin hij een functie heeft bekleed als genoemd in. Indien sprake is van gelijkgestelde tijd als bedoeld in de vorige zin wordt met betrekking tot die tijd op dezelfde wijze als in de tweede zin van het eerste lid rekening gehouden met onderbrekingen in de uitoefening van deze functies. 5 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder kamerlid mede begrepen lid van het Europees Parlement, voorzover dat lidmaatschap niet gelijktijdig werd vervuld met het kamerlidmaatschap. Voor de vaststelling van de tijd gedurende welke de belanghebbende kamerlid is geweest, telt niet mee de tijd gedurende welke de schadeloosstelling als kamerlid niet werd genoten. 6 artikel 56, tweede lid, onder b In geval van tussentijds vervallen van de uitkering krachtens, wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het tijdstip waarop eerstgenoemde uitkering, indien zij niet was vervallen, zou zijn geëindigd. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 52a — Artikel 52a#
Artikel 52a 1 artikel 51 De belanghebbende aan wie een uitkering als bedoeld ingeheel of gedeeltelijk wordt uitbetaald en die niet binnen twaalf maanden de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, is verplicht: a. in voldoende mate te trachten passende arbeid te vinden; b. aangeboden passende arbeid te aanvaarden; c. mee te werken aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid. 2 De belanghebbende voorkomt dat hij: a. door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt; b. door eigen toedoen passende arbeid opgeeft; c. eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren. 3 Artikel 7a, derde lid , is van overeenkomstige toepassing op een kamerlid. 4 Dit artikel is niet van toepassing: a. artikel 50, onderdeel e artikel 2, tweede lid op de belanghebbende die inkomsten geniet ten bedrage van 100% van berekeningsgrondslag, bedoeld in, of een ambt heeft aanvaard als bedoeld in, en daaruit inkomsten geniet ten bedrage van 70% of meer van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 50, onderdeel e; b. artikel 53a op de belanghebbende die recht heeft op een voortgezette uitkering ingevolge; c. voor de periode dat de belanghebbende verzoekt af te zien van de uitbetaling van de gehele uitkering. 5 Dit artikel is niet van toepassing gedurende de eerste drie maanden na het aftreden van de belanghebbende. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 52b — Artikel 52b#
Artikel 52b 1 artikel 52a Onze Minister kan de belanghebbende, bedoeld in, verplichten zich bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid planmatig te laten begeleiden en ondersteunen. 2 Onze Minister verstrekt de belanghebbende een tegemoetkoming in de kosten van planmatige begeleiding en ondersteuning bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid. 3 artikel 53, tweede lid De tegemoetkoming bedraagt ten hoogste 20% van de berekeningsgrondslag, bedoeld in. De verplichte planmatige begeleiding en ondersteuning, bedoeld in het eerste lid, wordt volledig vergoed. 4 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent: a. de aanvraag voor tegemoetkoming in de kosten; b. de voor vergoeding in aanmerking komende kosten; c. de eisen die worden gesteld aan de organisatie die de planmatige ondersteuning uitvoert. 2026 94 23-04-2026 08-04-2026 36824 2026 94 23-04-2026 08-04-2026 36824 24-04-2026 12-02-2025
Artikel 52c — Artikel 52c#
Artikel 52c 1 artikel 52a 52b Indien de belanghebbende een bij of krachtensofgeregelde verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, besluit Onze Minister tot gehele of gedeeltelijke inhouding van de uitkering. Onze Minister is bevoegd tot verrekening van de inhouding van de uitkering met betalingen aan belanghebbende op grond van deze wet. 2 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van het eerste lid. 2026 94 23-04-2026 08-04-2026 36824 2026 94 23-04-2026 08-04-2026 36824 24-04-2026 12-02-2025
Artikel 52d — Artikel 52d#
Artikel 52d artikelen 52a 52b 52c De voordracht voor een krachtens de,ofvast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2010 122 23-03-2010 15-03-2010 30693 2010 123 23-03-2010 15-03-2010 24-03-2010
Artikel 53 — Artikel 53 Bedrag van de uitkering#
Artikel 53 Bedrag van de uitkering 1 De uitkering bedraagt gedurende het eerste jaar 80% en vervolgens 70% van de berekeningsgrondslag. 2 artikel 12, eerste lid artikel 11, eerste en tweede lid, van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer Indien de belanghebbende op de dag voor zijn aftreden als kamerlid de verhoging of een toelage genoot, bedoeld in, respectievelijk, wordt de berekeningsgrondslag verhoogd met het bedrag van die verhoging respectievelijk toelage, inbegrepen de daarover geldende aanspraak op eindejaarsuitkering. 3 Indien voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd ingevolge het tweede lid, voor de toepassing van het eerste lid met ingang van het tijdstip van ingang van die loonswijziging door Onze Minister overeenkomstig de wijziging aangepast. 2019 177 16-05-2019 24-04-2019 35072 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 53a — Artikel 53a#
Artikel 53a 1 artikel 56 artikel 53b Indien de belanghebbende op de dag waarop de duur van de uitkering eindigt geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is, wordt, met inachtneming van, de uitkering voor de duur van de invaliditeit voortgezet op de voet van. 2 hoofdstuk 2 van de Wet sociale werkvoorziening Algemeen invalide, geheel of gedeeltelijk, in de zin van deze wet is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid wordt niet begrepen arbeid op grond van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in. 3 Bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit wordt buiten beschouwing gelaten of de betrokkene de arbeid feitelijk kan verkrijgen. 4 Indien de betrokkene zonder redelijke grond weigert deel te nemen aan een voor hem gewenste opleiding of scholing of onvoldoende meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan, wordt er bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit van uitgegaan dat die opleiding of scholing is afgerond. 5 Bij een algemene invaliditeit van minder dan 25 percent wordt de uitkering niet voortgezet. 1997 465 16-10-1997 11-09-1997 24787 1997 466 16-10-1997 06-10-1997 01-01-1998
Artikel 53b — Artikel 53b#
Artikel 53b 1 De voortzetting van de uitkering vindt plaats als aangegeven in het tweede en derde lid en vervolgens als aangegeven in het vierde en het vijfde lid van dit artikel. 2 artikel 53 De uitkering bedraagt gedurende een periode als aangegeven in het derde lid 70% van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens, bij een algemene invaliditeit van 80% of meer, 60% van die berekeningsgrondslag bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80% en 40% van die berekeningsgrondslag bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%. 3 De in het tweede lid bedoelde periode is ten hoogste voor de belanghebbende die op het tijdstip van voortzetting van de uitkering: jonger is dan 33 jaar: nihil. 58 jaar of ouder is: zes jaar; 53 jaar of ouder is: drie jaar; 48 jaar of ouder is: twee jaar; 43 jaar of ouder is: anderhalf jaar; 38 jaar of ouder is: een jaar; 33 jaar of ouder is: een half jaar, en 4 artikel 53 De uitkering bedraagt na afloop van de volgens het derde lid bepaalde periode een percentage, volgens het tweede lid, van een bedrag gelijk aan het minimumloon verhoogd met een percentage van het verschil tussen de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens, en het minimumloon. 5 Voor de berekening van het in het vierde lid bedoelde bedrag geldt een percentage van 2 maal het aantal verstreken jaren tussen het 15e jaar en de leeftijd van de betrokkene op het tijdstip van voortzetting van de uitkering. 6 a artikel 8, eerste lid, onderdeel, van de Wet mimimumloon en minimumvakantiebijslag artikel 7, derde lid artikel 8, derde lid, van de genoemde wet artikel 15 van die wet Het minimumloon, bedoeld in het vierde lid, is het tot een jaarbedrag herleide minimumloon per maand, bedoeld inof, indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het tot een jaarbedrag herleide voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand, bedoeld in, en, beide vermeerderd met de daarover berekende vakantietoeslag, bedoeld in. 7 artikel 53 De belanghebbende heeft recht op een aanvulling van de uitkering, indien die uitkering minder bedraagt dan het volgens het tweede lid vastgestelde percentage van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens. 8 artikel 53 De aanvulling is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het zevende lid bedoelde percentage van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens. 9 artikel 53 artikel 106, eerste lid In afwijking van het achtste lid is de aanvulling gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het tiende lid aangegeven percentage van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens, indien de belanghebbende de keuze heeft gemaakt voor een verlaging van de inhouding ingevolge. 10 Het in het negende lid bedoelde percentage bedraagt bij een algemene invaliditeit van 80% of meer 65%, bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80%: 56% en bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%: 37%. 11 artikel 106, eerste lid Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in, worden regels gesteld met betrekking tot de verlaging, bedoeld in het negende lid. Onze Minister stelt regels met betrekking tot de wijze en het tijdstip waarop het lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal of het gewezen lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal de in het negende lid bedoelde keuze, die eenmalig is, kenbaar dient te maken. 12 artikel 54 Indien de wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering te zamen met inkomsten, bedoeld in, minder bedraagt dan het minimumloon wordt de uitkering verhoogd tot het minimumloon. De verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen de uitkering en het bedrag waarvan deze is afgeleid en tevens niet meer dan 30% van het minimumloon. 1994 393 16-05-1994 23613 1994 863 02-12-1994 01-01-1995
Artikel 53c — Artikel 53c#
Artikel 53c 1 artikel 53a De voortzetting van de uitkering, bedoeld in, geschiedt op aanvraag van de belanghebbende en voor termijnen van niet langer dan drie jaar, onverminderd het in deze wet bepaalde over herziening of intrekking van de uitkering. 2 Onze Minister stelt de belanghebbende uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis van de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag tot voortzetting van de uitkering na afloop van die termijn. 3 Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt door de belanghebbende uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn gedaan. 4 Indien Onze Minister niet tijdig beslist op een tijdig ingediende aanvraag als bedoeld in het derde lid, wordt de uitkering voortgezet tot het tijdstip van de beslissing op de aanvraag. 5 Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt geacht tijdig te zijn ingediend indien Onze Minister de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, niet heeft gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving als bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen een maand nadat deze kennisgeving is ontvangen. 6 Indien de uitkering na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn wordt voortgezet, wordt de uitkering berekend op de wijze die van toepassing zou zijn geweest indien die termijn niet zou zijn afgelopen. 7 Onze Minister kan ten aanzien van bepaalde groepen algemeen invaliden bepalen dat in bepaalde situaties geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn van drie jaar. 1994 417 16-05-1994 23416 1994 863 02-12-1994 01-01-1995
Artikel 53d — Artikel 53d#
Artikel 53d 1 artikel 53a Binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering voor de eerste maal met toepassing vanis voortgezet, doet Onze Minister een onderzoek instellen ten einde te doen bezien of er als gevolg van gronden die invloed hebben op de mate van algemene invaliditeit redenen aanwezig zijn voor herziening of intrekking van de uitkering. 2 Onze Minister kan ten aanzien van bepaalde groepen algemeen invaliden bepalen dat geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn. 3 Onze Minister wijzigt ambtshalve of op aanvraag van de belanghebbende het bedrag van de uitkering bij wijziging van de mate van algemene invaliditeit. 4 Een wijziging van het bedrag van de uitkering gaat in: a. indien daartoe een aanvraag is ingediend, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de aanvraag is ingekomen; b. indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de beslissing tot wijziging is genomen. 5 artikel 53a De toepassing vanwordt ten aanzien van een belanghebbende gestaakt indien en zolang hij niet voldoet aan een uitnodiging van Onze Minister zich te onderwerpen aan een onderzoek door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen ter beantwoording van de vraag, of er nog sprake is van algemene invaliditeit. 6 artikel 53a, tweede lid artikel 53a, tweede lid Indien degene die recht heeft op wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering inkomsten uit of in verband met arbeid geniet, is Onze Minister bevoegd, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in, kan worden aangemerkt, niet tot herziening of intrekking van de uitkering over te gaan. De toepassing van de eerste volzin vindt ten hoogste plaats over een aaneengesloten periode van drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit of in verband met arbeid als bedoeld in de eerste volzin worden genoten. Deze periode wordt geacht niet te zijn onderbroken indien korter dan een maand geen inkomsten uit of in verband worden genoten. Na afloop van de in de tweede volzin genoemde periode wordt de in de eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in. 2010 122 23-03-2010 15-03-2010 30693 2010 122 23-03-2010 15-03-2010 30693 24-03-2010
Artikel 53e — Artikel 53e#
Artikel 53e 1 a artikel 53, tweede lid Op verzoek van een kamerlid doet Onze Minister een onderzoek instellen door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen, ter beantwoording van de vraag of het kamerlid dat het verzoek deed algemene invalide is als bedoeld in. 2 Onze Minister brengt de uitkomst van een onderzoek dat is ingesteld ingevolge het eerste lid ter kennis van de verzoeker. 1994 393 16-05-1994 23613 1994 863 02-12-1994 01-01-1995
Artikel 54 — Artikel 54 Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf#
Artikel 54 Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf 1 Wet inkomstenbelasting 2001 De inkomsten die de belanghebbende geniet, worden bepaald overeenkomstig de regels van deen worden met de uitkering verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben. 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder inkomsten verstaan het gezamenlijk bedrag dat de belanghebbende wegens het verrichten van activiteiten geniet als Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten Onder inkomsten bedoeld in de vorige volzin, wordt mede verstaan een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een inkomensvoorziening krachtens deof de. a. artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 winst uit een of meer ondernemingen, bedoeld in; b. belastbaar loon uit of in verband met arbeid en c. artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001 belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, behoudens voorzover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de, en. 3 artikel 52c, eerste lid Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmede de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, het bedrag, waarvan de uitkering is afgeleid, overschrijdt. Bij de verrekening wordt voor de hoogte van de uitkering de op grond van, opgelegde inhouding buiten beschouwing gelaten. Wanneer naast recht op een uitkering krachtens deze afdeling recht bestaat op een wachtgeld of uitkering krachtens een andere regeling, niet zijnde een uitkering krachtens de, vindt het vorenstaande ten aanzien van bedoeld wachtgeld of uitkering geen toepassing, indien de uitkering krachtens deze afdeling elders voor verrekening met wachtgeld of uitkering in aanmerking komt. 4 Algemene Ouderdomswet Algemene nabestaandenwet Indien in het bedrag der inkomsten bedoeld in de vorige leden, is of geacht kan worden te zijn begrepen een vergoeding ter zake van de premieen, blijft deze vergoeding voor de toepassing van dit artikel buiten beschouwing. De vorige volzin is slechts van toepassing voor zover de daar bedoelde inkomsten betrekking hebben op een tijdvak gelegen voor 1 juni 1985. 5 Kinderbijslag wordt niet aangemerkt als inkomst. 6 artikel 52, zesde lid artikel 53a Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de voortgezette uitkering bedoeld in, en, kan Onze Minister andere inkomsten aanmerken als te zijn genoten wegens activiteiten bedoeld in het tweede lid. 2014 270 15-07-2014 02-07-2014 33161 2014 271 15-07-2014 04-07-2014 01-01-2015
Artikel 54a — Artikel 54a#
Artikel 54a 1 artikel 54, tweede lid artikel 54, tweede lid De belanghebbende is verplicht van het ter hand nemen van enige activiteiten als bedoeld in, terstond mededeling te doen aan Onze Minister, onder opgave, voor zover mogelijk, van de inkomsten, die hij uit die activiteiten zal trekken. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten, die hij sinds het ter hand nemen van de activiteiten of sinds de vorige opgave heeft genoten. Onze Minister geeft nadere voorschriften aangaande het doen van mededelingen door de belanghebbende met betrekking tot de activiteiten, bedoeld in. 2 Brengt de aard van de activiteiten of van de inkomsten mede, dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op de uitkering een vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het einde van de evenbedoelde termijn. artikel 54 Ten aanzien van deze verrekening isvan toepassing, met dien verstande, dat zij geschiedt over de in de vorige volzin bedoelde langere termijn in plaats van over iedere maand afzonderlijk. 3 Onze Minister kan bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering van de opgave van de belanghebbende afwijken. 4 De belanghebbende, aan wie uitkering is toegekend, wordt door het aanvaarden van de uitkering geacht erin toe te stemmen, dat allen, die daarvoor naar het oordeel van Onze Minister in aanmerking komen, omtrent zijn omstandigheden alle inlichtingen geven, welke voor de uitvoering van dit hoofdstuk noodzakelijk zijn. 1988 300 20-04-1988 19473 1988 300 20-04-1988 19473 01-01-1984
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 1 De uitkering, berekend over een maand, wordt in maandelijkse termijnen betaald. 2 artikel 54a De uitkering wordt niet uitbetaald zolang de belanghebbende niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van. 2003 249 24-06-2003 02-06-2003 28227 2003 306 16-07-2003 22-07-2003 16-07-2003 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
Artikel 56 — Artikel 56 Einde en verval van de uitkering#
Artikel 56 Einde en verval van de uitkering 1 De uitkering eindigt met ingang van de dag volgende op die, waarop het gewezen kamerlid is overleden. 2 De uitkering vervalt: a. met ingang van de dag waarop het gewezen kamerlid de pensioengerechtigde leeftijd bereikt; b. met ingang van de dag waarop het gewezen kamerlid wederom als kamerlid optreedt dan wel lid wordt van het Europees Parlement. 3 artikel 54a De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende herhaaldelijk niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 57 — Artikel 57 Uitkering bij overlijden#
Artikel 57 Uitkering bij overlijden 1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van het gewezen kamerlid wordt aan de partner, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd, gelijk aan driemaal het bedrag der uitkering, dat over de laatste volle maand aan het gewezen kamerlid is uitgekeerd. 2 Laat de overledene geen partner na, van wie hij, onderscheidenlijk zij, niet duurzaam gescheiden leefde, dan geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond, of minderjarige kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering, indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen. 3 Laat de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het eerste en tweede lid na, dan kan het aldaar bedoelde bedrag geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 58 — Artikel 58 Het recht op ouderdomspensioen#
Artikel 58 Het recht op ouderdomspensioen hoofdstuk 4 artikelen 40a 40b 40c Een persoon die kamerlid is of kamerlid is geweest, heeft met overeenkomstige toepassing vanen de,enrecht op ouderdomspensioen, met dien verstande dat: 1. voor «dienstjaar» gelezen wordt «kamerlidjaar»; en 2. hoofdstuk 3 hoofdstuk 10 voor «»gelezen wordt «». 2024 391 10-12-2024 23-10-2024 36481 2024 391 10-12-2024 23-10-2024 36481 11-12-2024 01-07-2022
Artikel 59 — Artikel 59 Pensioengrondslag tijd voor 1 januari 1986; inbouw algemeen pensioen#
Artikel 59 Pensioengrondslag tijd voor 1 januari 1986; inbouw algemeen pensioen Vervallen 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 27-07-2013 01-01-2013
Artikel 60 — Artikel 60 Recht op partnerpensioen en bijzonder partnerpensioen#
Artikel 60 Recht op partnerpensioen en bijzonder partnerpensioen artikelen 15 17 21 22 tot en met 23a 28 31 34 artikelen 40d tot en met 40f artikel 45a artikel 40c De partner en de gewezen partner van een kamerlid, gewezen kamerlid of gepensioneerd kamerlid heeft met overeenkomstige toepassing van de,,,,,en, alsmede deen de nadere regels op grond vanrecht op partnerpensioen of bijzonder partnerpensioen, met dien verstande dat invoor «diensttijd» gelezen wordt «kamerlidtijd». 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 61 — Artikel 61 Recht op wezenpensioen#
Artikel 61 Recht op wezenpensioen artikelen 18 21 25 27 28 28a 31 34a artikelen 40g 40h 45a Na het overlijden van een kamerlid, gewezen kamerlid of gepensioneerd kamerlid hebben zijn wezen met overeenkomstige toepassing van de,,,,,,enalsmede deenen de nadere regels op grond vanrecht op een wezenpensioen. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 62 — Artikel 62 Bijzonder nabestaandenpensioen#
Artikel 62 Bijzonder nabestaandenpensioen Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 63 — Artikel 63#
Artikel 63 Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 64 — Artikel 64#
Artikel 64 Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 65 — Artikel 65#
Artikel 65 Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 66 — Artikel 66 Tijdelijk pensioen#
Artikel 66 Tijdelijk pensioen Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 67 — Artikel 67 Nabestaandenpensioen#
Artikel 67 Nabestaandenpensioen Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 67a — Artikel 67a#
Artikel 67a Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 67b — Artikel 67b#
Artikel 67b Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 67c — Artikel 67c#
Artikel 67c Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 68 — Artikel 68 Bijzonder nabestaandenpensioen#
Artikel 68 Bijzonder nabestaandenpensioen Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 69 — Artikel 69 Nabestaandenpensioen bij hertrouwen dan wel aanmelding#
Artikel 69 Nabestaandenpensioen bij hertrouwen dan wel aanmelding Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 70 — Artikel 70 Wezenpensioen#
Artikel 70 Wezenpensioen Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 70a — Artikel 70a#
Artikel 70a Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 71 — Artikel 71#
Artikel 71 Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 72 — Artikel 72 Beperking gezamenlijk bedrag wezenpensioenen#
Artikel 72 Beperking gezamenlijk bedrag wezenpensioenen Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 73 — Artikel 73 Toeslag op nabestaandenpensioen#
Artikel 73 Toeslag op nabestaandenpensioen Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 73a — Artikel 73a Toeslag op wezenpensioen#
Artikel 73a Toeslag op wezenpensioen Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 74 — Artikel 74 Tijdelijk pensioen#
Artikel 74 Tijdelijk pensioen Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 74a — Artikel 74a Afkoop klein pensioen#
Artikel 74a Afkoop klein pensioen Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 75 — Artikel 75 Verval van recht op pensioen bij niet-invorderen#
Artikel 75 Verval van recht op pensioen bij niet-invorderen Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 76 — Artikel 76 Herstel van uitzicht of recht op pensioen#
Artikel 76 Herstel van uitzicht of recht op pensioen Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 77 — Artikel 77#
Artikel 77 Vervallen 1979 518 05-07-1979 14333 1979 518 05-07-1979 14333 01-01-1979
Artikel 78 — Artikel 78#
Artikel 78 Vervallen 1979 518 05-07-1979 14333 1979 518 05-07-1979 14333 01-01-1979
Artikel 79 — Artikel 79 Samenloop nabestaandenpensioenen na hertrouwen of aanmelding#
Artikel 79 Samenloop nabestaandenpensioenen na hertrouwen of aanmelding Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 79a — Artikel 79a Samenloop van wezenpensioenen#
Artikel 79a Samenloop van wezenpensioenen Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 80 — Artikel 80 Intrekking wet van 31 juli 1957, Stb. 324#
Artikel 80 Intrekking wet van 31 juli 1957, Stb. 324 Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 81 — Artikel 81#
Artikel 81 Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 82 — Artikel 82 Toepasselijkheid van deze wet#
Artikel 82 Toepasselijkheid van deze wet Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 83 — Artikel 83 Keuze-bepaling#
Artikel 83 Keuze-bepaling Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 84 — Artikel 84 Uitkering (behoort bij hoofdstuk 10)#
Artikel 84 Uitkering (behoort bij hoofdstuk 10) Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 84a — Artikel 84a hoofdstuk 10 (behoort bij)#
Artikel 84a hoofdstuk 10 (behoort bij) Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 84b — Artikel 84b hoofdstuk 10 (behoort bij)#
Artikel 84b hoofdstuk 10 (behoort bij) Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 84c — Artikel 84c hoofdstuk 10 (behoort bij)#
Artikel 84c hoofdstuk 10 (behoort bij) 1 De uitkering van een betrokkene wordt voortgezet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd indien hij: a. lid was van de Tweede Kamer op 24 maart 2010, b. in zijn functie herbenoemd is onmiddellijk na de verkiezingen voor de Tweede Kamer van 9 juni 2010, c. bij de herbenoeming ten minste 50 jaar oud was en d. artikel 52, derde lid voldoet aan de in, bedoelde eisen ten aanzien van de diensttijd. 2 Uitkeringen ter zake van een aftreden vóór 27 juli 2013 worden verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voorafgaand aan dat tijdstip. 3 artikel 52, derde lid De uitkering van een betrokkene ter zake van een aftreden vóór 27 juli 2013 wordt voortgezet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd indien zij is toegekend op grond van. 4 Artikel 52, derde lid Wet verkorting duur voortgezette uitkering Appa , is niet van toepassing op een ontslag of aftreden dat is ingegaan voor de datum van inwerkingtreding van de. 5 Wet verkorting duur voortgezette uitkering Appa Een belanghebbende die op de datum van inwerkingtreding van deKamerlid is, wordt bij zijn aftreden een uitkering verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voorafgaand aan die datum. 6 Wet verkorting duur voortgezette uitkering Appa Een belanghebbende die op de datum van inwerkingtreding van deKamerlid is en als Kamerlid is herbenoemd onmiddellijk na de eerstvolgende kamerverkiezingen na die datum, wordt bij zijn aftreden een uitkering verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voor die datum indien hij tevens op de datum van zijn herbenoeming: a. negen jaar en zeven maanden of minder verwijderd is van de pensioengerechtigde leeftijd die is vastgesteld voor het kalenderjaar vijf jaren na aftreden, en b. artikel 2, tweede lid in het tijdvak van twaalf jaren ten minste tien jaren een functie heeft bekleed als genoemd in. 2015 306 21-07-2015 08-07-2015 34112 2015 419 20-11-2015 29-10-2015 01-01-2016
Artikel 85 — Artikel 85 Het bedrag van het eigen pensioen (behoort bij hoofdstuk 11)#
Artikel 85 Het bedrag van het eigen pensioen (behoort bij hoofdstuk 11) Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 85a — Artikel 85a hoofdstuk 11 (behoort bij)#
Artikel 85a hoofdstuk 11 (behoort bij) Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 85b — Artikel 85b hoofdstuk 11 (behoort bij)#
Artikel 85b hoofdstuk 11 (behoort bij) Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 86 — Artikel 86 Het recht op weduwen- en wezenpensioen (behoort bij hoofdstuk 12, § 1)#
Artikel 86 Het recht op weduwen- en wezenpensioen (behoort bij hoofdstuk 12, § 1) Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 86a — Artikel 86a#
Artikel 86a Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 87 — Artikel 87#
Artikel 87 Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 88 — Artikel 88#
Artikel 88 Vervallen 1992 654 23-11-1992 22490 1992 654 23-11-1992 22490 18-12-1992 01-01-1986
Artikel 89 — Artikel 89#
Artikel 89 Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 90 — Artikel 90 De berekening van het weduwen- en wezenpensioen (behoort bij hoofdstuk 12, § 2)#
Artikel 90 De berekening van het weduwen- en wezenpensioen (behoort bij hoofdstuk 12, § 2) Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 90a — Artikel 90a hoofdstuk 12 (behoort bij)#
Artikel 90a hoofdstuk 12 (behoort bij) Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 91 — Artikel 91 Verval van pensioen (behoort bij hoofdstuk 13)#
Artikel 91 Verval van pensioen (behoort bij hoofdstuk 13) Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 92 — Artikel 92 Samenloop van pensioenen (behoort bij hoofdstuk 14)#
Artikel 92 Samenloop van pensioenen (behoort bij hoofdstuk 14) Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 93 — Artikel 93 Eigen pensioenen#
Artikel 93 Eigen pensioenen Vervallen 2001 364 14-08-2001 14-06-2001 26043 2001 364 14-08-2001 14-06-2001 26043 15-08-2001 De artikelen 9, vierde lid, 54, vierde lid, en 134, zesde lid
werken terug tot en met 1 juli 1996. Artikel 53 werkt terug tot
en met 1 januari 1997. De artikelen 2, 9, tweede lid, 12, 54,
tweede lid, 57, 107, 108, 116, 134, tweede lid, 137, 160a en
160b werken terug tot en met 1 januari 1998.
Artikel 94 — Artikel 94 Nabestaanden- en wezenpensioen#
Artikel 94 Nabestaanden- en wezenpensioen Vervallen 2001 364 14-08-2001 14-06-2001 26043 2001 364 14-08-2001 14-06-2001 26043 15-08-2001 De artikelen 9, vierde lid, 54, vierde lid, en 134, zesde lid
werken terug tot en met 1 juli 1996. Artikel 53 werkt terug tot
en met 1 januari 1997. De artikelen 2, 9, tweede lid, 12, 54,
tweede lid, 57, 107, 108, 116, 134, tweede lid, 137, 160a en
160b werken terug tot en met 1 januari 1998.
Artikel 95 — Artikel 95 Begripsomschrijvingen#
Artikel 95 Begripsomschrijvingen 1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. tweede derde afdeling een pensioen: een pensioen of een gedeelte van een pensioen voor zover berekend over tijd voor 1 januari 1986 dat is toegekend of geacht wordt te zijn toegekend krachtens deenvan deze wet, met uitzondering van de overgangstoeslag bedoeld in artikel 4 van de derde afdeling van de Pensioenmaatregelen 1963; b. een algemeen pensioen: 1e. Algemene Ouderdomswet een bruto-ouderdomspensioen als bedoeld in de, met inbegrip van de daarbij behorende vakantie-uitkering voor zover deze niet behoort tot de overlijdensuitkering krachtens die wet; 2e. Algemene nabestaandenwet een nabestaandenuitkering, en een wezenuitkering ingevolge de; 3e. een pensioen of uitkering toegekend krachtens een wettelijke regeling van Aruba, van Curaçao, van Sint Maarten, van een vreemde mogendheid of krachtens een wettelijke regeling die uitsluitend in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van toepassing is en naar aard en strekking overeenkomend met een algemeen pensioen als omschreven onder 1e of 2e; c. een belanghebbende: degene die recht heeft op een pensioen. 2 Algemene Ouderdomswet Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder het algemeen pensioen van de belanghebbende die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, mede begrepen het algemeen pensioen waarop zijn echtgenoot recht heeft, tenzij het echtpaar duurzaam gescheiden leeft. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt mede als echtgenoot aangemerkt degene die voor de toepassing van deals echtgenoot van de belanghebbende wordt aangemerkt. 3 artikel 101, vijfde lid artikel 102, eerste lid Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een pensioen als bedoeld in, dan wel enig ander pensioen als bedoeld in, voorzover dit pensioen of gedeelte daarvan is berekend over tijd voor 1 januari 1986, in aanmerking genomen. 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 27-07-2013 01-01-2013
Artikel 96 — Artikel 96 Volle-wezenpensioen#
Artikel 96 Volle-wezenpensioen Het pensioen waarop twee of meer volle wezen recht hebben wordt, indien het als een eenheid is toegekend, voor de toepassing van dit hoofdstuk geacht aan ieder van genoemde wezen te zijn toegekend tot een bedrag, gelijk aan dat pensioen gedeeld door hun aantal. 1969 594 10-12-1969 9636 1969 594 10-12-1969 9636 01-01-1966
Artikel 97 — Artikel 97 Inbouwbedrag#
Artikel 97 Inbouwbedrag 1 Voor een belanghebbende die tevens recht heeft op een algemeen pensioen, wordt het deel daarvan dat geacht kan worden betrekking te hebben op een tijd overeenkomende met de diensttijd, waarnaar zijn pensioen is of geacht wordt te zijn berekend, tot een maximum van 40 jaren, gerekend deel uit te maken van het bedrag van zijn pensioen, met dien verstande dat: Het in de vorige volzin omschreven deel wordt inbouwbedrag genoemd. a. voor zover diensttijd met 3,5 percent per jaar met pensioen wordt vergolden, deze diensttijd met 2 wordt vermenigvuldigd; b. voor zover diensttijd met 0,875 percent per jaar met pensioen wordt vergolden, deze diensttijd met 0,5 wordt vermenigvuldigd. 2 Het inbouwbedrag wordt berekend aan de hand van het bedrag van het algemeen pensioen zoals dat luidt op 1 januari van het jaar waarin het recht op ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen, bijzonder nabestaandenpensioen of wezenpensioen ontstaat. 3 Indien het bedrag van het algemeen pensioen op grond van persoonlijke omstandigheden wordt gewijzigd, wordt de pensioengrondslag herberekend. Het herberekende pensioen gaat in op dezelfde dag als waarop de bedoelde wijziging zich heeft voorgedaan. Indien de herberekening leidt tot een verhoging van het pensioen, gaat die verhoging niet vroeger in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de betrokkene kennis heeft gegeven van de wijziging van persoonlijke omstandigheden of waarin de verhoging ambtshalve plaatsvond. 4 Ten aanzien van hem die op het tijdstip met ingang waarvan voor hem recht op algemeen pensioen ontstaat, reeds recht op pensioen heeft, vindt het vorige lid toepassing met ingang van de eerste dag van de maand waarin het recht op algemeen pensioen is ontstaan, of zo veel later als het pensioen is ingegaan. 5 artikel 17 62 artikel 115, eerste lid Op een nabestaandenpensioen, niet zijnde een pensioen als bedoeld inof, dat is afgeleid van een pensioen waarop, in verband met het recht op een algemeen pensioen voor gehuwden, het eerste lid van toepassing was, vindt dat lid niet eerder toepassing dan met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op die waarin dat pensioen krachtens het bepaalde in, is geëindigd. 6 Het inbouwbedrag overschrijdt niet het bedrag van het algemeen pensioen, dat geacht kan worden betrekking te hebben op het tijdvak, liggende tussen de aanvang en het einde van de diensttijd waarnaar het pensioen is of geacht wordt te zijn berekend. 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 27-07-2013 01-01-2013
Artikel 98 — Artikel 98 Mededelingsplicht#
Artikel 98 Mededelingsplicht 1 Indien een belanghebbende een algemeen pensioen gaat genieten dan wel het genot van een algemeen pensioen of tijdelijke uitkering eindigt, of indien in het bedrag van het algemeen pensioen een wijziging wordt gebracht op grond van persoonlijke omstandigheden van hemzelf, zijn echtgenoot of zijn kinderen, is hij gehouden hiervan onverwijld kennis te geven aan Onze Minister. 2 Indien een belanghebbende de in het vorige lid bedoelde kennisgeving niet onverwijld doet, gaat een verlaging van het inbouwbedrag niet vroeger in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de kennisgeving werd gedaan of waarin ambtshalve vermindering van het inbouwbedrag plaatsvond. 1992 654 23-11-1992 22490 1992 654 23-11-1992 22490 18-12-1992 01-01-1986
Artikel 99 — Artikel 99 Algemeen pensioen en diensttijd#
Artikel 99 Algemeen pensioen en diensttijd artikel 97 Voor de toepassing vangeldt het volgende: a. artikel 1 van de Algemene Ouderdomswet Het algemeen pensioen wordt geacht betrekking te hebben op het tijdvak liggende tussen de tijdstippen waarop belanghebbende de aanvangsleeftijd en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld inheeft bereikt met dien verstande dat, indien een belanghebbende recht heeft op nabestaanden- of wezenpensioen, het vorenstaande overeenkomstige toepassing vindt in verband met degene aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend. b. artikel 115, eerste lid Het recht op een algemeen pensioen, dat bestond op de dag waarop de rechthebbende is overleden of sedert welke hij is vermist, wordt geacht voort te duren tot het tijdstip waarop diens pensioen krachtens het bepaalde in, is geëindigd. c. artikel 14, eerste lid, onder a, van de Algemene nabestaandenwet artikel 17, eerste lid, van de Algemene nabestaandenwet Indien een nabestaande recht heeft op nabestaandenuitkering op grond van, maar geen van de kinderen aan welke de nabestaande het recht op die nabestaandenuitkering ontleent recht heeft op pensioen, wordt uitsluitend uitgegaan van het bedrag van de nabestaandenuitkering, bedoeld in. d. Vervallen. e. artikel 1 van de Algemene Ouderdomswet Als diensttijd wordt uitsluitend in aanmerking genomen de diensttijd, gelegen tussen de tijdstippen, waarop de aanvangsleeftijd en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld inis bereikt. f. Stb. artikel 38, eerste lid De diensttijd, waarnaar een pensioen is berekend op grond van artikel 68, tweede lid, van de Pensioenwet 1922,240, zoals dit artikel luidde op 31 augustus 1956, van hem die na het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet de wens te kennen geeft als bedoeld in, wordt tot een maximum van 2,4 jaar vermenigvuldigd met 4,76. g. Een pensioen dat niet is berekend naar diensttijd wordt geacht te zijn berekend naar een diensttijd van 40 jaren. h. Diensttijd, waarnaar een pensioen is of geacht wordt te zijn berekend en die niet daadwerkelijk als politiek ambtsdrager is doorgebracht, wordt geacht aan te sluiten bij het einde van de ambtsvervulling waaraan het recht op pensioen is ontleend; voor zover dientengevolge deze diensttijd zich uitstrekt na het tijdstip waarop de pensioengerechtigde leeftijd is of zou zijn bereikt wordt die diensttijd, te rekenen van dat tijdstip, geacht te zijn doorgebracht, voor zover mogelijk gedurende tijdvakken van onderbreking van de daadwerkelijk als politiek ambtsdrager doorgebrachte tijd en voor het overige onmiddellijk voor de aanvang van de diensttijd waarnaar het pensioen is berekend. i. artikel 45 van de Algemene Ouderdomswet hoofdstuk 5 van de Algemene nabestaandenwet Van de diensttijd wordt buiten beschouwing gelaten de tijd, waarop betrekking heeft of geacht kan worden betrekking te hebben het bedrag van het algemeen pensioen, waarop aanspraak is verkregen door vrijwillige premiebetaling krachtensen. j. Algemene Ouderdomswet Algemene nabestaandenwet De vakantie-uitkeringen, bedoeld in deen de, worden geacht op overeenkomstige wijze als het algemeen pensioen in termijnen te worden uitbetaald. 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 27-07-2013 01-01-2013
Artikel 100 — Artikel 100 Gehuwde vrouw met recht op pensioen#
Artikel 100 Gehuwde vrouw met recht op pensioen artikel 97 Indien de belanghebbende een gehuwde vrouw is, wordt voor de toepassing vanuitgegaan van het algemeen pensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde. 1988 300 20-04-1988 19473 1988 300 20-04-1988 19473 01-01-1986
Artikel 101 — Artikel 101 Vermindering inbouwbedragen bij samenvallende diensttijd#
Artikel 101 Vermindering inbouwbedragen bij samenvallende diensttijd 1 Indien aan een belanghebbende meer dan een pensioen is of geacht wordt te zijn toegekend, en de diensttijd waarnaar die pensioenen zijn of geacht worden te zijn berekend geheel of gedeeltelijk samenvalt, overschrijdt de som van de inbouwbedragen - voor zover deze geacht kunnen worden betrekking te hebben op een tijd overeenkomende met de samenvallende diensttijd - niet het bedrag van het algemeen pensioen, dat geacht kan worden betrekking te hebben op een tijd overeenkomende met bedoelde samenvallende diensttijd. 2 Indien een overschrijding als bedoeld in het vorige lid plaats zou vinden, wordt het voor ieder pensioen berekende inbouwbedrag, voor zover betrekking hebbende op samenvallende diensttijd als bedoeld in het vorige lid, verminderd tot een zodanig deel van het bedrag van het algemeen pensioen bedoeld aan het slot van het vorige lid, als elk inbouwbedrag zich verhoudt tot de som van die bedragen. 3 Indien de som van de inbouwbedragen, ook na toepassing van het vorige lid, een bedrag gelijk aan 80 percent van het algemeen pensioen overschrijdt, wordt deze overschrijding in mindering gebracht op elk inbouwbedrag in de verhouding waarin elk van die bedragen staat tot de som daarvan. 4 Indien aan een belanghebbende pensioen is of geacht wordt te zijn toegekend en tevens pensioen krachtens een andere regeling, als bedoeld in het volgende lid, is - of voor de toepassing van met dit hoofdstuk overeenkomende bepalingen van die regeling geacht wordt te zijn - toegekend, vinden de vorige leden voor zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing. Het bepaalde in de vorige volzin geldt met dien verstande, dat indien het betreft pensioenen toegekend krachtens een militaire pensioenwet, voor de toepassing van dit artikel niet als diensttijd geldt de diensttijd, die krachtens die wet met vier per mille van de pensioengrondslag is vergolden. 5 Onder een pensioen krachtens een andere regeling als bedoeld in het vorige lid wordt verstaan een pensioen ten laste van de Nederlandse schatkist - anders dan ingevolge wettelijke garanties of ingevolge overneming van de verplichting tot betaling -, ten laste van Aruba, van Curaçao, van Sint Maarten, van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, van een publiekrechtelijk lichaam in Nederland of in evengenoemde landen, dan wel ten laste van een door het openbaar gezag in Nederland, in die landen of in die openbare lichamen ingesteld fonds. 6 Artikel 102, tweede lid Op verzoek van de belanghebbende wordt dit artikel overeenkomstig toegepast, indien aan diens echtgenoot een of meer pensioenen zijn of geacht worden te zijn toegekend, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling als bedoeld in het vijfde lid., is daarbij van overeenkomstige toepassing. 2010 830 24-12-2010 16-12-2010 32428 2010 831 24-12-2010 16-12-2010 01-01-2011 10-10-2010 Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 05.00 uur in het Europese deel van Nederland.
Artikel 102 — Artikel 102 Vermindering inbouwbedragen bij korting op particulier pensioen#
Artikel 102 Vermindering inbouwbedragen bij korting op particulier pensioen 1 artikel 101, vijfde lid artikel 99, onderdeel h Op verzoek van degene die aantoont, dat uit hoofde van zijn recht op algemeen pensioen een vermindering plaatsvindt van enig ander pensioen dan bedoeld in, wordt het bedrag van die vermindering voor zoveel mogelijk in mindering gebracht op het inbouwbedrag. De vorige volzin is slechts van toepassing voor zover bedoelde vermindering betrekking heeft op tijd die gelijktijdig in de desbetreffende betrekkingen is of geacht kan worden te zijn vervuld. Aan diensttijd die niet daadwerkelijk in dienstverhouding of als politiek ambtsdrager is doorgebracht wordt een plaats toegekend overeenkomstig het bepaalde bij. 2 De vermindering van het inbouwbedrag bedoeld in het vorige lid gaat in met de dag waarop de in dat lid bedoelde omstandigheid is opgetreden, met dien verstande dat deze niet vroeger ingaat dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin het desbetreffende verzoek werd ingediend. 3 Bij toepassing van het eerste lid wordt in geval op meer dan een pensioen recht bestaat, het bedrag van de in dat lid bedoelde vermindering op de inbouwbedragen in mindering gebracht naar verhouding van evenbedoelde bedragen. 4 Indien de som van het inbouwbedrag en de vermindering van het andere pensioen, ook na toepassing van de overige bepalingen van dit artikel, een bedrag gelijk aan 80 percent van het algemeen pensioen overschrijdt, wordt van deze overschrijding een deel in mindering gebracht op het inbouwbedrag, en wel in de verhouding waarin de diensttijd waarnaar het pensioen, waarop vorenbedoeld inbouwbedrag betrekking heeft, is of wordt geacht te zijn berekend, staat tot het totaal van de diensttijden. 5 artikel 101, vijfde lid Dit artikel is van overeenkomstige toepassing, indien een vermindering plaats vindt van enig ander pensioen dan bedoeld in, toegekend aan de echtgenoot van belanghebbende. 2004 493 05-10-2004 09-09-2004 29008 2004 493 05-10-2004 09-09-2004 29008 01-01-2005 16-07-2003
Artikel 103 — Artikel 103 Verrekening#
Artikel 103 Verrekening Indien een algemeen pensioen wordt toegekend of herzien over een tijdvak waarover reeds pensioen werd betaald en dientengevolge te veel pensioen is betaald, kan de Sociale verzekeringsbank het te veel betaalde pensioen ten behoeve van het lichaam te welks laste het pensioen komt, inhouden op het algemeen pensioen, voor zover betrekking hebbende op evengenoemd tijdvak. 2001 625 18-12-2001 29-11-2001 27665 2001 682 27-12-2001 13-12-2001 27665 01-01-2002
Artikel 104 — Artikel 104 Gemoedsbezwaren#
Artikel 104 Gemoedsbezwaren artikel 48 van de Algemene Ouderdomswet De bepalingen van dit hoofdstuk blijven buiten toepassing ten aanzien van degenen die op grond van gemoedsbezwaren hun recht op algemeen pensioen niet geldend maken, met dien verstande dat zij zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing vinden met betrekking tot diegenen van evenbedoelden, die recht hebben op een uitkering als bedoeld in. 1985 734 12-12-1985 1985 734 12-12-1985 01-04-1985
Artikel 105 — Artikel 105#
Artikel 105 1 tweede derde afdeling Wet privatisering ABP Een pensioen op grond van deof devan deze wet, daaronder niet begrepen de inbouw- en franchisebedragen, wordt telkens aangepast overeenkomstig een verhoging met de consumentenprijsindex van een pensioen van een gepensioneerde overheidswerknemer in de zin van dedie werkzaam is geweest bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 2 Indien aan een gepensioneerde overheidswerknemer, als bedoeld in het eerste lid, een eenmalige uitkering wordt toegekend, wordt aan degene die recht heeft op een pensioen, als bedoeld in dat lid, overeenkomstig een eenmalige uitkering toegekend. 3 Onze Minister kan regels stellen voor de toepassing van het eerste en het tweede lid. Deze regels werken zonodig terug tot en met de datum waarop een pensioenaanpassing is ingegaan of recht is ontstaan op een eenmalige uitkering. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 106 — Artikel 106 Inhoudingen#
Artikel 106 Inhoudingen 1 artikel 12, eerste lid, van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer artikel 11, eerste en tweede lid, van genoemde wet Artikel 13d Op de bezoldiging van de minister en op de schadeloosstelling van het lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, met inbegrip van de eventuele verhoging als fractievoorzitter, bedoeld in, en met inbegrip van de eventuele toelage als voorzitter of ondervoorzitter, bedoeld inworden, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen op de bezoldiging van degene die behoort tot het overheidspersoneel, ter zake van aanspraken bij werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden.is van overeenkomstige toepassing op de inhouding op de bezoldiging en de schadeloosstelling ter zake van aanspraken op ouderdom en overlijden. 2 Op de uitkering van de gewezen minister of het gewezen kamerlid worden, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen, bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen, terzake van aanspraken als bedoeld in het eerste lid, op een werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een voor overheidspersoneel getroffen regeling. 3 artikelen 8a 53a Geen inhouding van bedragen ter zake van aanspraken bij ouderdom en overlijden vindt plaats voor zover tijd niet meetelt als pensioendiensttijd en op uitkeringen bedoeld in deen, alsmede op een uitkering gedurende de tijd dat de betrokkene voor 55 procent of meer algemeen invalide is. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 107 — Artikel 107#
Artikel 107 1 Pensioenwet Op aanvraag van een gewezen minister of een gewezen kamerlid draagt het Rijk de waarde van de door de aanvrager krachtens de tweede respectievelijk derde afdeling van deze wet verkregen pensioenaanspraken over, overeenkomstig de bepalingen in deinzake waardeoverdracht. 2 artikel 71 van de Pensioenwet De bij of krachtensgestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing op de waardeoverdracht. 3 De waarde van de pensioenaanspraken die zijn verkregen uit hoofde van een recht op uitkering ter zake van ontslag of aftreden, wordt gerekend tot de waarde van de pensioenaanspraken, bedoeld in het eerste lid. Voor zover met de waarde van de pensioenaanspraken uit hoofde van het recht op uitkering bij de waardeoverdracht geen rekening is gehouden, wordt deze waarde na afloop van het recht op uitkering overgedragen, op dezelfde wijze als is bepaald in het eerste lid. 4 Pensioenwet Voor de toepassing van dewordt het Rijk ter uitvoering van dit artikel beschouwd als een overdragende pensioenuitvoerder. 5 Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, regels stellen inzake de waardeoverdracht van de pensioenaanspraken van een minister of een kamerlid. 2007 189 05-06-2007 11-05-2007 30898 2007 189 05-06-2007 11-05-2007 30898 06-06-2007 01-01-2007
Artikel 108 — Artikel 108#
Artikel 108 1 Pensioenwet Op aanvraag van een minister of een kamerlid is het Rijk verplicht om de waarde van door betrokkene opgebouwde pensioenaanspraken aan te wenden ter verwerving van pensioenaanspraken op grond van de tweede respectievelijk derde afdeling van deze wet. Deze waardeoverdracht geschiedt overeenkomstig de voorwaarden die in deaan een ontvangende pensioenuitvoerder worden gesteld met betrekking tot de waardeoverdracht van opgebouwde pensioenaanspraken. 2 tweede derde afdeling tweede derde afdeling De overgedragen pensioenaanspraken worden beschouwd als aanspraken krachtens de, respectievelijkvan deze wet en behandeld als een geheel met de aanspraken die de minister of het kamerlid verkrijgt krachtens derespectievelijkvan deze wet. 3 artikel 71 van de Pensioenwet De bij of krachtensgestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing op de waardeoverdracht. 4 Pensioenwet Voor de toepassing van dewordt het Rijk ter uitvoering van dit artikel beschouwd als een ontvangende pensioenuitvoerder in de zin van die wet. 5 Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, regels stellen inzake de waardeoverdracht van de pensioenaanspraken van een minister of een kamerlid. 2007 189 05-06-2007 11-05-2007 30898 2007 189 05-06-2007 11-05-2007 30898 06-06-2007 01-01-2007
Artikel 109 — Artikel 109 Toekenning pensioen; voorschotverlening#
Artikel 109 Toekenning pensioen; voorschotverlening 1 Onze Minister beslist over de toekenning van pensioen op aanvraag door of vanwege de betrokkene. 2 Onze Minister is bevoegd een pensioen ambtshalve toe te kennen. 3 Onze Minister is voorts bevoegd een voorschot op een pensioen te verlenen. 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 110 — Artikel 110 Pensioenbeschikking#
Artikel 110 Pensioenbeschikking In een beschikking tot toekenning van pensioen worden de voor het pensioen medetellende diensttijd alsmede het bedrag waarover het pensioen wordt berekend vastgesteld. 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 111 — Artikel 111 Vrijdom van leges#
Artikel 111 Vrijdom van leges De stukken die Onze Minister nodig acht voor de toepassing van deze paragraaf zijn vrij van leges. 1969 594 10-12-1969 9636 1969 594 10-12-1969 9636 01-01-1966
Artikel 112 — Artikel 112 Ingang eigen pensioen#
Artikel 112 Ingang eigen pensioen Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 113 — Artikel 113 Ingang nabestaanden- en wezenpensioen en tijdelijk pensioen#
Artikel 113 Ingang nabestaanden- en wezenpensioen en tijdelijk pensioen Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 114 — Artikel 114 Ingang hersteld pensioen#
Artikel 114 Ingang hersteld pensioen Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 115 — Artikel 115 Einde pensioen#
Artikel 115 Einde pensioen 1 Elk pensioen eindigt met het einde van de maand waarin de rechthebbende is overleden. In geval van vermissing van de rechthebbende eindigt het pensioen met een door Onze Minister te bepalen dag. 2 Het tijdelijk pensioen eindigt wanneer de vermiste in leven blijkt te zijn, met een door Onze Minister te bepalen dag. 3 artikel 29 Een pensioen waarop het recht krachtensvervallen is verklaard, eindigt met het einde van de maand waarin de beslissing inzake het vervallen verklaren is genomen. 4 Het wezenpensioen voorts eindigt op de laatste dag van de maand waarin de wees: a. vijfentwintig jaar is geworden of betrokken is bij een partnerschap; of b. wettig kind is geworden van een ander dan degene aan wiens overlijden het recht op wezenpensioen wordt ontleend. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 116 — Artikel 116 Overlijdensuitkering#
Artikel 116 Overlijdensuitkering 1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een gepensioneerd minister of gepensioneerd kamerlid wordt aan diens partner, van wie hij niet duurzaam gescheiden leefde, een uitkering toegekend ten bedrage van het pensioen van die minister of dat kamerlid over een tijdvak van twee maanden. Bij ontstentenis van een partner van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de uitkering ten behoeve van wezen die aan het overlijden van de gepensioneerde op grond van deze wet recht op wezenpensioen ontlenen. 2 Indien de overleden gepensioneerde geen betrekkingen als bedoeld in het vorige lid nalaat, kan het daarbedoelde bedrag door Onze Minister geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is. 3 hoofdstuk 17 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder pensioen verstaan het bedrag waarop de overledene recht had, eventueel na toepassing van. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 117 — Artikel 117 Terugvordering#
Artikel 117 Terugvordering 1 artikel 115 artikel 116 Indien meer pensioen is betaald dan overeenstemt met, wordt het te veel betaalde teruggevorderd voor zover geen verrekening daarvan kan plaatsvinden met een uitkering krachtens. 2 artikel 116 Indien een vermiste in leven blijkt te zijn, kan hetgeen aan tijdelijk pensioen en aan uitkering, bedoeld in, is betaald worden teruggevorderd. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 118 — Artikel 118 Maandbetaling#
Artikel 118 Maandbetaling 1 Onze Minister draagt zorg voor de betaling van de pensioenen. De betaling geschiedt in maandelijkse termijnen. 2 Wij geven bij algemene maatregel van bestuur voorschriften omtrent wijze en voorwaarden van de betaling. Daarbij kunnen Wij tevens regelen stellen met betrekking tot de betaling van bepaalde pensioenen over tijdvakken van langer dan een maand. 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 27-07-2013 01-01-2013
Artikel 119 — Artikel 119 Pensioenbetaling zonder machtiging aan een ander dan gepensioneerde#
Artikel 119 Pensioenbetaling zonder machtiging aan een ander dan gepensioneerde 1 Indien een gepensioneerde in een inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen of, niet opgenomen zijnde in een zodanige inrichting, op grond van geestelijke gestoordheid niet in staat is kwijting te verlenen voor de uitbetaling van pensioen, is Onze Minister bevoegd het pensioen uit te betalen aan een door hem aan te wijzen persoon of instelling. In andere door hem aan te wijzen bijzondere gevallen is Onze Minister eveneens bevoegd het pensioen in plaats van aan de gepensioneerde zonder diens machtiging uit te betalen aan een door hem aan te wijzen persoon of instelling. 2 Wet langdurige zorg artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet Indien een gepensioneerde ingevolge het bepaalde bij of krachtens deeen bijdrage verschuldigd is in de kosten van zorg, is Onze Minister bevoegd het pensioen tot ten hoogste het bedrag van die bijdrage in de plaats van aan de gepensioneerde zonder diens machtiging uit te betalen aan het Zorginstituut Nederland, genoemd in. 3 Indien het bepaalde in het vorige lid toepassing vindt, heeft de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte van het pensioen, dat niet aan het in het tweede lid bedoelde orgaan wordt uitbetaald. 2014 494 12-12-2014 03-12-2014 33891 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 120 — Artikel 120 Verval van pensioentermijnen#
Artikel 120 Verval van pensioentermijnen 1 Onze Minister betaalt de termijnen van een pensioen niet meer uit indien deze niet zijn ingevorderd binnen twee jaren na het einde van het tijdvak waarover zij zijn verschuldigd. 2 Indien naar het oordeel van Onze Minister de belanghebbende redelijkerwijs niet geacht kan worden in gebreke te zijn geweest vindt het vorige lid geen toepassing. 1969 594 10-12-1969 9636 1969 594 10-12-1969 9636 01-01-1966
Artikel 121 — Artikel 121 Beroep#
Artikel 121 Beroep Vijfde Afdeling De besluiten ter uitvoering van deze wet, met uitzondering van de, worden genomen door Onze Minister. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 122 — Artikel 122 Herziening, wijziging en herstel#
Artikel 122 Herziening, wijziging en herstel 1 Onze Minister herziet een door hem genomen beslissing, indien: a. aan die beslissing een feitelijke onjuistheid ten grondslag ligt; b. na die beslissing blijkt dat aan die beslissing andere feiten ten grondslag dienen te worden gelegd. 2 Indien na een beslissing van Onze Minister de feiten waarmede in die beslissing rekening is gehouden zodanig zijn gewijzigd, dat deze beslissing anders zou luiden als zij nog genomen zou moeten worden, wijzigt Onze Minister de beslissing, rekening houdend met de gewijzigde feiten. 3 artikel 105 Onze Minister herstelt een door hem genomen beslissing omtrent toekenning - inbegrepen aanpassing overeenkomstig-, herziening, wijziging of betaalbaarstelling van een pensioen, indien daarin een onjuistheid, anders dan bedoeld in de vorige leden, voorkomt. 4 Indien vijf jaren zijn verstreken na de dagtekening van een overeenkomstig de vorige leden voor herziening, wijziging of herstel vatbare beslissing, kan Onze Minister die leden buiten toepassing laten. 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 123 — Artikel 123#
Artikel 123 1 Een herzieningsbeslissing, een wijzigingsbeslissing en een herstelbeslissing vermelden de dag van de inwerkingtreding. Bij een herzieningsbeslissing is deze dag dezelfde als die waarop de herziene beslissing in werking is getreden, tenzij een latere dag wordt bepaald. 2 Een herzieningsbeslissing leidt niet tot terugvordering of verrekening van reeds betaalde bedragen, tenzij de betrokkene redelijkerwijze had moeten begrijpen, dat hem te veel werd uitbetaald. 3 Een wijzigingsbeslissing leidt slechts tot terugvordering of verrekening van reeds betaalde bedragen indien de betrokkene, hoewel enige bepaling van deze wet hem daartoe verplicht of dit redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht, heeft nagelaten aan Onze Minister mededeling te doen van een wijziging in de feiten. 4 artikel 117 In afwijking van de vorige twee leden en onverminderdis Onze Minister bevoegd tot terugvordering of verrekening van te veel betaalde bedragen, indien de herzieningsbeslissing, onderscheidenlijk de wijzigingsbeslissing is genomen binnen vier maanden na de dagtekening van de herziene beslissing, onderscheidenlijk binnen vier maanden nadat Onze Minister bericht heeft ontvangen van wijziging in de feiten. 5 artikel 122, derde lid Herstel van een beslissing, als bedoeld in, binnen vier maanden na de dagtekening van de herstelde beslissing, leidt tot terugvordering of verrekening van te veel betaalde pensioenbedragen. Herstel van een beslissing, als bedoeld in de vorige volzin, na de daargenoemde termijn, leidt slechts tot terugvordering of verrekening van te veel betaalde pensioenbedragen, indien de betrokkene redelijkerwijze had moeten begrijpen, dat hem te veel werd uitbetaald. 1974 330 29-05-1974 11049 1974 330 29-05-1974 11049 01-07-1974
Artikel 124 — Artikel 124 Samenloop van pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling en samenloop van een of meer van die pensioenen met een pensioen krachtens een andere regeling (behoort bij hoofdstuk 16)#
Artikel 124 Samenloop van pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling en samenloop van een of meer van die pensioenen met een pensioen krachtens een andere regeling (behoort bij hoofdstuk 16) Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 125 — Artikel 125 Samenloop van pensioen en algemeen pensioen (behoort bij hoofdstuk 17)#
Artikel 125 Samenloop van pensioen en algemeen pensioen (behoort bij hoofdstuk 17) Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 126 — Artikel 126#
Artikel 126 Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 127 — Artikel 127#
Artikel 127 Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 128 — Artikel 128 Betaling AOW/AWW-premie (behoort bij hoofdstuk 18)#
Artikel 128 Betaling AOW/AWW-premie (behoort bij hoofdstuk 18) Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 129 — Artikel 129 Beroep en herziening#
Artikel 129 Beroep en herziening Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 130 — Artikel 130#
Artikel 130 1 Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op burgemeesters en wethouders, met dien verstande dat wordt gelezen voor: a. lid van gedeputeerde staten: burgemeester of wethouder; b. provincie: gemeente; c. provinciale staten: de raad; d. gedeputeerde staten: college van burgemeester en wethouders. 2 Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op voorzitters en leden van het dagelijks bestuur van een waterschap, met dien verstande dat wordt gelezen voor: a. lid van gedeputeerde staten: lid van het dagelijks bestuur van een waterschap, waaronder de voorzitter; b. provincie: waterschap; c. provinciale staten: het algemeen bestuur van een waterschap; d. gedeputeerde staten: het dagelijks bestuur van een waterschap. 3 Onder lid van gedeputeerde staten wordt voor de toepassing van deze afdeling en de daarop gebaseerde bepalingen verstaan: de commissaris van de Koning of de gedeputeerde. 4 hoofdstukken 22 tot en met 29 In afwijking van het eerste, tweede en derde lid, zijn deniet van toepassing op de commissaris van de Koning, de burgemeester alsmede op de voorzitter en de leden van het dagelijks bestuur van het waterschap waarvan de aan hun functie verbonden werkzaamheden een dagtaak vormen. Voor de toepassing van de hoofdstukken 22 tot en met 29 wordt verstaan onder: a. gewezen lid van gedeputeerde staten: hij die uit hoofde van een ontslag uitzicht op pensioen heeft; b. gepensioneerd lid van gedeputeerde staten: hij die uit hoofde van een ontslag recht heeft op pensioen; c. bezoldiging: bezoldiging inclusief vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, waarop het gewezen of gepensioneerd lid van gedeputeerde staten op de dag voorafgaande aan de dag, waarop hij ophield lid van gedeputeerde staten te zijn, aanspraak had, tenzij uit de desbetreffende bepaling het tegendeel blijkt; d. deeltijdfactor: een breuk waarvan de teller wordt gevormd door de genoten bezoldiging exclusief de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, en de noemer door het tot een jaarbedrag herleide bedrag waarvan die bezoldiging is afgeleid. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 130a — Artikel 130a#
Artikel 130a artikel 44b van de Provinciewet Deze afdeling is niet van toepassing op een gedeputeerde die is benoemd met toepassing van. 2011 375 02-08-2011 06-07-2011 32209 2011 375 02-08-2011 06-07-2011 32209 03-08-2011
Artikel 130b — Artikel 130b#
Artikel 130b 1 Tenzij in de volgende leden anders is bepaald, is deze afdeling van overeenkomstige toepassing op de Rijksvertegenwoordiger, met dien verstande dat wordt gelezen voor: a. lid van gedeputeerde staten: Rijksvertegenwoordiger; b. provincie: Rijk; c. provinciale staten: Onze Minister; d. gedeputeerde staten: Onze Minister. 2 artikel 132, zesde lid artikel 136 Voor zover het de Rijksvertegenwoordiger betreft, kunnen Wij in bijzondere gevallen, de Raad van State gehoord, in afwijking van, bepalen, dat de uitkering wordt voortgezet voor een, met inachtneming vanvast te stellen termijn, die op dezelfde wijze kan worden verlengd. 3 artikel 137a Voor de toepassing vanwordt gelezen voor: a. artikel 76, eerste lid, van de Provinciewet artikel 200, eerste lid, Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba :; b. commissaris van de Koning: Rijksvertegenwoordiger. 4 artikel 152, tweede lid In afwijking van, kunnen Wij, de Raad van State gehoord, een door of als gevolg van de toepassing van artikel 152, eerste lid, vervallen recht op pensioen herstellen. 2010 830 24-12-2010 16-12-2010 32428 2010 831 24-12-2010 16-12-2010 01-01-2011 10-10-2010 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is. Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 05.00 uur in het Europese deel van Nederland.
Artikel 131 — Artikel 131#
Artikel 131 1 Een lid van gedeputeerde staten heeft met ingang van de dag van zijn ontslag recht op een uitkering ten laste van de provincie op de voet van de volgende artikelen, indien hij nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en hij niet zonder onderbreking weer als lid van gedeputeerde staten optreedt in een betrekking van ten minste gelijke omvang. 2 artikel 134 De uitkering of, na verrekening ingevolge, het restant van de uitkering wordt niet uitbetaald: a. artikel 132a, vierde lid, onder c voor zover en voor de periode dat de belanghebbende daarom met het oog op de toepassing van, verzoekt; b. voor de periode dat aan de belanghebbende rechtens zijn vrijheid is ontnomen; c. voor de periode dat de belanghebbende zicht onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel; d. artikel 19, tiende, dertiende en veertiende lid, van de Werkloosheidswet voor de periode dat de belanghebbende buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie, met dien verstande datalsmede de regels die op grond van genoemd tiende lid gesteld zijn, van overeenkomstige toepassing zijn; e. voor de periode dat de belanghebbende vakantie geniet buiten de bij algemene maatregel van bestuur gestelde periode. 3 artikel 132, eerste of vierde lid Het niet uitbetalen van de uitkering op grond van het tweede lid, is niet van invloed op de met toepassing van, berekende duur waarvoor de uitkering is toegekend. 2024 391 10-12-2024 23-10-2024 36481 2024 391 10-12-2024 23-10-2024 36481 11-12-2024 01-07-2022
Artikel 132 — Artikel 132#
Artikel 132 1 De uitkering wordt toegekend voor een duur gelijk aan de tijd waarin de belanghebbende lid van gedeputeerde staten is geweest, maar tenminste voor de duur van twee jaren en ten hoogste voor de duur van drie jaren en twee maanden. Indien de belanghebbende met een of meer onderbrekingen lid van gedeputeerde staten is geweest, wordt in aanmerking genomen de tijd gedurende welke hij lid van gedeputeerde staten is geweest in een tijdvak, laatstelijk voordat hij ophield lid van gedeputeerde staten te zijn, waarin zijn lidmaatschap van gedeputeerde staten voor ten hoogste een zesde deel van dat tijdvak is onderbroken. 2 Als de belanghebbende ten tijde van zijn aftreden vijf jaren of minder verwijderd is van de voor hem van toepassing zijnde pensioengerechtigde leeftijd en hij in de daaraan voorafgaande periode van twaalf jaren ten minste tien jaren lid van gedeputeerde staten is geweest, wordt de uitkering voortgezet tot de pensioengerechtigde leeftijd. 3 artikel 2, tweede lid, onder a, b en d Voor de berekening van de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, en de tien jaren, bedoeld in het tweede lid, wordt met tijd waarin de belanghebbende lid van gedeputeerde staten is geweest gelijkgesteld de tijd waarin hij een functie heeft bekleed als genoemd in. Indien sprake is van gelijkgestelde tijd als bedoeld in de vorige zin wordt met betrekking tot die tijd op dezelfde wijze als in de tweede zin van het eerste lid rekening gehouden met onderbrekingen in de uitoefening van deze functies. 4 In afwijking van het eerste lid wordt de uitkering toegekend voor de duur van zes maanden, indien de belanghebbende korter dan drie maanden lid van gedeputeerde staten is geweest. 5 artikel 136, tweede lid, onder b In geval van tussentijds vervallen van de uitkering krachtens, wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het tijdstip, waarop eerstgenoemde uitkering, indien zij niet was vervallen, zou zijn geëindigd. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 132a — Artikel 132a#
Artikel 132a 1 artikel 131 De belanghebbende aan wie een uitkering als bedoeld ingeheel of gedeeltelijk wordt uitbetaald en die niet binnen twaalf maanden de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, is verplicht: a. in voldoende mate te trachten passende arbeid te vinden; b. aangeboden passende arbeid te aanvaarden; c. mee te werken aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid. 2 De belanghebbende voorkomt dat hij: a. door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt; b. door eigen toedoen passende arbeid opgeeft; c. eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren. 3 Artikel 7a, derde lid , is van overeenkomstige toepassing op een lid van gedeputeerde staten. 4 Dit artikel is niet van toepassing: a. artikel 133, tweede lid artikel 2, tweede lid op de belanghebbende die inkomsten geniet ten bedrage van 100% van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in, of op de belanghebbende die een ambt heeft aanvaard als bedoeld in, en daaruit inkomsten geniet ten bedrage van 70% of meer van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 133, tweede lid; b. artikel 133a op de belanghebbende die recht heeft op een voortgezette uitkering ingevolge; c. voor de periode dat de belanghebbende die verzoekt af te zien van de uitbetaling van de gehele uitkering. 5 Dit artikel is niet van toepassing gedurende de eerste drie maanden na het aftreden van de belanghebbende. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 132b — Artikel 132b#
Artikel 132b 1 artikel 132a Gedeputeerde staten kunnen de belanghebbende, bedoeld in, verplichten zich bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid planmatig te laten begeleiden en ondersteunen. 2 Gedeputeerde staten verstrekken de belanghebbende een tegemoetkoming in de kosten van planmatige begeleiding en ondersteuning bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid. 3 artikel 133, tweede lid De tegemoetkoming bedraagt ten hoogste 20% van de laatstelijk per jaar genoten wedde, bedoeld in. De verplichte planmatige begeleiding en ondersteuning, bedoeld in het eerste lid, wordt volledig vergoed. 4 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent: a. de aanvraag voor tegemoetkoming in de kosten; b. de voor vergoeding in aanmerking komende kosten; c. de eisen die worden gesteld aan de organisatie die de planmatige ondersteuning uitvoert. 2026 94 23-04-2026 08-04-2026 36824 2026 94 23-04-2026 08-04-2026 36824 24-04-2026 12-02-2025
Artikel 132c — Artikel 132c#
Artikel 132c 1 artikel 132a 132b Indien de belanghebbende een bij of krachtensofgeregelde verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, besluiten gedeputeerde staten tot gehele of gedeeltelijke inhouding van de uitkering. Gedeputeerde staten zijn bevoegd tot verrekening van de inhouding van de uitkering met betalingen aan belanghebbende op grond van deze wet. 2 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van het eerste lid. 2026 94 23-04-2026 08-04-2026 36824 2026 94 23-04-2026 08-04-2026 36824 24-04-2026 12-02-2025
Artikel 133 — Artikel 133#
Artikel 133 1 De uitkering bedraagt gedurende het eerste jaar 80% en vervolgens 70% van de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten genoten bezoldiging. 2 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder laatstelijk genoten bezoldiging verstaan de bezoldiging, waarop de belanghebbende op de dag voorafgaande aan de dag, waarop hij heeft opgehouden lid van gedeputeerde staten te zijn, aanspraak had of bij waarneming van zijn ambt zou hebben gehad. 3 Indien voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt de in het eerste lid bedoelde laatstelijk genoten bezoldiging voor de toepassing van dat lid met ingang van het tijdstip van ingang van die wijziging door Onze Minister overeenkomstig de wijziging aangepast. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 133a — Artikel 133a#
Artikel 133a 1 artikel 136 artikel 133b Indien de belanghebbende op de dag waarop de duur van de uitkering eindigt geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is, wordt, met inachtneming van, de uitkering voor de duur van de invaliditeit voortgezet op de voet van. 2 hoofdstuk 2 van de Wet sociale werkvoorziening Algemeen invalide, geheel of gedeeltelijk, in de zin van deze wet is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid wordt niet begrepen arbeid op grond van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in. 3 Bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit wordt buiten beschouwing gelaten of de betrokkene de arbeid feitelijk kan verkrijgen. 4 Indien de betrokkene zonder redelijke grond weigert deel te nemen aan een voor hem gewenste opleiding of scholing of onvoldoende meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan, wordt er bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit van uitgegaan dat die opleiding of scholing is afgerond. 5 Bij een algemene invaliditeit van minder dan 25 percent wordt de uitkering niet voortgezet. 1997 465 16-10-1997 11-09-1997 24787 1997 466 16-10-1997 06-10-1997 01-01-1998
Artikel 133b — Artikel 133b#
Artikel 133b 1 De voortzetting van de uitkering vindt plaats als aangegeven in het tweede en derde lid en vervolgens als aangegeven in het vierde en het vijfde lid van dit artikel. 2 artikel 133 De uitkering bedraagt gedurende een periode als aangegeven in het derde lid 70% van de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten genoten bezoldiging, bedoeld in, bij een algemene invaliditeit van 80% of meer, 60% van die bezoldiging bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80% en 40% van die bezoldiging bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%. 3 De in het tweede lid bedoelde periode is ten hoogste voor de belanghebbende die op het tijdstip van voortzetting van de uitkering: jonger is dan 33 jaar: nihil. 58 jaar of ouder is: zes jaar; 53 jaar of ouder is: drie jaar; 48 jaar of ouder is: twee jaar; 43 jaar of ouder is: anderhalf jaar; 38 jaar of ouder is: een jaar; 33 jaar of ouder is: een half jaar, en 4 artikel 133 De uitkering bedraagt na afloop van de volgens het derde lid bepaalde periode een percentage, volgens het tweede lid, van een bedrag gelijk aan het minimumloon verhoogd met een percentage van het verschil tussen de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten genoten bezoldiging, bedoeld in, en het minimumloon. 5 Voor de berekening van het in het vierde lid bedoelde bedrag geldt een percentage van 2 maal het aantal verstreken jaren tussen het 15e jaar en de leeftijd van de betrokkene op het tijdstip van voortzetting van de uitkering. 6 a artikel 8, eerste lid, onderdeel, van de Wet mimimumloon en minimumvakantiebijslag artikel 7, derde lid artikel 8, derde lid, van de genoemde wet artikel 15 van die wet Het minimumloon, bedoeld in het vierde lid, is het tot een jaarbedrag herleide minimumloon per maand, bedoeld inof, indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het tot een jaarbedrag herleide voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand, bedoeld in, en, beide vermeerderd met de daarover berekende vakantietoeslag, bedoeld in. 7 De belanghebbende heeft recht op een aanvulling van de uitkering, indien die uitkering minder bedraagt dan het volgens het tweede lid vastgestelde percentage van de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten genoten bezoldiging. 8 De aanvulling is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het zevende lid bedoelde percentage van de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten genoten bezoldiging. 9 artikel 160, eerste lid In afwijking van het achtste lid is de aanvulling gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het tiende lid aangegeven percentage van de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten genoten bezoldiging, indien de belanghebbende de keuze heeft gemaakt voor een verlaging van de inhouding ingevolge. 10 Het in het negende lid bedoelde percentage bedraagt bij een algemene invaliditeit van 80% of meer 65%, bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80%: 56% en bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%: 37%. 11 artikel 160, eerste lid artikel 8b, elfde lid Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in, worden regels gesteld met betrekking tot de verlaging, bedoeld in het negende lid. Regels op grond van, zijn van overeenkomstige toepassing op de in het negende lid bedoelde keuze. 12 artikel 134 Indien de wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering te zamen met inkomsten, bedoeld in, minder bedraagt dan het minimumloon wordt de uitkering verhoogd tot het minimumloon. De verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen de uitkering en het bedrag waarvan deze is afgeleid en tevens niet meer dan 30% van het minimumloon. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 133c — Artikel 133c#
Artikel 133c 1 artikel 133a De voortzetting van de uitkering, bedoeld in, geschiedt op aanvraag van de belanghebbende en voor termijnen van niet langer dan drie jaar, onverminderd het in deze wet bepaalde over herziening of intrekking van de uitkering. 2 Gedeputeerde staten stellen de belanghebbende uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis van de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag tot voortzetting van de uitkering na afloop van die termijn. 3 Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt door de belanghebbende uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn gedaan. 4 Indien gedeputeerde staten niet tijdig beslissen op een tijdig ingediende aanvraag als bedoeld in het derde lid, wordt de uitkering voortgezet tot het tijdstip van de beslissing op de aanvraag. 5 Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt geacht tijdig te zijn ingediend indien gedeputeerde staten de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, niet hebben gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving als bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen een maand nadat deze kennisgeving is ontvangen. 6 Indien de uitkering na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn wordt voortgezet, wordt de uitkering berekend op de wijze die van toepassing zou zijn geweest indien die termijn niet zou zijn afgelopen. 7 artikel 8c, zevende lid Bepalingen op grond van, zijn van overeenkomstige toepassing op in het eerste lid bedoelde belanghebbenden. 2001 365 14-08-2001 14-06-2001 27220 2001 365 14-08-2001 14-06-2001 27220 15-08-2001 25-03-2000 2001 364 14-08-2001 14-06-2001 26043
Artikel 133d — Artikel 133d#
Artikel 133d 1 artikel 133a Binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering voor de eerste maal met toepassing vanis voortgezet, doen gedeputeerde staten een onderzoek instellen ten einde te doen bezien of er als gevolg van gronden die invloed hebben op de mate van algemene invaliditeit redenen aanwezig zijn voor herziening of intrekking van de uitkering. 2 artikel 8d, tweede lid Bepalingen op grond van, zijn van overeenkomstige toepassing op het in het eerste lid bedoelde onderzoek. 3 Gedeputeerde staten wijzigen ambtshalve of op aanvraag van de belanghebbende het bedrag van de uitkering bij wijziging van de mate van algemene invaliditeit. 4 Een wijziging van het bedrag van de uitkering gaat in: a. indien daartoe een aanvraag is ingediend, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de aanvraag is ingekomen; b. indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de beslissing tot wijziging is genomen. 5 artikel 133a De toepassing vanwordt ten aanzien van een belanghebbende gestaakt indien en zolang hij niet voldoet aan een uitnodiging van gedeputeerde staten zich te onderwerpen aan een onderzoek door een of meer door hen aangewezen geneeskundigen ter beantwoording van de vraag, of er nog sprake is van algemene invaliditeit. 6 artikel 133a, tweede lid artikel 133a, tweede lid Indien degene die recht heeft op wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering inkomsten uit of in verband met arbeid geniet, zijn gedeputeerde staten bevoegd, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in, kan worden aangemerkt, niet tot herziening of intrekking van de uitkering over te gaan. De toepassing van de eerste volzin vindt ten hoogste plaats over een aaneengesloten periode van drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit of in verband met arbeid bedoeld in de eerste volzin worden genoten. Deze periode wordt geacht niet te zijn onderbroken indien korter dan een maand geen inkomsten uit of in verband worden genoten. Na afloop van de in de tweede volzin genoemde periode wordt de in de eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in. 2010 72 26-02-2010 17-02-2010 30424 2010 72 26-02-2010 17-02-2010 30424 27-02-2010
Artikel 133e — Artikel 133e#
Artikel 133e 1 a artikel 133, tweede lid Op verzoek van een lid van gedeputeerde staten doen provinciale staten een onderzoek instellen, door een of meer door hen aangewezen geneeskundigen, ter beantwoording van de vraag of het lid van gedeputeerde staten dat het verzoek deed algemeen invalide is als bedoeld in. 2 Provinciale staten brengen de uitkomst van een onderzoek als bedoeld in het eerste lid ter kennis van de verzoeker. 2001 365 14-08-2001 14-06-2001 27220 2001 365 14-08-2001 14-06-2001 27220 15-08-2001 25-03-2000 2001 364 14-08-2001 14-06-2001 26043
Artikel 134 — Artikel 134#
Artikel 134 1 Wet inkomstenbelasting 2001 De inkomsten die de belanghebbende geniet, worden bepaald overeenkomstig de regels van deen worden met de uitkering verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben. 2 Voor de toepassing van het eerste lid worden onder inkomsten verstaan het gezamenlijk bedrag dat de belanghebbende wegens het verrichten van activiteiten, ter hand genomen met ingang van of na de dag waarop hij heeft opgehouden lid van gedeputeerde staten te zijn, geniet als Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten Onder inkomsten bedoeld in de vorige volzin, wordt mede verstaan een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een inkomensvoorziening krachtens deof de. a. artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 winst uit een of meer ondernemingen, bedoeld in; b. belastbaar loon uit of in verband met arbeid en c. artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001 belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, behoudens voorzover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de, en. 3 Voor de toepassing van de vorige leden worden mede als inkomsten aangemerkt: a. de inkomsten wegens in het tweede lid bedoelde activiteiten ter hand genomen door de belanghebbende binnen één jaar, onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van aftreden; b. de inkomsten die worden genoten uit een betrekking waarin hij gedurende zijn zittingstijd als lid van gedeputeerde staten op non-activiteit was gesteld; c. de vaste vergoeding die wordt genoten als lid van provinciale staten. 4 Indien de belanghebbende op of na de dag bedoeld in het tweede lid inkomsten of hogere inkomsten, anders dan ten gevolge van algemene loonsverhogingen, verkrijgt uit in het tweede lid bedoelde activiteiten ter hand genomen voor de dag van aftreden, anders dan bedoeld in het derde lid, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van toepassing. 5 artikel 132c, eerste lid De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmede de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, de laatstelijk genoten bezoldiging, waarvan de uitkering is afgeleid, overschrijdt. Bij de verrekening wordt voor de hoogte van de uitkering de op grond van, opgelegde inhouding buiten beschouwing gelaten. 6 Algemene Ouderdomswet Algemene nabestaandenwet Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden wordt niet verstaan kinderbijslag alsmede de compensatie voor de premie ingevolge deen de, welke in die inkomsten is of geacht kan worden te zijn begrepen. De vorige volzin is wat betreft de premiecompensatie slechts van toepassing voor zover de daar bedoelde inkomsten betrekking hebben of kunnen worden geacht betrekking te hebben op een tijdvak gelegen voor 1 juni 1985. 7 artikel 9, zesde lid artikel 132, zesde lid artikel 133a Een ministeriële regeling op grond van, geldt mede voor de toepassing van dit artikel, ten aanzien van de voortgezette uitkering bedoeld in, en in. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 134a — Artikel 134a#
Artikel 134a 1 artikel 134, tweede lid artikel 9a, eerste lid, derde volzin De belanghebbende is verplicht van het ter hand nemen van enige activiteiten als bedoeld in, terstond mededeling te doen aan gedeputeerde staten onder opgave, voor zover mogelijk, van de inkomsten die hij uit die activiteiten zal trekken. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten, die hij sinds het ter hand nemen van de activiteiten of sinds de vorige opgave heeft genoten. Voorschriften, bedoeld in, zijn van overeenkomstige toepassing. 2 artikel 134 Brengt de aard van de activiteiten of van de inkomsten mede, dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op de uitkering een vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het eind van de evenbedoelde termijn. Ten aanzien van deze verrekening isvan toepassing, met dien verstande dat zij geschiedt over de in de vorige volzin bedoelde langere termijn in plaats van over iedere maand afzonderlijk. 3 Gedeputeerde staten kunnen bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering van de opgave van de belanghebbende afwijken. 4 De belanghebbende aan wie uitkering is toegekend, wordt door het aanvaarden van de uitkering geacht erin toe te stemmen dat allen, die daarvoor naar het oordeel van gedeputeerde staten in aanmerking komen, omtrent zijn omstandigheden alle inlichtingen geven, welke voor de uitvoering van dit hoofdstuk noodzakelijk zijn. 2001 365 14-08-2001 14-06-2001 27220 2001 365 14-08-2001 14-06-2001 27220 15-08-2001 25-03-2000 2001 364 14-08-2001 14-06-2001 26043
Artikel 135 — Artikel 135#
Artikel 135 1 De uitkering, berekend over een maand, wordt in maandelijkse termijnen betaald. 2 artikel 134a De uitkering wordt niet uitbetaald zolang de belanghebbende niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van. 2003 249 24-06-2003 02-06-2003 28227 2003 306 16-07-2003 22-07-2003 16-07-2003 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
Artikel 136 — Artikel 136#
Artikel 136 1 De uitkering eindigt met ingang van de dag volgende op die, waarop de belanghebbende is overleden. 2 De uitkering vervalt: a. met ingang van de dag waarop de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd bereikt; b. met ingang van de dag waarop de belanghebbende opnieuw lid van gedeputeerde staten wordt in de provincie ten laste waarvan de uitkering wordt genoten, tenzij hij als zodanig een betrekking is gaan uitoefenen in een mindere omvang dan voor het aftreden waaraan hij het recht op uitkering ontleent. 3 artikel 134a De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende herhaaldelijk niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 137 — Artikel 137#
Artikel 137 1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de belanghebbende wordt aan de partner, van die de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd gelijk aan driemaal het bedrag van de uitkering, dat over de laatste volle maand aan de belanghebbende is uitgekeerd. 2 Laat de overledene geen partner na, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, dan geschiedt de uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag ten behoeve van de minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond, of minderjarige kinderen waarover de overledene ten tijde van het overlijden de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen. 3 Laat de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het eerste en tweede lid na, dan wordt het aldaar bedoelde bedrag geheel of ten dele uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 137a — Artikel 137a Waarneming#
Artikel 137a Waarneming 1 artikel 76, eerste lid, van de Provinciewet artikel 78, eerste lid, van de Gemeentewet artikel 132 artikel 133 Dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op degene die krachtens, dan wel krachtenshet ambt van commissaris van de Koning, respectievelijk het ambt van burgemeester gedurende meer dan dertig dagen zonder onderbreking heeft waargenomen. Voor degene die aftreedt als waarnemer is de duur van de uitkering, ten dele in afwijking van, steeds gelijk aan de duur van de waarneming. De uitkering bedraagt het volgenstoepasselijke percentage van de als waarnemer genoten vergoeding en wordt aangepast overeenkomstig het derde lid van dat artikel. 2 artikel 131 In afwijking vankomt de uitkering die de provincie of de gemeente na ontheffing van de waarneming verschuldigd is op grond van het eerste lid ten laste van Hoofdstuk VII van de rijksbegroting. 2011 531 18-11-2011 27-10-2011 32581 2011 531 18-11-2011 27-10-2011 32581 19-11-2011 27-02-2010
Artikel 137b — Artikel 137b Uitkering na herindeling#
Artikel 137b Uitkering na herindeling Bij eervol ontslag van een burgemeester wegens opheffing van de gemeente komt de uitkering ten laste van hoofdstuk VII van de Rijksbegroting. 2011 531 18-11-2011 27-10-2011 32581 2011 531 18-11-2011 27-10-2011 32581 19-11-2011 27-02-2010
Artikel 138 — Artikel 138 Het recht op ouderdomspensioen#
Artikel 138 Het recht op ouderdomspensioen hoofdstuk 4 artikelen 40a 40b 40c Een persoon die lid van gedeputeerde staten is geweest, heeft met overeenkomstige toepassing vanen de,enrecht op ouderdomspensioen, met dien verstande dat: a. gedeputeerde staten in de plaats treden van Onze Minister; b. hoofdstuk 3 hoofdstuk 21 voor «» gelezen wordt «». 2024 391 10-12-2024 23-10-2024 36481 2024 391 10-12-2024 23-10-2024 36481 11-12-2024 01-07-2022
Artikel 138a — Artikel 138a Bedrag van het eigen pensioen per jaar als lid van gedeputeerde staten#
Artikel 138a Bedrag van het eigen pensioen per jaar als lid van gedeputeerde staten Vervallen 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 27-07-2013 01-01-2013
Artikel 138b — Artikel 138b#
Artikel 138b Vervallen 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 27-07-2013 01-01-2013
Artikel 139 — Artikel 139 Pensioengrondslag tijd voor 1 januari 1986; inbouw algemeen pensioen#
Artikel 139 Pensioengrondslag tijd voor 1 januari 1986; inbouw algemeen pensioen Vervallen 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 27-07-2013 01-01-2013
Artikel 139a — Artikel 139a Pensioengrondslag tijd tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995#
Artikel 139a Pensioengrondslag tijd tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995 Vervallen 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 27-07-2013 01-01-2013
Artikel 139aa — Artikel 139aa Pensioengrondslag tijd na 31 december 1994#
Artikel 139aa Pensioengrondslag tijd na 31 december 1994 Vervallen 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 27-07-2013 01-01-2013
Artikel 139b — Artikel 139b#
Artikel 139b Vervallen 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 27-07-2013 01-01-2013
Artikel 139c — Artikel 139c Samenvallende diensttijd van echtgenoten tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995#
Artikel 139c Samenvallende diensttijd van echtgenoten tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995 Vervallen 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 27-07-2013 01-01-2013
Artikel 139d — Artikel 139d Verstrekken van inlichtingen#
Artikel 139d Verstrekken van inlichtingen Vervallen 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 27-07-2013 01-01-2013
Artikel 140 — Artikel 140 Recht op partnerpensioen en bijzonder partnerpensioen#
Artikel 140 Recht op partnerpensioen en bijzonder partnerpensioen artikelen 15 17 21 22 tot en met 23a 28 28a 28b 31 34 40c tot en met 40f artikel 45a De partner en de gewezen partner van een lid van gedeputeerde staten, gewezen lid van gedeputeerde staten of gepensioneerd lid van gedeputeerde staten heeft met overeenkomstige toepassing van de,,,en,,,enalsmede de artikelen 39c enen de nadere regels op grond vanrecht op partnerpensioen of bijzonder partnerpensioen, met dien verstande dat de bevoegdheid in artikel 31, tweede lid, wordt uitgeoefend door provinciale staten. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 141 — Artikel 141 Recht op wezenpensioen#
Artikel 141 Recht op wezenpensioen artikelen 18 21 25 27 28 28a 31 34a 40g 40h artikel 45a Na het overlijden van een lid van gedeputeerde staten, gewezen lid van gedeputeerde staten of gepensioneerd lid van gedeputeerde staten hebben zijn kinderen met overeenkomstige toepassing van de,,,,,,enalsmede de artikelen 39c,enen de nadere regels op grond vanrecht op een wezenpensioen, met dien verstande dat de bevoegdheid in artikel 31, tweede lid, wordt uitgeoefend door provinciale staten. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 142 — Artikel 142 Bijzonder nabestaandenpensioen#
Artikel 142 Bijzonder nabestaandenpensioen Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 143 — Artikel 143 Wezenpensioen#
Artikel 143 Wezenpensioen Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 144 — Artikel 144 Tijdelijk pensioen#
Artikel 144 Tijdelijk pensioen Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 145 — Artikel 145 Nabestaandenpensioen#
Artikel 145 Nabestaandenpensioen Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 145a — Artikel 145a#
Artikel 145a Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 145b — Artikel 145b#
Artikel 145b Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 145c — Artikel 145c#
Artikel 145c Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 146 — Artikel 146 Bijzonder nabestaandenpensioen#
Artikel 146 Bijzonder nabestaandenpensioen Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 147 — Artikel 147 Nabestaandenpensioen bij hertrouwen dan wel aanmelding#
Artikel 147 Nabestaandenpensioen bij hertrouwen dan wel aanmelding Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 148 — Artikel 148 Wezenpensioen#
Artikel 148 Wezenpensioen Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 148a — Artikel 148a#
Artikel 148a Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 149 — Artikel 149#
Artikel 149 Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 150 — Artikel 150 Beperking gezamenlijk bedrag wezenpensioenen#
Artikel 150 Beperking gezamenlijk bedrag wezenpensioenen Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 150a — Artikel 150a Toeslag op nabestaandenpensioen#
Artikel 150a Toeslag op nabestaandenpensioen Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 150b — Artikel 150b Toeslag op wezenpensioen#
Artikel 150b Toeslag op wezenpensioen Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 151 — Artikel 151 Tijdelijk pensioen#
Artikel 151 Tijdelijk pensioen Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 151a — Artikel 151a Afkoop klein pensioen#
Artikel 151a Afkoop klein pensioen Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 152 — Artikel 152#
Artikel 152 Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 153 — Artikel 153#
Artikel 153 Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 154 — Artikel 154#
Artikel 154 Vervallen 2004 493 05-10-2004 09-09-2004 29008 2004 493 05-10-2004 09-09-2004 29008 01-01-2005
Artikel 155 — Artikel 155#
Artikel 155 Hoofdstuk 17 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de in deze afdeling bedoelde pensioenen. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 156 — Artikel 156 Verlaging inbouwbedrag#
Artikel 156 Verlaging inbouwbedrag Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 157 — Artikel 157#
Artikel 157 artikel 105 Ten aanzien van een pensioen op grond van deze afdeling, waaronder niet begrepen de inbouw- en franchisebedragen, isvan overeenkomstige toepassing. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 158 — Artikel 158#
Artikel 158 artikelen 111 122 123 128 Ten aanzien van de in deze afdeling bedoelde pensioenen zijn de,,envan overeenkomstige toepassing. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 158a — Artikel 158a#
Artikel 158a hoofdstukken 3 10 21 De rijksbelastingdienst verstrekt Onze Minister de benodigde gegevens ten behoeve van de verrekening van een belanghebbende van inkomsten met een uitkering als bedoeld in de,en. 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 27-07-2013 01-01-2013
Artikel 159 — Artikel 159 Nabestaandenuitkering#
Artikel 159 Nabestaandenuitkering artikel 116 Het bepaalde inis ten aanzien van de in deze afdeling bedoelde pensioenen van overeenkomstige toepassing. 2001 365 14-08-2001 14-06-2001 27220 2001 365 14-08-2001 14-06-2001 27220 15-08-2001 25-03-2000 2001 364 14-08-2001 14-06-2001 26043
Artikel 160 — Artikel 160 Inhoudingen#
Artikel 160 Inhoudingen 1 Artikel 13d Op de bezoldiging van het lid van gedeputeerde staten worden, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen, bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen op de bezoldiging van degene die behoort tot het overheidspersoneel, ter zake van aanspraken bij werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden.is van overeenkomstige toepassing op de inhouding op de bezoldiging en de schadeloosstelling ter zake van aanspraken op ouderdom en overlijden. 2 Op de uitkering van het gewezen lid van gedeputeerde staten worden, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen, bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen, terzake van aanspraken als bedoeld in het eerste lid, op een werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een voor overheidspersoneel getroffen regeling. 3 artikelen 133a Geen inhouding van bedragen ter zake van aanspraken bij ouderdom en overlijden vindt plaats voor zover tijd niet meetelt als pensioendiensttijd en op uitkeringen bedoeld in de, alsmede op een uitkering gedurende de tijd dat de betrokkene voor 55 procent of meer algemeen invalide is. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 160a — Artikel 160a#
Artikel 160a 1 vijfde afdeling Pensioenwet Op aanvraag van een gewezen gedeputeerde draagt de desbetreffende provincie de waarde van de door de aanvrager krachtens devan deze wet verkregen pensioenaanspraken over, overeenkomstig de bepalingen in deinzake waardeoverdracht. 2 artikel 71 van de Pensioenwet De bij of krachtensgestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing op de waardeoverdracht. 3 De waarde van de pensioenaanspraken die zijn verkregen uit hoofde van een recht op uitkering ter zake van ontslag of aftreden, wordt gerekend tot de waarde van de pensioenaanspraken, bedoeld in het eerste lid. Voor zover met de waarde van de pensioenaanspraken uit hoofde van het recht op uitkering bij de waardeoverdracht geen rekening is gehouden, wordt deze waarde na afloop van het recht op uitkering overgedragen, op dezelfde wijze als is bepaald in het eerste lid. 4 Pensioenwet Voor de toepassing van dewordt de provincie ter uitvoering van dit artikel beschouwd als een overdragende pensioenuitvoerder. 5 Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, regels stellen inzake de waardeoverdracht van de pensioenaanspraken van een gedeputeerde. 2007 189 05-06-2007 11-05-2007 30898 2007 189 05-06-2007 11-05-2007 30898 06-06-2007 01-01-2007
Artikel 160b — Artikel 160b#
Artikel 160b 1 vijfde afdeling Pensioenwet Op aanvraag van een gedeputeerde is de desbetreffende provincie verplicht om de waarde van door betrokkene opgebouwde pensioenaanspraken aan te wenden ter verwerving van pensioenaanspraken op grond van devan deze wet. Deze waardeoverdracht geschiedt overeenkomstig de voorwaarden die in deaan een ontvangende pensioenuitvoerder worden gesteld met betrekking tot de waardeoverdracht van opgebouwde pensioenaanspraken. 2 vijfde afdeling vijfde afdeling De overgedragen pensioenaanspraken worden beschouwd als aanspraken krachtens devan deze wet en behandeld als een geheel met de aanspraken die de gedeputeerde verkrijgt krachtens devan deze wet. 3 artikel 71 van de Pensioenwet De bij of krachtensgestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing op de waardeoverdracht. 4 Pensioenwet Voor de toepassing van dewordt de provincie ter uitvoering van dit artikel beschouwd als een ontvangende pensioenuitvoerder. 5 Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, regels stellen inzake de waardeoverdracht van de pensioenaanspraken van een gedeputeerde. 2007 189 05-06-2007 11-05-2007 30898 2007 189 05-06-2007 11-05-2007 30898 06-06-2007 01-01-2007
Artikel 161 — Artikel 161#
Artikel 161 Vervallen 2001 365 14-08-2001 14-06-2001 27220 2001 365 14-08-2001 14-06-2001 27220 15-08-2001 25-03-2000 2001 364 14-08-2001 14-06-2001 26043
Artikel 162 — Artikel 162 Beroep#
Artikel 162 Beroep De besluiten ter uitvoering van deze afdeling worden genomen door gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van het waterschap, tenzij anders is bepaald. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 162a — Artikel 162a#
Artikel 162a Op uitkeringen en pensioenen op grond van deze afdeling is beslag mogelijk overeenkomstig de voorschriften van het gemene recht. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 162b — Artikel 162b#
Artikel 162b Onverschuldigd betaalde uitkeringen of pensioenen op grond van deze afdeling kunnen worden teruggevorderd. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 162c — Artikel 162c#
Artikel 162c 1 Met uitkeringen en pensioenen op grond van dit hoofdstuk kan worden verrekend hetgeen de gewezen of gepensioneerde politieke ambtsdrager of zijn nagelaten betrekkingen zelf als zodanig aan de provincie, de gemeente of het waterschap verschuldigd is of zijn. 2 artikel 162d, eerste lid Verrekening als bedoeld in het eerste lid kan plaatshebben ondanks gelegd beslag of toegepaste korting als bedoeld in. 3 artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Verrekening als bedoeld in het eerste lid is slechts in zoverre geldig als een beslag op die uitkeringen of pensioenen geldig zou zijn, met dien verstande dat verrekening van hetgeen wegens genoten huisvesting of voeding is verschuldigd eveneens kan plaatsvinden met dat deel van de bezoldiging dat de beslagvrije voet, bedoeld in devormt. 2020 496 04-12-2020 25-11-2020 35494 2020 497 04-12-2020 30-11-2020 01-01-2021
Artikel 162d — Artikel 162d#
Artikel 162d 1 Op uitkeringen en pensioenen op grond van dit hoofdstuk kan ten behoeve van een schuldeiser van de gewezen of gepensioneerde politieke ambtsdrager of zijn nagelaten betrekkingen een korting worden toegepast, mits de gewezen of gepensioneerde politieke ambtsdrager onderscheidenlijk zijn nagelaten betrekkingen de vordering van de schuldeiser erkent of erkennen dan wel het bestaan van de vordering blijkt uit een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak dan wel uit een authentieke akte. 2 Korting is slechts in zoverre geldig als een beslag op die uitkeringen en pensioenen geldig zou zijn. 3 Beslag, faillissement, surseance van betaling en toepassing ten aanzien van de gewezen of gepensioneerde politieke ambtsdrager of zijn nagelaten betrekkingen van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen sluiten korting uit. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 162e — Artikel 162e#
Artikel 162e artikel 475b, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 162c, tweede lid artikel 162d, derde lid Voor de toepassing vanworden, onverminderd, en, verrekening en korting gelijkgesteld met beslag. 2020 496 04-12-2020 25-11-2020 35494 2020 497 04-12-2020 30-11-2020 01-01-2021
Artikel 162f — Artikel 162f#
Artikel 162f Indien verscheidene schuldeisers uit hoofde van beslag of korting aanspraak hebben op een deel van de uitkeringen of pensioenen geschiedt de verdeling naar evenredigheid der inschulden, voor zover niet de ene schuldeiser voorrang heeft boven de anderen. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 162g — Artikel 162g#
Artikel 162g 1 Overdracht, inpandgeving of elke andere handeling waardoor de gewezen of gepensioneerde politieke ambtsdrager of zijn nagelaten betrekkingen enig recht op zijn uitkering of pensioen aan een derde toekent of toekennen, is slechts geldig voor dat deel van de uitkering of het pensioen waarop beslag geldig zou zijn. 2 Een volmacht tot voldoening of invordering van de uitkering of het pensioen is slechts geldig indien zij schriftelijk is verleend en is steeds herroepelijk. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 162h — Artikel 162h#
Artikel 162h Betaling of afgifte aan een gemachtigde, nadat een volmacht tot voldoening of invorderingen van de uitkering of het pensioen is geëindigd, ontlasten de provincie, de gemeente of het waterschap, indien een gegeven opdracht tot de betaling of afgifte niet meer tijdig kon worden ingetrokken, toen de provincie, de gemeente of het waterschap van het eindigen van de volmacht kennis kreeg. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 162i — Artikel 162i#
Artikel 162i artikel 19 van de Invorderingswet 1990 Beslag omvat in dit hoofdstuk ook de invordering, bedoeld in. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 163 — Artikel 163#
Artikel 163 Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 163a — Artikel 163a#
Artikel 163a artikel 130 Wet privatisering ABP In afwijking vanis deze afdeling niet van toepassing op gewezen commissarissen van de Koning, gewezen burgemeesters en gewezen leden van het dagelijks bestuur van een waterschap die in de vervulling van dat ambt overheidswerknemer waren in de zin van de, en wier ontslag of aftreden is ingegaan vóór de datum van inwerkingtreding van die bepaling. 2010 72 26-02-2010 17-02-2010 30424 2010 73 26-02-2010 17-02-2010 27-02-2010
Artikel 163b — Artikel 163b hoofdstuk 21 (behoort bij)#
Artikel 163b hoofdstuk 21 (behoort bij) 1 artikelen 132, derde lid 132a tot en met 132c De, enzijn niet van toepassing ter zake van een ontslag of aftreden dat is ingegaan vóór 27 februari 2010. 2 artikelen 132a tot en met 132c Dezijn niet van toepassing ten aanzien van het eerste ontslag of aftreden vanaf 27 februari 2010 van de betrokkenen die: a. op die datum was benoemd als lid van gedeputeerde staten, wethouder, of lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente, b. onmiddellijk na de verkiezingen voor de leden van provinciale staten van 2 maart 2011, onderscheidenlijk de verkiezingen voor de gemeenteraad van 3 maart 2010 niet is herbenoemd. 3 Wet privatisering ABP Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een lid van het dagelijks bestuur van een waterschap dat geen overheidswerknemer in de zin van deis, met dien verstande dat het betreft de eerstvolgende verkiezingen voor het algemeen bestuur van het waterschap na 27 februari 2010. 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 2013 320 26-07-2013 10-07-2013 33565 27-07-2013 01-01-2013
Artikel 163c — Artikel 163c#
Artikel 163c 1 Gemeentewet Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op leden van het dagelijks bestuur van een deelgemeente in de zin van hoofdstuk V, paragraaf 2, van de, zoals deze paragraaf luidde op de dag voorafgaand aan de datum van de verkiezing van de gemeenteraden in 2014, met dien verstande dat gelezen wordt voor: a. lid van gedeputeerde staten: lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente; b. provincie: gemeente; c. provinciale staten: de raad; d. gedeputeerde staten: college van burgemeester en wethouders. 2013 76 28-02-2013 07-02-2013 33017 2014 83 20-02-2014 11-02-2014 19-03-2014
Artikel 163ca — Artikel 163ca hoofdstuk 21 (behoort bij)#
Artikel 163ca hoofdstuk 21 (behoort bij) 1 De uitkering van een betrokkene wordt voortgezet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd indien hij: a. op 27 februari 2010 benoemd was als lid van gedeputeerde staten, wethouder of lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente, b. in zijn functie herbenoemd is onmiddellijk na de verkiezingen voor de leden van provinciale staten van 2 maart 2011, onderscheidenlijk de verkiezingen voor de gemeenteraad van 3 maart 2010, c. bij zijn herbenoeming ten minste 50 jaar oud was en d. artikel 132, tweede lid voldoet aan de in, bedoelde eisen ten aanzien van de diensttijd. 2 Wet privatisering ABP Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een lid van het dagelijks bestuur van een waterschap dat geen overheidswerknemer in de zin van deis, met dien verstande dat het betreft de eerstvolgende verkiezingen voor het algemeen bestuur van het waterschap na 27 februari 2010. 3 De uitkering van een betrokkene wordt voortgezet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd indien hij: a. Wet privatisering ABP op 27 februari 2010 benoemd was als lid van het dagelijks bestuur van een waterschap dat geen overheidswerknemer in de zin van deis, b. onmiddellijk na de eerstvolgende verkiezingen voor het algemeen bestuur van het waterschap na 27 februari 2010 niet is herbenoemd, c. bij zijn herbenoeming ten minste vijftig jaar oud is, en d. in het tijdvak van twaalf jaren dat aan de datum van herbenoeming voorafgaat ten minste tien jaren lid van het dagelijks bestuur is geweest. 4 Uitkeringen ter zake van een ontslag of aftreden vóór 27 juli 2013 worden verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voorafgaand aan dat tijdstip. 5 artikel 132, tweede lid De uitkering van een betrokkene ter zake van een ontslag of aftreden vóór 27 juli 2013 wordt voortgezet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd indien zij is toegekend op grond van. 6 Artikel 132, tweede lid Wet verkorting duur voortgezette uitkering Appa , is niet van toepassing op een ontslag of aftreden dat is ingegaan voor de datum van inwerkingtreding van de. 7 Wet verkorting duur voortgezette uitkering Appa Een belanghebbende die op de datum van inwerkingtreding van degedeputeerde is, wordt bij ontslag of aftreden een uitkering verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag vóór die datum. 2015 306 21-07-2015 08-07-2015 34112 2015 419 20-11-2015 29-10-2015 01-01-2016
Artikel 163cb — Artikel 163cb#
Artikel 163cb 1 Wet verkorting duur voortgezette uitkering Appa Een belanghebbende die op de datum van inwerkingtreding van de, lid van gedeputeerde staten, wethouder of lid van het dagelijks bestuur van een waterschap is en in dit ambt wordt herbenoemd na de eerstvolgende verkiezingen voor provinciale staten, de raad of het algemeen bestuur van het waterschap na die datum, wordt bij aftreden een uitkering verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voor die datum, indien hij tevens op de datum van zijn herbenoeming: a. negen jaar en zeven maanden of minder verwijderd is van de pensioengerechtigde leeftijd die is vastgesteld voor het kalenderjaar vijf jaren na het ontslag of aftreden, en b. artikel 2, tweede lid in het tijdvak van twaalf jaren dat aan de datum van herbenoeming voorafgaat ten minste tien jaren een functie heeft bekleed als genoemd in. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij een herbenoeming van een commissaris van de Koning, een burgemeester en een voorzitter van een waterschap. 2015 306 21-07-2015 08-07-2015 34112 2015 419 20-11-2015 29-10-2015 01-01-2016 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is.
Artikel 163d — Artikel 163d#
Artikel 163d Ten aanzien van leden van het dagelijks bestuur van een waterschap die na de waterschapsverkiezingen in 2008 op 8 januari 2009 zijn herbenoemd, wordt voor de opbouw van het pensioen over de pensioengeldige tijd tot en met 7 januari 2009 gerekend met de pensioengrondslag gebaseerd op de bezoldiging die het lid van het dagelijks bestuur genoot op 7 januari 2009. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 163e — Artikel 163e hoofdstuk 21 (behoort bij)#
Artikel 163e hoofdstuk 21 (behoort bij) Wet aanpassing uitkeringsduur Appa Ten aanzien van de uitkeringen die zijn toegekend ter zake van een ontslag of aftreden vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de, blijft de uitkeringsduur van kracht zoals deze gold op de dag voorafgaand aan dat tijdstip. 2012 401 14-09-2012 13-09-2012 33298 2012 401 14-09-2012 13-09-2012 33298 18-09-2012
Artikel 163f — Artikel 163f hoofdstuk 22 (behoort bij)#
Artikel 163f hoofdstuk 22 (behoort bij) Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 163g — Artikel 163g hoofdstuk 22 (behoort bij)#
Artikel 163g hoofdstuk 22 (behoort bij) Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 163h — Artikel 163h hoofdstuk 23 (behoort bij)#
Artikel 163h hoofdstuk 23 (behoort bij) Vervallen 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 164 — Artikel 164 Kosten uitkering en pensioen#
Artikel 164 Kosten uitkering en pensioen Algemene Ouderdomswet De kosten van de in deze wet bedoelde uitkeringen en pensioenen en de kosten van de overname van en de gedeeltelijke vergoeding van de premie die ingevolge deen de Algemene Weduwen- en Wezenwet daarover wordt geheven, voor zover niet is bepaald dat deze kosten ten laste van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds komen, komen ten laste van Hoofdstuk VII van de rijksbegroting, voor zover deze kosten betrekking hebben op ministers, gewezen ministers, gepensioneerde ministers, nabestaanden en wezen van gewezen ministers, en ten laste van Hoofdstuk II van de rijksbegroting, indien meergenoemde kosten betrekking hebben op leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, gepensioneerde kamerleden, nabestaanden en wezen van deze leden. 1992 654 23-11-1992 22490 1992 654 23-11-1992 22490 18-12-1992 01-01-1986
Artikel 164a — Artikel 164a#
Artikel 164a 1 artikel 51, eerste lid, van de Pensioenwet Onze Minister, gedeputeerde staten van een provincie, het college van burgemeester en wethouders van een gemeente en het dagelijks bestuur van een waterschap verstrekken op verzoek van de politieke ambtsdrager tijdig zijn gegevens met betrekking tot pensioenaanspraken door middel van het pensioenregister, bedoeld in. 2 Artikel 51, vierde lid, van de Pensioenwet is van overeenkomstige toepassing. 2011 531 18-11-2011 27-10-2011 32581 2013 223 21-06-2013 12-06-2013 01-07-2013 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 165 — Artikel 165#
Artikel 165 Wet toekomst pensioenen artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964 Voor de jaren tot en met de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dedatgeen bepaling kent van de pensioenrichtleeftijd, is de pensioenrichtleeftijd 65 jaar. 2023 216 30-06-2023 03-06-2023 36067 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 166 — Artikel 166#
Artikel 166 Deze wet kan worden aangehaald als: Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers. 2021 328 09-07-2021 23-06-2021 35548 2022 262 28-06-2022 13-06-2022 01-07-2022
Artikel 167 — Artikel 167#
Artikel 167 1 Staatsblad Behoudens het tweede lid treedt deze wet in werking met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die van uitgifte van het, waarin zij wordt geplaatst. 2 Vervallen. 3 artikelen 37 39, tweede en derde lid 43, tweede lid 44, tweede lid 45, tweede lid 82 84 87, tweede lid 88, tweede lid 89, tweede lid 118, derde lid 128 129 163, tweede en derde lid Met uitzondering van de in het tweede en vierde lid genoemde artikelen en onderdelen van artikelen en van de,,,,,,,,,,,,en, werkt deze wet terug tot 1 januari 1966. 4 artikelen 8 50, onder e 52, eerste lid, laatste volzin 53 54 59 67 70 133 De,,,,,,,enwerken terug tot 1 januari 1969. 5 artikel 125 Waar in deze wet sprake is van het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet wordt daarmede, behoudens in de in het derde lid genoemde artikelen en artikelleden en in, bedoeld 1 januari 1966. 1988 300 20-04-1988 19473 1988 300 20-04-1988 19473 01-01-1986