Wet van 9 maart 1967, houdende nieuwe regelen betreffende uitlevering en andere vormen van internationale rechtshulp in strafzaken
- BWB-id
- BWBR0002559
- Type
- Wet
- Ministerie
- Veiligheid en Justitie
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2025-07-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0002559
- ELI
- /eli/nl/wet/1967/uitleveringswet
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1967/uitleveringswet/2025-07-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0002559&g=2025-07-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0002559&z=2026-06-06&g=2025-07-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0002559/2025-07-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1967/uitleveringswet
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 In deze wet wordt verstaan onder: Onze Minister: Onze Minister van Justitie; uitlevering: verwijdering van een persoon uit Nederland met het doel hem ter beschikking te stellen van de autoriteiten van een andere Staat ten behoeve van hetzij een in die Staat tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek, hetzij de tenuitvoerlegging van een hem in die Staat opgelegde straf of maatregel; vreemdeling: ieder die de Nederlandse nationaliteit niet bezit en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander wordt behandeld; opgeëiste persoon: degene wiens uitlevering door een vreemde Mogendheid is verzocht; verzoekende staat: Mogendheid waarvan het verzoek tot uitlevering is uitgegaan. 2 In deze wet wordt mede verstaan onder: Nederlands recht of recht van Nederland: het recht van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; Nederlands strafrecht: het strafrecht van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; Nederlandse wet: een wet die van kracht is in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; Nederlandse rechter: de rechter in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; Nederlands grondgebied of Nederlands gebied: het grondgebied van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; in Nederland: in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. 3 artikelen 13 tot en met 14 16a 17 artikelen 21 22a 50a Onder officier van justitie, hulpofficier van justitie en opsporingsambtenaar wordt uitsluitend voor de toepassing van de,,en deenenmede verstaan de officier van justitie van het openbaar ministerie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, de hulpofficier van justitie, bedoeld in artikel 191 van het Wetboek van Strafvordering BES, en de opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 184 van dat wetboek. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2010 389 07-10-2010 30-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van Nederland.
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Uitlevering geschiedt niet dan krachtens een verdrag. 1967 139 09-03-1967 8054 1967 139 09-03-1967 8054 03-04-1967
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 Wanneer een van deze wet afwijkend verdrag aan de goedkeuring van de Staten-Generaal wordt onderworpen, doen Wij tevens een voorstel tot aanpassing van deze wet. 1967 139 09-03-1967 8054 1967 139 09-03-1967 8054 03-04-1967
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 Nederlanders worden niet uitgeleverd. 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien de uitlevering van een Nederlander is gevraagd ten behoeve van een tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek en naar het oordeel van Onze Minister is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor zijn uitlevering kan worden toegestaan in de verzoekende Staat tot onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan. 1986 464 10-09-1986 18129 1987 448 03-10-1987 01-01-1988
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 Uitlevering kan alleen worden toegestaan ten behoeve van: a. een door autoriteiten van de verzoekende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een feit waarvoor, zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar dat van Nederland, een vrijheidsstraf van een jaar, of van langere duur, kan worden opgelegd; b. a de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van vier maanden, of van langere duur, door de opgeëiste persoon op het grondgebied van de verzoekende staat te ondergaan wegens een feit als onderbedoeld. 2 Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt onder een naar Nederlands recht strafbaar feit mede verstaan een feit waardoor inbreuk is gemaakt op de rechtsorde van de verzoekende staat, terwijl krachtens de Nederlandse wet een zelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde of die van Bonaire, Sint Eustatius en Saba strafbaar is. 3 b Indien, in het geval bedoeld in het eerste lid, onder, de veroordeling tot vrijheidsstraf bij verstek heeft plaatsgevonden, kan de uitlevering slechts worden toegestaan, indien de opgeëiste persoon in voldoende mate in de gelegenheid is geweest of alsnog zal worden gesteld om zijn verdediging te voeren. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2010 389 07-10-2010 30-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van Nederland.
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 artikel 5, eerste lid, onder a Het in, gestelde minimum van een jaar is niet van toepassing op uitlevering naar lidstaten van de Europese Unie, voorzover een tussen Nederland en deze lidstaten geldend verdrag in een ander minimum voorziet. 2 artikel 5, eerste lid, onder b Het in, gestelde minimum van vier maanden is niet van toepassing op uitlevering naar België en Luxemburg. 2000 205 23-05-2000 11-05-2000 26697 2000 272 04-07-2000 13-06-2000 01-10-2000
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 Voor de toepassing van deze wet worden gelijkgesteld: a. vrijheidsstraffen: metdoor de rechter naast of in plaats van een straf op te leggen maatregelen strekkende tot vrijheidsbeneming; b. vrijheidsstraffen van langere duur dan een jaar: a metvrijheidsstraffen - met inbegrip van maatregelen als bedoeld onder- voor de duur van het leven of voor onbepaalde tijd. 1986 464 10-09-1986 18129 1987 448 03-10-1987 01-01-1988
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 Indien, naar het recht van de verzoekende staat, de doodstraf is gesteld op het feit waarvoor de uitlevering is gevraagd, wordt de opgeëiste persoon niet uitgeleverd, tenzij naar het oordeel van Onze Minister voldoende is gewaarborgd dat die straf, zo een veroordeling daartoe mocht volgen, niet ten uitvoer zal worden gelegd. 1967 139 09-03-1967 8054 1967 139 09-03-1967 8054 03-04-1967
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 Uitlevering van de opgeëiste persoon wordt niet toegestaan voor een feit terzake waarvan: a. ten tijde van de beslissing op het verzoek tot uitlevering een strafvervolging in Nederland tegen hem gaande is; b. artikel 255, eerste of tweede lid artikel 255a, eerste of tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering artikel 282, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering BES hij in Nederland is vervolgd maar hernieuwde vervolging is uitgesloten op grond van, ofonderscheidenlijk; c. hij bij gewijsde van de Nederlandse rechter is vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging, dan wel te zijnen aanzien een overeenkomstige onherroepelijke beslissing door een andere rechter is genomen; d. hij bij rechterlijk gewijsde is veroordeeld, in gevallen waarin: 1. de opgelegde straf of maatregel reeds is ondergaan, of 2. die straf of maatregel niet voor onmiddellijke tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging vatbaar is, of 3. de veroordeling een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel inhoudt, dan wel 4. het gewijsde afkomstig is van de Nederlandse rechter en niet bij verdrag voor zodanig geval de bevoegdheid tot uitlevering is voorbehouden; e. naar Nederlands recht wegens verjaring geen vervolging, of, zo de uitlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel, geen bestraffing meer kan plaatshebben. 2 Het bepaalde in het vorige lid, aanhef en onder a, lijdt uitzondering in gevallen waarin Onze Minister bij zijn beslissing tot inwilliging van het verzoek tot uitlevering tevens opdracht geeft de vervolging te staken. 3 artikelen 2 tot en met 8d van het Wetboek van Strafrecht artikelen 2 tot en met 8 van het Wetboek van Strafrecht BES Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b, lijdt uitzondering in gevallen waarin de vervolging in Nederland is gestaakt, hetzij omdat de Nederlandse strafwet op grond van dedan wel de strafwet van Bonaire, Sint Eustatius en Saba op grond van deniet van toepassing bleek te zijn, hetzij omdat aan berechting in het buitenland de voorkeur werd gegeven. 4 Het eerste lid, aanhef en onder e, lijdt uitzondering voorzover krachtens het toepasselijke verdrag uitlevering niet kan worden geweigerd uitsluitend op grond van het feit dat het recht tot strafvervolging of het recht tot tenuitvoerlegging van die straf of maatregel naar het recht van de aangezochte staat is verjaard. 2013 484 06-12-2013 27-11-2013 33572 2014 103 14-03-2014 06-03-2014 01-07-2014
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 Uitlevering wordt niet toegestaan in gevallen waarin naar het oordeel van Onze Minister een gegrond vermoeden bestaat, dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden vervolgd, gestraft of op andere wijze getroffen in verband met zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, zijn ras of de groep van de bevolking waartoe hij behoort. 2 Uitlevering wordt niet toegestaan in gevallen waarin naar het oordeel van Onze Minister de gevolgen daarvan voor de opgeëiste persoon van bijzondere hardheid zouden zijn in verband met diens jeugdige leeftijd, hoge ouderdom of slechte gezondheidstoestand. 1997 192 13-05-1997 17-04-1997 24614 1997 192 13-05-1997 17-04-1997 24614 14-05-1997
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 Uitlevering wordt niet toegestaan voor strafbare feiten van politieke aard, met inbegrip van daarmede samenhangende feiten. 2 De aanslag tegen het leven of de vrijheid van een Staatshoofd of van een lid van het regerende Huis wordt niet beschouwd als een strafbaar feit van politieke aard in de zin van het gestelde in het vorige lid. 3 Het eerste lid is niet van toepassing op uitlevering wegens een van de strafbare feiten, omschreven in de artikelen 1 en 2 van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme (Trb. 1977, 63), artikel 2 van het Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen (Trb. 1998, 84), artikel 2 van het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme (Trb. 2000, 12) en artikel 7 van het Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal (Trb. 1981, 7), zoals gewijzigd bij de op 8 juli 2005 te Wenen tot stand gekomen Wijziging van dat verdrag (Trb. 2006, 81), artikel 2 van het Internationaal Verdrag ter bestrijding van daden van nucleair terrorisme (Trb. 2005, 290), de artikelen 3, 3bis, 3ter of 3quater van het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart (Trb. 1989, 17), zoals gewijzigd bij het Protocol van 2005 bij dat Verdrag (Trb. 2006, 223), en de artikelen 2, 2bis of 2ter van het Protocol tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van vaste platforms op het continentale plat (Trb. 1989, 18), zoals gewijzigd bij het Protocol van 2005 bij dat Protocol (Trb. 2006, 224), artikel 1 van het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen betreffende de burgerluchtvaart (Trb. 2013, 134), artikel II van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen (Trb. 2013, 133), de artikelen 5, 6, 7 en 9 van het Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme (Trb. 2006, 34) en de artikelen 2 tot en met 6 van het op 22 oktober 2015 te Riga tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme (Trb. 2016, 180), aan een staat die gehouden is in een overeenkomstig geval uitlevering aan Nederland niet te weigeren wegens de politieke aard van het feit. 4 Militaire delicten die niet tevens misdrijven naar algemeen Nederlands strafrecht zijn, en fiscale delicten kunnen geen aanleiding geven tot uitlevering, tenzij bij verdrag uitdrukkelijk anders is bepaald. 5 Het in het vorige lid omtrent militaire delicten bepaalde is niet van toepassing op uitlevering naar België of Luxemburg. 2020 396 23-10-2020 07-10-2020 35382 2021 188 19-04-2021 31-03-2021 01-05-2021
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 Uitlevering wordt niet toegestaan dan onder het algemene beding, dat de opgeëiste persoon alleen met uitdrukkelijke toestemming van Onze Minister zal worden vervolgd, gestraft, of op enige andere wijze in zijn persoonlijke vrijheid beperkt, terzake van feiten die vóór het tijdstip van zijn uitlevering zijn begaan en waarvoor hij niet is uitgeleverd. 2 Onze Minister kan de in het vorige lid bedoelde toestemming geven ten aanzien van: a. strafbare feiten waarvoor de opgeëiste persoon, krachtens het toepasselijke verdrag, aan de staat van wie het verzoek om toestemming is uitgegaan had kunnen worden uitgeleverd; b. artikelen 8-11 andere feiten, voor zover deze zowel naar het recht van de staat van wie het verzoek om toestemming is uitgegaan als naar dat van Nederland strafbaar zijn en de mogelijkheid van uitlevering daarvoor niet krachtens devan deze wet is uitgesloten. 3 Uitlevering wordt voorts niet toegestaan dan onder het algemene beding, dat de opgeëiste persoon alleen met uitdrukkelijke toestemming van Onze Minister ter beschikking zal worden gesteld van de autoriteiten van een derde staat, terzake van feiten die vóór het tijdstip van zijn uitlevering zijn begaan. De toestemming kan worden gegeven ten aanzien van strafbare feiten waarvoor de opgeëiste persoon door Nederland aan de derde staat had kunnen worden uitgeleverd. 4 De beslissing van Onze Minister op een verzoek om toestemming als bedoeld in het eerste en het derde lid wordt ter kennis van de staat van wie dat verzoek is uitgegaan gebracht langs diplomatieke weg, tenzij bij verdrag in een andere weg is voorzien. 5 artikel 14, vierde lid, van de Overleveringswet Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op verzoeken van een lidstaat van de Europese Unie tot verderlevering aan een derde staat van een persoon die door Nederland onder het beding, bedoeld in, werd overgeleverd aan de uitvaardigende justitiële autoriteit van die lidstaat. 6 Ten aanzien van de lidstaten van de Europese Unie kan bij verdrag worden voorzien in uitzonderingen voor andere dan de in het vijfde lid bedoelde gevallen. 2009 525 10-12-2009 26-11-2009 31391 2010 139 31-03-2010 25-03-2010 01-04-2010
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 Voor zover een verdrag daarin voorziet, kan - in de gevallen omschreven in het volgende lid - op verzoek van de daartoe bevoegde autoriteit van een andere staat de voorlopige aanhouding worden bevolen van een zich in Nederland bevindende voortvluchtige, indien gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat te zijnen aanzien op korte termijn vanwege die staat een voor inwilliging vatbaar verzoek tot uitlevering zal worden gedaan. 2 De voorlopige aanhouding kan worden bevolen wanneer zij is verzocht: a. in verband met een strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de voortvluchtige zich heeft schuldig gemaakt aan een feit waarvoor naar Nederlands recht voorlopige hechtenis mogelijk is; b. a artikel 7 onder met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of van een maatregel als bedoeld in; c. a b in andere dan de onderenvoorziene gevallen, indien de voortvluchtige geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft. 3 Indien gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat ten aanzien van een voortvluchtige Trb. die door de gezagvoerder van een luchtvaartuig na de landing in Nederland op grond van artikel 9, eerste lid, van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen (1964, nr. 115) is overgedragen, of die ervan wordt verdacht aan boord van het luchtvaartuig waarmee hij in Nederland is aangekomen een handeling als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van dat Verdrag te hebben begaan, op korte termijn vanwege een der in artikel 13, vijfde lid, van het Verdrag genoemde staten een voor inwilliging vatbaar verzoek tot voorlopige aanhouding zal worden gedaan, kan de voorlopige aanhouding van die voortvluchtige worden bevolen, als ware zij reeds verzocht. 1992 358 24-06-1992 22484 1992 358 24-06-1992 22484 01-09-1992
Artikel 13a — Artikel 13a#
Artikel 13a artikel 54, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering Artikel 56a, eerste tot en met derde lid, van het Wetboek artikel 13 Een vreemdeling die op grond vanis aangehouden, kan op bevel van een officier of hulpofficier van justitie worden opgehouden, indien gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat te zijnen aanzien onverwijld een verzoek om voorlopige aanhouding als bedoeld inzal worden gedaan.is van overeenkomstige toepassing. 2016 476 08-12-2016 17-11-2016 34159 2017 66 27-02-2017 20-02-2017 01-03-2017
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 artikel 13 Iedere officier en hulpofficier van justitie is bevoegd de voorlopige aanhouding van een voortvluchtige overeenkomstigte bevelen. 2 Kan het optreden van de officier van justitie en de hulpofficier niet worden afgewacht, dan is elke opsporingsambtenaar bevoegd de voortvluchtige aan te houden, onder de verplichting zorg te dragen dat hij onverwijld voor de officier van justitie of de hulpofficieren wordt geleid. 3 Na de voortvluchtige te hebben gehoord, kan de officier of hulpofficier van justitie bevelen dat hij gedurende drie dagen, te rekenen van het tijdstip van de voorlopige aanhouding, in verzekering gesteld zal blijven. De hulpofficier geeft van zijn bevel ten spoedigste schriftelijk kennis aan de officier van justitie. 4 De termijn van inverzekeringstelling kan door de officier van justitie éénmaal met drie dagen worden verlengd. 5 De voortvluchtige kan te allen tijde door de officier van justitie in vrijheid worden gesteld. Zolang de termijn van inverzekeringstelling nog niet is verlengd, komt deze bevoegdheid mede toe aan de hulpofficier die het bevel tot de voorlopige aanhouding heeft gegeven. 2000 205 23-05-2000 11-05-2000 26697 2000 272 04-07-2000 13-06-2000 01-10-2000
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 artikel 14 De rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken, in de rechtbank van het arrondissement waarin een voortvluchtige overeenkomstigin verzekering is gesteld, kan, op vordering van de officier van justitie bij die rechtbank, de bewaring van de voortvluchtige bevelen. 2 Alvorens een bevel ingevolge het vorige lid te geven, hoort de rechter-commissaris zo mogelijk de voortvluchtige. 1992 358 24-06-1992 22484 1992 358 24-06-1992 22484 01-09-1992
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 artikel 15 Een voortvluchtige wiens bewaring overeenkomstigis bevolen, wordt - behoudens de mogelijkheid van verdere vrijheidsbeneming uit anderen hoofde - in vrijheid gesteld: a. zodra zulks door de rechtbank, de rechter-commissaris of de officier van justitie, ambtshalve of op verzoek van de voortvluchtige of diens raadsman, wordt gelast; b. zodra de termijn is verstreken binnen welke, volgens het toepasselijke verdrag, de voorlopige aanhouding moet worden gevolgd door een verzoek tot uitlevering, en zodanig verzoek niet inmiddels is gedaan; c. zodra de bewaring twintig dagen heeft geduurd. 2 artikel 13, derde lid b c, In gevallen waarin, toepassing vindt, worden de in het vorige lid, onderengenoemde tijdvakken, na afloop waarvan de voortvluchtige in vrijheid moet worden gesteld, met vier dagen verlengd. 1992 358 24-06-1992 22484 1992 358 24-06-1992 22484 01-09-1992
Artikel 16a — Artikel 16a#
Artikel 16a 1 artikel 14, vijfde lid Indien een voortvluchtige in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba overeenkomstig deze afdeling in verzekering is gesteld, kan met het oog op de toepassing van het tweede lid de termijn van inverzekeringstelling uitsluitend door de officier van justitie bij het arrondissementsparket te Amsterdam éénmaal met drie dagen worden verlengd. Hem komt tevens uitsluitend de bevoegdheid van, toe. 2 artikel 14, derde lid, en het eerste lid Indien een voortvluchtige in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba overeenkomstig deze afdeling in verzekering is gesteld, wordt hij binnen de termijnen van, overgedragen aan de officier van justitie bij het arrondissementsparket te Amsterdam. 3 artikel 14, derde lid, en het eerste lid Artikel 41, derde en vierde lid Het tweede lid kan buiten toepassing blijven indien de voortvluchtige tegenover de officier van justitie die hem hoort, heeft verklaard in te stemmen met zijn onmiddellijke uitlevering, de officier van justitie bij het arrondissementsparket te Amsterdam heeft beslist dat de voortvluchtige ter beschikking zal worden gesteld van de autoriteiten van de staat waarvan het verzoek tot voorlopige aanhouding is uitgegaan en de feitelijke uitlevering kan plaatsvinden binnen de termijnen van., is van overeenkomstige toepassing. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2010 389 07-10-2010 30-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van Nederland.
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 artikelen 13 tot en met 16a Van elke beslissing, genomen krachtens een der bepalingen van de, wordt onverwijld kennis gegeven aan Onze Minister. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2010 389 07-10-2010 30-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van Nederland.
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 Een verzoek tot uitlevering kan slechts in overweging worden genomen, indien het voldoet aan de vereisten omschreven in de navolgende leden van dit artikel. 2 Het verzoek moet schriftelijk worden gedaan, hetzij langs diplomatieke weg, hetzij - voor zover het toepasselijke verdrag daarin voorziet - rechtstreeks door toezending aan Onze Minister. 3 Het verzoek moet vergezeld gaan van: a. het origineel of een authentiek afschrift hetzij van een, voor tenuitvoerlegging vatbaar, tegen de opgeëiste persoon gewezen strafvonnis, hetzij van een door de daartoe bevoegde autoriteit van de verzoekende staat gegeven bevel tot zijn aanhouding, of van een stuk dat dezelfde rechtskracht heeft, een en ander opgemaakt in de vorm voorgeschreven door het recht van die staat, en betrekking hebbende op de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd; b. een uiteenzetting van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, met een zo nauwkeurig mogelijke vermelding van de tijd en de plaats waarop deze zijn begaan; c. de tekst van de toepasselijke rechtsvoorschriften of, voorzover ongeschreven recht van toepassing is, een voor de beoordeling van het verzoek voldoende verklaring omtrent de inhoud van dat recht; d. de gegevens die nodig zijn voor het vaststellen van de identiteit van de opgeëiste persoon en - in geval van mogelijke twijfel daaromtrent - van zijn nationaliteit. 1967 139 09-03-1967 8054 1967 139 09-03-1967 8054 03-04-1967
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 artikel 18 Indien de overgelegde stukken naar het oordeel van Onze Minister niet voldoen aan de vereisten omschreven in, of aan nadere vereisten gesteld in het toepasselijke verdrag, biedt hij de autoriteiten van de verzoekende staat gelegenheid tot aanvulling of verbetering, binnen een door hem te stellen redelijke termijn. 2 artikel 18 In spoedeisende gevallen en voorzover een verdrag daarin voorziet kan de officier van justitie of de procureur-generaal bij de Hoge Raad, indien naar zijn oordeel, dat van de rechtbank of de Hoge Raad de overgelegde stukken niet voldoen aan de vereisten omschreven inof aan nadere vereisten gesteld in het toepasselijke verdrag welke ter beoordeling van de rechtbank of de Hoge Raad zijn, de door de verzoekende staat daartoe aangewezen autoriteiten gelegenheid bieden tot aanvulling of verbetering, binnen een door hem gestelde termijn. 2000 205 23-05-2000 11-05-2000 26697 2000 272 04-07-2000 13-06-2000 01-10-2000
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 artikel 19 Tenzij Onze Minister reeds aanstonds van oordeel is dat het verzoek tot uitlevering moet worden afgewezen, stelt hij het verzoek met de daarbij behorende stukken - voor zover nodig na gelegenheid te hebben geboden tot aanvulling of verbetering overeenkomstig- in handen van de officier van justitie bij de rechtbank van het arrondissement waarin de opgeëiste persoon zich bevindt. Bevindt de opgeëiste persoon zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, dan stelt hij de stukken in handen van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam. 2 Wanneer een verzoek tot voorlopige aanhouding is voorafgegaan, worden de stukken toegezonden aan de officier van justitie die in verband met dat verzoek reeds bij de zaak betrokken is geweest. Indien dit verzoek een zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindende voortvluchtige betreft, is het eerste lid, tweede volzin, van overeenkomstige toepassing. 3 Indien tegen de opgeëiste persoon in het Europese deel van Nederland een strafvervolging gaande is, in verband waarmede hij voorlopig van zijn vrijheid is beroofd, of indien die persoon een in het Europese deel van Nederland opgelegde vrijheidsstraf ondergaat, kunnen, in afwijking van het voorgaande, de stukken worden toegezonden aan de officier van justitie die met de vervolging is belast of belast is geweest. 4 Is voorshands niet bekend in welk arrondissement de opgeëiste persoon zich bevindt, staat de opgeëiste persoon gesignaleerd wegens een tegen hem afgegeven Europees aanhoudingsbevel of is zodanig bevel reeds ontvangen, dan zendt Onze Minister de stukken toe aan de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam. 2012 313 13-07-2012 12-07-2012 32891 2012 314 13-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 De officier van justitie die het verzoek tot uitlevering heeft ontvangen, kan de aanhouding van de opgeëiste persoon bevelen. 2 De opgeëiste persoon wiens aanhouding overeenkomstig het vorige lid is bevolen, wordt binnen vierentwintig uren na zijn aanhouding voor de officier van justitie of, bij diens afwezigheid, voor een hulpofficier van justitie geleid. Na verhoor door een hulpofficier wordt de aangehouden persoon zo spoedig mogelijk alsnog voor de officier van justitie geleid. 3 Na de opgeëiste persoon te hebben gehoord, kan de officier van justitie bevelen dat deze in verzekering gesteld zal blijven tot het tijdstip waarop de rechtbank over zijn gevangenhouding beslist. 4 Het bevel tot inverzekeringstelling kan te allen tijde zowel door de rechtbank als door de officier van justitie, ambtshalve of op verzoek van de opgeëiste persoon of diens raadsman, worden opgeheven. 1967 139 09-03-1967 8054 1967 139 09-03-1967 8054 03-04-1967
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 artikel 14 artikel 15 artikel 14, derde en vierde lid c artikel 16, aanhef en onder Wanneer de opgeëiste persoon, op de dag waarop de officier van justitie het verzoek tot uitlevering ontvangt, reeds krachtens, onderscheidenlijkin verzekering of in bewaring is gesteld, kan de vrijheidsbeneming - met afwijking van, onderscheidenlijk- op bevel van de officier van justitie worden voortgezet tot het tijdstip waarop de rechtbank over de gevangenhouding beslist. 2 artikel 15 Van zijn in het vorige lid bedoelde bevel geeft de officier van justitie onverwijld kennis aan de rechter-commissaris die de bewaring krachtensheeft bevolen. 1967 139 09-03-1967 8054 1967 139 09-03-1967 8054 03-04-1967
Artikel 22a — Artikel 22a#
Artikel 22a 1 artikel 21, derde en vierde lid Indien de opgeëiste persoon in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is aangehouden, blijft, buiten toepassing. Na de opgeëiste persoon te hebben gehoord, kan de officier van justitie of hulpofficier van justitie bevelen dat hij gedurende drie dagen, te rekenen vanaf het tijdstip van zijn aanhouding, in verzekering gesteld zal blijven. De termijn van de inverzekeringstelling kan met het oog op de toepassing van het derde lid uitsluitend door de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam éénmaal met drie dagen worden verlengd. 2 artikel 14 16a, eerste lid 22 Indien de opgeëiste persoon op de dag waarop de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam het verzoek tot uitlevering ontvangt reeds krachtensin de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verzekering is gesteld, kan de vrijheidsbeneming – in afwijking van de artikelen 14, derde lid,, en– uitsluitend op bevel van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam worden voortgezet tot het tijdstip waarop de rechtbank over de gevangenhouding beslist. 3 Indien de opgeëiste persoon in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verzekering is gesteld, wordt hij binnen de termijnen van het eerste lid overgedragen aan de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam. 4 Artikel 41, derde en vierde lid Het derde lid kan buiten toepassing blijven indien de opgeëiste persoon tegenover de officier van justitie die hem hoort, heeft verklaard in te stemmen met zijn onmiddellijke uitlevering, de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam heeft beslist dat de opgeëiste persoon ter beschikking zal worden gesteld van de staat waarvan het verzoek tot uitlevering is uitgegaan en de feitelijke uitlevering kan plaatsvinden binnen de termijnen van het eerste lid., is van overeenkomstige toepassing. 5 Na de opgeëiste persoon te hebben gehoord, kan de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam bevelen dat de vrijheidsbeneming wordt voortgezet tot het tijdstip waarop de rechtbank over zijn gevangenhouding beslist. 6 De opgeëiste persoon kan te allen tijde zowel door de rechtbank Amsterdam als door de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam, ambtshalve of op verzoek van de opgeëiste persoon of diens raadsman, in vrijheid worden gesteld. 2012 313 13-07-2012 12-07-2012 32891 2012 314 13-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 22b — Artikel 22b#
Artikel 22b artikel 1 van de Overleveringswet De officier van justitie die een uitleveringsverzoek ter fine van strafvervolging heeft ontvangen betreffende een burger van de Unie die gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer als bedoeld in artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt onverwijld contact op met de officier van justitie die krachtens de Overleveringswet is belast met de behandeling van Europese aanhoudingsbevelen teneinde te bezien of uitlevering van die onderdaan tot een inbreuk op artikel 18 van dat Verdrag kan leiden en hem zo nodig te verzoeken om de uitvaardigende justitiële autoriteit, bedoeld in, van de lidstaat van de Europese Unie waarvan de opgeëiste persoon de nationaliteit heeft in de gelegenheid te stellen een Europees aanhoudingsbevel, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Overleveringswet, uit te vaardigen. 2021 125 12-03-2021 03-03-2021 35535 2021 156 31-03-2021 19-03-2021 01-04-2021
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 Uiterlijk op de derde dag na die waarop hij het verzoek tot uitlevering heeft ontvangen, vordert de officier van justitie schriftelijk, dat de rechtbank het verzoek in behandeling zal nemen. Hij legt daarbij de stukken aan de rechtbank over. In voorkomend geval vermeldt hij daarbij dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van de Europese Unie waarvan de opgeëiste persoon de nationaliteit heeft, in de gelegenheid zijn gesteld een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen voor dezelfde feiten als die welke aan het uitleveringsverzoek ten grondslag liggen. 2 Een afschrift van de krachtens het vorige lid vereiste vordering wordt aan de opgeëiste persoon betekend. Daarbij wordt hem mededeling gedaan van de feiten waarvoor zijn uitlevering is gevraagd, met vermelding van de tijden en de plaatsen waarop deze zijn begaan, een en ander zoals bij het verzoek tot uitlevering omschreven, alsmede van de staat die het verzoek heeft gedaan. Het voorgaande geldt eveneens in het geval dat de officier van justitie naar aanleiding van een naderhand ontvangen verzoek zijn vordering heeft aangevuld of gewijzigd. Van de ontvangst van aanvullende stukken, die in het dossier worden gevoegd, wordt de opgeëiste persoon mededeling gedaan. 3 artikel 32 van het Wetboek van Strafvordering Nadat de stukken aan de rechtbank zijn overgelegd, mag de kennisneming daarvan aan de opgeëiste persoon en diens raadsman niet worden onthouden. Het bepaalde bij en krachtensis van overeenkomstige toepassing. 2021 125 12-03-2021 03-03-2021 35535 2021 156 31-03-2021 19-03-2021 01-04-2021
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 1 artikel 23 Dadelijk na de ontvangst van de inbedoelde vordering bepaalt de voorzitter van de rechtbank, zoveel mogelijk bij voorrang, het tijdstip waarop de opgeëiste persoon door de rechtbank zal worden gehoord. Hij kan daarbij diens medebrenging bevelen. 2 De griffier van de rechtbank doet onverwijld aan de officier van justitie en aan de opgeëiste persoon mededeling van het voor het verhoor bepaalde tijdstip. Die mededeling - alsmede, zo een bevel tot medebrenging is gegeven, een afschrift van dat bevel - wordt aan de opgeëiste persoon betekend. 3 In geval de opgeëiste persoon geen raadsman heeft, geeft de voorzitter aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand last tot aanwijzing van een raadsman. 2016 476 08-12-2016 17-11-2016 34159 2017 66 27-02-2017 20-02-2017 01-03-2017
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 Het verhoor van de opgeëiste persoon geschiedt in het openbaar, tenzij deze een behandeling van de zaak met gesloten deuren verlangt, of de rechtbank om gewichtige, in het proces-verbaal der zitting te vermelden, redenen sluiting der deuren beveelt. 2 Het verhoor heeft plaats in tegenwoordigheid van de officier van justitie. 3 Bij zijn verhoor kan de opgeëiste persoon zich door zijn raadsman doen bijstaan. 4 Is de opgeëiste persoon niet verschenen en acht de rechtbank zijn aanwezigheid bij het verhoor wenselijk, dan gelast de rechtbank tegen een door haar te bepalen tijdstip diens dagvaarding, zo nodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging. 2004 50 17-02-2004 05-02-2004 29217 2004 50 17-02-2004 05-02-2004 29217 01-05-2004
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering Artikel 29c, tweede lid, van dat wetboek De rechtbank onderzoekt de identiteit van de opgeëiste persoon op de wijze, bedoeld in, alsmede de ontvankelijkheid van het verzoek tot uitlevering en de mogelijkheid van inwilliging daarvan. De rechtbank is tevens bevoegd de identiteit van de opgeëiste persoon vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, tweede lid, van dat wetboek, indien over zijn identiteit twijfel bestaat.is van overeenkomstige toepassing. 2 De officier van justitie geeft ter zitting van de rechtbank zijn opvatting over de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering en legt een schriftelijke samenvatting daaromtrent aan de rechtbank over. De opgeëiste persoon en diens raadsman worden eveneens in de gelegenheid gesteld tot het maken van terzake dienende opmerkingen omtrent het verzoek tot uitlevering en de in verband daarmede te nemen beslissingen. 3 Beweert de opgeëiste persoon dat hij onverwijld kan aantonen niet schuldig te zijn aan de feiten waarvoor zijn uitlevering is gevraagd, dan onderzoekt de rechtbank die bewering. 4 Indien de rechtbank zulks met het oog op het door haar krachtens het eerste of derde lid van dit artikel in te stellen onderzoek noodzakelijk acht, gelast zij - zo nodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging - tegen een door haar te bepalen tijdstip de dagvaarding of schriftelijke oproeping van getuigen of deskundigen. 2016 476 08-12-2016 17-11-2016 34159 2017 66 27-02-2017 20-02-2017 01-03-2017
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 1 Op vordering van de officier van justitie kan de rechtbank ter zitting de gevangenneming van de opgeëiste persoon bevelen. 2 Voordat het onderzoek ter zitting wordt gesloten, beslist de rechtbank ambtshalve omtrent de gevangenhouding van de opgeëiste persoon, zo deze in bewaring of in verzekering is gesteld. 1967 139 09-03-1967 8054 1967 139 09-03-1967 8054 03-04-1967
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 1 Zo spoedig mogelijk na de sluiting van het onderzoek ter zitting doet de rechtbank uitspraak omtrent het verzoek tot uitlevering. De uitspraak wordt met redenen omkleed. 2 Bevindt de rechtbank artikel 18 hetzij dat de door de verzoekende staat overgelegde stukken niet voldoen aan de vereisten omschreven in, of aan nadere vereisten gesteld in het toepasselijke verdrag, hetzij dat het verzoek tot uitlevering niet voor inwilliging vatbaar is, hetzij dat ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan de feiten waarvoor zijn uitlevering is gevraagd, dan verklaart zij bij haar uitspraak de uitlevering ontoelaatbaar. 3 In andere dan de in het vorige lid voorziene gevallen verklaart de rechtbank bij haar uitspraak de uitlevering toelaatbaar, zulks met vermelding van de toepasselijke wets- en verdragsbepalingen, alsmede van het feit of de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan. 4 artikel 26, derde lid Wordt de uitlevering toelaatbaar verklaard niettegenstaande een bewering van de opgeëiste persoon overeenkomstig, dan vermeldt de uitspraak hetgeen de rechtbank te dien aanzien heeft bevonden. 1967 139 09-03-1967 8054 1967 139 09-03-1967 8054 03-04-1967
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 1 artikelen 50, eerste lid 260, eerste lid 268 269, vijfde lid 271 272 273, derde lid 274 tot en met 277 279 281 286 288, vierde lid 289, eerste en derde lid 290 tot en met 301 318 tot en met 322 324 tot en met 331 345, eerste en derde lid 346 357 362 tot en met 365, eerste tot en met vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering De,,,,,,,,,,,,,,,,,,envinden overeenkomstige toepassing. Voor zover die bepalingen betrekking hebben op de verdachte, zijn zij van overeenkomstige toepassing op de opgeëiste persoon. 2 De in het eerste lid genoemde artikelen vinden geen toepassing voor zover deze betrekking hebben op een getuige wiens identiteit niet of slechts ten dele blijkt. 2016 476 08-12-2016 17-11-2016 34159 2017 66 27-02-2017 20-02-2017 01-03-2017
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 De uitspraak van de rechtbank wordt aan de opgeëiste persoon die bij de voorlezing daarvan niet tegenwoordig is geweest, betekend. Daarbij wordt hem kennis gegeven van het rechtsmiddel dat tegen de uitspraak openstaat, en van de termijn binnen welke dat rechtsmiddel kan worden aangewend. 2 De rechtbank zendt aan Onze Minister onverwijld een gewaarmerkt afschrift van haar uitspraak toe. Indien de uitlevering toelaatbaar is verklaard, doet zij het afschrift vergezeld gaan van haar advies omtrent het aan het verzoek tot uitlevering te geven gevolg. Een afschrift van het advies wordt door de griffier aan de opgeëiste persoon en diens raadsman ter hand gesteld of toegezonden. 1983 576 09-11-1983 17397 1983 576 09-11-1983 17397 19-12-1983
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 1 Tegen de uitspraak van de rechtbank betreffende het verzoek tot uitlevering kan zowel door de officier van justitie als door de opgeëiste persoon beroep in cassatie worden ingesteld. 2 Van verklaringen waarbij afstand wordt gedaan van het recht om beroep in cassatie in te stellen, of waarbij een zodanig beroep wordt ingetrokken, geeft de griffier van de rechtbank onverwijld kennis aan Onze Minister. 3 De officier van justitie is, op straffe van niet-ontvankelijkheid, verplicht om binnen een maand nadat hij beroep in cassatie heeft ingesteld, bij de Hoge Raad een schriftuur in te dienen, houdende zijn middelen van cassatie. 4 De opgeëiste persoon die cassatieberoep heeft ingesteld, is op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht om vóór de dienende dag bij de Hoge Raad door zijn raadsman een schriftuur te doen indienen, houdende zijn middelen van cassatie. 5 artikel 265, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering De voorzitter bepaalt na overleg met de procureur-generaal de rechtsdag. De procureur-generaal doet de dag voor de behandeling van het beroep bepaald ten minste acht dagen vóór de rechtsdag aanzeggen aan de opgeëiste persoon. Deze termijn kan, met toestemming van de opgeëiste persoon, worden bekort indien van die toestemming blijkt op overeenkomstige wijze als bepaald in. Bij gebreke van tijdige aanzegging wordt door de Hoge Raad de aanzegging van een nieuwe rechtsdag bevolen, tenzij voor de opgeëiste persoon een raadsman is verschenen. In dat laatste geval kan op diens verzoek uitstel worden verleend. 6 In de gevallen waarin op de zitting de behandeling van het beroep voor een bepaalde tijd wordt uitgesteld of geschorst, heeft geen nieuwe aanzegging aan de opgeëiste persoon plaats. 7 artikelen 431 432 432a 434, eerste lid 438 439 440, eerste lid 442 443 444 449, eerste lid 450 451 451a 452 453 454, eerste, tweede en derde lid 455, eerste lid 456 van het Wetboek van Strafvordering De,,,,,,,,,,,,,,,,,, enzijn van overeenkomstige toepassing. 8 Indien de uitspraak van de rechtbank geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd doet de Hoge Raad wat de rechtbank had behoren te doen. Tenzij de Hoge Raad de zaak zelf kan afdoen zonder in een nieuw onderzoek naar de feiten te treden, gelast hij tegen een door hem te bepalen tijdstip de oproeping van de opgeëiste persoon, zo nodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging. 9 De Hoge Raad zendt aan Onze Minister onverwijld een gewaarmerkt afschrift van zijn arrest toe. 2022 345 07-09-2022 22-08-2022 36003 2022 364 21-09-2022 16-09-2022 01-01-2023 Artikel XLIV, eerste lid, van Stb. 2022/345 bevat overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 Zodra de rechterlijke uitspraak betreffende het verzoek tot uitlevering in kracht van gewijsde is gegaan, zendt de griffier van het gerecht dat de zaak het laatst heeft behandeld, dat verzoek met de daarbij behorende stukken terug aan Onze Minister. 1967 139 09-03-1967 8054 1967 139 09-03-1967 8054 03-04-1967
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 1 artikel 32 Nadat Onze Minister de stukken overeenkomstigheeft terugontvangen, beslist hij zo spoedig mogelijk op het verzoek tot uitlevering. 2 Voorzover de uitlevering bij rechterlijk gewijsde ontoelaatbaar is verklaard, wordt op het verzoek afwijzend beschikt. 3 Is de uitlevering alleen wegens ongenoegzaamheid van de overgelegde stukken ontoelaatbaar verklaard, dan kan Onze Minister zijn beslissing aanhouden. Hetzelfde geldt, indien de uitlevering wel toelaatbaar is verklaard, doch Onze Minister nadere stukken nodig acht voor een verantwoorde beslissing zijnerzijds. 4 In geval van aanhouding van zijn beslissing biedt Onze Minister de autoriteiten van de verzoekende staat gelegenheid om, binnen een door hem te stellen redelijke termijn, nadere stukken over te leggen. 5 Worden de gevraagde nadere stukken niet binnen de daarvoor gestelde termijn overgelegd, dan beschikt Onze Minister afwijzend op het verzoek tot uitlevering. 6 De beslissing van Onze Minister op een verzoek tot uitlevering wordt ter kennis van de verzoekende staat gebracht langs diplomatieke weg, tenzij bij verdrag in een andere weg is voorzien. 1967 139 09-03-1967 8054 1967 139 09-03-1967 8054 03-04-1967
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 1 artikelen 23-26 28 32 33, eerste en tweede lid Wanneer Onze Minister binnen de daarvoor gestelde termijn nadere stukken ontvangt, kan hij het dossier van de zaak opnieuw toezenden aan de officier van justitie bij de rechtbank die het verzoek tot uitlevering heeft behandeld. Alsdan vinden de,-en, wederom toepassing. Indien de uitlevering door de Hoge Raad wegens ongenoegzaamheid der stukken ontoelaatbaar is verklaard kan Onze Minister het dossier met de nadere stukken ook rechtstreeks aan de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad toezenden. 2 Voor zover de nadere stukken daartoe aanleiding geven, wordt de uitlevering alsnog door de rechter toelaatbaar verklaard. 1983 576 09-11-1983 17397 1983 576 09-11-1983 17397 19-12-1983
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 1 Indien twee of meer staten de uitlevering van dezelfde persoon hebben gevraagd, houdt Onze Minister bij de beslissing op hun verzoeken - voor zover deze ontvankelijk en voor inwilliging vatbaar zijn - rekening met het belang van een goede rechtsbedeling en voorts in het bijzonder met: a. de meerdere of mindere ernst van de verschillende feiten waarvoor de uitlevering is gevraagd; b. de plaats of plaatsen waar de feiten zijn begaan; c. de tijdstippen waarop de verzoeken tot uitlevering zijn gedaan; d. de nationaliteit van de opgeëiste persoon; e. de mogelijkheid dat de opgeëiste persoon, nadat hij naar het grondgebied van een van de verzoekende staten is verwijderd, vervolgens door de autoriteiten van die staat ter beschikking wordt gesteld van de autoriteiten van een andere verzoekende staat. 2 artikel 1, onder b, van de Overleveringswet Indien een uitvaardigende justitiële autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie een Europees aanhoudingsbevel als bedoeld inheeft uitgevaardigd voor dezelfde feiten als die welke aan het uitleveringsverzoek ten grondslag liggen en de rechtbank Amsterdam de overlevering heeft toegestaan, weigert Onze Minister de uitlevering teneinde voorrang te geven aan de overlevering. 3 In alle overige gevallen waarin een uitvaardigende justitiële autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie een Europees aanhoudingsbevel als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Overleveringswet heeft uitgevaardigd en een andere staat de uitlevering heeft gevraagd is het eerste lid van overeenkomstige toepassing. 2021 125 12-03-2021 03-03-2021 35535 2021 156 31-03-2021 19-03-2021 01-04-2021
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 artikel 33, derde lid Van zijn beslissing op het verzoek tot uitlevering, alsmede van de aanhouding daarvan overeenkomstig, geeft Onze Minister onverwijld kennis aan de officier van justitie bij de rechtbank die het verzoek heeft behandeld. 1967 139 09-03-1967 8054 1967 139 09-03-1967 8054 03-04-1967
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 1 artikel 27 Een krachtensbevolen vrijheidsbeneming wordt - behoudens de mogelijkheid van verdere vrijheidsbeneming uit anderen hoofde - beëindigd, zodra: a. zulks door de rechtbank of door de officier van justitie, ambtshalve of op verzoek van de gedetineerde of diens raadsman, dan wel door de Hoge Raad bij zijn beslissing op een beroep in cassatie wordt gelast; b. zij dertig dagen heeft geduurd, tenzij de rechtbank inmiddels, op vordering van de officier van justitie, deze termijn heeft verlengd. 2 De officier van justitie gelast de beëindiging van de vrijheidsbeneming in elk geval zodra hij kennis heeft gekregen van een afwijzende beslissing van Onze Minister op het verzoek tot uitlevering. 1967 139 09-03-1967 8054 1967 139 09-03-1967 8054 03-04-1967
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 1 b artikel 37, eerste lid, onder Verlenging van de in, bedoelde termijn kan telkens voor ten hoogste dertig dagen geschieden. 2 De gedetineerde wordt in de gelegenheid gesteld op de vordering tot verlenging te worden gehoord. 3 Verlenging kan alleen geschieden in gevallen waarin: a. de rechterlijke uitspraak omtrent het verzoek tot uitlevering nog niet, of minder dan dertig dagen tevoren, in kracht van gewijsde is gegaan; b. artikel 33, derde lid Onze Minister zijn beslissing overeenkomstig, heeft aangehouden; c. de uitlevering mede door een derde staat is gevraagd, en Onze Minister nog niet op het verzoek van die staat heeft beschikt; d. de uitlevering inmiddels wel is toegestaan, maar nog niet heeft kunnen plaatshebben. 2000 205 23-05-2000 11-05-2000 26697 2000 272 04-07-2000 13-06-2000 01-10-2000
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 1 Na gehele of gedeeltelijke inwilliging van het verzoek tot uitlevering wordt de opgeëiste persoon zo spoedig mogelijk ter beschikking van de autoriteiten van de verzoekende staat gesteld, zulks op een door Onze Minister, na overleg met die autoriteiten, te bepalen tijd en plaats. 2 De beslissing omtrent de tijd en de plaats van de uitlevering kan worden aangehouden, indien en zolang tegen de opgeëiste persoon een strafrechtelijke vervolging in Nederland gaande is, of een door een Nederlandse rechter tegen hem gewezen strafvonnis nog geheel of ten dele voor tenuitvoerlegging vatbaar is. 3 In gevallen als voorzien in het vorige lid kan Onze Minister, zo hij daarvoor termen aanwezig acht, bepalen dat de opgeëiste persoon, ten behoeve van diens berechting op het grondgebied van de verzoekende staat, reeds aanstonds voorlopig ter beschikking van de autoriteiten van die staat zal worden gesteld. 4 Ondergaat de opgeëiste persoon, te wiens aanzien het vorige lid wordt toegepast, een vrijheidsstraf, dan komt de tijd gedurende welke hij ter beschikking van de autoriteiten van de verzoekende staat is, in mindering op zijn straftijd. 1967 139 09-03-1967 8054 1967 139 09-03-1967 8054 03-04-1967
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 1 artikel 39, eerste of derde lid Indien zulks voor de toepassing van, noodzakelijk is, wordt de opgeëiste persoon op bevel van de daartoe door Onze Minister aangeschreven officier van justitie aangehouden voor ten hoogste drie dagen. Indien de uitlevering niet binnen de termijn van drie dagen heeft kunnen plaatsvinden, kan het bevel tot aanhouding door de officier van justitie eenmaal voor ten hoogste drie dagen worden verlengd. 2 Artikel 38, eerste en tweede lid Na verlenging van de in het eerste lid bedoelde termijn door de officier van justitie, kan deze uitsluitend op vordering van de officier van justitie door de rechtbank worden verlengd., is van overeenkomstige toepassing. 3 Een verlenging als bedoeld in het tweede lid kan alleen geschieden wanneer de uitlevering door bijzondere omstandigheden niet binnen de termijn van 6 dagen heeft kunnen plaatshebben. 2000 205 23-05-2000 11-05-2000 26697 2000 272 04-07-2000 13-06-2000 01-10-2000
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 1 artikel 24 De voortvluchtige wiens voorlopige aanhouding of uitlevering vanwege een andere staat is verzocht, kan - uiterlijk op de dag voorafgaande aan die welke overeenkomstigis bepaald voor zijn verhoor door de rechtbank - verklaren dat hij instemt met onmiddellijke uitlevering. 2 Voorzover bij verdrag niet anders is bepaald, kan een verklaring overeenkomstig het vorige lid alleen worden afgelegd ten overstaan van een rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken. 3 artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering Artikel 29c, tweede lid, van dat wetboek De rechter-commissaris is bevoegd de identiteit van de voortvluchtige vast te stellen op de wijze, bedoeld in.is van overeenkomstige toepassing. 4 De voortvluchtige kan zich bij het afleggen van de verklaring doen bijstaan door een raadsman. Hierop wordt, zo hij zonder raadsman verschijnt, zijn aandacht gevestigd door de autoriteit bevoegd tot het in ontvangst nemen van de verklaring. 5 artikel 16a, tweede lid artikel 22a, tweede lid Voordat hij de verklaring aflegt, wordt de voortvluchtige op de mogelijke gevolgen daarvan opmerkzaam gemaakt. Van de verklaring wordt proces-verbaal opgemaakt. Indien ten aanzien van de voortvluchtige toepassing is gegeven aan, of, vindt toezending steeds plaats aan de officier van justitie bij het arrondissementsparket te Amsterdam. 6 De autoriteit ten overstaan van wie de verklaring is afgelegd, zendt het proces-verbaal daarvan aan de officier van justitie die krachtens deze wet bij het verzoek tot voorlopige aanhouding, dan wel het verzoek tot uitlevering is betrokken. 2016 476 08-12-2016 17-11-2016 34159 2017 66 27-02-2017 20-02-2017 01-03-2017
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 1 artikel 41 Nadat een verklaring overeenkomstigis afgelegd, kan de officier van justitie beslissen dat de voortvluchtige ter beschikking zal worden gesteld van de autoriteiten van de staat waarvan het verzoek tot voorlopige aanhouding, of het verzoek tot uitlevering, is uitgegaan. 2 Het vorige lid blijft buiten toepassing: a. artikelen 2 9 indien voor het feit of de feiten, in verband waarmede de voorlopige aanhouding of de uitlevering is gevraagd, ingevolge een der bepalingen van deengeen uitlevering kan worden toegestaan; b. indien blijkt dat tegen de voortvluchtige in Nederland een strafrechtelijke vervolging gaande is, of dat tegen hem door een Nederlandse rechter een nog geheel of ten dele voor tenuitvoerlegging vatbaar strafvonnis is gewezen; c. artikel 22b indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van de Europese Unie waarvan de opgeëiste persoon de nationaliteit heeft overeenkomstigin de gelegenheid zijn gesteld een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen voor dezelfde feiten als die welke aan het uitleveringsverzoek ter fine strafvervolging ten grondslag liggen, tenzij inmiddels is gebleken dat geen Europees aanhoudingsbevel zal worden uitgevaardigd. 3 Van elke beslissing, genomen krachtens het eerste lid van dit artikel, geeft de officier van justitie onverwijld kennis aan Onze Minister. 2021 125 12-03-2021 03-03-2021 35535 2021 156 31-03-2021 19-03-2021 01-04-2021
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 1 artikel 42 artikel 23 Indien de officier van justitie overeenkomstigheeft beslist, dat de voortvluchtige ter beschikking zal worden gesteld van de autoriteiten van de andere staat, blijftbuiten toepassing. 2 artikel 23 Is de inbedoelde vordering reeds bij de rechtbank ingediend, dan wordt deze onverwijld ingetrokken. De griffier van de rechtbank stelt alsdan het verzoek tot uitlevering, met de daarbij behorende stukken, weder in handen van de officier van justitie. 3 Van het intrekken van de vordering geeft de officier van justitie kennis aan de opgeëiste persoon. 1992 358 24-06-1992 22484 1992 358 24-06-1992 22484 01-09-1992
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 1 artikel 41 Na de dag waarop hij de inbedoelde verklaring heeft afgelegd, kan de voortvluchtige nog slechts gedurende ten hoogste twintig dagen in bewaring of in verzekering gesteld blijven. 2 artikel 23, eerste lid Het vorige lid blijft buiten toepassing, indien de officier van justitie heeft beslist dat aan de verklaring geen gevolg zal worden gegeven en het verzoek tot uitlevering, met de daarbij behorende stukken, overeenkomstig, aan de rechtbank is overgelegd. 3 Artikel 38, eerste en tweede lid De in het eerste lid van dit artikel gestelde termijn kan, op vordering van de officier van justitie, door de rechtbank worden verlengd., is van overeenkomstige toepassing. 4 Verlenging kan alleen geschieden wanneer de uitlevering door bijzondere omstandigheden niet binnen de termijn van twintig dagen heeft kunnen plaats hebben. 1992 358 24-06-1992 22484 1992 358 24-06-1992 22484 01-09-1992
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 1 artikel 42, eerste lid In geval van toepassing van, bepaalt de officier van justitie, na overleg met de bevoegde buitenlandse autoriteiten, onverwijld de tijd en de plaats waarop de uitlevering zal geschieden. 2 De officier van justitie kan, zo nodig, met het oog op de uitlevering krachtens de bepalingen van deze afdeling, de aanhouding van de voortvluchtige bevelen. Artikel 40, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. 3 artikel 12 In geval van uitlevering krachtens de bepalingen van deze afdeling isniet van toepassing. 1992 358 24-06-1992 22484 1992 358 24-06-1992 22484 01-09-1992
Artikel 45a — Artikel 45a#
Artikel 45a 1 artikelen 28 28a 37 38 43 tot en met 45 124 van het Wetboek van Strafvordering De opgeëiste persoon heeft het recht zich door een raadsman te doen bijstaan. De,,,enenzijn van overeenkomstige toepassing. 2 artikelen 28b, eerste lid, tweede volzin 39 van het Wetboek van Strafvordering Wetboek van Strafvordering BES Indien de voortvluchtige krachtens deze wet wordt aangehouden, stelt de hulpofficier van justitie het bestuur van de raad voor rechtsbijstand hiervan in kennis, opdat het bestuur een raadsman aanwijst, dan wel stelt hij de door de opgeëiste persoon gekozen raadsman hiervan in kennis. De, enzijn van overeenkomstige toepassing. Indien de voortvluchtige zich in Bonaire, Sint Eustatius of Saba bevindt, vindt de verlening van kosteloze rechtskundige bijstand plaats overeenkomstig het. 3 Indien een persoon die geen raadsman heeft overeenkomstig deze wet zijn vrijheid wordt benomen – anders dan uit kracht van een bevel tot aanhouding of voorlopige aanhouding, dan wel tot inverzekeringstelling of tot verlenging van de termijn daarvan – wijst het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, na mededeling van de vrijheidsbeneming door het openbaar ministerie, een raadsman aan. 2016 476 08-12-2016 17-11-2016 34159 2017 66 27-02-2017 20-02-2017 01-03-2017
Artikel 45b — Artikel 45b#
Artikel 45b 1 artikelen 54 55 In de gevallen dat een persoon die in het buitenland rechtens van zijn vrijheid is beroofd, vooruitlopend op zijn feitelijke uitlevering, voorlopig ter beschikking wordt gesteld van de Nederlandse justitie of die van Bonaire, Sint Eustatius en Saba ten behoeve van diens berechting, wordt hij gedurende zijn verblijf op Nederlands grondgebied op bevel van het bevoegde lid van het openbaar ministerie in verzekering gesteld. Deenzijn, voor zoveel nodig, van overeenkomstige toepassing. 2 De inverzekeringstelling wordt opgeheven zodra het bevoegde lid van het openbaar ministerie bericht ontvangt dat de gronden voor vrijheidsberoving in het buitenland niet langer bestaan. 2025 124 14-05-2025 23-04-2025 36638 2025 155 12-06-2025 28-05-2025 01-07-2025
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 1 Voorwerpen, aangetroffen in het bezit van degene wiens uitlevering of voorlopige aanhouding krachtens een verdrag is gevraagd, kunnen op verzoek van de bevoegde buitenlandse autoriteiten in beslag worden genomen. De inbeslagneming geschiedt door of op last van de officier of hulpofficier van justitie, bevoegd tot het geven van een bevel tot aanhouding of voorlopige aanhouding. 2 artikel 23 Bij de inbedoelde vordering legt de officier van justitie een lijst van de in beslag genomen voorwerpen aan de rechtbank voor. 1967 139 09-03-1967 8054 1967 139 09-03-1967 8054 03-04-1967
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 1 De rechtbank beslist bij haar uitspraak omtrent het verzoek tot uitlevering tevens over de afgifte, dan wel de teruggave, van de in beslag genomen voorwerpen. Afgifte van die voorwerpen aan de autoriteiten van de verzoekende staat kan alleen worden bevolen voor het geval van inwilliging van het verzoek tot uitlevering. 2 Met het oog op mogelijke rechten van derden kan de rechtbank ten aanzien van bepaalde voorwerpen beslissen, dat afgifte aan de autoriteiten van de verzoekende staat slechts mag geschieden onder het beding, dat die voorwerpen onmiddellijk zullen worden teruggezonden nadat daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik zal zijn gemaakt. 3 artikelen 116 tot en met 119 552a 552c tot en met 552e van het Wetboek van Strafvordering artikel 23, eerste lid Het bepaalde bij en krachtens de,enis van overeenkomstige toepassing. In plaats van het volgens die bepalingen bevoegde gerecht treedt de rechtbank tot welke de in, van deze wet bedoelde vordering is gericht, dan wel - zo die vordering niet is gedaan - de rechtbank van het arrondissement waarin de voorwerpen in beslag genomen zijn. Zijn de voorwerpen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in beslag genomen, dan is de rechtbank Amsterdam bij uitsluiting bevoegd. 4 afdeling E van hoofdstuk III In geval van uitlevering overeenkomstig de bepalingen vanbeslist de officier van justitie over de afgifte, dan wel de teruggave, van de in beslag genomen voorwerpen, behoudens de bevoegdheden van de rechtbank krachtens het vorige lid. 2012 313 13-07-2012 12-07-2012 32891 2012 314 13-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 1 Vreemdelingen die, ten behoeve van een strafrechtelijk onderzoek of de tenuitvoerlegging van een strafvonnis, door de autoriteiten van een vreemde staat ter beschikking van de autoriteiten van een andere staat worden gesteld, kunnen met toestemming van Onze Minister over Nederlands grondgebied worden vervoerd. 2 Toestemming voor vervoer over land wordt niet gegeven dan krachtens een verdrag. 3 De toestemming van Onze Minister is niet vereist voor vervoer door de lucht waarbij geen landing op Nederlands gebied wordt gemaakt. 4 artikelen 14 16a, eerste lid In geval van een niet voorziene landing op Nederlands gebied kan de vreemdeling, op verzoek van de hem begeleidende buitenlandse ambtenaren, voorlopig worden aangehouden krachtens een bevel van een ter plaatse bevoegde officier of hulpofficier van justitie. Deen, zijn van overeenkomstige toepassing. 5 Het vervoer van de voorlopig aangehouden vreemdeling kan worden voortgezet, zodra Onze Minister daartoe alsnog toestemming verleent. Is de toestemming na afloop van de termijn van inverzekeringstelling nog niet verleend, of binnen die termijn geweigerd, dan wordt de vreemdeling terstond in vrijheid gesteld, behoudens de mogelijkheid van verdere vrijheidsbeneming uit anderen hoofde. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2010 389 07-10-2010 30-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van Nederland.
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 artikel 48 artikelen 8-10 De ingevolgevereiste toestemming wordt niet gegeven in gevallen waarin, zo het een verzoek tot uitlevering betrof, dat verzoek zou moeten worden afgewezen op grond van het bepaalde in de. 1967 139 09-03-1967 8054 1967 139 09-03-1967 8054 03-04-1967
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 1 artikel 48 Voor zover bij verdrag niet anders is bepaald, wordt bij vervoer te land, overeenkomstig, de bewaking van de vreemdeling opgedragen aan Nederlandse ambtenaren die bevoegd zijn alle dienstige maatregelen te nemen ter beveiliging van de vreemdeling en ter voorkoming van zijn ontvluchting. 2 Indien het ten gevolge van bijzondere omstandigheden niet mogelijk is het vervoer door Nederland, Bonaire, Sint Eustatius of Saba zonder onderbreking voort te zetten, kan de vreemdeling, in afwachting van een passende gelegenheid tot vertrek naar elders, zo nodig worden opgenomen in een huis van bewaring, zulks op vertoon van een stuk waaruit blijkt van de door Onze Minister verleende toestemming tot het vervoer. 2025 124 14-05-2025 23-04-2025 36638 2025 155 12-06-2025 28-05-2025 01-07-2025
Artikel 50a — Artikel 50a#
Artikel 50a 1 artikelen 54 55 56, eerste lid In de gevallen dat een persoon, die in het buitenland rechtens van zijn vrijheid is beroofd, tijdelijk ter beschikking wordt gesteld van de Nederlandse justitie en die van Bonaire, Sint Eustatius en Saba ter uitvoering van een onderzoekshandeling wordt hij gedurende zijn verblijf op Nederlands grondgebied op bevel van het bevoegde lid van het openbaar ministerie in verzekering gesteld. De,en, zijn, voor zoveel nodig, van overeenkomstige toepassing. 2 De inverzekeringstelling wordt opgeheven zodra het bevoegde lid van het openbaar ministerie bericht ontvangt, dat de gronden voor vrijheidsberoving in het buitenland niet langer bestaan. 2025 124 14-05-2025 23-04-2025 36638 2025 155 12-06-2025 28-05-2025 01-07-2025
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 1 In gevallen waarin zulks bij een verdrag is bepaald, kan Onze Minister toestaan dat personen die in Nederland rechtens van hun vrijheid zijn beroofd, tijdelijk ter beschikking worden gesteld van de autoriteiten van een andere staat ter uitvoering van een onderzoekshandeling. 2 Voor zover het verdrag niet anders bepaalt, is de instemming van de tijdelijk ter beschikking te stellen persoon vereist. 3 artikel 9 10 Artikel 5.1.5 van het Wetboek van Strafvordering Onze Minister staat de tijdelijke terbeschikkingstelling niet toe, indien deze is verzocht ten behoeve van een op het grondgebied van een andere staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek, dat betrekking heeft op feiten, waarvoor krachtensofgeen uitlevering mogelijk is.is van toepassing. 4 Ondergaat de betrokkene in Nederland een vrijheidsstraf, dan komt de tijd gedurende welke hij ter beschikking van de autoriteiten van de andere staat is, in mindering op zijn straftijd. 2025 124 14-05-2025 23-04-2025 36638 2025 155 12-06-2025 28-05-2025 01-07-2025
Artikel 51a — Artikel 51a#
Artikel 51a 1 Voor de in het tweede lid genoemde feiten, strafbaar te stellen ingevolge de in dat lid genoemde verdragen, kan worden uitgeleverd aan Staten die Partij zijn bij het desbetreffende verdrag. 2 Het eerste lid heeft betrekking op: – artikel 385a van het Wetboek van Strafrecht artikel 399a van het Wetboek van Strafrecht BES het misdrijf vandan wel het misdrijf van, voorzover het feit valt onder de omschrijvingen van het op 16 december 1970 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen (Trb. 1971, 50); – artikelen 162 162a 166 168 385b 385c 385d van het Wetboek van Strafrecht artikelen 168 168a 172 174 399b 399c 399d van het Wetboek van Strafrecht BES de misdrijven van de,,,,,endan wel de misdrijven van de,,,,,en, voorzover het feit valt onder de omschrijving van het op 23 september 1971 te Montreal tot stand gekomen Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart (Trb. 1971, 218), onderscheidenlijk van het op 24 februari 1988 te Montreal tot stand gekomen Protocol tot bestrijding van wederrechtelijke daden van geweld op luchthavens voor de internationale burgerluchtvaart (Trb. 1988, 88); – artikelen 10, tweede, derde, vierde en vijfde lid 10a, eerste lid 11, tweede en derde lid, van de Opiumwet artikelen 11, eerste en tweede lid 11a van de Opiumwet 1960 BES de misdrijven, strafbaar gesteld in de,, en, dan wel de misdrijven, strafbaar gesteld in de, en, voorzover het feit valt onder de omschrijvingen van het eerste lid van artikel 36 van het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen, 1961, zoals gewijzigd ingevolge artikel 14 van het op 25 maart 1972 te Genève tot stand gekomen Protocol tot wijziging van dat Enkelvoudig Verdrag (Trb. 1980, 184); – artikelen 92 108–110 115–117b 285 van het Wetboek van Strafrecht artikelen 97 114 tot en met 117 123 tot en met 124c 298 van het Wetboek van Strafrecht BES de misdrijven van de,,endan wel de misdrijven van de,,en, voor zover het feit is gepleegd tegen een internationaal beschermd persoon of diens beschermde goederen en valt onder de omschrijvingen van het op 14 december 1973 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van misdrijven tegen internationaal beschermde personen, met inbegrip van diplomaten (Trb. 1981, 69); – artikel 282a van het Wetboek van Strafrecht artikel 295ao van het Wetboek van Strafrecht BES het misdrijf vandan wel het misdrijf van, voor zover het feit valt onder de omschrijving van het op 17 december 1979 te New York tot stand gekomen Internationaal Verdrag tegen het nemen van gijzelaars (Trb. 1981, 53); – artikelen 157 161quater 173a 225 284a 285 310-312 317 318 321 322 326 van het Wetboek van Strafrecht artikelen 15 19 21 26 38 76a van de Kernenergiewet artikelen 163 167c 179a 230 297a 298 323 tot en met 325 330 331 334 335 339 van het Wetboek van Strafrecht BES de misdrijven van de,,,,,,,,,,enen de misdrijven, gevormd door het handelen in strijd met het bij of krachtens de,,,,enbepaalde, dan wel de misdrijven van de,,,,,,,,,,en, voorzover het feit valt onder de omschrijvingen van het op 3 maart 1980 te Wenen/New York tot stand gekomen Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal (Trb. 1981, 7), zoals gewijzigd bij de op 8 juli 2005 te Wenen tot stand gekomen wijziging van dat verdrag (Trb. 2006, 81); – artikelen 140 157 161quater 166 168 173a 189 285 287 288 289 302 303 350 352 354 385 a, vierde lid 385b, tweede lid 385c 413, van het Wetboek van Strafrecht artikelen 79 80 van de Kernenergiewet artikelen 2, eerste en derde lid 3 4 van de Uitvoeringswet verdrag biologische wapens artikel 1 van de Wet op de economische delicten artikelen 2 3, eerste lid, van de Uitvoeringswet verdrag chemische wapens artikelen 146 163 167c 172 174 179a 195 298 300 301 302 315 316 366 370 372 399a, vierde lid 399b, tweede lid 399c 428 van het Wetboek van Strafrecht BES de misdrijven van de,,,,,,,,,,,,,,,,,,en, deen, de,enin samenhang met, en deenin samenhang met artikel 1 van de Wet op de economische delicten dan wel de misdrijven van de,,,,,,,,,,,,,,,,,,en, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van het op 10 maart 1988 te Rome tot stand gekomen Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart (Trb. 1989, 17), zoals gewijzigd bij het Protocol van 2005 bij dat Verdrag (Trb. 2006, 223), en het op 10 maart 1988 tot stand gekomen Protocol tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van vaste platforms op het continentale plat (Trb. 1989, 18), zoals gewijzigd bij het Protocol van 2005 bij dat Protocol (Trb. 2006, 224); – artikelen 10, tweede, derde, vierde en vijfde lid 10a, eerste lid 11, tweede tot en met vierde lid 11a, van de Opiumwet artikelen 131 140 189, eerste lid, aanhef en onder 3° 416 tot en met 417bis 420bis tot en met 420quater van het Wetboek van Strafrecht artikelen 11, eerste en tweede lid 11a van de Opiumwet 1960 BES artikelen 137 146 195, eerste lid, aanhef en onder 3° 431 tot en met 432bis van het Wetboek van Strafrecht BES de misdrijven strafbaar gesteld in de,,, enalsmede de misdrijven van de,,,endan wel de misdrijven strafbaar gesteld in de, enalsmede de misdrijven van de,,,, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van het eerste lid van artikel 3 van het op 20 december 1988 te Wenen tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen (Trb. 1989, 97); – artikelen 134a 140 140a 161quater 162 162a 163 166 168 173a 189 191 285 287 288 289 300 tot en met 303 350 352 381 385a 385b 385c 385d van het Wetboek van Strafrecht artikelen 140a 146 146a 168 168a 170 172 174 179a 195 197 298 300 301 301a 302 313 314 314a 314b 315 316 366 370 395 399a tot en met 399d van het Wetboek van Strafrecht BES artikelen 79 80 van de Kernenergiewet artikel 3 10 17, eerste lid 33b van de Wet explosieven voor civiel gebruik artikel 1 van de Wet op de economische delicten artikelen 2 3, eerste lid 4 van de Uitvoeringswet verdrag chemische wapens artikelen 3 4 van de Uitvoeringswet verdrag biologische wapens artikel 9 van de Wet Verdrag Chemische Wapens BES de misdrijven van de,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,en, de misdrijven van de,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,of, van deof, van,,, enin samenhang met, van de,, ofin samenhang met artikel 1 van de Wet op de economische delicten, van deof, in samenhang met artikel 1 van de Wet op de economische delicten,, voor zover het feit valt onder de omschrijving van artikel 1 van het op 10 september 2010 te Beijing tot stand gekomen Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen betreffende de burgerluchtvaart (Trb. 2013, 134) of van artikel II van het op 10 september 2010 te Beijing tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen (Trb. 2013, 133); – artikel 177 van het Wetboek van Strafrecht artikelen 183 183a van het Wetboek van Strafrecht BES de misdrijven, strafbaar gesteld in, dan wel de misdrijven, strafbaar gesteld in deen, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van het eerste en tweede lid van artikel 1 van het op 17 december 1997 te Parijs totstandgekomen Verdrag inzake de bestrijding van omkoping van buitenlandse ambtenaren bij internationale zakelijke transacties (Trb. 1998, 54); – artikelen 177 178 328ter 363 364 van het Wetboek van Strafrecht artikelen 183 tot en met 184 341ter 378 tot en met 380 van het Wetboek van Strafrecht BES de misdrijven, strafbaar gesteld in de,,,en, dan wel de misdrijven, strafbaar gesteld in de,en, voorzover het feit valt onder de omschrijvingen van de artikelen 2 tot en met 11 van het op 27 januari 1999 te Straatsburg totstandgekomen Verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie (Trb. 2000, 130); – artikelen 117 117a 117b 282a 285 van het Wetboek van Strafrecht artikelen 124a 124b 124c 295ao 298 van het Wetboek van Strafrecht BES de misdrijven, strafbaar gesteld in de,,,en, dan wel de misdrijven, strafbaar gesteld in de,,,en, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 9 van het op 9 december 1994 te New York totstandgekomen Verdrag inzake de veiligheid van VN-personeel en geassocieerd personeel (Trb. 1996, 62) zoals aangevuld door het Facultatief Protocol van 8 december 2005 (Trb. 2006, 211); – artikelen 92 tot en met 96 108 115 117 117b 121 tot en met 123 140a 157 161 161bis 161quater 161sexies 162 162a 164 166 168 170 172 173a 285 287 288 289 350 350a 351 352 354 385b 385d van het Wetboek van Strafrecht artikelen 97 tot en met 102 114 123 124a 124c 129 130 146a 163 167 167a 167c 167e 168 168a 170 172 174 176 178 179a 298 300 301 302 366 367a 368 370 372 399b 399d van het Wetboek van Strafrecht BES de misdrijven, strafbaar gesteld in de,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,en, dan wel de misdrijven, strafbaar gesteld in de,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,en, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 2 van het op 15 december 1997 te New York totstandgekomen Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen (Trb. 1998, 84); – artikel 421 van het Wetboek van Strafrecht artikel 435e van het Wetboek van Strafrecht BES het misdrijf strafbaar gesteld in, dan wel het misdrijf strafbaar gesteld in, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 2 van het op 9 december 1999 te New York totstandgekomen Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme (Trb. 2000, 12); – artikelen 252 273f van het Wetboek van Strafrecht artikel 28 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie artikelen 246bis 286f van het Wetboek van Strafrecht BES de misdrijven, strafbaar gesteld in deenen, dan wel de misdrijven, strafbaar gesteld in deen, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 3 van het op 25 mei 2000 te New York totstandgekomen Facultatief Protocol inzake de verkoop van kinderen, prostitutie en kinderpornografie bij het Verdrag inzake de rechten van het kind (Trb. 2001, 63); – artikelen 140 177 178 284 285a 363 364 416 420bis tot met 420quater van het Wetboek van Strafrecht artikelen 146 183 tot en met 184 297 298a 378 tot en met 380 431 435a tot en met 435c van het Wetboek van Strafrecht BES de misdrijven, strafbaar gesteld in de,,,,,,,en, dan wel de misdrijven, strafbaar gesteld in de,,,,,en, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van de artikelen 5, 6, 8 en 23 van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad (Trb. 2001, 68), en misdrijven waarop een gevangenisstraf van ten minste vier jaren is gesteld, voor zover het feit valt onder artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van dat Verdrag; – artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht artikel 286f van het Wetboek van Strafrecht BES de misdrijven, strafbaar gesteld indan wel de misdrijven, strafbaar gesteld in, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 5 juncto artikel 3 van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol inzake de preventie, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder vrouwenhandel en kinderhandel, tot aanvulling van het Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad (Trb. 2001, 69); – artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht artikel 203a van het Wetboek van Strafrecht BES de misdrijven, strafbaar gesteld in, dan wel de misdrijven, strafbaar gesteld in, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 6 van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad (Trb. 2001, 70); – artikelen 138ab 138b 139c 139d 161sexies 225 226 227 151e 252 326 326c 350 350a 351 van het Wetboek van Strafrecht artikelen 31a 31b van de Auteurswet artikelen 22 23 van de Wet op de naburige rechten artikelen 144a 144b 145c 145d 167e 230 231 232 246 246bis 339 339b 366 367a 368 van het Wetboek van Strafrecht BES de misdrijven, strafbaar gesteld in de,,,,,,,,,,,,,en, deenen deen, dan wel de misdrijven, strafbaar gesteld in de,,,,,,,,,,,,,en, voor zover het feit valt onder de omschrijving van de artikelen 2 tot en met 10 van het op 23 november 2001 te Budapest tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken (Trb. 2002, 18); – 240 tot met 243 245 tot en met 253 273f van het Wetboek van Strafrecht artikelen 246bis 248 tot en met 254 256 tot en met 258 286f van het Wetboek van Strafrecht BES de misdrijven, strafbaar gesteld in de artikelenenen, dan wel de misdrijven, strafbaar gesteld in de,,en, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van de artikelen 18 tot en met 24 van het op 25 oktober 2007 te Lanzarote totstandgekomen Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik (Trb. 2008, 58); – artikelen 137c tot en met 137e 261 262 266 284 285 van het Wetboek van Strafrecht artikelen 273 274 278 297 298 van het Wetboek van Strafrecht BES de misdrijven, strafbaar gesteld in de,,,,en, dan wel de misdrijven, strafbaar gesteld in de,,,envoor zover het feit valt onder de omschrijvingen van de artikelen 3 tot en met 6 van het op 28 januari 2003 te Straatsburg totstandgekomen aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken, betreffende de strafbaarstelling van handelingen van racistische of xenofobische aard verricht via computersystemen (Trb. 2003, 60); – artikelen 140 140a 161quater 173a 284, eerste lid 284a 285 310 tot en met 312 317 318 van het Wetboek van Strafrecht artikelen 79 80 van de Kernenergiewet artikelen 146 146a 167c 179a 297, eerste lid 298 323 324 325 330 331 van het Wetboek van Strafrecht BES de misdrijven, strafbaar gesteld in de,,,,,,,,enen in deen, dan wel de misdrijven, strafbaar gesteld in de,,,,,,,,,, en, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 2 van het op 13 april 2005 te New York totstandgekomen Internationaal Verdrag ter bestrijding van daden van nucleair terrorisme (Trb. 2005, 290); – artikelen 177 178 284 285a 310 321 322 326 328ter 359 tot en met 366 376 416 417 417bis 420bis 420ter 420quater van het Wetboek van Strafrecht artikelen 183 183a 184 297 298a 323 334 335 339 341ter 375 tot en met 382 392 431 432 432bis 435a 435b 435c van het Wetboek van Strafrecht BES de misdrijven, strafbaar gesteld in de,,,,,,,,,,,,,,,en, dan wel de misdrijven, strafbaar gesteld in de,,,,,,,,,,,,,,,,envoor zover het feit valt onder de omschrijvingen van de artikelen 15 tot en met 17, 19 en 21 tot en met 25 van het op 31 oktober 2003 te New York tot stand gekomen Verdrag tegen corruptie (Trb. 2005, 244); – artikelen 131 132 134a 205 artikelen 137 138 211 van het Wetboek van Strafrecht BES de misdrijven, strafbaar gesteld in de,,en, dan wel de misdrijven strafbaar gesteld in de,envoor zover het feit valt onder de omschrijvingen van de artikelen 5, 6, 7 en 9 van het op 16 mei 2005 te Warschau totstandgekomen Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme (Trb. 2006, 34); – artikelen 151d 151e 240 tot en met 243 245 tot en met 250 251, eerste lid, onderdeel b 252 266 273f 284 285 285b 285c 296 300 tot en met 303 de misdrijven van de,,,,,,,,,,,,en, voor zover het feit valt onder de omschrijving van het op 11 mei 2011 te Istanboel tot stand gekomen Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Trb. 2012, 233); – artikel 69, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen artikelen 97 99, tweede lid 101, tweede lid, van de Wet op de accijns artikel 10:5 van de Algemene douanewet artikelen 225 337 420bis tot en met 420quater van het Wetboek van Strafrecht de misdrijven, strafbaar gesteld in, de,, en,, de,en, voorzover het feit valt onder de omschrijving van artikel 14 van het op 12 november 2012 te Seoul tot stand gekomen Protocol tot uitbanning van illegale handel in tabaksproducten (Trb. 2014, 155); – artikelen 134a 140a 421 van het Wetboek van Strafrecht artikelen 140a 146a 435e van het Wetboek van Strafrecht BES de misdrijven, strafbaar gesteld in de,en, dan wel de misdrijven, strafbaar gesteld in de,en, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van de artikelen 2 tot en met 6 van het op 22 oktober 2015 te Riga tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme (Trb. 2016, 180). 3 Trb. Uitlevering krachtens het eerste lid geschiedt met inachtneming van de bepalingen van deze wet en voorts - voorzover geen ander uitleveringsverdrag van toepassing is - van de bepalingen van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 (1965, 9). 2024 59 27-03-2024 20-03-2024 36222 2024 61 27-03-2024 25-03-2024 01-07-2024
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 Krachtens deze wet gegeven bevelen tot inverzekeringstelling of bewaring, dan wel tot verlenging van een termijn van vrijheidsbeneming, worden gedagtekend en ondertekend. De grond voor uitvaardiging wordt in het bevel vermeld. Aan degene op wie het bevel betrekking heeft, wordt onverwijld een afschrift daarvan uitgereikt. 1992 358 24-06-1992 22484 1992 358 24-06-1992 22484 01-09-1992
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 1 De bevelen tot vrijheidsbeneming, gegeven krachtens deze wet, zijn dadelijk uitvoerbaar. 2 artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES Bevoegd tot het ten uitvoer leggen van bevelen tot aanhouding, voorlopige aanhouding of gevangenneming zijn de inen inbedoelde ambtenaren. 3 artikelen 6:1:6 6:1:7 6:1:9 6:1:15 6:2:1 van het Wetboek van Strafvordering artikelen 618 tot en met 623 van het Wetboek van Strafvordering BES Op de tenuitvoerlegging van bevelen tot vrijheidsbeneming en de last daartoe zijn de,,,envan toepassing. Geschiedt de tenuitvoerlegging in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, dan zijn devan toepassing. 2017 82 09-03-2017 22-02-2017 34086 2019 507 24-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 Wetboek van Strafvordering Personen die krachtens deze wet in verzekering of in bewaring zijn gesteld, of wier gevangenneming of gevangenhouding is bevolen, worden behandeld als verdachten die krachtens hetaan een overeenkomstige maatregel zijn onderworpen. 1992 358 24-06-1992 22484 1992 358 24-06-1992 22484 01-09-1992
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 Voor zover bij verdrag niet anders is bepaald, is bij de uitlevering van of naar Nederland de bewaking van de opgeëiste persoon dan wel verdachte of veroordeelde opgedragen aan Nederlandse ambtenaren die bevoegd zijn alle dienstige maatregelen te nemen ter beveiliging van de opgeëiste persoon dan wel verdachte of veroordeelde en ter voorkoming van zijn ontvluchting. 2025 124 14-05-2025 23-04-2025 36638 2025 155 12-06-2025 28-05-2025 01-07-2025
Artikel 55a — Artikel 55a#
Artikel 55a artikel 66a van het Wetboek van Strafvordering Op de bevelen tot bewaring en gevangenhouding, krachtens deze wet gegeven, isvan overeenkomstige toepassing. 2000 205 23-05-2000 11-05-2000 26697 2000 272 04-07-2000 13-06-2000 01-10-2000
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 1 artikel 36 In gevallen waarin krachtens deze wet een beslissing omtrent de vrijheidsbeneming kan of moet worden genomen, kan worden bevolen dat die vrijheidsbeneming voorwaardelijk wordt opgeschort of geschorst totdat de officier van justitie overeenkomstigin kennis is gesteld van de beslissing van Onze Minister waarbij de uitlevering is toegestaan. De te stellen voorwaarden mogen alleen strekken ter voorkoming van vlucht. 2 artikelen 80 81-88 van het Wetboek van Strafvordering Op bevelen krachtens het vorige lid gegeven door de rechtbank, dan wel door de rechter-commissaris, zijn de- met uitzondering van het tweede lid - envan overeenkomstige toepassing. 2000 205 23-05-2000 11-05-2000 26697 2000 272 04-07-2000 13-06-2000 01-10-2000
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 artikelen 73 79 6:2:5 van het Wetboek van Strafvordering Op bevelen tot beëindiging van vrijheidsbeneming, krachtens deze wet gegeven, en op de tenuitvoerlegging van zodanige bevelen zijn de,envan overeenkomstige toepassing. 2017 82 09-03-2017 22-02-2017 34086 2019 507 24-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 c artikelen 16, onder b 37, eerste lid onder 40, derde lid 44, eerste lid De termijnen, genoemd in de,,, en, lopen niet gedurende de tijd dat de betrokkene zich aan de verdere tenuitvoerlegging van de in die artikelen bedoelde bevelen heeft onttrokken. 1992 358 24-06-1992 22484 1992 358 24-06-1992 22484 01-09-1992
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 1 artikelen 533, derde, vierde en zesde lid 534 535 536 van het Wetboek van Strafvordering In gevallen waarin de uitlevering bij rechterlijk gewijsde ontoelaatbaar is verklaard, kan de rechtbank die de zaak heeft behandeld, op verzoek van de opgeëiste persoon, hem een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming, bevolen krachtens deze wet. Onder schade is begrepen het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. De,,enzijn van overeenkomstige toepassing. 2 artikelen 529 530 van het Wetboek van Strafvordering In gevallen als bedoeld in het vorige lid vinden deenovereenkomstige toepassing op vergoeding van kosten en schaden voor de opgeëiste persoon of diens erfgenamen. In plaats van het in die artikelen bedoelde gerecht treedt de rechtbank die het verzoek tot uitlevering heeft behandeld. 2017 82 09-03-2017 22-02-2017 34086 2019 507 24-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 artikelen 36b tot en met 36e 36h 36i 36n van het Wetboek van Strafvordering Op betekeningen, kennisgevingen en oproepingen, gedaan krachtens deze wet, zijn de,,envan overeenkomstige toepassing. 2017 82 09-03-2017 22-02-2017 34086 2019 507 24-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 60a — Artikel 60a#
Artikel 60a artikel 131a van het Wetboek van Strafvordering Waar in deze wet de bevoegdheid wordt gegeven tot het horen van personen, isvan overeenkomstige toepassing. 2005 388 02-08-2005 16-07-2005 29828 2006 609 07-12-2006 28-11-2006 01-01-2007
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 1 De bepalingen van de voorgaande hoofdstukken zijn niet van toepassing op: a. overlevering van gedeserteerde schepelingen aan autoriteiten van de staat waartoe zij behoren; b. overlevering van leden van een vreemde krijgsmacht, en van personen die met hen zijn gelijkgesteld, aan de bevoegde militaire autoriteiten, voor zover die overlevering geschiedt krachtens een overeenkomst met een of meer staten waarmede Nederland bondgenootschappelijke betrekkingen onderhoudt. 2 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 2011 605 22-12-2011 08-12-2011 32475 2012 15 20-01-2012 17-01-2012 01-04-2012
Artikel 62 — Artikel 62#
Artikel 62 1 Stb. Ingetrokken wordt de wet van 6 april 1875,66, tot regeling der algemeene voorwaarden, op welke, ten aanzien van de uitlevering van vreemdelingen, verdragen met vreemde Mogendheden kunnen worden gesloten. 2 De in het vorige lid genoemde wet blijft van toepassing op de behandeling van een verzoek tot uitlevering, en op de in verband daarmede te nemen beslissingen, in gevallen waarin de stukken betreffende dat verzoek reeds vóór het tijdstip van het in werking treden van deze wet aan de rechtbank om advies zijn toegezonden. 3 De artikelen 16, tweede en derde lid, en 17 van de ingetrokken wet blijven van toepassing op de behandeling van een verzoekschrift als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van die wet, en op de daarop door de Hoge Raad te nemen beslissing, in gevallen waarin dat verzoekschrift reeds vóór het tijdstip van het in werking treden van deze wet bij de Hoge Raad is ingekomen. 4 Beslist de Hoge Raad dat de verzoeker Nederlander is, dan wordt een inmiddels overeenkomstig deze wet door de rechtbank aangevangen behandeling van een verzoek tot diens uitlevering onmiddellijk beëindigd. 5 artikel 22 artikel 21, derde lid Een vreemdeling die op het tijdstip van het in werking treden van deze wet is gedetineerd ingevolge een bevel gegeven krachtens artikel 9 of artikel 12 van de ingetrokken wet, wordt - zo de stukken betreffende het verzoek tot zijn uitlevering op dat tijdstip nog niet aan de rechtbank zijn toegezonden - daarna beschouwd en behandeld als iemand die krachtens, onderscheidenlijk, van deze wet in bewaring wordt gehouden of in verzekering is gesteld. 1967 139 09-03-1967 8054 1967 139 09-03-1967 8054 03-04-1967
Artikel 62a — Artikel 62a#
Artikel 62a 1 artikel 1, onder a, van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba Een verzoek tot uitlevering betreffende een persoon die zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt dat voor het tijdstip van transitie, bedoeld in, is ingediend en waarover op dat tijdstip nog niet is beslist, wordt behandeld door het vanaf dat tijdstip bevoegde orgaan en afgehandeld met inachtneming van de bepalingen van deze wet. 2 artikel 1, onder a, van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba De persoon, bedoeld in het eerste lid, die voor het tijdstip van transitie, bedoeld in, met het oog op uitlevering gedetineerd is, wordt beschouwd als iemand die krachtens deze wet in bewaring wordt gehouden of in verzekering is gesteld. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2010 389 07-10-2010 30-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van Nederland.
Artikel 63 — Artikel 63#
Artikel 63 Deze wet kan worden aangehaald onder de titel: Uitleveringswet. 1967 139 09-03-1967 8054 1967 139 09-03-1967 8054 03-04-1967