Wet van 15 november 1967, houdende voorzieningen in het belang van de natuurbescherming
- BWB-id
- BWBR0002611
- Type
- Wet
- Ministerie
- Economische Zaken
- Geldigheid
- 2002-04-01 t/m 2005-09-30
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0002611
- ELI
- /eli/nl/wet/1968/natuurbeschermingswet
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1968/natuurbeschermingswet/2002-04-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0002611&g=2002-04-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0002611&z=2026-06-06&g=2002-04-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0002611/2002-04-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1968/natuurbeschermingswet
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 Deze wet verstaat onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk; b. natuurmonumenten: terreinen en wateren, welke van algemeen belang zijn uit een oogpunt van natuurschoon of om hun natuurwetenschappelijke betekenis; c. eigenaar: degene, die in de kadastrale registratie als eigenaar staat vermeld, met dien verstande dat indien op een onroerende zaak een eeuwigdurend recht van erfpacht of een recht van beklemming rust, daaronder wordt verstaan de erfpachter of de beklemde meier, en dat bij onroerende zaken die aan een niet eeuwigdurend recht van erfpacht, een recht van vruchtgebruik of een recht van opstal zijn onderworpen, daaronder mede zijn begrepen degenen, die in de kadastrale registratie als erfpachter, vruchtgebruiker of opstalhouder staan vermeld, een en ander voor zover niet de rechtstoestand is gebleken een andere te zijn dan de kadastrale registratie aangeeft; d. c gebruiker: degene, die uit hoofde van een andere rechtsverhouding dan ondergenoemd een onroerende zaak in gebruik heeft. 1989 490 25-10-1989 19077 1991 607 03-12-1991 1990 90 20-02-1990 01-01-1992
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Vervallen 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 21-02-1997 01-01-1997 Werkt terug tot en met 1 januari 2897.
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 Vervallen 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 21-02-1997 01-01-1997 Werkt terug tot en met 1 januari 2897.
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Vervallen 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 21-02-1997 01-01-1997 Werkt terug tot en met 1 januari 2897.
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Vervallen 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 21-02-1997 01-01-1997 Werkt terug tot en met 1 januari 2897.
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 Vervallen 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 21-02-1997 01-01-1997 Werkt terug tot en met 1 januari 2897.
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister, belast met de zorg voor de ruimtelijke ordening, een natuurmonument, waarvan de bescherming niet reeds op andere wijze door of krachtens de wet is verzekerd, bij beschikking, waarin de kadastrale aanduiding van de desbetreffende onroerende zaken staat vermeld, aanwijzen als beschermd natuurmonument. 2 Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid vindt niet plaats met betrekking tot een natuurmonument, dat eigendom is van de Staat. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 Alvorens tot aanwijzing over te gaan besluit Onze Minister bij beschikking, waarin de kadastrale aanduiding van de desbetreffende onroerende zaken staat vermeld, dat deze aanwijzing in overweging is. 2 artikel 9, eerste lid Onze Minister kan in geval van dringende noodzaak bij zijn in het eerste lid bedoelde beschikking dan wel bij nadere beschikking bepalen, dat onverwijld alle of de in de beschikking genoemde rechtsgevolgen intreden, welke de wet aan de aanwijzing als beschermd natuurmonument verbindt. Met betrekking tot een nadere beschikking als in de vorige zin bedoeld is, voor zoveel nodig van overeenkomstige toepassing. 3 Deze rechtsgevolgen houden op te gelden, zodra en voor zover Onze Minister bij beschikking besluit niet tot aanwijzing over te gaan, doch in ieder geval na verloop van een jaar na het nemen van de in het eerste lid bedoelde beschikking. 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 artikel 8, eerste lid Onze Minister zendt onverwijld een afschrift van zijn in, bedoelde beschikking met een kaart, waarop het natuurmonument is aangegeven, aan de eigenaren, de ingeschreven hypothecaire schuldeisers, burgemeester en wethouders der gemeente, het dagelijks bestuur van het waterschap en gedeputeerde staten der provincie, waarin het natuurmonument is gelegen en de Rijksplanologische Commissie. 2 Binnen een week na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde stukken doen burgemeester en wethouders deze ter secretarie gedurende vier weken ter kosteloze inzage voor een ieder nederleggen. De burgemeester maakt die nederlegging op de gebruikelijke wijze aan de ingezetenen bekend. 3 Binnen twee weken na verloop van de termijn van nederlegging kunnen de eigenaren, de ingeschreven hypothecaire schuldeisers, burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van het waterschap en overige belanghebbenden hun gevoelen omtrent de in overweging zijnde aanwijzing schriftelijk kenbaar maken aan gedeputeerde staten. 4 Binnen vier maanden na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde stukken zenden gedeputeerde staten alle bij hen ingekomen schrifturen, vergezeld van hun beschouwingen, aan Onze Minister, die een en ander onverwijld ter kennis brengt van de Rijksplanologische Commissie. 5 In bijzondere gevallen kan Onze Minister de in het vierde lid genoemde termijn op verzoek van gedeputeerde staten met twee maanden verlengen. 6 Binnen zes of, indien het vijfde lid is toegepast, binnen acht maanden na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde stukken brengen de Rijksplanologische Commissie omtrent de in overweging zijnde aanwijzing advies uit aan Onze Minister. 7 artikel 8, eerste lid Binnen een jaar na het nemen van de in, bedoelde beschikking gaat Onze Minister al dan niet tot aanwijzing over, doch niet alvorens hij het in het vorige lid bedoelde advies heeft ontvangen dan wel de krachtens dat lid geldende termijn is verstreken. 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 21-02-1997 01-01-1997 Werkt terug tot en met 1 januari 2897.
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 De bekendmaking van de beschikking tot aanwijzing als beschermd natuurmonument, met een kaart waarop het natuurmonument is aangegeven, geschiedt door toezending aan de eigenaren. Tegelijkertijd wordt van de beschikking op dezelfde wijze mededeling gedaan aan: a. de ingeschreven hypothecaire schuldeisers, b. burgemeester en wethouders, c. het dagelijks bestuur van het waterschap, d. gedeputeerde staten, e. artikel 9, derde lid overige belanghebbenden die ingevolge, hun gevoelen schriftelijk kenbaar hebben gemaakt aan gedeputeerde staten en f. de Rijksplanologische Commissie. 2 Binnen acht dagen na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde stukken doen burgemeester en wethouders deze ter secretarie ter kosteloze inzage voor een ieder nederleggen. De burgemeester maakt die nederlegging op de gebruikelijke wijze aan de ingezetenen bekend. 3 Het bij het eerste en tweede lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing indien en voor zover Onze Minister niet tot aanwijzing overgaat. 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 21-02-1997 01-01-1997 Werkt terug tot en met 1 januari 2897.
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister, belast met de zorg voor de ruimtelijke ordening, ambtshalve of op verzoek van belanghebbenden een aanwijzing als beschermd natuurmonument bij beschikking, waarin de kadastrale aanduiding van de desbetreffende onroerende zaken staat vermeld, geheel of gedeeltelijk intrekken. 2 artikelen 8, eerste lid 9 10 Het bepaalde bij de,enis alsdan van overeenkomstige toepassing. 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorwaarden handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen, die schadelijk zijn voor het natuurschoon of voor de natuurwetenschappelijke betekenis van een beschermd natuurmonument of die een beschermd natuurmonument ontsieren. 2 Als schadelijk voor het natuurschoon of voor de natuurwetenschappelijke betekenis van een beschermd natuurmonument worden in ieder geval aangemerkt handelingen, die de in de beschikking tot aanwijzing genoemde wezenlijke kenmerken van een beschermd natuurmonument aantasten. 3 artikel 14 Geen vergunning is vereist voor handelingen, welke zijn voorzien in een beheersplan als bedoeld in. 1967 572 15-11-1967 6764 1967 572 15-11-1967 6764 01-01-1968
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 Onze Minister bevestigt onverwijld, met vermelding van de datum, de ontvangst van het verzoek om een vergunning. Hij zendt gelijktijdig een afschrift van het verzoek en van de ontvangstbevestiging aan gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders, die binnen twee maanden na de op de ontvangstbevestiging vermelde datum van hun oordeel kunnen doen blijken. 2 Onze Minister beslist op het verzoek binnen drie maanden na de datum van ontvangst. Onze Minister kan de termijn met drie maanden verlengen; hij geeft de verzoeker daarvan kennis vóór het verstrijken van de termijn. Onze Minister geeft van deze verlenging mede kennis aan gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders. 3 Indien Onze Minister van oordeel is, dat weigering van een gevraagde vergunning een ander algemeen belang zou schaden, weigert hij deze niet alvorens de Rijksplanologische Commissie te hebben gehoord. In zodanig geval kan Onze Minister de termijn, binnen welke hij op het verzoek moet beslissen, andermaal met drie maanden verlengen; hij geeft de verzoeker daarvan kennis vóór het verstrijken van de eenmaal verlengde termijn. Onze Minister geeft van deze verlenging mede kennis aan gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders. 4 Indien Onze Minister zijn beschikking niet binnen de krachtens het tweede of het derde lid geldende termijn ter kennis van de verzoeker heeft gebracht, wordt de vergunning geacht te zijn verleend. 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 21-02-1997 01-01-1997 Werkt terug tot en met 1 januari 2897.
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 Onze Minister kan in overeenstemming met de eigenaar en de gebruiker, telkens voor een periode van ten hoogste drie jaren voor een beschermd natuurmonument of een deel daarvan een beheersplan vaststellen, dat het behoud of het herstel van het natuurschoon of van de natuurwetenschappelijke betekenis ten doel heeft. Bij de vaststelling van een beheersplan, waaraan voor de betrokkene kosten of lasten zijn verbonden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen, kent Onze Minister hem op zijn verzoek een uitkering toe. 2 Onze Minister doet de eigenaar en de gebruiker bij aangetekende brief mededeling van het vastgestelde beheersplan. Hij brengt het mede ter kennis van gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders. 3 De eigenaar en de gebruiker dragen zorg voor de naleving van het beheersplan, ieder voor zover zulks uit de aard van zijn recht voortvloeit. 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 21-02-1997 01-01-1997 Werkt terug tot en met 1 januari 2897.
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 De eigenaar en de gebruiker zijn verplicht te gedogen, dat een beschermd natuurmonument vanwege Onze Minister door de nodige kentekenen als zodanig wordt aangeduid. 1967 572 15-11-1967 6764 1967 572 15-11-1967 6764 01-01-1968
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 Het is verboden een beschermd natuurmonument te verontreinigen, daarin planten, bloemen of takken uit te steken, te plukken, af te snijden of te vervoeren, dieren te verontrusten, te vangen of te doden of zulks te pogen of in het algemeen daarin schade aan de natuur toe te brengen. 2 Dit verbod geldt niet: a. artikelen 12 14, derde lid voor de eigenaar en de gebruiker en hun huisgenoten, onverminderd het bij deen, bepaalde; b. artikelen 12 14 voor derden, voor zover zij handelingen verrichten, die het gevolg zijn van de uitvoering van een overeenkomst, welke de eigenaar of de gebruiker met hen heeft aangegaan vóór de aanwijzing als beschermd natuurmonument dan wel na de aanwijzing met inachtneming van de uit deenvoor hem voortvloeiende verplichtingen; c. voor derden, voor zover zij handelingen verrichten, waarvoor Onze Minister ontheffing heeft verleend. 1967 572 15-11-1967 6764 1967 572 15-11-1967 6764 01-01-1968
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 Het is verboden, zonder daartoe gerechtigd te zijn, zich te bevinden in of op een water, dat deel uitmaakt van een beschermd natuurmonument, indien op duidelijk zichtbare wijze is kenbaar gemaakt, dat de toegang tot dit water verboden is. 1967 572 15-11-1967 6764 1967 572 15-11-1967 6764 01-01-1968
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 artikel 8, tweede lid Indien en voor zover blijkt, dat een belanghebbende ten gevolge van de aanwijzing als beschermd natuurmonument dan wel een beschikking als bedoeld in, of doordat een vergunning is geweigerd dan wel aan een vergunning voorwaarden zijn verbonden schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, kent Onze Minister hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. De schadevergoeding kan worden bepaald in geld of op andere wijze. 2 Indien ten gevolge van de aanwijzing als beschermd natuurmonument schadevergoeding is toegekend en door de verlening van een vergunning de schade geheel of ten dele wordt weggenomen, kan worden bepaald, dat de verleende schadevergoeding geheel of ten dele moet worden teruggegeven. 1967 572 15-11-1967 6764 1967 572 15-11-1967 6764 01-01-1968
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 Tegen een besluit op grond van deze wet kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 2 artikelen 11, eerste lid 13 De werking van het besluit, bedoeld in de, en, alsmede van een besluit tot verlening van een vergunning voor het verrichten van handelingen in een staatsnatuurmonument wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. 1995 250 16-05-1995 26-04-1995 23780 1995 250 16-05-1995 26-04-1995 23780 17-05-1995
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek Artikel 24, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek Onze Minister doet een beschikking tot aanwijzing als beschermd natuurmonument onverwijld inschrijven in de openbare registers, bedoeld in, indien de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.is niet van toepassing. 2 Onze Minister doet dan tevens mededeling van een zodanige beschikking in de Staatscourant. 3 Indien een zodanige beschikking in beroep is gewijzigd, zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing. 4 Staatscourant Onze Minister doet onverwijld mededeling in devan een beschikking, waarbij hij besluit: a. dat een aanwijzing in overweging is; b. dat de intrekking van een aanwijzing in overweging is; c. niet tot aanwijzing over te gaan; d. niet tot intrekking van een aanwijzing over te gaan. 5 Staatscourant artikel 8, tweede lid Onze Minister doet insgelijks onverwijld mededeling in devan een nadere beschikking als bedoeld in. 1993 650 30-12-1993 16-12-1993 22495 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 Onze Minister kan, burgemeester en wethouders der gemeente en gedeputeerde staten der provincie gehoord, bij beschikking een natuurmonument, dat eigendom is van de Staat, aanwijzen als staatsnatuurmonument en een zodanige aanwijzing geheel of gedeeltelijk intrekken. 2 Indien over een natuurmonument, dat eigendom is van de Staat, zich de bemoeienis uitstrekt van een ander departement van algemeen bestuur dan waarvan Onze Minister het hoofd is, neemt deze een beschikking als bedoeld in het eerste lid in overeenstemming met Onze Minister, hoofd van dat andere departement. 3 Het beheer van een staatsnatuurmonument is gericht op het behoud of het herstel van het natuurschoon of van de natuurwetenschappelijke betekenis. 4 b c artikel 16, eerste lid en tweede lid, onderen artikel 17 Ten aanzien van een staatsnatuurmonument is het bepaalde bij, envan overeenkomstige toepassing. 5 Staatscourant Onze Minister doet van een beschikking als bedoeld in het eerste lid mededeling in de. 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 21-02-1997 01-01-1997 Werkt terug tot en met 1 januari 2897.
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 Vervallen 1998 402 14-07-1998 25-05-1998 23147 2001 656 21-12-2001 12-12-2001 01-04-2002
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 Vervallen 1998 402 14-07-1998 25-05-1998 23147 2001 656 21-12-2001 12-12-2001 01-04-2002
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 Vervallen 1998 402 14-07-1998 25-05-1998 23147 2001 656 21-12-2001 12-12-2001 01-04-2002
Artikel 24a — Artikel 24a#
Artikel 24a Vervallen 1998 402 14-07-1998 25-05-1998 23147 2001 656 21-12-2001 12-12-2001 01-04-2002
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 Vervallen 1998 402 14-07-1998 25-05-1998 23147 2001 656 21-12-2001 12-12-2001 01-04-2002
Artikel 25a — Artikel 25a#
Artikel 25a 1 Onze Minister verleent vergoedingen voor het richten of mederichten van de bedrijfsvoering van landbouwbedrijven, binnen daartoe aangewezen gebieden, op het beheer van natuur en landschap. 2 Onze Minister kan ter uitvoering van het in het eerste lid gestelde nadere regels stellen. 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 21-02-1997 01-01-1997 Werkt terug tot en met 1 januari 2897.
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 Vervallen 1994 135 04-02-1994 23196 1994 222 21-03-1994 01-04-1994
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 Vervallen 1976 377 23-06-1976 13655 1976 377 23-06-1976 13655 23-09-1976
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 1 artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering Met de opsporing van overtredingen van de bij of krachtens deze wet gestelde voorschriften zijn, behalve de inaangewezen personen, belast zij die daartoe door Onze Minister zijn aangewezen, alsmede de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane. 2 Bij het opsporen van een bij deze wet strafbaar gesteld feit hebben de in het eerste lid bedoelde personen toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. 1995 554 28-11-1995 02-11-1995 23806 1996 246 02-05-1996 16-04-1996 23806 01-06-1996
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 artikel 5 Onze Minister kan ambtenaren aanwijzen, aan wie de inbeschreven bevoegdheid mede toekomt. 1967 572 15-11-1967 6764 1967 572 15-11-1967 6764 01-01-1968
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 1 titel VIII der onteigeningswet Bij het bestaan van een voornemen tot onteigening in het belang der natuurbescherming krachtenskan Onze Minister met name genoemde handelingen verbieden, die schadelijk zijn voor het natuurschoon of voor de natuurwetenschappelijke betekenis van de bij de voorgenomen onteigening betrokken onroerende zaak. 2 hoofdstuk III van titel I der onteigeningswet Staatscourant Het verbod vervalt door de overgang van de eigendom van de zaak op de onteigenende partij alsmede indien het niet binnen twee jaar is gevolgd door een zodanige eigendomsovergang, tenzij alsdan een geding aanhangig is als bedoeld in. Die termijn kunnen Wij bij een in dete plaatsen besluit met ten hoogste een jaar verlengen. 3 Onze Minister is te allen tijde bevoegd het verbod geheel of gedeeltelijk in te trekken dan wel daarvan ontheffing te verlenen. 4 Onze Minister doet van het verbod mededeling in de Staatscourant. 1989 490 25-10-1989 19077 1991 607 03-12-1991 1990 90 20-02-1990 01-01-1992
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 Het Koninklijk besluit van 17 mei 1946, nr. 5, houdende instelling van de Voorlopige Natuurbeschermingsraad, wordt ingetrokken. 1967 572 15-11-1967 6764 1967 572 15-11-1967 6764 01-01-1968
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 artikelen 119 van de Provinciewet 122 van de Gemeentewet Stb. In afwijking van het bepaalde bij deen(1992, 96) heeft de inwerkingtreding van deze wet slechts ten aanzien van de gevallen, waarin strijd met de bij of krachtens haar gestelde voorschriften zou ontstaan, tot gevolg, dat de bepalingen van verordeningen van de provinciale staten en van de gemeenteraden betreffende de onderwerpen, waarin deze wet voorziet, van rechtswege ophouden te gelden. 1993 667 15-12-1993 23086 1993 667 15-12-1993 23086 01-01-1994
Artikel 33a — Artikel 33a#
Artikel 33a 1 artikelen 23, eerste lid 24 a 24 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap vastgestelde verplichtingen inzake onderwerpen waarop deze wet van toepassing is, regels worden gesteld. Bij deze regels kan de opsomming van handelingen in de,enworden aangevuld. Voorts kan bij deze regels het gebruik en het bezit van en de handel in daarbij aangewezen vangmiddelen geschikt voor het vangen van dieren behorende tot beschermde diersoorten worden verboden of aan beperkingen worden onderworpen. 2 a b artikel 22, eerste lid, onderen Bij deze regels kan voorts worden afgeweken van het bepaalde in, in zoverre dat ook andere plante- en diersoorten dan in dat artikel bedoeld, als beschermde plante- onderscheidenlijk diersoort kunnen worden aangewezen. 1993 586 28-10-1993 22201 1994 38 16-12-1993 21-01-1994
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 Deze wet kan worden aangehaald als "Natuurbeschermingswet". 1967 572 15-11-1967 6764 1967 572 15-11-1967 6764 01-01-1968