Wet van 27 oktober 1965, houdende regelen omtrent de ontgrondingen
- BWB-id
- BWBR0002505
- Type
- Wet
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- 2016-07-01 t/m 2023-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0002505
- ELI
- /eli/nl/wet/1969/ontgrondingenwet
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1969/ontgrondingenwet/2016-07-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0002505&g=2016-07-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0002505&z=2026-06-06&g=2016-07-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0002505/2016-07-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1969/ontgrondingenwet
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; b. Wet ruimtelijke ordening die wet planologisch medewerking verlenen: het nemen van een of meer besluiten krachtens dedoor de raad onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders van een gemeente of het bestuur van een provincie waarin die gemeente is gelegen, waardoor een ontgronding kan plaatsvinden zonder strijd met het bepaalde bij of krachtens; c. zomerbed: 1°. oppervlakte tussen de denkbeeldige lijnen ter weerszijden van de stroomgeul bij gewoon hoog zomerwater of gewone vloed, die de as van de rivier volgen en de worteleinden van de kribben in de rivier met elkaar verbinden; 2°. voor zover geen kribben in de rivier aanwezig zijn: de oppervlakte tussen de oeverlijnen van de stroomgeul bij gewoon hoog zomerwater of gewone vloed, waarbij de oeverlijnen in een denkbeeldige lijn worden doorgetrokken op plaatsen waar water in de uiterwaard in open verbinding staat met de stroomgeul; 3°. nevengeulen in beheer bij het Rijk; 4°. bij het Rijk in beheer zijnde havens die in open verbinding staan met de stroomgeul. 2008 180 03-06-2008 22-05-2008 30938 2008 227 26-06-2008 16-06-2008 01-07-2008
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Een ontgronding wordt geacht in de zee plaats te hebben, indien zij plaats heeft daar, waar de bodem bij gewone vloed of gewoon zomerpeil door het water van de zee wordt bedekt. 1965 509 27-10-1965 6338 1971 520 16-08-1971 01-09-1971
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 artikelen 12 31 Het is verboden, behoudens het bepaalde in deen, zonder vergunning te ontgronden dan wel als eigenaar, erfpachter, vruchtgebruiker, opstalhouder, beklemde meier of gebruiker van enige onroerende zaak toe te laten, dat aldaar zonder vergunning ontgronding plaats heeft. 2 Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden ter bevordering en bescherming van belangen, betrokken bij de ontgronding, de herinrichting van de ontgronde onroerende zaken en de aanpassing van de omgeving van de ontgronde onroerende zaken. 3 De in het tweede lid bedoelde voorschriften kunnen in ieder geval inhouden: a. dat een werkplan wordt overgelegd, volgens hetwelk de ontgronding zal geschieden, en dat het toestemming behoeft van een bij het voorschrift aangewezen bestuursorgaan; b. dat de onroerende zaken waarvoor een vergunning tot ontgronding wordt verleend, geheel of bij gedeelten in een bij het voorschrift omschreven toestand dienen te worden gebracht; c. dat in plaats van de onder b bedoelde verplichting een bepaald bedrag ineens of bij gedeelten moet worden betaald; d. dat de kosten van het beheer van de onroerende zaken die zijn ontgrond geheel of gedeeltelijk moeten worden betaald; e. dat de kosten in verband met de aanpassingsinrichting van de omgeving van de ontgronde onroerende zaken, alsmede van het beheer van de aangepaste omgeving, voor zover zij het gevolg zijn van de ontgronding, geheel of gedeeltelijk moeten worden betaald; f. dat financiële zekerheid moet worden gesteld voor het nakomen van krachtens de vergunning geldende verplichtingen; g. dat moet worden voldaan aan door een bij het voorschrift aangewezen bestuursorgaan gestelde nadere eisen; h. Erfgoedwet dat de vergunninghouder verplicht is technische maatregelen te treffen waardoor archeologische vondsten als bedoeld in dein de bodem kunnen worden behouden; i. Erfgoedwet dat de vergunninghouder verplicht is een opgraving als bedoeld in dete verrichten; j. dat de vergunninghouder verplicht is de ontgronding te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het vergunningverlenende bestuursorgaan te stellen kwalificaties. 4 artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht Een financiële zekerheid als bedoeld in het derde lid, onder f, kan niet worden gevorderd van publiekrechtelijke lichamen. Op de toestemming, bedoeld in het derde lid, onder a, zijn devan overeenkomstige toepassing. 5 Aan de vergunning kunnen ook voorschriften worden verbonden, inhoudende dat op een daarbij omschreven wijze moet worden aangegeven of aan andere vergunningvoorschriften wordt voldaan en dat de daarbij verkregen gegevens ter beschikking moeten worden gesteld van het bevoegd gezag. 6 Weigering, intrekking of wijziging van een vergunning kan geschieden op grond van strijd met de in het tweede lid bedoelde belangen. 2015 511 18-12-2015 09-12-2015 34109 2016 14 12-01-2016 22-12-2015 01-07-2016
Artikel 3a — Artikel 3a#
Artikel 3a artikel 3 Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een vergunning als bedoeld in. 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Deze wet is niet van toepassing op: a. het – in geval van watersnood of dringend of dreigend gevaar voor doorbraak van dijken of voor overstroming – nemen van specie van gronden, welke ogenblikkelijk in bezit zijn genomen; b. artikel 17, eerste lid, van de Wet inrichting landelijk gebied de uitvoering van een inrichtingsplan als bedoeld in, met uitzondering van de ontgrondingen, welke geschieden ter verkrijging van het voor de werken nodige bodemmateriaal; c. artikel 30 31 van de Wet bodembescherming de toepassing vanof; d. artikel 13 van de Wet bodembescherming artikel 39 van Wet bodembescherming de toepassing van, de uitvoering van een saneringsplan als bedoeld inof een sanering als bedoeld in artikel 39b van die wet, mits de ontgronding niet verder gaat dan noodzakelijk is voor de technische realisering van een werk ter plaatse van de ontgronding; e. artikel 4.6 van de Waterwet de uitvoering van een beheerplan als bedoeld in, voor zover daarin maatregelen of voorzieningen zijn opgenomen in verband met een verontreiniging of aantasting van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam die een belemmering vormt voor het bereiken van de gewenste gebiedskwaliteit, met uitzondering van ontgrondingen, welke geschieden ter verkrijging van het voor die maatregelen of voorzieningen nodige bodemmateriaal; f. artikel 5.15, eerste lid, van de Waterwet de uitvoering van maatregelen als bedoeld in, met uitzondering van ontgrondingen, welke geschieden ter verkrijging van het voor die maatregelen nodige bodemmateriaal. 2013 144 24-04-2013 28-03-2013 33135 2013 145 24-04-2013 15-04-2013 25-04-2013
Artikel 4a — Artikel 4a#
Artikel 4a artikel 1 van de Mijnbouwwet Deze wet is mede van toepassing op ontgrondingen op het continentaal plat, bedoeld in. 2002 542 14-11-2002 31-10-2002 26219 2002 603 17-12-2002 06-12-2002 01-01-2003
Artikel 4b — Artikel 4b#
Artikel 4b artikel 1 van de Mijnbouwwet De Staat is eigenaar van de op of onmiddellijk onder de oppervlakte van het continentaal plat aanwezige vaste stoffen, met inbegrip van de delfstoffen, bedoeld in, voorzover die delfstoffen op een diepte van minder dan 100 meter beneden de oppervlakte van het continentaal plat aanwezig zijn. 2002 542 14-11-2002 31-10-2002 26219 2002 603 17-12-2002 06-12-2002 01-01-2003
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 artikel 8, eerste lid artikel 3, eerste lid Bij algemene maatregel van bestuur worden omtrent ontgrondingen als bedoeld in, regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de aanvraag om een vergunning als bedoeld in, moet geschieden en de gegevens en bescheiden die door de aanvrager moeten worden verstrekt met het oog op de beslissing op de aanvraag. 2 artikel 8, tweede lid artikel 3, eerste lid Bij provinciale verordening worden omtrent ontgrondingen als bedoeld in, regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de aanvraag om een vergunning als bedoeld in, moet geschieden en de gegevens en bescheiden die door de aanvrager moeten worden verstrekt met het oog op de beslissing op de aanvraag. 2007 256 17-07-2007 21-06-2007 30346 2008 19 24-01-2008 09-01-2008 01-02-2008
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 artikel 5, eerste lid Bij de maatregel, bedoeld in, kan worden bepaald dat overeenkomstig bij de maatregel te stellen regels een recht wordt geheven ter zake van de behandeling van de aanvraag om een vergunning of wijziging van een vergunning. Het tarief wordt zodanig vastgesteld dat de geraamde opbrengst van het recht de geraamde uitgaven niet te boven gaat. 1996 411 15-08-1996 20-06-1996 23568 1996 600 17-12-1996 28-11-1996 01-01-1997
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 artikel 3, eerste lid Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het verbod van, niet geldt voor daarbij aan te duiden categorieën van ontgrondingen van beperkte betekenis voor de fysieke omgeving. Voor die categorieën kunnen bij of krachtens die maatregel regels worden gesteld. 2 artikel 3, eerste lid Bij provinciale verordening kan voor daarbij aan te duiden categorieën van ontgrondingen, wegens haar bijzondere aard of met het oog op bijzondere gewestelijke omstandigheden, worden bepaald dat het verbod van, niet geldt. Voor die categorieën kunnen bij die verordening regels worden gesteld. 3 Een regeling als bedoeld in het eerste of tweede lid kan voorts inhouden dat met betrekking tot ontgrondingen ten aanzien waarvan met toepassing van het eerste of tweede lid is bepaald dat het vergunningvereiste niet geldt, de verplichting geldt tot het melden van het voornemen te ontgronden aan een daarbij aangewezen bestuursorgaan. Bij toepassing van de eerste volzin worden voorts aangegeven het tijdstip, voorafgaand aan het ontgronden, waarop de melding uiterlijk moet zijn gedaan, alsmede de gegevens die bij de melding moeten worden verstrekt. 2007 256 17-07-2007 21-06-2007 30346 2008 19 24-01-2008 09-01-2008 01-02-2008
Artikel 7a — Artikel 7a#
Artikel 7a Vervallen 2007 256 17-07-2007 21-06-2007 30346 2008 19 24-01-2008 09-01-2008 01-02-2008
Artikel 7b — Artikel 7b#
Artikel 7b Vervallen 2007 256 17-07-2007 21-06-2007 30346 2007 256 17-07-2007 21-06-2007 30346 01-01-2009
Artikel 7c — Artikel 7c#
Artikel 7c Vervallen 2007 256 17-07-2007 21-06-2007 30346 2008 19 24-01-2008 09-01-2008 01-02-2008
Artikel 7d — Artikel 7d#
Artikel 7d Vervallen 2007 256 17-07-2007 21-06-2007 30346 2008 19 24-01-2008 09-01-2008 01-02-2008
Artikel 7e — Artikel 7e#
Artikel 7e Vervallen 2007 256 17-07-2007 21-06-2007 30346 2008 19 24-01-2008 09-01-2008 01-02-2008
Artikel 7f — Artikel 7f#
Artikel 7f Vervallen 2007 256 17-07-2007 21-06-2007 30346 2008 19 24-01-2008 09-01-2008 01-02-2008
Artikel 7g — Artikel 7g#
Artikel 7g Vervallen 2007 256 17-07-2007 21-06-2007 30346 2008 19 24-01-2008 09-01-2008 01-02-2008
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 artikel 3 Onze Minister is bevoegd een vergunning als bedoeld inte verlenen, te wijzigen of in te trekken, indien zij een ontgronding betreft in bij ministeriële regeling aan te wijzen rijkswateren. 2 Ten aanzien van andere dan de in het eerste lid bedoelde ontgrondingen berust de bevoegdheid tot verlening, wijziging of intrekking van een vergunning bij gedeputeerde staten van de provincie waarin de betrokken onroerende zaak is gelegen. 3 artikel 3.1, tweede lid, van de Waterwet Ten aanzien van ontgrondingen in een tot de rijkswateren behorende rivier heeft de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het zomerbed van de rivier. Voor het niet tot het zomerbed behorende gedeelte van de rivier tot aan de begrenzing van de rivier ingevolgeoefenen gedeputeerde staten hun in het tweede lid bedoelde bevoegdheid uit in overeenstemming met Onze Minister. 2009 489 24-11-2009 09-11-2009 31858 2009 549 18-12-2009 10-12-2009 22-12-2009
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 Vervallen 1992 422 04-06-1992 22061 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 artikel 8 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer Op de voorbereiding van een beschikking als bedoeld inzijnenvan toepassing. 2 artikel 8 artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening Het college van burgemeester en wethouders van ieder van de gemeenten op het gebied waarvan de aanvrage om vergunning betrekking heeft, deelt aan het ingevolgebevoegde gezag binnen acht weken nadat het verzoek daartoe is ingekomen, mee of de beoogde ontgronding in overeenstemming is met het bestemmingsplan, een ter inzage gelegd ontwerp hiervoor, een voorbereidingsbesluit ter zake of een beheersverordening als bedoeld in, en deelt, zo zulks niet het geval is, mee of de raad onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders bereid is aan de ontgronding planologische medewerking te verlenen. 3 artikel 8 artikel 3.26 van de Wet ruimtelijke ordening artikel 4.1 van die wet Indien Onze Minister het ingevolgebevoegde gezag is, delen gedeputeerde staten van de provincie op het gebied waarvan de aanvrage om vergunning betrekking heeft, binnen zes weken nadat het verzoek daartoe is ingekomen, mee of de beoogde ontgronding in overeenstemming is met een inpassingsplan, als bedoeld in, een ter inzage gelegd ontwerp hiervoor of de regels, gesteld bij of krachtens een verordening als bedoeld in, alsmede, zo zulks niet het geval is, of provinciale staten of gedeputeerde staten bereid zijn aan de ontgronding planologische medewerking te verlenen. 4 artikel 5 Met betrekking tot ontgrondingen van eenvoudige aard, waarbij andere belangen niet of nauwelijks zijn betrokken, kan bij de regelingen, bedoeld in, voor daarbij aan te wijzen gevallen worden afgeweken van het bepaalde bij de voorgaande leden. 5 artikel 3, tweede lid Beschikkingen als bedoeld in het eerste lid worden genomen na afweging van de in, bedoelde belangen. 6 Een vergunning wordt niet verleend of gewijzigd indien de beoogde ontgronding in strijd is met een ruimtelijk besluit, tenzij die strijd naar verwachting zal worden opgeheven. 2008 180 03-06-2008 22-05-2008 30938 2008 227 26-06-2008 16-06-2008 01-07-2008
Artikel 10a — Artikel 10a#
Artikel 10a 1 artikel 8 Het ingevolgebevoegde bestuursorgaan bevordert een gecoördineerde voorbereiding van de voor de ontgronding benodigde besluiten wanneer de aanvrager daarom verzoekt. 2 artikel 3.26 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening artikel 3.38 van die wet artikel 3 Indien een plaats die is bestemd voor de winning van vaste stoffen door middel van ontgronding is vastgesteld in een inpassings- of bestemmingsplan als bedoeld inofof in een beheersverordening als bedoeld in, heeft de coördinatie betrekking op alle verder voor de ontgronding benodigde besluiten. In de andere gevallen heeft de coördinatie geen betrekking op de inbedoelde vergunning, tenzij de aanvrager daarom verzoekt. 2008 180 03-06-2008 22-05-2008 30938 2008 227 26-06-2008 16-06-2008 01-07-2008
Artikel 10b — Artikel 10b#
Artikel 10b 1 artikel 8 Het ingevolgebevoegde bestuursorgaan kan van de andere betrokken bestuursorganen de medewerking vorderen, die voor het welslagen van de coördinatie nodig is. 2 De in het eerste lid bedoelde bestuursorganen verlenen de van hen gevorderde medewerking. 2007 256 17-07-2007 21-06-2007 30346 2008 19 24-01-2008 09-01-2008 01-02-2008
Artikel 10c — Artikel 10c#
Artikel 10c artikel 10a, eerste lid afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Op de voorbereiding van de in, bedoelde besluiten isvan toepassing, met dien verstande dat: a. artikel 8 artikel 3:13, eerste lid, van die wet de ontwerpen van de besluiten binnen een door het ingevolgebevoegde bestuursorgaan te bepalen termijn worden toegezonden aan het bestuursorgaan, dat zorg draagt voor de inbedoelde toezending; b. artikel 8 artikelen 3:11, eerste lid 3:12 van die wet het ingevolgebevoegde bestuursorgaan ten aanzien van de ontwerpen van de besluiten gezamenlijk toepassing kan geven aan de, en; c. zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder; d. artikel 3:18, eerste lid, van die wet artikel 8 in afwijking vande besluiten worden genomen binnen een door het ingevolgebevoegde bestuursorgaan te bepalen termijn; e. artikel 8 de besluiten onverwijld worden gezonden aan het ingevolgebevoegde bestuursorgaan. 2007 256 17-07-2007 21-06-2007 30346 2008 19 24-01-2008 09-01-2008 01-02-2008
Artikel 10d — Artikel 10d#
Artikel 10d 1 artikel 10a, eerste lid artikel 8 artikel 8 Indien het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is te beslissen op een aanvraag om een besluit als bedoeld in, niet of niet tijdig op de aanvraag beslist, kan het ingevolgebevoegde bestuursorgaan een beslissing op de aanvraag nemen. In dat laatste geval treedt zijn besluit in de plaats van het besluit van het in eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan. Indien het ingevolgebevoegde bestuursorgaan voornemens is zelf een beslissing op de aanvraag te nemen, pleegt het overleg met het bestuursorgaan, dat in eerste aanleg bevoegd is op de aanvraag te beslissen. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op ambtshalve te nemen besluiten. 3 artikel 8 Indien ingevolge het eerste of tweede lid de beslissing op een aanvraag of het ambtshalve te nemen besluit wordt genomen door het ingevolgebevoegde bestuursorgaan, stort het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd was, de ter zake ontvangen leges in de kas van dat bestuursorgaan. 2007 256 17-07-2007 21-06-2007 30346 2008 19 24-01-2008 09-01-2008 01-02-2008
Artikel 10e — Artikel 10e#
Artikel 10e artikel 10a, eerste lid artikel 10c artikel 8 De in, bedoelde besluiten worden, voor zover ten aanzien daarvanis toegepast, gelijktijdig door het ingevolgebevoegde bestuursorgaan bekendgemaakt. 2007 256 17-07-2007 21-06-2007 30346 2008 19 24-01-2008 09-01-2008 01-02-2008
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 artikel 10, tweede lid De raad onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders verleent uiterlijk binnen een jaar na het onherroepelijk worden van de beschikking van Onze Minister of van gedeputeerde staten op de aanvrage om een vergunning ter zake van de in die beschikking bedoelde ontgronding planologische medewerking, voor zover het overeenkomstig, ten aanzien van die ontgronding de bereidheid tot het verlenen van zodanige medewerking heeft aangegeven. 2 artikel 10, derde lid Provinciale staten of gedeputeerde staten verlenen uiterlijk binnen een jaar na het onherroepelijk worden van de beschikking van Onze Minister op de aanvrage om een vergunning ter zake van de in die beschikking bedoelde ontgronding planologische medewerking, voor zover gedeputeerde staten overeenkomstig, ten aanzien van die ontgronding de bereidheid tot het verlenen van zodanige medewerking hebben aangegeven. 2005 532 01-11-2005 06-10-2005 29316 2005 533 01-11-2005 20-10-2005 08-03-2006 2005 530 01-11-2005 06-10-2005 28995 2005 531 01-11-2005 20-10-2005 08-03-2006
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 artikel 8 artikel 3:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht Indien naar het oordeel van het ingevolge, bevoegde gezag met de uitvoering van een ontgronding niet kan worden gewacht, kan dat gezag machtiging verlenen om, zolang op de aanvrage niet onherroepelijk is beslist, de uitvoering aan te vangen. Deze machtiging wordt niet verleend, zolang de inbedoelde termijn niet is verstreken. 2 Deze machtiging wordt verleend onder de voorwaarde, dat zekerheid wordt gesteld voor de betaling van de kosten om de betrokken onroerende zaak in een zodanige toestand te brengen als bij deze machtiging wordt bepaald, indien de vergunning wordt geweigerd of van een verleende vergunning geen gebruik wordt gemaakt. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 Vervallen 1992 422 04-06-1992 22061 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 Vervallen 1992 422 04-06-1992 22061 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 Vervallen 1992 422 04-06-1992 22061 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Hoofdstuk II artikel 7:1, eerste lid, onder d of e, van de Algemene wet bestuursrecht Een beschikking op grond vanvan deze wet tot verlening, wijziging of intrekking van een vergunning treedt in werking met ingang van de dag na de dag waarop de termijn afloopt voor het indienen van een bezwaarschrift dan wel, indien ingevolgegeen bezwaar kan worden gemaakt, van een beroepschrift. Indien gedurende de termijn bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, treedt de beschikking niet in werking voordat op dat verzoek is beslist. 2013 226 28-06-2013 19-06-2013 33455 2013 258 28-06-2013 25-06-2013 01-07-2013
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 Vervallen 2007 256 17-07-2007 21-06-2007 30346 2008 19 24-01-2008 09-01-2008 01-02-2008
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 Vervallen 1993 650 30-12-1993 16-12-1993 22495 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 Indien het beroep is ingesteld door een ander dan de aanvrager of houder van de vergunning, wordt aan deze door de secretaris van de Raad van State terstond schriftelijk medegedeeld, dat het beroep is ingesteld. 2007 256 17-07-2007 21-06-2007 30346 2008 19 24-01-2008 09-01-2008 01-02-2008
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 Vervallen 2007 256 17-07-2007 21-06-2007 30346 2008 19 24-01-2008 09-01-2008 01-02-2008
Artikel 21a — Artikel 21a#
Artikel 21a Vervallen 2007 256 17-07-2007 21-06-2007 30346 2008 19 24-01-2008 09-01-2008 01-02-2008
Artikel 21b — Artikel 21b#
Artikel 21b Vervallen 2007 256 17-07-2007 21-06-2007 30346 2008 19 24-01-2008 09-01-2008 01-02-2008
Artikel 21c — Artikel 21c#
Artikel 21c Vervallen 2007 256 17-07-2007 21-06-2007 30346 2007 256 17-07-2007 21-06-2007 30346 01-01-2009
Artikel 21d — Artikel 21d#
Artikel 21d Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 21e — Artikel 21e#
Artikel 21e Vervallen 2007 256 17-07-2007 21-06-2007 30346 2007 256 17-07-2007 21-06-2007 30346 01-01-2009
Artikel 21f — Artikel 21f#
Artikel 21f 1 Provinciale staten zijn bevoegd bij wijze van provinciale belasting een heffing in te stellen ter bestrijding van: a. artikel 26 kosten met betrekking tot schadevergoedingen ingevolge; b. kosten met betrekking tot het onderzoek naar het verband tussen een ontgronding en schade aan onroerende zaken en de bepaling van de omvang van de schade. 2 artikelen 3 12 De heffing is verschuldigd ter zake van het verlenen van een vergunning of machtiging als bedoeld in deen. 3 artikelen 3 12 Aan de heffing worden onderworpen de houders van vergunningen en machtigingen als bedoeld in deen. 4 Als grondslag voor de heffing geldt de ingevolge de vergunning of machtiging te winnen hoeveelheid vaste stoffen, gemeten in profiel van ontgraving. 5 Vrijgesteld van de heffing zijn: a. hoeveelheden van minder dan 10 000 kubieke meter ingevolge de vergunning of machtiging te winnen vaste stoffen, gemeten in profiel van ontgraving; b. hoeveelheden ten aanzien waarvan de heffing eerder is geheven. 6 Het vijfde lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing voor zover is geheven ten behoeve van een in het eerste lid bedoelde bestemming en nadien wordt geheven voor een andere in dat lid bedoelde bestemming. 7 Ten behoeve van de in het eerste lid, onder a en b, bedoelde bestemmingen worden afzonderlijke tarieven vastgesteld. 8 Indien een vergunning of machtiging wordt vernietigd of ingetrokken dan wel wordt gewijzigd in die zin dat de toegestane te winnen hoeveelheid vaste stoffen wordt verminderd, vindt op verzoek van de heffingplichtige teruggaaf van de heffing plaats voor zover de vergunning of machtiging is vernietigd of ingetrokken dan wel de hoeveelheid vaste stoffen voor de winning waarvan vergunning of machtiging is verleend, is verminderd. 9 Teruggaaf blijft achterwege indien het bedrag dat moet worden teruggegeven minder bedraagt dan € 250. 10 De heffing wordt geheven bij wege van aanslag. 11 Indien het eerste lid, onder b, wordt toegepast, worden bij provinciale verordening regels gesteld omtrent de procedure met betrekking tot de behandeling van de aanvraag om vergoeding van kosten als bedoeld in het eerste lid, onder b, en de advisering omtrent de aanvraag. 2007 256 17-07-2007 21-06-2007 30346 2007 256 17-07-2007 21-06-2007 30346 01-01-2009
Artikel 21g — Artikel 21g#
Artikel 21g 1 Indien Onze Minister in verband met de toepassing van deze wet onderzoek ter plaatse nodig oordeelt, is hij bevoegd de rechthebbenden ten aanzien van gronden of wateren waar dat onderzoek wordt ingesteld de verplichting op te leggen het verrichten van dat onderzoek, alsmede het aanbrengen, het aanwezig zijn, het onderhoud, het gebruik en het verwijderen van de voor dat onderzoek nodige middelen te gedogen, onverminderd het recht van deze rechthebbenden op schadevergoeding. Gelijke bevoegdheid als bedoeld in de vorige volzin komt toe aan gedeputeerde staten. 2 Een beschikking tot oplegging van een gedoogplicht wordt tenminste twee weken voor de aanvang van het onderzoek bekendgemaakt aan de rechthebbenden. 1996 411 15-08-1996 20-06-1996 23568 1996 600 17-12-1996 28-11-1996 01-01-1997
Artikel 21h — Artikel 21h#
Artikel 21h 1 artikel 5, eerste onderscheidenlijk tweede lid artikel 21g Indien de aanvrager of de houder van een vergunning of degene die voornemens is een aanvrage in te dienen ter verkrijging van de gegevens die ingevolge het bepaalde krachtens, moeten worden verschaft in een aanvrage om een vergunning of wijziging van een vergunning, onderzoek moet verrichten in gronden of wateren ten aanzien waarvan hij niet de rechthebbende is, kan hij Onze Minister onderscheidenlijk gedeputeerde staten verzoeken daartoe een gedoogplicht overeenkomstigop te leggen. 2 Hij legt hiertoe over een opgave van de ligging van de gronden of wateren, van de namen en woonplaatsen van de rechthebbenden daarvan, alsmede van de aard der onderzoekingen. 3 Bij de beschikking tot het opleggen van de gedoogplicht worden zodanige voorschriften gesteld jegens degene op wiens verzoek de gedoogplicht wordt opgelegd, dat de vergoeding van schade aan de rechthebbende op voldoende wijze is verzekerd. 1996 411 15-08-1996 20-06-1996 23568 1996 600 17-12-1996 28-11-1996 01-01-1997
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 artikelen 5.10 5.13 tot en met 5.16 5.18 tot en met 5.23 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Met betrekking tot de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn de,envan toepassing. 2012 233 05-06-2012 24-05-2012 32389 2012 276 27-06-2012 13-06-2012 01-10-2012
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 Vervallen 1994 135 04-02-1994 23196 1994 222 21-03-1994 01-04-1994
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 Vervallen 1976 377 23-06-1976 13655 1976 377 23-06-1976 13655 01-09-1976
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 Vervallen 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2002/542 wordt dit artikel gewijzigd.
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 afdeling 3.4 afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 8 artikel 8, eerste lid artikel 8, tweede lid Voorzover blijkt dat de aanvrager, de houder van de vergunning of degene die overeenkomstigofzijn zienswijze naar voren heeft gebracht, ten gevolge van een beschikking ter zake van een ontgronding als bedoeld inschade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende op andere wijze is verzekerd, wordt hem een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toegekend, en wel door Onze Minister ten laste van ’s Rijks kas, indien het betreft een ontgronding als bedoeld in, en door gedeputeerde staten ten laste van de provinciale kas, indien het betreft een ontgronding als bedoeld in. 2 De vergoeding kan worden toegekend, hetzij bij de beschikking inzake de vergunning, hetzij bij afzonderlijke beschikking. 2007 256 17-07-2007 21-06-2007 30346 2008 19 24-01-2008 09-01-2008 01-02-2008
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 artikel 26 Indien door Onze Minister of door gedeputeerde staten ten behoeve van belangen, behartigd of mede behartigd door andere openbare lichamen dan het Rijk onderscheidenlijk de provincie, een beschikking wordt gegeven naar aanleiding waarvan een vergoeding wordt toegekend als bedoeld in, kan bij die beschikking aan die andere lichamen, hun bestuur gehoord, worden opgelegd de kosten, die het gevolg zijn van het behartigen van die belangen, geheel of gedeeltelijk te vergoeden. 1999 30 16-02-1999 28-01-1999 25836 1999 40 16-02-1999 04-02-1999 25836 17-02-1999
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 artikel 8 Indien bij een beschikking als bedoeld ingeen vergoeding is toegekend, kan zij worden aangevraagd. 1996 411 15-08-1996 20-06-1996 23568 1996 600 17-12-1996 28-11-1996 01-01-1997
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 29a — Artikel 29a#
Artikel 29a 1 artikelen 26 tot en met 28 artikel 21g Dezijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van schade die een rechthebbende als bedoeld inlijdt of zal lijden tengevolge van het opleggen van een gedoogplicht als bedoeld in dat artikel in andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid. 2 artikel 21h De schade tengevolge van het inbedoelde onderzoek wordt vergoed door degene op wiens verzoek de gedoogplicht is opgelegd. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 Vervallen 2007 256 17-07-2007 21-06-2007 30346 2008 19 24-01-2008 09-01-2008 01-02-2008
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 Vervallen 2007 256 17-07-2007 21-06-2007 30346 2008 19 24-01-2008 09-01-2008 01-02-2008
Artikel 31a — Artikel 31a#
Artikel 31a Vervallen 1996 411 15-08-1996 20-06-1996 23568 1996 600 17-12-1996 28-11-1996 01-01-1997
Artikel 31b — Artikel 31b#
Artikel 31b Vervallen 1996 411 15-08-1996 20-06-1996 23568 1996 600 17-12-1996 28-11-1996 01-01-1997
Artikel 31c — Artikel 31c#
Artikel 31c Vervallen 1996 411 15-08-1996 20-06-1996 23568 1996 600 17-12-1996 28-11-1996 01-01-1997
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 Vervallen 2007 256 17-07-2007 21-06-2007 30346 2008 19 24-01-2008 09-01-2008 01-02-2008
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 De bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen blijft ten aanzien van het onderwerp, waarin deze wet voorziet, gehandhaafd, voor zover die verordeningen niet met deze wet in strijd zijn. 1965 509 27-10-1965 6338 1971 520 16-08-1971 01-09-1971
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 1 Deze wet laat de bevoegdheden tot het vaststellen van wettelijke regelingen in het belang van de waterkering, ook voorzover daarbij het ontgronden wordt verboden of beperkt, onverlet. 2 Bestaande bepalingen van deze strekking blijven van kracht. 1965 509 27-10-1965 6338 1971 520 16-08-1971 01-09-1971
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 Ontgrondingenwet Deze wet kan worden aangehaald als "". 1965 509 27-10-1965 6338 1971 520 16-08-1971 01-09-1971
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip. 1965 509 27-10-1965 6338 1971 520 16-08-1971 01-09-1971