Wet van 27 november 1968, houdende regelen inzake een minimumloon en een minimumvakantiebijslag
- BWB-id
- BWBR0002638
- Type
- Wet
- Ministerie
- Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-02-04
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0002638
- ELI
- /eli/nl/wet/1969/wet-minimumloon-en-minimumvakantiebijslag
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1969/wet-minimumloon-en-minimumvakantiebijslag/2026-02-04
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0002638&g=2026-02-04
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0002638&z=2026-06-06&g=2026-02-04
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0002638/2026-02-04
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1969/wet-minimumloon-en-minimumvakantiebijslag
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; b. artikel 5 6 van de Wet op de loonvorming publiekrechtelijke regeling: een regeling als bedoeld inof. 2 artikel 2 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten Stb. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden onder collectieve arbeidsovereenkomst mede verstaan bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst, welke krachtens(1937, 801) algemeen verbindend zijn verklaard. 2014 571 24-12-2014 17-12-2014 33910 2014 576 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder dienstbetrekking verstaan de dienstbetrekking krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. 2 Onder dienstbetrekking wordt mede verstaan de arbeidsverhouding van degene, die krachtens overeenkomst van opdracht met een ander tegen beloning: a. geregeld bemiddeling verleent bij het tot stand komen van overeenkomsten van die ander, of een opdrachtgever van deze, met derden, mits hij die bemiddeling uitsluitend voor die ander verleent, het verlenen van die bemiddeling niet een voor hem bijkomstige werkzaamheid is en hij zich daarbij doorgaans niet door meer dan twee andere personen laat bijstaan; of b. arbeid verricht, tenzij deze overeenkomst is aangegaan in de uitoefening van bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van beroep. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ingevolge welke de arbeidsverhouding van degene, die tegen beloning arbeid verricht en wiens arbeidsverhouding niet reeds ingevolge het eerste of tweede lid als dienstbetrekking wordt beschouwd, doch hiermede maatschappelijk gelijk kan worden gesteld, eveneens onder dienstbetrekking wordt verstaan. 2017 290 04-07-2017 29-03-2017 33623 2017 290 04-07-2017 29-03-2017 33623 01-01-2018 2017 484 15-12-2017 29-11-2017 34766 2017 485 15-12-2017 06-12-2017 01-01-2018
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 artikel 2 Indien hiertoe in verband met de bijzondere aard van de arbeidsverhouding dan wel in verband met bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, dat de arbeidsverhouding van tot een daarbij aangewezen categorie behorende personen niet onder dienstbetrekking als bedoeld inwordt verstaan. 2019 483 17-12-2019 11-12-2019 35275 2019 484 17-12-2019 11-12-2019 01-01-2020
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 artikelen 2 3 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder werknemer verstaan de natuurlijke persoon, die overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deofin dienstbetrekking staat. 2 Wie zijn dienstbetrekking niet binnen het Rijk vervult, wordt slechts als werknemer beschouwd, indien hij binnen het Rijk woont en zijn werkgever eveneens binnen het Rijk woont of gevestigd is. Voor zover een werkgever binnen het Rijk een vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep of een binnen het Rijk wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger heeft, wordt hij voor de toepassing van de vorige volzin gelijkgesteld met een binnen het Rijk gevestigde werkgever. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat personen, die niet binnen het Rijk wonen, ook als werknemer worden beschouwd, voor zover zij hun dienstbetrekking buiten het Rijk vervullen. 4 Voor de toepassing van de vorige leden worden schepen en luchtvaartuigen, welke binnen het Rijk hun thuishaven hebben, ten opzichte van de werkgever en de bemanning beschouwd als deel van het Rijk. 2017 290 04-07-2017 29-03-2017 33623 2017 290 04-07-2017 29-03-2017 33623 01-01-2018
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder werkgever verstaan de persoon, tot wie een werknemer in dienstbetrekking staat. 2 artikel 2, tweede lid In het geval, bedoeld in, wordt onder werkgever verstaan de persoon, met wie de overeenkomst van opdracht is gesloten. 3 artikel 2, derde lid Ingeval toepassing wordt gegeven aan, wordt tevens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald wie in de daarbij betrokken gevallen onder werkgever wordt verstaan. 2017 290 04-07-2017 29-03-2017 33623 2017 290 04-07-2017 29-03-2017 33623 01-01-2018 Abusievelijk is voor het tweede lid een wijzigingsopdracht
geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 5a — Artikel 5a#
Artikel 5a 1 artikel 7, vijfde lid Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder arbeidsduur: de tijd dat de werknemer in dienstbetrekking arbeid verricht of de tijd waarover hij recht op loon heeft als bedoeld in. 2 Voor zover het loon niet naar tijdruimte is vastgesteld maar afhankelijk is van de uitvoering van de verrichte arbeid, wordt voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde als arbeidsduur aangemerkt: de daadwerkelijke tijd die de werknemer heeft besteed aan de uitvoering van de verrichte arbeid. 3 artikel 2, tweede en krachtens het derde lid Ten aanzien van degene die op grond van, in dienstbetrekking staat, wordt de arbeidsduur bepaald door de tijd die gemoeid is met de uitvoering van de werkzaamheden. 2023 168 23-05-2023 12-05-2023 35335 2023 247 07-07-2023 27-06-2023 01-01-2024
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden onder loon verstaan de geldelijke inkomsten uit hoofde van de dienstbetrekking, met uitzondering van: a. vakantiebijslagen; b. winstuitkeringen; c. uitkeringen bij bijzondere gelegenheden; d. uitkeringen ingevolge aanspraken om na verloop van tijd of onder een voorwaarde één of meer uitkeringen te ontvangen; e. vergoedingen voor zover zij geacht kunnen worden te strekken tot bestrijding van noodzakelijke kosten, die de werknemer in verband met zijn dienstbetrekking heeft te maken, waaronder in ieder geval worden begrepen kosten voor reizen, huisvesting of voeding, die de werknemer in verband met zijn dienstbetrekking heeft te maken, ook in verband met het verrichten van arbeid in een ander land dan waar de werknemer gewoonlijk arbeid verricht of verblijft; f. artikel 673 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek een transitievergoeding als bedoeld in; g. artikel 32, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 uitkeringen ingevolge een spaarloonregeling als bedoeld in; h. eindejaarsuitkeringen; i. artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van de Zorgverzekeringswet een werkgeversbijdrage in de premie voor de ziektekostenverzekering van een persoon, bedoeld in. 2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere uitzonderingen dan de in het eerste lid genoemde worden gesteld. 3 Onze Minister kan regelen stellen naar welke wordt beoordeeld welke inkomsten moeten worden aangemerkt als uitkeringen of vergoedingen als bedoeld in het eerste lid, onder b tot en met h. 4 Indien niet blijkt uit de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden die van toepassing zijn op de dienstbetrekking van een werknemer die tijdelijk arbeid verricht in een ander land dan waar hij gewoonlijk arbeid verricht of verblijft of, en zo ja welke, onderdelen van een vergoeding strekken tot bestrijding van noodzakelijke kosten, die deze werknemer heeft te maken in verband met het verrichten van arbeid in een ander land dan waar hij gewoonlijk arbeid verricht of verblijft, wordt de volledige vergoeding aangemerkt als vergoeding in de zin van het eerste lid, onderdeel e. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze waarop onderdelen van een vergoeding worden gespecificeerd. 2020 249 15-07-2020 01-07-2020 35358 2020 250 15-07-2020 09-07-2020 30-07-2020 Treedt voor de sector wegvervoer in werking op 1 juni 2023 (Stb.
2023/152).
Artikel 6a — Artikel 6a#
Artikel 6a De werkgever mag de werknemer niet benadelen wegens de omstandigheid dat de werknemer in of buiten rechte de in deze wet aan hem toegekende rechten of zijn recht op het in de collectieve arbeidsovereenkomst geregelde laagste schaalbedrag in de laagste loonschaal of andere minimumvergoeding voor de verrichte arbeid geldend maakt, ter zake bijstand heeft verleend of een klacht hierover heeft ingediend. 2026 16 03-02-2026 21-01-2026 36545 2026 17 03-02-2026 29-01-2026 04-02-2026
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 De werknemer die de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt heeft voor de arbeid door hem in dienstbetrekking verricht, jegens de werkgever recht op een loon ten minste tot het bedrag, bij of krachtens de volgende artikelen onder de benaming minimumloon vastgesteld. 2 artikel 8, eerste lid Indien daartoe naar Ons oordeel aanleiding bestaat op grond van de ontwikkeling in collectieve arbeidsovereenkomsten ter zake van de leeftijd waarop recht op een loon tenminste tot de in, genoemde bedragen ontstaat, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, dat werknemers beneden de leeftijd van 21 jaar, die de leeftijd van 20 jaar dan wel die de leeftijd van 19 jaar hebben bereikt, eveneens het in het eerste lid bedoelde recht hebben. 3 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat werknemers - dan wel dat werknemers, behorende tot een bij de maatregel aangewezen categorie - beneden de leeftijd van 21 jaar of, zo toepassing is gegeven aan het tweede lid, beneden de krachtens dat lid bepaalde leeftijd, die een bij de maatregel aangewezen lagere leeftijd hebben bereikt, eveneens het in het eerste lid bedoelde recht hebben. 4 Beloningen, die de werknemer voor arbeid, door hem in de dienstbetrekking verricht, van derden ontvangt, worden, voor zover zij deel uitmaken van de arbeidsvoorwaarden, voor de toepassing van het bij of krachtens het eerste, tweede of derde lid bepaalde geacht van de werkgever te zijn ontvangen. 5 Loon waarop de werknemer op grond van enige wettelijke bepaling recht heeft over een periode, waarin hij geen arbeid verricht, wordt voor de toepassing van het bij of krachtens het eerste, tweede of derde lid bepaalde aangemerkt als loon voor de arbeid door hem in die dienstbetrekking verricht. Bedragen, waarmee het loon overeenkomstig die bepaling wordt verminderd, worden voor de toepassing van het bij of krachtens het eerste, tweede of derde lid bepaalde geacht van de werkgever te zijn ontvangen. 6 artikel 623 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek De werkgever is met toepassing vanverplicht het minimumloon tijdig te voldoen. 2019 483 17-12-2019 11-12-2019 35275 2019 484 17-12-2019 11-12-2019 01-01-2020
Artikel 7a — Artikel 7a#
Artikel 7a 1 artikel 620 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek artikel 114 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek In afwijking vangeschiedt de voldoening van het verschuldigde minimumloon door girale betaling overeenkomstig. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op de werknemer die doorgaans op minder dan vier dagen per week uitsluitend of nagenoeg uitsluitend diensten verricht ten behoeve van het huishouden van de natuurlijke persoon tot wie hij in dienstbetrekking staat. 2015 233 22-06-2015 04-06-2015 34108 2015 234 22-06-2015 16-06-2015 01-01-2016
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 Het minimumloon bedraagt: a. per 1 januari 2026: € 14,71 voor de toepassing van deze wet: per uur € 10,60; b. per 1 januari 2026: € 2.294,40 voor de toepassing van wetten die ten aanzien van de berekening van uitkeringen of tegemoetkomingen naar deze wet verwijzen: over elke uitbetalingstermijn van een maand € 1.653,60; c. artikelen 7 7a 11 13 13a 15 16 voor de toepassing van de,,,,,enwordt naar evenredigheid met een werkweek van 36 uren gerekend met inachtneming van een uitbetalingstermijn van een dag, een week of een maand. 2 artikel 14 Waar in deze wet wordt verwezen naar de in het vorige lid genoemde bedragen, worden als zodanig, indien toepassing is gegeven aan, de daarbij laatstelijk in hun plaats gestelde bedragen aangemerkt. 3 artikel 7, eerste lid In afwijking van het eerste lid bedraagt het minimumloon voor werknemers aan wie het in, bedoelde recht is toegekend bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het derde lid van dat artikel, een bij die maatregel vast te stellen percentage van de in het eerste lid van het onderhavige artikel genoemde bedragen. Dit percentage kan voor naar leeftijd en tak van bedrijf of beroep te onderscheiden categorieën van deze werknemers verschillend zijn. 4 artikel 7.2.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs Bij algemene maatregel van bestuur kan ten aanzien van de werknemer die werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst die is aangegaan in verband met een beroepsbegeleidende leerweg als bedoeld ineen percentage van de in het eerste lid genoemde bedragen worden vastgesteld. Dit percentage kan voor naar leeftijd te onderscheiden categorieën van deze werknemers verschillend zijn. 2025 34131 09-10-2025 01-10-2025 2025-0000213859 2025 34131 09-10-2025 01-10-2025 2025-0000213859 01-01-2026
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 De uitbetaling van het loon aan werknemers, wier dienstbetrekking niet op een arbeidsovereenkomst berust, geschiedt, voor wat het bedrag van het minimumloon betreft, telkens na een kwartaal, tenzij partijen een kortere uitbetalingstermijn zijn overeengekomen. 1968 657 27-11-1968 1968 657 27-11-1968 23-02-1969
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 artikel 8 Onze Minister kan op verzoek van een werkgever of van een rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie van werkgevers of werknemers het minimumloon van tot een door hem aangewezen categorie behorende werknemers in een onderneming dan wel een tak van bedrijf of beroep voor een door hem te bepalen termijn op lagere dan de krachtensgeldende bedragen vaststellen, indien naar zijn oordeel het voortbestaan van of de omvang der bedrijvigheid in die onderneming dan wel die tak van bedrijf of beroep ernstig wordt bedreigd. Aan deze vaststelling kunnen voorwaarden worden verbonden. Op een verzoek wordt niet beslist, zolang niet is gebleken, dat de verzoeker met de naar het oordeel van Onze Minister representatieve organisaties van werknemers onderscheidenlijk werkgevers ter zake overleg heeft gepleegd. 2 Onze Minister kan een besluit van de in het eerste lid bedoelde strekking ten aanzien van tot door hem aangewezen categorieën behorende werknemers, die uitsluitend of in hoofdzaak huishoudelijke of persoonlijke diensten verrichten in de huishouding van natuurlijke personen, ook ambtshalve nemen. 3 Staatscourant Een besluit tot toepassing van het eerste of het tweede lid ten aanzien van werknemers in een tak van bedrijf of beroep wordt in debekend gemaakt. 1995 355 25-07-1995 10-07-1995 23983 1995 355 25-07-1995 10-07-1995 23983 26-07-1995
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 Indien ten aanzien van een werknemer op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst, publiekrechtelijke regeling of een schriftelijke arbeidsovereenkomst sprake is van een vaste overeengekomen arbeidsduur per week en een vaste beloning per maand, wordt aan de werknemer ten minste het minimumuurloon dat geldt in het betreffende tijdvak over het gemiddeld aantal arbeidsuren van de betreffende maand, afgeleid van het totaal aantal arbeidsuren dat de betreffende werknemer arbeid verricht in dat kalenderjaar, betaald. 2 artikelen 7, zesde lid 8 13a Indien bij publiekrechtelijke regeling of collectieve arbeidsovereenkomst een periode van afrekening, welke meerdere uitbetalingstermijnen omvat, is vastgesteld, wordt zodanige periode van afrekening voor de toepassing van de,enals uitbetalingstermijn beschouwd. Een periode van afrekening kan ten hoogste twaalf maanden omvatten. 2023 168 23-05-2023 12-05-2023 35335 2023 247 07-07-2023 27-06-2023 01-01-2024 2023 417 21-11-2023 08-11-2023 36415 2023 437 05-12-2023 29-11-2023 01-01-2024
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 Vervallen 2023 168 23-05-2023 12-05-2023 35335 2023 247 07-07-2023 27-06-2023 01-01-2024
Artikel 12a — Artikel 12a#
Artikel 12a 1 artikel 5a, tweede lid Bij ministeriële regeling kunnen op verzoek van de Stichting van de Arbeid specifieke werkzaamheden in een bedrijfstak worden aangewezen voor welke, in afwijking van, voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde als arbeidsduur wordt aangemerkt, de tijd die redelijkerwijs met de uitvoering van de te verrichten arbeid is gemoeid, indien dat noodzakelijk wordt geacht, gelet op: a. de vrijheid van de werknemer bij de inrichting van de werkzaamheden; en b. de mogelijkheden voor de werkgever, of een derde aan wie de werknemer ter beschikking is gesteld voor het onder diens toezicht en leiding verrichten van arbeid, om op de uitvoering hiervan toezicht te houden. 2 Onder de werkgever, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt niet verstaan een werkgever die een werknemer ter beschikking stelt aan een derde voor het onder diens toezicht en leiding verrichten van arbeid. 3 Voorafgaand aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt aan de Stichting van de Arbeid de berekening van de tijd die redelijkerwijs met de uitvoering van de te verrichten arbeid is gemoeid, bedoeld in het eerste lid, en de elementen die zijn meegewogen in deze berekening, waaronder begrepen de vaststelling van de arbeidsduur ter uitvoering van die arbeid door een gemiddeld productieve werknemer, verstrekt: a. gezamenlijk door de hiervoor in aanmerking komende rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie of organisaties van werkgevers met een zodanige organisatie of organisaties van werknemers in de bedrijfstak waar de specifieke werkzaamheden worden verricht onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden; of b. uitsluitend door de rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie of organisaties van werkgevers in voornoemde bedrijfstak onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden. 4 Indien de berekening overeenkomstig het derde lid aan de Stichting van de Arbeid is verstrekt maar naar het oordeel van een of meer van de in de Stichting van de Arbeid vertegenwoordigde organisaties van werkgevers of werknemers een verzoek als bedoeld in het eerste lid achterwege blijft op gronden die geen verband houden met de criteria, genoemd in het eerste lid, kunnen deze organisaties een verzoek als bedoeld in het eerste lid indienen. 5 Onze Minister stelt de in de Stichting van de Arbeid vertegenwoordigde organisaties van werkgevers of werknemers die geen verzoek indienen, bedoeld in het vierde lid, in de gelegenheid binnen vier weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het vierde lid, hun zienswijze ter zake kenbaar te maken. 6 Indien de specifieke werkzaamheden zijn aangewezen op grond van het eerste lid, wordt voor 1 december van elk kalenderjaar aan de Stichting van de Arbeid een geactualiseerde opgave van de berekening, bedoeld in het derde lid, verstrekt. 7 De Stichting van de Arbeid draagt zorg voor de bekendmaking van de berekening, bedoeld in het derde en zesde lid, op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze. 2023 168 23-05-2023 12-05-2023 35335 2023 247 07-07-2023 27-06-2023 01-01-2024
Artikel 12b — Artikel 12b#
Artikel 12b artikel 12a, eerste lid artikel 5a, tweede lid artikel 12a Indien de werkgever schriftelijk met de werknemer overeenkomt specifieke werkzaamheden te verrichten die zijn aangewezen op grond van, wordt in afwijking van, voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde als arbeidsduur aangemerkt: de tijd die overeenkomstig de door de Stichting van de Arbeid bekendgemaakte berekening, bedoeld in, met de uitvoering van de te verrichten arbeid is gemoeid. 2023 168 23-05-2023 12-05-2023 35335 2023 247 07-07-2023 27-06-2023 01-01-2024
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 artikel 631 artikel 632, met uitzondering van het tweede lid, tweede zin, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek Het minimumloon is niet vatbaar voor inhouding of verrekening door de werkgever met overeenkomstige toepassing vanonderscheidenlijk. 2 artikel 631, derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek artikel 615 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek artikel 3, eerste lid In afwijking van het eerste lid is inhouding toegestaan, met overeenkomstige toepassing van. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen betalingsverplichtingen van de werknemer worden aangewezen ten aanzien waarvan hij bevoegd is om schriftelijke volmacht te verlenen aan de werkgever om uit het uit te betalen loon betalingen in zijn naam te verrichten, met inachtneming van hetgeen overigens in artikel 631 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald. Deze betalingsverplichtingen kunnen voor te onderscheiden categorieën van werknemers verschillend worden aangewezen. In afwijking van, kunnen tevens betalingsverplichtingen worden aangewezen van werknemers die op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst zijn genomen door of vanwege het Rijk of het bevoegde gezag van een provincie, gemeente, waterschap, veenschap en veenpolder, indien, op grond van,van toepassing is verklaard. 3 artikel 7a In afwijking van het eerste lid zijn voorschotten op het minimumloon, overeenkomstigaan de werknemer verstrekt, vatbaar voor verrekening met het minimumloon, mits dit vooraf schriftelijk met de werknemer is overeengekomen. 2020 496 04-12-2020 25-11-2020 35494 2020 497 04-12-2020 30-11-2020 01-01-2021
Artikel 13a — Artikel 13a#
Artikel 13a 1 Indien de feitelijke arbeidsduur van de werknemer binnen een uitbetalingstermijn langer is dan de overeengekomen arbeidsduur wordt deze langere arbeidsduur uitbetaald uiterlijk in de eerstvolgende uitbetalingstermijn na de uitbetalingstermijn waarin deze is ontstaan. 2 In geval van een langere arbeidsduur als bedoeld in het eerste lid, kan de werkgever, in afwijking van het eerste lid, een langere arbeidsduur niet of gedeeltelijk uitbetalen, maar geheel of gedeeltelijk compenseren in betaalde vrije tijd conform het minimumloon binnen de overeengekomen arbeidsduur, indien dit met de werknemer schriftelijk is overeengekomen voordat een langere arbeidsduur wordt aangevangen. 3 Een gehele of gedeeltelijke compensatie in betaalde vrije tijd als bedoeld in het tweede lid kan alleen worden overeengekomen en opgebouwd voor zover in deze mogelijkheid is voorzien in de collectieve arbeidsovereenkomst. Indien het een werknemer betreft die aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het onder diens toezicht en leiding verrichten van arbeid kan een gehele of gedeeltelijke compensatie in betaalde vrije tijd als bedoeld in het tweede lid alleen worden overeengekomen en opgebouwd indien in deze mogelijkheid is voorzien in de collectieve arbeidsovereenkomst die van toepassing is op die derde. 4 artikel 8, eerste lid, onder a De langere arbeidsduur, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk voor 1 juli van het jaar na het kalenderjaar waarin deze is ontstaan, in betaalde vrije tijd gecompenseerd dan wel uiterlijk in de eerste uitbetalingstermijn na juni van dat jaar giraal uitbetaald. Indien de compensatie in tijd of in geld niet of niet volledig heeft plaatsgevonden bij het einde van de dienstbetrekking wordt de langere arbeidstijd dienovereenkomstig giraal uitbetaald. De uitbetaling vindt plaats overeenkomstig het bedrag, genoemd in, dat geldt in de termijn waarin de uitbetaling plaatsvindt. 5 Indien de arbeidsduur niet eenduidig schriftelijk is overeengekomen in de overeenkomst wordt voor de toepassing van het eerste en tweede lid, uitgegaan van de maximale overeengekomen arbeidsduur. 2023 168 23-05-2023 12-05-2023 35335 2023 247 07-07-2023 27-06-2023 01-01-2024
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 artikel 8, eerste lid, onder b Het bedrag, genoemd in, wordt telkens met ingang van 1 januari door Onze Minister herzien overeenkomstig: a. de helft van de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het betrokken jaar, blijkens bekendmaking in de Macro-Economische Verkenningen in het voorafgaande jaar, is geraamd; en b. het verschil tussen de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het voorafgaande jaar, blijkens bekendmaking in het Centraal Economisch Plan in dat jaar, was geraamd en de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het voorafgaande jaar, blijkens bekendmaking in de Macro-Economische Verkenningen in dat jaar, nader is geraamd. 2 artikel 8, eerste lid, onder b Het bedrag, genoemd in, wordt telkens met ingang van 1 juli door Onze Minister opnieuw herzien overeenkomstig het verschil tussen de helft van de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het betrokken jaar, blijkens bekendmaking in de Macro-Economische Verkenningen in het voorafgaande jaar, was geraamd en de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het betrokken jaar, blijkens bekendmaking in het Centraal Economisch Plan in dat jaar, nader is geraamd. 3 Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt onder ontwikkeling van de contractlonen verstaan: het gemiddelde van de procentuele ontwikkeling van de contractlonen in marktsector, gepremieerde en gesubsidieerde sector, en bij de overheid, zoals deze door het Centraal Planbureau wordt bekend gemaakt. 4 artikel 8, eerste lid, onder b Indien de toepassing van het eerste, dan wel het tweede lid zou leiden tot verlaging van het bedrag, genoemd in, wordt dat bedrag ongewijzigd vastgesteld. Voor zover hierdoor geen toepassing wordt gegeven aan het eerste, dan wel het tweede lid wordt het daarmee gemoeide percentage bij de eerstvolgende herziening en voor zover nodig tevens bij de daarop volgende herzieningen, alsnog in aanmerking genomen. 5 artikel 8, eerste lid, onder b Het bedrag, genoemd in, kan met ingang van 1 januari en van 1 juli bij algemene maatregel van bestuur in afwijking van het eerste tot en met het vierde lid worden vastgesteld, naar gelang sprake is van een bovenmatige loonontwikkeling zodanig dat hiervan schade voor de werkgelegenheid kan worden verwacht dan wel van een zodanige volume-ontwikkeling in de sociale zekerheidsregelingen dat daardoor een betekenende premie- of belastingdrukverhoging noodzakelijk is. Bij de vaststelling worden de criteria, genoemd in het zestiende lid, onderdeel a, subonderdelen 1 tot en met 4, meegewogen. 6 artikel 8, eerste lid, onder b Indien per 1 januari toepassing is gegeven aan het vijfde lid, blijft per 1 juli van hetzelfde jaar de toepassing van het tweede lid achterwege. Indien echter inmiddels gebleken is dat de grond voor de toepassing van het vijfde lid niet langer aanwezig is, wordt het bedrag, genoemd in, met ingang van 1 juli van hetzelfde jaar alsnog door Onze Minister herzien overeenkomstig het verschil tussen de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het betrokken jaar, blijkens bekendmaking in het Centraal Economisch Plan in dat jaar, is geraamd en de herziening die per 1 januari heeft plaatsgevonden. 7 Indien per 1 juli toepassing wordt gegeven aan het vijfde lid dan wel het zesde lid, eerste volzin, toepassing heeft gevonden, blijft per 1 januari van het eerstvolgende jaar de toepassing van het eerste lid, onder b, achterwege. 8 Indien een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vijfde lid wordt voorbereid legt Onze Minister het ontwerp van die maatregel met de daarbij behorende nota van toelichting over aan de beide Kamers der Staten-Generaal. De voordracht tot de maatregel kan worden gedaan nadat tien dagen na de overlegging zijn verstreken of zoveel eerder als beide Kamers te kennen hebben gegeven dat geen verdere inlichtingen worden verlangd. 9 Het overeenkomstig het eerste tot en met het vierde en het zesde lid herziene bedrag wordt afgerond op het dichtstbijzijnde veelvoud van € 0,60. Indien het restbedrag € 0,30 bedraagt, geschiedt de afronding naar boven. 10 Bij een herziening overeenkomstig het eerste tot en met zesde lid wordt tevens het minimumuurloon, genoemd in artikel 8, eerste lid, onder a, herzien overeenkomstig de volgende formule, waarbij het resultaat naar boven wordt afgerond op een veelvoud van € 0,01: waarbij: A = het herziene minimummaandloon overeenkomstig het eerste tot en met zesde lid. B = het aantal weken per maand dat wordt gesteld op 4 1/3. C = het aantal uren per week dat wordt gesteld op 36. 11 artikel 8, eerste lid De overeenkomstig het eerste tot en met het zesde en het tiende lid herziene bedragen treden in de plaats van de bedragen, genoemd in, met dien verstande dat de afronding, bedoeld in het negende lid, bij de eerstvolgende herziening buiten beschouwing blijft. 12 artikel 8, eerste lid Indien te voorzien valt dat een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vijfde lid niet tijdig voor 1 januari respectievelijk 1 juli tot stand zal kunnen komen, kan Onze Minister bepalen dat de laatstelijk vastgestelde bedragen, genoemd in, nog gedurende een bij zijn besluit vast te stellen periode van ten hoogste drie maanden van kracht blijven en kan een algemene maatregel van bestuur in aansluiting op die periode worden vastgesteld. 13 artikel 8, eerste lid artikel 8, eerste lid Onze Minister gaat telkens na verloop van een termijn van ten hoogste vier jaar, voor het eerst uiterlijk in 1994, na of er omstandigheden aanwezig zijn die een bijzondere wijziging wenselijk maken van de bedragen, genoemd in. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen vervolgens bedragen worden vastgesteld die in de plaats treden van de bedragen, genoemd in. Het achtste lid is van overeenkomstige toepassing. 14 artikel 8, eerste lid, onder b artikel 15, vierde lid artikel 8, eerste lid Het bedrag, genoemd in, wordt bij algemene maatregel van bestuur verlaagd in de mate waarin en met ingang van het tijdstip waarop de minimumvakantiebijslag met toepassing van, wordt verhoogd. Het negende, tiende en elfde lid zijn van overeenkomstige toepassing. Wanneer een verlaging op grond van dit lid samenvalt met een bijzondere wijziging op grond van het dertiende lid, worden de in, genoemde bedragen in één algemene maatregel van bestuur opnieuw vastgesteld en is tevens het achtste lid van overeenkomstige toepassing. 15 artikel 8, eerste lid Wanneer een bijzondere wijziging of een verlaging op grond van het dertiende en veertiende lid samenvalt met een toepassing van het eerste tot en met het zesde en het tiende lid, worden de in, genoemde bedragen in één algemene maatregel van bestuur opnieuw vastgesteld, met dien verstande dat in dat geval voor de toepassing van het eerste tot en met het zesde en het tiende lid wordt uitgegaan van de op grond van het dertiende en veertiende lid herziene bedragen. 16 Bij toepassing van het dertiende lid, geldt dat: a. de hoogte van het minimumloon wordt geëvalueerd aan de hand van de volgende criteria: 1°. de koopkracht van het minimumloon, rekening houdend met de kosten voor levensonderhoud; 2°. het algemene niveau van de lonen en de verdeling ervan; 3°. het groeipercentage van de lonen; en 4°. nationale productiviteitsniveaus en -ontwikkelingen op lange termijn. b. bij de beoordeling van de toereikendheid van het minimumloon worden bij ministeriële regeling vast te stellen indicatieve referentiewaarden als richtsnoer gebruikt. 17 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen aanvullende criteria worden vastgesteld. 2026 16 03-02-2026 21-01-2026 36545 2026 17 03-02-2026 29-01-2026 04-02-2026
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 Ziektewet hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1 artikelen 4:2b 6:3 van de Wet arbeid en zorg Werkloosheidswet De werknemer heeft jegens de werkgever recht op een vakantiebijslag ten minste tot een bedrag van 8% van zijn ten laste van de werkgever komende loon, alsmede van de uitkeringen waarop hij tijdens de dienstbetrekking krachtens de,of deofen deaanspraak heeft, met dien verstande, dat het bedrag waarmede de som van dit loon en deze uitkeringen het drievoud van het minimumloon overschrijdt buiten beschouwing blijft. 2 artikel 8, eerste lid, onder b De in het eerste lid bedoelde som wordt geacht het drievoud van het minimumloon te overschrijden indien deze over de uitbetalingstermijn van een maand, liggende in het tijdvak waarover recht op vakantiebijslag bestaat, gemiddeld meer bedraagt dan het drievoud van het in, genoemde bedrag van het minimumloon. Indien de uitbetalingstermijn betrekking heeft op een andere periode dan een maand, wordt het minimumloon naar evenredigheid berekend. Hierbij wordt voor een uitbetalingstermijn van een week uitgegaan van 4 1/3 weken in een maand. Indien de uitbetalingstermijn betrekking heeft op een andere arbeidsduur dan een maand of week wordt die andere arbeidsduur vermenigvuldigd met het aantal van de in die termijn begrepen werkdagen, waarbij een maand wordt gesteld op 21,67 werkdagen. Onder werkdag wordt verstaan een dag die behoort tot de arbeidsduur. 3 Beloningen die de werknemer voor arbeid, door hem in de dienstbetrekking verricht, van derden ontvangt, worden, voor zover zij deel uitmaken van de arbeidsvoorwaarden, voor de toepassing van de voorgaande leden geacht ten laste van de werkgever komend loon te zijn. 4 artikel 14, dertiende lid artikel 16, tweede en derde lid Gelijktijdig met de toepassing van, gaat Onze Minister na of de ontwikkeling van het niveau van de in collectieve arbeidsovereenkomsten overeengekomen vakantiebijslag een verhoging van de minimumvakantiebijslag wenselijk maakt. Bij algemene maatregel van bestuur kan vervolgens het percentage, genoemd in het eerste lid, en dienovereenkomstig het percentage, genoemd in, worden verhoogd; daarbij kan tevens een minimum-bedrag worden vastgesteld voor het recht van de werknemer jegens zijn werkgever ingevolge het eerste lid. 2023 168 23-05-2023 12-05-2023 35335 2022 543 27-12-2022 21-12-2022 36216 2023 247 07-07-2023 27-06-2023 01-01-2024
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 artikel 15 Behoudens het bij het tweede, derde en vierde lid bepaalde kan bij publiekrechtelijke regeling of collectieve arbeidsovereenkomst worden bepaald, dat de werknemer geen recht heeft op vakantiebijslag dan wel recht heeft op een lager bedrag aan vakantiebijslag dan uitvoortvloeit. 2 artikel 17 Indien de som van het ten laste van de werkgever komende loon en de vakantiebijslag, voldaan over het tijdvak, bedoeld in, minder bedraagt dan 108% van het bedrag, waarop de werknemer over dat tijdvak als minimumloon recht heeft verworven, heeft de werknemer over dat tijdvak bovendien recht op een bedrag aan vakantiebijslag ter grootte van het bedrag liggende tussen het bedrag waarop de werknemer over dat tijdvak als minimumloon recht heeft verworven en het bedrag waarmee genoemde 108% eerdergenoemde som te boven gaat. 3 artikel 17 Ziektewet hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1 artikelen 4:2b 6:3 van de Wet arbeid en zorg Werkloosheidswet Ziektewet Werkloosheidswet Voor zover de werknemer over een tijdvak als bedoeld inaanspraak op uitkeringen krachtens de,of deofen detijdens dienstbetrekking heeft verworven, heeft de werknemer over deze uitkeringen jegens de werkgever recht op een zodanig bedrag aan vakantiebijslag, dat dit bedrag vermeerderd met die uitkeringen ten minste 108% bedraagt van het bedrag waarop de werknemer over dit tijdvak aan uitkeringen krachtens de, hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1 of de artikelen 4:2b of 6:3 van de Wet arbeid en zorg en deberekend over het minimumloon, aanspraak heeft of zou hebben verworven. 4 artikel 15, vierde lid artikel 15, vierde lid Ziektewet hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1 artikelen 4:2b 6:3 van de Wet arbeid en zorg Werkloosheidswet Ziektewet Werkloosheidswet Ingeval toepassing is gegeven aan, heeft de werknemer over een tijdvak als bedoeld in het tweede lid tenminste recht op een zodanig bedrag aan vakantiebijslag dat dit bedrag vermeerderd met het loon, respectievelijk de uitkeringen krachtens de,of deofen de, waarop de werknemer over dat tijdvak recht, dan wel aanspraak heeft verworven, niet lager is dan de som van het krachtens, vastgestelde minimumbedrag en het minimumloon, respectievelijk de uitkeringen krachtens de, hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1 of de artikelen 4:2b of 6:3 van de Wet arbeid en zorg en deberekend over het minimumloon, waarop de werknemer over dat tijdvak recht, dan wel aanspraak heeft of zou hebben verworven. 5 Artikel 15, tweede lid Ingeval het door de werkgever en werknemer overeengekomen loon het drievoud van het minimumloon overschrijdt, kan ook bij schriftelijke overeenkomst worden bepaald, dat de werknemer geen recht heeft op vakantiebijslag dan wel recht heeft op een lager bedrag aan vakantiebijslag., is van overeenkomstige toepassing. 6 artikel 15 artikel 15 Ingeval de werkgever die jegens zijn werknemers verplicht is tot toepassing van een publiekrechtelijke regeling of collectieve arbeidsovereenkomst, dan wel algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst, waarbij op grond van het eerste lid is afgeweken van, tevens werknemers in dienst heeft jegens wie die verplichting niet bestaat, kan ten aanzien van laatstbedoelde werknemers bij schriftelijke overeenkomst op overeenkomstige wijze vanworden afgeweken. 7 Ziektewet hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1 artikelen 4:2b 6:3 van de Wet arbeid en zorg Werkloosheidswet Indien de werknemer recht heeft op loon over een periode, waarin hij geen arbeid verricht, worden de uitkeringen krachtens de,of deofen de, waarmee het loon overeenkomstig die bepaling wordt verminderd, voor de toepassing van dit artikel geacht ten laste van de werkgever komend loon te zijn. 2021 592 07-12-2021 13-10-2021 35613 2021 595 07-12-2021 26-11-2021 02-08-2022
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 Ziektewet hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1 artikelen 4:2b 6:3 van de Wet arbeid en zorg Werkloosheidswet De vakantiebijslag, waarop de werknemer over het loon en de uitkeringen krachtens de,of deofen de, voor zover een en ander over het tijdvak tot en met 31 mei van het lopende jaar opeisbaar is geworden, recht heeft verworven, wordt behoudens het bepaalde in de volgende leden in de maand juni uitbetaald. 2 Bij publiekrechtelijke regeling of schriftelijke overeenkomst kan ter zake van het tijdstip van uitbetaling van het eerste lid worden afgeweken, met dien verstande, dat uitbetaling ten minste eenmaal per kalenderjaar dient te geschieden. 3 Bij het einde van de dienstbetrekking wordt aan de werknemer het bedrag aan vakantiebijslag uitbetaald, waarop hij op dat tijdstip recht heeft verworven. 2021 592 07-12-2021 13-10-2021 35613 2021 595 07-12-2021 26-11-2021 02-08-2022
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 artikelen 15 16 Indien hierin bij publiekrechtelijke regeling of collectieve arbeidsovereenkomst is voorzien, kan de werkgever aan zijn verplichtingen tegenover de werknemer betreffende de vakantiebijslag voldoen hetzij door aan de werknemer vakantiebonnen over te dragen ten laste van een fonds, hetzij door betaling van de vakantiebijslag aan een fonds ten laste waarvan de werknemer het recht op vakantiebijslag verwerft, mits het bedrag, waarop de werknemer door deze overdracht onderscheidenlijk deze betaling, op dat fonds recht verwerft, niet lager ligt dan het bedrag, waarop de werknemer krachtens deenrecht heeft. 2 artikel 631, derde lid, onder c, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek Een fonds als bedoeld in het eerste lid dient te zijn ingericht overeenkomstig de voorwaarden, gesteld krachtens. 2017 24 08-02-2017 25-01-2017 34573 2017 185 12-05-2017 12-04-2017 01-07-2017
Artikel 18a — Artikel 18a#
Artikel 18a 1 Met het toezicht op de naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaren. 2 Met betrekking tot door Onze Minister aangewezen categorieën van arbeid zijn met het toezicht op de naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen belast of mede belast de door hem aangewezen andere ambtenaren dan de in het eerste lid bedoelde. Indien ambtenaren worden aangewezen die ressorteren onder een andere minister, wordt het besluit tot aanwijzing van die ambtenaren genomen door Onze Minister en die andere minister gezamenlijk. 3 Van een besluit als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. 4 De op grond van het eerste of tweede lid aangewezen ambtenaar is te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen. Hij kan daartoe de uitlevering vorderen tegen een door hem afgegeven schriftelijk bewijs. Zodra het belang van onderzoek omtrent de overtreding zulks toelaat wordt het in beslag genomen voorwerp teruggegeven aan degene bij wie het in beslag is genomen. 2011 27 10-02-2011 27-01-2011 32486 2011 27 10-02-2011 27-01-2011 32486 11-02-2011
Artikel 18b — Artikel 18b#
Artikel 18b 1 Als overtreding wordt aangemerkt: a. artikel 7 7a het door een werkgever niet of onvoldoende nakomen van de op hem rustende verplichting tot girale voldoening van het minimumloon, bedoeld inen; b. artikelen 15 16 het door een werkgever niet of onvoldoende nakomen van de op hem rustende verplichting tot voldoening van de minimumvakantiebijslag, bedoeld in deof; c. artikel 13 het door een werkgever verrichten van inhouding op of verrekening met het minimumloon, in strijd met het bepaalde bij of krachtens; d. artikel 12b het door een werkgever niet of onvoldoende nakomen van de op hem rustende verplichting de werkzaamheden schriftelijk overeen te komen op grond van; en e. artikel 13a het door een werkgever niet of onvoldoende nakomen van de op hem rustende verplichting de langere arbeidsduur geheel of gedeeltelijk in tijd te compenseren of te betalen, bedoeld in. 2 Als overtreding wordt tevens aangemerkt het door de werkgever desgevraagd niet of niet tijdig aan de toezichthouder verstrekken van: a. artikel 626 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek een opgave als bedoeld in, dan wel andere bescheiden waaruit de in dat artikel voorgeschreven gegevens blijken; b. bescheiden waaruit blijkt welk loon en welke vakantiebijslag aan de werknemer zijn voldaan; c. bescheiden waaruit blijkt hoeveel uren de werknemer heeft gewerkt; d. artikel 13 bescheiden waaruit de betalingsverplichtingen of voorschotten blijken welke met in achtneming vanzijn ingehouden op of verrekend met het minimumloon; e. artikel 12b bescheiden waaruit voor de toepassing vande volgende gegevens blijken: 1°. de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in dat artikel; 2°. artikel 12a, derde lid de omvang van de productie van de werknemer, waar nodig uitgesplitst naar de verschillende onderdelen per stukloonnorm op grond van, die hierop van toepassing is, in een uitbetalingstermijn; f. artikel 13a bescheiden waaruit voor de toepassing vande volgende gegevens blijken: 1°. de periode waarin de langere feitelijke arbeidsduur is ontstaan; 2°. de omvang van de langere feitelijke arbeidsduur; 3°. het tijdstip waarop de langere feitelijke arbeidsduur is gecompenseerd in betaalde vrije tijd of giraal is uitbetaald; 4°. de omvang van de langere feitelijke arbeidsduur in gecompenseerde tijd en de hoogte van de giraal uitbetaalde langere feitelijke arbeidsduur. 3 Voor de toepassing van het tweede lid wordt als werkgever aangemerkt degene in of ten behoeve van wiens onderneming, bedrijf of inrichting een persoon arbeid verricht of heeft verricht of waarvan op grond van feiten en omstandigheden naar redelijk vermoeden een persoon arbeid verricht of heeft verricht. De in de eerste zin bedoelde persoon wordt in dat geval voor de toepassing van het tweede lid aangemerkt als werknemer. Hetgeen in de eerste zin is bepaald geldt behoudens tegenbewijs. 2020 496 04-12-2020 25-11-2020 35494 2020 497 04-12-2020 30-11-2020 01-01-2021
Artikel 18c — Artikel 18c#
Artikel 18c 1 Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar legt namens hem de bestuurlijke boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een overtreding. 2 De ter zake van de bij of krachtens deze wet gestelde overtredingen gelden ten opzichte van elke persoon met of ten aanzien van wie de overtreding is begaan. 2012 462 12-10-2012 04-10-2012 33207 2012 498 23-10-2012 11-10-2012 01-01-2013
Artikel 18d — Artikel 18d#
Artikel 18d Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 18e — Artikel 18e#
Artikel 18e 1 artikel 5:48, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht Onverminderdvermeldt het rapport in ieder geval: a. de bij de overtreding betrokken persoon of personen; b. het officiële nummer waaronder het betreffende vervoermiddel is geregistreerd, voor zover in verband met de overtreding van belang. 2 artikel 18c, eerste lid Het rapport wordt toegezonden aan de op grond van, aangewezen ambtenaar. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 18f — Artikel 18f#
Artikel 18f 1 artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht De bestuurlijke boete die voor een overtreding kan worden opgelegd bedraagt ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in. 2 artikel 18c, eerste lid Onverminderd het eerste lid verhoogt de op grond van, aangewezen ambtenaar de op te leggen bestuurlijke boete met 100 procent van het boetebedrag, vastgesteld op grond van het zesde lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van constatering van de overtreding een eerdere overtreding, bestaande uit het niet naleven van eenzelfde wettelijke verplichting of het niet naleven van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen soortgelijke verplichtingen, is geconstateerd en de bestuurlijke boete wegens de eerdere overtreding onherroepelijk is geworden. 3 De verhoging van de bestuurlijke boete, bedoeld in het tweede lid, bedraagt 200 procent indien zowel de overtreding als de eerdere overtreding, bedoeld in dat lid, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen als ernstige overtredingen. 4 artikel 18c, eerste lid Onverminderd het eerste lid verhoogt de op grond van, aangewezen ambtenaar de op te leggen bestuurlijke boete met 200 procent van het boetebedrag, vastgesteld op grond van het zesde lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van constatering van de overtreding twee maal een eerdere overtreding, bestaande uit het niet naleven van eenzelfde wettelijke verplichting of het niet naleven van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen soortgelijke verplichtingen, is geconstateerd en de bestuurlijke boeten wegens de eerdere overtredingen onherroepelijk zijn geworden. 5 In afwijking van het tweede en vierde lid is het tijdvak van vijf jaar in die leden tien jaar indien de onherroepelijke boetes, bedoeld in die leden, zijn opgelegd wegens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen ernstige overtredingen. 6 Artikel 5:53 van de Algemene wet bestuursrecht Onze Minister stelt beleidsregels vast waarin onder meer de boetebedragen voor iedere overtreding worden vastgesteld.is van toepassing indien een artikel gesteld bij of krachtens deze wet op grond waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, niet is nageleefd. 7 artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vankan de rechter in beroep of hoger beroep de hoogte van de bestuurlijke boete ook ten nadele van de belanghebbende wijzigen. 2012 462 12-10-2012 04-10-2012 33207 2012 498 23-10-2012 11-10-2012 01-01-2013 Artikel XXV van Stb. 2012/462 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 18g — Artikel 18g#
Artikel 18g artikel 18c, eerste lid Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, verstrekt desgevraagd aan de daartoe op grond van, aangewezen ambtenaar de inlichtingen die redelijkerwijs voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete nodig zijn. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 18h — Artikel 18h#
Artikel 18h Indien een bestuurlijke boete ten onrechte is opgelegd, wordt deze binnen zes weken nadat is vastgesteld dat de bestuurlijke boete ten onrechte is opgelegd, aan de rechthebbende terugbetaald. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 18i — Artikel 18i#
Artikel 18i 1 Artikel 18a, tweede lid Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar kan, nadat een overtreding van een voorschrift bij of krachtens deze wet is geconstateerd die bestuurlijk beboetbaar is gesteld, aan de werkgever een schriftelijke waarschuwing geven dat bij herhaling van de overtreding of bij een latere overtreding van eenzelfde in de waarschuwing aangegeven wettelijke verplichting of het niet naleven van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen soortgelijke verplichtingen, door hem een bevel kan worden opgelegd dat door hem aangewezen werkzaamheden voor ten hoogste drie maanden worden gestaakt dan wel niet mogen worden aangevangen., is van overeenkomstige toepassing. 2 Indien een waarschuwing als bedoeld in het eerste lid is gegeven en herhaling van de overtreding of een latere overtreding als bedoeld in het eerste lid is geconstateerd, kan door de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, aan de werkgever bij beschikking een bevel als bedoeld in het eerste lid worden opgelegd dat wordt opgevolgd met ingang van het in de beschikking aangeven tijdstip. Deze beschikking wordt niet gegeven zolang wegens de eerste overtreding, bedoeld in het eerste lid, nog niet een bestuurlijke boete is opgelegd. 3 De constatering van de overtreding, bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt vastgelegd in een boeterapport. 4 De waarschuwing, bedoeld in het eerste lid, vervalt indien na de dagtekening van de waarschuwing vijf jaren zijn verstreken. 5 De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, is bevoegd met betrekking tot het bevel, bedoeld in het tweede lid, met inbegrip van de oplegging van een last onder bestuursdwang, de nodige maatregelen te treffen, de nodige aanwijzingen te geven en de hulp van de sterke arm in te roepen. 6 Ieder wie zulks aangaat is verplicht zich te gedragen overeenkomstig een bevel als bedoeld in het tweede lid en een maatregel of aanwijzing als bedoeld in het vijfde lid. 7 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid. 2017 484 15-12-2017 29-11-2017 34766 2017 485 15-12-2017 06-12-2017 01-01-2018
Artikel 18j — Artikel 18j#
Artikel 18j Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 18k — Artikel 18k#
Artikel 18k Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 18l — Artikel 18l#
Artikel 18l Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 18m — Artikel 18m#
Artikel 18m Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 18n — Artikel 18n#
Artikel 18n 1 artikel 7 hoofdstuk II artikel 13 artikelen 15 16 Een daartoe door Onze Minister aangewezen onder hem ressorterende ambtenaar kan een werkgever die de op hem op grond vanrustende verplichting aangaande het voldoen van hetgeen inis aangeduid als minimumloon niet of onvoldoende nakomt, een werkgever die inhoudt op of verrekent met het minimumloon in strijd met, alsmede een werkgever die de op hem op grond van deofrustende verplichting niet of onvoldoende nakomt, een last onder dwangsom opleggen. 2 De last onder dwangsom kan voor ten hoogste een periode van 2 jaar gelden. 3 Onze Minister stelt beleidsregels vast omtrent de last onder dwangsom. 2021 627 20-12-2021 15-12-2021 35897 2021 628 20-12-2021 15-12-2021 01-01-2022
Artikel 18o — Artikel 18o#
Artikel 18o Indien een dwangsom ten onrechte is ingevorderd, wordt de betaalde geldsom, vermeerderd met de wettelijke rente, binnen 6 weken nadat is vastgesteld dat de dwangsom ten onrechte is ingevorderd, aan de rechthebbende terugbetaald. 2007 98 20-03-2007 05-03-2007 30678 2007 157 03-05-2007 01-05-2007 04-05-2007
Artikel 18p — Artikel 18p#
Artikel 18p 1 artikel 18a, eerste en tweede lid Bestuursorganen zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht desgevraagd aan Onze Minister en de ambtenaren, bedoeld in, kosteloos alle gegevens en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering en het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet en dit noodzakelijk is ten behoeve van een samenwerkingsverband tussen twee of meer van de voornoemde instanties. 2 artikel 18a, eerste en tweede lid Onze Minister en de ambtenaren, bedoeld in, verstrekken andere bestuursorganen kosteloos alle gegevens en inlichtingen, die zijn verkregen door de uitvoering of het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, welke noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun wettelijke taak en dit noodzakelijk is ten behoeve van een samenwerkingsverband tussen twee of meer van de voornoemde instanties. 3 artikel 18a, eerste en tweede lid Onze Minister, bestuursorganen en de ambtenaren, bedoeld in, kunnen bij het verwerken van persoonsgegevens gebruik maken van het burgerservicenummer. 4 De gegevensverstrekking, bedoeld in het eerste en tweede lid, vindt niet plaats indien de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene daardoor onevenredig wordt geschaad. 5 artikel 18a, eerste lid artikelen 7 7a 13 13a 15 16 18b, tweede lid De door Onze Minister aangewezen ambtenaren, bedoeld in, kunnen kosteloos aan een naar het oordeel van Onze Minister in aanmerking komende rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die door de organisaties van werkgevers en werknemers is belast of mede is belast met het toezicht op de naleving van collectieve arbeidsovereenkomsten gegevens verstrekken omtrent opgelegde bestuurlijke boeten voor het niet naleven van de,,,,,of, van deze wet. 6 Indien aan een werkgever een boete is opgelegd worden de daarvoor in aanmerking komende verenigingen van werknemers en werkgevers daarvan in kennis gesteld. 7 artikel 18a, eerste en tweede lid artikel 14b, vijfde lid, van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs De ambtenaren, bedoeld in, kunnen aan de daarvoor in aanmerking komende organisaties van werknemers en werkgevers, aan een naar het oordeel van Onze Minister in aanmerking komende rechtspersoon, bedoeld in het vijfde lid, of de stichting, bedoeld in, de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gegevens verstrekken, indien deze informatie bij de uitvoering van het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt verkregen, die noodzakelijk is voor het toezicht op de collectieve arbeidsovereenkomst door die organisaties of rechtspersoon of voor de beoordeling van de geldigheid van een door de certificerende instelling afgegeven certificaat. 8 artikel 12a Indien naar aanleiding van onderzoek naar de naleving van deze wet wordt vermoed dat de berekening van de tijd, bedoeld in, ten aanzien van de uitvoering van de desbetreffende specifieke werkzaamheden niet de tijd is, die redelijkerwijs met de uitvoering van de te verrichten arbeid is gemoeid, verstrekt Onze Minister een verslag aan de Stichting van de Arbeid. Het verslag bevat geen gegevens waaruit de identiteit van de in het onderzoek betrokken werknemers kan worden afgeleid. 9 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de gevallen waarin en de wijze waarop in ieder geval gegevens worden verstrekt. 2021 627 20-12-2021 15-12-2021 35897 2021 628 20-12-2021 15-12-2021 01-01-2022
Artikel 18pa — Artikel 18pa#
Artikel 18pa 1 artikel 18a, eerste en tweede lid 18c, eerste lid artikel 18b, eerste en tweede lid artikel 18i, tweede lid De door Onze Minister aangewezen ambtenaren, bedoeld in, of, maken het feit dat een bestuurlijke boete is opgelegd wegens overtreding van deze wet als bedoeld in, dat een besluit is genomen als bedoeld in, of dat na een afgerond onderzoek geen overtreding is geconstateerd openbaar teneinde de naleving van deze wet te bevorderen en inzicht te geven in het uitvoeren van het toezicht op grond van deze wet. 2 artikel 5.1, eerste lid, onderdelen c, d en e, en tweede lid, onderdeel f, van de Wet open overheid Bij de openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, isvan overeenkomstige toepassing. 3 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de openbaar te maken gegevens, waaronder de mogelijke reactie van een belanghebbende in verband met de openbaarmaking van zijn gegevens, de termijn waarop deze gegevens beschikbaar worden gesteld en de wijze waarop de openbaarmaking plaatsvindt. 4 artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht Indien geen overtreding is geconstateerd als bedoeld in het eerste lid, is op dat besluit tot openbaarmakingniet van toepassing. 5 De openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, geschiedt niet eerder dan nadat tien werkdagen zijn verstreken na de dag waarop het besluit aan belanghebbende bekend is gemaakt. 6 artikel 18i, tweede lid Bij de openbaarmaking wordt vermeld of tegen een besluit tot oplegging van een bestuurlijke boete of een besluit als bedoeld in, een rechtsmiddel is ingesteld dan wel of daartoe de mogelijkheid bestaat. 7 artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht Indien wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in, wordt de openbaarmaking opgeschort totdat de voorzieningenrechter een uitspraak heeft gedaan. 8 Indien de openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, in strijd is of zou kunnen komen met het doel van het toezicht op de naleving van deze wet dat door de door Onze Minister aangewezen ambtenaren wordt uitgeoefend, blijft openbaarmaking achterwege. 2021 499 27-10-2021 25-10-2021 33328 2021 500 27-10-2021 25-10-2021 35112 2021 499 27-10-2021 25-10-2021 33328 01-05-2022
Artikel 18q — Artikel 18q#
Artikel 18q artikelen 18c, eerste lid 18i, eerste lid 18n, eerste lid 18pa, eerste lid Een beschikking op grond van deze wet van de ambtenaar, bedoeld in de,,, en, wordt genomen namens Onze Minister. 2015 464 10-12-2015 25-11-2015 34273 2015 465 10-12-2015 02-12-2015 11-12-2015 01-07-2015
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 Bedingen, die strijdig zijn met het bij of krachtens deze wet bepaalde, zijn nietig. 1968 657 27-11-1968 1968 657 27-11-1968 23-02-1969
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 Hoofdstuk III Ieder vorderingsrecht tot betaling van vakantiebijslag als bedoeld inverjaart na verloop van vijf jaren na het tijdstip, waarop de uitbetaling had moeten geschieden. 2009 318 27-07-2009 02-07-2009 31811 2009 319 27-07-2009 18-07-2009 01-08-2009
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 Vervallen 2007 98 20-03-2007 05-03-2007 30678 2007 157 03-05-2007 01-05-2007 04-05-2007
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 Vervallen 2007 98 20-03-2007 05-03-2007 30678 2007 157 03-05-2007 01-05-2007 04-05-2007
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 Vervallen 2007 98 20-03-2007 05-03-2007 30678 2007 157 03-05-2007 01-05-2007 04-05-2007
Artikel 23a — Artikel 23a#
Artikel 23a Vervallen 2011 27 10-02-2011 27-01-2011 32486 2011 27 10-02-2011 27-01-2011 32486 11-02-2011
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 Deze wet kan worden aangehaald als: Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. 1968 657 27-11-1968 1968 657 27-11-1968 23-02-1969
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 Staatsblad Deze wet treedt in werking met ingang van de tiende kalenderweek na de datum van uitgifte van hetwaarin zij wordt geplaatst. 1968 657 27-11-1968 1968 657 27-11-1968 23-02-1969