Wet van 1 mei 1970, houdende regeling betreffende de Mijnraad
- BWB-id
- BWBR0002707
- Type
- Wet
- Ministerie
- Economische Zaken
- Geldigheid
- 1997-02-21 t/m 2002-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0002707
- ELI
- /eli/nl/wet/1970/wet-houdende-regeling-betreffende-de-mijnraad
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1970/wet-houdende-regeling-betreffende-de-mijnraad/1997-02-21
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0002707&g=1997-02-21
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0002707&z=2026-06-06&g=1997-02-21
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0002707/1997-02-21
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1970/wet-houdende-regeling-betreffende-de-mijnraad
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: delfstoffen: Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken. a. Bulletin des Lois met betrekking tot het gebied, waarop de wet van 21 april 1810 (285) van toepassing is, delfstoffen als bedoeld in artikel 2 van die wet; b. artikel 1, eerste lid, van de Mijnwet continentaal plat Stb. met betrekking tot het continentaal plat als bedoeld in(1965, 428) delfstoffen als in dat lid bedoeld; 1970 196 01-05-1970 10331 1970 196 01-05-1970 10331 18-05-1970
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Er is een Mijnraad. Deze heeft zijn zetel te 's-Gravenhage. 2 De Mijnraad heeft tot taak Onze Minister in de bij wet bepaalde gevallen of desgevraagd te adviseren over door Onze Minister te geven beschikkingen, voor zover deze betrekking hebben op de opsporing of winning van delfstoffen. De Mijnraad heeft voorts tot taak Onze Minister desgevraagd de inlichtingen te verstrekken die nodig zijn voor de beoordeling van de uitvoerbaarheid van voorgenomen wettelijke voorschriften en algemene beleidsvoornemens, voor zover deze betrekking hebben op de opsporing of winning van delfstoffen. 3 De raad brengt jaarlijks aan Onze Minister verslag uit omtrent zijn werkzaamheden. 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 21-02-1997 01-01-1997 Werkt terug tot en met 1 januari 1997.
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 De Mijnraad bestaat uit ten hoogste tien leden, die telkens voor vier jaar door Ons worden benoemd. 2 Hij, die tot lid is benoemd ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats, treedt af op het tijdstip, waarop degene, in wiens plaats hij is benoemd, moest aftreden. 3 De voorzitter wordt door Ons uit de leden van de raad aangewezen. 4 De raad wijst uit zijn midden een plaatsvervangend voorzitter aan. 1970 196 01-05-1970 10331 1970 196 01-05-1970 10331 18-05-1970
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 De Mijnraad heeft een secretariaat, dat bestaat uit een of meer door Onze Minister aan te wijzen personen. 1970 196 01-05-1970 10331 1970 196 01-05-1970 10331 18-05-1970
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Onze Minister kan zich al dan niet op verzoek van de Mijnraad in diens vergaderingen door een of meer door hem aan te wijzen ambtenaren laten vertegenwoordigen. 1970 196 01-05-1970 10331 1970 196 01-05-1970 10331 18-05-1970
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 De leden van de Mijnraad onthouden zich van medestemmen over een advies, indien dit een zaak betreft, waarbij zij persoonlijk belang hebben. 1970 196 01-05-1970 10331 1970 196 01-05-1970 10331 18-05-1970
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 Vervallen 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 De Mijnraad stelt tot regeling van zijn werkzaamheden een reglement van orde vast. 2 Het in het eerste lid bedoelde reglement, alsmede de daarin aangebrachte wijzigingen, treden niet in werking, dan nadat zij door Onze Minister zijn goedgekeurd. 1970 196 01-05-1970 10331 1970 196 01-05-1970 10331 18-05-1970
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 Stb. Stb. De leden van de Mijnraad, die op grond van het Koninklijk besluit van 24 april 1967 (246), houdende een voorlopige nieuwe regeling betreffende de Mijnraad en intrekking van het Koninklijk besluit van 25 april 1913 (139), betreffende het Staatsmijnbedrijf in Limburg en de Mijnraad, zijn benoemd en op het tijdstip van het in werking treden van deze wet in de raad zitting hebben, blijven lid van de raad tot het tijdstip, waarop de termijn, waarvoor zij krachtens dat besluit zijn benoemd, is verstreken. 2 artikel 3, derde lid Het op grond van het in het eerste lid bedoelde besluit als voorzitter aangewezen lid wordt geacht krachtens, als voorzitter te zijn aangewezen. 1970 196 01-05-1970 10331 1970 196 01-05-1970 10331 18-05-1970
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Deze wet treedt in werking met ingang van 18 mei 1970. 1970 196 01-05-1970 10331 1970 196 01-05-1970 10331 18-05-1970