Wet van 13 november 1969, houdende regelen omtrent de verontreiniging van oppervlaktewateren
- BWB-id
- BWBR0002682
- Type
- Wet
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- 2009-12-03 t/m 2009-12-21
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0002682
- ELI
- /eli/nl/wet/1970/wet-verontreiniging-oppervlaktewateren
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1970/wet-verontreiniging-oppervlaktewateren/2009-12-03
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0002682&g=2009-12-03
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0002682&z=2026-06-06&g=2009-12-03
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0002682/2009-12-03
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1970/wet-verontreiniging-oppervlaktewateren
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 Het is verboden zonder vergunning met behulp van een werk afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, in welke vorm ook, te brengen in oppervlaktewateren. 2 artikel 10.30, eerste lid, van de Wet milieubeheer artikel 15a Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor een lozing met behulp van een werk dat op een ander werk is aangesloten. Deze uitzondering geldt niet voor lozingen waarbij door Ons bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen stoffen in oppervlaktewateren worden gebracht en voor lozingen vanuit door Ons bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen soorten van inrichtingen, voor lozingen van ten minste een door Ons bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid verontreinigende stoffen of afvalwater, alsmede voor lozingen met behulp van een werk, niet zijnde een voorziening als bedoeld in, dat is aangesloten op een inrichting voor het zuiveren van afvalwater, in beheer bij een waterschap of gemeente of in exploitatie bij een rechtspersoon die door het bestuur van een waterschap is belast met de zuivering van stedelijk afvalwater als bedoeld in. 3 artikel 3, tweede lid Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur bepalen dat het zonder vergunning verboden is de in het eerste lid bedoelde stoffen op andere wijze dan met behulp van een werk in oppervlaktewateren te brengen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen Wij mede bepalen dat ten aanzien van alle of van bepaalde oppervlaktewateren het brengen op welke wijze ook van daarbij aan te geven soorten van stoffen als bedoeld in het eerste lid in oppervlaktewateren is verboden. Voorzover hierin door Ons niet bij algemene maatregel van bestuur is voorzien, kunnen provinciale staten bij verordening bepalen dat het zonder vergunning verboden is de in het eerste lid bedoelde stoffen op andere wijze dan met behulp van een werk te brengen in oppervlaktewateren, als bedoeld in. 4 Het is verboden zonder vergunning van of vanwege Onze Minister van Verkeer en Waterstaat stoffen als bedoeld in het eerste lid met behulp van een werk vanaf of over het grondgebied van Nederland in het water van de volle zee te brengen. 5 a artikel 1 Aan een vergunning worden voorschriften verbonden tot bescherming van de belangen, waarvoor het vereiste van vergunning is gesteld. De voorschriften kunnen mede strekken tot bescherming van het belang van een doelmatige werking van het betrokken zuiveringstechnische werk. Bij het stellen van de voorschriften worden de op grond vanvan toepassing zijnde grenswaarden in acht genomen. 6 artikelen 5 en 9 van de Wet op de waterhuishouding Bij het verlenen, wijzigen of intrekken van een vergunning, als bedoeld in het eerste en derde lid, wordt rekening gehouden met de in debedoelde beheersplannen. 2005 532 01-11-2005 06-10-2005 29316 2005 533 01-11-2005 20-10-2005 08-03-2006
Artikel 1a — Artikel 1a#
Artikel 1a 1 Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur ten aanzien van daarbij aan te wijzen stoffen grenswaarden vaststellen voor het brengen van die stoffen in oppervlaktewateren, alsmede regels vaststellen ten aanzien van de wijze van meten van die stoffen. Deze grenswaarden kunnen met name betrekking hebben op: a. de hoogst toelaatbare concentratie van die stoffen, en b. de hoogst toelaatbare gewichtshoeveelheid van die stoffen per in die algemene maatregel van bestuur aan te geven eenheid. 2 Bij de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt ten aanzien van iedere grenswaarde een termijn vastgesteld na het verstrijken waarvan die grenswaarde van toepassing is op het brengen in oppervlaktewateren van stoffen, waarvoor op het tijdstip van het in werking treden van die maatregel een vergunning van kracht is. 3 Staatsblad In afwijking van het eerste en het tweede lid geschiedt de vaststelling van grenswaarden, regels inzake metingen van stoffen en termijnen ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend regeling van een volkenrechtelijke organisatie door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij in hetbekend te maken regeling. 4 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 3:12, eerste lid Op de voorbereiding van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid, isvan toepassing. De terinzagelegging van de stukken geschiedt op het ministerie van elk van beide ministers. Van de kennisgeving, bedoeld in, van genoemde wet, wordt onverwijld mededeling gedaan aan de Staten-Generaal. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 1b — Artikel 1b#
Artikel 1b artikel 1, eerste lid a artikel 1 Het is verboden bij het in oppervlaktewateren brengen van de in, bedoelde stoffen een op grond vanvan toepassing zijnde grenswaarde te overschrijden. 1981 414 24-06-1981 14963 1981 724 03-12-1981 01-01-1982
Artikel 1c — Artikel 1c#
Artikel 1c artikel 21.6, tweede en vierde tot en met zevende lid, van de Wet milieubeheer Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur ter bescherming van bijzondere levensgemeenschappen of soorten voor daarbij aan te wijzen typen watersystemen bijzondere eisen stellen ten aanzien van de kwaliteit van die watersystemen vanaf een daarbij te bepalen tijdstip. De artikelen 5.1, tweede tot en met vijfde lid, en 5.2 tot en met 5.4, alsmedezijn van overeenkomstige toepassing. Voor de toepassing van artikel 21.6, zesde lid, van die wet wordt een maatregel als bedoeld in de eerste volzin, gelijkgesteld met een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 5.1, eerste lid, van die wet. 1992 415 02-07-1992 21163 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 1d — Artikel 1d#
Artikel 1d Het is verboden afvalstoffen waarop de verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU L 190) van toepassing is, binnen Nederlands grondgebied te brengen, indien dat naar het oordeel van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in strijd zou zijn met het belang van de bescherming van het milieu. 2007 248 10-07-2007 21-06-2007 30987 2007 249 10-07-2007 02-07-2007 12-07-2007
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Vervallen 2002 102 26-02-2002 30-01-2002 27615 2002 255 04-06-2002 16-05-2002 27615 01-07-2002 Artikelen 17, 18, 20, 21, 22, 23 en 25 werken terug tot en met 1
januari 2002.
Artikel 2a — Artikel 2a#
Artikel 2a 1 Artikel 8.40, tweede lid, van de Wet milieubeheer artikelen 8.11, derde lid 8.12 8.13 8.15 8.16 8.22, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het brengen in oppervlaktewater van daarbij aangewezen afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen met behulp van een werk of op een andere daarbij aangegeven wijze, regels worden gesteld, die nodig zijn ter bescherming van het oppervlaktewater tegen verontreiniging, dan wel met het oog op een doelmatige werking van de betrokken zuiveringstechnische werken. Bij of krachtens de maatregel kan worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.is van overeenkomstige toepassing. Ten aanzien van bij de regels te stellen voorschriften zijn de,,,,envan overeenkomstige toepassing. 2 artikel 1 artikel 1, eerste lid Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens het eerste lid kan worden bepaald dat de bij of krachtensgestelde verboden niet gelden met betrekking tot het brengen van stoffen als bedoeld in, in het oppervlaktewater in gevallen, behorende tot een bij die maatregel aangewezen categorie, behoudens voor zover het betreft lozingen vanuit inrichtingen die behoren tot een categorie als bedoeld in bijlage I van de richtlijn nr. 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PbEU L 24). 3 In afwijking van het eerste lid stellen Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tezamen, regels als bedoeld in het eerste lid vast bij ministeriële regeling indien zij uitsluitend strekken ter uitvoering van een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, tenzij voor een juiste uitvoering wijziging van een algemene maatregel van bestuur of de wet noodzakelijk is. Indien wijziging van een algemene maatregel van bestuur noodzakelijk is, wordt daarvan, gelijktijdig met de voordracht aan Ons, gemotiveerd kennis gegeven aan de Staten-Generaal, onder vermelding van de korte inhoud van de voorgenomen algemene maatregel van bestuur. 2009 297 14-07-2009 25-06-2009 31750 2009 297 14-07-2009 25-06-2009 31750 15-07-2009
Artikel 2b — Artikel 2b#
Artikel 2b 1 artikel 2a, eerste lid artikel 2a, tweede lid Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens, waarbij toepassing is gegeven aan, kan de verplichting worden opgelegd het betrokken brengen van stoffen in het oppervlaktewater of het brengen van verandering daarin te melden. Bij die maatregel kan worden bepaald dat de verplichting slechts geldt in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. 2 In gevallen als bedoeld in het eerste lid wordt bij de maatregel aangegeven: a. het bestuursorgaan waaraan de melding wordt gericht; b. het tijdstip, voorafgaand aan het betrokken brengen van stoffen in het oppervlaktewater of het brengen van verandering daarin, waarop de melding uiterlijk moet zijn gedaan; c. de gegevens die bij de melding moeten worden verstrekt. 3 c Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan nadere regels stellen met betrekking tot de in het tweede lid, onder, bedoelde gegevens en de wijze waarop zij moeten worden verstrekt. 4 Bij de maatregel kan worden bepaald dat van de melding openbaar wordt kennisgegeven op de daarbij aangegeven wijze. 2006 606 05-12-2006 22-11-2006 30483 2007 472 04-12-2007 26-11-2007 01-01-2008
Artikel 2c — Artikel 2c#
Artikel 2c 1 artikel 2a artikel 2a, tweede lid artikel 1 Bij een algemene maatregel van bestuur krachtenskan - behoudens in gevallen waarin toepassing is gegeven aan- worden bepaald dat het orgaan dat bevoegd is een vergunning krachtenste verlenen, bij het verlenen of wijzigen van de vergunning met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen in de beperkingen waaronder de vergunning wordt verleend, of in de daaraan verbonden voorschriften van bij de maatregel gestelde regels kan afwijken. In dat geval wordt aangegeven in hoeverre het bevoegd gezag van de regels kan afwijken. Bij de maatregel kan tevens worden bepaald dat de bevoegdheid tot afwijken slechts geldt in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. 2 artikel 2a Bij een algemene maatregel van bestuur krachtenskan de verplichting worden opgelegd te voldoen aan nadere eisen met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen. Daarbij kan worden bepaald dat de bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen slechts geldt in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. Bij de maatregel wordt het bestuursorgaan aangegeven, dat die eisen kan stellen. Een nadere eis kan worden gesteld als beperking waaronder de vergunning wordt verleend, of als voorschrift dat daaraan wordt verbonden. Bij de maatregel worden de categorieën van gevallen aangegeven, waarin - voor zover dat niet gebeurt - van de beschikking waarbij de nadere eis wordt gesteld, mededeling wordt gedaan in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen. 3 artikel 2a artikel 12a, tweede tot en met vijfde lid, van de Wet bodembescherming Op een algemene maatregel van bestuur krachtensmet betrekking tot het in oppervlaktewater brengen van grond en baggerspecie isvan overeenkomstige toepassing. 4 artikel 2a artikel 8.42 van de Wet milieubeheer Op een algemene maatregel van bestuur krachtensisvan overeenkomstige toepassing. 5 artikel 2a Bij een algemene maatregel van bestuur krachtensworden regels gesteld met betrekking tot hetgeen in verband met het gaan gelden van de maatregel regeling behoeft. 2008 197 12-06-2008 29-05-2008 31295 2008 197 12-06-2008 29-05-2008 31295 13-06-2008
Artikel 2d — Artikel 2d#
Artikel 2d 1 artikel 1 Artikel 8.40, tweede lid, van de Wet milieubeheer artikelen 8.11 8.12 8.13 8.15 8.16 8.22, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld, inhoudende de verplichting voor het orgaan dat bevoegd is een vergunning krachtenste verlenen, beperkingen of voorschriften, die nodig zijn ter bescherming van het oppervlaktewater tegen verontreiniging, dan wel met het oog op een doelmatige werking van de betrokken zuiveringstechnische werken, en waarvan de inhoud in die maatregel is aangegeven, aan te brengen onderscheidenlijk te verbinden aan de vergunningen voor het brengen van bij de maatregel aangewezen afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in het oppervlaktewater. Bij de maatregel kan worden bepaald dat de daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.is van overeenkomstige toepassing. Ten aanzien van bij de regels te stellen voorschriften zijn de, derde lid,,,,envan overeenkomstige toepassing. 2 Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens het eerste lid wordt bepaald in hoeverre het in het eerste lid bedoelde orgaan met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen van bij de maatregel gestelde regels kan afwijken of nadere eisen kan stellen. Daarbij kan worden bepaald dat de bevoegdheid tot afwijken of tot het stellen van nadere eisen slechts geldt in bij de maatregel aangegeven categorieën van gevallen. 3 Bij de maatregel wordt voor de daarbij opgelegde verplichtingen het tijdstip aangegeven, waarop zij met betrekking tot de al verleende vergunningen moeten zijn uitgevoerd. 4 a Artikel 2, derde lid , is van overeenkomstige toepassing. 1992 414 02-07-1992 21087 1993 31 23-12-1992 22672 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 2e — Artikel 2e#
Artikel 2e 1 artikel 1.2 van de Wet milieubeheer artikel 1 Bij de provinciale milieuverordening, bedoeld in, kunnen regels worden gesteld inhoudende de verplichting voor het orgaan dat bevoegd is een vergunning krachtenste verlenen, beperkingen of voorschriften, die nodig zijn ter bescherming van het oppervlaktewater tegen verontreiniging, dan wel met het oog op een doelmatige werking van de betrokken zuiveringstechnische werken, en waarvan de inhoud in die verordening is aangegeven, aan te brengen onderscheidenlijk te verbinden aan de vergunningen voor het brengen van bij de verordening aangewezen afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in het oppervlaktewater. Bij de verordening kan worden bepaald dat de daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangewezen categorieën van gevallen. 2 Regels als bedoeld in het eerste lid kunnen niet betrekking hebben op beslissingen inzake vergunningen ten aanzien waarvan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat het bevoegd gezag is. 3 d Artikel 2, eerste lid , laatste volzin, en tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. 1992 415 02-07-1992 21163 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 2f — Artikel 2f#
Artikel 2f 1 Bij algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot het vanaf schepen of drijvende werktuigen brengen van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in oppervlaktewater regels gesteld die nodig zijn ter bescherming van het oppervlaktewater tegen verontreiniging. 2 Bij de in het eerste lid bedoelde maatregel kan worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. 3 Tot de in het eerste lid bedoelde regels behoren in elk geval regels, inhoudende: a. een verbod afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in oppervlaktewateren te brengen dan wel schepen te laden of te lossen of daaraan medewerking te geven, indien daarbij niet wordt voldaan aan de bij de maatregel gestelde eisen; b. de vaststelling van een losstandaard die ten minste is vereist bij het ter beschikking stellen van schepen voor het vervoer van zaken; c. administratieve verplichtingen in verband met het bepaalde in onderdeel a. 4 Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan het model worden vastgesteld van een formulier met betrekking waartoe een verplichting als bedoeld in het derde lid, onderdeel c, van kracht is. 1998 687 22-12-1998 26-11-1998 25851 2009 491 01-12-2009 23-11-2009 03-12-2009
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 artikel 1, eerste en derde lid Ten aanzien van oppervlaktewateren in beheer bij het Rijk, de territoriale wateren hieronder begrepen, wordt voorzover die oppervlaktewateren niet bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als in het tweede lid bedoeld zijn aangewezen, een vergunning als inbedoeld verleend, geweigerd, gewijzigd of ingetrokken door of vanwege Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden tot de oppervlaktewateren in beheer bij het Rijk mede gerekend de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen door anderen beheerde oppervlaktewateren die met de oppervlaktewateren in beheer bij het Rijk in open verbinding staan. Over een voordracht voor een zodanige algemene maatregel van bestuur stelt Onze Minister de besturen van de waterschappen die het bevoegde gezag zijn voor de betrokken oppervlaktewateren in de gelegenheid hun oordeel te geven. 2 artikel 1, eerste en derde lid Ten aanzien van andere dan de in het eerste lid bedoelde oppervlaktewateren, alsmede ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde oppervlaktewateren welke daartoe na overleg met gedeputeerde staten bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, wordt een vergunning als bedoeld in, verleend, geweigerd, gewijzigd of ingetrokken door de besturen van de waterschappen waarbij die oppervlaktewateren in beheer zijn onderscheidenlijk door de besturen van de waterschappen in het gebied waarvan de bij die algemene maatregel van bestuur aangewezen oppervlaktewateren zijn gelegen. 3 artikel 1, tweede lid artikel 1, eerste lid Ten aanzien van een lozing in de zin van, waarvoor een vergunning als bedoeld in, is vereist, wordt die vergunning verleend, geweigerd, gewijzigd of ingetrokken: – indien de lozing plaats vindt na zuivering in een inrichting in beheer bij een waterschap: door het bestuur van dat waterschap dan wel , indien dat waterschap door een ander waterschap met die zuivering is belast, door het bestuur van dat andere waterschap na overleg met het bestuur van eerstbedoeld waterschap – indien de lozing plaats vindt na zuivering in een inrichting in exploitatie bij een rechtspersoon, die door het bestuur van een waterschap met die zuivering is belast: door het bestuur van dat waterschap – indien de lozing plaats vindt na zuivering in een inrichting buiten de hiervoor bedoelde gevallen: door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat onderscheidenlijk het bestuur van het waterschap als het ingevolge het eerste onderscheidenlijk tweede lid voor het ontvangende oppervlaktewater bevoegde gezag. 2002 102 26-02-2002 30-01-2002 27615 2002 255 04-06-2002 16-05-2002 27615 01-07-2002 Artikelen 17, 18, 20, 21, 22, 23 en 25 werken terug tot en met 1
januari 2002.
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 artikel 3, eerste lid Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regelen vastgesteld met betrekking tot het onderwerp dezer wet voor de in, bedoelde oppervlaktewateren, alsmede voor de volle zee. 1992 415 02-07-1992 21163 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 artikel 3, tweede lid Provinciale staten stellen met betrekking tot het onderwerp dezer wet verordeningen vast voor de inbedoelde oppervlaktewateren. In die verordeningen geven provinciale staten onder meer regelen met betrekking tot de doelmatige samenwerking op chemisch en technisch gebied. Daarbij wordt rekening gehouden met de mogelijkheid tot inschakeling van het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling. 2 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Op de voorbereiding van een verordening als bedoeld in het eerste lid, isvan toepassing. 3 De verordeningen bedoeld in het eerste lid behoeven de goedkeuring van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. De beslissing omtrent de goedkeuring wordt genomen in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 Vervallen 2002 102 26-02-2002 30-01-2002 27615 2002 255 04-06-2002 16-05-2002 27615 01-07-2002 Artikelen 17, 18, 20, 21, 22, 23 en 25 werken terug tot en met 1
januari 2002.
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 artikel 1, eerste of vierde lid artikel 1, derde lid, eerste volzin afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer Op de voorbereiding van een beschikking op een aanvraag om verlening van een vergunning krachtens, of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in, voorzover dit bij die maatregel is bepaald, zijnenvan toepassing. 2 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer In afwijking van het eerste lid zijnenniet van toepassing, indien de beschikking betrekking heeft op afvalwater van huishoudelijke aard, waarvan met betrekking tot de vervuiling met zuurstofbindende stoffen de vervuilingswaarde geringer is dan honderd vervuilingseenheden, tenzij dat afvalwater wordt gebracht in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen oppervlaktewateren. 3 Een vervuilingseenheid vertegenwoordigt het verbruik van 54,8 kilogram zuurstof per kalenderjaar. 4 Het orgaan dat bevoegd is de beschikking op de aanvrage te geven, stelt de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bestuursorganen in de gelegenheid hem van advies te dienen omtrent het ontwerp van de beschikking. 5 artikelen 8.8 tot en met 8.13 8.15 tot en met 8.20 8.21 8.22 8.27 21.1 van de Wet milieubeheer artikel 31a De,,, voor zover het gevallen betreft waaropniet van toepassing is,,enzijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een vergunning als bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat voor die toepassing onder "Onze Minister" wordt verstaan: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. 6 artikel 1 artikel 8.40 van de Wet milieubeheer In gevallen waarin een vergunning krachtens deze wet wordt aangevraagd voor het brengen in het oppervlaktewater van stoffen als bedoeld in, vanuit een inrichting met betrekking waartoe een algemene maatregel van bestuur geldt, vastgesteld krachtens, draagt het bevoegd gezag er bij de beslissing op de aanvrage zorg voor dat er geen strijd ontstaat met bij die maatregel gestelde regels. 2009 199 01-05-2009 29-04-2009 31515 2009 199 01-05-2009 29-04-2009 31515 02-05-2009
Artikel 7a — Artikel 7a#
Artikel 7a 1 afdeling 8.1.2 van de Wet milieubeheer Met betrekking tot het wijzigen en intrekken van een vergunning isvan overeenkomstige toepassing. 2 artikel 8.25, achtste lid, van de Wet milieubeheer afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald datvan toepassing is in plaats vanen. 3 artikel 7, vierde lid De krachtens, aangewezen bestuursorganen worden in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen met betrekking tot het wijzigen en intrekken van een vergunning. 4 artikel 8.27 van de Wet milieubeheer Met betrekking tot het wijzigen en intrekken van een vergunning isvan overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor die toepassing onder "Onze Minister" wordt verstaan: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 7b — Artikel 7b#
Artikel 7b 1 artikel 1, eerste, derde of vierde lid artikel 8.28 van de Wet milieubeheer Kernenergiewet De aanvrage om verlening of wijziging van een vergunning krachtens, wordt in een geval als bedoeld indan wel in dejuncto dat artikel, ingediend tegelijk met de aanvraag om een vergunning krachtens de betrokken wet. 2 hoofdstuk 14 van de Wet milieubeheer Kernenergiewet artikel 14.3, tweede lid, van de Wet milieubeheer In een geval als bedoeld in het eerste lid wordt de aanvrage overeenkomstiggecoördineerd voorbereid en behandeld met de betrokken aanvraag om een vergunning krachtens die wet of de. Daarbij worden in ieder geval de ingenoemde handelingen gelijktijdig verricht. 3 In een geval als bedoeld in het eerste lid wordt de aanvraag in ieder geval buiten behandeling gelaten, indien: a. Wet milieubeheer Kernenergiewet de aanvraag om verlening of wijziging van een vergunning krachtens deof deniet is ingediend binnen zes weken na het tijdstip waarop de aanvrage om verlening of wijziging van de vergunning krachtens deze wet is ingediend; b. Wet milieubeheer Kernenergiewet de aanvraag om verlening of wijziging van de vergunning krachtens deof debuiten behandeling wordt gelaten. 4 artikel 3:18, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht In een geval als bedoeld in het eerste lid brengt het orgaan dat krachtens de betrokken wet bevoegd is op de aanvraag om vergunning te beslissen, binnen acht weken na ontvangst van de aanvrage krachtens deze wet advies uit met het oog op de samenhang tussen de beschikkingen op de onderscheidene aanvragen om een vergunning. Dat orgaan wordt voorts in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvrage. In een geval als bedoeld inkan het orgaan, dat krachtens deze wet bevoegd is de beschikking op de aanvrage te geven, besluiten de in de eerste volzin bedoelde termijn met een bij zijn besluit te bepalen redelijke termijn te verlengen. 5 Wet milieubeheer Indien in een geval als bedoeld in het eerste lid in de vergunning krachtens deovereenkomstig artikel 8.17 van die wet een bepaling is opgenomen over de termijn waarvoor zij geldt, wordt een gelijke bepaling opgenomen in de vergunning krachtens deze wet. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 7c — Artikel 7c#
Artikel 7c 1 artikel 7a, eerste lid artikel 7b, tweede lid, vierde lid, eerste en tweede volzin, en vijfde lid Ten aanzien van een wijziging van een vergunning overeenkomstig, is, van overeenkomstige toepassing. 2 artikelen 14.3 14.4 van de Wet milieubeheer In een geval als bedoeld in het eerste lid zijn de, eerste lid, envan overeenkomstige toepassing. 3 In een geval als bedoeld in het eerste lid, dragen gedeputeerde staten er ten minste zorg voor dat de betrokken beschikkingen gezamenlijk worden bekendgemaakt en daarvan gezamenlijk mededeling wordt gedaan. 4 b artikel 7, eerste lid artikel 8.25, achtste lid, van de Wet milieubeheer Indien in een geval als bedoeld in, de betrokken andere vergunning wordt ingetrokken, kan de vergunning krachtens deze wet eveneens worden ingetrokken. Met betrekking tot de totstandkoming van de beschikking isvan overeenkomstige toepassing. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 7d — Artikel 7d#
Artikel 7d 1 artikel 7b, eerste lid artikel 2e, eerste lid In een geval als bedoeld in, waarin gedeputeerde staten of een van Onze Ministers bevoegd zijn de krachtens de betrokken wet vereiste vergunning te verlenen, kunnen gedeputeerde staten, onderscheidenlijk Onze betrokken Minister, indien dat met het oog op de samenhang tussen de beschikkingen op de onderscheidene aanvragen in het belang van de bescherming van het milieu geboden is, en zo nodig in afwijking van regels, gesteld krachtens, aan het orgaan dat krachtens deze wet bevoegd is de beschikking op de aanvrage te geven, een bindende aanwijzing geven ter zake van de inhoud van die beschikking. 2 artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht Een aanwijzing wordt gegeven binnen acht weken na de dag waarop het ontwerp van de beschikking op de aanvrage overeenkomstigter inzage is gelegd. Zij wordt niet gegeven dan na overleg met het bevoegd gezag. 3 artikel 7c, eerste lid In een geval als bedoeld in, zijn het eerste en het tweede lid van overeenkomstige toepassing. 4 De aanwijzing wordt vermeld in de beschikking van het bevoegd gezag, ter zake waarvan zij is gegeven. Een exemplaar ervan wordt gevoegd bij ieder exemplaar van die beschikking. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 7e — Artikel 7e#
Artikel 7e b artikel 7, eerste lid d artikel 7 In een geval als bedoeld in, waarin burgemeester en wethouders bevoegd zijn de krachtens de betrokken wet vereiste vergunning te verlenen, isvan overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat gedeputeerde staten op een daartoe strekkend verzoek van burgemeester en wethouders een bindende aanwijzing kunnen geven aan het orgaan dat krachtens deze wet bevoegd is de beschikking op de aanvrage te geven. 1995 186 13-04-1995 23-03-1995 23726 1995 284 30-05-1995 23-05-1995 01-06-1995
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 Indien een vergunning wordt gevraagd of indien wordt overwogen een verleende vergunning te wijzigen of in te trekken en het orgaan dat bevoegd is terzake te beslissen, het wenselijk acht, dat de handeling waartoe de vergunning is vereist of is verleend, verricht wordt in een oppervlaktewater ten aanzien waarvan een orgaan van een ander openbaar lichaam bevoegd is, wordt zij verleend, geweigerd, gewijzigd of ingetrokken na overleg tussen beide organen. 2 Indien het in het eerste lid bedoelde overleg niet tot overeenstemming leidt, wordt de aanvrage om vergunning geacht mede te zijn ingediend bij het andere daarbij betrokken openbaar lichaam. Het orgaan van dat andere openbaar lichaam beslist eveneens op de aanvrage. 1969 536 13-11-1969 7884 1970 537 05-11-1970 01-12-1970
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 Indien en voorzover blijkt dat een houder van een vergunning door wijziging of intrekking van zijn vergunning schade lijdt, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te komen, zal hem een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding worden toegekend ten laste van het openbaar lichaam, dat die beschikking in eerste aanleg heeft gegeven. Het besluit inzake de toekenning van schadevergoeding wordt genomen bij afzonderlijke beschikking. 1992 422 04-06-1992 22061 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 9a — Artikel 9a#
Artikel 9a 1 artikel 1, eerste lid Wet milieubeheer artikel 10.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer De houder van een vergunning als bedoeld in, aan wie gevaarlijke afvalstoffen in de zin van deworden afgegeven, meldt met betrekking tot elke aan hem verrichte afgifte de inbedoelde gegevens aan de krachtens dat lid aangewezen instantie. 2 artikel 10.39 van de Wet milieubeheer Het is een persoon als bedoeld in het eerste lid, verboden gevaarlijke afvalstoffen in ontvangst te nemen zonder dat hem daarbij een omschrijving en een begeleidingsbrief als bedoeld inworden verstrekt. 3 artikel 1, eerste lid Wet milieubeheer artikel 10.40 van de Wet milieubeheer De houder van een vergunning als bedoeld in, aan wie bedrijfsafvalstoffen in de zin van deworden afgegeven, meldt met betrekking tot elke aan hem verrichte afgifte de inbedoelde gegevens aan de krachtens dat lid aangewezen instantie. 4 Wet milieubeheer artikel 10.30, eerste lid, van de Wet milieubeheer De verplichtingen bedoeld in het eerste en het vierde lid, zijn niet van toepassing op gevaarlijke afvalstoffen, onderscheidenlijk bedrijfsafvalstoffen als bedoeld in de, die worden afgegeven aan een beheerder van een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater als bedoeld in, of vanuit een zodanige voorziening worden afgegeven aan een beheerder van een zuiveringstechnisch werk. Het verbod bedoeld in het derde lid, is niet van toepassing op gevaarlijke afvalstoffen die in ontvangst worden genomen door een beheerder van een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, of vanuit een zodanige voorziening door een beheerder van een zuiveringstechnisch werk. 2005 532 01-11-2005 06-10-2005 29316 2005 533 01-11-2005 20-10-2005 08-03-2006 De wijziging kan niet worden doorgevoerd.
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Vervallen 1993 414 02-07-1993 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 Vervallen 1993 414 02-07-1993 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 Vervallen 1989 285 14-06-1989 17367 1989 285 14-06-1989 17367 01-04-1990
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 Vervallen 1989 285 14-06-1989 17367 1989 285 14-06-1989 17367 01-04-1990
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 artikel 3, eerste lid Voor de oppervlaktewateren met betrekking tot welke Onze Minister van Verkeer en Waterstaat ingevolge, het bevoegde gezag is, stelt deze een inventarisatie op van het brengen in oppervlaktewateren van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen stoffen, een en ander volgens bij die maatregel te stellen regels. Deze inventarisatie wordt tenminste eens in de drie jaar herzien. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van oppervlaktewateren voor welke besturen van waterschappen het bevoegde gezag zijn, met dien verstande dat gedeputeerde staten de inventarisatie doen opstellen door die besturen en de uitkomst van die inventarisatie ter beschikking stellen van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. 2002 102 26-02-2002 30-01-2002 27615 2002 255 04-06-2002 16-05-2002 27615 01-07-2002 Artikelen 17, 18, 20, 21, 22, 23 en 25 werken terug tot en met 1
januari 2002.
Artikel 14a — Artikel 14a#
Artikel 14a 1 artikel 1, eerste lid artikel 15a Onze Minister stelt iedere twee jaar een rapport op, waarin de stand van zaken wordt beschreven met betrekking tot lozingen als bedoeld in, vanuit een inrichting voor het zuiveren van afvalwater, in beheer bij een waterschap of gemeente dan wel in exploitatie bij een rechtspersoon die door het bestuur van een waterschap is belast met de zuivering van stedelijk afvalwater als bedoeld in. 2 Staatscourant Van de vaststelling van het rapport wordt mededeling gedaan in de. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste lid. Deze regels kunnen voor openbare lichamen de verplichting inhouden jaarlijks op een daarbij aangegeven wijze gegevens te verstrekken, die voor de opstelling van het rapport nodig zijn. 2002 102 26-02-2002 30-01-2002 27615 2002 255 04-06-2002 16-05-2002 27615 01-07-2002 Artikelen 17, 18, 20, 21, 22, 23 en 25 werken terug tot en met 1
januari 2002.
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 Wij stellen bij algemene maatregel van bestuur regelen omtrent het verrichten van metingen van de waterkwaliteit in oppervlaktewateren. 1992 415 02-07-1992 21163 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 15a — Artikel 15a#
Artikel 15a 1 Zuivering van stedelijk afvalwater geschiedt in een inrichting voor de zuivering van rioolwater in beheer bij een waterschap dan wel in exploitatie bij een rechtspersoon die door het bestuur van het waterschap met die zuivering is belast. 2 artikel 10.15, eerste lid, van de Wet milieubeheer Voor het in dit artikel bepaalde wordt onder stedelijk afvalwater verstaan huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater en afvloeiend hemelwater, gebracht in een voorziening voor inzameling en transport van afvalwater, als bedoeld in, in beheer van een gemeente. 3 In afwijking van het eerste lid kunnen het bestuur van het betrokken waterschap en het bestuur van een betrokken gemeente op voorstel van één van beide besturen besluiten, dat de zuivering van daarbij aangewezen stedelijk afvalwater in die gemeente, vanaf een daarbij te bepalen tijdstip, geschiedt in een inrichting voor de zuivering van rioolwater in beheer bij die gemeente. Een besluit als bedoeld in de vorige volzin kan slechts worden genomen op grond dat zulks aantoonbaar doelmatiger is voor de zuivering van stedelijk afvalwater. 4 Het bestuur van het waterschap en het bestuur van de betrokken gemeente beslissen op een voorstel als bedoeld in het derde lid, binnen één jaar na de dag waarop het door het bestuur van de betrokken gemeente dan wel door het bestuur van het waterschap is ontvangen. Bij gebreke van overeenstemming binnen die termijn beslissen, de beide besturen gehoord, gedeputeerde staten. 2002 102 26-02-2002 30-01-2002 27615 2002 255 04-06-2002 16-05-2002 27615 01-07-2002 Artikelen 17, 18, 20, 21, 22, 23 en 25 werken terug tot en met 1
januari 2002.
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 hoofdstuk 20 van de Wet milieubeheer Beroep op de administratieve rechter staat open overeenkomstig. 2 artikel 8.28 van de Wet milieubeheer Kernenergiewet a Indien in een geval als bedoeld in, dan wel in dejuncto dat artikel, beroep is ingesteld tegen een beschikking inzake een vergunning krachtens een van die wetten, en krachtens artikel 7 of 7van deze wet een daarmee samenhangende beschikking is gegeven, kan de uitspraak in beroep ook op de laatstbedoelde beschikking betrekking hebben. 1995 250 16-05-1995 26-04-1995 23780 1995 250 16-05-1995 26-04-1995 23780 17-05-1995
Artikel 16a — Artikel 16a#
Artikel 16a Vervallen 1993 650 30-12-1993 16-12-1993 22495 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 16b — Artikel 16b#
Artikel 16b Vervallen 1993 650 30-12-1993 16-12-1993 22495 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 16c — Artikel 16c#
Artikel 16c 1 d e artikel 7of in artikel 7 Niet vatbaar voor afzonderlijk beroep is een beschikking houdende een aanwijzing als bedoeld in. 2 In afwijking van het eerste lid kan tegen een beschikking als daar bedoeld beroep worden ingesteld door het ten aanzien van de beschikking waarop de aanwijzing betrekking heeft, bevoegde gezag. Het beroep kan eerst worden ingesteld nadat de beschikking waarop de aanwijzing betrekking heeft, is gegeven. 1995 186 13-04-1995 23-03-1995 23726 1995 284 30-05-1995 23-05-1995 01-06-1995
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. de Algemene wet inzake rijksbelastingen de Algemene wet:; b. het hoofd: het hoofd van het Bureau verontreinigingsheffing rijkswateren; c. woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven; d. bedrijfsruimte: een naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte of terrein, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een riolering; e. riolering: een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater die bij een gemeente in beheer is; f. zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van afvalwater of het transport van afvalwater, niet zijnde een riolering; g. kwaliteitsbeheerder: het openbaar lichaam waarvan een orgaan bevoegd is tot vergunningverlening ingevolge deze wet; h. rijkswater: oppervlaktewater ten aanzien waarvan het Rijk kwaliteitsbeheerder is; i. lozen: het brengen van stoffen in een oppervlaktewater in beheer bij een beheerder zoals bedoeld onder g; j. ingenomen water: geleverd drink- en industriewater, onttrokken grond- en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater; k. artikel 1, eerste lid stoffen: afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm dan ook als bedoeld in; l. artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Waterleidingwet drinkwater: water als bedoeld in; m. artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Waterleidingwet waterleidingbedrijf: een bedrijf als bedoeld in. 2007 208 14-06-2007 21-05-2007 30601 2007 581 28-12-2007 17-12-2007 29-12-2007 Artikel XII van Stb. 2007/208 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 Een kwaliteitsbeheerder niet zijnde het Rijk is bevoegd onder de naam verontreinigingsheffing een heffing in te stellen ter zake van lozen. 2 Aan de heffing kunnen onderworpen worden: a. ter zake van het lozen van stoffen vanuit een bedrijfsruimte of woonruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte; b. ter zake van het lozen van stoffen met behulp van een riolering of van een zuiveringtechnisch werk: degene bij wie die riolering of dat zuiveringtechnisch werk in beheer is; c. ter zake van het lozen van stoffen anders dan bedoeld onder a of b: degene die de stoffen loost. 3 Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, wordt: a. gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de kwaliteitsbeheerder aangewezen lid van dat huishouden; b. gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven; c. het ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die ruimte ter beschikking heeft gesteld; degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking is gesteld. 4 De opbrengst van de verontreinigingsheffing komt ten goede aan de bekostiging van het beheer van het watersysteem van de beheerder. 5 Van de heffing is vrijgesteld een lozing van een kwaliteitsbeheerder met behulp van een werk voor het zuiveren van afvalwater op oppervlaktewater dat bij die kwaliteitsbeheerder in beheer is. 2007 208 14-06-2007 21-05-2007 30601 2007 581 28-12-2007 17-12-2007 29-12-2007 Artikel XII van Stb. 2007/208 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 Voor de heffing geldt als grondslag de hoeveelheid en de hoedanigheid van de stoffen die in een kalenderjaar worden geloosd. 2 Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden geloosd. 3 De vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden. 4 Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt met betrekking tot: a. het zuurstofverbruik het jaarlijks verbruik van 54,8 kilogram zuurstof; b. de gewichtshoeveelheden van de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink 1,00 kilogram; c. de gewichtshoeveelheden van de groep van stoffen arseen, kwik en cadmium 0,100 kilogram; d. de gewichtshoeveelheden van de stof chloride 650 kilogram; e. de gewichtshoeveelheden van de stof sulfaat 650 kilogram; f. de gewichtshoeveelheden van de stof fosfor 20,0 kilogram. 5 Een kwaliteitsbeheerder kan bepalen dat: a. de gewichtshoeveelheden met betrekking tot één of meer van de in het vierde lid, onderdelen b tot en met f bedoelde stoffen niet worden onderworpen aan de heffing; b. het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de gewichtshoeveelheden van één of meer van de in het vierde lid, onderdelen b tot en met f bedoelde stoffen tot minimaal nihil wordt verminderd op een door hem vast te stellen wijze; c. het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de gewichtshoeveelheden van één of meer van de in het vierde lid, onderdelen b tot en met f bedoelde stoffen op nihil wordt gesteld indien dit aantal, na toepassing van het bepaalde krachtens de onderdelen a en b, niet uitgaat boven een door hem vast te stellen aantal vervuilingseenheden. 2009 199 01-05-2009 29-04-2009 31515 2009 199 01-05-2009 29-04-2009 31515 02-05-2009
Artikel 19a — Artikel 19a#
Artikel 19a Door vernummering vervallen. 2000 135 30-03-2000 16-03-2000 26367 2000 135 30-03-2000 16-03-2000 26367 01-01-2001
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 Het aantal vervuilingseenheden wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens. 2 Meting, bemonstering en analyse geschieden door de heffingplichtige gedurende elk etmaal van het kalenderjaar overeenkomstig het door de kwaliteitsbeheerder krachtens het derde lid bepaalde. 3 Nadere regels omtrent meting, bemonstering, analyse en berekening worden gegeven bij belastingverordening van de kwaliteitsbeheerder. 4 Op aanvraag van de gebruiker staat de kwaliteitsbeheerder onder nader te stellen voorwaarden toe dat voor het aantal etmalen dat meting, bemonstering en analyse geschieden, wordt afgeweken van het tweede lid indien door de gebruiker aannemelijk wordt gemaakt dat voor de berekening van de vervuilingswaarde met gegevens over meting, bemonstering en analyse van een beperkt aantal etmalen kan worden volstaan. 5 Het in het vierde lid bedoelde besluit wordt genomen bij voor bezwaar vatbare beschikking. 6 De bepaling van het zuurstofverbruik van de stoffen welke in een kalenderjaar worden geloosd, geschiedt op basis van de som van het chemisch zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van stikstofverbindingen. 7 Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch zuurstofverbruik in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, wordt op die uitkomst een correctie toegepast. De kwaliteitsbeheerder geeft omtrent die correctie nadere regels bij belastingverordening. 8 De kwaliteitsbeheerder kan het aantal vervuilingseenheden in een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting vaststellen indien door de heffingplichtige: a. zonder de in het vierde lid bedoelde toestemming niet is voldaan aan de in het tweede lid genoemde verplichting; b. artikel 22, vierde lid niet is voldaan aan de in het eerste lid bedoelde verplichting en de bepaling op basis van artikel 21, eerste, derde of zesde lid of van artikel 22, eerste of vierde lid, van de vervuilingswaarde niet mogelijk is dan wel bepaling van de vervuilingswaarde op basis van artikel 22, vierde lid, van de vervuilingswaarde wel mogelijk is en door de heffingplichtige gedurende het heffingsjaar geen verzoek als bedoeld in, is gedaan; c. niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden aan de in het vierde lid bedoelde toestemming; d. meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn geschied in overeenstemming met het daaromtrent door de kwaliteitsbeheerder krachtens het derde lid bepaalde. 2009 199 01-05-2009 29-04-2009 31515 2009 199 01-05-2009 29-04-2009 31515 02-05-2009
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 artikel 20, eerste lid In afwijking van, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een woonruimte worden geloosd gesteld op drie vervuilingseenheden. De vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een door één persoon gebruikte woonruimte worden geloosd bedraagt één vervuilingseenheid. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als één bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte. 3 artikel 20, eerste lid In afwijking van, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen, die vanuit een bedrijfsruimte of vanuit een zuiveringtechnisch werk voor het zuiveren van afvalwater worden geloosd, gesteld op drie vervuilingseenheden indien door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat die vervuilingswaarde minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en op één vervuilingseenheid indien door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat die één vervuilingseenheid of minder bedraagt. 4 Indien in de loop van een kalenderjaar het gebruik van een woonruimte door een gebruiker aanvangt of eindigt wordt deze voor een evenredig gedeelte van het op basis van het eerste lid bepaalde aantal vervuilingseenheden aan een heffing onderworpen. 5 artikel 20, eerste lid In afwijking van, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een bedrijfsruimte of een onderdeel van een bedrijfsruimte bestemd om in het kader van de uitoefening van een beroep of een bedrijf onder een permanente opstand van glas of kunststof gewassen te telen, bepaald op basis van het zesde lid. 6 De vervuilingswaarde bedraagt drie vervuilingseenheden per hectare vloeroppervlak waarop onder glas of kunststof wordt geteeld en per deel van een hectare vloeroppervlak een evenredig deel van drie vervuilingseenheden. 7 Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een in het vijfde lid bedoelde bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte dan wel van een deel daarvan door de gebruiker aanvangt of eindigt wordt hij in dat kalenderjaar voor die bedrijfsruimte, voor dat onderdeel of voor dat deel voor een evenredig gedeelte van het op basis van het zesde lid bepaald aantal vervuilingseenheden aan een heffing onderworpen. 8 Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van een bedrijfsruimte, berekend op basis van het zesde of zevende lid van minder dan vijf vervuilingseenheden wordt op drie vervuilingseenheden, en van één of minder dan één vervuilingseenheid op één vervuilingseenheid gesteld. 2009 199 01-05-2009 29-04-2009 31515 2009 199 01-05-2009 29-04-2009 31515 02-05-2009
Artikel 21a — Artikel 21a#
Artikel 21a Vervallen 2000 135 30-03-2000 16-03-2000 26367 2000 135 30-03-2000 16-03-2000 26367 01-01-2006
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 artikel 20, eerste lid Indien door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan, die hij gebruikt, 1000 of minder bedraagt, en dat dit aantal aan de hand van de hoeveelheid ten behoeve van die bedrijfsruimte of dat onderdeel van die bedrijfsruimte ingenomen water bepaald kan worden, wordt dat aantal in afwijking van, vastgesteld volgens de formule: A X B, waarbij, 3 A = het aantal min het kalenderjaar ten behoeve van de bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water; 3 B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in het derde lid opgenomen tabel met de klassegrenzen waarbinnen de vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per mten behoeve van de bedrijfsruimte of van het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water is gelegen. 2 3 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld voor de bepaling van de vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per mten behoeve van de bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water. 3 De onderstaande tabel bevat klassen met bijbehorende klassegrenzen en afvalwatercoëfficiënten: Klasse 3 Klassegrenzen uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik per mingenomen water 3 Afvalwatercoëfficiënt uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden per mingenomen water in het heffingsjaar ondergrens bovengrens 1 > 0 0,0013 0,0010 2 > 0,0013 0,0020 0,0016 3 > 0,0020 0,0031 0,0025 4 > 0,0031 0,0048 0,0039 5 > 0,0048 0,0075 0,0060 6 > 0,0075 0,012 0,0094 7 > 0,012 0,018 0,015 8 > 0,018 0,029 0,023 9 > 0,029 0,045 0,036 10 > 0,045 0,070 0,056 11 > 0,070 0,11 0,088 12 > 0,11 0,17 0,14 13 > 0,17 0,27 0,21 14 > 0,27 0,42 0,33 15 > 0,42 0,5 4 artikel 20, eerste lid Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor de bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte meer dan 1000 bedraagt en door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat de berekening van dit aantal overeenkomstig het eerste lid niet resulteert in een lager aantal vervuilingseenheden dan de berekening van dit aantal overeenkomstig, is het eerste lid op verzoek van de heffingplichtige van overeenkomstige toepassing. 2002 102 26-02-2002 30-01-2002 27615 2002 255 04-06-2002 16-05-2002 27615 01-07-2002 01-01-2002 Artikelen 17, 18, 20, 21, 22, 23 en 25 werken terug tot en met 1
januari 2002.
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 Onder de naam verontreinigingsheffing rijkswateren vindt een heffing plaats ter zake van lozen op rijkswater. 2 artikelen 17 19 20 21 derde, vijfde, zesde, zevende en achtste lid 22 De,,,enzijn van overeenkomstige toepassing op de verontreinigingsheffing rijkswateren. 3 Aan de verontreinigingsheffing rijkswateren zijn onderworpen: a. ter zake van lozen in rijkswater vanuit een bedrijfs-, of woonruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte; b. ter zake van lozen in rijkswater met behulp van een riolering of van een zuiveringtechnisch werk: degene bij wie die riolering onderscheidenlijk dat zuiveringtechnisch werk in beheer is. c. ter zake van lozen in rijkswater anders dan bedoeld onder a of b: degene die de stoffen in rijkswater heeft gebracht. 4 Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel a, wordt: a. gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door het hoofd aangewezen lid van dat huishouden; b. gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de verontreinigingsheffing rijkswateren als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven; c. het ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die ruimte ter beschikking heeft gesteld; degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de verontreinigingsheffing rijkswateren als zodanig te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking is gesteld. 5 artikel 19, vierde lid, onderdelen d, e en f De verontreinigingsheffing rijkswateren wordt niet geheven ter zake van de gewichtshoeveelheden van de in, bedoelde stoffen en van de stof zilver. 6 Het aantal vervuilingseenheden, met betrekking tot de gewichtshoeveelheden van de onderstaande groepen van stoffen, die in een kalenderjaar in rijkswater worden gebracht, wordt per bedrijfsruimte, riolering en per zuiveringtechnisch werk tot minimaal nihil verminderd met het produkt van het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik van de in dat kalenderjaar vanuit die bedrijfsruimte, riolering of dat zuiveringtechnisch werk in rijkswater gebrachte stoffen, en: a. voor de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel, en zink: 0,04; b. voor de groep van stoffen kwik, cadmium en arseen: 0,006. 7 Het aantal vervuilingseenheden, berekend na toepassing van het zesde lid, wordt voor elk van de in het zesde lid bedoelde groepen van stoffen op nihil gesteld indien dat aantal minder bedraagt dan 10. 8 De vervuilingswaarde ten aanzien van de stoffen, die vanuit een woonruimte, op rijkswater worden geloosd wordt gesteld op drie vervuilingseenheden en op één vervuilingseenheid indien de woonruimte op 1 januari van het desbetreffende kalenderjaar wordt gebruikt door één persoon. 9 Het achtste lid lid vindt geen toepassing met betrekking tot de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als één bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte. 10 Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een woonruimte door een gebruiker aanvangt of eindigt, is deze voor een evenredig gedeelte van het op basis van het elfde lid bepaald aantal vervuilingseenheden aan de verontreinigingsheffing rijkswateren onderworpen. 11 artikel 20, zevende lid Nadere regels met betrekking tot meting, bemonstering, analyse en berekening en de in, bedoelde correctie worden voor de verontreinigingsheffing rijkswateren gegeven bij algemene maatregel van bestuur. 2007 208 14-06-2007 21-05-2007 30601 2007 581 28-12-2007 17-12-2007 29-12-2007 Artikel XII van Stb. 2007/208 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 1 Het tarief voor de heffing ter zake van lozen op een oppervlaktewater in beheer bij het Rijk bedraagt € 35,50 per vervuilingseenheid. 2 Het tarief per vervuilingseenheid voor de verontreinigingsheffing rijkswateren ter zake van de stoffen die vanuit een zuiveringstechnisch werk voor het biologisch zuiveren van huishoudelijk afvalwater dat bij een waterschap in beheer is of in opdracht van een waterschap wordt geëxploiteerd, in rijkswater worden gebracht, bedraagt 50% van het in het eerste lid genoemde bedrag. 3 Het tarief voor de heffing ter zake van lozen op een oppervlaktewater in beheer bij een kwaliteitsbeheerder niet zijnde Rijk, wordt bij verordening van die kwaliteitsbeheerder vastgesteld. 4 artikel 122d van de Waterschapswet Het tarief, bedoeld in het derde lid, is gelijk aan het voor een belastingjaar door het waterschap vastgestelde tarief voor de zuiveringsheffing bedoeld in. 2009 199 01-05-2009 29-04-2009 31515 2009 199 01-05-2009 29-04-2009 31515 02-05-2009
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 De verontreinigingsheffing rijkswateren wordt door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geheven. 2 De verontreinigingsheffing rijkswateren wordt geheven over het kalenderjaar. 3 Algemene wet die wet artikelen 2, vierde lid 37 tot en met 39 47a 48 52 53 54 76 80, tweede, derde en vierde lid 82 84 86 87 Onverminderd het overigens in dit hoofdstuk bepaalde, wordt de verontreinigingsheffing rijkswateren geheven met overeenkomstige toepassing van de, met dien verstande dat vanbuiten toepassing blijven de,,,,,,,,,,,en. 4 Algemene wet Voor de toepassing van deen artikel 19, eerste lid en 25a, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken treedt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in de plaats van Onze Minister van Financiën. 5 Algemene wet Voor de toepassing van detreden in de plaats: Een aanwijzing als vorenbedoeld wordt bekend gemaakt in de Nederlandse Staatscourant. a. voor het bestuur van 's Rijksbelastingen en de inspecteur: het hoofd; b. voor de ambtenaren van de rijksbelastingdienst: de ambtenaren van het Bureau verontreinigingsheffing rijkswateren, de ambtenaren van het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling en de door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen ambtenaren van de regionale en specialistische directies van de Rijkswaterstaat. 6 Een ambtenaar als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, is voor zover dit voor de heffing van de verontreinigingsheffing rijkswateren redelijkerwijs nodig is, bevoegd: a. elke plaats met medeneming van de benodigde apparatuur, zo nodig met behulp van de sterke arm, met uitzondering van een woonruimte zonder toestemming van de gebruiker of de gebruikers, te betreden; b. monsters te nemen ter zake van lozingen op rijkswater. 7 De verontreinigingsheffing rijkswateren wordt geheven bij wege van aanslag. 8 Indien een bedrijfs- of woonruimte of een zuiveringtechnisch werk bij meer dan één persoon in gebruik onderscheidenlijk in beheer is, kan het hoofd een belastingaanslag inzake de verontreinigingsheffing rijkswateren ter zake van die ruimte of van dat zuiveringtechnisch werk ten name van één van die personen stellen. 9 artikel 23, vierde lid Het hoofd is bevoegd voor eenzelfde in, bedoelde heffingplichtige, bestemde belastingaanslagen van dezelfde soort op één aanslagbiljet te verenigen. 10 Artikel 55 van de Algemene wet is met betrekking tot de omvang van de geleverde hoeveelheid drinkwater van overeenkomstige toepassing op waterleidingbedrijven. 11 artikel 20, vierde lid Het hoofd neemt ten aanzien van de verontreinigingsheffing rijkswateren het besluit, bedoeld in. 2007 208 14-06-2007 21-05-2007 30601 2007 581 28-12-2007 17-12-2007 29-12-2007 Artikel XII van Stb. 2007/208 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 Invorderingswet 1990 Kostenwet invordering rijksbelastingen artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de Invorderingswet 1990 De verontreinigingsheffing rijkswateren wordt ingevorderd met toepassing van deen deals was deze heffing een rijksbelasting in de zin vanen geschiedt door de zorg van de ontvanger, bedoeld in, alsmede door de overige in die wet genoemde functionarissen. 2 Een voorlopige aanslag in de verontreinigingsheffing rijkswateren waarvan het aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt in het jaar waarover deze is vastgesteld, is invorderbaar in zoveel gelijke termijnen als er na de maand, die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, nog maanden van het jaar overblijven. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. Indien de toepassing van de eerste volzin niet leidt tot meer dan twee maandelijkse termijnen, is de in de eerste volzin bedoelde belastingaanslag twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet invorderbaar. 2000 135 30-03-2000 16-03-2000 26367 2000 135 30-03-2000 16-03-2000 26367 01-01-2001
Artikel 26a — Artikel 26a#
Artikel 26a Vervallen 1992 414 02-07-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 Vervallen 2007 208 14-06-2007 21-05-2007 30601 2007 581 28-12-2007 17-12-2007 29-12-2007 Artikel XII van Stb. 2007/208 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 1 Nadere regels met betrekking tot de verontreinigingsheffing rijkswateren worden gesteld bij algemene maatregel van bestuur. 2 Nadere regels met betrekking tot de heffing worden gesteld bij belastingverordening van de kwaliteitsbeheerder. 2000 135 30-03-2000 16-03-2000 26367 2000 135 30-03-2000 16-03-2000 26367 01-01-2001
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 1 artikel 1 Het bestuursorgaan dat bevoegd is of zou zijn een vergunning krachtenste verlenen, heeft tot taak: a. titels 12.1 12.3 van de Wet milieubeheer zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bij of krachtens deze wet, van het bij of krachtens deenen van het bij of krachtens verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de Richtlijnen 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad (PbEU L 33) bepaalde met betrekking tot het betrokken brengen van stoffen in oppervlaktewater; b. artikelen 8.12, vierde lid 8.12a, tweede lid 8.13, eerste lid, onder c 8.14, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer andere gegevens, dan die bedoeld in de,,, en, die eveneens van belang zijn met het oog op de onder a bedoelde taak, te verzamelen en te registreren; c. klachten, die betrekking hebben op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde, te behandelen. 2 artikel 2f artikel 2f artikel 3 artikel 1, derde lid De taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij en krachtens, alsmede gegevens die met het oog op die taak van belang zijn te verzamelen en te registreren, alsmede klachten die betrekking hebben op de naleving van het bij of krachtensbepaalde te behandelen, berust met betrekking tot schepen die zich bevinden op een oppervlaktewater bij het bestuursorgaan dat krachtensten aanzien van dat oppervlaktewater bevoegd is een vergunning als bedoeld in, te verlenen. 1998 687 22-12-1998 26-11-1998 25851 2007 166 10-05-2007 10-04-2007 30827 2009 491 01-12-2009 23-11-2009 03-12-2009
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 artikelen 18.3 18.16 van de Wet milieubeheer Met betrekking tot de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn detot en metvan toepassing. 2000 135 30-03-2000 16-03-2000 26367 2000 135 30-03-2000 16-03-2000 26367 01-01-2001
Artikel 30a — Artikel 30a#
Artikel 30a Een gedraging in strijd met een aan een vergunning verbonden voorschrift, is verboden. 2000 135 30-03-2000 16-03-2000 26367 2000 135 30-03-2000 16-03-2000 26367 01-01-2001
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 1 Bepalingen in verordeningen van provinciën, in reglementen voor en in verordeningen van waterschappen, veenschappen en veenpolders en in verordeningen van gemeenten betreffende het onderwerp dezer wet, bij de inwerkingtreding dezer wet van kracht, blijven in stand totdat deswege op de wijze in deze wet bepaald voorzieningen zullen zijn getroffen en zulks uiterlijk vier jaren na de dag van inwerkingtreding. 2 artikel 1, eerste lid Een vergunning vóór de inwerkingtreding dezer wet verleend op grond van enige wettelijke bepaling voor lozingen met behulp van werken als bedoeld in, wordt voor de toepassing van deze wet beschouwd als een vergunning als bedoeld in dat artikel. 3 artikel 1, eerste lid Voor lozingen welke vóór het tijdstip van inwerkingtreding dezer wet onafgebroken rechtmatig hebben plaats gevonden, wordt voor de toepassing van deze wet een vergunning als bedoeld in, geacht te zijn verleend, voorzover die lozingen althans naar hun aard niet aanmerkelijk verschillen van of niet van aanmerkelijk grotere omvang zijn dan lozingen die plaats vonden vóór het tijdstip van inwerkingtreding dezer wet. 4 Staatsblad artikel 1, eerste lid Door Ons worden bij algemene maatregel van bestuur stoffen of soorten van inrichtingen aangewezen voor de lozing waarvan onderscheidenlijk voor de lozingen vanwaaruit het derde lid niet meer geldt na het verstrijken van één jaar na afloop van de maand waarin die algemene maatregel van bestuur in hetis geplaatst, tenzij binnen die termijn een vergunning, als bedoeld in, is aangevraagd, in welk geval het derde lid nog geldt gedurende één jaar nadat de op die aanvraag genomen beschikking onherroepelijk is geworden. Artikel 9, is van overeenkomstige toepassing in geval van gehele of gedeeltelijke weigering van de vergunning. 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 31a — Artikel 31a#
Artikel 31a 1 artikel 1, tweede lid Voor lozingen, waarop de in, bedoelde algemene maatregel van bestuur betrekking heeft en die op het tijdstip van het in werking treden van die algemene maatregel van bestuur plaatsvinden, dient binnen één jaar na dat tijdstip een vergunning te worden aangevraagd. Deze lozingen kunnen voor de duur van de hiervoor bedoelde termijn op dezelfde wijze en in dezelfde mate worden voortgezet, en, indien binnen die termijn een aanvraag voor een vergunning is ingediend, gedurende een jaar nadat de op die aanvraag genomen beschikking onherroepelijk is geworden. Artikel 9, is van overeenkomstige toepassing in geval van gehele of gedeeltelijke weigering van de vergunning. 2 artikel 1, eerste lid artikel 1, tweede lid In afwijking van het eerste lid wordt een op grond van een gemeentelijke lozingsverordening verleende vergunning voor de toepassing van deze wet aangemerkt als een vergunning als bedoeld in, mits die gemeentelijke vergunning daartoe aan het bevoegde gezag is overgelegd binnen één jaar na de inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in, waarbij de desbetreffende stof of soort van inrichting voor de eerste maal is aangewezen. 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 31b — Artikel 31b#
Artikel 31b artikel 7 artikel 1, eerste, derde of vierde lid Een voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel V van de wet tot invoering van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne ingevolgevan deze wet, zoals dit luidde tot dat tijdstip, gegeven beschikking, wordt na die inwerkingtreding beschouwd als een vergunning krachtens, van deze wet. 1981 414 24-06-1981 14963 1981 724 03-12-1981 01-01-1982
Artikel 31c — Artikel 31c#
Artikel 31c artikel 1 Wet milieubeheer Het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtenste verlenen draagt er zorg voor dat vergunningen, verleend voor lozingen vanuit inrichtingen waartoe gpbv-installaties als bedoeld in debehoren, voorzover die niet in overeenstemming zijn met de regels die voor 31 oktober 2007 ter uitvoering van de richtlijn nr. 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PbEU L 24) bij of krachtens deze wet zijn gesteld, uiterlijk met ingang van die datum daarmee in overeenstemming zijn. 2009 297 14-07-2009 25-06-2009 31750 2009 297 14-07-2009 25-06-2009 31750 15-07-2009
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 1 Er is het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling, belast met het wetenschappelijke en praktische onderzoek van de hoedanigheid van oppervlaktewateren en van de wijze waarop deze kunnen worden beschermd tegen verontreiniging in welke vorm ook en voorts met het geven van adviezen betreffende de met het oog op die bescherming te treffen voorzieningen. 2 Aan het hoofd van dit instituut staat een hoofdingenieur-directeur. De algemene leiding van het instituut berust bij de directeur-generaal van de Rijkswaterstaat. 3 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geeft regelen omtrent de inrichting en werkwijze van het instituut en omtrent de aan dit instituut te betalen vergoedingen voor bewezen diensten. 2000 135 30-03-2000 16-03-2000 26367 2000 135 30-03-2000 16-03-2000 26367 01-01-2001
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 a artikel 2, derde lid Het ontwerp van een ministeriële regeling, vast te stellen krachtens of met overeenkomstige toepassing van, wordt ten minste een maand voor de regeling wordt vastgesteld, toegezonden aan de Staten-Generaal. 1992 414 02-07-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 33a — Artikel 33a#
Artikel 33a 1 artikel 1, tweede of derde lid 1a 2a 2d 2f 4 14 15 19, zesde, zevende of achtste lid 31, vierde lid De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens,,,,,,,,, of, wordt Ons gedaan door Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. 2 artikel 1, tweede of derde lid 1a 2a 2d 2f 4 Staatscourant Het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur krachtens,,,,ofwordt overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal en in debekendgemaakt. Aan een ieder wordt de gelegenheid geboden binnen een bij die bekendmaking te stellen termijn van ten minste vier weken opmerkingen over het ontwerp schriftelijk ter kennis van Onze genoemde Ministers te brengen. 3 Staatsblad Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het tweede lid wordt, nadat hij is vastgesteld, toegezonden aan beide Kamers der Staten-Generaal. Hij treedt niet eerder in werking dan vier weken na de datum van uitgifte van hetwaarin hij is geplaatst. 1998 687 22-12-1998 26-11-1998 25851 2000 135 30-03-2000 16-03-2000 26367 2009 489 24-11-2009 09-11-2009 31858 2009 491 01-12-2009 23-11-2009 03-12-2009
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 De bevoegdheid tot het maken van verordeningen door gemeenten en waterschappen, veenschappen en veenpolders blijft ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet gehandhaafd voor zover deze verordeningen niet met deze wet in strijd zijn. 1969 536 13-11-1969 7884 1970 537 05-11-1970 01-12-1970
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 artikel 15 artikel 29 van de Kernenergiewet Geen vergunning als bedoeld in deze wet is vereist voor het brengen in oppervlaktewateren en voor het brengen vanuit of over het grondgebied van Nederland in het water van de volle zee van splijtstoffen, ertsen of radioactieve andere stoffen, voorzover het brengen van die stoffen in oppervlaktewateren en in het water van de volle zee aan een vergunning krachtensof, dan wel aan krachtens artikel 21 of artikel 32 van die wet gestelde regelen gebonden is. 1969 536 13-11-1969 7884 1970 537 05-11-1970 01-12-1970
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 Vervallen 1975 353 05-06-1975 12294 1976 628 10-11-1976 01-01-1977
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 Vervallen 1992 414 02-07-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1969 536 13-11-1969 7884 1970 537 05-11-1970 01-12-1970
Artikel 38a — Artikel 38a#
Artikel 38a artikelen 1, tweede en derde lid a 1, eerste lid a 2, eerste lid d 2, eerste lid 13 14 15 31, vierde lid De vaststelling van regelen bij algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de,,,,,,en, geschiedt mede ter uitvoering van door de Raad van Ministers der Europese Gemeenschappen vastgestelde richtlijnen en de ter uitvoering daarvan door die Raad genomen besluiten. 1992 415 02-07-1992 21163 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 38b — Artikel 38b#
Artikel 38b 1 artikel 1, eerste en derde lid artikel 3, tweede lid Wet van 30 januari 2002, houdende wijziging van enige bepalingen van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren in verband met de zuivering van stedelijk afvalwater en toekenning bevoegdheid aan waterschapsbesturen tot vergunningverlening Voor zover de bevoegdheid van een bestuur van een waterschap tot verlening, weigering, wijziging of intrekking van een vergunning als bedoeld in, met betrekking tot een oppervlaktewater in beheer bij het Rijk van rechtswege is vervallen als gevolg van inwerkingtreding van de(Stb. 2002, 202), wordt die bevoegdheid hersteld tot het tijdstip waarop met betrekking tot dat oppervlaktewater een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in, van kracht wordt. 2 In afwijking van het eerste lid wordt de bevoegdheid ten aanzien van de navolgende oppervlaktewateren in beheer bij het Rijk, voor zover gelegen binnen het gebied van de provincie Limburg, hersteld tot en met 31 maart 2003: a. het Peelkanaal; b. het Afleidingskanaal gelegen tussen het Peelkanaal en de rivier de Maas; c. het winterbed van de rivier de Maas, met uitzondering van de met de rivier de Maas in open verbinding staande handel- en industriehavens te Wessem, Roermond, Venlo, Meerlo-Wanssum, Gennep en de Plemhavens te Maasbracht en Buggenum; d. de met de rivier de Maas in open verbinding staande jachthavens voor zover gelegen buiten het winterbed; e. de Oude Maas te Maasbracht en Horn en f. de afgesneden Maasarmen te Asselt en Beesel. 2005 28 25-01-2005 23-12-2004 29469 2005 122 15-03-2005 24-02-2005 16-03-2005
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 Deze wet kan worden aangehaald als Wet verontreiniging oppervlaktewateren. 1969 536 13-11-1969 7884 1970 537 05-11-1970 01-12-1970
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip. 1969 536 13-11-1969 7884 1970 537 05-11-1970 01-12-1970