Wet van 23 april 1971, houdende regeling met betrekking tot de arbeid ten behoeve van de volkshuishouding, de landsverdediging en de overheidsdienst voor het geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden
- BWB-id
- BWBR0002759
- Type
- Wet
- Ministerie
- Algemene Zaken
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2014-01-06
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0002759
- ELI
- /eli/nl/wet/1971/noodwet-arbeidsvoorziening
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1971/noodwet-arbeidsvoorziening/2014-01-06
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0002759&g=2014-01-06
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0002759&z=2026-06-06&g=2014-01-06
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0002759/2014-01-06
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1971/noodwet-arbeidsvoorziening
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; b. het Hoofd Arbeidsvoorziening: de door Onze Minister daartoe aangewezen functionaris van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; c. werknemer: 1°. degene, die in dienst van een ander arbeid verricht; 2°. degene, die in de zelfstandige uitoefening van een beroep of bedrijf persoonlijk arbeid voor een ander verricht - tenzij hij dergelijke arbeid in de regel voor meer dan twee anderen verricht of zich daarbij door meer dan twee personen, niet zijnde zijn echtgenoot of geregistreerde partner of een bij hem inwonend bloed- of aanverwant of pleegkind, laat bijstaan, of deze arbeid voor hem slechts een bijkomstige werkzaamheid is; d. werkgever: c de natuurlijke of rechtspersoon, in wiens dienst dan wel voor wie de onder, onderscheidenlijk sub 1° en sub 2°, bedoelde werknemer arbeid verricht; e. arbeidsverhouding: de rechtsbetrekking tussen een werknemer en diens werkgever; f. inwoner van Nederland: degene, die als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven of behoort te zijn ingeschreven. 2013 316 26-07-2013 10-07-2013 33555 2013 494 09-12-2013 28-11-2013 06-01-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet basisregistratie
personen in werking treedt.
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 artikelen 7, eerste lid 8, eerste lid, van de Coördinatiewet hoofdstuk II Onverminderd de, enuitzonderingstoestanden kunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, één of meer van de paragrafen vanvan deze wet in werking worden gesteld. 2 Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde paragrafen. 3 Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de paragrafen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld. 4 Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, worden de paragrafen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten. 5 Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking. 6 Staatsblad Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in ieder geval geplaatst in het. 1996 366 09-07-1996 03-04-1996 23791 1997 172 29-04-1997 23-04-1997 01-05-1997 Een of meer paragrafen van hoofdstuk ll kunnen volgens artikel
7, eerste lid en artikel 8, eerste lid van de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden in beperkte en in algemene noodtoestand
in werking worden gesteld.
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 Er is een Raad voor de Buitengewone Arbeidsvoorziening. De voorzitter, de overige leden en de secretaris worden op voordracht van Onze Minister door Ons benoemd, geschorst en ontslagen. 2 De Raad heeft tot taak Onze bij de uitvoering van deze wet betrokken Ministers, al dan niet uit eigen beweging, van advies te dienen omtrent algemene vraagstukken van arbeidsvoorziening, welke zich kunnen voordoen in geval van buitengewone omstandigheden. 3 Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld omtrent de samenstelling en de werkwijze van de Raad. In de Raad hebben in ieder geval zitting een of meer leden, te benoemen op gezamenlijke aanbeveling van door Ons aangewezen algemeen erkende centrale organisaties van werkgevers, en een gelijk aantal leden, te benoemen op gezamenlijke aanbeveling van door Ons aangewezen algemeen erkende centrale organisaties van werknemers. De Raad kan commissies, waarin ook personen buiten de Raad zitting kunnen hebben, instellen ter voorbereiding van door hem uit te brengen adviezen. 1996 366 09-07-1996 03-04-1996 23791 1997 172 29-04-1997 23-04-1997 01-05-1997 Een of meer paragrafen van hoofdstuk ll kunnen volgens artikel
7, eerste lid en artikel 8, eerste lid van de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden in beperkte en in algemene noodtoestand
in werking worden gesteld.
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Vervallen 2008 600 30-12-2008 29-12-2008 31514 2008 601 30-12-2008 29-12-2008 01-01-2009
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 Het Hoofd Arbeidsvoorziening oefent de hem bij of krachtens deze wet toegekende bevoegdheden uit met inachtneming van de door Onze Minister in overeenstemming met het gevoelen van de Raad van Ministers gestelde regelen. 2 artikel 10:22, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen De door Onze Minister als Hoofd Arbeidsvoorziening aangewezen functionarissen van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, zijn in die hoedanigheid ondergeschikt aan Onze Minister. De de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verleent aan Onze Minister de medewerking die hij in deze verhouding behoeft. Bij regelen als bedoeld in het eerste lid en instructies als bedoeld inkan van het bepaalde bij of krachtens deworden afgeweken, voor zover zulks in het belang van een goede uitvoering van deze wet nodig is. 3 Staatscourant Regelen, gesteld krachtens het eerste lid, worden in debekend gemaakt. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 artikelen 7 10 Bij algemene maatregel van bestuur worden de autoriteiten aangewezen, die, zolang de verbinding tussen Onze Minister en enig gebied verbroken is, in dat gebied met inachtneming van de bij de maatregel gestelde regelen de bij deenaan Onze Minister toegekende bevoegdheden uitoefenen. 1971 448 23-04-1971 9705 1971 448 23-04-1971 9705 30-07-1971
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden. 1 Onze Minister kan bepalen, dat arbeidsverhoudingen in het algemeen, dan wel dat arbeidsverhoudingen, behorende tot bij zijn beschikking aangewezen categorieën, of dat arbeidsverhoudingen, waarbij bij zijn beschikking aangewezen personen partij zijn, niet mogen worden beëindigd zonder vergunning van het Hoofd Arbeidsvoorziening. 2 Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. 3 Een krachtens het eerste lid vastgestelde besluit van algemene strekking wordt ter openbare kennis gebracht.
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden. artikel 7, eerste lid Indien een arbeidsverhouding door één der partijen is beëindigd in strijd met een krachtens, gesteld verbod of met een voorschrift, verbonden aan een krachtens dat lid verleende vergunning, kan de wederpartij gedurende zes maanden de nietigheid der beëindiging inroepen. 1971 448 23-04-1971 9705
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden. 1 artikelen 7 8 artikel 2 van de Wet privatisering ABP Deengelden niet ten aanzien van dienstbetrekkingen van personen, die overheidswerknemer zijn in de zin van. 2 Ten aanzien van zodanige dienstbetrekkingen kunnen regelen van overeenkomstige strekking worden gesteld bij algemene maatregel van bestuur. 3 hoofdstuk III Bij een algemene maatregel van bestuur als in het tweede lid bedoeld kunnen omtrent het vragen van voorziening tegen beschikkingen, krachtens die maatregel genomen, en de rechtsgang ter zake, regelen worden gesteld in afwijking van. 4 De voordracht tot een algemene maatregel van bestuur als in het tweede lid bedoeld wordt Ons gedaan door Onze Minister, tezamen met Onze Ministers, wie het mede aangaat. 1971 448 23-04-1971 9705 1997 162 24-04-1997 10-04-1997 24441 De wijziging is in werking getreden op 25 april 1997 en werkt terug tot en
met 1 januari 1996 (Stb. 1997/162).
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden. 1 Onze Minister kan bepalen, dat arbeidsverhoudingen in het algemeen, dan wel dat arbeidsverhoudingen, behorende tot bij zijn beschikking aangewezen categorieën, of dat arbeidsverhoudingen, waarbij bij zijn beschikking aangewezen personen partij zijn, niet mogen worden aangegaan zonder vergunning van het Hoofd Arbeidsvoorziening. 2 Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. 3 Een krachtens het eerste lid vastgestelde besluit van algemene strekking wordt ter openbare kennis gebracht.
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden. 1 artikel 10, eerste lid Het is zowel de werkgever als de werknemer verboden een arbeidsverhouding, aangegaan in strijd met een krachtens, gesteld verbod of met een voorschrift, verbonden aan een krachtens dat lid verleende vergunning, te laten voortduren. 2 artikel 7 Ten aanzien van het beëindigen van zodanige arbeidsverhouding geldt een krachtensgesteld verbod niet. 3 De werkgever is verplicht van de beëindiging van zodanige arbeidsverhouding onverwijld aan het Hoofd Arbeidsvoorziening schriftelijk mededeling te doen. 1971 448 23-04-1971 9705
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden. 1 artikelen 10 11 artikel 9 Deengelden niet ten aanzien van dienstbetrekkingen van personen als inbedoeld. 2 Ten aanzien van zodanige dienstbetrekkingen kunnen regelen van overeenkomstige strekking worden gesteld bij algemene maatregel van bestuur. 3 Artikel 9, derde en vierde lid , is van overeenkomstige toepassing. 1971 448 23-04-1971 9705
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden. 1 Het Hoofd Arbeidsvoorziening kan een werknemer op diens verzoek in diens arbeidsverhouding onmisbaar verklaren voor het verrichten van bij zijn beschikking aangewezen arbeid. 2 Van een krachtens het eerste lid tot de werknemer gerichte beschikking wordt mededeling gedaan aan diens werkgever.
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden. 1 Het is voor de duur der onmisbaarheid zowel aan de werknemer als aan diens werkgever verboden de arbeidsverhouding te beëindigen. 2 Indien een arbeidsverhouding door één der partijen is beëindigd in strijd met het eerste lid, kan de wederpartij gedurende zes maanden de nietigheid der beëindiging inroepen. 1971 448 23-04-1971 9705
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden. 1 De werkgever is verplicht de onmisbaar verklaarde werknemer voor zover mogelijk de arbeid te laten verrichten, waarvoor deze onmisbaar is verklaard. 2 De onmisbaar verklaarde werknemer is verplicht de arbeid, die hem door de werkgever is opgedragen, te verrichten. 1971 448 23-04-1971 9705
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden. 1 Het Hoofd Arbeidsvoorziening kan de onmisbaarverklaring van een werknemer te allen tijde, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de werknemer of van diens werkgever, intrekken. 2 Van een krachtens het eerste lid tot de werknemer gerichte beschikking wordt mededeling gedaan aan diens werkgever.
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden. 1 Op verzoek van een werknemer of van diens werkgever kan het Hoofd Arbeidsvoorziening, beide partijen gehoord, in verband met het aangaan door die werknemer van een arbeidsverhouding met een andere werkgever, waarin hij onmisbaar wordt verklaard, bepalen, dat, zolang de nieuwe arbeidsverhouding voortduurt, de bestaande arbeidsverhouding geschorst is, doch door partijen niet kan worden beëindigd zonder vergunning van het Hoofd Arbeidsvoorziening. 2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld omtrent de gevolgen van de schorsing voor de rechten en verplichtingen uit de betrokken arbeidsverhouding. 3 Een vergunning als in het eerste lid bedoeld kan onder beperkingen worden verleend. Aan zodanige vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. 4 Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing. 5 In geval van toepassing van het eerste lid neemt bij het eindigen van de onmisbaarheid de nieuwe arbeidsverhouding van rechtswege een einde, tenzij de oorspronkelijke arbeidsverhouding reeds is beëindigd. 6 Van een krachtens het eerste lid tot de werknemer gerichte beschikking wordt mededeling gedaan aan diens werkgever.
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden. 1 artikel 9 Aan een persoon als inbedoeld kan in verband met het aangaan van een arbeidsverhouding, waarin hij onmisbaar wordt verklaard, in zijn bestaande dienstbetrekking voor de duur van zijn onmisbaarheid verlof worden verleend. Bij algemene maatregel van bestuur worden hieromtrent nadere regelen gesteld. 2 In geval van toepassing van het eerste lid neemt bij het eindigen van de onmisbaarheid de arbeidsverhouding, waarin de betrokkene onmisbaar was verklaard, van rechtswege een einde. 3 De voordracht tot een algemene maatregel van bestuur als in het eerste lid bedoeld wordt Ons gedaan door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, tezamen met Onze Minister en met Onze Ministers, wie het mede aangaat. 1971 448 23-04-1971 9705 2001 625 18-12-2001 29-11-2001 27665 De wijziging is in werking getreden op 1 januari 2002 (Stb. 2001/682).
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden. 1 artikel 653 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek Een beding als bedoeld inis niet van kracht ten aanzien van het werkzaam zijn als onmisbaar verklaarde werknemer. 2 Indien het beding voor een bepaalde tijd is gemaakt, wordt de tijd, als onmisbaar verklaarde werknemer bij een derde doorgebracht, voor de berekening van deze termijn medegeteld. 1971 448 23-04-1971 9705 1996 562 26-11-1996 14-11-1996 24770 De wijziging is in werking getreden op 1 april 1997 (Stb. 1997/37).
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden. 1 artikel 9 De voorgaande artikelen van deze paragraaf gelden niet met betrekking tot de onmisbaarheid van personen in een dienstbetrekking als inbedoeld. 2 Met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde onmisbaarheid kunnen regelen van overeenkomstige strekking worden gesteld bij algemene maatregel van bestuur. 3 Artikel 9, derde en vierde lid , is van overeenkomstige toepassing. 1971 448 23-04-1971 9705
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden. 1 artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet Burgerdienstplicht rust op alle Nederlanders en inwoners van Nederland, die de leeftijd van achttien jaar, maar nog niet de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, hebben bereikt, met uitzondering van de Nederlanders, woonachtig in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. 2 Van burgerdienstplicht vrijgesteld zijn: a. artikel 13, eerste lid degenen, die krachtens, onmisbaar verklaard zijn; b. degenen, die ingevolge een overeenkomst met een andere mogendheid of met een volkenrechtelijke organisatie niet tot burgerdienstplicht gehouden zijn; c. de personen, behorende tot bij algemene maatregel van bestuur daartoe aangewezen categorieën of krachtens zodanige maatregel daartoe aangewezen. 1985 662 12-12-1985 19111 De wijziging is in werking getreden op 01-01-1986 (Stb.
1985/663). 1971 448 23-04-1971 9705 1980 770 01-11-1980 15337 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 De wijziging is in werking getreden op 10 oktober 2010, om 00:00 uur in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06:00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk (Stb. 2010/389). 2012 361 08-08-2012 02-08-2012 De wijziging is in werking getreden op 1 januari 2013 (Stb. 2012/329).
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden. 1 Het Hoofd Arbeidsvoorziening kan een burgerdienstplichtige bestemmen voor: a. bij zijn beschikking aangewezen arbeid in loondienst; b. een tegen het genot van een toelage te volgen scholing, bij zijn beschikking aangewezen. 2 Bij toepassing van het eerste lid houdt het Hoofd Arbeidsvoorziening voor zover mogelijk rekening met het beroep, de geschiktheid en de redelijke wensen van de burgerdienstplichtige. 3 Het Hoofd Arbeidsvoorziening kan de bestemming te allen tijde, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de burgerdienstplichtige, intrekken. 4 De burgerdienstplichtige is verplicht van zijn bestemming en van de intrekking van zijn bestemming binnen driemaal vierentwintig uur mededeling te doen aan degene, die ten tijde van de bestemming, onderscheidenlijk de intrekking, zijn werkgever is.
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden. 1 Het Hoofd Arbeidsvoorziening kan een burgerdienstplichtige oproepen tot het verrichten van werkzaamheden overeenkomstig diens bestemming. 2 Een beschikking krachtens het eerste lid bevat een aanwijzing van de natuurlijke of rechtspersoon, in wiens dienst de arbeid moet worden verricht of bij wie de scholing moet worden gevolgd, alsmede van de plaats en tijd van aanvang der werkzaamheden. Zo mogelijk vermeldt zij voorts de waarschijnlijke beloning of toelage en de waarschijnlijke duur van de uit de oproeping voortvloeiende verplichtingen. 3 De burgerdienstplichtige kan niet worden verplicht tot het verrichten van werkzaamheden op plaatsen buiten Nederland. 4 Van een krachtens het eerste lid tot de burgerdienstplichtige gerichte beschikking wordt mededeling gedaan aan de overeenkomstig het tweede lid aangewezen persoon. 5 De burgerdienstplichtige is verplicht van de oproeping binnen driemaal vierentwintig uur mededeling te doen aan degene, die ten tijde van de oproeping zijn werkgever is.
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden. 1 artikel 24, tweede lid De opgeroepen burgerdienstplichtige is verplicht te verschijnen ter plaatse en ten tijde, overeenkomstig, aangewezen. 2 artikel 24, tweede lid De overeenkomstig, aangewezen persoon is verplicht onverwijld aan het Hoofd Arbeidsvoorziening mede te delen, of de opgeroepene al dan niet is verschenen overeenkomstig het eerste lid. 3 artikel 24, tweede lid De opgeroepen burgerdienstplichtige, die niet is verschenen overeenkomstig het eerste lid, is verplicht ter plaatse, overeenkomstig, aangewezen, alsnog zodra mogelijk te verschijnen. 1971 448 23-04-1971 9705
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden. 1 artikel 24, tweede lid De overeenkomstig, aangewezen persoon is verplicht de burgerdienstplichtige voor zover mogelijk de werkzaamheden te laten verrichten, waarvoor deze is opgeroepen. 2 artikel 24, tweede lid De burgerdienstplichtige is verplicht de werkzaamheden, die hem door de overeenkomstig, aangewezen persoon zijn opgedragen, te verrichten. 1971 448 23-04-1971 9705
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden. 1 artikel 25, eerste of derde lid Te rekenen van de dag, waarop een voor arbeid in loondienst opgeroepen burgerdienstplichtige aan zijn verschijningsplicht overeenkomstig, heeft voldaan, bestaat tussen hem en degene, in wiens dienst de arbeid moet worden verricht, een rechtsbetrekking, die voor de toepassing van wettelijke voorschriften geacht wordt een rechtsbetrekking uit arbeidsovereenkomst te zijn. 2 De inhoud van de rechtsbetrekking is zoveel mogelijk gelijk aan de wettelijk geoorloofde inhoud van rechtsbetrekkingen uit arbeidsovereenkomsten voor soortgelijke arbeid bij de betrokken onderneming of instelling of, bij ontbreken van zodanige arbeidsovereenkomsten, aan de wettelijk geoorloofde inhoud van rechtsbetrekkingen uit arbeidsovereenkomsten voor soortgelijke arbeid bij vergelijkbare ondernemingen of instellingen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen daaromtrent nadere regelen worden gesteld. Partijen bij de rechtsbetrekking zijn bevoegd gezamenlijk haar inhoud nader vast te stellen. Op verzoek van de meest gerede partij geschiedt de nadere vaststelling door het Hoofd Arbeidsvoorziening. 3 artikel 31, eerste lid De rechtsbetrekking kan door partijen niet worden beëindigd. Zij neemt van rechtswege een einde, zodra, ten aanzien van de burgerdienstplichtige is toegepast of de betrokkene heeft opgehouden burgerdienstplichtig te zijn. 4 Regelen, gesteld krachtens een algemene maatregel van bestuur op grond van het tweede lid, worden ter openbare kennis gebracht.
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden. 1 artikel 25, eerste of derde lid Te rekenen van de dag, waarop een voor scholing opgeroepen burgerdienstplichtige aan zijn verschijningsplicht overeenkomstig, heeft voldaan, bestaat tussen hem en degene, bij wie de scholing moet worden gevolgd, een rechtsbetrekking als uit een overeenkomst waarbij partijen zich jegens elkaar verbinden enerzijds een scholing te volgen en anderzijds die scholing te geven met betaling van een toelage. 2 Omtrent de inhoud van rechtsbetrekkingen als in het eerste lid bedoeld worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regelen gesteld. Het Hoofd Arbeidsvoorziening kan in afzonderlijke gevallen de inhoud van de rechtsbetrekking nader vaststellen. 3 Onze Minister kan, met inachtneming van de bij algemene maatregel van bestuur daaromtrent gestelde regelen, aan degene, bij wie de scholing moet worden gevolgd, een vergoeding ten laste van de Staat toekennen. 4 Artikel 27, derde lid , is van overeenkomstige toepassing. 5 Regelen, gesteld krachtens een algemene maatregel van bestuur op grond van het tweede lid, worden ter openbare kennis gebracht.
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden. 1 Zolang een opgeroepen burgerdienstplichtige door het voldoen aan de ingevolge de oproeping op hem rustende verplichtingen verhinderd is te voldoen aan de verplichtingen, welke op hem als werknemer in een bestaande arbeidsverhouding rusten, is deze arbeidsverhouding geschorst, doch kan zij door partijen niet worden beëindigd zonder vergunning van het Hoofd Arbeidsvoorziening. 2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld omtrent de gevolgen van de schorsing voor de rechten en verplichtingen uit zodanige arbeidsverhouding. 3 Een vergunning als in het eerste lid bedoeld kan onder beperkingen worden verleend. Aan zodanige vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. 4 Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden. 1 artikel 9 Aan een opgeroepen burgerdienstplichtige, die een persoon is als inbedoeld, wordt voor de tijd, gedurende welke hij door het voldoen aan de ingevolge de oproeping op hem rustende verplichtingen verhinderd is zijn bestaande dienstbetrekking te vervullen, in die betrekking verlof verleend. Bij algemene maatregel van bestuur worden hieromtrent nadere regelen gesteld. 2 Artikel 19, derde lid , is van overeenkomstige toepassing. 1971 448 23-04-1971 9705
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden. 1 artikel 24, tweede lid Het Hoofd Arbeidsvoorziening kan een opgeroepen burgerdienstplichtige van de ingevolge de oproeping op hem rustende verplichtingen te allen tijde, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de burgerdienstplichtige of van de overeenkomstig, aangewezen persoon, ontslaan. 2 artikel 24, tweede lid Van een krachtens het eerste lid tot de burgerdienstplichtige gerichte beschikking wordt mededeling gedaan aan de overeenkomstig, aangewezen persoon. 3 artikel 24, vijfde lid De burgerdienstplichtige is verplicht van de intrekking van de oproeping binnen driemaal vierentwintig uur mededeling te doen aan de in, bedoelde persoon, zo deze nog zijn werkgever is.
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden. 1 Onze Minister kan bepalen, dat het burgerdienstplichtigen verboden is het land te verlaten zonder door hem verleende vergunning. 2 Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. 3 a artikel 22, tweede lid, onder Een krachtens het eerste lid gesteld verbod geldt mede voor degenen, die op grond van, van burgerdienstplicht vrijgesteld zijn. 4 Een besluit omtrent het in het eerste lid bedoelde verbod wordt ter openbare kennis gebracht.
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden. 1 Onze Minister kan in bij algemene maatregel van bestuur daartoe aangewezen gevallen met inachtneming van de bij zodanige maatregel gestelde regelen aan een burgerdienstplichtige de verplichting opleggen tot huisvesting in een bij zijn beschikking aangewezen verblijfplaats. 2 Binnen drie maanden na het in werking treden van een algemene maatregel van bestuur als in het eerste lid bedoeld doen Wij een voorstel van wet aan de Staten-Generaal tot vervanging daarvan. De vervanging geschiedt in de vorm van vaststelling van de regeling, al dan niet gewijzigd, bij de wet. Wordt het voorstel ingetrokken of verworpen, dan vervallen de algemene maatregel van bestuur en de krachtens deze genomen maatregelen met ingang van de veertiende dag na die, waarop de intrekking of verwerping heeft plaats gehad. 3 Onze Minister kan regelen stellen omtrent de orde in de verblijfplaatsen. 4 Een krachtens het derde lid vastgestelde besluit wordt ter openbare kennis gebracht.
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden. 1 Onze Minister kan ten aanzien van ondernemingen, die behoren tot bij zijn beschikking aangewezen categorieën dan wel bij zijn beschikking afzonderlijk zijn aangewezen, vrijstelling onderscheidenlijk ontheffing verlenen van verplichtingen en verboden, gesteld bij of krachtens wettelijke voorschriften ter zake van de beperking van de arbeidsduur en van de veiligheid en de hygiëne bij de arbeid. 2 Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kan ten aanzien van ondernemingen die behoren tot bij zijn beschikking aangewezen categorieën dan wel bij zijn beschikking afzonderlijk zijn aangewezen, vrijstelling onderscheidenlijk ontheffing verlenen van verplichtingen en verboden, gesteld bij of krachtens wettelijke voorschriften ter zake van het tegengaan van gevaar, schade en hinder, teweeggebracht door inrichtingen. 3 Een vrijstelling of ontheffing kan onder beperkingen, alsmede voorwaardelijk worden verleend; zij kan te allen tijde worden ingetrokken. Indien een vrijstelling of ontheffing voorwaardelijk is verleend, geldt zij slechts voor zover de gestelde voorwaarden worden nageleefd. 4 Een krachtens het eerste lid vastgesteld besluit omtrent vrijstelling wordt ter openbare kennis gebracht.
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 artikel 6:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vanwordt een bezwaarschrift tegen een besluit van Onze Minister of Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ingediend bij het Hoofd Arbeidsvoorziening. 1995 250 16-05-1995 26-04-1995 23780 1995 250 16-05-1995 26-04-1995 23780 17-05-1995
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 Vervallen 1993 650 30-12-1993 16-12-1993 22495 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 1 Op een ingekomen bezwaarschrift, gericht tegen een beschikking van het Hoofd Arbeidsvoorziening, neemt deze, zo hij terstond de aangevoerde bezwaren gegrond acht, zo spoedig mogelijk een beslissing. 2 artikel 4, tweede lid Indien het Hoofd Arbeidsvoorziening niet terstond de aangevoerde bezwaren gegrond acht, brengt hij het bezwaarschrift onverwijld ter kennis van de in, bedoelde commissie. Deze brengt zo spoedig mogelijk advies uit. 3 Indien het Hoofd Arbeidsvoorziening zich met het door de commissie uitgebrachte advies kan verenigen, neemt hij zo spoedig mogelijk dienovereenkomstig een beslissing. 4 Indien het Hoofd Arbeidsvoorziening zich met het door de commissie uitgebrachte advies niet kan verenigen, doet hij het bezwaarschrift, tezamen met dat advies en zijn oordeel ter zake, onverwijld aan Onze Minister toekomen. Onze Minister neemt zo spoedig mogelijk een beslissing. 1971 448 23-04-1971 9705 1971 448 23-04-1971 9705 30-07-1971
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 artikel 4, tweede lid Een bezwaarschrift, gericht tegen een beschikking van Onze Minister of Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, wordt door het Hoofd Arbeidsvoorziening onverwijld ter kennis van de in, bedoelde commissie gebracht. Deze brengt zo spoedig mogelijk advies uit. 1993 650 30-12-1993 16-12-1993 22495 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 Vervallen 1993 650 30-12-1993 16-12-1993 22495 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 1 Een door Onze Minister of Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer genomen beslissing wordt aan het Hoofd Arbeidsvoorziening medegedeeld. 2 artikel 38, tweede lid 39 artikel 4, tweede lid Voordat een advies als bedoeld in, ofwordt uitgebracht, hoort de in, bedoelde commissie zo mogelijk de belanghebbende. 1993 650 30-12-1993 16-12-1993 22495 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 Het Hoofd Arbeidsvoorziening is bevoegd personen op te roepen om voor hem of voor door hem daarbij aangewezen personen te verschijnen: a. tot het geven van inlichtingen, die naar zijn redelijk oordeel in het belang van de uitvoering van deze wet nodig zijn; b. tot het overleggen van bescheiden, waarvan raadpleging naar zijn redelijk oordeel in het belang van de uitvoering van deze wet nodig is; c. artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet hoofdstuk II, paragraaf 4 voor zover het personen betreft, die de leeftijd van achttien jaar, maar nog niet de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, hebben bereikt: tot het ondergaan van een onderzoek naar hun geschiktheid voor het verrichten van werkzaamheden ingevolge. 2012 361 08-08-2012 02-08-2012 2012 329 18-07-2012 12-07-2012 01-01-2013 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd in werking treedt.
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 1 Staatscourant Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren. Zij zijn tevens belast met het inwinnen van gegevens in het belang van de uitvoering van deze wet. Van een besluit als bedoeld in de eerste volzin wordt mededeling gedaan door plaatsing in de. 2 De toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 1 artikel 42 a c Ieder, die krachtensis opgeroepen, is verplicht ter plaatse en ten tijde, bij de oproeping aangewezen, te verschijnen en desverlangd de in dat artikel, onder-, bedoelde medewerking te verlenen. De verstrekking van de in dat artikel bedoelde inlichtingen dient volledig en naar waarheid te geschieden. 2 artikel 42 Het Hoofd Arbeidsvoorziening is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 Vervallen 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 Vervallen 1999 30 16-02-1999 28-01-1999 25836 1999 40 16-02-1999 04-02-1999 25836 17-02-1999
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 1 artikel 2, derde en vierde lid paragraaf 1 2 van hoofdstuk II artikelen 7, tweede lid 8, tweede lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden Indien door een besluit als bedoeld in, van deze wet dan wel bij een besluit als bedoeld in de, en, de werking vanofwordt beëindigd, kan bij dat besluit worden bepaald, dat ten aanzien van de arbeidsverhoudingen, waarvoor krachtens die paragraaf maatregelen van kracht zijn, het bij en krachtens die paragraaf bepaalde gedurende een bij dat besluit vast te stellen tijd van toepassing blijft. 2 artikel 2, derde en vierde lid paragraaf 3 4 van hoofdstuk II artikel 24 artikelen 7, tweede lid 8, tweede lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden Indien door een besluit, als bedoeld in, van deze wet dan wel bij een besluit als bedoeld in de, en, de werking vanofwordt beëindigd, kan bij dat besluit worden bepaald, dat ten aanzien van degenen die op grond van die paragraaf tot onmisbaar werknemer zijn verklaard, onderscheidenlijk een krachtensopgeroepen burgerdienstplichtige zijn, het bij en krachtens die paragraaf bepaalde gedurende een bij dat besluit vast te stellen tijd van toepassing blijft. 3 artikel 2, derde en vierde lid paragraaf 5 van hoofdstuk II artikelen 7, tweede lid, en 8, tweede lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden Indien door een besluit als bedoeld in, van deze wet dan wel bij een besluit als bedoeld in de, de werking vanwordt beëindigd, kan bij dat besluit met betrekking tot, op grond van die paragraaf verleende, van kracht zijnde vrijstellingen en ontheffingen worden bepaald, dat deze te hunnen aanzien gedurende een bij dat besluit vast te stellen tijd van toepassing blijven. 1996 366 09-07-1996 03-04-1996 23791 1997 172 29-04-1997 23-04-1997 01-05-1997 Een of meer paragrafen van hoofdstuk ll kunnen volgens artikel
7, eerste lid en artikel 8, eerste lid van de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden in beperkte en in algemene noodtoestand
in werking worden gesteld.
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 artikel 24 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld omtrent voorzieningen bij ziekte, ongeval, invaliditeit en overlijden, verband houdende met het volgen van een scholing op grond van een oproeping krachtens. 1971 448 23-04-1971 9705 1971 448 23-04-1971 9705 30-07-1971
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van de wet nadere regeling behoeven, kan deze geschieden bij algemene maatregel van bestuur. 1971 448 23-04-1971 9705 1971 448 23-04-1971 9705 30-07-1971
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 1 Het bij of krachtens deze wet bepaalde is, voor zover het betrekking heeft op werknemers of op burgerdienstplichtigen, niet van toepassing ten aanzien van: a. de leden van de Hoge Colleges van Staat, Onze Ministers, de Staatssecretarissen en de leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast; b. de leden van provinciale staten en van gemeenteraden; c. degenen, die in werkelijke militaire dienst zijn of in militaire dienst opgeroepen zijn; d. paragraaf 12 van de Wet veiligheidsregio’s artikel 1 van genoemde wet degenen die onder verantwoordelijkheid van het met betrekking tot de bestrijding van rampen en zware ongevallen bevoegd gezag, hetzij in het verband van de organisatie waarbij zij zijn aangesteld, hetzij op verzoek of op bevel van dat bevoegd gezag, in buitengewone omstandigheden als bedoeld indienen deel te nemen aan het bestrijden van een ramp of een zwaar ongeval als bedoeld in; e. bekleders van een geestelijk ambt of diegenen die een opleiding tot een dergelijk ambt volgen; f. degenen, die bij algemene maatregel van bestuur daartoe aangewezen openbare ambten bekleden. 2 e Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld ter nadere bepaling van de in het eerste lid, onder, bedoelde categorie van personen. 2010 146 01-04-2010 11-03-2010 31968 2010 252 01-07-2010 24-06-2010 01-10-2010
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 artikel 24 van de Inkwartieringswet artikel 61 van de Luchtvaartwet artikel 29 van de Oorlogswet voor Nederland Stb. Stb. Stb. Stb. Degenen, die werkzaamheden moeten verrichten ingevolge een vordering op grond van(1953, 305), een opdracht op grond van(1958, 47), dan wel een oproeping op grond van(1964, 337) of artikel 1, onder 6°, van de Bevoegdhedenwet (1902, 54), zijn, zolang bedoelde verplichting duurt, van de verplichtingen, welke ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde op hen rusten, ontheven. 1977 162 05-03-1977 1977 162 05-03-1977 25-04-1977
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 paragraaf 3 4 van hoofdstuk II Zolangofin werking is, geschieden de oproepingen krachtens artikel 1, onder 6°, van de Bevoegdhedenwet zo mogelijk na overleg met het Hoofd Arbeidsvoorziening. 1977 162 05-03-1977 1977 162 05-03-1977 25-04-1977
Artikel 52a — Artikel 52a#
Artikel 52a Vervallen 2001 625 18-12-2001 29-11-2001 27665 2001 682 27-12-2001 13-12-2001 27665 01-01-2002
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 artikel 11, derde lid 23, vierde lid 24, vijfde lid 25, tweede lid 31, derde lid 33, eerste of derde lid artikel 49 Een gedraging die in strijd is met het bij of krachtens,,,,,, bepaalde, alsmede een gedraging die in strijd is met het krachtensbepaalde, voor zover zij daarbij is aangeduid als strafbaar feit, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van de tweede categorie. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 artikel 7, eerste of tweede lid 10, eerste of tweede lid 11, eerste lid 14, eerste lid 15, eerste of tweede lid 25, eerste of derde lid 26, eerste of tweede lid 32, eerste of tweede lid artikel 9, tweede lid 12, tweede lid 21, tweede lid Een gedraging die in strijd is met het bij of krachtens,,,,,,, of, bepaalde, alsmede een gedraging die in strijd is met het krachtens,, of, bepaalde, voor zover zij daarbij is aangeduid als strafbaar feit, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 artikel 25, eerste of derde lid 32, eerste of tweede lid Opzettelijke overtreding van het bij of krachtens, of, bepaalde wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste één jaar of geldboete van de derde categorie. 1988 77 11-02-1988 19803 1988 172 20-04-1988 30-04-1988
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 artikel 13 artikel 24 Met gevangenisstraf van ten hoogste één jaar of geldboete van de derde categorie wordt gestraft hij die, krachtensals werknemer onmisbaar verklaard of krachtensals burgerdienstplichtige opgeroepen: a. opzettelijk of ondanks waarschuwing roekeloos zichzelf, anderen of de eigendom van degene, in wiens dienst of voor wie, dan wel bij wie hij in deze hoedanigheid arbeid moet verrichten, onderscheidenlijk een scholing moet volgen, aan ernstig gevaar blootstelt, dan wel b. a opzettelijk en grovelijk de plichten veronachtzaamt, welke voor hem uit zijn rechtsbetrekking met de onderbedoelde persoon voortvloeien. 1988 77 11-02-1988 19803 1988 172 20-04-1988 30-04-1988
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 1 artikelen 53 54 De feiten, strafbaar gesteld bij deen, zijn overtredingen. 2 artikelen 55 56 De feiten, strafbaar gesteld bij deen, zijn misdrijven. 1971 448 23-04-1971 9705 1971 448 23-04-1971 9705 30-07-1971
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 De voorgaande strafbepalingen zijn mede van toepassing op de Nederlander of de inwoner van Nederland, die een strafbaar feit begaat buiten Nederland. 1971 448 23-04-1971 9705 1971 448 23-04-1971 9705 30-07-1971
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 Vervallen 1976 377 23-06-1976 13655 1976 377 23-06-1976 13655 01-09-1976
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 1 artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering artikel 43 Met het opsporen van de feiten, bij deze wet strafbaar gesteld, zijn behalve de ambtenaren, aangewezen bij, belast de krachtensaangewezen ambtenaren, voor zover zij door Onze Minister van Justitie daartoe zijn aangewezen. 2 Bij het opsporen van een bij deze wet strafbaar gesteld feit hebben de in het eerste lid bedoelde ambtenaren toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. 1994 573 22-06-1994 22539 1994 683 02-09-1994 01-10-1994
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1971 448 23-04-1971 9705 1971 448 23-04-1971 9705 30-07-1971
Artikel 62 — Artikel 62#
Artikel 62 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1971 448 23-04-1971 9705 1971 448 23-04-1971 9705 30-07-1971
Artikel 63 — Artikel 63#
Artikel 63 Deze wet kan worden aangehaald als: Noodwet Arbeidsvoorziening. 1971 448 23-04-1971 9705 1971 448 23-04-1971 9705 30-07-1971
Artikel 64 — Artikel 64#
Artikel 64 hoofdstuk II Staatsblad Deze wet treedt, met uitzondering van, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het, waarin zij wordt geplaatst. 1971 448 23-04-1971 9705 1971 448 23-04-1971 9705 30-07-1971