Wet van 22 november 1972, houdende regeling van het financieel statuut van het Koninklijk Huis
- BWB-id
- BWBR0002845
- Type
- Wet
- Ministerie
- Algemene Zaken
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2024-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0002845
- ELI
- /eli/nl/wet/1973/wet-financieel-statuut-van-het-koninklijk-huis
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1973/wet-financieel-statuut-van-het-koninklijk-huis/2024-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0002845&g=2024-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0002845&z=2026-06-06&g=2024-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0002845/2024-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1973/wet-financieel-statuut-van-het-koninklijk-huis
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 De Koning en de na te noemen andere leden van het Koninklijk Huis ontvangen jaarlijks de volgende geldelijke uitkeringen: de Koning € 4 757 359 de echtgenote van de Koning € 821 946 de vermoedelijke opvolger van de Koning, te rekenen vanaf de leeftijd van 18 jaar € 1 281 313 de echtgenote of de echtgenoot van de vermoedelijke opvolger van de Koning € 578 077 de Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan € 1 288 730 de echtgenoot of de echtgenote van de Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan € 492 918 vermeerderd of verminderd in elk jaar waarover de uitkering wordt genoten: – voor het gedeelte van de uitkering dat betrekking heeft op het inkomensbestanddeel, vermeld onder A van de in het tweede lid opgenomen tabel, in de verhouding waarin de bezoldiging van de vice-president van de Raad van State in dat jaar afwijkt van de bezoldiging in het jaar 2007; – voor de helft van het gedeelte van de uitkering dat betrekking heeft op personele en materiële kosten, vermeld onder B van de in het tweede lid opgenomen tabel, in de verhouding waarin de bezoldiging van het burgerlijk rijkspersoneel afwijkt van deze bezoldiging in het jaar 2007 en voor de andere helft in de verhouding waarin het algemeen prijspeil van het gezinsverbruik blijkens de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde consumentenprijsindex in de maand juni van dat jaar afwijkt van dat prijspeil in de maand juni van het jaar 2007. 2 De in het eerste lid bedoelde gedeelten van de uitkeringen zijn voor elk van de in dat lid genoemde personen: A B I. De Koning € 764 304 € 3 993 055 II. De echtgenoot of echtgenote van de Koning € 302 948 € 518 988 III. De vermoedelijke opvolger van de Koning € 226 460 € 1 054 853 IV. De echtgenoot of echtgenote van de vermoedelijke opvolger van de Koning € 226 460 € 351 617 V. De Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan € 431 794 € 856 936 VI. De echtgenoot of echtgenote van de Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan € 207 272 € 285 646 3 In dit artikel wordt onder echtgenote van de Koning mede verstaan de echtgenoot van de Koningin, draagster van de Kroon. 2008 535 18-12-2008 20-11-2008 31505 2008 535 18-12-2008 20-11-2008 31505 01-01-2009
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Indien de Koning overlijdt, ontvangt de overlevende echtgenoot of echtgenote, zolang deze lid is van het koninklijk huis,: a. artikel 1, tweede lid, onder B gedurende de eerste twee jaren na het overlijden jaarlijks de geldelijke uitkering die hij of zij zou hebben ontvangen indien het overlijden niet zou hebben plaats gehad, vermeerderd met een kwart van het in, vermelde gedeelte van de uitkering van de Koning of, indien één van de wettige nakomelingen van de overleden Koning de minderjarige Koning is, gedurende de periode van diens minderjarigheid binnen de genoemde periode van de eerste twee jaren na het overlijden een jaarlijkse geldelijke uitkering ter hoogte van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning; b. na de in onderdeel a bedoelde periode van twee jaren na het overlijden een jaarlijkse geldelijke uitkering ter hoogte van de helft van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning of, indien na de in onderdeel a bedoelde periode van twee jaren na het overlijden één of meer van de wettige nakomelingen van de overleden Koning minderjarig is, gedurende de minderjarigheid van deze nakomeling of nakomelingen, een jaarlijkse geldelijke uitkering ter hoogte van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning. 2 Indien de vermoedelijke opvolger van de Koning overlijdt, ontvangt de overlevende echtgenoot of echtgenote, zolang deze lid is van het koninklijk huis,: a. indien op het moment van overlijden van de vermoedelijke opvolger van de Koning één of meer van diens wettige nakomelingen minderjarig is, gedurende de minderjarigheid van deze nakomeling of nakomelingen een jaarlijkse geldelijke uitkering ter hoogte van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning en na deze periode een jaarlijkse geldelijke uitkering ter hoogte van de helft van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning; b. artikel 1, tweede lid, onder B indien geen toepassing wordt gegeven aan onderdeel a, gedurende de eerste twee jaren na het overlijden de jaarlijkse geldelijke uitkering die hij of zij zou hebben ontvangen indien het overlijden niet zou hebben plaats gehad, vermeerderd met een kwart van het in, vermelde gedeelte van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning en na deze periode een jaarlijkse geldelijke uitkering ter hoogte van de helft van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning. 3 Indien de Koning die afstand heeft gedaan van het koningschap overlijdt, ontvangt de overlevende echtgenoot of echtgenote, zolang deze lid is van het koninklijk huis,: a. indien op het moment van overlijden van de Koning die afstand heeft gedaan van het koningschap één of meer van diens wettige nakomelingen minderjarig is, gedurende de minderjarigheid van deze nakomeling of nakomelingen, een jaarlijkse geldelijke uitkering ter hoogte van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning en na deze periode een jaarlijkse geldelijke uitkering ter hoogte van de helft van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning; b. artikel 1, tweede lid, onder B indien geen toepassing wordt gegeven aan onderdeel a van dit lid, gedurende de eerste twee jaren na het overlijden de jaarlijkse geldelijke uitkering die hij of zij zou hebben ontvangen indien het overlijden niet zou hebben plaats gehad, vermeerderd met een kwart van het in, vermelde gedeelte van de uitkering van de Koning die afstand heeft gedaan van het koningschap en na deze periode een jaarlijkse geldelijke uitkering ter hoogte van de helft van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning. 4 artikel 1, tweede lid, onder A In de in het eerste lid, onder b, en in het tweede lid, onder a en b, genoemde gevallen waarin is bepaald dat de overlevende echtgenoot of echtgenote een jaarlijkse geldelijke uitkering ontvangt ter hoogte van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning onderscheidenlijk ter hoogte van de helft van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning, is het gedeelte van de jaarlijkse geldelijke uitkering dat betrekking heeft op het inkomensbestanddeel in alle gevallen gelijk aan het in, vermelde gedeelte van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning. Het overige gedeelte van de jaarlijkse geldelijke uitkering heeft betrekking op de materiële en personele kosten. 5 artikel 1, tweede lid, onder B artikel 1, tweede lid, onder A In de in het eerste, tweede en derde lid genoemde gevallen waarin is bepaald dat de overlevende echtgenoot of echtgenote gedurende de eerste twee jaar na het overlijden de jaarlijkse geldelijke uitkering ontvangt die hij of zij zou hebben ontvangen indien het overlijden niet zou hebben plaatsgehad, vermeerderd met een kwart van het in, vermelde gedeelte van de uitkering van de overledene alsmede het andere in het eerste lid, onder a, genoemde geval en de overige in het derde lid, onder a en b, genoemde gevallen, is het gedeelte van de jaarlijkse geldelijke uitkering dat betrekking heeft op het inkomensbestanddeel in alle gevallen gelijk aan het in, vermelde gedeelte van de uitkering dat de overlevende echtgenoot of echtgenote ontving voordat het overlijden plaatsvond. Het overige gedeelte van de jaarlijkse geldelijke uitkering heeft betrekking op de materiële en personele kosten. 2008 535 18-12-2008 20-11-2008 31505 2008 535 18-12-2008 20-11-2008 31505 01-01-2009
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 artikelen 1 2 Personele en materiële kosten die samenhangen met het koningschap, niet zijnde de uitkeringen die op grond van deenworden verstrekt, worden bekostigd uit de begroting van het Rijk voor zover deze hiervoor een voorziening bevat en nadat de kosten door of vanwege de Koning daartoe door tussenkomst van Onze Minister-President bij Onze minister die het aangaat zijn gedeclareerd. 2008 535 18-12-2008 20-11-2008 31505 2008 535 18-12-2008 20-11-2008 31505 01-01-2009
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 Aan de Koning worden ten laste van het Rijk het paleis Noordeinde te ’s-Gravenhage, het paleis Huis ten Bosch te ’s-Gravenhage en het paleis op de Dam te Amsterdam tot gebruik ter beschikking gesteld. 2 Bij koninklijk besluit kunnen aan de Koning ten laste van het Rijk daarnaast tijdelijk andere woon- en werkverblijven tot gebruik ter beschikking worden gesteld. 3 Indien de Koning overlijdt, kan bij koninklijk besluit aan de overlevende echtgenoot of echtgenote, zolang deze lid is van het koninklijk huis, ten laste van het Rijk een woonverblijf tot gebruik ter beschikking worden gesteld. 4 Bij koninklijk besluit kan aan de vermoedelijke opvolger van de Koning onderscheidenlijk aan de Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan ten laste van het Rijk een woonverblijf tot gebruik ter beschikking worden gesteld. In dit besluit kan worden bepaald dat indien de vermoedelijke opvolger van de Koning onderscheidenlijk de Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan overlijdt, het woonverblijf aan de overlevende echtgenoot of echtgenote, zolang deze lid is van het koninklijk huis, tot gebruik ter beschikking wordt gesteld. 5 Staatsblad Een koninklijk besluit, strekkende tot de uitvoering van het tweede tot en met vierde lid, wordt in hetgeplaatst. 2008 535 18-12-2008 20-11-2008 31505 2008 535 18-12-2008 20-11-2008 31505 01-01-2009
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Vervallen 2008 535 18-12-2008 20-11-2008 31505 2008 535 18-12-2008 20-11-2008 31505 01-01-2009
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 Stb. Omgevingswet Ten aanzien van de Staatsdomeinen blijft het genot van de jacht, bij het in werking treden van deze wet behorende tot of voortvloeiende uit het Kroondomein, bedoeld in de wet van 1 mei 1863,43, afgestaan aan de Koning; deze is jachthouder in de zin van de. 2 Wijzigt de Jachtwet 1954. 2020 310 04-09-2020 08-07-2020 34985 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 Wijzigt de Wet op het Kroondomein 1959 1972 701 22-11-1972 11848 1972 701 22-11-1972 11848 01-01-1973
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 Stb. De wet van 5 maart 1952,99, wordt ingetrokken. 1972 701 22-11-1972 11848 1972 701 22-11-1972 11848 01-01-1973
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 Deze wet kan worden aangehaald als: Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis. 1972 701 22-11-1972 11848 1972 701 22-11-1972 11848 01-01-1973
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1973. 1972 701 22-11-1972 11848 1972 701 22-11-1972 11848 01-01-1973
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 Vervallen 2008 535 18-12-2008 20-11-2008 31505 2008 535 18-12-2008 20-11-2008 31505 01-01-2009
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 Vervallen 2008 535 18-12-2008 20-11-2008 31505 2008 535 18-12-2008 20-11-2008 31505 01-01-2009