Wet van 20 januari 1976, tot verbetering van de rechtspositie van militairen die zich gedurende de vijandelijke bezetting van Nederland aan krijgsgevangenschap hebben onttrokken en van die van hun nagelaten betrekkingen
- BWB-id
- BWBR0003015
- Type
- Wet
- Ministerie
- Defensie
- Geldigheid
- Geldend vanaf 1990-07-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0003015
- ELI
- /eli/nl/wet/1976/wet-verbetering-rechtspositie-verzetsmilitairen
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1976/wet-verbetering-rechtspositie-verzetsmilitairen/1990-07-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0003015&g=1990-07-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0003015&z=2026-06-06&g=1990-07-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0003015/1990-07-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1976/wet-verbetering-rechtspositie-verzetsmilitairen
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan en begrepen onder: a. "militair": degene, die op 10 mei 1940 als militair onder de wapenen was; b. "verzetsorganisatie": 1. Stb. de op de voet van het Koninklijk Besluit van 5 september 1944,E 62, erkende verzetsorganisaties; 2. andere bij de Pensioen- en Uitkeringsraad dan wel de Stichting 1940-1945 als zodanig bekende verzetsgroepen; c. a "verzetsmilitair": de onderbedoelde militair die tijdens de vijandelijke bezetting van Nederland of door daad en houding of als behorende tot een verzetsorganisatie heeft deelgenomen aan het binnenlands verzet en voor 1 januari 1947 wederom onder de wapenen is gekomen; d. a "ondergedoken militair": de onderbedoelde militair die vanwege het zich onttrekken aan feitelijke krijgsgevangenschap is ondergedoken en voor 1 januari 1947 wederom onder de wapenen is gekomen. 2 Als verzetsmilitair onderscheidenlijk ondergedoken militair wordt eveneens aangemerkt de militair die voor 1 januari 1947 is overleden ten gevolge van de ontberingen gedurende de oorlog ondervonden, doch die overigens voldoet aan de omschrijving van verzetsmilitair onderscheidenlijk ondergedoken militair en die, ware hij niet overleden doch op het tijdstip van zijn overlijden uit militaire dienst ontslagen, aan dat ontslag een recht of een uitzicht op pensioen zou hebben ontleend aan een van de vroegere militaire pensioenwetten in de zin van de Algemene militaire pensioenwet. 1990 324 27-06-1990 21512 1990 324 27-06-1990 21512 01-07-1990
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 De tijd gedurende welke een verzetsmilitair aangesloten is geweest bij een verzetsorganisatie en de tijd gedurende welke hij zich tengevolge van het behoren tot een verzetsorganisatie of tengevolge van zijn deelname aan het binnenlands verzet door daad en houding in gevangenschap heeft bevonden gedurende de vijandelijke bezetting van Nederland, krijgsgevangenschap daaronder niet begrepen, tot de dag van zijn wederom onder de wapenen komen wordt voor de toepassing van de Algemene militaire pensioenwet en van de vroegere militaire pensioenwetten in de zin van die wet geacht onder de wapenen te zijn doorgebracht. 2 De tijd gedurende welke een ondergedoken militair zich in gevangenschap heeft bevonden ter zake van het zich onttrekken aan krijgsgevangenschap gedurende de vijandelijke bezetting van Nederland, krijgsgevangenschap daaronder niet begrepen, tot de dag van zijn bevrijding uit die gevangenschap dan wel indien zijn terugkeer in Nederland op een later tijdstip viel, tot dat tijdstip, wordt voor de toepassing van de Algemene militaire pensioenwet en van de vroegere militaire pensioenwetten in de zin van die wet geacht onder de wapenen te zijn doorgebracht. 3 artikel D4 van de Algemene militaire pensioenwet De tijd, gedurende welke een verzetsmilitair aangesloten is geweest bij een verzetsorganisatie alsmede de gevangenschapstijd, zoals bedoeld in het eerste en tweede lid, tellen dubbel in de zin vanen overeenkomstige bepalingen in vroegere militaire pensioenwetten in de zin van die wet doch uiterlijk tot 5 mei 1945 dan wel indien de bevrijding uit gevangenschap op een later tijdstip plaatsvond, tot dat tijdstip. 4 artikel D4 van de Algemene militaire pensioenwet De militairen, die hebben behoord tot de Binnenlandse Strijdkrachten worden voor de duur, dat zij zich als zodanig in bezet gebied bevonden, geacht te hebben deelgenomen aan krijgsverrichtingen. De in de vorige volzin bedoelde tijd van deelneming aan krijgsverrichtingen telt dubbel in de zin vanen overeenkomstige bepalingen in de vroegere militaire pensioenwetten in de zin van die wet. 5 De dubbeltelling, bedoeld in het derde en het vierde lid is niet van toepassing op het deel van de tijd, dat bij de berekening zowel van een pensioen krachtens de Algemene militaire pensioenwet of een vroegere militaire pensioenwet in de zin van die wet als van een pensioen of een onderstand bij wijze van pensioen ten laste van: in aanmerking is of zal worden genomen. 1°. Nederland; 2°. de Nederlandse Antillen of Aruba; 3°. de Republiek Suriname; 4°. de Republiek Indonesië; 5°. een publiekrechtelijk lichaam in een van genoemde gebieden of een fonds, ingesteld door het openbaar gezag in een van die gebieden, 1985 662 12-12-1985 19111 1985 663 13-12-1985 01-01-1986
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 artikel 2, eerste en tweede lid Ziekten of gebreken in verband met of tengevolge van deelname aan het verzet of het zich in gevangenschap bevinden, als is bedoeld in, feitelijke krijgsgevangenschap daaronder niet begrepen, worden ten aanzien van de verzetsmilitair en de ondergedoken militair voor de toepassing van de Algemene militaire pensioenwet en de vroegere militaire pensioenwetten in de zin van die wet aangemerkt als ziekten of gebreken ten aanzien waarvan verband bestaat met de uitoefening van de militaire dienst. 2 Het verband met of het gevolg van deelname aan het verzet of het zich in gevangenschap bevinden, bedoeld in het eerste lid, wordt in elk geval geacht aanwezig te zijn, indien de verzetsmilitair of de ondergedoken militair: a. artikel 4, derde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 Stb. tijdens de bezetting of in aansluiting daarop in verband met het verzet of het zich onttrekken aan krijgsgevangenschap drie maanden of langer in gevangenschap heeft doorgebracht dan wel naar het oordeel van Onze Minister van Defensie, de Pensioen- en Uitkeringsraad op de voet van(1947, H313) gehoord, in verband met de aard van zijn verzetsactiviteiten aan buitengewoon zware en langdurige spanningen heeft blootgestaan en b. voor ten minste zestig procent invalide is en deze invaliditeit niet duidelijk uit andere oorzaken dan het verzet is ontstaan. 3 Bij toepassing van het tweede lid wordt rekening gehouden met de inzichten en ervaringen van de medische wetenschap met betrekking tot de relatie tussen het verzet en de geestelijke en lichamelijke gezondheidstoestand. 1990 324 27-06-1990 21512 1990 324 27-06-1990 21512 01-07-1990
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Deze wet is niet van toepassing ten aanzien van de militair, die zich tijdens de vijandelijke bezetting van het Rijk in Europa uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen. 1981 723 02-12-1981 14913 1981 723 02-12-1981 14913 01-03-1976
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Uitkeringswet gewezen militairen Aan de tijd, welke krachtens deze wet wordt geacht onder de wapenen te zijn doorgebracht kunnen uit hoofde van deze wet geen andere aanspraken worden ontleend dan die op eigen, weduwen- en wezenpensioen krachtens de Algemene militaire pensioenwet of een vroegere militaire pensioenwet in de zin van die wet dan wel krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet, de Spoorwegpensioenwet of de wetten voor welke genoemde wetten in de plaats zijn getreden, danwel die op uitkering krachtens deof de Regeling uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag. 1981 723 02-12-1981 14913 1981 723 02-12-1981 14913 01-03-1976
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 Beslissingen inzake pensioen, genomen krachtens de Algemene militaire pensioenwet of een vroegere militaire pensioenwet in de zin van die wet dan wel krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet of de Spoorwegpensioenwet of de wetten voor welke genoemde wetten in de plaats zijn getreden, worden met toepassing van deze wet herzien op schriftelijk verzoek van belanghebbende, gericht tot Onze Minister van Defensie, het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds of de directie van het Spoorwegpensioenfonds al naar gelang de beslissing tot herziening door Onze genoemde Minister, door het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds of door de directie van het Spoorwegpensioenfonds dient te worden genomen. De herziening gaat in op het tijdstip van het in werking treden van deze wet, tenzij het verzoek om herziening is ingekomen meer dan een jaar na bedoeld tijdstip, in welk geval artikel U 1 van de Algemene militaire pensioenwet en de daarmede overeenkomende artikelen van de andere in de eerste volzin genoemde pensioenwetten van overeenkomstige toepassing zijn. 2 Uitkeringswet gewezen militairen Beslissingen inzake de uitkering krachtens dedan wel krachtens de regeling Uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag worden met toepassing van deze Wet door Onze Minister van Defensie, respectievelijk Onze Minister van Binnenlandse Zaken ambtshalve herzien. 1987 568 17-12-1987 19411 1987 577 18-12-1987 01-11-1988
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 Op beslissingen krachtens deze wet genomen zijn de bepalingen van Hoofdstuk W en de artikelen X 1 en X 2 van de Algemene militaire pensioenwet en de daarmede overeenkomende hoofdstukken en artikelen van de Algemene burgerlijke pensioenwet en de Spoorwegpensioenwet van toepassing. 1976 19 20-01-1976 13271 1976 88 23-02-1976 01-03-1976
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 Beslissingen in verband met de toepassing van deze wet worden genomen door Onze Minister van Defensie. 1983 610 26-10-1983 18023 1983 610 26-10-1983 18023 31-12-1983
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 Ter uitvoering van deze wet kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere regelen worden gesteld. 1981 723 02-12-1981 14913 1981 723 02-12-1981 14913 01-03-1976
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Deze wet kan worden aangehaald als: Wet verbetering rechtspositie verzetsmilitairen. 1981 723 02-12-1981 14913 1981 723 02-12-1981 14913 01-03-1976
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip. 1981 723 02-12-1981 14913 1981 723 02-12-1981 14913 01-03-1976