Wet van 22 mei 1981, houdende regelen inzake het onttrekken van grondwater en het kunstmatig infiltreren van water in de bodem
- BWB-id
- BWBR0003406
- Type
- Wet
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- 2006-03-08 t/m 2009-12-21
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0003406
- ELI
- /eli/nl/wet/1981/grondwaterwet
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1981/grondwaterwet/2006-03-08
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0003406&g=2006-03-08
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0003406&z=2026-06-06&g=2006-03-08
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0003406/2006-03-08
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1981/grondwaterwet
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: "Onze Minister": Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; "een inrichting": een inrichting of werk, bestemd tot het onttrekken van grondwater; "onttrekken van grondwater": onttrekken van grondwater door middel van een inrichting; "infiltreren van water": water in de bodem brengen ter aanvulling van het grondwater met het oog op het onttrekken van grondwater. 2 Inrichtingen tot het onttrekken van grondwater die een samenhangend geheel vormen, worden als één inrichting aangemerkt. 3 Deze wet is niet van toepassing op het onttrekken van grondwater: a. bij de ontwatering of afwatering van gronden; b. artikel 1 van de Mijnbouwwet bij of ten behoeve van het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte in de zin van, voorzover het onttrekken op een diepte van meer dan 500 meter beneden de oppervlakte van de aardbodem plaatsvindt. 2002 542 14-11-2002 31-10-2002 26219 2002 603 17-12-2002 06-12-2002 01-01-2003
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Vervallen 1994 759 15-09-1994 23550 1994 759 15-09-1994 23550 28-10-1994
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 Vervallen 1994 759 15-09-1994 23550 1994 759 15-09-1994 23550 28-10-1994
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Vervallen 1994 759 15-09-1994 23550 1994 759 15-09-1994 23550 28-10-1994
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Vervallen 1994 759 15-09-1994 23550 1994 759 15-09-1994 23550 28-10-1994
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 Vervallen 1994 759 15-09-1994 23550 1994 759 15-09-1994 23550 28-10-1994
Artikel 6a — Artikel 6a#
Artikel 6a Vervallen 1994 759 15-09-1994 23550 1994 759 15-09-1994 23550 28-10-1994
Artikel 6b — Artikel 6b#
Artikel 6b Vervallen 1994 759 15-09-1994 23550 1994 759 15-09-1994 23550 28-10-1994
Artikel 6c — Artikel 6c#
Artikel 6c Vervallen 1994 759 15-09-1994 23550 1994 759 15-09-1994 23550 28-10-1994
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 Vervallen 1989 285 14-06-1989 17367 1989 285 14-06-1989 17367 01-04-1990
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 Vervallen 1989 285 14-06-1989 17367 1989 285 14-06-1989 17367 01-04-1990
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 Vervallen 1989 285 14-06-1989 17367 1989 285 14-06-1989 17367 01-04-1990
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Vervallen 1992 414 02-07-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 Hij die grondwater onttrekt is verplicht: a. de inrichting op te geven aan gedeputeerde staten van de provincie of de provincies, waarin de inrichting is gelegen; b. de hoeveelheden grondwater die worden onttrokken, te meten en daarvan aantekening te houden; c. telkenmale in de maand januari of, bij beëindiging van de onttrekking, binnen een maand na die beëindiging, aan gedeputeerde staten van de provincie of provincies, waarin de inrichting is gelegen, opgave te verstrekken van de in het voorafgaande onderscheidenlijk het lopende kalenderjaar per kwartaal onttrokken hoeveelheden grondwater; d. c. a. bij de onderbedoelde opgave kennis te geven van wijzigingen die zich in het voorafgaande onderscheidenlijk het lopende kalenderjaar hebben voorgedaan met betrekking tot de bij de opgave, als bedoeld onder, verstrekte gegevens. 2 Voor hem die water infiltreert gelden de in het eerste lid omschreven verplichtingen op overeenkomstige wijze. Voorts is hij verplicht de kwaliteit van het te infiltreren water te meten, te registreren en daarvan aan gedeputeerde staten opgave te doen. Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld omtrent de wijze van meting en registratie. 3 Provinciale staten kunnen bij verordening gevallen aanwijzen, waarvoor de in het eerste lid omschreven verplichting niet geldt. 4 Gedeputeerde staten zenden een verordening die krachtens het derde lid is vastgesteld, onverwijld aan Onze Minister. De verordening treedt niet eerder in werking dan drie maanden nadat zij aan Onze Minister is gezonden. 1995 268 18-05-1995 26-04-1995 23233 1995 329 27-06-1995 14-06-1995 01-07-1995
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven met betrekking tot de bij de opgave te verstrekken gegevens, de meting en het houden van aantekening dienaangaande. 2 artikel 11, eerste lid, onder c Gedeputeerde staten kunnen bij verordening bepalen dat voor door hen aangewezen gebieden of categorieën van inrichtingen de opgave van de onttrokken hoeveelheden grondwater ook op andere tijdstippen of over kortere perioden zal geschieden dan die vermeld in. Onze Minister wordt een afschrift van die verordening toegezonden. 1994 759 15-09-1994 23550 1994 759 15-09-1994 23550 28-10-1994
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 Gedeputeerde staten houden ter provinciale griffie een register bij waarin de inrichtingen worden ingeschreven met vermelding van de verstrekte gegevens. Voorts worden daarin vermeld de vergunningen, krachtens welke het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water plaatsvindt. 2 Het register ligt ter provinciale griffie kosteloos voor een ieder ter inzage. 1992 626 03-12-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 Het is verboden grondwater te onttrekken of water te infiltreren, tenzij daarvoor door gedeputeerde staten een vergunning is verleend. 2 Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van bij het grondwaterbeheer betrokken belangen. Deze voorschriften kunnen mede betrekking hebben op voorafgaande melding van beëindiging of vermindering van het onttrekken of het infiltreren. 3 artikel 7 van de Wet op de waterhuishouding Bij het verlenen, wijzigen of intrekken van de vergunning wordt rekening gehouden met de in hetbedoelde plan. 4 In de vergunning worden vermeld de hoeveelheden grondwater of de hoeveelheden water die per een of meer tijdseenheden mogen worden onttrokken onderscheidenlijk geïnfiltreerd alsmede het doel waarvoor het te onttrekken water is bestemd. 5 De vergunning geldt voor de rechtsopvolgers van de vergunninghouder. Binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de rechtsopvolging dient wijziging van de tenaamstelling te worden gevraagd. 1995 268 18-05-1995 26-04-1995 23233 1995 329 27-06-1995 14-06-1995 01-07-1995
Artikel 14a — Artikel 14a#
Artikel 14a 1 artikel 14, eerste lid artikel 12 van de Wet bodembescherming Een vergunning voor het infiltreren van water, als bedoeld in, wordt slechts verleend, indien er geen gevaar is voor verontreiniging van het grondwater. Bij het beoordelen van dat gevaar worden de regels in acht genomen, daaromtrent te stellen bij algemene maatregel van bestuur op grond van. 2 artikel 14, tweede lid Onverminderd, worden aan de vergunning voorschriften verbonden volgens regels te stellen bij de in het eerste lid bedoelde maatregel. 3 Aan de vergunning worden in ieder geval voorschriften verbonden ter verzekering van de controle op de kwaliteit van het grondwater. 1997 86 25-02-1997 30-01-1997 24234 1997 156 14-04-1997 08-04-1997 15-04-1997
Artikel 14b — Artikel 14b#
Artikel 14b 1 In een vergunning kan worden bepaald dat zij slechts geldt voor een daarbij vast te stellen termijn, indien: a. het onttrekken of het infiltreren naar zijn aard tijdelijk is; b. uit de aanvraag blijkt dat de vergunning slechts voor een daarbij aangegeven termijn wordt gevraagd, of c. dat nodig is in het belang van het ontwikkelen van een alternatief voor het onttrekken of infiltreren, dat minder nadelige gevolgen voor bij het grondwaterbeheer betrokken belangen veroorzaakt. 2 c Na afloop van de termijn, bedoeld in de aanhef van het eerste lid, kan een vergunning die is verleend met toepassing van het eerste lid, onder, éénmaal of meermalen opnieuw voor een bepaalde termijn worden veleend, met dien verstande dat de gestelde termijnen gezamenlijk een periode van tien jaar niet mogen overschrijden. 1995 268 18-05-1995 26-04-1995 23233 1995 329 27-06-1995 14-06-1995 01-07-1995
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 artikel 14, eerste lid 3 Het in, omschreven verbod geldt niet ten aanzien van het onttrekken van grondwater in de door provinciale staten bij verordening aangewezen gevallen. De aanwijzing kan geen betrekking hebben op gevallen waarin de te onttrekken hoeveelheid grondwater meer dan 10 mper uur bedraagt, tenzij het onttrekkingen door middel van inrichtingen voor noodvoorzieningen betreft. 2 Artikel 11, vierde lid , is van overeenkomstige toepassing. 3 artikel 14, eerste lid Het in, omschreven verbod, geldt niet voor het infiltreren van water dat geschiedt ter voldoening aan een voorschrift, verbonden aan een vergunning tot het onttrekken van grondwater. 4 Artikel 14a is van overeenkomstige toepassing op de verlening van een vergunning voor het onttrekken van grondwater, waaraan een voorschrift tot het infiltreren van water wordt verbonden, als bedoeld in het derde lid. 1995 268 18-05-1995 26-04-1995 23233 1995 329 27-06-1995 14-06-1995 01-07-1995
Artikel 15a — Artikel 15a#
Artikel 15a 1 Provinciale staten kunnen bij verordening met betrekking tot daarbij aan te wijzen gevallen ten aanzien van het onttrekken van grondwater regels stellen ter bescherming van bij het grondwaterbeheer betrokken belangen. Deze regels kunnen ten aanzien van het onttrekken verboden en beperkingen inhouden. Bij die regels kan aan gedeputeerde staten de bevoegdheid worden verleend in bij die regels aan te geven omstandigheden het onttrekken te verbieden. 2 De aanwijzing kan slechts betrekking hebben op onttrekkingen door middel van: a. inrichtingen die uitsluitend worden gebruikt voor het drooghouden van een bouwput ten behoeve van bouwkundige of civieltechnische werken en inrichtingen die bij wijze van proef of ten behoeve van grondsanering grondwater onttrekken, waarbij: 1°. 3 de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 100 000 mper maand, en 2°. de onttrekking niet langer duurt dan zes maanden; b. inrichtingen ten behoeve van noodvoorzieningen; c. 3 inrichtingen die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend worden gebruikt voor beregenings- of bevloeiingsdoeleinden en waarbij de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 60 mper uur, of d. 3 inrichtingen die uitsluitend worden gebruikt voor grondwatersanering en waarbij de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 50 000 mper maand. 3 artikel 14, eerste lid Het in, omschreven verbod geldt niet ten aanzien van het onttrekken van grondwater in de gevallen waarin regels als bedoeld in het eerste lid van toepassing zijn. 1996 647 23-12-1996 19-12-1996 24546 1996 647 23-12-1996 19-12-1996 24546 01-01-1997
Artikel 15b — Artikel 15b#
Artikel 15b a artikel 15, eerste lid De regels bedoeld in, hebben in ieder geval betrekking op: a. artikel 11, eerste lid artikel 11, derde lid het melden van inrichtingen waarop, niet van toepassing is op grond van een aanwijzing als bedoeld in, en b. de perioden waarin, het doel waarvoor en de voorwaarden waaronder het onttrekken slechts mag plaatsvinden. 1995 268 18-05-1995 26-04-1995 23233 1995 329 27-06-1995 14-06-1995 01-07-1995
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 De aanvraag tot verlening of wijziging van een vergunning wordt ingediend bij gedeputeerde staten van de provincie waarin de aanvrager de onttrekking of de infiltratie wil verrichten, dan wel waarin hij deze verricht. 2 Artikel 11, vierde lid Provinciale staten bepalen bij verordening welke gegevens en bescheiden de aanvrager moet overleggen; daarbij kunnen tevens nadere regelen worden gegeven betreffende de wijze waarop de nodige onderzoekingen moeten worden verricht ter beoordeling van de vergunningaanvraag., is van overeenkomstige toepassing. 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer Op de voorbereiding van een vergunning en de wijziging daarvan zijnenvan toepassing. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 Vervallen 1994 759 15-09-1994 23550 1994 759 15-09-1994 23550 28-10-1994
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 Vervallen 1994 759 15-09-1994 23550 1994 759 15-09-1994 23550 28-10-1994
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 Gedeputeerde staten stellen de provinciale grondwatercommissie in de gelegenheid hun advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om een vergunning. 2 Artikel 11, vierde lid Provinciale staten bepalen bij verordening voor welke onttrekkingen van grondwater de provinciale grondwatercommissie - in afwijking van het eerste lid - niet in de gelegenheid wordt gesteld van advies te dienen., is van overeenkomstige toepassing. 2005 530 01-11-2005 06-10-2005 28995 2005 531 01-11-2005 20-10-2005 08-03-2006 De wijziging kan niet worden doorgevoerd.
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 Indien ten tijde van de behandeling van de aanvraag tot verlening of wijziging van een vergunning de gevolgen van het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water onvoldoende kunnen worden beoordeeld, kan de vergunning voor een proefperiode worden verleend. Na afloop van die periode kan de vergunning een of meerdere malen opnieuw voor een proefperiode worden verleend. De proefperiode wordt in de vergunning ten hoogste op vijf jaren gesteld, met dien verstande, dat de gezamenlijke proefperioden een periode van tien jaren niet mogen overtreffen. 1992 626 03-12-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 Op aanvraag van de vergunninghouder kunnen gedeputeerde staten voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog voorschriften aan de vergunning verbinden. 2 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer artikel 20 Op de voorbereiding van een beschikking krachtens het eerste lid zijnenvan toepassing, en isvan deze wet van overeenkomstige toepassing. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 Uit eigen beweging of op verzoek van een belanghebbende, niet zijnde de vergunninghouder, kunnen gedeputeerde staten de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog voorschriften aan de vergunning verbinden, indien de bescherming van de bij het grondwater betrokken belangen dat vordert. 2 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer artikel 20 Op de voorbereiding van een beschikking krachtens het eerste lid zijnenvan toepassing, en isvan deze wet van overeenkomstige toepassing. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 1 Gedeputeerde staten kunnen hetzij uit eigen beweging hetzij op verzoek van belanghebbenden de vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, indien blijkt van omstandigheden of feiten, waardoor in verband met de bij het grondwaterbeheer betrokken belangen de onttrekking of infiltratie in haar geheel dan wel gedeeltelijk niet langer toelaatbaar wordt geacht. 2 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer artikel 20 Op de voorbereiding van een beschikking krachtens het eerste lid zijnenvan toepassing, en isvan deze wet van overeenkomstige toepassing. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 Gedeputeerde staten trekken de vergunning in, indien de vergunninghouder schriftelijk verklaart daarvan geen gebruik te maken. 2 Gedeputeerde staten kunnen de vergunning intrekken indien: a. de te harer verkrijging verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest; b. daarvan gedurende vier achtereenvolgende jaren geen gebruik is gemaakt; c. aan het onttrokken water een andere bestemming wordt gegeven dan in de vergunning staat vermeld; d. de aan de vergunning verbonden voorschriften niet in acht worden genomen. 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 Vervallen 1992 414 02-07-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 Vervallen 1992 414 02-07-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 artikel 11, eerste lid, onder c Indien een inrichting is gelegen in meer dan één provincie, kunnen de colleges van gedeputeerde staten van deze provincies bij gemeenschappelijke beschikking bepalen dat de gegevens bedoeld in, voor deze inrichting slechts behoeven te worden verstrekt aan één van deze colleges. 1992 626 03-12-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 artikelen 14 22-25 31 40-42 Indien de inrichting door middel waarvan wordt of zal worden onttrokken, zich bevindt in een gebied dat in meer dan één provincie is gelegen, of indien het infiltreren in een zodanig gebied plaats vindt of zal vinden, worden de beschikkingen krachtens de,,en, door de betrokken colleges van gedeputeerde staten gemeenschappelijk gegeven. Indien deze colleges niet tot overeenstemming kunnen komen, doen zij hiervan zo spoedig mogelijk doch uiterlijk één jaar na de indiening van de aanvraag of het verzoek mededeling aan Onze Minister, die alsdan de beschikking geeft. Deze beschikking wordt voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met een beschikking van gedeputeerde staten. 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 artikelen 8.27 21.1 hoofdstuk 19 van de Wet milieubeheer artikel 3 van de Wet op de waterhuishouding artikel 8.27 onder Deenenzijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het verlenen en wijzigen van vergunningen, het wijzigen van vergunningvoorschriften en het intrekken van vergunningen, met dien verstande dat voor de toepassing van"Onze Minister" wordt verstaan: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en dat laatstgenoemde minister bij de toepassing van dat artikel rekening houdt met de nota, bedoeld in. 1996 647 23-12-1996 19-12-1996 24546 1996 647 23-12-1996 19-12-1996 24546 01-01-1997
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 1 Indien gedeputeerde staten in verband met de toepassing van deze wet een onderzoek ter plaatse nodig oordelen, zijn zij bevoegd de rechthebbenden ten aanzien van gronden of wateren waar dat onderzoek wordt ingesteld, de verplichting op te leggen het verrichten van het onderzoek, zomede het aanbrengen, het aanwezig zijn, het onderhoud, het gebruik en het verwijderen van de voor dat onderzoek nodige middelen te gedogen, onverminderd het recht van deze rechthebbenden op schadevergoeding. 2 De beschikking waarbij de gedoogplicht wordt opgelegd, wordt ten minste twee weken voor de aanvang van het onderzoek aan de rechthebbenden bekendgemaakt. 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 1 artikel 16, tweede lid artikel 31 Indien de aanvrager of de houder van een vergunning of hij die voornemens is een aanvraag in te dienen, ter verkrijging van de gegevens bedoeld in, onderzoekingen moet verrichten in de gronden of wateren ten aanzien waarvan hem de nodige bevoegdheid ontbreekt, kan hij gedeputeerde staten verzoeken de rechthebbenden daartoe een gedoogplicht overeenkomstigop te leggen. 2 Hij legt hiertoe over een opgave van de ligging van de gronden of wateren, van de namen en woonplaatsen van de rechthebbenden daarvan, zomede van de aard der onderzoekingen. 3 Gedeputeerde staten stellen bij het opleggen van de gedoogplicht zodanige voorwaarden dat de vergoeding van schade aan de rechthebbenden op voldoende wijze is verzekerd. 1992 626 03-12-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 artikel 14, eerste lid artikel 35, eerste, tweede en derde lid Rechthebbenden ten aanzien van enige onroerende zaak, waarin het grondwater invloed ondergaat door een onttrekking of een infiltratie krachtens een vergunning als bedoeld in, zijn verplicht die onttrekking of die infiltratie te gedogen, onverminderd het bepaalde in. 1992 626 03-12-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 artikelen 31 32 De schade tengevolge van het in deenbedoelde onderzoek wordt vergoed door de provincie onderscheidenlijk door degene op wiens verzoek voor het onderzoek een gedoogplicht is opgelegd. De vordering tot schadevergoeding staat ter kennisneming van de rechtbank van het arrondissement, waarin de gronden of wateren ten aanzien waarvan een gedoogplicht is opgelegd geheel of gedeeltelijk zijn gelegen. De vordering tot schadevergoeding wordt behandeld en beslist door de kantonrechter van de rechtbank. 2001 584 18-12-2001 06-12-2001 27878 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 1 artikel 14, eerste lid De schade aan een onroerende zaak, welke is veroorzaakt door een onttrekking of infiltratie krachtens een vergunning als bedoeld in, wordt door de vergunninghouder, indien en voorzover dit redelijkerwijze kan worden gevergd, ondervangen. 2 Indien en voorzover de schade niet is ondervangen, is de vergunninghouder desgevorderd verplicht jegens ieder die enig recht op het gebruik of het genot van de onroerende zaak heeft, die schade te vergoeden. 3 Niettemin kan een eigenaar van de onroerende zaak, indien door de aard of de omvang van de schade de eigendom van die zaak voor hem van te geringe betekenis is geworden, vorderen dat de vergunninghouder de onroerende zaak in eigendom overneemt. 4 De in het vorige lid bedoelde vordering kan worden gedaan zowel bij niet-aanvaarding van een als schadevergoeding aangeboden som als na aanvaarding daarvan. 5 De vorderingen, op grond van het eerste, het tweede en het derde lid, staan ter kennisneming van de rechtbank binnen wier rechtsgebied de onroerende zaak of het grootste gedeelte daarvan is gelegen. 1992 626 03-12-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 1 artikel 35, derde lid artikel 433 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Ingeval de rechtbank de vordering, bedoeld in, gegrond acht, veroordeelt zij de vergunninghouder tot overneming en tot betaling van de overnemingssom. Tegen het vonnis staat geen ander rechtsmiddel open dan beroep in cassatie. Het beroep in cassatie moet op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen ervan worden ingeschreven in de registers, bedoeld in. 2 artikelen 27, eerste en tweede lid 28, eerste, tweede en derde lid 29-35 37, eerste lid, der Onteigeningswet Ten aanzien van de vaststelling van de overnemingssom vinden de,,enovereenkomstige toepassing, met dien verstande, dat de rechtbank in plaats van een of een oneven aantal deskundigen ook twee deskundigen kan benoemen. 3 afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek Het vonnis waarbij de vergunninghouder tot overneming is veroordeeld, kan worden ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in, nadat het in kracht van gewijsde is gegaan. Door inschrijving van het vonnis gaat de eigendom op de vergunninghouder over. 1992 626 03-12-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 1 artikel 35, eerste, tweede of derde lid Hij, die op grond van, een vordering kan doen, kan eerst verzoeken een onderzoek in te stellen. Dit verzoek moet schriftelijk worden ingediend bij gedeputeerde staten van de provincie, waarbinnen de onroerende zaak geheel of grotendeels is gelegen. Deze zenden het verzoek voorzover nodig door aan het college van gedeputeerde staten dat de vergunning heeft verleend en geven daarvan in dat geval kennis aan de verzoeker. 2 Gedeputeerde staten stellen het verzoek in handen van een door hen in te stellen commissie van deskundigen en zenden een afschrift daarvan aan de vergunninghouder of vergunninghouders die zij daarbij betrokken achten. Zij doen hiervan mededeling aan de verzoeker. 3 Onverminderd het bepaalde in het eerste lid stellen gedeputeerde staten een ieder op zijn verzoek de gegevens beschikbaar van de ingevolge de vergunningvoorschriften verrichte metingen van het grondwaterpeil. 1994 759 15-09-1994 23550 1994 759 15-09-1994 23550 28-10-1994
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 1 artikel 37, eerste lid In het in, bedoelde geval brengt de commissie van deskundigen zo spoedig mogelijk advies uit over de ondervanging of vergoeding van de schade dan wel over de overneming van de onroerende zaak. 2 De commissie van deskundigen zendt haar advies bij aangetekende brief aan degene op wiens verzoek zij een onderzoek heeft ingesteld, zomede aan de betrokken vergunninghouder of vergunninghouders. Gedeputeerde staten ontvangen een afschrift van het advies. 1994 759 15-09-1994 23550 1994 759 15-09-1994 23550 28-10-1994
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 1 artikel 38, tweede lid Gedurende vier weken na de verzending van het advies kunnen de in, bedoelde personen schriftelijk bedenkingen inbrengen bij de commissie van deskundigen. De commissie stelt degenen, die dit bij het schriftelijk inbrengen van bedenkingen verlangen, in de gelegenheid hun bedenkingen in persoon of bij gemachtigde op een daartoe door haar te beleggen zitting voor één of meer van haar leden mondeling toe te lichten, daarbij desgewenst bijgestaan door deskundigen. 2 Van het behandelde ter zitting, bedoeld in het eerste lid, wordt een proces-verbaal opgemaakt dat aan de betrokkenen die hun bedenkingen hebben toegelicht, in afschrift wordt toegezonden. 3 artikel 38, tweede lid Indien de commissie in de bedenkingen aanleiding heeft gevonden haar aanvankelijk advies te wijzigen, zendt zij haar nader advies gelijktijdig met het proces-verbaal aan de betrokkenen, overeenkomstig. 1995 250 16-05-1995 26-04-1995 23780 1995 250 16-05-1995 26-04-1995 23780 17-05-1995
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 Indien een onroerende zaak is gelegen in een gebied waarin de grondwaterstand invloed ondergaat van meer dan één onttrekking en blijkens het onderzoek van de commissie van deskundigen niet of niet binnen redelijke termijn is vast te stellen door welke onttrekking de schade die die onroerende zaak ondervindt, wordt veroorzaakt, kennen gedeputeerde staten de rechthebbende ten aanzien van die onroerende zaak op zijn verzoek een vergoeding van de kosten van ondervanging der schade of schadevergoeding toe. De rechthebbende is in dat geval gehouden tot overdracht van de rechten welke hij tegenover derden mocht kunnen doen gelden. 1994 759 15-09-1994 23550 1994 759 15-09-1994 23550 28-10-1994
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 1 Indien de houder van een vergunning door gehele of gedeeltelijke intrekking van zijn vergunning of door wijziging van de daaraan verbonden voorschriften schade lijdt of zal lijden welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kennen gedeputeerde staten hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. 2 Onze Minister kan de in het eerste lid bedoelde schadevergoeding toekennen indien de gehele of gedeeltelijke intrekking van een vergunning of wijziging van de daaraan verbonden voorschriften nodig is; a. artikel 7 van de Wet op de waterhuishouding artikel 10 van die wet als gevolg van het rekening houden met het inbedoelde plan, voor zover dat is vastgesteld of herzien ingevolge een aanwijzing als bedoeld in; b. artikel 30 van deze wet artikel 8.27 van de Wet milieubeheer ter voldoening aan een ingevolgejogegeven aanwijzing. 1996 647 23-12-1996 19-12-1996 24546 1996 647 23-12-1996 19-12-1996 24546 01-01-1997
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 1 artikel 41, eerste lid artikel 41, tweede lid Indien de gehele of gedeeltelijke intrekking van een vergunning of wijziging van de daaraan verbonden voorschriften nodig is om gunstig te kunnen beschikken op de aanvraag tot verlening of uitbreiding van een andere vergunning, kunnen gedeputeerde staten indien zij op grond van, schadevergoeding toekennen, deze geheel of gedeeltelijk ten laste van de aanvrager brengen. Indien schadevergoeding is toegekend door Onze in, bedoelde Minister kunnen gedeputeerde staten deze op diens verzoek geheel of gedeeltelijk ten laste van de aanvrager brengen. 2 In de in het eerste lid bedoelde gevallen worden de beschikkingen op deze aanvraag en de beschikking tot gehele of gedeeltelijke intrekking van de daarbij betrokken vergunning of tot wijziging van de daaraan verbonden voorschriften, alsmede de daarmede verband houdende beschikkingen tot toekenning van de schadevergoeding en tot verhaal daarvan zoveel mogelijk gelijktijdig gegeven. 3 artikel 43, eerste lid artikel 20.3 van de Wet milieubeheer artikel 59, tweede lid, der Onteigeningswet Elk van de in het tweede lid bedoelde beschikkingen treedt - in afwijking van, van deze wet juncto- eerst in werking wanneer deze beschikkingen alle onherroepelijk zijn geworden en vervolgens de deswege verschuldigde schadevergoeding is betaald. Voor het bewijs van betaling isvan overeenkomstige toepassing. 4 Indien door een beslissing in beroep op één der beschikkingen, bedoeld in het tweede lid, de overige beschikkingen niet meer in stand kunnen of behoeven te worden gehouden, worden deze ingetrokken. 5 De in het tweede lid bedoelde beschikkingen worden eveneens ingetrokken, indien degene te wiens laste de schadevergoeding geheel of gedeeltelijk is gebracht, heeft verklaard het bedrag daarvan niet voor zijn rekening te willen nemen, dan wel indien hij dat bedrag niet heeft voldaan binnen acht weken na een daartoe aan hem bij aangetekende brief gedane aanmaning tot betaling. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 1 hoofdstuk 20 van de Wet milieubeheer Beroep op de administratieve rechter staat open overeenkomstig. 2 artikel 30 artikel 8.27 van de Wet milieubeheer Tegen een beschikking als bedoeld inhoudende een aanwijzing overeenkomstigkan geen beroep worden ingesteld. 1999 30 16-02-1999 28-01-1999 25836 1999 40 16-02-1999 04-02-1999 25836 17-02-1999
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 Vervallen 1993 650 30-12-1993 16-12-1993 22495 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 Vervallen 1993 650 30-12-1993 16-12-1993 22495 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 Vervallen 1993 650 30-12-1993 16-12-1993 22495 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 Vervallen 1992 414 02-07-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 1 Provinciale staten zijn bevoegd bij wijze van provinciale belasting een heffing in te stellen wegens onttrekken van grondwater, ter bestrijding van de ten laste van de provincie komende kosten a. artikel 35 van maatregelen, direct verband houdende met het voorkomen en tegengaan van nadelige gevolgen van onttrekkingen en infiltraties, voor zover deze kosten niet met toepassing vanvoor rekening van de vergunninghouder gebracht worden; b. in verband met de voor het grondwaterbeheer noodzakelijke onderzoekingen; c. artikel 37, tweede lid in verband met het onderzoek en advies van de in, bedoelde commissie van deskundigen; d. artikel 13 in verband met het houden van het inbedoelde register; e. artikelen 34 40 41, eerste lid in verband met de vergoeding van schade ingevolge de,en. 2 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven met betrekking tot de kosten welke kunnen worden aangemerkt als kosten die zijn verbonden aan de voor het grondwaterbeheer noodzakelijke onderzoekingen. 3 artikel 13 Aan een heffing worden onderworpen de bij de verordening aan te wijzen houders van inrichtingen, welke zijn ingeschreven in het inbedoelde register. 4 Als grondslag voor de heffing geldt de onttrokken hoeveelheid grondwater. Indien op grond van de vergunningvoorschriften water wordt geïnfiltreerd, wordt daarmede rekening gehouden bij het opleggen van de heffing aan de vergunninghouder. 5 Het onttrekken van grondwater ten behoeve van koude- en warmteopslag door middel van een inrichting waarbij grondwater wordt onttrokken en het water vervolgens in een gesloten systeem weer volledig wordt geïnfiltreerd in hetzelfde watervoerende pakket als waaraan het is onttrokken, in overeenstemming met de voorwaarden welke daartoe zijn gesteld in de vergunning die voor het onttrekken van grondwater en infiltreren van water ingevolge deze wet is verleend, is van de heffing vrijgesteld. 6 Het onttrekken van grondwater ten behoeve van de sanering van het grondwater is van de heffing vrijgesteld. 7 Het onttrekken van grondwater ten behoeve van landijsbanen is van de heffing vrijgesteld. 1996 647 23-12-1996 19-12-1996 24546 1996 647 23-12-1996 19-12-1996 24546 01-01-1997
Artikel 48a — Artikel 48a#
Artikel 48a Vervallen 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 48b — Artikel 48b#
Artikel 48b Vervallen 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van gedeputeerde staten aangewezen ambtenaren. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 Vervallen 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 Vervallen 1994 135 04-02-1994 23196 1994 222 21-03-1994 01-04-1994
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 Vervallen 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 1 Een vergunning, verleend op grond van de Grondwaterwet Waterleidingbedrijven, wordt voor de toepassing van deze wet beschouwd als krachtens deze wet te zijn verleend. 2 De rechten en verplichtingen, die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet krachtens een beschikking als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Grondwaterwet Waterleidingbedrijven gelden met betrekking tot het in werking hebben van een inrichting waarvoor vergunning is verleend hetzij krachtens de Hinderwet hetzij krachtens de aan die wet voorafgaande Koninklijke besluiten, blijven gelden voorzover zodanige rechten en verplichtingen ook voortvloeien uit een krachtens deze wet verleende vergunning. 1992 626 03-12-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 1 Voor een onttrekking of infiltratie, voor welke voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet een vergunning is verleend op grond van de Hinderwet of op grond van een provinciale, waterschaps- of gemeentelijke verordening, dan wel een onttrekking of infiltratie voor welke op die datum geen vergunning is vereist en welke voor die datum geregeld heeft plaats gevonden, wordt een vergunning krachtens deze wet geacht te zijn verleend, voor zover die onttrekking of infiltratie voor een door gedeputeerde staten te stellen tijdstip, gelegen voor 1 maart 1989, schriftelijk bij gedeputeerde staten is gemeld. 2 In een geval als bedoeld in het eerste lid kan de vergunning niet eerder dan een jaar nadat de melding door gedeputeerde staten is ontvangen, worden gewijzigd of ingetrokken. 1992 626 03-12-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 artikel 11, eerste lid, sub c In afwijking van het bepaalde in, betreft de daar bedoelde opgave welke plaatsvindt in de maand januari, volgende op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, alleen de voorafgaande kwartalen sinds dat tijdstip. 1992 626 03-12-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 artikel 8 Provinciale staten stellen het inbedoelde plan voor de eerste maal vast binnen drie jaren na de inwerkingtreding van deze wet. 1992 626 03-12-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 Vervallen 1983 328 06-07-1983 17785 1983 339 12-07-1983 01-01-1984
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 1 De Grondwaterwet Waterleidingbedrijven wordt ingetrokken. 2 Niettemin worden ten aanzien van een aanvraag om vergunning of een verzoek om wijziging van een vergunning of van de daaraan verbonden voorschriften, ingediend vóór de inwerkingtreding van deze wet op grond van de Grondwaterwet Waterleidingbedrijven, de bepalingen van die wet toegepast. Hetzelfde geldt ten aanzien van een aanspraak op schadevergoeding, waarvan mededeling is gedaan op grond van artikel 19, eerste lid, van die wet. 3 Boeken 3 5 6 van Burgerlijk Wetboek Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Boeken 3 5 6 van het Burgerlijk Wetboek Stb. Voor zover de Grondwaterwet Waterleidingbedrijven krachtens het tweede lid van toepassing is, geschiedt zulks met inachtneming van de na de inwerkingtreding van deze wet inwerkinggetreden,enen het, zoals dat is gewijzigd bij de tegelijk met de,eninwerkinggetreden Wet van 7 mei 1986,295. 1992 626 03-12-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 1 Op de bij Ons aanhangige beroepschriften betreffende besluiten terzake van een onttrekking, welke zijn ingekomen vóór of na het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, binnen de in het voordien geldende recht gegeven beroepstermijn, wordt door Ons beslist met toepassing van het vóór bedoeld tijdstip geldende recht. 2 Een met toepassing van het eerste lid in beroep verleende of gewijzigde vergunning wordt beschouwd als vóór het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet te zijn verleend. 1992 626 03-12-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 Vervallen 1992 414 02-07-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 Grondwaterwet Deze wet kan worden aangehaald als:. 1992 626 03-12-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 62 — Artikel 62#
Artikel 62 Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip, dat voor de onderscheidene artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld. 1992 626 03-12-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993