Wet van 26 maart 1981, houdende regeling van het agrarisch grondverkeer
- BWB-id
- BWBR0003386
- Type
- Wet
- Ministerie
- Economische Zaken
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2021-07-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0003386
- ELI
- /eli/nl/wet/1981/wet-agrarisch-grondverkeer
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1981/wet-agrarisch-grondverkeer/2021-07-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0003386&g=2021-07-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0003386&z=2026-06-06&g=2021-07-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0003386/2021-07-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1981/wet-agrarisch-grondverkeer
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; landbouw: akkerbouw, veehouderij - daaronder begrepen intensieve veehouderij -, tuinbouw - daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen -, bosbouw en elke andere vorm van bodemcultuur; land: landbouwgrond en natuurterreinen; landbouwgrond: grond, waarop enige vorm van landbouw wordt of onmiddellijk kan worden uitgeoefend; natuurterreinen: heidevelden, hoogveenterrein, zandverstuivingen, duinterreinen, kwelders, schorren, gorzen, slikken, riet- en ruigtlanden, laagveenmoerassen, voor zover het geen landbouwgrond is; beperkt recht: het recht van erfpacht, opstal, beklemming of vruchtgebruik; vervreemding: de overdracht in eigendom of de toedeling van een onroerende zaak alsmede de overdracht of toedeling dan wel vestiging van een beperkt recht waaraan een onroerende zaak is onderworpen; vervreemder: de eigenaar van een onroerende zaak of de rechthebbende op een beperkt recht waaraan een onroerende zaak is onderworpen, die tot vervreemding wenst over te gaan, alsmede degene die bij ontbinding van een gemeenschap met de vereffening is belast en tot vervreemding wenst over te gaan; bedrijf: een complex, bestaande uit een of meer gebouwen of gedeelten daarvan en de daarbij behorende landbouwgrond dienende tot uitoefening van de landbouw; bedrijfsleider: de natuurlijke persoon die leiding geeft aan een in de vorm van een privaatrechtelijke rechtspersoon gedreven bedrijf; artikel 28 bureau: bureau beheer landbouwgronden als bedoeld in; hoofdberoep: het beroep, waaruit een persoon in overwegende mate zijn inkomsten trekt. 2018 487 27-12-2018 05-12-2018 34987 2018 488 27-12-2018 18-12-2018 01-01-2019
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 artikel 2, tweede lid, onder c De verklaring van de grondkamer bedoeld in, is niet vereist ten aanzien van een vervreemding met betrekking tot een onroerende zaak die gelegen is in een gebied waarvan bij besluit van burgemeester en wethouders is verklaard, dat daarin uitsluitend of nagenoeg uitsluitend gelegen zijn onroerende zaken, die duurzaam voor andere dan landbouwkundige doeleinden worden gebruikt en die niet als natuurterrein dienen te worden aangemerkt. 2 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Op de voorbereiding van het in het eerste lid bedoelde besluit isvan toepassing. 3 Het besluit vermeldt, onder verwijzing naar een bijgevoegde kadastrale kaart, de kadastrale aanduiding van de binnen dit gebied liggende onroerende zaken. 4 Burgemeester en wethouders verstrekken een exemplaar van het besluit en de bijbehorende kadastrale kaart aan het desbetreffende kantoor van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven met betrekking tot de omschrijving en de aanduiding van het gebied. 2012 233 05-06-2012 24-05-2012 32389 2012 276 27-06-2012 13-06-2012 01-10-2012
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 artikel 2, eerste lid artikel 91 van de Overgangswet van het nieuwe Burgerlijk Wetboek Voor de toepassing van, wordt met de daar bedoelde notariële verklaring gelijkgesteld de verklaring van een persoon die een onderhandse akte tot levering heeft opgesteld en daartoe krachtensbevoegd was. 1989 490 25-10-1989 19077 1991 607 03-12-1991 1990 90 20-02-1990 01-01-1992
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Na de inschrijving van een akte kan de nietigheid wegens niet inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet niet meer worden ingeroepen. 1989 490 25-10-1989 19077 1991 607 03-12-1991 1990 90 20-02-1990 01-01-1992
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 Een overeenkomst tot vervreemding van land behoeft de goedkeuring van de grondkamer. 2 Een overeenkomst tot vervreemding van land wordt goedgekeurd, indien het betreft: a. een overeenkomst tussen bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of met een pleegkind. Onder pleegkind wordt verstaan degene, die duurzaam als een eigen kind is verzorgd en opgevoed; b. een overeenkomst tot vervreemding van land aan het bureau of aan door Ons aan te wijzen in het algemeen belang werkzame rechtspersonen; c. j een overeenkomst tot vervreemding van land, voor zover het betreft overhoeken, waarvan de vervreemding plaatsvindt als onderdeel van een overeenkomst als bedoeld in onderdeel; d. afdeling 11 van titel 5 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek een overeenkomst tussen pachter en verpachter ter uitoefening van het voorkeursrecht van de pachter als bedoeld in; e. artikel 85, eerste lid, van de Wet inrichting landelijk gebied een ruilverkaveling bij overeenkomst als bedoeld in, welke voldoet aan door Onze Minister te stellen eisen; f. een overeenkomst tot vervreemding van land, waarvan de oppervlakte 50 are niet te boven gaat, dat een eenheid vormt met een opstal, welke niet dient ter uitoefening van de landbouw. Indien de opstal doorgaans dient ter uitoefening van de landbouw, dient de verwerver aannemelijk te maken dat hij de opstal voor andere dan landbouwkundige doeleinden zal gebruiken; g. een overeenkomst, waarbij de verwerver aannemelijk maakt, dat hij landbouwgrond voor andere dan landbouwkundige doeleinden zal gebruiken of doen gebruiken, en uit een verklaring van burgemeester en wethouders blijkt, dat die doeleinden niet in strijd zijn met een geldend of een in ontwerp ter inzage gelegd bestemmingsplan; h. een overeenkomst van verdeling van een ontbonden huwelijksgemeenschap, een ontbonden gemeenschap van een geregistreerd partnerschap of een nalatenschap; i. vervreemding ingevolge een uiterste wilsbeschikking; j. Wet gemeenschappelijke regelingen Stb. een overeenkomst tot vervreemding van land aan de Staat, een provincie, een gemeente, een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam als bedoeld in de(1950, K 120), een waterschap, een veenschap of een veenpolder; k. Wet gemeenschappelijke regelingen een overeenkomst tot vervreemding van land door het bureau aan de Staat, een provincie, een gemeente, een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam als bedoeld in de, een waterschap, een veenschap, een veenpolder of aan een door Ons aan te wijzen in het algemeen belang werkzame rechtspersoon. 3 artikel 8, tweede lid, onder a, artikel 9, onder c Een overeenkomst tot vervreemding van land tussen bloed- of aanverwanten in de zijlijn tot de tweede graad wordt goedgekeurd, indien voldaan wordt aan de vereisten als bedoeld inof. 4 b. Staatscourant Wij kunnen voorschriften verbinden aan een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid, onderDeze voorschriften kunnen beperkingen inhouden. De aanwijzing wordt door Onze Minister in debekend gemaakt. 5 g Burgemeester en wethouders beslissen binnen dertig dagen na de indiening van een aanvraag tot het verkrijgen van een verklaring als bedoeld in het tweede lid, onder. Indien burgemeester en wethouders binnen de gestelde termijn geen beslissing hebben genomen, kan de afgifte van een verklaring worden gevraagd aan gedeputeerde staten die binnen dertig dagen nadien beslissen. 6 g De in het tweede lid, onder, bedoelde verklaringen zijn geldig gedurende zes maanden na de dagtekening, tenzij het college, dat de verklaring afgeeft daarop een kortere geldigheidsduur vermeldt. 7 j Het bepaalde in het tweede lid, onder, vindt slechts toepassing indien het betreft landbouwgrond gelegen in een bestemmingsplan waar een niet-agrarische bestemming geldt of waarvan de betrokken overheid verklaart dat het gebruik anders dan landbouwkundig zal zijn. Omtrent deze verklaring kunnen bij algemene maatregel van bestuur regelen worden gesteld. 8 Indien het betreft landbouwgrond waarvoor geen verklaring als bedoeld in het vorige lid wordt overgelegd, wordt de overeenkomst goedgekeurd, indien een goedgekeurde overeenkomst of ontwerp-overeenkomst wordt overgelegd, waarbij de betrokken overheid wederom tot vervreemding van de landbouwgrond overgaat. 2007 164 24-05-2007 06-12-2006 30833 2007 165 30-05-2007 21-05-2007 01-09-2007
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 Een overeenkomst tot vervreemding van een landgoed wordt door de grondkamer goedgekeurd, indien het aannemelijk is, dat de verwerver het landgoed als eenheid in stand zal houden. 2 Onder een landgoed wordt verstaan: a. artikel 1 van de Natuurschoonwet 1928 Stb. een complex, aangemerkt als landgoed in de zin van(63); b. andere geheel of gedeeltelijk met bos of andere houtopstanden bezette terreinen, waarvan het voortbestaan uit oogpunt van maatschappelijk belang wenselijk is, en die door Onze Minister zijn aangewezen als landgoed in de zin van deze wet. 3 Een aanwijzing, als bedoeld in het vorige lid, onder b, geschiedt op verzoek van de eigenaar of op verzoek van meerdere eigenaren gezamenlijk. 4 Een aanwijzing, als bedoeld in het tweede lid, onder b, heeft ten gevolge dat het land voor twee jaren, te rekenen vanaf de dagtekening van de beschikking wordt aangemerkt als een landgoed. 5 Tegen de weigering van een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid, onder b, staat beroep open op de Centrale Grondkamer. 2012 19 26-01-2012 22-12-2011 32871 2012 31 07-02-2012 25-01-2012 08-02-2012
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 artikelen 6, tweede lid 7 37, eerste lid Onverminderd het bepaalde in de,en, verleent de grondkamer haar goedkeuring aan een overeenkomst tot vervreemding van land, indien wordt voldaan aan vereisten, welke bij algemene maatregel van bestuur kunnen worden gesteld. Deze vereisten kunnen verschillen naar gelang de produktierichting van de bedrijven die bij de vervreemding betrokken zijn en naar gelang het gebied waarin het land gelegen is. 2 Voor zover het landbouwgrond betreft kunnen de in het vorige lid bedoelde vereisten uitsluitend betrekking hebben op: a. de opleiding, de ervaring of het hoofdberoep van de verwerver, voor zover deze een natuurlijk persoon is; b. indien het betreft de vervreemding van een geheel bedrijf, dat niet wordt toegevoegd aan een ander bedrijf: de verkaveling van de landbouwgrond; c. indien het betreft de vervreemding van een bedrijf ter toevoeging aan een ander bedrijf: de maximale bedrijfsoppervlakte na toevoeging en de verkaveling van de toe te voegen landbouwgrond, mede ten opzichte van het bedrijf van de verwerver; d. indien het betreft de vervreemding van losse landbouwgrond: de maximale bedrijfsoppervlakte na toevoeging, de verkaveling van de toe te voegen landbouwgrond, mede ten opzichte van het bedrijf van de verwerver. 3 Voor zover het natuurterreinen betreft kunnen in de in het eerste lid bedoelde vereisten uitsluitend betrekking hebben op: a. de hoedanigheid van de verwerver; b. het tegengaan van versnippering van natuurterrein; c. de garanties, die de verwerver moet bieden voor de instandhouding van het natuurterrein. 4 Ten aanzien van overeenkomsten tot vervreemding van landbouwgrond gelegen binnen gebieden, waarin de uitoefening van de landbouw mede gericht dient te zijn op doeleinden van natuur- of landschapsbehoud, dan wel gelegen binnen gebieden, waarin het beheer in de toekomst uitsluitend of nagenoeg uitsluitend gericht zal zijn op doeleinden van natuur- of landschapsbehoud, kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere vereisten worden gesteld. Deze vereisten kunnen afwijkingen inhouden van de vereisten bedoeld in het tweede lid. De nadere vereisten kunnen niet de verplichting inhouden tot het afsluiten van een beheersovereenkomst, dan wel betrekking hebben op specifieke ervaring met landbouw, zoals in deze gebieden wordt nagestreefd. 5 Een krachtens het eerste lid vastgestelde maatregel wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Binnen 30 dagen na de overlegging kan door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van één der Kamers de wens te kennen worden gegeven dat het in de maatregel te regelen onderwerp bij de wet wordt geregeld. Indien zodanige wens te kennen is gegeven, dienen wij zo spoedig mogelijk een desbetreffend wetsontwerp in. De maatregel treedt in werking met ingang van een door Ons te bepalen tijdstip, dat niet eerder gelegen zal zijn dan nadat dertig dagen na de overlegging zijn verstreken, indien gedurende die termijn niet door of namens één der Kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van één der Kamers de wens wordt te kennen gegeven, dat de inwerkingtreding van de maatregel bij de wet zal worden geregeld. 1995 355 25-07-1995 10-07-1995 23983 1995 355 25-07-1995 10-07-1995 23983 26-07-1995
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 artikel 8 artikel 8 Een overeenkomst tot vervreemding van landbouwgrond, gelegen binnen een gebied waarvoor op grond vanvereisten ten aanzien van landbouwgrond zijn gesteld, wordt door de grondkamer goedgekeurd, indien de verwerver aannemelijk maakt, dat hij de landbouwgrond zal gebruiken voor een produktierichting, waarvoor op grond vangeen vereisten zijn gesteld, of ter uitoefening van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen beroep, en indien: a. de aard en de omvang van de te vervreemden landbouwgrond, en de eventueel daarop aanwezige opstallen, geschikt zijn voor het opgegeven gebruik; b. de verwerver voldoende garanties biedt, dat het opgegeven gebruik zal worden verwezenlijkt; c. de verwerver, indien deze een natuurlijke persoon is, voldoet aan vereisten met betrekking tot opleiding, ervaring of hoofdberoep die bij algemene maatregel van bestuur kunnen worden gesteld. 1981 248 26-03-1981 15969 1982 689 29-11-1982 01-01-1983
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 Een overeenkomst tot vervreemding van landbouwgrond aan een natuurlijke persoon wordt door de grondkamer goedgekeurd, indien een goedgekeurde pachtovereenkomst of ontwerp-pachtovereenkomst met betrekking tot de te vervreemden landbouwgrond wordt overgelegd. 2 a c, artikelen 14, eerste lid, onderenen tweede lid 15 16 17 De,,,, zijn in geval van een goedkeuring als bedoeld in het vorige lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor "toestemming" telkens "goedkeuring" moet worden gelezen. 1981 248 26-03-1981 15969 1982 689 29-11-1982 01-01-1983
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 Indien de grondkamer haar goedkeuring aan een overeenkomst onthoudt, verklaart zij deze nietig. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 artikelen 6, tweede lid 7 37, eerste lid Onverminderd het bepaalde in de,en, wordt een overeenkomst tot vervreemding van landbouwgrond aan een rechtspersoon goedgekeurd, indien: a. de grondkamer de rechtspersoon toestemming verleent tot het sluiten van een zodanige overeenkomst; b. artikel 8, tweede of vierde lid artikel 9 voldaan wordt, hetzij aan het bepaalde bij of krachtens, hetzij aan het bepaalde bij of krachtens. 1981 248 26-03-1981 15969 1982 689 29-11-1982 01-01-1983
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 a, artikel 12, onder De verzoeker dient ten behoeve van de toestemming als bedoeld inde navolgende gegevens over te leggen: a. de rechtsvorm; b. de naam van de rechtspersoon; c. de arbeidsovereenkomst met de bedrijfsleider, dan wel een goedgekeurde pachtovereenkomst of ontwerp-pachtovereenkomst met betrekking tot de te vervreemden landbouwgrond; d. de statuten, voor zover de rechtspersoon deze heeft. 1981 248 26-03-1981 15969 1982 689 29-11-1982 01-01-1983
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 artikel 12, onder a Toestemming, als bedoeld in, kan worden geweigerd: a. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in het verzoek vermelde in overeenstemming zal zijn; b. indien bij het verzoek een arbeidsovereenkomst met de bedrijfsleider, die op het bedrijf werkzaam zal zijn, is overgelegd: 1°. indien niet wordt aangetoond, dat de bedrijfsleider voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen vereisten met betrekking tot opleiding, ervaring of hoofdberoep. 2°. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de bedrijfsleider niet duurzaam met de leiding van het bedrijf belast zal zijn; 3°. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de bedrijfsleider tevens bedrijfsleider buiten het betrokken bedrijf zal zijn; c. indien bij het verzoek een pachtovereenkomst of een ontwerp-pachtovereenkomst met betrekking tot de te vervreemden landbouwgrond is overgelegd: 1°. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat partijen niet werkelijk bedoelen de pachtovereenkomst tot stand te brengen, dan wel de pachtovereenkomst duurzaam in stand te houden; 2°. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de pachtovereenkomst binnen afzienbare tijd zal eindigen en niet aanstonds door een ander zal worden vervangen. 2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gesteld met betrekking tot de weigeringsgronden als omschreven in het vorige lid. 3 Ingeval de toestemming niet verleend wordt, staat beroep open bij de Centrale Grondkamer. 4 artikel 13 artikel 6, eerste lid, van de Uitvoeringswet grondkamers Ingeval de toestemming wordt verleend, worden de gegevens bedoeld inin afwijking van, onverwijld aan Onze Minister overgelegd. 2007 164 24-05-2007 06-12-2006 30833 2007 165 30-05-2007 21-05-2007 01-09-2007
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 Indien binnen een tijdvak van zeven jaren na het tijdstip van de toestemming wijziging optreedt in de aan de grondkamer overgelegde gegevens, dienen deze wijzigingen binnen één maand aan de grondkamer te worden gemeld. 2 Voor zover de wijziging betreft een overeenkomst met een nieuwe bedrijfsleider dan wel met een nieuwe pachter, behoeft deze wijziging de toestemming van de grondkamer. 3 artikel 14, eerste lid De in het vorige lid bedoelde toestemming wordt verleend, indien voldaan wordt aan het bepaalde bij of krachtens. 4 artikel 6, eerste lid, van de Uitvoeringswet grondkamers De in het eerste lid bedoelde gegevens worden, in afwijking van, onverwijld aan Onze Minister overgelegd, tenzij het tweede lid toepassing vindt. In het laatste geval worden de gegevens overgelegd nadat de grondkamer heeft beslist over de aldaar bedoelde toestemming. 2007 164 24-05-2007 06-12-2006 30833 2007 165 30-05-2007 21-05-2007 01-09-2007
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 artikel 15, eerste lid Op vordering van of vanwege Onze Minister kan de toestemming, binnen het tijdvak genoemd in, door de grondkamer worden ingetrokken, indien: a. de te harer verkrijging verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig zijn, dat op het verzoek anders beslist zou zijn, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest; b. de rechtspersoon geen arbeidsovereenkomst heeft met een bedrijfsleider, dan wel indien de rechtspersoon niet meer optreedt als verpachter; c. artikel 15, eerste lid artikel 15, tweede lid de verplichtingen, welke voortvloeien uit, niet worden nagekomen, dan wel indien de toestemming als bedoeld in, niet is verleend. 2 Van de intrekking, als bedoeld in het vorige lid, staat beroep open bij de Centrale Grondkamer. 1981 248 26-03-1981 15969 1982 689 29-11-1982 01-01-1983
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 artikel 15, eerste lid Indien een rechtspersoon binnen het tijdvak genoemd in, landbouwgrond, dan wel een beperkt recht waaraan landbouwgrond is onderworpen, daarop bezit, waarvoor de grondkamer geen toestemming heeft verleend, dan wel de toestemming heeft ingetrokken, vordert Onze Minister dat de rechtspersoon met betrekking tot die landbouwgrond een pachtovereenkomst sluit met het bureau of met een door hem aan te wijzen pachter. 2 Een vordering als bedoeld in het vorige lid wordt niet ingesteld dan nadat zes maanden zijn verlopen na de datum van de intrekking van de toestemming. 3 Indien een rechtspersoon in gebreke blijft een pachtovereenkomst, als voorzien in het eerste lid, te sluiten, vervalt met ingang van de dertigste dag na de vordering van Onze Minister, dagelijks een dwangsom ten belope van een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag. 4 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regelen gesteld met betrekking tot de procedure van aanwijzing van pachters, de voorwaarden waaronder een pachtovereenkomst als bedoeld in het eerste lid gesloten wordt en de wijze waarop het bureau de landbouwgrond kan onderverpachten. 5 artikel 355 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek In afwijking van het bepaalde inbehoeven onderverpachtingen door het bureau niet de schriftelijke toestemming van de verpachter. 2007 164 24-05-2007 06-12-2006 30833 2007 165 30-05-2007 21-05-2007 01-09-2007
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 artikel 23, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek In geval van ontbinding van een rechtspersoon behoeft de overdracht krachtens, indien en voor zover tot het batig saldo landbouwgrond behoort, de toestemming van de grondkamer. De toestemming wordt verleend indien de verwerver van de landbouwgrond voldoet aan het bepaalde bij of krachtens deze wet. 1981 248 26-03-1981 15969 1982 689 29-11-1982 01-01-1983
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 Vervallen 1989 490 25-10-1989 19077 1991 607 03-12-1991 1990 90 20-02-1990 01-01-1992
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 artikel 6, eerste lid artikelen 12, onder a 15, tweede lid 18 Het verzoek om goedkeuring als bedoeld in, dan wel toestemming als bedoeld in de,, en, wordt ingediend op een bij de grondkamer verkrijgbaar, volledig ingevuld formulier en onder overlegging van drie afschriften van de overeenkomst tot vervreemding van land, alsmede een opgave van de kadastrale aanduiding van de onroerende zaken waarop die overeenkomst betrekking heeft, en van de grootte van elk der desbetreffende percelen en perceelsgedeelten. 2 Het model van het in het vorige lid bedoelde formulier wordt door Onze Minister vastgesteld. 1989 490 25-10-1989 19077 1991 607 03-12-1991 1990 90 20-02-1990 01-01-1992
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 artikel 22 van de Uitvoeringswet grondkamers Het verzoek om goedkeuring dan wel toestemming moet worden ingediend bij de grondkamer, bedoeld in. 2 De grondkamer tekent de datum van ontvangst van een verzoek om goedkeuring onverwijld daarop aan. 2007 164 24-05-2007 06-12-2006 30833 2007 165 30-05-2007 21-05-2007 01-09-2007
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 Zij, die voornemens zijn een overeenkomst tot vervreemding van land aan te gaan, zijn bevoegd een ontwerp-overeenkomst ter goedkeuring aan de grondkamer in te zenden. 2 Het verzoek tot goedkeuring dient te zijn ondertekend door degenen, die in de ontwerp-overeenkomst als partijen zijn genoemd of door hun gemachtigden. 3 artikel 20, eerste lid, onder Het verzoek om goedkeuring wordt ingediend op een volledig ingevuld formulier als bedoeld inoverlegging van drie afschriften van de ontwerp-overeenkomst, alsmede een opgave van de kadastrale aanduiding van de onroerende zaken waarop die ontwerp-overeenkomst betrekking heeft, en van de grootte van elk der desbetreffende percelen en perceelsgedeelten. 1989 490 25-10-1989 19077 1991 607 03-12-1991 1990 90 20-02-1990 01-01-1992
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 artikel 22 Titels II III De grondkamer beoordeelt een ontwerp-overeenkomst als bedoeld inmet toepassing van deen; zij kan haar goedkeuring afhankelijk stellen van wijzigingen, welke zij nodig oordeelt. 2 artikel 37, eerste lid Indien binnen twee maanden nadat de grondkamer of de Centrale Grondkamer een goedgekeurde ontwerp-overeenkomst aan ieder der partijen heeft verzonden, een overeenkomst wordt ingezonden, die gelijk is aan de ontwerp-overeenkomst, zoals deze werd goedgekeurd, is de grondkamer onverminderd het bepaalde in, tot goedkeuring gehouden. 1989 490 25-10-1989 19077 1991 607 03-12-1991 1990 90 20-02-1990 01-01-1992
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 1 De grondkamer of de Centrale Grondkamer is bevoegd een mondelinge behandeling te gelasten van het bij haar ingediende verzoek op een door haar te bepalen zitting. 2 De grondkamer of de Centrale Grondkamer is op verzoek van één der partijen verplicht een mondelinge behandeling te gelasten van het bij haar ingediende verzoek op een door haar te bepalen zitting. 3 De secretaris roept de partijen op voor de mondelinge behandeling. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 artikelen 6 tot en met 8 13 14 22, tweede lid tot en met 24 29 tot en met 32 34 35 van de Uitvoeringswet grondkamers De,,,,,enzijn van overeenkomstige toepassing, indien ingevolge de bepalingen van deze wet een beslissing van de grondkamer of de Centrale Grondkamer wordt verlangd. 2007 164 24-05-2007 06-12-2006 30833 2007 165 30-05-2007 21-05-2007 01-09-2007
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 artikel 2, tweede lid, onder c Indien de grondkamer aan een overeenkomst of een ontwerp-overeenkomst haar goedkeuring onthoudt, of weigert een verklaring als bedoeld in, af te geven, staat de betrokkenen beroep open op de Centrale Grondkamer. 2 artikelen 37 tot en met 42 van de Uitvoeringswet grondkamers artikel 37, vierde lid, van de Uitvoeringswet grondkamers Dezijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat, wordt gelezen als betrekking hebbend op een overeenkomst of een ontwerp-overeenkomst als bedoeld in deze wet. 2007 164 24-05-2007 06-12-2006 30833 2007 165 30-05-2007 21-05-2007 01-09-2007
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 1 Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van Veiligheid en Justitie tarieven vaststellen voor de uit hoofde van deze wet door de grondkamer en door de Centrale Grondkamer te verrichten werkzaamheden. 2 Artikel 44, tweede lid, van de Uitvoeringswet grondkamers is van overeenkomstige toepassing. 2012 19 26-01-2012 22-12-2011 32871 2012 31 07-02-2012 25-01-2012 08-02-2012
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 1 Er is een bureau beheer landbouwgronden. 2 Het bureau heeft zijn zetel te 's-Gravenhage. 3 Het bureau is rechtspersoon. 1981 248 26-03-1981 15969 1981 667 27-10-1981 01-01-1982
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 1 Onverminderd het bepaalde in deze wet is het bureau belast met de uitvoering van de door Onze Minister of door Onze bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen Ministers opgedragen, op het verkrijgen, tijdelijk beheren of vervreemden van onroerende zaken betrekking hebbende op daarmede verwante werkzaamheden. 2 artikel 53 Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld betreffende het tijdelijk beheer van landbouwgrond, verworven ingevolgeen betreffende de wijze waarop zodanige landbouwgrond door het bureau wederom vervreemd dient te worden. 3 Voor zover het betreft land, verworven in het kader van het voorkeursrecht dan wel land verworven uit anderen hoofde stelt Onze Minister in overeenstemming met Onze medebetrokken Ministers regelen betreffende het tijdelijk beheer en de wijze waarop zodanig land door het bureau wederom vervreemd dient te worden. 1989 490 25-10-1989 19077 1991 607 03-12-1991 1990 90 20-02-1990 01-01-1992
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 Er is een commissie beheer landbouwgronden. De commissie heeft tot taak: a. het geven van de algemene leiding aan het bureau en het houden van toezicht op de werkzaamheden van het bureau; b. artikel 59 te beslissen omtrent aanvragen als bedoeld in; c. het verrichten van andere door Onze Minister of door Onze bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen Ministers opgedragen werkzaamheden. 2 De commissie brengt jaarlijks verslag uit aan Onze Minister en Onze bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen Ministers over de werkzaamheden van het bureau. Onze Minister regelt de wijze en het tijdstip, waarop het verslag wordt uitgebracht. Het verslag wordt door Onze Minister aan de Staten-Generaal medegedeeld. 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 1997 63 20-02-1997 06-02-1997 24749 21-02-1997 01-01-1997 Werkt terug tot en met 1 januari 1997.
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 1 Wij benoemen en ontslaan de voorzitter van de commissie. 2 De benoeming en het ontslag van de overige leden geschiedt door Onze Minister, of Onze bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen Ministers, ieder tot een bij zodanige maatregel te bepalen aantal. 3 De commissie bestaat uit ten hoogste 16 leden en is zodanig samengesteld, dat ten minste de helft van het aantal leden benoemd is op voordracht van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen organisaties van belanghebbenden. 4 De directeur van het bureau is secretaris van de commissie. 5 Onze Minister kan adviserende leden benoemen. 6 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de samenstelling, de taak en de werkwijze van de commissie, alsmede omtrent het tijdvak waarvoor de leden worden benoemd. 2006 666 20-12-2006 07-12-2006 30509 2006 677 21-12-2006 13-12-2006 01-01-2007
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 1 De dagelijkse leiding van het bureau berust bij een door Onze Minister aan te wijzen ambtenaar van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, die de functie van directeur vervult. 2 Staatscourant Het bureau wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door de directeur. Onze Minister stelt daaromtrent nadere regelen vast bij in debekend te maken besluit. Onze Minister kan andere personen machtigen het bureau in en buiten rechte te vertegenwoordigen. 3 De directeur van het bureau is verantwoording schuldig aan Onze Minister en is gehouden de opdrachten uit te voeren en aanwijzingen op te volgen, welke door Onze Minister of door Onze bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen Ministers worden gegeven. 4 Het bureau heeft geen eigen personeel. Zijn werkzaamheden worden verricht door personen die door Onze Minister zijn aangesteld of op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst zijn genomen en die deswege rechtstreeks ten laste van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit worden bezoldigd of beloond. 2018 487 27-12-2018 05-12-2018 34987 2018 488 27-12-2018 18-12-2018 01-01-2019
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 1 Het boekjaar van het bureau is gelijk aan het kalenderjaar. 2 Jaarlijks, vóór 15 oktober stelt de directeur een begroting van inkomsten en uitgaven vast voor het volgende kalenderjaar, welke na goedkeuring door de commissie aan Onze Minister ter goedkeuring wordt toegezonden. 3 Jaarlijks, vóór 1 juli stelt de directeur de rekening en verantwoording, welke in ieder geval bevat een balans en een staat van inkomsten en uitgaven over het afgelopen kalenderjaar vast, welke na goedkeuring door de commissie aan Onze Minister ter goedkeuring wordt toegezonden. De goedkeuring van de rekening strekt tot décharge van de directeur en de commissie. 4 Het saldo van inkomsten en uitgaven komt ten gunste dan wel ten laste van de rijksbegroting. 1981 248 26-03-1981 15969 1981 667 27-10-1981 01-01-1982
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 Maatregelen, welke financiële lasten ten gevolge hebben, en welke niet als verplichting uit deze wet voortvloeien, worden door de directeur slechts genomen, voor zover door Onze Minister of Onze bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen Ministers daartoe kredieten beschikbaar zijn gesteld. 1981 248 26-03-1981 15969 1981 667 27-10-1981 01-01-1982
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 1 Onze Minister stelt in overeenstemming met Onze Minister van Financiën regelen omtrent de begroting, het beheer der geldmiddelen en de rekening en verantwoording van het bureau. De regelen worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant. 2 Aan de door Onze Minister aan te wijzen ambtenaren wordt desverlangd inzage gegeven van de boeken en bescheiden van het bureau en aan hen worden alle inlichtingen verstrekt, welke zij voor een juist inzicht in het financieel beheer van het bureau nodig achten. 1995 375 17-08-1995 10-07-1995 23796 1995 375 17-08-1995 10-07-1995 23796 18-08-1995 01-01-1995
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 De Staat waarborgt de financiële verplichtingen, welke voor het bureau uit de uitoefening van zijn taak voortvloeien. 1981 248 26-03-1981 15969 1981 667 27-10-1981 01-01-1982
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 1 afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek Overeenkomsten tot vervreemding van land, dat is aangewezen op grond van het derde lid, worden niet ingeschreven in de inbedoelde openbare registers, dan nadat het bureau in de gelegenheid is gesteld een zodanige overeenkomst te sluiten. 2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor een daarbij te bepalen tijdvak gebieden worden aangewezen, waarbinnen land als bedoeld in het eerste lid is gelegen. De maatregel bevat overwegingen omtrent de door het vestigen van een voorkeursrecht in zodanig gebied na te streven doeleinden. Als zodanige gebieden kunnen geheel of gedeeltelijk worden aangewezen: a. artikel 18, eerste lid, van de Wet inrichting landelijk gebied landinrichtingsgebieden, vanaf het moment dat overeenkomstigeen ontwerp voor een inrichtingsplan ter inzage wordt gelegd; b. gebieden welke als reservaat zijn aangewezen; c. Reconstructiewet Midden-Delfland Stb. het gebied Midden-Delfland, zoals dit is vastgesteld op grond van de(1977, 233); d. Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën Stb. het gebied Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën, zoals dit is vastgesteld op grond van de(1977, 694); e. artikel 2.3, eerste of tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening gebieden, die bij een structuurvisie als bedoeld inna inwerkingtreding van deze wet zijn aangemerkt als gebieden, die als voorkeursgebied kunnen worden aangewezen; f. artikel 1 van de Reconstructiewet concentratiegebieden artikel 15, tweede lid, van die wet reconstructiegebieden als bedoeld in, vanaf het moment dat overeenkomstighet ontwerp van het reconstructieplan ter inzage wordt gelegd. 3 Binnen de op grond van het tweede lid bepaalde gebieden wijzen Wij de gronden aan, waarop het eerste lid van toepassing is. 4 artikelen 2 3 4, eerste lid, onder a 5 6 van de Wet voorkeursrecht gemeenten artikelen 10 tot en met 24 26 van die wet De aanwijzing als bedoeld in het derde lid kan geen gronden omvatten waarop ingevolge dein samenhang met,, ofdan weldeenvan toepassing zijn. 5 artikelen 10 tot en met 24 26 van de Wet voorkeursrecht gemeenten artikelen 2 3 4, eerste lid, onder a 5 6 van die wet Het voorkeursrecht van het bureau op gronden die begrepen zijn in een aanwijzing als bedoeld in het derde lid vervalt, indien na de totstandkoming van Ons besluit op die gronden deenvan toepassing zijn ingevolge dein samenhang met,, ofdan wel. 6 a c d artikel 199, eerste lid, van de Landinrichtingswet artikel 79, tweede lid, van de Reconstructiewet Midden-Delfland artikel 83, tweede lid, van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën Een aanwijzing als bedoeld in het derde lid vervalt op het tijdstip waarop met betrekking tot een gebied, als bedoeld in het tweede lid, onder,of, het plan van toedeling ter inzage is neergelegd overeenkomstig, onderscheidenlijk, onderscheidenlijk. De aanwijzing vervalt eveneens één week na het tijdstip waarop niet tot herinrichting, ruilverkaveling dan wel aanpassingsinrichting is besloten. 7 artikel 75, eerste lid, van de Reconstructiewet concentratiegebieden Een aanwijzing als bedoeld in het derde lid vervalt op het tijdstip waarop met betrekking tot een gebied, als bedoeld in het tweede lid, onder f, het ruilplan ter inzage is gelegd overeenkomstig. 2010 155 22-04-2010 18-03-2010 31285 2010 248 30-06-2010 24-06-2010 01-07-2010
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 artikel 37, derde lid De aanwijzing, bedoeld in, wordt bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant. 2020 262 17-07-2020 01-07-2020 35218 2021 176 09-04-2021 01-04-2021 01-07-2021
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 1 artikel 37, derde lid De aanwijzing, bedoeld in, vermeldt, onder verwijzing naar een bijgevoegde kadastrale kaart, ten aanzien van de onroerende zaken waarop zij betrekking heeft, de kadastrale aanduiding daarvan, de grootte van elk der desbetreffende percelen volgens de basisregistratie kadaster en, indien een in de aanwijzing opgenomen onroerende zaak een gedeelte van een perceel uitmaakt, bovendien de grootte van dat gedeelte. 2 artikel 37, derde lid artikel 37, derde lid artikel 37, vijfde of zesde lid Het bureau doet mededeling van de aanwijzing, bedoeld in, aan iedere eigenaar van de in de aanwijzing begrepen gronden, alsmede aan iedere rechthebbende op een beperkt recht waaraan die gronden zijn onderworpen. Deze mededeling bevat een beschrijving van de betekenis van de aanwijzing. Indien de gronden niet langer begrepen zijn in een aanwijzing als bedoeld in, dan wel indien het bepaalde in, zich voordoet, doet het bureau hiervan op overeenkomstige wijze mededeling. 3 artikel 37, derde lid De aanwijzing, bedoeld in, treedt in werking een week na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij is geplaatst. 2020 262 17-07-2020 01-07-2020 35218 2021 176 09-04-2021 01-04-2021 01-07-2021
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 artikel 37, eerste lid a, d, e h artikel 6, tweede lid, onderen Het bepaalde in, is niet van toepassing, voor zover het betreft overeenkomsten als genoemd in. 1981 248 26-03-1981 15969 1982 689 29-11-1982 01-01-1983
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 1 artikel 37, eerste lid Ter voldoening aan het bepaalde in, verstrekt de vervreemder een schriftelijke opgave aan het bureau van het land waarop de overeenkomst tot vervreemding betrekking heeft, zomede van de kadastrale aanduiding en van de oppervlakte van het land. 2 artikel 37, derde lid Indien de overeenkomst tot vervreemding van land betrekking heeft op gronden die slechts ten dele in de aanwijzing bedoeld in, zijn opgenomen, maar een samenhangend geheel vormen, kan de vervreemder eisen, dat dit geheel van onroerende zaken wordt betrokken bij de vervreemding aan het bureau. 3 artikel 37, derde lid Indien de overeenkomst betrekking heeft op een bedrijf, als onderdeel waarvan de onroerende zaken die zijn opgenomen in de aanwijzing bedoeld in, worden geëxploiteerd, kan de vervreemder eisen, dat het gehele bedrijf wordt betrokken bij de vervreemding aan het bureau. Desgevraagd maakt hij aannemelijk, dat anders de bestaansgrondslag aan het bedrijf zou komen te ontvallen. 4 Het bureau bevestigt ten spoedigste schriftelijk de ontvangst van de opgave. 1989 490 25-10-1989 19077 1991 607 03-12-1991 1990 90 20-02-1990 01-01-1992
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 1 artikel 41, eerste lid Binnen twee maanden na de ontvangst van de in, bedoelde opgave beslist het bureau of het in beginsel het land of het beperkte recht wenst te verwerven. 2 Het bureau doet binnen de in het eerste lid genoemde termijn mededeling van zijn beschikking aan degene die tot vervreemding wenst over te gaan. Indien het bureau te kennen geeft een overeenkomst te willen sluiten, houdt de mededeling een bod in op de te vervreemden zaken. 3 Titels II III artikel 41, tweede en derde lid Indien het bureau binnen de in het eerste lid bedoelde termijn heeft bericht, dat het het land of het beperkte recht niet wenst te verwerven, heeft de vervreemder gedurende het tijdvak van één jaar na ontvangst van dat bericht de vrijheid om, onverminderd het bepaalde in deen, met derden een overeenkomst tot vervreemding aan te gaan, in dier voege dat de vervreemding moet betreffen al het in zijn opgave vermelde land of beperkte rechten, met inbegrip van het gedeelte van het bedrijf, waarvan de vervreemder bij het verstrekken van die opgave, ingevolge, heeft geëist, dat het mede bij de vervreemding zou worden betrokken. 4 Bij overschrijding door het bureau van de in het eerste lid genoemde termijn is het bepaalde in het vorige lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat het aldaar genoemde tijdvak van één jaar aanvangt na verloop van die termijn. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 1 Indien het bureau in onderhandeling is getreden over het aangaan van een overeenkomst tot vervreemding, kan de vervreemder het bureau de wens te kennen geven, dat over de prijs advies zal worden uitgebracht door deskundigen, te benoemen door de rechtbank binnen welks rechtsgebied het desbetreffende land geheel of grotendeels is gelegen. Binnen twee weken na ontvangst van het desbetreffende schriftelijke verzoek van de vervreemder, verzoekt het bureau de rechtbank één of meer deskundigen te benoemen, ten einde het bedoelde advies uit te brengen. 2 artikel 42, derde lid Bij overschrijding door het bureau van de in het vorige lid bedoelde termijn is, van overeenkomstige toepassing. 3 Bij het verzoekschrift legt het bureau een gewaarmerkt afschrift van het verzoek van de vervreemder over. 4 b artikelen 40-40f van de onteigeningswet De rechtbank benoemt één of meer deskundigen die zo spoedig mogelijk een met redenen omkleed schriftelijk advies uitbrengen. De deskundigen stellen hun advies vast met overeenkomstige toepassing van de. 5 De kosten van het verzoek en van het advies van deskundigen komen ten laste van het bureau. 2012 313 13-07-2012 12-07-2012 32891 2012 314 13-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 1 artikel 43 Binnen een maand na dagtekening van het inbedoelde advies kan het bureau met redenen omkleed de rechtbank verzoeken een oordeel over de prijs te geven, of aan de vervreemder berichten, dat het zich met het advies kan verenigen. 2 Ingeval het bureau binnen de in het eerste lid gestelde termijn aan de vervreemder heeft bericht, dat het zich met het advies van de deskundigen kan verenigen, is het bureau behoudens het bepaalde in het volgende lid tot uiterlijk drie maanden na dagtekening van het bericht tegenover de vervreemder daaraan gebonden. Tot het einde van die termijn kan de vervreemder de rechtbank met redenen omkleed verzoeken, een oordeel over de prijs te geven, of aan het bureau berichten dat hij zich met het advies kan verenigen, dan wel, dat hij afziet van de sluiting van een overeenkomst tot vervreemding. Indien de vervreemder niet vóór afloop van die termijn aan het bureau heeft bericht dat hij zich met het advies kan verenigen, kan hij zich tegenover hem niet meer beroepen op het bericht bedoeld in de eerste zin van dit lid. 3 artikel 48 Ingeval de vervreemder binnen de in het vorige lid gestelde termijn van drie maanden het aldaar bedoelde verzoek aan de rechtbank heeft gedaan, kan het bureau hem binnen veertien dagen na dagtekening van dat verzoek berichten dat het bureau alsnog van de aankoop afziet. Bij gebreke aan zodanig bericht geldt na afloop van laatstgenoemde termijn. 4 artikel 42, derde lid Ingeval het bureau binnen de in het eerste lid genoemde termijn van een maand of binnen de in het derde lid gestelde termijn van veertien dagen aan de vervreemder heeft bericht, dat het bureau van de koop afziet, is, van overeenkomstige toepassing. 5 artikel 42, vierde lid Bij overschrijding door het bureau van de in het eerste lid gestelde termijn, is, van overeenkomstige toepassing. 2004 215 25-05-2004 13-05-2004 28958 2004 275 24-06-2004 17-06-2004 01-07-2004
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 1 artikel 44 artikel 43 Indien een verzoek als bedoeld inaan de rechtbank wordt gedaan, benoemt deze één van haar leden als commissaris om, te zamen met de ingevolgebenoemde deskundigen en vergezeld van een griffier, een onderzoek in te stellen om te dien einde de ligging en gesteldheid van het land op te nemen. De tijd en plaats van opneming worden door de rechter-commissaris zo spoedig mogelijk bepaald en door de griffier medegedeeld aan de deskundigen, zomede aan de partijen die bij de opneming aanwezig kunnen zijn. 2 Van de opneming maakt de griffier een door de rechter-commissaris en door hemzelf te ondertekenen proces-verbaal op. De rechter-commissaris draagt aan de deskundigen op een nader advies over de prijs uit te brengen en stelt de dag vast, waarop dit advies ter griffie van de rechtbank zal worden neergelegd. Deze dag zal niet later worden bepaald dan uiterlijk drie maanden na de dag van opneming. In het proces-verbaal wordt de dag van de nederlegging vermeld. 2004 215 25-05-2004 13-05-2004 28958 2004 275 24-06-2004 17-06-2004 01-07-2004
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 artikel 45, tweede lid Artikel 43, vierde lid, derde en vierde zin In de eerste voor de behandeling van burgerlijke zaken bestemde zitting, welke plaats heeft na afloop van één maand na de in, bedoelde nederlegging, kunnen beide partijen hun belangen mondeling onderbouwen. De griffier roept partijen, zomede de deskundigen, op om ter zitting aanwezig te zijn. Uiterlijk vier weken na de zitting doet de rechtbank bij beschikking uitspraak over de prijs., is van overeenkomstige toepassing. 2016 290 21-07-2016 13-07-2016 34212 2017 174 04-05-2017 01-05-2017 01-09-2017 Artikel CIX van Stb. 2016/290 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 1 Binnen een maand na dagtekening van de beschikking van de rechtbank bericht het bureau aan de vervreemder, dat het zich met de daarin bepaalde prijs verenigt, of dat het van verwerving afziet. 2 Ingeval het bureau binnen de in het vorige lid gestelde termijn aan de vervreemder heeft bericht, dat het zich met de aldaar bedoelde prijs kan verenigen, is het tot uiterlijk drie maanden na dagtekening van het bericht tegenover de vervreemder daaraan gebonden. Indien de vervreemder niet vóór de afloop van die termijn aan het bureau heeft bericht, dat hij zich met de prijs kan verenigen, kan hij zich tegenover het bureau niet meer beroepen op het bericht, bedoeld in de vorige zin. 3 artikel 42, derde lid Ingeval het bureau binnen de in het eerste lid gestelde termijn aan de vervreemder heeft bericht, dat het bureau van verwerking afziet, is, van overeenkomstige toepassing. 4 artikel 42, vierde lid Bij overschrijding door het bureau van de in het eerste lid gestelde termijn is, van overeenkomstige toepassing. 2004 215 25-05-2004 13-05-2004 28958 2004 275 24-06-2004 17-06-2004 01-07-2004
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 artikel 46 Gedurende drie maanden na dagtekening van de beschikking van de rechtbank als bedoeld in, is het bureau, indien de vervreemder zulks verlangt, verplicht zijn medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een akte tot levering aan hem van het betrokken land of beperkte recht tegen betaling aan de vervreemder van de door de rechtbank bij haar beschikking bepaalde prijs. 1989 490 25-10-1989 19077 1991 607 03-12-1991 1990 90 20-02-1990 01-01-1992
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 artikel 46 De beschikking, bedoeld inis niet vatbaar voor beroep of cassatie. 1981 248 26-03-1981 15969 1982 689 29-11-1982 01-01-1983
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 1 artikel 44 45 artikel 43 artikel 45, tweede lid artikel 46 De kosten van de inenomschreven procedures, de kosten van het inbedoelde advies van de deskundigen, de kosten van het nader advies, bedoeld in, de kosten van de deskundigen, verbonden aan het bijwonen van de inbedoelde zitting, alsmede de redelijkerwijze door de vervreemder voor rechtsbijstand en andere deskundige bijstand gemaakte kosten, komen ten laste van het bureau, met dien verstande echter dat de rechtbank, indien zij daartoe termen vindt in de omstandigheden van het geval, bevoegd is de kosten geheel of gedeeltelijk te compenseren. 2 De beschikking van de rechtbank is, voor zover het betreft de daarin opgenomen kostenveroordeling, vatbaar voor tenuitvoerlegging. 2016 290 21-07-2016 13-07-2016 34212 2017 174 04-05-2017 01-05-2017 01-09-2017 Artikel CIX van Stb. 2016/290 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 1 Onze Minister kan de nietigheid inroepen: a. artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht artikel 37, derde lid van de overdracht of uitgifte van aandelen of certificaten van aandelen in besloten en naamloze vennootschappen tenzij van deze vennootschappen de aandelen of certificaten van aandelen zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit, als bedoeld inof een met een gereglementeerde markt of multilaterale handelsfaciliteit vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is als bedoeld in, dan wel van de totstandbrenging of de overdracht van lidmaatschaps- of andere rechten in andere rechtspersonen ofwel van niet niet tot de handel op een zodanige markt toegelaten certificaatrechten of dergelijke deelnemingsrechten op land of beperkte rechten waaraan land is onderworpen, een en ander indien de vennootschappen of rechtspersonen onmiddellijk of middellijk eigenaar zijn van land of rechthebbende zijn op beperkte rechten waaraan dat land is onderworpen, dan wel certificaatrechten betrekking hebben op land of zulke beperkte rechten, en indien dat land is opgenomen in een besluit, als bedoeld in; b. van de toedeling van onder a bedoelde aandelen, certificaten of rechten, in geval van ontbinding van enige gemeenschap met uitzondering van de huwelijksgemeenschap, de gemeenschap van een geregistreerd partnerschap of een nalatenschap. 2 De nietigheid kan volgens het vorige lid worden ingeroepen op grond dat de overdracht, uitgifte of toedeling plaats vond met de kennelijke strekking, afbreuk te doen aan het belang van het bureau bij haar in deze wet geregelde voorkeurspositie. 3 Het verzoek moet worden gedaan binnen twee maanden nadat de overdracht, uitgifte of toedeling ter kennis van Onze Minister is gekomen bij de rechtbank van het arrondissement binnen welker ressort het betreffende land is gelegen, de rechtspersoon haar woonplaats heeft dan wel de vennootschap of maatschappij is gevestigd. Onze Minister is niet ontvankelijk in zijn verzoek indien het bureau met de overdracht, uitgifte of toedeling schriftelijk heeft ingestemd. 4 Eerste Afdeling A Eerste Afdeling B van de Tweede Titel van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 248 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek De vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing in geval van een verkoop krachtens deofdan wel ingevolge. 2007 406 31-10-2007 30-10-2007 31086 2007 408 31-10-2007 30-10-2007 01-11-2007
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 Schriftelijke opgaven, verzoeken en beschikkingen op grond van deze titel, dienen aangetekend te worden verzonden. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 1 artikel 43, eerste lid Een ieder die wil overgaan tot overdracht in eigendom van land of tot overdracht van een recht van beklemming daarop kan de rechtbank bedoeld in, verzoeken te bepalen, dat het bureau gehouden is medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een akte houdende een overeenkomst tot overdracht in eigendom van land of tot overdracht van een recht van beklemming daarop aan het bureau tegen betaling aan de vervreemder van de door de rechtbank bij beschikking te bepalen prijs. 2 artikelen 43, eerste, derde, vierde lid, eerste volzin en vijfde lid 44, eerste en tweede lid 45 46 De,,enzijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat de verkeerswaarde als agrarische grond wordt gehanteerd als grondslag voor het bepalen van de prijs. Indien het land betreft waarop bosbouw wordt uitgeoefend, wordt de verkeerswaarde als bosgrond als prijsgrondslag gehanteerd. Indien het natuurterreinen betreft, wordt de desbetreffende verkeerswaarde gehanteerd. 3 Het verzoek als bedoeld in het eerste lid kan, in geval van een executoriale verkoop, op verzoek van de executant worden gedaan door degene te wiens overstaan de openbare verkoop geschiedt, binnen veertien dagen na het plaatsvinden van zodanige verkoop. 2004 215 25-05-2004 13-05-2004 28958 2004 275 24-06-2004 17-06-2004 01-07-2004
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 1 Titels II III artikel 53 Indien krachtens deofgeen vereisten met betrekking tot overeenkomsten tot vervreemding van land zijn gesteld isniet van toepassing. 2 a, artikel 8, tweede lid, onder b, artikel 14, eerste lid, ondersub 1° artikel 53 Indien de nadere vereisten met betrekking tot de vervreemding van land zich beperken tot de vereisten gesteld krachtensof, isniet van toepassing. 3 Wet gemeenschappelijke regelingen artikel 53 De Staat, een provincie, een gemeente, een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam, als bedoeld in de, een waterschap, een veenschap of een veenpolder kunnen geen toepassing vanverzoeken. 1989 490 25-10-1989 19077 1991 607 03-12-1991 1990 90 20-02-1990 01-01-1992
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 artikel 53 Titels II III Een verzoek als bedoeld inwordt door de rechtbank afgewezen, indien onaannemelijk is, dat een beroep op dat artikel noodzakelijk is ten gevolge van de krachtens deofgestelde vereisten. 2004 215 25-05-2004 13-05-2004 28958 2004 275 24-06-2004 17-06-2004 01-07-2004
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 1 artikel 45 artikel 45, tweede lid artikel 46 De kosten van de inomschreven procedure, de kosten van het advies bedoeld in, de kosten van de deskundigen, verbonden aan het bijwonen van de inbedoelde zitting, alsmede de redelijkerwijze door de vervreemder voor rechtsbijstand en andere deskundige bijstand gemaakte kosten, komen ten laste van het bureau, met dien verstande echter dat de rechtbank, indien zij daartoe termen vindt in de omstandigheden van het geval, bevoegd is de kosten geheel of gedeeltelijk te compenseren. 2 Artikel 50, tweede lid , is van overeenkomstige toepassing. 2016 290 21-07-2016 13-07-2016 34212 2017 174 04-05-2017 01-05-2017 01-09-2017 Artikel CIX van Stb. 2016/290 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het bureau kan overgaan tot de uitgifte in erfpacht van landbouwgrond aan een ondernemer in de landbouw, in bij zodanige maatregel te bepalen gevallen. 2 artikel 43, vierde lid, derde en vierde zin Na afloop van het tijdvak waarvoor de landbouwgrond in erfpacht is uitgegeven, heeft de erfpachter de mogelijkheid de landbouwgrond te kopen tegen de werkelijke waarde als omschreven in. 3 De erfpachter heeft de in het tweede lid omschreven mogelijkheid, indien hij een daartoe strekkend verzoek ten minste één jaar en ten hoogste drie jaar voor het tijdstip waarop de erfpacht eindigt, bij het bureau heeft ingediend. 4 artikelen 45 46 Indien met het bureau geen overeenstemming over de prijs wordt verkregen, kan de erfpachter een verzoek richten tot de rechtbank binnen welks rechtsgebied het desbetreffende land geheel of grotendeels is gelegen. Deenzijn van overeenkomstige toepassing. 2004 215 25-05-2004 13-05-2004 28958 2004 275 24-06-2004 17-06-2004 01-07-2004
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 Onze Minister stelt nadere regelen vast omtrent de uitgifte alsmede omtrent de bij uitgifte te stellen voorwaarden. 1995 355 25-07-1995 10-07-1995 23983 1995 355 25-07-1995 10-07-1995 23983 26-07-1995
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 1 Op aanvragen tot de uitgifte in erfpacht van landbouwgrond wordt beslist door de commissie beheer landbouwgronden. 2 Onze Minister stelt regelen met betrekking tot de bij een beschikking te volgen werkwijze. 3 Tegen beschikkingen van de commissie beheer landbouwgronden staat beroep open bij Onze Minister. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 artikel 8 artikelen 2-19 artikel 2, eerste, derde en vierde lid Indien voor een provincie geen regelen zijn gesteld krachtenstreden voor die provincie de, met uitzondering van het bepaalde bedoeld in, buiten werking. 1981 248 26-03-1981 15969 1982 689 29-11-1982 01-01-1983
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 Het is verboden onjuiste of onvolledige opgaven te doen met het oog op het verkrijgen van de goedkeuring van een overeenkomst tot vervreemding van land. 1981 248 26-03-1981 15969 1982 689 29-11-1982 01-01-1983
Artikel 62 — Artikel 62#
Artikel 62 1 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, zijn belast de bij besluit van Onze Minister daartoe aangewezen ambtenaren. 2 Staatscourant Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de. 3 artikelen 5:15 5:18 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, genoemd in de,en. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 63 — Artikel 63#
Artikel 63 Vervallen 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 64 — Artikel 64#
Artikel 64 1 artikelen 8 9 14, eerste lid, onder b, sub 1° Onze Minister verleent op aanvraag ontheffing van het bepaalde bij of krachtens de,en, indien naar zijn oordeel sprake is van een bijzondere omstandigheid en gewichtige belangen tot het verlenen van een ontheffing aanleiding geven. 2 artikel 8, derde lid In afwijking van het bepaalde in het eerste lid verleent Onze Minister ontheffing van het bepaalde krachtens. 3 Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend; aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld met betrekking tot de procedure die bij het aanvragen van een ontheffing moet worden gevolgd, alsmede met betrekking tot de beslissing omtrent de aanvraag. 5 Tegen een beschikking van Onze Minister omtrent de verlening, de weigering, de verlenging of de intrekking van een ontheffing staat beroep open bij de Centrale Grondkamer. 2012 19 26-01-2012 22-12-2011 32871 2012 31 07-02-2012 25-01-2012 08-02-2012
Artikel 65 — Artikel 65#
Artikel 65 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1981 248 26-03-1981 15969 1982 689 29-11-1982 01-01-1983
Artikel 67 — Artikel 67#
Artikel 67 De rechten, lasten, verplichtingen en bezittingen van de Stichting "Beheer Landbouwgronden" gaan bij haar opheffing over op het bureau. 1981 248 26-03-1981 15969 1982 689 29-11-1982 01-01-1983
Artikel 68 — Artikel 68#
Artikel 68 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1981 248 26-03-1981 15969 1982 689 29-11-1982 01-01-1983
Artikel 70 — Artikel 70#
Artikel 70 1 Deze wet kan worden aangehaald als "Wet agrarisch grondverkeer". 2 Zij treedt in werking met ingang van een door Ons te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan zijn. 1981 248 26-03-1981 15969 1982 689 29-11-1982 01-01-1983