Wet van 30 september 1981, houdende bepalingen ter bevordering van de veiligheid van de vaart van schepen op binnenwateren en van goede arbeidsomstandigheden aan boord van die schepen
- BWB-id
- BWBR0003443
- Type
- Wet
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- 2008-11-07 t/m 2009-06-30
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0003443
- ELI
- /eli/nl/wet/1982/binnenschepenwet
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1982/binnenschepenwet/2008-11-07
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0003443&g=2008-11-07
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0003443&z=2026-06-06&g=2008-11-07
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0003443/2008-11-07
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1982/binnenschepenwet
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. "Onze Minister": Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; b. "Onze Ministers": Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; c. "binnenwateren": de wateren, die in Nederland zijn gelegen binnen een langs de Nederlandse kust gaande, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen lijn; d. rivieren, kanalen en meren: binnenwateren met uitzondering van de Westerschelde, de Oosterschelde, de Waddenzee, de Eems, de Dollard en het IJsselmeer met inbegrip van het IJmeer en het Markermeer, met uitzondering van de Gouwzee; e. "schipper": de gezagvoerder van een schip of degene, die deze vervangt; f. "lengte": de grootste lengte van de romp, roer en boegspriet niet inbegrepen; g. Trb. "Herziene Rijnvaartakte": de Herziene Rijnvaartakte, ondertekend te Mannheim de 17de oktober 1868, sedert gewijzigd (1955, 161 en 1964, 83); h. inspecteur-generaal: inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat; i. divisie Scheepvaart: divisie Scheepvaart van de Inspectie Verkeer en Waterstaat; j. "arbeid": alle werkzaamheden in een onderneming, dan wel in een bedrijf of dienst onder beheer van het Rijk, een provincie, een gemeente of ander publiekrechtelijk lichaam, van een vereniging of van een stichting; k. bedrijfsmatig: in de uitoefening van een beroep of bedrijf of tegen vergoeding; l. sleepboot: een schip dat is gebouwd om te slepen; m. duwboot: een schip dat is gebouwd om te duwen. 2 Onder schepen worden mede verstaan draagvleugelboten, veerponten, alsmede baggermolens, drijvende kranen, elevatoren en alle andere drijvende werktuigen, pontons of materieel van soortgelijke aard. 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere voorwerpen, die voor vervoer of opslag op binnenwateren worden gebruikt, voor de toepassing van daarbij aangewezen bepalingen van deze wet met schepen worden gelijkgesteld. 4 Met de eigenaar van een schip wordt gelijkgesteld de gebruiker van het schip, niet zijnde een reis- of tijdbevrachter. 2004 117 30-03-2004 04-03-2004 29011 2004 553 29-10-2004 18-10-2004 01-11-2004
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Vervallen 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 Schepen, behorende tot de volgende categorieën, moeten bij gebruik op de binnenwateren zijn voorzien van een geldig certificaat van onderzoek: a. schepen, bestemd of gebezigd voor het bedrijfsmatig vervoer van goederen, met een laadvermogen van 15 ton of meer; b. schepen, niet bestemd of gebezigd voor het bedrijfsmatig vervoer van goederen, met een lengte van 15 meter of meer; c. sleep- of duwboten; d. schepen, bestemd of gebezigd voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan 12 personen, buiten de bemanning. 2 Dit lid is nog niet in werking getreden. 3 Het eerste lid geldt niet voor schepen die zich op de Rijn, de Lek of de Waal bevinden, met uitzondering van veerponten. 4 Dit lid is nog niet in werking getreden. 1981 678 24-11-1981 30-09-1981 13978 2002 17 17-01-2002 12-12-2001 01-02-2002 Het eerste lid, aanhef en onderdeel b treedt in werking
ten aanzien van bunkerstations, met dien verstande dat het eerste lid, aanhef en onderdeel b van de Binnenschepenwet ten
aanzien van bunkerstations die op 1 februari 2002 in bedrijf
zijn, in werking treden op 1 februari 2007. Het eerste lid, aanhef en onderdeel d treedt ten aanzien van passagiersschepen ingericht of bestemd om te worden ingericht om hoofdzakelijk door middel van zeilen te worden voortbewogen in werking met ingang van 1 januari 2001 (Stb. 2000/555).
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 Het certificaat van onderzoek is niet vereist voor: a. schepen die voorzien zijn van een scheepspatent als bedoeld in de Herziene Rijnvaartakte en zich begeven van de Rijn, de Lek of de Waal naar open zee of naar België, of omgekeerd, dan wel bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën van schepen die voorzien zijn van een scheepspatent als bedoeld in de Herziene Rijnvaartakte en zich bevinden op bij die algemene maatregel van bestuur aan te wijzen binnenwateren; b. Schepenwet schepen, die voorzien zijn van een geldig certificaat van deugdelijkheid, afgegeven krachtens de; c. a schepen die voorzien zijn van een ander dan onderbedoeld geldig document, dat door de bevoegde autoriteiten in het buitenland ten bewijze van de deugdelijkheid van het schip is afgegeven en voor zover dat bij internationale regeling dan wel door Onze Minister is erkend; d. schepen, die bestemd zijn tot het redden van drenkelingen; e. schepen, die bestemd zijn om louter door spierkracht te worden voortbewogen; f. woonschepen, anders dan voor de vaart gebruikt; g. baggermolens, grind- of zandzuigers en andere drijvende werktuigen van soortgelijke aard, die zich bevinden in een grind- of zandgat; h. schepen die in beheer zijn bij de Koninklijke Marine, alsmede andere schepen die in beheer zijn bij het Ministerie van Defensie, voor zover zij behoren tot de organieke uitrusting van het legerkorps; i. schepen, die in gebruik zijn bij enige bondgenootschappelijke krijgsmacht. 2 Het certificaat van onderzoek is evenmin vereist voor: a. schepen, die in aanbouw zijn of waarmede een proefvaart wordt ondernomen; b. f de in het eerste lid, aanhef, onder, bedoelde woonschepen, die worden versleept of waarmede naar of van een werf wordt gevaren; c. schepen, die hetzij hier te lande voor buitenlandse rekening zijn gebouwd, hetzij naar het buitenland zijn verkocht, en die over de binnenwateren naar hun bestemmingsplaats worden gebracht; d. b artikel 5 schepen die voorzien zijn van een geldig voorlopig certificaat van onderzoek als bedoeld in. 1998 466 28-07-1998 01-07-1998 25332 1999 262 29-06-1999 23-06-1999 01-07-1999
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 Het certificaat van onderzoek wordt op aanvraag afgegeven door de inspecteur-generaal, indien na een onderzoek is gebleken dat het schip voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen, die betrekking kunnen hebben op de constructie, de inrichting, de werktuigen, de uitrusting, het vrijboord, de stabiliteit van het schip en de sleep- en duwverbindingen van schepen. 2 a artikel 13, eerste lid, aanhef, onder Ingeval tevens moet worden voldaan aan de in, bedoelde regelen wordt het certificaat niet eerder afgegeven dan nadat door een onderzoek gebleken is dat ook aan die regelen is voldaan. 3 De in het eerste lid bedoelde regelen kunnen verschillen met het oog op de eigen omstandigheden van de vaart op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen binnenwateren. 4 Het certificaat geeft aan voor welke binnenwateren het geldig is en vermeldt tevens of het in het tweede lid bedoelde onderzoek is ingesteld. 5 Aan een certificaat kunnen voorschriften worden verbonden indien ouderdom, reeds bestaande of bijzondere constructie, inrichting, werktuigen, of uitrusting van het schip het stellen van deze voorschriften noodzakelijk maken. De voorschriften worden in het certificaat vermeld. De eigenaar draagt zorg voor de naleving van deze voorschriften. 6 Onze Minister stelt het model van het certificaat vast. 2004 117 30-03-2004 04-03-2004 29011 2004 553 29-10-2004 18-10-2004 01-11-2004
Artikel 5a — Artikel 5a#
Artikel 5a 1 artikel 5, eerste lid Onze Minister kan met betrekking tot bepaalde categorieën van schepen van een of meer van de krachtens, gestelde regelen, zo nodig onder het geven van voorschriften, vrijstelling verlenen, mits de veiligheid van de schepen en de opvarenden voldoende gewaarborgd is. 2 artikel 5, eerste lid De inspecteur-generaal is bevoegd om in bijzondere gevallen ontheffing te verlenen van een of meer van de krachtens, gestelde regelen. Aan een ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. 3 De inspecteur-generaal kan een krachtens het tweede lid verleende ontheffing intrekken, indien de aldaar bedoelde voorschriften en beperkingen niet worden nageleefd. 4 De eigenaar draagt zorg voor de naleving van de voorschriften en de beperkingen, bedoeld in het eerste en tweede lid. 2004 117 30-03-2004 04-03-2004 29011 2004 553 29-10-2004 18-10-2004 01-11-2004
Artikel 5b — Artikel 5b#
Artikel 5b 1 artikel 3, eerste lid De inspecteur-generaal kan een voorlopig certificaat van onderzoek afgeven voor schepen, behorende tot de categorieën, bedoeld in, hetzij vooruitlopend op de afgifte van het certificaat van onderzoek, hetzij in het geval dat de schepen een zodanige schade hebben geleden dat de staat, waarin zij verkeren, niet meer met het in het certificaat van onderzoek gestelde overeenstemt, mits de veiligheid van het schip en de opvarenden voldoende gewaarborgd is. 2 Het voorlopige certificaat van onderzoek wordt afgegeven voor ten hoogste een maand. 3 Het voorlopige certificaat van onderzoek kan voorschriften bevatten, die door de inspecteur-generaal in het belang van de veiligheid van het schip of de opvarenden nodig worden geacht. De eigenaar draagt zorg voor de naleving van deze voorschriften. 4 Onze Minister stelt het model vast van het voorlopige certificaat van onderzoek. 2004 117 30-03-2004 04-03-2004 29011 2004 553 29-10-2004 18-10-2004 01-11-2004
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 Het certificaat van onderzoek wordt afgegeven voor een tijdvak van zeven jaren. Indien het echter schepen betreft die bestemd zijn voor het vervoer van passagiers, wordt het certificaat van onderzoek afgegeven voor een tijdvak van vier jaren. 2 Indien de toestand of de aard van het gebruik van het schip daartoe aanleiding geeft, kan het certificaat worden afgegeven voor een korter tijdvak dan in het vorige lid is vermeld. 3 Het tijdvak, waarvoor het certificaat wordt afgegeven, wordt gerekend van de dag van afgifte af. 4 De in het eerste en tweede lid bedoelde tijdvakken kunnen in bijzondere gevallen door de inspecteur-generaal met ten hoogste één jaar worden verlengd. 2004 117 30-03-2004 04-03-2004 29011 2004 553 29-10-2004 18-10-2004 01-11-2004
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 De eigenaar van een schip, waarvoor een certificaat van onderzoek is afgegeven, draagt zorg dat de inspecteur-generaal onverwijld in kennis wordt gesteld van: a. belangrijke schade en herstellingen aan het schip; b. verbouwingen en andere ingrijpende wijzigingen van het schip; c. overgang van eigendom van het schip. 2004 117 30-03-2004 04-03-2004 29011 2004 553 29-10-2004 18-10-2004 01-11-2004
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 a b artikel 7, onderen Ten aanzien van schepen, waarvoor een certificaat van onderzoek is afgegeven, wordt in de gevallen, bedoeld in, en bij vermoeden van ernstige gebreken aan het schip, een onderzoek ingesteld. De eigenaar is verplicht om op vordering van de ambtenaar van de dienst, belast met het onderzoek van schepen, medewerking te verlenen aan dat onderzoek. 2 Het certificaat van onderzoek kan door de inspecteur-generaal in de volgende gevallen ongeldig worden verklaard: a. artikel 5, eerste lid indien bij het onderzoek blijkt dat niet wordt voldaan aan de in, bedoelde voorschriften; b. indien bij het onderzoek blijkt dat bij gebruik van het schip de veiligheid van de arbeid in gevaar wordt gebracht; c. indien niet wordt voldaan aan de vordering tot medewerking aan het onderzoek. 3 De ongeldigverklaring vindt niet plaats dan nadat de eigenaar in de gelegenheid is gesteld de redenen voor de ongeldigverklaring weg te nemen. 4 Staatscourant De inspecteur-generaal doet van een besluit tot ongeldigverklaring mededeling in de. 5 artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht Onverminderdtreedt een besluit tot ongeldigverklaring in werking met ingang van de dag na die waarop de in het vierde lid bedoelde mededeling is gedaan. 2004 117 30-03-2004 04-03-2004 29011 2004 553 29-10-2004 18-10-2004 01-11-2004
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 b c artikel 4, eerste lid, onderen, en tweede lid De vaart met schepen, die voorzien moeten zijn van een certificaat van onderzoek, en met schepen, bedoeld in, kan worden onderbroken door de ambtenaren van de divisie Scheepvaart en door de door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid daartoe aangewezen onder hem ressorterende ambtenaren, indien de staat waarin het schip zich bevindt zodanig is dat de veiligheid van het schip en de opvarenden of van andere schepen en hun opvarenden onmiddellijk gevaar loopt. 2 In geval van toepassing van het vorige lid is de schipper verplicht het schip onverwijld en met inachtneming van de aanwijzingen van de ambtenaar te voeren of te doen voeren naar een door de ambtenaar geschikt geachte plaats. 3 De schipper is verplicht het schip op de aangewezen plaats te laten liggen totdat de redenen voor het onderbreken van de vaart zijn weggenomen. 4 a artikel 4, eerste lid, onder De voorgaande leden zijn mede van toepassing op schepen, bedoeld in, voor zover zij zich bevinden op enig binnenwater, niet zijnde de Rijn, de Lek of de Waal. 5 Afdeling 5.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid. 2004 117 30-03-2004 04-03-2004 29011 2004 553 29-10-2004 18-10-2004 01-11-2004
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ten aanzien van schepen, die voorzien moeten zijn van een certificaat van onderzoek, regelen gegeven, die betrekking kunnen hebben op het handhaven van de deugdelijke staat van het schip, van de werktuigen en de uitrusting, de belading van het schip, de inachtneming van het vrijboord, het aantal personen dat ten hoogste kan worden toegelaten, en hetgeen overigens in het belang van de veiligheid van het schip en de opvarenden dient te worden verricht of nagelaten. 2 De eigenaar draagt zorg voor de naleving van de in het vorige lid bedoelde regelen. 1981 678 24-11-1981 30-09-1981 13978 1991 151 20-03-1991 01-04-1991
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 artikelen 5, vijfde lid a 5, vierde lid b 5, derde lid 7 8, eerste lid 10, tweede lid Een gelijke verplichting als die, welke bij de,,,,, en, op de eigenaar van het schip is gelegd, rust op de schipper. 1993 318 27-05-1993 22857 1993 425 23-07-1993 01-08-1993
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 De kosten van behandeling van een aanvraag van een certificaat van onderzoek, van het verlenen van een ontheffing en van een onderzoek en daarmee samenhangende werkzaamheden komen ten laste van de eigenaar van het schip. 2 artikel 27, eerste en tweede lid In afwijking van het bepaalde in het vorige lid komen de kosten van een onderzoek en daarmee samenhangende werkzaamheden, voor zover deze worden verricht door de in, bedoelde diensten en personen, ten laste van het Rijk: a. artikel 8 indien naar aanleiding van een vermoeden ten aanzien van de aanwezigheid van ernstige gebreken aan het schip op grond van het bepaalde ineen onderzoek is ingesteld en hetzij bij dat onderzoek, hetzij na een ingesteld beroep tegen de ongeldigverklaring van het certificaat van onderzoek, gebleken is dat het vermoeden onjuist is geweest; b. artikel 9 indien op grond van het bepaalde inde vaart met een schip is onderbroken en hetzij bij een daaropvolgend onderzoek, hetzij na een ingesteld beroep tegen het onderbreken van de vaart, gebleken is dat het onderbreken van de vaart met het schip ten onrechte is geschied. 3 artikel 27, eerste en tweede lid Bij regeling van Onze Minister worden de tarieven voor de kosten van behandeling van een aanvraag van een certificaat en van een ontheffing vastgesteld. Bij regeling van Onze Minister worden in overeenstemming met Onze bij algemene maatregel van bestuur aangewezen Ministers de tarieven vastgesteld voor de onderzoeken en werkzaamheden, voor zover deze worden verricht door de in, bedoelde diensten en personen. 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 12a — Artikel 12a#
Artikel 12a 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ter uitvoering van de Herziene Rijnvaartakte regels gesteld betreffende: a. de bouw, inrichting en uitrusting van schepen die de Rijn in Nederland, met inbegrip van de Waal en de Lek, bevaren; b. het onderzoek van schepen, hun uitrusting en de afgifte van documenten ten behoeve van schepen die de in onderdeel a genoemde scheepvaartwegen bevaren; c. de instellingen en bedrijven die onderzoeken verrichten en documenten afgeven als bedoeld in onderdeel b; d. de instellingen en de autoriteiten in Nederland die belast zijn met de uitvoering van de in dit lid bedoelde regels. 2 Voor de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is een vergoeding verschuldigd volgens een bij ministeriële regeling vast te stellen tarief. De vergoeding kan worden berekend aan de hand van onder andere de ouderdom van de schepen of hun uitrusting, de aard van de schepen of hun uitrusting, het aantal inspecties, de aard, het tijdstip en de plaats van de inspecties en de aard van de documenten. Voor de werkzaamheden verricht door instellingen en bedrijven als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, kan in deze regeling een maximumtarief worden opgenomen. 3 Teneinde rekening te houden met de technische ontwikkelingen in de binnenvaart of om proefnemingen mogelijk te maken, kunnen, uitsluitend overeenkomstig de door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart aangenomen resoluties, bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld waarbij tijdelijke afwijkingen voor ten hoogste drie jaren van de in het eerste lid bedoelde regels toegelaten zijn. 2002 19 17-01-2002 20-12-2001 27886 2002 19 17-01-2002 20-12-2001 27886 01-04-2002
Artikel 12b — Artikel 12b#
Artikel 12b 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ter uitvoering van de Herziene Rijnvaartakte regels gesteld betreffende: a. eisen en keuringsvoorwaarden voor uitrusting, bestemd voor of aanwezig op schepen die de Rijn in Nederland, met inbegrip van de Waal en de Lek, bevaren; b. de keuring van uitrusting als bedoeld in onderdeel a en de afgifte van met de keuring verband houdende documenten ten behoeve van schepen die de in onderdeel a genoemde scheepvaartwegen bevaren; c. de procedure van typekeuring van uitrusting als bedoeld in onderdeel a en de afgifte van met de keuring verband houdende documenten en aan te brengen merken, alsmede de aanwijzing en erkenning van keuringsinstellingen en de intrekking daarvan; d. de instellingen en bedrijven en de aanwijzing en erkenning daarvan, die de inbouw of vervanging, de reparatie en het onderhoud van uitrusting als bedoeld in onderdeel a verrichten; e. de instellingen en de autoriteiten in Nederland die belast zijn met de uitvoering van de in dit lid bedoelde regels. 2 Voor de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is een vergoeding verschuldigd volgens een bij ministeriële regeling vast te stellen tarief. De vergoeding kan worden berekend aan de hand van onder andere de ouderdom van de uitrusting, de aard van de uitrusting, het aantal keuringen, de aard, het tijdstip en de plaats van de keuring en de aard van de documenten. Voor de werkzaamheden verricht door instellingen en bedrijven als bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, kan in deze regeling een maximumtarief worden opgenomen. 2002 19 17-01-2002 20-12-2001 27886 2002 19 17-01-2002 20-12-2001 27886 01-04-2002
Artikel 12c — Artikel 12c#
Artikel 12c 1 artikel 785, eerste lid, van boek 8 van het Burgerlijk Wetboek artikel 1.10, eerste lid, onderdeel f, van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 Schippers van binnenschepen die ingevolgeteboekgesteld moeten zijn, zijn bij gebruik van die schepen voorzien van een geldige meetbrief, afgegeven volgens de voorschriften, bedoeld in het tweede lid, dan wel een meetbrief als bedoeld in. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ter uitvoering van de op 15 februari 1966 te Genève tot stand gekomen Overeenkomst nopens de meting van binnenvaartuigen (Trb.1967, 43), regels gesteld betreffende: a. de meting van binnenschepen; b. de afgifte van meetbrieven; c. de overige werkzaamheden samenhangend met de meting van binnenschepen. 3 Voor de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, is een vergoeding verschuldigd volgens een bij ministeriële regeling vast te stellen tarief. De vergoeding kan worden berekend aan de hand van onder andere de aard van de meting, de verplaatsing en de aard van het schip, de aard van de meetbrieven en de aard van de werkzaamheden. 2002 19 17-01-2002 20-12-2001 27886 2002 19 17-01-2002 20-12-2001 27886 01-04-2002
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 Ter bevordering van de arbeidsomstandigheden aan boord van schepen bij gebruik op de binnenwateren worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regelen gegeven met betrekking tot: Onder arbeid aan boord van schepen wordt in de vorige zin niet verstaan het laden en lossen van goederen. a. de inrichting en de uitrusting van schepen; b. de arbeid aan boord daarvan. 2 De in het vorige lid bedoelde regelen zijn van toepassing voor zover zij verenigbaar zijn met bij of krachtens de Herziene Rijnvaartakte gegeven regelen. 3 artikel 3, eerste lid Zij gelden met betrekking tot schepen, behorende tot de in, bedoelde categorieën, aan boord waarvan arbeid pleegt te worden verricht, uitgezonderd: a. a voor wat betreft de regelen, bedoeld in het eerste lid, aanhef, onder: schepen, die teboekstaan in een buitenlands register voor binnenschepen en voor de vaart tussen het buitenland en Nederland worden gebruikt; b. a b voor wat betreft de regelen, bedoeld in het eerste lid, aanhef, onderen: 1°. schepen, uitsluitend of in hoofdzaak gebruikt voor de vaart ter zee; 2°. schepen die in beheer zijn bij de Koninklijke Marine, alsmede andere schepen die in beheer zijn bij het Ministerie van Defensie, voor zover zij behoren tot de organieke uitrusting van het legerkorps; 3°. schepen, die in gebruik zijn bij enige bondgenootschappelijke krijgsmacht; 4°. baggermolens, grind- of zandzuigers en andere drijvende werktuigen van soortgelijke aard. 2000 595 28-12-2000 13-12-2000 27091 2000 595 28-12-2000 13-12-2000 27091 29-12-2000
Artikel 13a — Artikel 13a#
Artikel 13a 1 artikel 13, eerste lid Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, kan met betrekking tot bepaalde categorieën van schepen van een of meer van de krachtens, gestelde regelen, zo nodig onder het geven van voorschriften, vrijstelling verlenen, mits de arbeidsomstandigheden aan boord voldoende gewaarborgd zijn. 2 artikel 13, eerste lid De inspecteur-generaal, in overeenstemming met een door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid daartoe aangewezen onder hem ressorterende ambtenaar, is bevoegd om in bijzondere gevallen ontheffing te verlenen van een of meer van de krachtens, gestelde regelen. Aan een ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. 3 De inspecteur-generaal, in overeenstemming met een door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid daartoe aangewezen onder hem ressorterende ambtenaar, kan een krachtens het tweede lid verleende ontheffing intrekken, indien de aldaar bedoelde voorschriften en beperkingen niet worden nageleefd. 2004 117 30-03-2004 04-03-2004 29011 2004 553 29-10-2004 18-10-2004 01-11-2004 De wijzigingsopdracht is niet geheel juist.
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 artikel 13 Door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid daartoe aangewezen onder hem ressorterende ambtenaren kunnen in een bepaald geval voorschriften geven met betrekking tot de naleving van de inbedoelde regelen. 2 a artikel 13, eerste lid, aanhef en onder Indien omtrent de uitleg van de krachtens, gestelde regels een onoverkomelijk verschil van opvatting bestaat tussen een door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen onder hem ressorterende ambtenaar en een belanghebbende, geeft een ambtenaar als bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de belanghebbende zo spoedig mogelijk een verklaring houdende een weergave van zijn opvatting. 3 Bij het geven van een voorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt een termijn bepaald, binnen welke er aan behoort te zijn voldaan. 1995 598 19-12-1995 23-11-1995 23646 1995 600 19-12-1995 04-12-1995 01-01-1996
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 artikel 13, eerste lid a artikel 13 artikel 14 De eigenaar van een schip, waarvoor regelen als bedoeld in, gelden, draagt zorg dat die regelen alsmede de krachtensgegeven voorschriften en beperkingen en de krachtensgegeven voorschriften bij gebruik van het schip op binnenwateren worden nageleefd. 2 Een gelijke verplichting rust op de schipper van het schip. 3 b a de artikelen 13, eerste lid, aanhef, onder, 13, eerste lid 14, eerste lid a artikel 13, tweede lid Degene, die arbeid verricht, waarop een regel of voorschrift als bedoeld in, en, of een aan een ontheffing verbonden voorschrift of beperking als bedoeld in, betrekking heeft, is verplicht die regel, dat voorschrift of die beperking, voor zover hij redelijkerwijs geacht kan worden daarmee bekend te zijn, na te leven, voor zover en op de wijze als bij die regel, dat voorschrift of die beperking is bepaald. 1993 318 27-05-1993 22857 1993 425 23-07-1993 01-08-1993
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 Een schipper is bij het varen op de binnenwateren in het bezit van een geldig groot vaarbewijs, indien hij vaart met: a. een schip met een lengte van 20 meter of meer, dat bedrijfsmatig wordt gebruikt of voor bedrijfsmatig gebruik is bestemd; b. een schip, dat wordt gebruikt of is bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan 12 personen, buiten de bemanning; c. een schip, dat wordt gebruikt om een schip met een lengte van 20 meter of meer te slepen, langszij vastgemaakt mee te voeren of te duwen. 2 Onverminderd het eerste lid, is een schipper bij het varen op de binnenwateren in het bezit van een geldig klein vaarbewijs, indien hij vaart met: a. een schip met een lengte van 15 meter of meer dat niet bedrijfsmatig wordt gebruikt; b. een schip met een lengte tussen de 15 en 20 meter dat bedrijfsmatig wordt gebruikt of voor bedrijfsmatig gebruik is bestemd; c. een sleep- of duwboot; d. een motorboot met een lengte van minder dan 15 meter die een snelheid van meer dan 20 kilometer per uur kan bereiken. 3 Het eerste en tweede lid zijn van toepassing op schepen die zich op de Rijn in Nederland, op de Lek of de Waal bevinden, voor zover deze toepassing verenigbaar is met bij of krachtens de Herziene Rijnvaartakte gegeven regelen. 4 Voor de vaart op rivieren, kanalen en meren is de schipper voorzien van een groot, dan wel een klein vaarbewijs, voor rivieren kanalen en meren. Voor de vaart op de overige binnenwateren is de schipper voorzien van een groot, dan wel klein vaarbewijs, voor alle binnenwateren. 5 Het groot vaarbewijs is geldig voor het varen met alle schepen. 6 De vaarbewijzen worden afgegeven door Onze Minister. 7 De modellen van de vaarbewijzen worden bij regeling van Onze Minister vastgesteld. 2000 142 04-04-2000 16-03-2000 26583 2001 78 15-02-2001 05-02-2001 01-03-2001
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 Het vaarbewijs is niet vereist: a. indien het een schip betreft in beheer bij de Koninklijke Marine, of een ander schip in beheer bij het Ministerie van Defensie, voor zover het behoort tot de organieke uitrusting van het legerkorps, of indien het een schip betreft in gebruik bij enige bondgenootschappelijke krijgsmacht; b. indien het schip bestemd is tot het redden van drenkelingen; c. indien het schip bestemd is om louter door spierkracht te worden voortbewogen; d. indien het schip wordt gebruikt voor grind- of zandwinning in den natte en zich bevindt in een grind- of zandgat; e. indien het schip uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt voor de vaart ter zee en de schipper is voorzien van een bewijs van bekwaamheid voor de zeevaart, afgegeven door een bevoegde autoriteit in Nederland of in het buitenland; f. artikel 1.05 van het Patentreglement Rijn artikel 4.01 van dat reglement indien de schipper is voorzien van een groot patent als bedoeld in, dan wel van een krachtensgeldig Rijnschipperspatent of groot patent; g. indien de schipper is voorzien van een bewijs van bekwaamheid voor de binnenvaart, dat is afgegeven door een bevoegde autoriteit in het buitenland en voor zover dat bij internationale regeling dan wel door Onze Minister is erkend voor de daarbij aan te geven categorie schepen; h. indien het een schip betreft dat behoort tot een door Onze Minister aangewezen categorie schepen, de schipper is voorzien van een door Onze Minister aangewezen bewijs van bekwaamheid dat is erkend ingevolge onderdeel g, en de schipper of een ander lid van de dekbemanning is voorzien van een door Onze Minister aangewezen aanvullend bewijs van bekwaamheid voor de binnenvaart, dat is afgegeven door een bevoegde autoriteit in het buitenland. 2 artikel 16 Onze Minister kan met betrekking tot bepaalde categorieën van schippers vrijstelling verlenen van de inbedoelde verplichting, zo nodig onder het geven van voorschriften, indien de veilige vaart met het schip op binnenwateren voldoende gewaarborgd is. De schipper draagt zorg voor de naleving van de voorschriften. 3 artikel 16 Onze Minister kan ontheffing verlenen van de inbedoelde verplichting, indien naar zijn oordeel de veilige vaart met het schip op binnenwateren voldoende gewaarborgd is. Aan een ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. De schipper draagt zorg voor de naleving van de voorschriften en de beperkingen. 4 Onze Minister kan een krachtens het derde lid verleende ontheffing intrekken, indien de aldaar bedoelde voorschriften en beperkingen niet worden nageleefd. 2008 428 06-11-2008 24-10-2008 31340 2008 428 06-11-2008 24-10-2008 31340 07-11-2008 01-04-2008
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 Vervallen 2000 142 04-04-2000 16-03-2000 26583 2001 78 15-02-2001 05-02-2001 01-03-2001
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 Afgifte van een vaarbewijs vindt plaats na overlegging van verklaringen, waaruit blijkt dat de aanvrager voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen, die betrekking hebben op: a. de algemene lichamelijke geschiktheid, de geestelijke geschiktheid en de geschiktheid van de gezichts- en gehoororganen; b. de kennis en bekwaamheid om het schip te voeren. 2 De aan de aanvrager van het vaarbewijs te stellen eisen kunnen tevens betrekking hebben op de tijd, doorgebracht als lid van de dekbemanning aan boord van een schip. 3 De in het eerste lid bedoelde eisen kunnen verschillend zijn naar gelang het betreft een vaarbewijs voor de vaart op de rivieren, kanalen en meren, of voor de vaart op alle binnenwateren en naar gelang het betreft een klein of een groot vaarbewijs. 4 artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens Ter uitvoering van het eerste lid worden persoonsgegevens betreffende de gezondheid als bedoeld inverwerkt. De verwerking van deze gegevens vindt plaats teneinde te kunnen beoordelen of de aanvrager voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen betreffende de algemene lichamelijke geschiktheid, de geestelijke geschiktheid en de geschiktheid van de gezichts- en gehoororganen. Onze Minister is verantwoordelijke voor deze verwerking. 2001 180 19-04-2001 05-04-2001 26410 2001 337 19-07-2001 05-07-2001 25892 01-09-2001 Treedt in werking als het voorstel van wet 25892 (Wet
bescherming persoonsgegevens) tot wet wordt verheven en in
werking treedt.
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 Een vaarbewijs wordt niet afgegeven aan degene die de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt. 1981 678 24-11-1981 30-09-1981 13978 1982 282 27-04-1982 01-10-1982
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 a. artikel 19, eerste lid, aanhef, onder Onze Minister wijst artsen aan die onderzoeken of door de aanvrager van een vaarbewijs wordt voldaan aan de eisen, bedoeld inZij geven een verklaring af indien het onderzoek met gunstig gevolg heeft plaatsgevonden. Indien uit het onderzoek blijkt, dat het om een beperkte geschiktheid gaat, kunnen aan het vaarbewijs voorschriften worden verbonden, die op het vaarbewijs worden opgenomen. 2 Wordt de afgifte van een verklaring geweigerd, dan wordt op verzoek van de aanvrager door een door Onze Minister aangewezen deskundige, niet zijnde de arts die het onderzoek heeft verricht, nogmaals onderzocht of aan de aanvrager een verklaring, als bedoeld in het vorige lid, kan worden afgegeven. Indien uit het onderzoek blijkt, dat het om een beperkte geschiktheid gaat, kunnen aan het vaarbewijs voorschriften worden verbonden, die op het vaarbewijs worden opgenomen. 3 Bij de weigering wordt de aanvrager opmerkzaam gemaakt op het bepaalde in het vorige lid, indien hij nog niet door een deskundige is onderzocht. 2003 13 17-01-2003 19-12-2002 28501 2003 13 17-01-2003 19-12-2002 28501 01-04-2003
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 b artikel 19, eerste lid, aanhef, onder, en tweede lid Het onderzoek of de aanvrager voldoet aan de eisen bedoeld in, geschiedt door instellingen of personen, die door Onze Minister worden aangewezen. Zij geven een verklaring af indien het onderzoek met gunstig gevolg heeft plaatsgevonden. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regelen gegeven omtrent de toelating van de aanvrager tot het onderzoek en de wijze van onderzoek. 3 Onze Minister kan de aanwijzing ingevolge het eerste lid intrekken indien de in het vorig lid bedoelde regelen niet in acht worden genomen. 4 Onze Minister wijst gecommitteerden aan die het onderzoek kunnen bijwonen. Zij ontvangen ten laste van het Rijk vergoeding van reis- en verblijfkosten alsmede, voor zover hun benoeming haar oorzaak niet vindt in het ambt dat zij bekleden, vacatiegelden. 1981 678 24-11-1981 30-09-1981 13978 1982 282 27-04-1982 01-10-1982
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 artikel 21 Het onderzoek, bedoeld in, blijft achterwege: a. indien de aanvrager het klein vaarbewijs wenst te verkrijgen; b. indien de aanvrager reeds een vaarbewijs bezit en hij tevens de 50-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt; c. indien de aanvrager niet langer dan drie maanden tevoren een overeenkomstig onderzoek met gunstig gevolg heeft ondergaan. 2 In de in het eerste lid bedoelde gevallen wordt volstaan met een eigen verklaring van de aanvrager, waaruit blijkt dat hij lichamelijk, in het bijzonder voor wat betreft zijn gezichts- en gehoororganen, en geestelijk geschikt is voor het beoefenen van de vaart op de binnenwateren. 3 artikel 22 Het onderzoek, bedoeld in, kan geheel of gedeeltelijk achterwege blijven indien de aanvrager in het bezit is van: a. een geldig vaarbewijs; b. een vaarbewijs dat zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur; c. een ander bewijs van vaarbekwaamheid voor de binnenvaart, dat door Onze Minister is erkend. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regelen gegeven met betrekking tot het bepaalde in de vorige leden. 2000 142 04-04-2000 16-03-2000 26583 2001 78 15-02-2001 05-02-2001 01-03-2001
Artikel 23a — Artikel 23a#
Artikel 23a 1 Het groot vaarbewijs, afgegeven voor de 50-jarige leeftijd van de houder, is geldig tot de dag waarop hij de leeftijd van 50 jaar en drie maanden bereikt. 2 Het groot vaarbewijs, afgegeven na het bereiken van de 50-jarige, doch voor het bereiken van de 55-jarige leeftijd van de houder, is geldig tot de dag waarop hij de leeftijd van 55 jaar en drie maanden bereikt. 3 Het groot vaarbewijs, afgegeven na het bereiken van de 55-jarige, doch voor het bereiken van de 60-jarige leeftijd van de houder, is geldig tot de dag waarop hij de leeftijd van 60 jaar en drie maanden bereikt. 4 Het groot vaarbewijs, afgegeven na het bereiken van de 60-jarige, doch voor het bereiken van de 65-jarige leeftijd van de houder, is geldig tot de dag waarop hij de leeftijd van 65 jaar en drie maanden bereikt. 5 Het groot vaarbewijs, afgegeven na het bereiken van de 65-jarige leeftijd van de houder, is geldig tot drie maanden na de eerstvolgende verjaardag van de houder. 2000 142 04-04-2000 16-03-2000 26583 2001 78 15-02-2001 05-02-2001 01-03-2001
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 1 Het klein vaarbewijs, afgegeven voor de 65-jarige leeftijd van de houder, is geldig tot de dag waarop hij de 65-jarige leeftijd bereikt. 2 In afwijking van het eerste lid is het klein vaarbewijs, afgegeven voor de 65-jarige leeftijd doch na het bereiken van de 62-jarige leeftijd van de houder, drie jaar geldig. 3 Het klein vaarbewijs, afgegeven nadat de houder de 65-jarige leeftijd heeft bereikt, is drie jaar geldig. 2000 142 04-04-2000 16-03-2000 26583 2001 78 15-02-2001 05-02-2001 01-03-2001
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 Op vordering van Onze Minister is de schipper te wiens naam een geldig vaarbewijs staat en te wiens aanzien een vermoeden van lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid tot of onbekwaamheid in het voeren van het schip bestaat, verplicht zich te onderwerpen aan een onderzoek. 2 artikel 21 artikel 22 Artikel 23 Bij vermoeden van lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid wordt het onderzoek ingesteld naar de algemene lichamelijke of geestelijke geschiktheid dan wel naar de geschiktheid van de gezichts- of gehoororganen op de voet van het bepaalde bij of krachtens. Bij vermoeden van onbekwaamheid wordt het onderzoek ingesteld op de voet van het bepaalde bij of krachtens.is in de in dit lid bedoelde gevallen niet van toepassing. 3 Indien bij een in het vorige lid bedoeld onderzoek de afgifte van een verklaring wordt geweigerd, of indien de schipper niet aan de in het eerste lid bedoelde verplichting voldoet zonder dat van een geldige reden daartoe blijkt, kan degene die met de afgifte van vaarbewijzen is belast het afgegeven vaarbewijs ongeldig verklaren. 4 Staatscourant Degene die met de afgifte van vaarbewijzen is belast, doet van een besluit tot ongeldigverklaring mededeling in de. 5 artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht Onverminderdtreedt een besluit tot ongeldigverklaring in werking met ingang van de dag na die waarop de in het vierde lid bedoelde mededeling is gedaan. 6 artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens Ter uitvoering van het eerste, tweede en derde lid worden persoonsgegevens betreffende de gezondheid als bedoeld inverwerkt. De verwerking van deze gegevens vindt plaats teneinde te kunnen beoordelen of sprake is van lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van de schipper. Onze Minister is verantwoordelijke voor deze verwerking. 2001 180 19-04-2001 05-04-2001 26410 2001 337 19-07-2001 05-07-2001 25892 01-09-2001 Treedt in werking als het voorstel van wet 25892 (Wet
bescherming persoonsgegevens) tot wet wordt verheven en in
werking treedt.
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 artikelen 21 22 De kosten van behandeling van de aanvrage van het vaarbewijs of van een ontheffing en de kosten, welke verbonden zijn aan de in deenbedoelde onderzoeken, komen ten laste van de aanvrager. 2 artikel 25 Indien bij een inbedoeld onderzoek de ongeschiktheid of onbekwaamheid van de schipper niet blijkt, komen de kosten van het onderzoek ten laste van het Rijk. 3 Bij regeling van Onze Minister worden de tarieven voor de kosten vastgesteld. 1993 318 27-05-1993 22857 1997 196 13-05-1997 28-04-1997 15-05-1997
Artikel 26a — Artikel 26a#
Artikel 26a 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ter uitvoering van de Herziene Rijnvaartakte regels gesteld betreffende: a. de voorwaarden die gesteld worden aan personen die werkzaam zijn op schepen die de Rijn in Nederland, met inbegrip van de Waal en de Lek, bevaren; b. de onderzoeken voorafgaand aan de afgifte, alsmede de afgifte van bevoegdheidsbewijzen en verklaringen ten behoeve van personen werkzaam op schepen die de in onderdeel a genoemde scheepvaartwegen bevaren; c. de instellingen en bedrijven en de aanwijzing en erkenning daarvan die onderzoeken verrichten en documenten afgeven als bedoeld in onderdeel b; d. de instellingen en de autoriteiten in Nederland die belast zijn met de uitvoering van deze regels. 2 Voor de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is een vergoeding verschuldigd volgens een bij ministeriële regeling vast te stellen tarief. De vergoeding kan worden berekend aan de hand van onder andere de aard van de examens, de aard van bevoegdheidsbewijzen en verklaringen ten behoeve van personen en de aard van de mutaties die daarin worden aangebracht. Voor werkzaamheden verricht door instellingen en bedrijven als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, kan in deze regeling een maximumtarief worden opgenomen. 2002 19 17-01-2002 20-12-2001 27886 2002 19 17-01-2002 20-12-2001 27886 01-04-2002
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 1 de artikelen 5, eerste lid a 13, eerste lid, aanhef, onder De ambtenaren van de divisie Scheepvaart en de door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen onder hem ressorterende ambtenaren zijn belast met het onderzoek van schepen. Zij onderzoeken of voldaan wordt aan de regelen bedoeld in, en. Onze Ministers kunnen beleidsregels vaststellen ten aanzien van de taakvervulling door deze ambtenaren. 2 Onze Ministers kunnen in overeenstemming met Onze bij algemene maatregel van bestuur aangewezen Ministers andere diensten en personen aanwijzen, die voor het verrichten van bepaalde werkzaamheden, samenhangende met het onderzoek van schepen, ter beschikking worden gesteld van de divisie Scheepvaart of de door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen onder hem ressorterende ambtenaren. 3 Voor de krachtens het tweede lid aangewezen diensten en personen, ressorterende onder een ander departement dan dat van Onze Ministers, worden beleidsregels betreffende de vervulling van hun in het tweede lid bedoelde taak niet gesteld dan in overeenstemming met Onze Ministers. 4 Staatscourant Van een krachtens het tweede lid vastgesteld besluit wordt mededeling gedaan in de. 5 artikel 5, eerste lid Door Ons kunnen onderzoekingsbureaus worden aangewezen wier verklaringen, dat de constructie, de inrichting, de werktuigen en de uitrusting van een schip voldoen aan hun voorschriften, dan wel aan de in, bedoelde regelen, in aanmerking worden genomen bij het onderzoek van schepen. 6 Staatscourant Onze Ministers kunnen instellingen of personen aanwijzen voor het verrichten van bepaalde werkzaamheden, samenhangend met het onderzoek van schepen. Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan in de. Het bepaalde in het eerste lid, tweede en derde volzin, is van overeenkomstige toepassing. 7 Het onderzoek van schepen wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nader geregeld. 2004 117 30-03-2004 04-03-2004 29011 2004 553 29-10-2004 18-10-2004 01-11-2004
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 1 Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast de ambtenaren van de divisie Scheepvaart en de door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen onder hem ressorterende ambtenaren. 2 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet en de Herziene Rijnvaartakte zijn voorts belast de bij besluit van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaren. Indien Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, ambtenaren van provincies, gemeenten of waterschappen aanwijst, doet hij dit eveneens in overeenstemming met de desbetreffende besturen. 3 Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. 2008 112 15-04-2008 03-04-2008 30979 2008 287 22-07-2008 05-07-2008 01-08-2008 Artikel XLVII van Stb. 2008/112 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 1 artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheid, genoemd in. 2 artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene douanewet De toezichthouder dan wel de inspecteur, bedoeld in, is bevoegd afgifte te vorderen van ongeldige certificaten van onderzoek en vaarbewijzen. 2008 112 15-04-2008 03-04-2008 30979 2008 287 22-07-2008 05-07-2008 01-08-2008 Artikel XLVII van Stb. 2008/112 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 artikelen 5, eerste en vierde lid a 5, tweede lid b 5, eerste en derde lid a c 8, tweede lid, aanhef, onderen 54 Tegen een beschikking, gegeven op grond van het bepaalde in de,,,, en, staat beroep open bij Onze Minister. 2 artikelen 5, vijfde lid 6, tweede lid 9, eerste lid juncto vierde lid Beroep bij Onze Minister staat eveneens open tegen een beschikking, gegeven op grond van het bepaalde in de,, en, indien de beschikking de veiligheid van de vaart betreft. 2004 117 30-03-2004 04-03-2004 29011 2004 553 29-10-2004 18-10-2004 01-11-2004
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 Vervallen 1998 466 28-07-1998 01-07-1998 25332 1999 262 29-06-1999 23-06-1999 01-07-1999
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 Vervallen 1998 466 28-07-1998 01-07-1998 25332 1999 262 29-06-1999 23-06-1999 01-07-1999
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 Vervallen 1998 466 28-07-1998 01-07-1998 25332 1999 262 29-06-1999 23-06-1999 01-07-1999
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 Vervallen 1998 466 28-07-1998 01-07-1998 25332 1999 262 29-06-1999 23-06-1999 01-07-1999
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 Vervallen 1998 466 28-07-1998 01-07-1998 25332 1999 262 29-06-1999 23-06-1999 01-07-1999
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 Vervallen 1998 466 28-07-1998 01-07-1998 25332 1999 262 29-06-1999 23-06-1999 01-07-1999
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 Vervallen 1998 466 28-07-1998 01-07-1998 25332 1999 262 29-06-1999 23-06-1999 01-07-1999
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 Vervallen 1998 466 28-07-1998 01-07-1998 25332 1999 262 29-06-1999 23-06-1999 01-07-1999
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 1 artikelen 5, tweede lid b 8, tweede lid, aanhef, onder a 13, tweede en derde lid 14, eerste lid artikel 14, tweede lid Tegen een beschikking, gegeven op grond van het bepaalde in de,,, en, en tegen een verklaring, bedoeld in, staat beroep open bij Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 2 artikelen 5, vijfde lid 6, tweede lid 9, eerste lid juncto vierde lid Beroep bij Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid staat eveneens open tegen een beschikking, gegeven op grond van het bepaalde in de,en, voor zover de beschikking de arbeidsomstandigheden betreft. 2000 595 28-12-2000 13-12-2000 27091 2000 595 28-12-2000 13-12-2000 27091 29-12-2000
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 Vervallen 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 Vervallen 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 Vervallen 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 artikelen 8, tweede lid, aanhef, onder b 9, eerste lid juncto vierde lid artikel 39 Behalve waar het een beschikking betreft, gegeven krachtens de, en, vloeit uit een beschikking, waarvan beroep kan worden ingesteld, geen verplichting voort gedurende de termijn waarbinnen beroep ingevolgekan worden ingesteld en zolang op een zodanig beroep niet is beslist. 1981 678 24-11-1981 30-09-1981 13978 1988 225 26-05-1988 04-05-1988 01-06-1988
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 hoofdstuk II De eigenaar van een schip, dat niet voorzien is van een geldig certificaat van onderzoek in de gevallen waarin dit ingevolgewordt vereist, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee weken of geldboete van de derde categorie. 2002 19 17-01-2002 20-12-2001 27886 2002 19 17-01-2002 20-12-2001 27886 01-04-2002
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 artikelen 3, tweede lid 5, vijfde lid a 5, vierde lid b 5, derde lid 7 10, tweede lid 11 15 17, tweede en derde lid Handelen of nalaten in strijd met een verplichting voortvloeiende uit het bepaalde in de,,,,,,,en, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een week of geldboete van de tweede categorie. 1993 318 27-05-1993 22857 1993 425 23-07-1993 01-08-1993
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 artikel 12c, eerste lid artikel 16 De schipper die niet is voorzien van een geldige meetbrief als bedoeld in, of die niet in het bezit is van een geldig vaarbewijs als bedoeld inwordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een week of geldboete van de tweede categorie. 2002 19 17-01-2002 20-12-2001 27886 2002 19 17-01-2002 20-12-2001 27886 01-04-2002
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 De in dit hoofdstuk strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. 1993 318 27-05-1993 22857 1993 425 23-07-1993 01-08-1993
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 1 artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering artikelen 179 tot en met 182 184 van het Wetboek van Strafrecht artikel 28 artikel 28, tweede lid, tweede volzin Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet en de bij de Herziene Rijnvaartakte strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd, belast de ingenoemde ambtenaren, die daartoe door Onze Minister van Justitie en Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn aangewezen, waarbij, van overeenkomstige toepassing is. Met de opsporing van de bij de Herziene Rijnvaartakte strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd, voorts belast de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in deen, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf. 2 Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. 2002 19 17-01-2002 20-12-2001 27886 2002 19 17-01-2002 20-12-2001 27886 01-04-2002
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 1 artikelen 5:13 5:15 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 48 Deentot en metzijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de inbedoelde ambtenaren. 2 artikel 48 De inbedoelde ambtenaren zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner. 3 artikel 48 De inbedoelde ambtenaren zijn bevoegd afgifte te vorderen van ongeldige certificaten van onderzoek en vaarbewijzen. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 Vervallen 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 Vervallen 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 1 De ingevolge deze wet afgegeven documenten moeten aan boord van het schip aanwezig zijn. 2 Onze Minister kan met betrekking tot bepaalde soorten schepen vrijstelling verlenen van de in het vorige lid bedoelde verplichting. 1981 678 24-11-1981 30-09-1981 13978 1991 151 20-03-1991 01-04-1991
Artikel 52a — Artikel 52a#
Artikel 52a 1 artikelen 28 48 Op de eerste vordering van de in deenbedoelde ambtenaren is de schipper verplicht de volgende documenten behoorlijk ter inzage af te geven: a. artikel 4, eerste lid, onder a, b, of c, of tweede lid, onder d een geldig certificaat van onderzoek dan wel een document als bedoeld in; b. artikel 17, eerste lid, onder e, f of g artikel 17, derde lid een geldig vaarbewijs dan wel een document als bedoeld in, of een bewijs van een ontheffing als bedoeld in; c. een geldige meetbrief. 2 Handelen of nalaten in strijd met een verplichting, voortvloeiende uit het eerste lid, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie. 2003 13 17-01-2003 19-12-2002 28501 2003 13 17-01-2003 19-12-2002 28501 01-04-2003
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 Vervallen 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 1 artikel 5, eerste lid Indien niet wordt voldaan aan de in, bedoelde regelen ten aanzien van: artikel 5 artikel 5, vijfde lid artikel 10 een en ander op het tijdstip van het in werking treden van, wordt op aanvraag een certificaat van onderzoek afgegeven als bedoeld onder, mits voorzieningen zijn getroffen welke voldoen aan de eisen, neergelegd in de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in. a. schepen waarvan de bouw was voltooid; b. schepen waarvoor het bouwcontract was gesloten; c. schepen waarvoor geen bouwcontract is gesloten, maar waarvan de kiel was gelegd dan wel de bouw zich in een daarmee vergelijkbaar stadium bevond; 2 artikel 5 Het vorige lid is niet van toepassing met betrekking tot schepen, die na het in werking treden vanuit het buitenland worden gekocht. 1981 678 24-11-1981 30-09-1981 13978 1988 225 26-05-1988 04-05-1988 01-06-1988
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 1 artikel 19 artikel 19 In afwijking vanwordt een vaarbewijs afgegeven aan een ieder, die bij het in werking treden van: a. artikel 19 artikel 16 als schipper werkzaam is en sedert het tijdstip, gelegen drie jaren voor het in werking treden van, als schipper werkzaam is geweest aan boord van een schip, dat tot de inbedoelde categorieën behoort en waarmede bedrijfsmatig op binnenwateren wordt gevaren, of b. artikel 19 artikel 16 in eigendom heeft en sedert het tijdstip, gelegen drie jaren voor het in werking treden vanin eigendom heeft gehad een schip, dat tot de inbedoelde categorieën behoort en waarmede niet bedrijfsmatig wordt gevaren, of c. in het bezit is van een bewijs van vaarbekwaamheid voor de binnenvaart, dat afgegeven is voor de bedrijfsmatige vaart en dat door Onze Minister is erkend, of d. in het bezit is van een bewijs van vaarbekwaamheid voor de binnenvaart, dat afgegeven is voor de niet-bedrijfsmatige vaart en dat door Onze Minister is erkend. 2 artikel 19 De aanvrage ter verkrijging van het vaarbewijs dient uiterlijk een jaar na het in werking treden vante worden ingediend. 3 a c b d In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, aanhef, onderen, onderscheidenlijken, wordt afgegeven het groot vaarbewijs, onderscheidenlijk het klein vaarbewijs. 4 artikel 19 a artikel 19, eerste lid, aanhef, onder Indien de aanvrager bij het in werking treden van65 jaar of ouder is, wordt het vaarbewijs niet eerder afgegeven dan nadat de verklaringen, bedoeld in, zijn overgelegd. 5 Het vaarbewijs is geldig voor de vaart op alle binnenwateren. 1981 678 24-11-1981 30-09-1981 13978 1982 282 27-04-1982 01-10-1982
Artikel 55a — Artikel 55a#
Artikel 55a 1 artikel 23a Het groot vaarbewijs, afgegeven ingevolge deze wet, waarvan de houder de 50-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt op de datum van inwerkingtreding van, is geldig tot de dag waarop de houder de leeftijd van 50 jaar en drie maanden bereikt. 2 artikel 23a Het groot vaarbewijs, afgegeven ingevolge deze wet, waarvan de houder de 50-jarige leeftijd bereikt of heeft bereikt op de datum van inwerkingtreding van, is geldig tot de dag waarop de houder de leeftijd van 55 jaar en drie maanden heeft bereikt. 3 artikel 23a Het groot vaarbewijs, afgegeven ingevolge deze wet, waarvan de houder de 55-jarige leeftijd bereikt of heeft bereikt op de datum van inwerkingtreding van, is geldig tot de dag waarop de houder de leeftijd van 60 jaar en drie maanden heeft bereikt. 4 artikel 23a Het groot vaarbewijs, afgegeven ingevolge deze wet, waarvan de houder de 60-jarige leeftijd bereikt of heeft bereikt op de datum van inwerkingtreding van, is geldig tot de dag waarop de houder de leeftijd van 65 jaar en drie maanden heeft bereikt. 5 artikel 23a Het groot vaarbewijs, afgegeven ingevolge deze wet, waarvan de houder de 65-jarige leeftijd bereikt of heeft bereikt op de datum van inwerkingtreding van, is geldig tot drie maanden na de eerstvolgende verjaardag van de houder. 2000 142 04-04-2000 16-03-2000 26583 2001 78 15-02-2001 05-02-2001 01-03-2001
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 1 artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden a artikel 56 Onverminderd dekan, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President,in werking worden gesteld. 2 Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde bepaling. 3 Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking is gesteld, onverwijld buiten werking gesteld. 4 Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, wordt de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking is gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten. 5 Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking. 6 Staatsblad Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in ieder geval geplaatst in het. 1996 366 09-07-1996 03-04-1996 23791 1997 172 29-04-1997 23-04-1997 01-05-1997 Artikel 56a kunnen volgens artikel 7, eerste lid en artikel 8,
eerste lid van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden in
beperkte en in algemene noodtoestand in werking worden gesteld.
Artikel 56a — Artikel 56a#
Artikel 56a De bepalingen van en krachtens deze wet ten aanzien van schepen en schippers gelden slechts voor zover zulks bij algemene maatregel van bestuur is bepaald. 1996 366 09-07-1996 03-04-1996 23791 1997 172 29-04-1997 23-04-1997 01-05-1997 Artikel 56a kunnen volgens artikel 7, eerste lid en artikel 8,
eerste lid van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden in
beperkte en in algemene noodtoestand in werking worden gesteld.
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 Vervallen 2000 142 04-04-2000 16-03-2000 26583 2000 142 04-04-2000 16-03-2000 26583 05-04-2000
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 1 Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van de wet nadere regeling behoeven, kan deze geschieden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. 2 artikelen 3, tweede lid 5, eerste lid 10, eerste lid 13, eerste lid 19, eerste lid Staatscourant De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de,,,en, wordt Ons niet gedaan dan twee maanden nadat een ontwerp-tekst van die maatregel in deis bekend gemaakt en daarvan aan de Staten-Generaal mededeling is gedaan. 1995 355 25-07-1995 10-07-1995 23983 1995 355 25-07-1995 10-07-1995 23983 26-07-1995
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 De bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen blijft ten aanzien van het onderwerp, waarin deze wet voorziet, gehandhaafd, voor zover die verordeningen niet met deze wet in strijd zijn. 1981 678 24-11-1981 30-09-1981 13978 1982 282 27-04-1982 01-10-1982
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 S. De Wet van 23 April 1880,67, betreffende de openbare middelen van vervoer, met uitzondering der spoorwegdiensten, wordt ingetrokken. 1981 678 24-11-1981 30-09-1981 13978 1992 153 27-03-1992 15-04-1992
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 Vervallen 2008 157 15-05-2008 10-04-2008 31291 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 De artikelen 13, 14, 17, 18 en 19 van Stb. 2008/157 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 62 — Artikel 62#
Artikel 62 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1993 318 27-05-1993 22857 1993 425 23-07-1993 01-08-1993
Artikel 63 — Artikel 63#
Artikel 63 Deze wet kan worden aangehaald als "Binnenschepenwet". 1981 678 24-11-1981 30-09-1981 13978 1982 282 27-04-1982 01-10-1982
Artikel 64 — Artikel 64#
Artikel 64 De artikelen van deze wet treden in werking op een door Ons te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld met betrekking tot door Ons te bepalen categorieën schepen. 1981 678 24-11-1981 30-09-1981 13978 1982 282 27-04-1982 01-10-1982