Wet van 7 december 1983, tot beëindiging van de financiële verhouding tussen Staat en Kerk
- BWB-id
- BWBR0003640
- Type
- Wet
- Ministerie
- Financiën
- Geldigheid
- Geldend vanaf 1994-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0003640
- ELI
- /eli/nl/wet/1984/wet-be-indiging-financi-le-verhouding-tussen-staat-en-kerk
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1984/wet-be-indiging-financi-le-verhouding-tussen-staat-en-kerk/1994-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0003640&g=1994-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0003640&z=2026-06-06&g=1994-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0003640/1994-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1984/wet-be-indiging-financi-le-verhouding-tussen-staat-en-kerk
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 De als bijlage bij deze wet gevoegde overeenkomst van 18 mei 1981, gesloten tussen de Staat, vertegenwoordigd door Onze Minister van Financiën, en de in de aanhef van die overeenkomst genoemde kerkgenootschappen, wordt goedgekeurd. 1983 638 07-12-1983 17642 1983 638 07-12-1983 17642 01-01-1984
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 artikel IV van de Grondwet artikel X van de Grondwet De aanspraken ingevolge additioneelnaar de tekst van 1983 (additioneelnaar de tekst van 1972) van godsdienstige gezindheden en hun leraren vervallen. 1983 638 07-12-1983 17642 1983 638 07-12-1983 17642 01-01-1984
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 e Stb. In afwijking van het bepaalde in artikel D1, onder, van de Algemene burgerlijke pensioenwet (1979, 679) komt niet als diensttijd in aanmerking de tijd doorgebracht in kerkelijke betrekkingen na 31 december 1983. 2 Stb. Stb. Degene, die voor 1 januari 1984 ingevolge de Algemene burgerlijke pensioenwet, de Spoorwegpensioenwet (1979, 680) of de Algemene militaire pensioenwet (1979, 305) recht of uitzicht op pensioen heeft verkregen met toepassing van de in het vorige lid bedoelde bepaling, behoudt dat recht of uitzicht. 3 artikel D2 van de Algemene militaire pensioenwet b Tijd voor 1 januari 1984 doorgebracht in kerkelijke betrekkingen komt als diensttijd in aanmerking onder de voorwaarden gesteld in artikel D2 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, onderscheidenlijk, met dien verstande, dat voor de toepassing van het bepaalde in artikel F1, derde lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, onderscheidenlijk in artikel D2, tweede lid, onder, van de Algemene militaire pensioenwet, tijd na 31 december 1983 doorgebracht in kerkelijke betrekkingen wordt geacht geen onderbreking te vormen. 1983 638 07-12-1983 17642 1983 638 07-12-1983 17642 01-01-1984
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1983 638 07-12-1983 17642 1983 638 07-12-1983 17642 01-01-1994
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 artikel 4 Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1984, met uitzondering van, dat in werking treedt met ingang van 1 januari 1994. 1983 638 07-12-1983 17642 1983 638 07-12-1983 17642 01-01-1984
Artikel Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze overeenkomst wordt verstaan onder: in beide gevallen, mits het desbetreffende kerkgenootschap aan hem een honorering, inclusief oudedagsvoorziening, verstrekt of laat verstrekken; Artikel X van de Grondwet b een jaar, dat door een ambtsdrager in een openbare bediening is doorgebracht, voor zover aan het bekleden daarvan uitzicht op pensioen als bedoeld in Additioneelwas verbonden of zou zijn verbonden geweest, indien het een ambtsdrager betreft als bedoeld onder.2 van dit artikel. a. "kerkgenootschap": 1. Artikel X van de Grondwet een ex Additioneelrechthebbend kerkgenootschap; 2. a een kerkgenootschap, dat geacht kan worden door afsplitsing of afscheiding onmiddellijk, dan wel middellijk te zijn voortgekomen uit een onder.1 bedoeld kerkgenootschap; b. "ambtsdrager": 1. Artikel X van de Grondwet degene, die als leraar van een kerkgenootschap in de zin van Additioneeleen openbare bediening bekleedt of heeft bekleed en als zodanig is aangemeld en ingeschreven bij het Ministerie van Financiën; 2. Artikel X van de Grondwet degene, die zou kunnen zijn aangemeld en ingeschreven bij het Ministerie van Financiën, indien het kerkgenootschap, waarin hij die bediening bekleedt of heeft bekleed, rechthebbende zou zijn geweest op grond van Additioneel; c. "kerkelijk dienstjaar":
Artikel Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1. De staat stelt aan de gezamenlijke kerkgenootschappen een bedrag van f 250 000 000 ter beschikking, te betalen ineens bij het van kracht worden van deze overeenkomst dan wel naar keuze van de staat te betalen in twintig jaarlijkse bedragen vast te stellen op annuïteitsbasis, waarvan de eerste vervalt bij het van kracht worden van deze overeenkomst, berekend naar een rentevoet, welke voor de staat bij het van kracht worden van deze overeenkomst geldt of zou hebben gegolden voor het opnemen van gelden op de onderhandse kapitaalmarkt, zulks door de staat en de hierna bedoelde stichting in onderling overleg vast te stellen. Artikel X van de Grondwet 2. De kerkgenootschappen, die bij deze overeenkomst partij zijn, aanvaarden dat aanspraken die op grond van Additioneelzouden kunnen worden geldend gemaakt bij de in artikel 6 bedoelde wet zullen vervallen. 3.De terbeschikkingstelling van in het eerste lid bedoelde bedragen zal geschieden door overmaking op een rekening bij een in onderling overleg van de Minister van Financiën en de hierna bedoelde stichting aan te wijzen Nederlandse bankinstelling ten name van die stichting.
Artikel Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1. De kerkgenootschappen, die partij zijn bij deze overeenkomst, verbinden zich tot het oprichten van een stichting, waarvan de statuten de goedkeuring van de Minister van Financiën behoeven. 2. In de statuten wordt bepaald dat: 3. In de statuten van de in het eerste lid bedoelde stichting zal een genoegzame regeling worden opgenomen voor de beslechting van geschillen over besluiten van de stichting betrekking hebbende op het gestelde in het tweede lid. a. de stichting de ter beschikking gestelde bedragen op geen andere wijze zal aanwenden dan ten gunste van de financiering van pensioenvoorzieningen voor ambtsdragers en hun nabestaanden; b. tussen de kerkgenootschappen een verdeelsleutel zal gelden, gebaseerd op de totale aantallen kerkelijke dienstjaren van de ambtsdragers van elk kerkgenootschap bij het van kracht worden van deze overeenkomst; c. de verdeelsleutel door de stichting moet worden vastgesteld binnen twee jaren na het van kracht worden van deze overeenkomst; d. de pensioenvoorzieningen voldoende waarborgen dienen in te houden, opdat de besteding van de middelen ten behoeve van de ambtsdragers en hun nabestaanden verzekerd zal zijn; e. in afwijking van het voorstaande door de Minister van Financiën goed te keuren gedeelten van de bedragen kunnen worden aangewend voor administratiekosten en zo nodig, indien daartoe een bevoegd orgaan van de stichting met een meerderheid van twee derden der uitgebrachte stemmen een voorstel heeft aanvaard, voor door de Minister van Financiën goed te keuren andere uitgaven; f. a de stichting kerkgenootschappen, die bij deze overeenkomst geen partij zijn en die voldoen aan de begripsbepaling van artikel 1, onder, van deze overeenkomst, in geval zij binnen zes maanden na het van kracht worden van deze overeenkomst de wens daartoe aan de stichting te kennen geven, door erkenning als zodanig in de gelegenheid zal stellen tot het aanvaarden van alle uit deze overeenkomst voortvloeiende rechten en verbintenissen als waren zij daarbij partij.
Artikel Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 De staat zal het nodige verrichten om te bevorderen dat in de in artikel 6 bedoelde wet bepalingen van de volgende strekking worden opgenomen: e 1. Alle rechten, welke op artikel D1 ondervan de Algemene Burgerlijke Pensioenwet zouden kunnen worden gebaseerd, vervallen, voor zover hierna niet anders wordt bepaald. e 2. Aanspraken van ambtenaren, gewezen ambtenaren en gepensioneerde ambtenaren, alsmede van weduwen en wezen van ambtenaren, gewezen ambtenaren en gepensioneerde ambtenaren op de medetelling van voor diensttijd in aanmerking komende tijd, gebaseerd op artikel D1, onder, van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet en bestaande op de dag van het van kracht worden van deze overeenkomst, blijven onverlet. a 3. Voor de berekening van de pensioenen van degenen, die nadien de hoedanigheid van ambtenaar in de zin van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet verkrijgen, worden kerkelijke dienstjaren, vervuld tot de dag van het van kracht worden van de overeenkomst en als zodanig geadministreerd door het Ministerie van Financiën medegeteld als voor diensttijd in aanmerking komende tijd, waarbij in kerkelijke betrekkingen doorgebrachte tijd ook indien niet ingevolge het vorenstaande voor medetelling in aanmerking komende, niet geldt als "onderbreking" in de zin van artikel F1, tweede lid, onder, van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet.
Artikel Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Artikel X van de Grondwet Stb. De kerkgenootschappen, die partij zijn bij deze overeenkomst en die rechthebbenden zijn in de zin van Additioneel, stemmen ermee in dat de op grond van artikel 29, eerste lid, laatste volzin van het Postbesluit 1955 (457) verleende portvrijdommen zullen vervallen 10 jaren na de datum van het van kracht worden van deze overeenkomst.
Artikel Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 Deze overeenkomst wordt aangegaan onder voorbehoud van goedkeuring bij de wet en is tussen partijen van kracht met ingang van de datum van het in werking treden van de wet waarbij de goedkeuring wordt verleend.