Wet van 5 december 1985, houdende regelen ter bescherming van mens en milieu tegen gevaarlijke stoffen en preparaten
- BWB-id
- BWBR0003892
- Type
- Wet
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- 2007-10-17 t/m 2008-05-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0003892
- ELI
- /eli/nl/wet/1986/wet-milieugevaarlijke-stoffen
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1986/wet-milieugevaarlijke-stoffen/2007-10-17
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0003892&g=2007-10-17
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0003892&z=2026-06-06&g=2007-10-17
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0003892/2007-10-17
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1986/wet-milieugevaarlijke-stoffen
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; stoffen: chemische elementen en hun verbindingen, zoals deze voorkomen in de natuur of door toedoen van de mens worden voortgebracht; preparaten: mengsels of oplossingen van stoffen; Europese Economische Ruimte: gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is, onder de in de verdragen neergelegde voorwaarden, en voorts de grondgebieden van de Republiek Finland, met inachtneming van het tweede lid van artikel 126 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, de Republiek IJsland, het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk en het Koninkrijk Zweden. invoeren: binnen het grondgebied van Nederland, onderscheidenlijk binnen de Europese Economische Ruimte brengen; richtlijn nr. 67/548/EEG richtlijn nr. 92/32/EEG PbEG PbEG richtlijn:van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (1967, L 196), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bijvan de Raad van de Europese Gemeenschappen van 30 april 1992 (L 154); vertegenwoordiger: persoon, aangewezen door degene die een stof buiten de Europese Economische Ruimte vervaardigt, voor het kennisgeven in de Europese Economische Ruimte van het aldaar invoeren van die stof, al dan niet verwerkt in een preparaat. 2 Onder stoffen worden voedings- en genotmiddelen, alsmede diervoeders niet begrepen. 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bepalingen van deze wet of onderdelen daarvan van toepassing worden verklaard op micro-organismen. 1994 320 21-04-1994 23573 1994 425 08-06-1994 20-06-1994
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Ieder die beroepshalve een stof of een preparaat vervaardigt, aan een ander ter beschikking stelt, in Nederland invoert of toepast, en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door zijn handelingen met die stof of dat preparaat gevaren kunnen optreden voor mens of milieu, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die gevaren zoveel mogelijk te beperken. 1992 632 17-12-1992 03-12-1992 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 Degene die voornemens is ertoe over te gaan een stof te vervaardigen of, al dan niet verwerkt in een preparaat, in Nederland in te voeren, is verplicht van dat voornemen schriftelijk kennis te geven aan Onze Minister. 2 Degene die een stof vervaardigt en die voornemens is deze stof, al dan niet verwerkt in een preparaat, voor de eerste maal aan een ander ter beschikking te stellen, is voorts verplicht ook van dat voornemen schriftelijk kennis te geven aan Onze Minister. 3 Het eerste lid geldt niet voor degene, die in een kennisgeving door een vertegenwoordiger is genoemd als importeur van de stof waarvoor die kennisgeving is gedaan, en die voornemens is die stof, al dan niet verwerkt in een preparaat, in Nederland in te voeren. 4 Een vertegenwoordiger die in Nederland kennis geeft van het voornemen om een buiten de Europese Economische Ruimte vervaardigde stof, al dan niet verwerkt in een preparaat, in de Europese Economische Ruimte in te voeren, dient in Nederland gevestigd te zijn. 5 Een kennisgeving als bedoeld in het vierde lid, geschiedt schriftelijk aan Onze Minister en heeft betrekking op de totale hoeveelheid van de stof zoals die door degene die de stof vervaardigt, door middel van de in de kennisgeving genoemde importeurs, in de Europese Economische Ruimte wordt ingevoerd. 6 Voor de toepassing van het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde wordt onder "vervaardigen" verstaan: produceren van een stof met het oogmerk deze, al dan niet verwerkt in een preparaat dan wel verwerkt of omgezet in een produkt, aan een ander ter beschikking te stellen. 1994 320 21-04-1994 23573 1994 425 08-06-1994 20-06-1994
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 artikel 3 Degene die een kennisgeving doet als bedoeld in, is verplicht bij die kennisgeving bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gegevens met betrekking tot de mogelijke effecten van de stof op mens of milieu schriftelijk over te leggen. Deze gegevens betreffen: a. de identiteit, de eigenschappen en de gevaren van de stof; b. de hoeveelheid van de stof waarvan de vervaardiging, de invoer of het aan een ander ter beschikking stellen wordt beoogd; c. de verwachte toepassing van de stof; d. mogelijkheden om de stof onschadelijk te maken; e. aanbevolen aanwijzingen voor het gebruik van de stof, aanbevolen maatregelen om verspreiding van de stof te voorkomen en aanbevolen noodmaatregelen bij een ongeval met de stof. 2 Indien de kennisgeving betrekking heeft op het vervaardigen van de stof, is hij tevens verplicht schriftelijk de plaats mede te delen, waar de stof wordt vervaardigd. 3 Indien de kennisgeving betrekking heeft op het invoeren of het aan een ander ter beschikking stellen van de stof, is hij tevens verplicht schriftelijk over te leggen: a. artikel 34 een voorstel inzake de indeling van de stof overeenkomstig; b. een voorstel voor de wijze van aanduiding van de stof; c. een voorstel voor de bij vervoer en opslag te nemen maatregelen ter bescherming van mens en milieu tegen de mogelijke nadelige effecten van de stof. 4 a d In afwijking van het eerste lid behoeft degene die een kennisgeving doet van het invoeren of het aan een ander ter beschikking stellen van een stof met betrekking waartoe ten minste tien jaren tevoren voor het eerst in de Europese Economische Ruimte kennisgeving is gedaan, niet de ingevolge het eerste lid, onder, aangewezen gegevens met betrekking tot de eigenschappen van de stof en de ingevolge het eerste lid, onder, aangewezen gegevens over te leggen. 5 artikel 3 Degene die een kennisgeving doet als bedoeld in, is verplicht voor het verkrijgen van de in het eerste lid bedoelde gegevens onderzoek te verrichten, tenzij hij reeds op andere wijze over de vereiste gegevens kan beschikken. Hij is verplicht bij de overgelegde gegevens met betrekking tot de stof tevens gegevens te vermelden met betrekking tot de identiteit van degene die het in de eerste volzin bedoelde onderzoek heeft verricht. 6 Indien met het oog op de stabiliteit van de stof daaraan hulpstoffen zijn toegevoegd, of indien bij de stof onzuiverheden voorkomen, dienen de krachtens het eerste en derde lid over te leggen gegevens en het krachtens het vijfde lid te verrichten onderzoek betrekking te hebben op de stof tezamen met die hulpstoffen of onzuiverheden, doch zonder de oplosmiddelen die kunnen worden afgescheiden zonder dat de stabiliteit van de stof wordt aangetast of de samenstelling ervan wordt gewijzigd. 7 a Onverminderd het krachtens het eerste lid bepaalde is degene die de kennisgeving doet, verplicht daarbij alle gegevens als bedoeld in het eerste lid, onder, over te leggen, waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. 8 artikel 3 Een kennisgeving als bedoeld inkan slechts worden gedaan door een binnen de Europese Economische Ruimte gevestigde persoon. 9 Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nadere regelen stellen omtrent de krachtens het eerste tot en met derde lid en het vijfde lid over te leggen gegevens en omtrent de wijze waarop de kennisgevingen en de overlegging van gegevens moeten geschieden. 1994 320 21-04-1994 23573 1994 425 08-06-1994 20-06-1994
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 artikel 4, vijfde lid Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld omtrent het in, bedoelde onderzoek. Tot deze regelen kunnen behoren regelen betreffende: a. de onderzoekmethoden en de omstandigheden waaronder deze worden toegepast; b. het vastleggen en bewaren van de resultaten van het onderzoek; c. de verslaglegging met betrekking tot het onderzoek. 2 artikel 4, vijfde lid Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorts eisen gesteld waaraan degenen die onderzoek als bedoeld in, verrichten, moeten voldoen. 1992 632 17-12-1992 03-12-1992 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 artikel 3 Onze Minister tekent de datum van ontvangst van een kennisgeving als bedoeld inaan op het geschrift waarbij de kennisgeving is gedaan, en zendt degene die de kennisgeving heeft gedaan, uiterlijk een week na de ontvangst van de kennisgeving een bewijs van ontvangst, waarin die datum is vermeld. 2 artikel 4 Hij zendt zo spoedig mogelijk een exemplaar van de kennisgeving en de daarbij overgelegde stukken als bedoeld inaan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en, voor zover deze stukken van belang zijn in verband met het vervoer van de stof, aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. 3 artikel 4 Indien de kennisgeving betrekking heeft op het in Nederland invoeren of het aan een ander ter beschikking stellen van een stof, zendt Onze Minister voorts een exemplaar van de kennisgeving aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Hij voegt daarbij een samenvatting van alle met betrekking tot die stof door degene die de kennisgeving heeft gedaan, aan hem overgelegde stukken als bedoeld in. 4 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere bestuursorganen of instellingen worden aangewezen, waaraan een exemplaar van de in het tweede lid bedoelde stukken of van bij de maatregel aan te wijzen onderdelen daarvan wordt toegezonden of kan worden toegezonden. 2005 705 27-12-2005 14-12-2005 30134 2005 705 27-12-2005 14-12-2005 30134 28-12-2005 De wijzigingsopdracht is niet geheel juist.
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 artikel 4 5 Indien Onze Minister van oordeel is dat bij de kennisgeving niet aan het bij of krachtensofbepaalde is voldaan, maakt hij zijn daartoe strekkende beschikking binnen vijf weken na de datum van ontvangst van de kennisgeving bekend. 2 Een kennisgeving met betrekking waartoe het vorige lid toepassing heeft gevonden, wordt geacht niet te zijn gedaan. 3 Onze Minister doet een mededeling als bedoeld in het eerste lid, ingeval deze betrekking heeft op een kennisgeving ter zake van het vervaardigen van een stof, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 1992 422 04-06-1992 22061 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 Het is verboden een stof te vervaardigen of, al dan niet verwerkt in een preparaat, in Nederland in te voeren: a. artikel 3, eerste of derde lid zonder dat een kennisgeving als bedoeld in, is gedaan; b. artikel 3, eerste lid artikel 3, derde lid artikel 6, eerste lid indien aan Onze Minister kennisgeving is gedaan ter zake van het in Nederland of in de Europese Economische Ruimte invoeren als bedoeld in, onderscheidenlijk: binnen 60 dagen nadat Onze Minister die kennisgeving heeft ontvangen blijkens het bewijs van ontvangst, bedoeld in, tenzij Onze Minister anders bepaalt; c. artikel 3, derde lid indien door een vertegenwoordiger kennisgeving is gedaan ter zake van het in de Europese Economische Ruimte invoeren als bedoeld in, aan het daartoe aangewezen overheidsorgaan in een andere Lid-Staat van de Europese Unie of een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte: binnen 60 dagen nadat dat orgaan die kennisgeving heeft ontvangen, tenzij dat orgaan anders bepaalt; d. artikel 3, eerste lid artikel 6, eerste lid indien een kennisgeving ter zake van het vervaardigen als bedoeld in, is gedaan: binnen 45 dagen nadat Onze Minister die kennisgeving blijkens het bewijs van ontvangst, bedoeld in, heeft ontvangen. 2 Het is degene die een stof vervaardigt, verboden die stof, al dan niet verwerkt in een preparaat, aan een ander ter beschikking te stellen: a. artikel 3, tweede lid zonder dat een kennisgeving als bedoeld in, is gedaan; b. artikel 3, tweede lid artikel 6, eerste lid indien een kennisgeving als bedoeld in, is gedaan: binnen 60 dagen nadat Onze Minister die kennisgeving heeft ontvangen blijkens het bewijs van ontvangst, bedoeld in, tenzij Onze Minister anders bepaalt. 1994 320 21-04-1994 23573 1994 425 08-06-1994 20-06-1994
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 artikel 7 Onze Minister maakt een kennisgeving ter zake van het in Nederland invoeren of het aan een ander ter beschikking stellen zo spoedig mogelijk bekend, doch in elk geval binnen het tijdvak van 60 dagen na de dag van ontvangst, dan wel, indien een beschikking krachtensin beroep is vernietigd, uiterlijk twee weken na de datum waarop het besluit, houdende de vernietiging, is genomen. 2 In ieder geval wordt de kennisgeving gelijktijdig bekendgemaakt door middel van: a. Nederlandse Staatscourant mededeling in de; b. artikel 11 terinzagelegging overeenkomstig. 3 Indien degene die een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid doet, bij die kennisgeving verklaart dat hij de stof waarop de kennisgeving betrekking heeft, niet eerder zal invoeren of aan een ander ter beschikking stellen dan met ingang van een daarbij aangegeven tijdstip dat gelegen is na het in het eerste lid genoemde tijdvak van 60 dagen, wordt de kennisgeving door Onze Minister op verzoek van degene die de kennisgeving doet, in afwijking van het eerste lid bekendgemaakt binnen het tijdvak van 60 dagen voor het bij de kennisgeving aangegeven tijdstip. 1994 320 21-04-1994 23573 1994 425 08-06-1994 20-06-1994
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 a artikel 9, tweede lid, onder In een mededeling als bedoeld in, vermeldt Onze Minister ten minste: a. een aanduiding van de identiteit van de stof; b. waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 Onze Minister legt met een exemplaar van de kennisgeving stukken ter inzage, die bevatten: a. een aanduiding van de identiteit van de stof; b. de overgelegde gegevens inzake de fysisch-chemische eigenschappen van de stof; c. de overgelegde gegevens met betrekking tot mogelijkheden om de stof onschadelijk te maken; d. de overgelegde gegevens met betrekking tot aanbevolen voorzorgsmaatregelen om verspreiding van de stof te voorkomen en aanbevolen noodmaatregelen bij een ongeval met de stof; e. artikel 56 de overgelegde gegevens inzake de verrichte onderzoeken naar de effecten die de stof op mens of milieu kan hebben, dan wel, indien met betrekking tot zodanige gegevenstoepassing heeft gevonden, de overeenkomstig dat artikel overgelegde tweede tekst. 2 artikel 56 Onze Minister legt voorts de overige bij de kennisgeving overgelegde stukken, voor zover kennisneming daarvan redelijkerwijs nodig kan zijn voor een beoordeling van de mogelijke effecten van de stof op mens of milieu, ter inzage, tenzij met betrekking tot die stukken toepassing is gegeven aan. 1992 632 17-12-1992 03-12-1992 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 De stukken liggen gedurende zes weken ter inzage. 2 Artikel 3:11, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 artikel 3 Degene die met betrekking tot een stof overeenkomstigeen kennisgeving heeft gedaan, is verplicht zo spoedig mogelijk schriftelijk aan Onze Minister elke verandering te melden in: a. de gegevens betreffende de hoeveelheid van de stof die hij vervaardigt, aan een ander ter beschikking stelt of invoert, voor zover zulks bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is bepaald; b. de kennis welke hij met betrekking tot mogelijke effecten die de stof op mens of milieu kan hebben, heeft of redelijkerwijs kan hebben verkregen; c. de gegevens betreffende de toepassingsgebieden van de stof, welke te zijner kennis zijn of redelijkerwijs kunnen zijn gekomen; d. artikel 4, zesde lid de gegevens betreffende de hulpstoffen als bedoeld in, toegevoegd aan de stof of de onzuiverheden, als bedoeld in dat lid, voorkomende bij de stof; e. de gegevens betreffende de plaats waar de stof wordt vervaardigd; f. de naam waaronder de stof aan een ander ter beschikking wordt gesteld. 2 artikel 3, derde lid De importeur, genoemd in de kennisgeving, bedoeld in, stelt de kennisgever op de hoogte van de gegevens, bedoeld in het eerste lid. 3 b-e Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld omtrent de meldingen, bedoeld in het eerste lid, onder. 4 Artikel 6, vierde lid Onze Minister zendt een exemplaar van een melding krachtens het eerste lid zo spoedig mogelijk aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Indien de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, betrekking had op het in Nederland invoeren of het aan een ander ter beschikking stellen van de stof, zendt hij een samenvatting van de melding aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen en aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport., is van overeenkomstige toepassing. 2005 705 27-12-2005 14-12-2005 30134 2005 705 27-12-2005 14-12-2005 30134 28-12-2005 De wijzigingsopdracht is niet geheel juist.
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 artikel 3 Degene die met betrekking tot een stof overeenkomstigeen kennisgeving heeft gedaan, is verplicht met betrekking tot die stof nadere gegevens over te leggen, indien hij in enig jaar 100 ton of meer van die stof in de Europese Economische Ruimte heeft vervaardigd of ingevoerd, dan wel indien hij in totaal 500 ton of meer van die stof in de Europese Economische Ruimte heeft vervaardigd of ingevoerd. Met het oog daarop is hij verplicht, het bereiken of overschrijden van de in de eerste volzin aangegeven hoeveelheidsgrenzen terstond aan Onze Minister te melden. 2 artikel 16 Artikel 4, vijfde lid, tweede volzin Onze Minister stelt, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vast welke nadere gegevens met betrekking tot de stof door degene die de kennisgeving heeft gedaan, moeten worden overgelegd en binnen welke termijn dat dient te geschieden. Degene die de kennisgeving heeft gedaan, is verplicht voor het verkrijgen van de vereiste gegevens onderzoek te verrichten. Ingeval de vereiste gegevens reeds ingevolge dit artikel, dan wel ingevolgedoor een ander zijn overgelegd, kan hij in afwijking van de vorige volzin naar die gegevens verwijzen, indien hij een schriftelijke verklaring van de betrokkene overlegt, dat deze tegen de verwijzing geen bedenkingen heeft, dan wel indien de vereiste gegevens ten minste tien jaar tevoren zijn overgelegd., is van overeenkomstige toepassing. 3 artikel 56 artikelen 9, tweede lid a artikelen 10, aanhef en onder 11 De nadere gegevens, bedoeld in het tweede lid, worden schriftelijk overgelegd. Onze Minister maakt de overlegging van nadere gegevens zo spoedig mogelijk bekend, doch in elk geval binnen zes weken na de dag van ontvangst, dan wel, ingeval met betrekking tot deze gegevens op een verzoek om geheimhouding ingevolgenog niet onherroepelijk is beslist, uiterlijk twee weken na de datum waarop zodanige beslissing onherroepelijk is geworden. Met betrekking tot de bekendmaking zijn de, en, envan overeenkomstige toepassing. 4 artikelen 4, zesde en negende lid 5 Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld met betrekking tot de over te leggen nadere gegevens. De, enzijn van overeenkomstige toepassing. 5 Bij zijn besluit op grond van het tweede lid kan Onze Minister in bijzondere gevallen afwijken van de krachtens het vierde lid gestelde regelen, indien het naar zijn oordeel op grond van de reeds bekende eigenschappen van de stof wenselijk is dat met betrekking tot die stof andere, door hem bij zijn besluit aan te wijzen gegevens worden overgelegd, dan wel indien het naar zijn oordeel op grond van de reeds bekende eigenschappen van de stof niet noodzakelijk is dat nadere gegevens worden overgelegd. 6 Artikel 6, vierde lid Onze Minister zendt een exemplaar van de ingevolge een besluit krachtens het tweede lid aan hem overgelegde stukken zo spoedig mogelijk aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Indien de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, betrekking had op het in Nederland invoeren of het aan een ander ter beschikking stellen van de stof, zendt hij een samenvatting van de stukken aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen en aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Bij de stukken voegt hij een exemplaar van zijn in dat lid bedoelde besluit., is van overeenkomstige toepassing. 2005 705 27-12-2005 14-12-2005 30134 2005 705 27-12-2005 14-12-2005 30134 28-12-2005 De wijzigingsopdracht is niet geheel juist.
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 artikel 3 Nadere gegevens moeten wederom door degene die met betrekking tot een stof overeenkomstigeen kennisgeving heeft gedaan, met betrekking tot die stof worden overgelegd, indien hij in enig jaar 1000 ton of meer van die stof in de Europese Economische Ruimte heeft vervaardigd of ingevoerd, dan wel indien hij in totaal meer dan 5000 ton van die stof in de Europese Economische Ruimte heeft vervaardigd of ingevoerd. Met het oog daarop is hij verplicht het bereiken of overschrijden van de in de eerste volzin aangegeven hoeveelheidsgrenzen terstond aan Onze Minister te melden. 2 Artikel 14, tweede lid, tweede, derde en vierde volzin, derde, vierde en zesde lid Onze Minister stelt, na overleg met degene die de kennisgeving heeft gedaan, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vast, welke nadere gegevens met betrekking tot de stof door degene die de kennisgeving heeft gedaan, moeten worden verschaft en binnen welke termijn dat dient te geschieden., is van overeenkomstige toepassing. 3 artikel 14, vierde lid Bij zijn besluit op grond van het tweede lid, eerste volzin, kan Onze Minister afwijken van de met overeenkomstige toepassing van, gestelde regelen. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 15a — Artikel 15a#
Artikel 15a artikel 3, derde lid artikelen 13 14 15 Indien aan Onze Minister een kennisgeving als bedoeld in, is gedaan, heeft de melding, bedoeld in de,en, betrekking op de totale hoeveelheid van die stof, zoals die door degene die de stof vervaardigt, door middel van de in de kennisgeving genoemde importeurs, in de Europese Economische Ruimte wordt ingevoerd. 1994 320 21-04-1994 23573 1994 425 08-06-1994 20-06-1994
Artikel 15b — Artikel 15b#
Artikel 15b 1 artikelen 14 15 Indien voor een buiten de Europese Economische Ruimte vervaardigde stof in de Europese Economische Ruimte meer dan één kennisgeving is gedaan en deze kennisgevingen betrekking hebben op een stof, die is vervaardigd door dezelfde persoon, hebben de gewichtsgrenzen, genoemd in deen, betrekking op de totale hoeveelheid van de stof, zoals die door degene die de stof vervaardigt, door middel van de in de kennisgevingen genoemde importeurs, in de Europese Economische Ruimte wordt ingevoerd. 2 b f artikelen 13, eerste lid, aanhef en ondertot en met 14 15 Indien het eerste lid toepassing vindt, geldt de verplichting om aanvullende gegevens over te leggen als bedoeld in de,en, in afwijking van die artikelen, voor de kennisgevers gezamenlijk. 3 artikel 14, vierde lid Bij de in, bedoelde maatregel wordt bepaald wie de gegevens, bedoeld in het tweede lid, overlegt. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 artikel 3 artikel 13, eerste lid artikel 14, tweede lid 15, tweede lid Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, indien zulks naar zijn oordeel, gelet op de bij een kennisgeving overeenkomstig, een melding overeenkomstigof ingevolge een besluit op grond van, of, ter zake van een stof overgelegde gegevens, voor het inzicht in de gevaren die voor mens of milieu door handelingen met die stof kunnen ontstaan, noodzakelijk is, aan degene die de kennisgeving heeft gedaan, opdragen nadere door hem aangeduide gegevens met betrekking tot deze stof over te leggen. Daarbij kan hij bepalen binnen welke termijn deze gegevens moeten worden overgelegd, en kan hij tevens aan degene die de kennisgeving heeft gedaan, opdragen ten behoeve van het overleggen van die gegevens nader door hem omschreven onderzoek met betrekking tot die stof te verrichten. Gelijke bevoegdheden komen toe aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met Onze Minister, indien zulks naar zijn oordeel noodzakelijk is voor het inzicht in de gevaren die door handelingen met die stof in de arbeidssituatie kunnen ontstaan. 2 artikel 14 15 artikel 5 artikel 14 15 De in het eerste lid bedoelde opdracht kan mede strekken tot het verrichten van krachtensofmet overeenkomstige toepassing vanaangegeven onderzoek op een eerder tijdstip dan dat waarop het op grond vanofmoet worden opgedragen. 3 artikel 14, derde en zesde lid Met betrekking tot de over te leggen gegevens is, van overeenkomstige toepassing. 4 Degene aan wie een opdracht als in het eerste lid bedoeld is gegeven, is verplicht de aldaar bedoelde gegevens over te leggen en het aldaar bedoelde onderzoek te verrichten. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 artikel 3 Degene die met betrekking tot een stof overeenkomstigeen kennisgeving heeft gedaan, is verplicht alle gegevens die hij met betrekking tot die stof bezit, ten minste tot 10 jaar na de beëindiging van het vervaardigen of in de Europese Economische Ruimte invoeren van die stof te bewaren. 1993 609 11-11-1993 22903 1993 778 28-12-1993 01-01-1994
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 artikel 9 Gelijktijdig met de bekendmaking van een kennisgeving overeenkomstigdoet Onze Minister de stof waarop de kennisgeving betrekking heeft, opnemen in een register. 2 Van de stof worden in het register opgenomen: a. een aanduiding van de identiteit; b. een beschrijving van de effecten die de stof kan hebben op mens of milieu; c. d artikel 4, eerste lid, onder de ingevolge, overgelegde gegevens met betrekking tot de mogelijkheden om de stof onschadelijk te maken; d. e artikel 4, eerste lid, onder de ingevolge, overgelegde gegevens met betrekking tot aanbevolen voorzorgsmaatregelen om verspreiding van de stof te voorkomen en aanbevolen noodmaatregelen bij een ongeval met de stof; e. artikel 34, tweede lid indien de stof behoort tot een categorie als bedoeld in: de categorie waarin de stof is opgenomen. 3 artikel 56, eerste lid Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat ook daarbij aan te wijzen andere gegevens in het register worden opgenomen, voor zover zij niet krachtens een besluit op grond van, geheim moeten worden gehouden. 4 Aan een ieder wordt inzage verleend in het register. Onze Minister verstrekt aan een ieder desgevraagd, tegen betaling van de kosten, een afschrift. 5 Onze Minister stelt regelen inzake de inrichting van het register. Hij kan tevens nadere regelen stellen ter zake van het in het tweede lid of krachtens het derde lid bepaalde. 1992 632 17-12-1992 03-12-1992 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 artikelen 3 tot en met 18 Dezijn niet van toepassing op stoffen: a. die voor 18 september 1981 reeds in de Europese Gemeenschappen werden ingevoerd of in de handel waren; b. artikel 3 die in Nederland worden vervaardigd of ingevoerd met het oog op de voorbereiding van een kennisgeving als bedoeld in; c. die in Nederland niet in het vrije verkeer worden gebracht, tenzij zij binnen Nederlands grondgebied worden verwerkt of omgezet; d. die in de procesinstallatie waarin zij ontstaan, worden omgezet in andere stoffen zonder dat daarbij tussentijdse opslag plaatsvindt; e. met betrekking waartoe degene die voornemens is die stof in Nederland te vervaardigen of in te voeren ingevolge de artikelen 7 of 8 van de richtlijn een toereikende kennisgeving heeft gedaan bij het daartoe aangewezen overheidsorgaan van een andere Lid-Staat van de Europese Unie of van een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. 2 artikel 4 14 15 16 artikelen 9 tot en met 12 14, derde lid, tweede en derde volzin 18 Indien met betrekking tot een stof van de zijde van de Commissie van de Europese Gemeenschappen gegevens als bedoeld in,,enworden ontvangen als gevolg van een kennisgeving met betrekking tot die stof in een andere Lid-Staat van de Europese Unie of een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, zijn op die gegevens de,, envan overeenkomstige toepassing. De eerste volzin vindt geen toepassing voor zover zulks door Onze Minister met het oog op de in de desbetreffende Staat geldende regelen met betrekking tot de bescherming van bedrijfsgeheimen is bepaald. 3 artikelen 3 tot en met 18 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere categorieën van gevallen worden aangewezen, waarin degeheel of voor een daarbij te bepalen gedeelte niet van toepassing zijn: a. ter uitvoering van een krachtens het Verdrag betreffende de Europese Unie tot stand gekomen bindende regeling; b. indien onverkorte toepassing van die artikelen in het belang van de bescherming van mens en milieu niet noodzakelijk is. 4 artikelen 3 tot en met 18 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot stoffen waarop ingevolge het eerste of derde lid degeheel of ten dele niet van toepassing zijn, regelen worden gesteld met betrekking tot de in die artikelen geregelde onderwerpen. 5 a artikelen 3 tot en met 18 Bij algemene maatregel van bestuur kan ter uitvoering van de richtlijn worden bepaald dat, in plaats van het in het eerste lid, onder, bepaalde, devanaf een bij die maatregel te bepalen datum niet van toepassing zijn op stoffen die voorkomen op een bij die maatregel vast te stellen lijst. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 artikel 13 Indien degene die beroepshalve stoffen of preparaten vervaardigt, in Nederland invoert, toepast of aan een ander ter beschikking stelt, met betrekking tot een stof of een preparaat nieuwe kennis verkrijgt, waaruit ernstige gevaren voor mens of milieu blijken of redelijkerwijs kunnen worden afgeleid, is hij verplicht, onverminderd het bepaalde bij of krachtens, zodanige kennis zo spoedig mogelijk schriftelijk aan Onze Minister te melden. 2 artikel 13 Indien een persoon als bedoeld in het eerste lid kennis verkrijgt van een belangrijke nieuwe toepassing van een stof of een preparaat, waaruit ernstige gevaren voor mens of milieu blijken of redelijkerwijs kunnen worden afgeleid, is hij verplicht, onverminderd het bepaalde bij of krachtens, zodanige kennis zo spoedig mogelijk schriftelijk aan Onze Minister te melden. 3 Onze Minister zendt zo spoedig mogelijk een exemplaar van door hem ontvangen stukken als bedoeld in het eerste en tweede lid aan Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. 4 Artikel 6, vierde lid Met betrekking tot het in het eerste en tweede lid bepaalde kunnen bij algemene maatregelen van bestuur nadere regelen worden gesteld., is van overeenkomstige toepassing. 2005 705 27-12-2005 14-12-2005 30134 2005 705 27-12-2005 14-12-2005 30134 28-12-2005
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 artikelen 22 23 24 31 Onze Minister kan na overleg met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, indien hij zulks met het oog op de toepassing van de,,ofin verband met de beoordeling van de mogelijke gevaren van een stof of een preparaat nodig acht, aan een ieder die beroepshalve die stof of dat preparaat vervaardigt, in Nederland invoert, toepast of aan een ander ter beschikking stelt, opdragen de door hem verlangde gegevens met betrekking tot die stof of dat preparaat te verstrekken, waarover deze beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. 2 Artikel 20, derde en vierde lid Degene aan wie een opdracht als bedoeld in het eerste lid is gegeven, is verplicht zodanige gegevens schriftelijk over te leggen., is van overeenkomstige toepassing. 1992 632 17-12-1992 03-12-1992 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 Onze Minister stelt na overleg met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een lijst vast van stoffen en preparaten die wegens hun mogelijke effecten op mens of milieu in het bijzonder aandacht behoeven. 2 Met betrekking tot de stoffen en preparaten die vermeld zijn op de in het eerste lid bedoelde lijst, wordt door of vanwege Onze Minister regelmatig onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen, de toepassing en de verspreiding van die stoffen en preparaten in Nederland. 3 Ieder die beroepshalve een stof of een preparaat, vermeld op de in het eerste lid bedoelde lijst, vervaardigt, of die beroepshalve zodanige stof, al dan niet verwerkt in een preparaat, of preparaat in Nederland invoert, toepast of aan een ander ter beschikking stelt, is verplicht medewerking te verlenen aan het in het tweede lid bedoelde onderzoek. 4 Staatscourant Onze Minister stelt de in het eerste lid bedoelde lijst niet vast dan nadat van het ontwerp van die lijst mededeling is gedaan in deen aan een ieder de gelegenheid is geboden binnen twaalf weken na die mededeling zijn zienswijze kenbaar te maken aan Onze Minister. 5 De in het eerste lid bedoelde lijst wordt ten minste een maal per jaar herzien. Met betrekking tot de herziening is het vierde lid van overeenkomstige toepassing. 2005 705 27-12-2005 14-12-2005 30134 2005 705 27-12-2005 14-12-2005 30134 28-12-2005 De wijzigingsopdracht is niet geheel juist.
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 Artikel 14, zesde lid, eerste en laatste volzin Indien Onze Minister een ernstig vermoeden heeft dat door handelingen met een stof of een preparaat gevaren kunnen ontstaan voor mens of milieu, kan hij in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en na overleg met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan degene die beroepshalve die stof of dat preparaat vervaardigt, in Nederland invoert of toepast, opdragen door hem omschreven onderzoek te verrichten en daarover schriftelijk aan hem verslag uit te brengen. Gelijke bevoegdheden komen toe aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met Onze Minister, indien hij een ernstig vermoeden heeft dat door zodanige handelingen gevaren kunnen ontstaan in de arbeidssituatie. Onze Minister, onderscheidenlijk Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan daarbij een termijn stellen waarbinnen het verslag moet worden uitgebracht., is tevens van overeenkomstige toepassing. 2 Indien een stof of een preparaat, met betrekking waartoe een ernstig vermoeden bestaat dat door handelingen daarmee gevaren kunnen ontstaan voor mens of milieu, door meer dan een persoon beroepshalve wordt vervaardigd, in Nederland ingevoerd of toegepast, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat met betrekking tot die stof of dat preparaat onderzoek moet worden verricht. 3 Bij een maatregel op grond van het tweede lid wordt bepaald welk onderzoek moet worden verricht en worden eisen gesteld waaraan de instelling of instellingen die het onderzoek verricht, onderscheidenlijk verrichten, moeten voldoen. Indien degenen die de stof of het preparaat beroepshalve vervaardigen, in Nederland invoeren of toepassen, niet binnen twaalf weken na het in werking treden van de maatregel het onderzoek hebben opgedragen aan een of meer instellingen, geschiedt zulks door Onze Minister, onderscheidenlijk door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 4 Ieder die beroepshalve een bij een maatregel op grond van het tweede lid aangewezen stof of preparaat vervaardigt, of die beroepshalve zodanige stof, al dan niet verwerkt in een preparaat, of preparaat in Nederland invoert, aan een ander ter beschikking stelt, opslaat, vervoert, toepast of zich daarvan ontdoet, is verplicht aan de aangewezen instellingen de door deze gevraagde gegevens met betrekking tot de stof te verschaffen, voor zover hij over deze gegevens beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. 5 Artikel 6, vierde lid Van een onderzoek als bedoeld in het tweede lid wordt schriftelijk verslag uitgebracht aan Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Onze Minister zendt een exemplaar van het verslag aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport., is van overeenkomstige toepassing. 6 Bij een besluit als bedoeld in de tweede volzin van het derde lid bepaalt Onze Minister, onderscheidenlijk Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tevens in hoeverre de kosten ten laste van de in het tweede lid bedoelde personen zullen worden gebracht, alsmede de wijze van berekening van de kosten. 7 Met betrekking tot het bij of krachtens het tweede, derde, vijfde en zesde lid van dit artikel bepaalde kan Onze Minister, onderscheidenlijk Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nadere regelen stellen. 2005 705 27-12-2005 14-12-2005 30134 2005 705 27-12-2005 14-12-2005 30134 28-12-2005 De wijzigingsopdracht is niet geheel juist.
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 1 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien een redelijk vermoeden is gerezen dat door handelingen met stoffen of preparaten ongewenste effecten zullen ontstaan voor mens of milieu, regelen worden gesteld met betrekking tot het vervaardigen, in Nederland invoeren, toepassen, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking stellen, vervoeren, uitvoeren en zich ontdoen van deze stoffen of preparaten. 2 Hiertoe kunnen behoren regelen, inhoudende: a. een verbod een of meer van de in het eerste lid genoemde handelingen te verrichten met betrekking tot bij de maatregel aangewezen stoffen of preparaten; b. een verbod zodanige handeling te verrichten op een bij de maatregel aangegeven wijze, voor daarbij aangegeven doeleinden, op daarbij aangegeven plaatsen of onder daarbij aangegeven omstandigheden; c. a b een verbod een handeling als onderofbedoeld te verrichten zonder vergunning, verleend door Onze Minister; d. een verbod zodanige handeling te verrichten indien met betrekking tot de stoffen of preparaten niet aan bij de maatregel gestelde eisen wordt voldaan; e. een verbod zodanige handeling te verrichten indien bij degene die die handeling verricht, niet de bij de maatregel aangegeven deskundigheid aanwezig is; f. een verbod zodanige handeling te verrichten met betrekking tot produkten, indien deze daarbij aangewezen stoffen of preparaten bevatten, of indien deze zodanige stoffen of preparaten bevatten in grotere dan daarbij aangegeven hoeveelheden; g. een verbod bij de maatregel aangewezen stoffen of preparaten toe te passen in produkten die niet behoren tot een type dat bij een keuring, verricht aan de hand van de bij de maatregel daartoe vastgestelde regelen, is goedgekeurd; h. een verbod bij de maatregel aangewezen stoffen of preparaten ter beschikking te stellen aan een daarbij aangewezen categorie van personen; i. een verplichting een of meer van de in het eerste lid genoemde handelingen met betrekking tot bij de maatregel aangewezen stoffen of preparaten of daarbij aangewezen categorieën van produkten waarin die stoffen of preparaten voorkomen, te melden op een daarbij aangegeven wijze aan een daarbij aangewezen bestuursorgaan onder overlegging van daarbij aangegeven gegevens; j. een verplichting met betrekking tot zodanige handelingen volgens bij de maatregel gestelde regelen controle-onderzoeken te verrichten en de resultaten van die onderzoeken op de bij de maatregel aangegeven wijze aan Onze Minister over te leggen; k. een verplichting bij de maatregel aangewezen stoffen of preparaten of daarbij aangewezen categorieën van produkten waarin die stoffen of preparaten voorkomen, na toepassing terug te zenden aan degene die die stoffen, preparaten of produkten ter beschikking heeft gesteld; l. een verplichting bij de maatregel aangewezen stoffen of preparaten of daarbij aangewezen categorieën van produkten waarin die stoffen of preparaten voorkomen, af te geven aan daarbij aangewezen personen of instellingen; m. Wet milieubeheer een verplichting voor degenen die bij de maatregel aangewezen stoffen of preparaten of daarbij aangewezen categorieën van produkten waarin die stoffen of preparaten voorkomen, vervaardigen, in Nederland invoeren of aan een ander ter beschikking stellen, voor daarbij aangewezen personen of instellingen die krachtens debevoegd zijn tot vergunning hebben voor het nuttig toepassen of verwijderen van gevaarlijke afvalstoffen, dan wel voor bij de maatregel aangewezen bestuursorganen, om die stoffen, preparaten of produkten in te zamelen. 3 Onze Minister kan omtrent in een maatregel krachtens het eerste lid geregelde onderwerpen nadere regels stellen. 2001 346 24-07-2001 21-06-2001 26638 2002 206 07-05-2002 01-05-2002 26638 08-05-2002
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 b d g i j k l m artikel 24, tweede lid, onder,,,,,,of Een algemene maatregel van bestuur waarbij toepassing is gegeven aan, kan tevens de verplichting inhouden te voldoen aan door bestuursorganen die bij de maatregel zijn aangewezen, omtrent onderwerpen die in de maatregel zijn geregeld, aan de betrokkene gestelde nadere eisen. Bij het stellen van zodanige eis wordt tevens het tijdstip bepaald waarop ten aanzien van die eis de verplichting ingaat. 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 c artikel 24, tweede lid, onder Indien toepassing wordt gegeven aan, worden tevens bij algemene maatregel van bestuur regelen gesteld betreffende de wijze waarop de aanvraag om een vergunning dient te geschieden, en de gegevens die van de aanvrager kunnen worden verlangd. 2 De vergunning kan slechts in het belang van de bescherming van mens en milieu worden geweigerd. 3 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer Op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een vergunning zijnenvan toepassing. Bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid kunnen categorieën van gevallen worden aangewezen, waarin deengeheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven. 4 Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend. Aan een vergunning kunnen in het belang van de bescherming van mens en milieu voorschriften worden verbonden. De voorschriften kunnen, voor zover bij de maatregel niet anders is bepaald, de verplichting inhouden te voldoen aan door bestuursorganen die bij het voorschrift zijn aangewezen, in het belang van de bescherming van mens en milieu gestelde nadere eisen. Bij het stellen van zodanige eis wordt tevens het tijdstip bepaald, waarop ten aanzien van die eis de verplichting ingaat. 5 Voor zover zulks bij algemene maatregel van bestuur is bepaald, kan de vergunning worden gewijzigd en ingetrokken. 6 Intrekking kan slechts geschieden: a. indien een aan de vergunning verbonden voorschrift niet wordt nageleefd, of b. indien de handeling aanmerkelijk gevaar oplevert voor mens of milieu en wijziging of aanvulling van de aan de vergunning verbonden voorschriften redelijkerwijs geen oplossing kan bieden. 7 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer Op de voorbereiding van een wijziging of intrekking als bedoeld in het zesde lid, onder a, zijnenniet van toepassing. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 g artikel 24, tweede lid, onder Indien toepassing wordt gegeven aan, wijst Onze Minister de instantie aan, die de in die bepaling bedoelde keuring verricht. Bij de maatregel worden regelen gesteld ten aanzien van de wijze waarop zodanige keuring plaatsheeft. 1992 632 17-12-1992 03-12-1992 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 i artikel 24, tweede lid, onder hoofdstuk 2 Indien toepassing wordt gegeven aan, met betrekking tot het vervaardigen, aan een ander ter beschikking stellen of in Nederland invoeren van stoffen waaropniet van toepassing is, of van preparaten, kan bij de in dat artikel bedoelde algemene maatregel van bestuur het bij of krachtens dat hoofdstuk bepaalde geheel of gedeeltelijk van overeenkomstige toepassing worden verklaard. 1992 632 17-12-1992 03-12-1992 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 1 i artikel 24, tweede lid, onder Met toepassing van, wordt in elk geval een melding vereist van het uitvoeren van stoffen en preparaten waarvan het toepassen ernstig gevaar oplevert voor mens of milieu en die voorkomen op een bij de maatregel vast te stellen lijst. 2 Een melding als bedoeld in het eerste lid geschiedt bij Onze Minister, alsmede bij de bevoegde overheidsinstantie van de staat waarheen de uitvoer zal plaatsvinden, voordat de uitvoer plaatsvindt. Bij de maatregel wordt bepaald welke gegevens door degene die een stof of een preparaat als bedoeld in het eerste lid uitvoert, met betrekking tot die stof of dat preparaat ter beschikking moeten zijn gesteld van die bevoegde overheidsinstantie. 3 Degene die een stof of een preparaat als bedoeld in het eerste lid uitvoert, dient bij de melding voorts aan te tonen dat de bevoegde overheidsinstantie, bedoeld in het tweede lid, na ontvangst van de in dat lid bedoelde gegevens met de invoer van de stof of het preparaat heeft ingestemd. Indien aan het bepaalde in de vorige volzin niet is voldaan, kan Onze Minister degene die de melding heeft gedaan, verbieden de stof uit te voeren. Bij de maatregel worden terzake nadere regelen gesteld. 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 k l m artikel 24, tweede lid, onder,of Indien toepassing wordt gegeven aan, kan tevens worden bepaald dat de schade, geleden door degene die de stoffen, preparaten of produkten moet terugzenden of afgeven, of de kosten, gemaakt door degene die is aangewezen om die stoffen, preparaten of produkten in te zamelen, ten laste kunnen worden gebracht van degenen die die stoffen, preparaten of produkten hebben vervaardigd of in Nederland ingevoerd. Daarbij kunnen tevens regelen worden gesteld inzake de berekening van die schade of kosten en de bepaling van degenen ten laste van wie die schade of kosten worden gebracht. 1992 632 17-12-1992 03-12-1992 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 1 artikel 24, eerste lid artikelen 25 tot en met 28 30 Indien de verwachte of gebleken effecten van stoffen of preparaten op mens of milieu het stellen van regelen als bedoeld in, naar het oordeel van Onze Minister dringend noodzakelijk maken en naar zijn oordeel de totstandkoming van een algemene maatregel van bestuur krachtens dat artikel niet kan worden afgewacht, kan hij een besluit nemen van de in dat lid bedoelde strekking. Onze Minister neemt een zodanig besluit in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat, tenzij de vereiste spoed dit naar zijn oordeel niet gedoogt. Deenzijn van overeenkomstige toepassing. 2 Een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid vervalt een jaar nadat zij in werking is getreden of indien binnen die termijn een algemene maatregel van bestuur ter vervanging van die regeling in werking is getreden, op het tijdstip waarop die maatregel in werking treedt. De termijn kan bij ministeriële regeling eenmaal met ten hoogste een jaar worden verlengd. 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 1 Ieder die beroepshalve stoffen of preparaten vervaardigt of in Nederland invoert, is verplicht een register bij te houden van de hoeveelheden van de stoffen of preparaten die hij heeft vervaardigd, in Nederland ingevoerd of aan een ander ter beschikking gesteld. 2 Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld met betrekking tot de inrichting van het register en de wijze waarop het moet worden bijgehouden en kunnen andere gegevens worden aangewezen, die in het register moeten worden opgenomen. 3 Bij algemene maatregel van bestuur kan aan daarbij aangewezen categorieën van personen of voor daarbij aangewezen stoffen of preparaten van de krachtens het eerste lid geldende verplichting vrijstelling worden verleend. 4 Bij algemene maatregel van bestuur kan in het belang van de bescherming van mens en milieu het eerste lid van overeenkomstige toepassing worden verklaard op bij de maatregel aangewezen categorieën van personen die beroepshalve daarbij aangewezen stoffen of preparaten toepassen. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing. 1992 632 17-12-1992 03-12-1992 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 1 artikel 24 31 artikel 32 Onze Minister kan in bijzondere gevallen van het krachtensofbepaalde of het bij of krachtensbepaalde op een daartoe strekkende aanvraag ontheffing verlenen, indien het belang van de bescherming van mens en milieu zich daartegen niet verzet. 2 Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen de voorschriften worden verbonden, die naar het oordeel van Onze Minister in het belang van de bescherming van mens en milieu nodig zijn. 3 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer Op de voorbereiding van een beschikking op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld eerste lid, zijnenvan toepassing. 4 Een ontheffing kan door Onze Minister worden gewijzigd of ingetrokken, indien zulks in het belang van de bescherming van mens en milieu noodzakelijk is. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 1 artikelen 35 36 Degene die een stof aan een ander ter beschikking stelt of in Nederland invoert, die behoort tot een of meer van de in het tweede lid aangewezen categorieën, is verplicht ervoor zorg te dragen dat die stof bij de aflevering en bij het ter aflevering voorhanden hebben is verpakt en op de verpakking is aangeduid overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deen. 2 De in het eerste lid bedoelde categorieën zijn: a. de categorie ontplofbaar; b. de categorie oxyderend; c. de categorie zeer licht ontvlambaar; d. de categorie licht ontvlambaar; e. de categorie ontvlambaar; f. de categorie zeer vergiftig; g. de categorie vergiftig; h. de categorie schadelijk; i. de categorie bijtend; j. de categorie irriterend; k. de categorie sensibiliserend; l. de categorie kankerverwekkend; m. de categorie mutageen; n. de categorie voor de voortplanting vergiftig; o. de categorie milieugevaarlijk. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de criteria en methoden aangewezen volgens welke moet worden bepaald of een stof behoort tot een categorie als bedoeld in het tweede lid. 1994 320 21-04-1994 23573 1994 425 08-06-1994 20-06-1994
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 1 artikel 34, eerste lid De verpakking en de sluiting, die een stof als bedoeld in, rechtstreeks omsluiten, moeten: a. zodanig zijn dat ongewild verlies van de inhoud niet kan plaatsvinden; b. vervaardigd zijn van materiaal dat niet door de stof kan worden aangetast, noch hiermede een gevaarlijke reactie kan aangaan of een gevaarlijke verbinding kan vormen; c. niet kunnen losraken en tegen normale behandeling bestand zijn. 2 Indien de verpakking is voorzien van een sluiting die meermalen kan worden gebruikt, moeten verpakking en sluiting zodanig zijn dat de verpakking meermalen opnieuw kan worden afgesloten zonder dat ongewild verlies van de inhoud plaatsvindt. 3 a In afwijking van het eerste lid, onder, mogen aan de verpakking, indien nodig, een of meer ontluchtingsventielen of andersoortige veiligheidvoorzieningen aangebracht zijn. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot de in de vorige leden geregelde onderwerpen nadere regelen worden gesteld en kunnen met betrekking tot de verpakking en de sluiting verdere regelen worden gesteld. Daarbij kan worden bepaald dat die regelen slechts gelden voor daarbij aangewezen stoffen of in daarbij aangewezen gevallen. 1992 632 17-12-1992 03-12-1992 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 1 artikel 35, eerste lid Op een verpakking als bedoeld in, moeten duidelijk en onuitwisbaar vermeld zijn: a. de chemische naam van de stof; b. de naam en het adres van de in de Europese Economische Ruimte gevestigde persoon die de stof vervaardigt, in de Europese Economische Ruimte aan een ander ter beschikking stelt of invoert; c. artikel 34, tweede lid de benaming van het gevaar of de gevaren van de stof, als bedoeld in, met het bijbehorende symbool, onderscheidenlijk de bijbehorende symbolen, voor zover daarin krachtens het derde lid is voorzien; d. een verwijzing naar de bijzondere, aan het gebruik van de stof verbonden gevaren, voor zover daarin krachtens het derde lid is voorzien; e. veiligheidsaanbevelingen ter vermijding van de belangrijkste, aan het gebruik van de stof verbonden gevaren, voor zover daarin krachtens het derde lid is voorzien. 2 De bij het eerste lid voorgeschreven aanduidingen moeten gesteld zijn in de Nederlandse taal. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen worden aangewezen, waarin die aanduidingen mogen worden gesteld in een andere, bij of krachtens de maatregel aangewezen taal. 3 Onze Minister en Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport stellen tezamen nadere regelen met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde aanduidingen. Zij kunnen daarbij tevens, zo nodig onder het stellen van nadere regelen, bepalen dat door hen aan te geven verdere aanduidingen op een verpakking moeten zijn vermeld, of dat door hen aan te geven aanduidingen slechts in door hen aan te geven gevallen behoeven te zijn vermeld. 4 a c d e artikel 34 Aan het bepaalde bij of krachtens het eerste lid, onder,,en, en het derde lid wordt geacht te zijn voldaan, indien een stof, opgenomen op een door Onze Minister en Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport te zamen vastgestelde lijst van stoffen als bedoeld in, is aangeduid op de wijze die in die lijst met betrekking tot die stof is aangegeven. 2005 705 27-12-2005 14-12-2005 30134 2005 705 27-12-2005 14-12-2005 30134 28-12-2005
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 artikel 34, tweede lid Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld met betrekking tot de aanduiding van stoffen waarvan nog niet is bepaald in hoeverre zij behoren tot een of meer van de in, bedoelde categorieën. 1992 632 17-12-1992 03-12-1992 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 1 artikel 34, tweede lid Het aanbevelen of aanprijzen van een stof, behorende tot een of meer van de in, bedoelde categorieën, zonder vermelding van de categorie of categorieën waartoe die stof behoort, is verboden. 2 artikel 24 31 Het aanduiden van een stof op een wijze die misleidend is ten aanzien van de effecten van die stof op mens of milieu of ten aanzien van het krachtensofbepaalde, is verboden. 1992 632 17-12-1992 03-12-1992 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 1 artikelen 34 tot en met 38 Dezijn van overeenkomstige toepassing op de verpakking en aanduiding en op het aanbevelen en aanprijzen van stoffen waaraan met het oog op de stabiliteit hulpstoffen zijn toegevoegd of waarbij onzuiverheden voorkomen. 2 artikelen 34 tot en met 38 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld met betrekking tot de verpakking en de aanduiding van andere preparaten en met betrekking tot het aanbevelen en aanprijzen daarvan. Daarbij kan worden bepaald dat die regelen alleen gelden in daarbij aangewezen gevallen of voor daarbij aangewezen preparaten, en kunnen degeheel of gedeeltelijk van overeenkomstige toepassing worden verklaard. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld met betrekking tot de aanduiding van preparaten waarin daarbij aangewezen stoffen voorkomen, alsmede met betrekking tot de aanduiding van produkten waarin daarbij aangewezen stoffen of preparaten voorkomen. Daarbij kan worden bepaald dat die regelen alleen in daarbij aangewezen gevallen gelden. 4 artikelen 34 tot en met 38 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat in daarbij aangewezen gevallen degeheel of voor een daarbij te bepalen gedeelte niet van toepassing zijn: a. ter uitvoering van een krachtens het Verdrag betreffende de Europese Unie tot stand gekomen bindende regeling; b. indien onverkorte toepassing van die artikelen in het belang van de bescherming van mens en milieu niet noodzakelijk is. 5 artikelen 34 tot en met 38 Bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vierde lid kunnen regelen worden gesteld met betrekking tot de in degeregelde onderwerpen. 1994 320 21-04-1994 23573 1994 425 08-06-1994 20-06-1994
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 1 Indien stoffen of preparaten, dan wel handelingen met stoffen of preparaten naar het oordeel van Onze Minister onduldbaar gevaar opleveren voor mens of milieu, kan hij - zo nodig met behulp van de sterke arm - alle maatregelen nemen die hij met het oog op de bescherming van mens en milieu noodzakelijk acht. 2 Tot de in het eerste lid bedoelde maatregelen kunnen behoren: a. het geheel of gedeeltelijk stopzetten van het vervaardigen of in Nederland invoeren van stoffen of preparaten of van produkten die die stoffen of preparaten bevatten; b. het in beslag nemen en, zo nodig, vernietigen van stoffen of preparaten of van produkten die die stoffen of preparaten bevatten; c. het beletten dat bepaalde gebieden zonder toestemming van Onze Minister worden betreden of dat dieren, planten of goederen zonder zodanige toestemming daarbinnen of daarbuiten worden gebracht; d. het verwijderen van personen, dieren, planten of goederen uit bepaalde gebieden; e. artikel 3 artikel 4, eerste, tweede of derde lid b artikel 8, eerste lid, onder het toestaan dat de bij een kennisgeving als bedoeld iningevolge, over te leggen gegevens binnen een door hem te bepalen termijn na de kennisgeving worden overgelegd en dat de stof waarvan kennisgeving is gedaan, in Nederland wordt vervaardigd of ingevoerd voordat de in, gestelde termijn is verstreken. 3 Onze Minister neemt een maatregel krachtens het eerste lid in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat, tenzij de vereiste spoed dit naar zijn oordeel niet gedoogt. In het laatstgenoemde geval onderwerpt Onze Minister de maatregel zo spoedig mogelijk aan het oordeel van de Raad van Ministers. Indien deze met de maatregel niet instemt, trekt Onze Minister haar terstond in. 4 Nederlandse Staatscourant Onze Minister geeft van een maatregel krachtens het eerste lid en van de intrekking van zodanige maatregel kennis in de, alsmede op zodanige wijze dat de maatregel, onderscheidenlijk de intrekking daarvan, zo spoedig mogelijk ter kennis van de betrokkenen komt. 1992 632 17-12-1992 03-12-1992 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 Vervallen 1988 113 30-03-1988 19752 1988 114 30-03-1988 01-04-1988
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 hoofdstuk 20 van de Wet milieubeheer Beroep op de administratieve rechter staat open overeenkomstig. 1993 650 30-12-1993 16-12-1993 22495 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 Vervallen 1993 650 30-12-1993 16-12-1993 22495 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 Vervallen 1993 650 30-12-1993 16-12-1993 22495 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 Vervallen 1992 414 02-07-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 Vervallen 1992 414 02-07-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 Vervallen 1992 414 02-07-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 Vervallen 1992 414 02-07-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 Vervallen 1992 414 02-07-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 Vervallen 1992 414 02-07-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 Vervallen 1992 414 02-07-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 Vervallen 1992 414 02-07-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 Vervallen 1992 414 02-07-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 Vervallen 1992 415 02-07-1992 21163 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 1 Onze Minister zendt - voor zover het betreft het ambtsterrein van een of meer Onzer andere ministers, in overeenstemming met die ministers - telkens om de vijf jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de wijze waarop deze wet is toegepast. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste lid. 1992 632 17-12-1992 03-12-1992 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 1 Indien in een stuk dat ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde aan Onze Minister, dan wel aan een andere persoon of instelling wordt overgelegd, gegevens voorkomen of uit zodanig stuk gegevens kunnen worden afgeleid, waarvan de geheimhouding met het oog op de bescherming van bedrijfsgeheimen gerechtvaardigd is, besluit Onze Minister op een daartoe strekkend verzoek van degene die het stuk overlegt, dat die gegevens geheim gehouden worden. 2 artikel 3 artikel 4 13 Het eerste lid is niet van toepassing op een kennisgeving als bedoeld invan het vervaardigen van een stof en op de stukken die in verband met een zodanige kennisgeving ingevolgeofworden overgelegd. 3 artikel 4 13 14 15 16 Indien het verzoek een stuk betreft, overgelegd krachtens,,,of, kan Onze Minister niet besluiten tot geheimhouding van: a. de naam waaronder een stof of preparaat aan een ander ter beschikking wordt gesteld, alsmede de naam van degene die de stof vervaardigt en van degene die de kennisgeving heeft gedaan; b. de fysisch-chemische eigenschappen van de stof of het preparaat; c. de mogelijkheden om de stof of het preparaat onschadelijk te maken; d. de aanbevolen aanwijzingen voor het gebruik van de stof of het preparaat, de aanbevolen maatregelen om verspreiding van de stof of het preparaat te voorkomen en de aanbevolen noodmaatregelen bij een ongeval met de stof of het preparaat; e. de naam van degene die het onderzoek, bedoeld in die artikelen, heeft verricht, behoudens indien het betreft een onderzoek naar de fysisch-chemische eigenschappen van de stof of het preparaat; f. een samenvatting van de resultaten van de toxicologische en ecotoxicologische proeven; g. artikel 34, tweede lid indien noodzakelijk voor de indeling en het kenmerken van de stof overeenkomstig de richtlijn: de zuiverheidsgraad van de stof en de identiteit van de onzuiverheden of toevoegingen die behoren tot een of meer van de in, bedoelde categorieën; h. artikel 34, tweede lid met betrekking tot een stof of een preparaat, behorende tot een van de in, genoemde categorieën: 1°. de gegevens vermeld in het inlichtingenblad bedoeld in artikel 27 van de richtlijn; 2°. de analysemethoden waarmee de stof kan worden gevolgd, nadat deze in het milieu is gebracht en waardoor de rechtstreekse blootstelling van de mens aan deze stof kan worden bepaald. i. artikel 18, eerste lid indien een stof in het in, bedoelde register wordt opgenomen: de in het tweede lid van dat artikel bedoelde gegevens. 4 Een verzoek tot geheimhouding van gegevens met betrekking tot de effecten die een stof of preparaat op mens en milieu kan hebben, wordt geweigerd, indien de verzoeker daarbij niet tevens een tweede tekst overlegt, waarin de geheim te houden gegevens niet voorkomen en waaruit ze niet kunnen worden afgeleid, doch die voldoende inzicht biedt in de effecten van de stof of het preparaat op mens en milieu. De overgelegde tweede tekst behoeft de goedkeuring van Onze Minister. 5 Op een verzoek om geheimhouding beslist Onze Minister binnen vier weken na ontvangst. 6 Indien een verzoek om geheimhouding geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, laat Onze Minister de bekendmaking van de gegevens waarvan de geheimhouding wordt geweigerd, achterwege, totdat de beslissing op het verzoek onherroepelijk is geworden. 7 Een besluit krachtens het eerste lid vervalt, voor zover de verzoeker, degene die de stof vervaardigt of de importeur gegevens die op grond van dat besluit geheim gehouden worden, zelf openbaar maakt, dan wel voor zover deze gegevens in het kader van de uitvoering van de richtlijn, door de Commissie van de Europese Gemeenschappen openbaar worden gemaakt. Indien het openbaarmaking door de verzoeker, degene die de stof vervaardigt of de importeur betreft, geeft deze daarvan kennis aan Onze Minister. 1994 320 21-04-1994 23573 1994 425 08-06-1994 20-06-1994
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 Vervallen 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 Vervallen 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 1 artikel 3 4 5 8 13 14 15 17 19 22 23 24 25 31 32 34 37 39 Wij kunnen in het belang van de landsverdediging van de bij of krachtens,,,,,,,,,,,,,,,,ofgestelde verboden en verplichtingen: a. bij algemene maatregel van bestuur vrijstelling verlenen; b. op een daartoe strekkend verzoek ontheffing verlenen. 2 Aan een vrijstelling of ontheffing worden de voorschriften verbonden die naar Ons oordeel in het belang van de bescherming van mens en milieu nodig zijn. 3 De voordracht voor een besluit krachtens het eerste lid wordt Ons niet gedaan dan op verzoek van Onze Minister van Defensie. 1992 632 17-12-1992 03-12-1992 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 1 artikel 4, eerste of derde lid artikel 5 artikel 13, eerste of derde lid artikel 14, vierde lid artikel 19, derde, vierde of vijfde lid 67, derde lid De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens, krachtens of met overeenkomstige toepassing van, krachtens, krachtens of met overeenkomstige toepassing van, of krachtens, of, wordt Ons gedaan door Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te zamen. 2 artikel 23, tweede lid De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens, wordt, ingeval zij wordt gedaan op grond van een ernstig vermoeden dat door handelingen met een stof of een preparaat gevaren kunnen ontstaan in de arbeidssituatie, Ons gedaan door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 3 artikel 34, derde lid 35, vierde lid 36, tweede lid 37 39 De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens,,,ofwordt Ons gedaan door Onze Minister en Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport te zamen. 2005 705 27-12-2005 14-12-2005 30134 2005 705 27-12-2005 14-12-2005 30134 28-12-2005
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 1 artikel 1, derde lid artikel 4, eerste lid 5 14, vierde lid artikel 19, derde of vierde lid 23, tweede lid 24 32, tweede, derde of vierde lid 34, derde lid 35, vierde lid 39 Staatscourant Het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur krachtens, krachtens of met overeenkomstige toepassing van,of, krachtens,,,,,, ofwordt overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal en in debekendgemaakt. Aan een ieder wordt de gelegenheid geboden gedurende een bij die bekendmaking vast te stellen termijn van ten minste vier weken opmerkingen over het ontwerp schriftelijk ter kennis van Onze Minister te brengen. 2 Staatsblad Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid wordt, nadat hij is vastgesteld, toegezonden aan beide Kamers der Staten-Generaal. Hij treedt niet eerder in werking dan vier weken na de datum van uitgifte van hetwaarin hij is geplaatst. 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 62 — Artikel 62#
Artikel 62 Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van de wet nadere regeling behoeven, kan deze geschieden bij algemene maatregel van bestuur. 1992 632 17-12-1992 03-12-1992 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 63 — Artikel 63#
Artikel 63 artikel 26, vierde lid 33, tweede lid artikel 26, vierde lid artikel 40 Een gedraging in strijd met een voorschrift krachtens, of, aan een vergunning of ontheffing verbonden, in strijd met een krachtens, gestelde nadere eis, dan wel in strijd met een krachtensgenomen maatregel is verboden. 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 63a — Artikel 63a#
Artikel 63a 1 Met het toezicht op de uitvoering en de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren. 2 artikelen 5:13 5:15 5:16 5:17 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht De,,,enzijn van overeenkomstige toepassing. 3 Onze Minister kan bij ministeriële regeling bepalen dat bestuursorganen die met de uitvoering of de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast, daarbij aan te geven gegevens verstrekken aan de krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren. Bij de regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het tijdstip waarop, de frequentie waarmee en de vorm waarin de gegevens worden verstrekt. Tevens kan bij de regeling worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven gevallen. 2003 449 18-11-2003 22-10-2003 28744 2005 81 24-02-2005 08-02-2005 25-02-2005
Artikel 64 — Artikel 64#
Artikel 64 1 artikelen 18.3 tot en met 18.16 van de Wet milieubeheer Met betrekking tot de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn devan toepassing. 2 artikel 18.2 van de Wet milieubeheer Het inbedoelde bestuursorgaan heeft tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de op grond van deze wet voor degene die de betrokken inrichting drijft, geldende voorschriften. 3 Onverminderd het tweede lid heeft Onze betrokken Minister tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze wet. 2001 517 08-11-2001 18-10-2001 26929 2001 517 08-11-2001 18-10-2001 26929 09-11-2001
Artikel 65 — Artikel 65#
Artikel 65 Vervallen 1994 135 04-02-1994 23196 1994 222 21-03-1994 01-04-1994
Artikel 66 — Artikel 66#
Artikel 66 Vervallen 1992 414 02-07-1992 21087 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 67 — Artikel 67#
Artikel 67 1 artikelen 3 tot en met 18 a artikel 19, eerste lid, onder artikel 19, vijfde lid artikelen 3, eerste lid 4 tot en met 18 Met betrekking tot stoffen die op het tijdstip waarop dein werking treden, in Nederland worden vervaardigd, doch die niet behoren tot de stoffen, bedoeld in, dan wel die niet voorkomen op de in, bedoelde lijst, zijn de, en, voor zover deze artikelen betrekking hebben op het vervaardigen van die stoffen, niet van toepassing. 2 artikel 3, tweede lid artikelen 9 tot en met 12 Indien met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde stoffen een kennisgeving als bedoeld in, wordt gedaan, zijn op zodanige kennisgeving devan overeenkomstige toepassing. 3 Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld met betrekking tot hetgeen overigens in verband met het gaan gelden van deze wet regeling behoeft. 1992 632 17-12-1992 03-12-1992 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 68 — Artikel 68#
Artikel 68 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1992 639 03-12-1992 1993 98 05-02-1993 01-03-1993
Artikel 69 — Artikel 69#
Artikel 69 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1992 632 17-12-1992 03-12-1992 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 70 — Artikel 70#
Artikel 70 Vervallen 2007 181 30-05-2007 16-05-2007 30600 2007 182 30-05-2007 24-05-2007 01-06-2008
Artikel 71 — Artikel 71#
Artikel 71 1 Geneesmiddelenwet Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden Diergeneesmiddelenwet Stb. Deze wet is niet van toepassing op stoffen en preparaten, voor zover daaromtrent regelen zijn gesteld bij de(1958, 408) of de, dan wel zijn of worden gesteld krachtens die wetten. Indien het bij Koninklijke Boodschap van 17 januari 1983 bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediende voorstel van eenkracht van wet verkrijgt, is de onderhavige wet evenmin van toepassing op stoffen en preparaten, voor zover daaromtrent regelen zijn gesteld bij die wet, dan wel zijn of worden gesteld krachtens die wet. 2 Kernenergiewet Deze wet laat het met betrekking tot stoffen of preparaten bij of krachtens de(Stb. 1963, 82) bepaalde onverlet. 3 Wet luchtvaart artikel 2, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen die wet Wet vervoer gevaarlijke stoffen Wet luchtvaart Deze wet is niet van toepassing op het vervoeren, het ten vervoer aanbieden en het ten vervoer aannemen, het laden en het lossen en het nederleggen tijdens het vervoer van stoffen, preparaten of micro-organismen, alsmede op het laten staan en het laten liggen van een vervoermiddel waarin of waarop zich zodanige stoffen, preparaten of micro-organismen of resten daarvan bevinden, voor zover daaromtrent regelen zijn gesteld bij of krachtens de, dan wel op de handelingen genoemd inten aanzien van stoffen, preparaten of micro-organismen, voor zover daaromtrent regelen zijn gesteld bij of krachtens. Met betrekking tot de verpakking van genetische gemodificeerde micro-organismen blijven de bij of krachtens deze wet gestelde regels van kracht indien die organismen zich bij de handelingen, bedoeld in de eerste volzin, niet bevinden in een verpakking die voldoet aan de regels die terzake zijn gesteld bij of krachtens deof de. 4 artikel 1a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren artikel 3 van de Wet verontreiniging zeewater Stb. Krachtens deze wet worden geen regelen gesteld met betrekking tot het zich ontdoen van stoffen en preparaten door het brengen daarvan in oppervlaktewateren, voor zover in het stellen van zodanige regelen is voorzien door het vaststellen van grenswaarden krachtens(1969, 536) of voor zodanig zich ontdoen een verbod geldt krachtens( Stb. 1975, 352). 2007 125 10-04-2007 17-02-2007 30474 2007 338 27-09-2007 13-09-2007 31067 2007 386 16-10-2007 10-10-2007 17-10-2007 De wijziging kan niet worden doorgevoerd door de intrekking van de regeling. Deze wijziging kan niet meer in werking treden.
Artikel 72 — Artikel 72#
Artikel 72 Deze wet kan worden aangehaald als: "Wet milieugevaarlijke stoffen". 1992 632 17-12-1992 03-12-1992 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 73 — Artikel 73#
Artikel 73 De artikelen van deze wet treden in werking op een door Ons te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld. 1992 632 17-12-1992 03-12-1992 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993