Wet van 11 juni 1987, houdende het treffen van een inkomensvoorziening voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen van wie het inkomen duurzaam minder bedraagt dan het sociaal minimum en die als gevolg daarvan het bedrijf of beroep hebben beëindigd
- BWB-id
- BWBR0004163
- Type
- Wet
- Ministerie
- Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-02-04
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0004163
- ELI
- /eli/nl/wet/1987/wet-inkomensvoorziening-oudere-en-gedeeltelijk-arbeidsongesc-bwbr0004163
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1987/wet-inkomensvoorziening-oudere-en-gedeeltelijk-arbeidsongesc-bwbr0004163/2026-02-04
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0004163&g=2026-02-04
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0004163&z=2026-06-06&g=2026-02-04
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0004163/2026-02-04
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1987/wet-inkomensvoorziening-oudere-en-gedeeltelijk-arbeidsongesc-bwbr0004163
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; b. artikel 11 college: het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in; c. hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in; d. hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in; e. artikel 63 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen het Inlichtingenbureau: het Inlichtingenbureau, bedoeld in; f. artikel 37, eerste lid, van de Participatiewet netto minimumloon: het netto minimumloon, bedoeld in; g. Wetboek van Strafrecht vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel: een bij onherroepelijk geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in het; h. artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap uitreiziger: persoon ten aanzien van wie op grond van een melding van de opsporingsdiensten of inlichtingen- en veiligheidsdiensten, gericht aan het college, is gebleken dat het gegronde vermoeden bestaat dat deze persoon zich buiten Nederland bevindt met het doel om zich aan te sluiten bij een organisatie die is geplaatst op de lijst van organisaties, bedoeld in; i. verordening (EU) nr. 910/2014 Richtlijn 1999/93/EG eIDAS-verordening:van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van(PbEU 2014, L 257); j. elektronisch identificatiemiddel: 1°. een elektronisch identificatiemiddel dat in Nederland is uitgegeven op grond van een overeenkomstig de eIDAS-verordening aangemeld stelsel voor elektronische identificatiemiddelen met ten minste betrouwbaarheidsniveau substantieel als bedoeld in artikel 8, tweede lid onderdeel b, van de eIDAS-verordening; of 2°. een elektronisch identificatiemiddel dat is uitgegeven in een andere lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte op grond van een stelsel voor elektronische identificatiemiddelen met ten minste betrouwbaarheidsniveau substantieel als bedoeld in artikel 8, tweede lid onderdeel b, van de eIDAS-verordening, en dat ten behoeve van de grensoverschrijdende authenticatie is erkend overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van de eIDAS-verordening. 2025 312 29-10-2025 01-10-2025 36582 2025 313 29-10-2025 27-10-2025 01-01-2026
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder gewezen zelfstandige: de persoon die voor de voorziening in het bestaan was aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of beroep en die: 1°. artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, nog niet heeft bereikt en 2°. na het bereiken van de leeftijd van 55 jaar het bedrijf of beroep heeft beëindigd. 2 artikel 3.78 van de Wet inkomstenbelasting 2001 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt met de gewezen zelfstandige gelijkgesteld de partner in de zin vandie voldoet aan het bepaalde in het eerste lid. 3 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede als gewezen zelfstandige aangemerkt de persoon die voldoet aan het bepaalde in het eerste of tweede lid, en die met anderen het bedrijf of beroep heeft uitgeoefend in de vorm van een maatschap, een vennootschap onder firma of een commanditaire vennootschap, indien: 1°. de volledige zeggenschap in het bedrijf of beroep alleen of met die anderen werd uitgeoefend en 2°. de financiële risico’s van het bedrijf of beroep alleen of met die anderen werden gedragen. 4 Werkloosheidswet In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede als gewezen zelfstandige aangemerkt de persoon die voldoet aan het bepaalde in het eerste of tweede lid, en die, anders dan als werknemer in de zin van de, het bedrijf of beroep heeft uitgeoefend in de vorm van een besloten vennootschap of een naamloze vennootschap. 5 artikel 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 De gewezen zelfstandige was aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of beroep, indien werd voldaan aan het urencriterium, bedoeld in. 2012 361 08-08-2012 02-08-2012 2012 329 18-07-2012 12-07-2012 01-01-2013 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd in werking treedt.
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met: a. echtgenoot: geregistreerde partner; b. echtgenoten: geregistreerde partners; c. gehuwd: als partner geregistreerd; d. gehuwde: als partner geregistreerde. 2 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt: a. als echtgenoot aangemerkt degene die niet duurzaam gescheiden leeft van de gewezen zelfstandige met wie hij gehuwd is; b. als echtgenoot mede aangemerkt de niet met de gewezen zelfstandige gehuwde persoon met wie de gewezen zelfstandige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of indien er sprake is van een zorgbehoefte van of verleend door een gewezen zelfstandige, ongeacht of er sprake is van bloedverwantschap, gedurende de periode dat die zorg wordt verleend. 3 Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee meerderjarigen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. 4 Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht als de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en: a. zij in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van de uitkering met elkaar gehuwd zijn geweest of voor de verlening van de uitkering als gehuwden zijn aangemerkt; b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander; c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding bedoeld in het derde lid. 5 d Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel. 6 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, zoals bedoeld in het derde lid. 7 Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt mede verstaan een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde meerderjarige. 8 Wet op de jeugdzorg Jeugdwet Algemene Kinderbijslagwet Onder voormalig pleegkind als bedoeld in het zevende lid wordt verstaan een pleegkind voor wie de ongehuwde meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van deof de, of kinderbijslag ontving op grond van de. 2025 312 29-10-2025 01-10-2025 36582 2025 313 29-10-2025 27-10-2025 01-01-2026
Artikel 3a — Artikel 3a#
Artikel 3a hoofdstuk IV Invan deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder gegevens mede verstaan persoonsgegevens als bedoeld in de Algemene verordening gegevensbescherming. 2018 247 27-07-2018 11-07-2018 34939 2018 248 27-07-2018 11-07-2018 28-07-2018 25-05-2018
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. artikel 3, derde lid alleenstaande gewezen zelfstandige: de niet gehuwde dan wel duurzaam gescheiden levende gewezen zelfstandige, die niet een gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte; b. artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet artikel 7, tweede lid, van die wet kind: het kind jonger dan 18 jaar, dat niet als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind tot het huishouden van een ander dan de gewezen zelfstandige behoort en voor wie aan de gewezen zelfstandige op grond vankinderbijslag wordt betaald, zal worden betaald of zou worden betaald indienniet van toepassing zou zijn. 2 Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt mede verstaan een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de gewezen zelfstandige. 2010 838 28-12-2010 16-12-2010 32520 2010 839 28-12-2010 23-12-2010 01-01-2011 01-01-2010
Artikel 4a — Artikel 4a#
Artikel 4a In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. artikel 34, eerste lid, onderdeel a arbeidsinschakeling: het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in; b. sociale activering: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie; c. artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs artikel 2.5 2.4 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 startkwalificatie: een diploma van een opleiding als bedoeld inof een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld inonderscheidenlijk. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 4b — Artikel 4b#
Artikel 4b 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder medisch urenbeperkt verstaan: als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling voor een geringer aantal uren belastbaar zijn dan de arbeidsduur welke in overeenkomstige dienstbetrekkingen in de regel geacht wordt een volledige dienstbetrekking te vormen. 2 Het college kan: a. ambtshalve vaststellen of een persoon die een uitkering op grond van deze wet ontvangt medisch urenbeperkt is; b. op schriftelijke aanvraag van een persoon die een uitkering op grond van deze wet ontvangt vaststellen of hij medisch urenbeperkt is. 3 Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, kan slechts eenmaal per twaalf maanden worden ingediend. 4 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verricht voor het college de werkzaamheden ten behoeve van de vaststelling of een persoon die een uitkering op grond van deze wet ontvangt medisch urenbeperkt is en adviseert het college hierover. 2023 168 23-05-2023 12-05-2023 35335 2023 247 07-07-2023 27-06-2023 01-01-2024 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is.
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 Recht op uitkering hebben, indien het inkomen per maand na het beëindigen van het bedrijf of beroep minder bedraagt dan de overeenkomstig het vierde lid vastgestelde grondslag en indien aan de in het tweede of derde lid genoemde voorwaarden wordt voldaan: a. de gewezen zelfstandige en de echtgenoot; b. de alleenstaande gewezen zelfstandige die niet met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft; c. de alleenstaande gewezen zelfstandige die met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. 2 artikel 2 De in het eerste lid bedoelde voorwaarden zijn voor de gewezen zelfstandige, bedoeld in: 1°. de gewezen zelfstandige heeft gedurende drie jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag, of, indien die aanvraag uiterlijk drie maanden na beëindiging van het bedrijf of beroep is ingediend, gedurende drie jaar voor die beëindiging, onafgebroken rechtmatig een bedrijf of beroep in Nederland uitgeoefend en gedurende de zeven jaar daarvoor eveneens rechtmatig een bedrijf of beroep in Nederland uitgeoefend dan wel arbeid in dienstbetrekking verricht; 2°. het inkomen uit arbeid of overig inkomen van de gewezen zelfstandige bedroeg de laatste drie boekjaren gemiddeld minder dan € 33.467,00 per jaar; 3°. het inkomen uit arbeid of overig inkomen van de gewezen zelfstandige zou bij voortzetting van het bedrijf of beroep naar verwachting duurzaam minder dan € 36.090,00 per jaar bedragen; en 4°. de aanvraag is ingediend voor het beëindigen van het bedrijf of beroep en de beëindiging heeft plaatsgevonden binnen een periode van anderhalf jaar, volgend op het tijdstip van aanvraag of de aanvraag is ingediend uiterlijk drie maanden na beëindiging van het bedrijf of beroep. 3 Het recht op uitkering komt de gewezen zelfstandige en de echtgenoot gezamenlijk toe. De uitkering wordt aan de gewezen zelfstandige en de echtgenoot ieder voor de helft uitbetaald, dan wel op hun gezamenlijk verzoek aan een van hen voor het geheel. 4 De grondslag bedoeld in het eerste lid, wordt zodanig vastgesteld dat voor: a. de gewezen zelfstandige en de echtgenoot de helft van de grondslag netto gelijk is aan € 1.001,07; b. voor de alleenstaande gewezen zelfstandige netto gelijk is aan € 1.401,50; c. voor de alleenstaande gewezen zelfstandige, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, die met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, de grondslag netto gelijk is aan € 1.001,07. 5 De in het tweede lid, onderdelen 2 en 3, genoemde bedragen worden gewijzigd met ingang van de dag waarop het netto minimumloon wordt gewijzigd met het percentage van deze wijziging, zodanig dat deze netto gelijk zijn aan het netto minimumloon. 6 De in het vierde lid genoemde bedragen worden gewijzigd met ingang van de dag waarop het netto minimumloon wordt gewijzigd met het percentage van deze wijziging. 7 Tot de personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, worden niet gerekend: a. de persoon die de leeftijd van 27 jaar nog niet heeft bereikt, b. de persoon, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van de alleenstaande gewezen zelfstandige, die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de alleenstaande gewezen zelfstandige, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger in dezelfde woning als de alleenstaande gewezen zelfstandige zijn hoofdverblijf heeft; c. de persoon die op basis van een schriftelijke overeenkomst met een derde, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger in dezelfde woning als de alleenstaande gewezen zelfstandige zijn hoofdverblijf heeft, mits hij de overeenkomst heeft met dezelfde persoon als met wie de gewezen zelfstandige een schriftelijke overeenkomst heeft, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger; en d. de persoon: 1°. artikel 3.1, eerste of tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000 die onderwijs volgt waarvoor aanspraak op studiefinanciering als bedoeld inkan bestaan en op enig moment tijdens dat onderwijs gelet op zijn leeftijd in aanmerking kan komen voor die studiefinanciering; 2°. hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten die onderwijs volgt waarvoor aanspraak kan bestaan op een tegemoetkoming op grond vanen op enig moment tijdens dat onderwijs gelet op zijn leeftijd in aanmerking kan komen voor die tegemoetkoming; 3°. artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs die een beroepsopleiding als bedoeld inin de beroepsbegeleidende leerweg volgt; 4°. die een vergelijkbaar soort onderwijs of beroepsopleiding als bedoeld onder 1° tot en met 3° volgt buiten Nederland, waarbij voor onder 1° en 2° geldt dat hij op enig moment tijdens dat onderwijs jonger dan 30 jaar is of in de maand van aanvang de leeftijd van 30 jaren heeft bereikt. 8 Op verzoek van het college legt de alleenstaande gewezen zelfstandige de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in het zevende lid, onderdeel b of onderdeel c, over en toont hij de betaling van de commerciële prijs aan door het overleggen van de bewijzen van betaling. 9 De gewijzigde bedragen en de dag waarop de wijzigingen ingaan worden door of namens Onze Minister medegedeeld in de Staatscourant. 2025 43553 18-12-2025 10-12-2025 2025-0000238547 2025 43553 18-12-2025 10-12-2025 2025-0000238547 01-01-2026 2025 312 29-10-2025 01-10-2025 36582 2025 313 29-10-2025 27-10-2025 01-01-2026
Artikel 5a — Artikel 5a#
Artikel 5a artikel 5, tweede lid Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën van gewezen zelfstandigen worden aangewezen die zijn vrijgesteld van de voorwaarden, bedoeld in. 2006 703 22-12-2006 30-11-2006 30682 2006 704 22-12-2006 15-12-2006 01-01-2007
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 Geen recht op uitkering ontstaat, zolang het bedrijf of beroep door de zelfstandige en de echtgenoot niet is beëindigd. 2 Geen recht op uitkering heeft de gewezen zelfstandige die: a. zelf dan wel van wie de echtgenoot de arbeid in bedrijf of beroep hervat of aanvangt; b. buiten Nederland woont of aldaar anders dan tijdelijk verblijf houdt; c. artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 niet rechtmatig verblijf houdt in de zin van; d. rechtens zijn vrijheid is ontnomen; e. zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel; f. artikel 1, onderdeel g, van de Werkloosheidswet hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg onbetaald verlof geniet als bedoeld inof die met die persoon gehuwd is, ter hoogte van het bedrag van het verlies van inkomen uit arbeid als gevolg van het genieten van dat verlof, tenzij belanghebbende alleenstaande ouder is en hij verlof geniet als bedoeld in; g. artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, heeft bereikt; h. een uitreiziger is. 3 Geen recht op uitkering heeft de echtgenoot, indien ten aanzien van deze, dan wel ten aanzien van de gewezen zelfstandige zich een omstandigheid voordoet als omschreven in het tweede lid. Indien zich ten aanzien van de echtgenoot een omstandigheid voordoet als omschreven in het tweede lid, onderdelen b, c, d, e en h, wordt de gewezen zelfstandige aangemerkt als alleenstaande. 4 artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld inrecht op uitkering hebben, onverminderd de overige vereisten voor dat recht: a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, of b. artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 artikel 8, onder g of h, van de Vreemdelingenwet 2000 vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in. 5 artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten Het tweede lid, onderdeel d, is niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt buiten een penitentiaire inrichting, een instelling voor verpleging van ter beschikking gestelden, of een inrichting als bedoeld in. Het tweede lid, onderdelen d en e, is niet van toepassing op de persoon aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen op grond van deof de. 2023 417 21-11-2023 08-11-2023 36415 2023 437 05-12-2023 29-11-2023 01-01-2024 01-01-2023
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 Indien het recht op uitkering als gevolg van werkaanvaarding van de gewezen zelfstandige of de echtgenoot is geëindigd, en vervolgens opnieuw werkloosheid ontstaat, herleeft het recht op uitkering. 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder inkomen verstaan: a. voor de gewezen zelfstandige en de echtgenoot: de som van het inkomen uit arbeid of overig inkomen van hemzelf en zijn echtgenoot; b. voor de alleenstaande gewezen zelfstandige: zijn inkomen uit arbeid of overig inkomen. 2 per 1 januari 2025: 3% Als inkomen wordt voorts aangemerkt het inkomen uit het vermogen waarover de gewezen zelfstandige en zijn echtgenoot na de beëindiging van het bedrijf of beroep beschikken, met dien verstande dat daarbij een vermogen van € 175.864,00 buiten beschouwing blijft. Het inkomen uit vermogen wordt bepaald op 5%per jaar van het vermogen. 3 In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen uit arbeid gedurende zes maanden tot 25 procent van dit inkomen, met een maximum van € 448,22 per maand, voor zover een uitkering wordt ontvangen en dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders bijdraagt aan de arbeidsinschakeling. 4 artikel 5, tweede lid Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat wordt verstaan onder inkomen uit arbeid of overig inkomen als bedoeld in het eerste lid en in. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen dat gedeeltelijk, niet, of niet langer wordt genoten als gevolg van gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene in aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten. 5 Het bedrag, genoemd in het tweede lid, wordt gewijzigd met ingang van 1 januari van elk kalenderjaar, met het percentage waarmee het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie over de maand oktober daaraan voorafgaand afwijkt van het prijsindexcijfer waarop de laatste vaststelling van het bedrag is gebaseerd. 6 Onze Minister herziet het percentage, bedoeld in het tweede lid, zodra de rente-ontwikkeling daartoe aanleiding geeft. 7 Onze Minister stelt regels met betrekking tot de waardering van het vermogen, bedoeld in het tweede lid. 8 artikel 31, tweede lid, onderdeel n, van de Participatiewet Het bedrag, genoemd in het derde lid, wordt gewijzigd met ingang van de dag waarop het ingenoemde bedrag wordt gewijzigd. 9 In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen uit arbeid van een alleenstaande ouder tot 12,5 procent van dit inkomen, met een maximum van € 276,66 per maand, gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden, voor zover hij een uitkering ontvangt, ingeval: a. hij de volledige zorg heeft voor zijn kind tot 12 jaar, b. de periode van zes maanden, bedoeld in het derde lid, is verstreken, en c. dit volgens het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling. 10 artikel 31, tweede lid, onderdeel r, van de Participatiewet Het bedrag, genoemd in het negende lid, wordt gewijzigd met ingang van de dag waarop het ingenoemde bedrag wordt gewijzigd. 11 In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen uit arbeid van een persoon die medisch urenbeperkt is tot 15 procent van dit inkomen uit arbeid, met een maximum van € 280,98 per maand, voor zover hij een uitkering op grond van deze wet ontvangt, tenzij het derde of negende lid van toepassing is. 12 artikel 31, tweede lid, onderdeel y, van de Participatiewet Het bedrag, genoemd in het elfde lid, wordt gewijzigd met ingang van de dag waarop het ingenoemde bedrag wordt gewijzigd. 13 In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen uit arbeid van een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie tot 15 procent van dit inkomen, met een maximum van € 280,98 per maand, gedurende een periode van twaalf maanden nadat de periode van zes maanden, bedoeld in het derde lid, is verstreken, voor zover hij een uitkering op grond van deze wet ontvangt, tenzij het elfde lid van toepassing is. 14 In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen uit arbeid van een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie tot 15 procent van dit inkomen, met een maximum van € 280,98 per maand, nadat de periode van twaalf maanden, bedoeld in het dertiende lid, is verstreken, voor zover hij een uitkering op grond van deze wet ontvangt en het college gelet op de in de persoon gelegen omstandigheden een uitbreiding van zijn arbeidsomvang niet mogelijk acht. 15 artikel 31, tweede lid, onderdelen z en aa, van de Participatiewet De bedragen, genoemd in het dertiende en veertiende lid, worden gewijzigd met ingang van de dag waarop de ingenoemde bedragen wordt gewijzigd. 16 De gewijzigde bedragen en de dag waarop de wijzigingen ingaan, worden door of namens Onze Minister medegedeeld in de Staatscourant. 2025 43553 18-12-2025 10-12-2025 2025-0000238547 2025 43553 18-12-2025 10-12-2025 2025-0000238547 01-01-2026
Artikel 8a — Artikel 8a#
Artikel 8a 1 De inkomsten uit arbeid worden niet met de uitkering verrekend: a. gedurende een aaneengesloten periode van maximaal twaalf maanden voor 15 procent van deze inkomsten per maand, indien dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van deze persoon; b. ten aanzien van degene die medisch urenbeperkt is: voor 15 procent van deze inkomsten per maand; 2 Nadat de periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is verstreken kan het college de periode waarin de inkomsten uit arbeid niet worden verrekend verlengen met een door het college te bepalen periode, indien het college een uitbreiding van de arbeidsomvang gelet op de individuele omstandigheden niet mogelijk acht. 3 Indien de periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, of het tweede lid, is verstreken zonder dat deze is verlengd, kan het college nogmaals toepassing geven aan het eerste lid indien de persoon nadien een nieuw dienstverband is aangegaan. 2025 312 29-10-2025 01-10-2025 36582 2025 313 29-10-2025 27-10-2025 01-01-2027
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 De uitkering bedraagt het verschil tussen de van toepassing zijnde grondslag en het inkomen. 2 In de in het eerste lid bedoelde uitkering is begrepen een vakantieuitkering ter hoogte van 8/108 van die uitkering. 3 artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag Indien het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld inwordt gewijzigd, wordt de in het tweede lid genoemde verhouding dienovereenkomstig aangepast. 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Vervallen 2011 288 21-06-2011 06-06-2011 32131 2012 45 10-02-2012 06-02-2012 01-01-2013
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 artikelen 10, eerste lid 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek Het recht op uitkering bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de, en. 2007 551 21-12-2007 29-11-2007 31229 2007 552 21-12-2007 14-12-2007 01-01-2008
Artikel 11a — Artikel 11a#
Artikel 11a Vervallen 2008 600 30-12-2008 29-12-2008 31514 2008 601 30-12-2008 29-12-2008 01-01-2009
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 artikel 11 Indien doorzending van de aanvraag naar het college van een andere gemeente heeft plaatsgevonden en deze van oordeel zijn dat zij evenmin de aanvraag dienen te behandelen, terwijl er geen zekerheid kan worden verkregen over de inbedoelde woonplaats, draagt het college die de doorgezonden aanvraag hebben ontvangen, er zorg voor dat het geschil aanhangig wordt gemaakt. 2 In afwachting van een beslissing inzake een geschil over toepassing van het eerste lid bestaat het recht op uitkering jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende werkelijk verblijft. 3 eerste en tweede lid van artikel 16 Hetzijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de daar genoemde termijnen beginnen te lopen vanaf de mededeling van die doorzending of beslissing. 4 Uitkeringskosten verleend ingevolge het tweede lid worden vergoed door de gemeente waarvan de taak is waargenomen. 2007 551 21-12-2007 29-11-2007 31229 2007 552 21-12-2007 14-12-2007 01-01-2008
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling en het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan hem wordt betaald. De verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door burgemeester en wethouders kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is. 2 De belanghebbende is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. 3 artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 4°, van de Wet op de identificatieplicht Het college stelt bij de uitvoering van deze wet de identiteit van de belanghebbende vast aan de hand van een document als bedoeld in. Indien een aanvraag voor het recht op een uitkering wordt gedaan met gebruikmaking van een elektronisch identificatiemiddel, wordt het college geacht de identiteit van de belanghebbende te hebben vastgesteld als bedoeld in de eerste zin. 4 artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht Een ieder is verplicht aan het college desgevraagd een document als bedoeld interstond ter inzage te verstrekken, voorzover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. 2025 312 29-10-2025 01-10-2025 36582 2026 18 03-02-2026 28-01-2026 36796 2025 312 29-10-2025 01-10-2025 36582 04-02-2026 01-01-2026 2026 18 03-02-2026 28-01-2026 36796 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel XXIIIA van de
Verzamelwet SZW 2026 in werking treedt.
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 artikel 30c, tweede, vierde en vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen artikel 33 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen artikel 35 van die wet Onverminderd, bepaalt het college welke gegevens ten behoeve van de verlening van de uitkering dan wel de voortzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt. De gegevens en bewijsstukken worden door het college niet verkregen van de belanghebbende voor zover zij verkregen kunnen worden uit de polisadministratie, bedoeld in, de verzekerdenadministratie, bedoeld in, alsmede uit de basisregistratie personen, tenzij hierdoor een goede vervulling van de taak van het college op grond van dit artikel wordt belet of bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin van toepassing is, worden regels gesteld over de gegevens die het betreft en kunnen administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin tijdelijk niet van toepassing is. Indien het authentieke gegevens uit andere basisregistraties betreft, is dit lid van overeenkomstige toepassing. 2 In aanvulling op het eerste lid kan het college de belanghebbende verzoeken aan te tonen dat: Teneinde hem daartoe in de gelegenheid te stellen kan het college bij die verzoeken de belanghebbende aanbieden met diens toestemming zijn woning binnen te treden. a. artikel 5, vierde lid, onderdeel b hij een gewezen zelfstandige is als bedoeld in; b. de feitelijke woonsituatie van hemzelf, van zijn echtgenoot of van een kind in overeenstemming is met het door hem verstrekte adres van hemzelf, zijn echtgenoot of van een kind. 3 artikel 5, vierde lid, onderdeel b Indien de belanghebbende niet desgevraagd aantoont dat hij een gewezen zelfstandige is als bedoeld in: a. artikel 5, vierde lid, onderdeel a kent het college de uitkering toe respectievelijk herziet het de uitkering naar de helft van de grondslag, bedoeld in; b. artikelen 37a, tweede lid 38 wordt de belanghebbende voor de toepassing van de, enniet als alleenstaande ouder aangemerkt. 4 Indien de belanghebbende niet desgevraagd de woonsituatie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, aantoont op de wijze bedoeld in de laatste zin van dat lid, schort het college de betaling van de uitkering op, niet dan nadat het college aan belanghebbende gelegenheid heeft gegeven op andere wijze aan te tonen dat het feitelijke woonadres overeenkomt met het verstrekte adres, indien daartoe niet eerder aan belanghebbende gelegenheid is geboden. 5 Artikel 17a, vierde lid, tweede zin Het college doet schriftelijke mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en stelt hem daarbij in de gelegenheid om aan te tonen dat het feitelijke woonadres overeenstemt met het verstrekte adres., is van overeenkomstige toepassing. 6 Het college is bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van het recht op uitkering. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft kan het college besluiten tot herziening van de uitkering. 7 De voordracht voor een krachtens het eerste lid, derde zin, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan twee weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd 2014 227 27-06-2014 25-06-2014 33716 2014 271 15-07-2014 04-07-2014 01-01-2015
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 Het college stelt het recht op uitkering op schriftelijke aanvraag vast. 2 De uitkering wordt door de gewezen zelfstandige en de echtgenoot gezamenlijk aangevraagd, dan wel door een van hen met schriftelijke toestemming van de ander. 3 artikelen 43 78f van de Participatiewet Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers artikel 16a Indien een belanghebbende zich onverwijld na afwijzing van een aanvraag voor een uitkering op grond van deofof demeldt voor een aanvraag voor een uitkering, geldt de datum van melding voor de aanvraag voor die uitkering tevens als melding bedoeld in. 2025 312 29-10-2025 01-10-2025 36582 2025 313 29-10-2025 27-10-2025 01-01-2026
Artikel 15a — Artikel 15a#
Artikel 15a 1 Indien na het eindigen van de uitkering binnen twaalf maanden een nieuwe aanvraag wordt gedaan, kan het college de gegevens die bij hem berusten in verband met de eerdere verlening van de uitkering gebruiken, indien dit leidt tot een, voor de belanghebbende, minder belastende aanvraag. 2 Het college verifieert de juistheid en actualiteit van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, in de beschikbare bronnen en zo nodig bij de belanghebbende. 2025 312 29-10-2025 01-10-2025 36582 2025 313 29-10-2025 27-10-2025 01-01-2026
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Vervallen 2009 592 30-12-2009 17-12-2009 31927 2009 593 30-12-2009 27-12-2009 01-01-2010
Artikel 16a — Artikel 16a#
Artikel 16a 1 Indien door het college is vastgesteld dat recht op uitkering bestaat, wordt de uitkering toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om uitkering aan te vragen. 2 Indien de belanghebbende de aanvraag niet zo spoedig mogelijk indient nadat hij zich heeft gemeld en hem dit te verwijten valt, kan het college, in afwijking van het eerste lid, besluiten dat de uitkering wordt toegekend vanaf de dag dat de aanvraag is ingediend. 3 In afwijking van het eerste lid kan het college een uitkering toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld, indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken. 2025 312 29-10-2025 01-10-2025 36582 2025 313 29-10-2025 27-10-2025 01-01-2026
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 Indien de belanghebbende de voor de verlening van de uitkering van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, kan het college het recht op uitkering opschorten: a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft. 2 Het college doet mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door het college te stellen termijn het verzuim te herstellen. 3 artikel 13, eerste lid artikel 20, tweede lid Het college herziet een besluit tot toekenning van de uitkering, dan wel trekt een besluit tot toekenning van de uitkering in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering kan het college een besluit tot toekenning van uitkering herzien of intrekken, indien een gedraging als bedoeld in, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering of anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. 4 Als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van uitkering intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op uitkering is opgeschort. 2014 504 16-12-2014 26-11-2014 33988 2014 516 18-12-2014 10-12-2014 01-01-2015
Artikel 17a — Artikel 17a#
Artikel 17a 1 Indien bij de beoordeling van het recht op uitkering blijkt, dat het door een belanghebbende verstrekte adres van hemzelf, van zijn echtgenoot of van een kind afwijkt van het adres waaronder de betrokkene in de basisregistratie personen staat ingeschreven, schort het college de betaling van de uitkering op. 2 Geen opschorting vindt plaats: a. indien de afwijking redelijkerwijs geen gevolgen kan hebben voor het recht op of de hoogte van de uitkering; b. indien de belanghebbende van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. 3 Het college doet schriftelijk mededeling van de opschorting aan de belanghebbende, en geeft daarbij de gelegenheid tot adreswijziging in de basisregistratie personen binnen een door het college te stellen termijn. 4 De opschorting wordt beëindigd zodra het aan het college gebleken is dat de afwijking niet meer bestaat. Indien de afwijking ook na de krachtens het derde lid gestelde termijn nog bestaat, herziet het college het besluit tot toekenning van de uitkering, of trekt het dit in, met ingang van de eerste dag waarop de betaling van de uitkering is opgeschort. 2013 316 26-07-2013 10-07-2013 33555 2013 494 09-12-2013 28-11-2013 06-01-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet basisregistratie
personen in werking treedt.
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 Vervallen 2003 376 10-10-2003 09-10-2003 28960 2003 386 14-10-2003 10-10-2003 01-01-2005
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 Vervallen 2009 592 30-12-2009 17-12-2009 31927 2009 593 30-12-2009 27-12-2009 01-01-2010
Artikel 19a — Artikel 19a#
Artikel 19a Vervallen 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 19b — Artikel 19b#
Artikel 19b Vervallen 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 19c — Artikel 19c#
Artikel 19c Vervallen 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 19d — Artikel 19d#
Artikel 19d Vervallen 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 19e — Artikel 19e#
Artikel 19e Vervallen 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 19f — Artikel 19f#
Artikel 19f Vervallen 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 19g — Artikel 19g#
Artikel 19g Vervallen 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 19h — Artikel 19h#
Artikel 19h Vervallen 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 artikel 35, onderdeel a artikel 13, tweede en vierde lid hoofdstuk III artikel 37, eerste lid, onderdelen a en c Het college verlaagt de uitkering overeenkomstig de verordening, bedoeld in, ter zake van het niet of onvoldoende nakomen door de belanghebbende van een verplichting als bedoeld in, of een op grond vanaan de uitkering verbonden verplichting, anders dan de verplichting, bedoeld in, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, in de periode voorafgaand aan de aanvraag om een uitkering of ter zake van het nadien onvoldoende inzetten voor de voorziening in het bestaan. 2 artikel 8 Het college kan de uitkering blijvend of tijdelijk weigeren tot de mate waarin de belanghebbende die arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard uit of in verband met deze arbeid inkomen als bedoeld in of op grond vanzou hebben kunnen verwerven, indien: a. artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin vanen de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt; b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd; c. de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; of d. de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt. 3 Van een verlaging als bedoeld in het eerste lid en een weigering als bedoeld in het tweede lid wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. 4 Het niet voeren van verweer door de belanghebbende tegen of het instemmen van de belanghebbende met een beëindiging van de dienstbetrekking door of op het verzoek van de werkgever leidt niet tot het opleggen van een maatregel op grond van het tweede lid. 2014 270 15-07-2014 02-07-2014 33161 2014 271 15-07-2014 04-07-2014 01-01-2015
Artikel 20a — Artikel 20a#
Artikel 20a 1 artikel 13, eerste lid artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht Het college legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 13, eerste lid, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 13, eerste lid, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding niet opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. 2 artikel 13, eerste lid In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen. 3 artikel 13, eerste lid artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht Indien het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van een verplichting als bedoeld in, niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie, bedoeld in. 4 artikel 13, eerste lid Het college kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van een verplichting als bedoeld in, in situaties die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichtingen plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven. 5 artikel 13, eerste lid Het college legt een bestuurlijke boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen, van ten hoogste 150 procent van het benadelingsbedrag, met overeenkomstige toepassing van het eerste lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan van de overtreding een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden. 6 In afwijking van het vijfde lid is het in dat lid genoemde tijdvak van vijf jaar tien jaar indien wegens de eerdere overtreding, bedoeld in het vijfde lid, de belanghebbende is gestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. 7 Het college kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. 8 Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het college de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn. 9 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete. 10 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij de bestuurlijke boete is opgelegd. 11 artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vankan de rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook ten nadele van de belanghebbende wijzigen. 12 Indien ten aanzien van een overtreding waarvoor een bestuurlijke boete is opgelegd geen sprake is geweest van opzet of grove schuld, en voorts is gebleken dat binnen een jaar nadat de bestuurlijke boete is opgelegd niet nogmaals een overtreding wegens eenzelfde gedraging is begaan, is het college bevoegd op verzoek van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd, de bestuurlijke boete geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden bij medewerking aan een schuldregeling. 13 Het besluit tot kwijtschelding, bedoeld in het twaalfde lid, wordt ingetrokken of ten nadele van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd herzien indien binnen vijf jaar na het besluit tot kwijtschelding wederom een overtreding wegens eenzelfde gedraging is begaan. 2016 318 08-09-2016 23-08-2016 34396 2016 421 08-11-2016 27-10-2016 01-01-2017
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 het college betaalt de uitkering in het algemeen per maand. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald wanneer de uitkering wordt betaald binnen de maand, bedoeld in de eerste zin. 2 In afwijking van het eerste lid wordt de vakantie-uitkering, voor zover niet reeds eerder betaald, jaarlijks betaald in de maand juni over de aan die maand voorafgaande maanden, dan wel in de maand waarin de uitkering eindigt. 2025 312 29-10-2025 01-10-2025 36582 2025 313 29-10-2025 27-10-2025 01-01-2026
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet De uitkering wordt betaald tot de dag waarop de gewezen zelfstandige de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, bereikt. 2012 361 08-08-2012 02-08-2012 2012 329 18-07-2012 12-07-2012 01-01-2013 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd in werking treedt.
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 In geval van overlijden van de echtgenoot van de gewezen zelfstandige wordt tot en met één maand na de dag van het overlijden, betaald naar de voordien vastgestelde grondslag. 2 In geval van overlijden van de gewezen zelfstandige wordt de uitkering tot en met één maand na de dag van het overlijden, betaald naar de voordien vastgestelde grondslag aan: a. de echtgenoot van de gewezen zelfstandige; b. a bij ontstentenis van de onderbedoelde persoon, het kind of de kinderen in de zin van deze wet. 1995 696 29-12-1995 21-12-1995 24258 1995 696 29-12-1995 21-12-1995 24258 01-01-1997
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 1 De uitkering is onvervreemdbaar en niet vatbaar voor verpanding of belening. 2 Een machtiging tot het in ontvangst nemen van de uitkering, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is steeds herroepelijk. 3 Elk beding strijdig met het eerste of tweede lid is nietig. 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 artikel 13, eerste lid Het college van de gemeente die de uitkering heeft verleend, vordert de uitkering terug voor zover de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in. 2 artikel 17, derde of vierde lid artikel 20 De uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in, of, anders dan in het eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, kan van de belanghebbende worden teruggevorderd. 3 De uitkering kan van de belanghebbende worden teruggevorderd indien blijkt dat deze over dezelfde periode waarover een uitkering op grond van deze wet is verleend, later inkomsten ontvangt waarmede bij de vaststelling van de uitkering rekening zou zijn gehouden. 4 Het college is bevoegd tot verrekening van in de voorgaande drie maanden ontvangen middelen met de uitkering. 5 Wet op de loonbelasting 1964 Wet financiering sociale verzekeringen Bij gebreke van tijdige betaling kan de vordering worden verhoogd met de op de terugvordering betrekking hebbende kosten. Loonbelasting en de premie voor de volksverzekeringen waarvoor het college dat de uitkering verstrekt krachtens de, onderscheidenlijk deinhoudingsplichtige is, kunnen worden teruggevorderd, voor zover deze belasting en premie niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premie volksverzekeringen. 6 In afwijking van het eerste lid kan het college besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering als bedoeld in het eerste lid af te zien, indien de persoon van wie de uitkering wordt teruggevorderd: a. gedurende tien jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan; b. gedurende tien jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald; c. gedurende tien jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom, in één keer aflost. 7 Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering als bedoeld in het eerste lid af te zien. 2012 462 12-10-2012 04-10-2012 33207 2012 498 23-10-2012 11-10-2012 01-01-2013 Artikel XXV van Stb. 2012/462 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. 2011 288 21-06-2011 06-06-2011 32131 2012 45 10-02-2012 06-02-2012 01-01-2013
Artikel 25a — Artikel 25a#
Artikel 25a Vervallen 2009 592 30-12-2009 17-12-2009 31927 2009 593 30-12-2009 27-12-2009 01-01-2010
Artikel 25b — Artikel 25b#
Artikel 25b Vervallen 2009 592 30-12-2009 17-12-2009 31927 2009 593 30-12-2009 27-12-2009 01-01-2010
Artikel 25c — Artikel 25c#
Artikel 25c Vervallen 2009 592 30-12-2009 17-12-2009 31927 2009 593 30-12-2009 27-12-2009 01-01-2010
Artikel 25d — Artikel 25d#
Artikel 25d Vervallen 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 25e — Artikel 25e#
Artikel 25e Vervallen 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 25f — Artikel 25f#
Artikel 25f Vervallen 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 25g — Artikel 25g#
Artikel 25g Vervallen 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 25h — Artikel 25h#
Artikel 25h Vervallen 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 25i — Artikel 25i#
Artikel 25i Vervallen 1996 248 07-05-1996 25-04-1996 23909 1996 661 23-12-1996 14-12-1996 01-07-1997
Artikel 25j — Artikel 25j#
Artikel 25j Vervallen 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 25k — Artikel 25k#
Artikel 25k Vervallen 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 artikel 3 Indien de uitkering met inachtneming van, is verleend, worden voor de toepassing van deze paragraaf als belanghebbenden aangemerkt de in dat artikel bedoelde personen. 2 artikel 3 artikel 13 Indien de uitkering met inachtneming vanhad moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt, dan wel de verplichting, bedoeld in, niet of niet behoorlijk is nagekomen, kan de gedurende het betrokken tijdvak ten onrechte verleende uitkering mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens inkomen bij de verlening van de uitkering rekening had moeten worden gehouden. 3 De in het eerste en tweede lid bedoelde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de ten onrechte verleende uitkering. 2009 592 30-12-2009 17-12-2009 31927 2009 593 30-12-2009 27-12-2009 01-01-2010
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 De persoon van wie wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan het college de inlichtingen te verstrekken die voor terugvordering op grond van deze paragraaf van belang zijn. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 1 artikel 25, eerste, tweede en derde lid Het college kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in, invorderen bij dwangbevel. 2 artikel 25, eerste lid artikel 20a Participatiewet Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 Indien degene van wie de uitkering op grond van, wordt teruggevorderd dan wel verplicht is tot betaling van een bestuurlijke boete als bedoeld inen een eerdere bestuurlijke boete wegens eenzelfde gedraging als bedoeld in artikel 20a, vijfde lid, algemene bijstand op grond van deof een uitkering op grond van deof hetontvangt, verrekent het college die uitkering en bestuurlijke boete met die algemene bijstand of uitkering. 3 artikel 25, tweede of derde lid Participatiewet Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 Indien degene van wie de uitkering op grond van, wordt teruggevorderd algemene bijstand op grond van deof een uitkering op grond van deof hetontvangt, is het college bevoegd tot verrekening van die uitkering met die algemene bijstand of uitkering. 4 artikel 20a Werkloosheidswet Ziektewet Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen Wet arbeid en zorg Wet inkomensvoorziening oudere werklozen Toeslagenwet Algemene Ouderdomswet Algemene nabestaandenwet Indien degene van wie de uitkering wordt teruggevorderd dan wel verplicht is tot betaling van een bestuurlijke boete als bedoeld ineen uitkering of algemene bijstand ontvangt van een andere gemeente dan de gemeente waarvan het college de uitkering terugvordert of de bestuurlijke boete heeft opgelegd, dan wel een uitkering of inkomensvoorziening ontvangt op grond van de, de, de, de, de, de, de, de, de, de, deof de, betaalt dat college, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onderscheidenlijk de Sociale verzekeringsbank het bedrag van de terugvordering of de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van de belanghebbende, op verzoek aan het college, dat besluit tot terugvordering of de bestuurlijke boete heeft opgelegd. 5 artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht De inaan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het college. Indien het college gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van, door middel van toezending per post aan degene van wie uitkering wordt teruggevorderd. 6 artikelen 20a, achtste lid 27 Zolang de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in de, en, niet of niet behoorlijk nakomt: a. artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het college, in afwijking van, bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn; b. 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen, in afwijking van, niet bij invordering van de onverschuldigd betaalde uitkering en de bestuurlijke boete bij dwangbevel. 7 artikel 25, eerste lid Onverminderd het eerste tot en met het zesde lid kan het college een vordering die een belanghebbende op hem heeft, verrekenen met een vordering als bedoeld in. 2016 318 08-09-2016 23-08-2016 34396 2016 421 08-11-2016 27-10-2016 01-01-2017
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 Vervallen 2016 318 08-09-2016 23-08-2016 34396 2016 421 08-11-2016 27-10-2016 01-01-2017
Artikel 29a — Artikel 29a#
Artikel 29a artikel 13, eerste lid Wetboek van Strafrecht Door het college wordt geen medewerking verleend aan een schuldregeling indien een vordering is ontstaan door het opzettelijk of door grove schuld niet of niet behoorlijke nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in, en hiervoor een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel met betrekking tot het niet of niet behoorlijk nakomen van die verplichtingen aangifte is gedaan op grond van het, voor zover deze medewerking leidt tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van deze vordering. 2021 627 20-12-2021 15-12-2021 35897 2021 628 20-12-2021 15-12-2021 21-12-2021 15-11-2021
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 artikel 288 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek De vorderingen ingevolge deze paragraaf zijn bevoorrecht en volgen onmiddellijk na die inomschreven. 2 Indien de uitkeringen op verschillende tijdvakken betrekking hebben, heeft de terugvordering over het vroegste tijdvak voorrang. 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 artikel 9 Onder uitkering in de zin van deze paragraaf wordt verstaan de uitkering, bedoeld in. 2011 288 21-06-2011 06-06-2011 32131 2012 45 10-02-2012 06-02-2012 01-01-2013
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 Vervallen 1996 248 07-05-1996 25-04-1996 23909 1996 661 23-12-1996 14-12-1996 01-07-1997
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 Vervallen 1996 248 07-05-1996 25-04-1996 23909 1996 661 23-12-1996 14-12-1996 01-07-1997
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 1 Het college is verantwoordelijk voor: a. artikel 2 het verlenen van een uitkering aan de gewezen zelfstandige, bedoeld in; b. artikel 37, eerste lid, onderdeel f artikel 35, eerste lid, onderdeel e het ontwikkelen van beleid ten behoeve van het verrichten van een tegenprestatie als bedoeld in, en het uitvoeren ervan, overeenkomstig de verordening, bedoeld in. 2 Het college kan de uitvoering van deze wet, behoudens de vaststelling van de rechten en plichten van de belanghebbende en de daarvoor noodzakelijke beoordeling van zijn omstandigheden, door derden laten verrichten. Het college kan de in de eerste volzin bedoelde vaststelling en beoordeling mandateren aan bestuursorganen. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het tweede lid. 2014 504 16-12-2014 26-11-2014 33988 2014 516 18-12-2014 10-12-2014 01-01-2015 2014 270 15-07-2014 02-07-2014 33161 2014 271 15-07-2014 04-07-2014 01-01-2015
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot: a. artikel 20 de weigering en verlaging, bedoeld in; b. de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een uitkering alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet in het kader van het financiële beheer; c. artikel 38, twaalfde lid het verlagen van de uitkering, bedoeld in; d. artikel 37, eerste lid, onderdeel f het opdragen van een tegenprestatie als bedoeld in. 2014 270 15-07-2014 02-07-2014 33161 2014 271 15-07-2014 04-07-2014 01-01-2015 2014 504 16-12-2014 26-11-2014 33988 2014 516 18-12-2014 10-12-2014 01-01-2015
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 1 artikel 8a van de Participatiewet Belanghebbenden die een uitkering ontvangen, hebben overeenkomstig de verordening, bedoeld in, aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling. 2 Artikel 11 is van overeenkomstige toepassing. 2014 270 15-07-2014 02-07-2014 33161 2014 271 15-07-2014 04-07-2014 01-01-2015
Artikel 36a — Artikel 36a#
Artikel 36a Vervallen 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 36b — Artikel 36b#
Artikel 36b Vervallen 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 36c — Artikel 36c#
Artikel 36c Vervallen 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 36d — Artikel 36d#
Artikel 36d Vervallen 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 36e — Artikel 36e#
Artikel 36e Vervallen 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 36f — Artikel 36f#
Artikel 36f Vervallen 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 36g — Artikel 36g#
Artikel 36g Vervallen 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 36h — Artikel 36h#
Artikel 36h Vervallen 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 36i — Artikel 36i#
Artikel 36i Vervallen 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 36j — Artikel 36j#
Artikel 36j Vervallen 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 36k — Artikel 36k#
Artikel 36k Vervallen 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 1 artikel 16a, tweede lid De belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking is vanaf de dag van melding, bedoeld in, verplicht: a. naar vermogen te trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; b. artikel 30b, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ervoor te zorgen dat hij als werkzoekende geregistreerd is bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en geregistreerd blijft, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van; c. algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; d. na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert; e. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; f. naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt; g. zich te onthouden van zeer ernstige misdragingen jegens de met de uitvoering van deze wet belaste personen en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden. 2 Indien uitkering wordt verleend aan echtgenoten gelden de verplichtingen bedoeld in het eerste lid voor ieder van hen. 2014 504 16-12-2014 26-11-2014 33988 2014 516 18-12-2014 10-12-2014 01-01-2015
Artikel 37a — Artikel 37a#
Artikel 37a 1 artikel 37 artikel 34, eerste lid, onderdeel a Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van een of meer verplichtingen als bedoeld in. Zorgtaken kunnen als dringende redenen worden aangemerkt, voorzover hiermee geen rekening kan worden gehouden door middel van een voorziening als bedoeld in. 2 De verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden geldt voor de alleenstaande ouder met kinderen tot 12 jaar slechts nadat het college zich genoegzaam heeft overtuigd van de beschikbaarheid van passende kinderopvang, de toepassing van voldoende scholing en de belastbaarheid van de betrokkene. 3 Vervallen. 4 artikel 37, eerste lid, onderdeel f artikel 38, eerste lid De verplichting, bedoeld in, is niet van toepassing op de alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in. 2014 270 15-07-2014 02-07-2014 33161 2014 271 15-07-2014 04-07-2014 01-01-2015 2014 269 15-07-2014 02-07-2014 33801 2014 271 15-07-2014 04-07-2014 01-01-2015
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 1 artikel 37a, eerste lid artikel 37, eerste lid, onderdelen a tot en met d Onverminderd, verleent het college aan een alleenstaande ouder die de volledige zorg heeft voor een tot zijn last komend kind tot vijf jaar op diens verzoek ontheffing van de verplichtingen, bedoeld in. 2 De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt eenmalig verleend. 3 artikel 37, eerste lid, onderdeel e De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verleend voor zover uit houding en gedragingen van de alleenstaande ouder ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen, bedoeld in, niet wil nakomen. 4 De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, geldt zolang het jongste kind van de alleenstaande ouder de leeftijd van vijf jaar nog niet heeft bereikt. Onverminderd de eerste zin geldt de ontheffing gedurende ten hoogste vijf jaar. Bij verhuizing naar een andere woonplaats wordt op deze periode in mindering gebracht de periode, dan wel perioden, waarin de alleenstaande ouder in de voorgaande woonplaats, dan wel de voorgaande woonplaatsen, gebruik heeft gemaakt van de ontheffing bedoeld in het eerste lid. 5 De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt, indien de volledige duur van vijf jaar nog niet volledig is benut: a. van rechtswege opgeschort, met ingang van de datum waarop het jongste kind de leeftijd van vijf jaar bereikt; b. van rechtswege opgeschort indien niet langer recht op bijstand bestaat; c. door het college opgeschort op een daartoe strekkend verzoek van de alleenstaande ouder aan wie de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, is verleend; of d. artikel 37, eerste lid, onderdeel e door het college ingetrokken indien uit houding en gedragingen van de alleenstaande ouder ondubbelzinnig blijkt dat hij zijn verplichtingen, bedoeld in, niet wil nakomen. 6 Op een daartoe strekkend verzoek van de alleenstaande ouder met een kind tot vijf jaar beëindigt het college een opschorting als bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a tot en met c, indien de daarin genoemde omstandigheden niet langer van toepassing zijn. 7 artikel 37, eerste lid, onderdeel e Het college stelt binnen zes maanden na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, een plan van aanpak op voor de invulling van de voorziening, bedoeld in, voor de alleenstaande ouder aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid. 8 artikel 37, eerste lid, onderdeel e Het college verricht na het opstellen van het plan van aanpak, bedoeld in het zevende lid, iedere zes maanden een heronderzoek naar de in het van toepassing zijnde plan van aanpak opgenomen voorziening, bedoeld in. Het heronderzoek strekt zich mede uit tot de naleving van de in het van toepassing zijnde plan van aanpak opgenomen voorziening. Het college beoordeelt tevens bij het verrichten van het heronderzoek of er aanleiding bestaat de voorziening te wijzigen. 9 Indien het heronderzoek, bedoeld in het achtste lid, daartoe aanleiding geeft stelt het college een gewijzigd plan van aanpak op. 10 artikel 37, eerste lid, onderdeel e Het college vult de voorziening, bedoeld in, voor de alleenstaande ouder aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid en die niet beschikt over een startkwalificatie ten minste in met scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van betrokkene te boven gaat. 11 artikel 7.2.2., tweede lid, onder a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs Op verzoek van de alleenstaande ouder die beschikt over een startkwalificatie en aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid, vult het college de voorziening in met een opleiding, als bedoeld in, die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaat. 12 artikel 35, onderdeel c Het college verlaagt de uitkering overeenkomstig de verordening, bedoeld in, indien het college de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, heeft ingetrokken op grond van het vijfde lid, onderdeel d. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. 2014 270 15-07-2014 02-07-2014 33161 2014 271 15-07-2014 04-07-2014 01-01-2015
Artikel 38a — Artikel 38a#
Artikel 38a artikel 34, eerste lid, onderdeel a Artikel 10a, tweede tot en met zesde en achtste tot en met tiende lid, van de Participatiewet artikel 8a, eerste lid, onderdelen c en d, van die wet Het college kan ter uitvoering van, degene die uitkering op grond van deze wet ontvangt en voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten gedurende maximaal twee jaar.alsmede de regels, bedoeld in, zijn van overeenkomstige toepassing. 2016 471 07-12-2016 14-11-2016 34528 2016 472 07-12-2016 26-11-2016 08-12-2016 01-01-2015
Artikel 38b — Artikel 38b#
Artikel 38b 1 Het college kan op basis van individuele omstandigheden voor degene die inkomen uit arbeid en een uitkering ontvangt, ambtshalve een bufferbudget tot maximaal € 1.000 per kalenderjaar inzetten, indien: a. de belanghebbende als gevolg van inkomstenverrekening instabiliteit in inkomen heeft of zal hebben waardoor die persoon of het gezin gedurende een of meer maanden op maandbasis minder dan de grondslag tot zijn beschikking heeft of daar redelijkerwijs over kan beschikken; en b. het bufferbudget naar het oordeel van het college bijdraagt aan het werken in deeltijd of aan volledige arbeidsinschakeling van deze persoon. 2 Het college wendt het bufferbudget aan om betalingen aan de belanghebbende te doen, of om een onverschuldigd betaalde uitkering te vereffenen vanwege het in aanmerking nemen van inkomsten uit arbeid, voor zover dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan de stabiliteit van de inkomensvoorziening in een of meer maanden. 3 artikel 5, derde lid Bij aanwending van het bufferbudget is, van overeenkomstige toepassing. 4 Met ingang van de dag waarop het netto minimumloon, zonder de daarin begrepen aanspraak op vakantiebijslag, wijzigt, wordt het bedrag, genoemd in het eerste lid, gewijzigd met het percentage van deze wijziging. 5 Het gewijzigde bedrag en de dag waarop de wijziging ingaat, wordt door of namens Onze Minister medegedeeld in de Staatscourant. 2025 312 29-10-2025 01-10-2025 36582 2025 313 29-10-2025 27-10-2025 01-01-2027
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 Gereserveerd. 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 Wet gemeenschappelijke regelingen artikel 8 van die wet paragraaf 4 paragraaf 5 van hoofdstuk V Indien bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in dede uitvoering van deze wet volledig is overgedragen aan het bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in, treedt dat bestuur voor de toepassing van deze wet, met uitzondering vanvan dit hoofdstuk en, in de plaats van de betrokken burgemeesters en wethouders. 2009 592 30-12-2009 17-12-2009 31927 2009 593 30-12-2009 27-12-2009 01-01-2010
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 Vervallen 2009 592 30-12-2009 17-12-2009 31927 2009 593 30-12-2009 27-12-2009 01-01-2010
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 artikel 150 van de Gemeentewet Het college draagt zorg voor de realisatie en vormgeving van cliëntenparticipatie bij de uitvoering van de wet, met inachtneming van. 2007 551 21-12-2007 29-11-2007 31229 2007 552 21-12-2007 14-12-2007 01-01-2008
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 Vervallen 2003 376 10-10-2003 09-10-2003 28960 2003 386 14-10-2003 10-10-2003 01-01-2004
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 1 hoofdstuk II, paragraaf 5 Ieder is verplicht desgevraagd en bevoegd uit eigen beweging aan het college kosteloos opgaven en inlichtingen te verstrekken omtrent feiten en omstandigheden die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet ten opzichte van een persoon te wiens behoeve een uitkering is gevraagd of wordt verleend en die in zijn dienst dan wel voor hem arbeid verricht, heeft verricht of zou kunnen gaan verrichten. De verplichting strekt zich mede uit tot de inkomsten van een persoon van wie uitkeringen ingevolge, worden of kunnen worden teruggevorderd. 2 De opgaven en inlichtingen moeten desgevraagd schriftelijk, of in een andere vorm die redelijkerwijs kan worden verlangd, binnen een door het college schriftelijk te stellen termijn worden verstrekt. 3 artikel 5, eerste en vierde lid Op verzoek van het college legt de meerderjarige persoon die in dezelfde woning als de gewezen zelfstandige zijn hoofdverblijf heeft, als bedoeld in, desgevraagd alle gegevens en inlichtingen over die voor de beoordeling van de aanspraak op uitkering van belang kunnen zijn. 2014 269 15-07-2014 02-07-2014 33801 2014 271 15-07-2014 04-07-2014 01-07-2015
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 1 De hieronder vermelde instanties zijn verplicht desgevraagd aan het college kosteloos opgaven en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet: a. het college van andere gemeenten; b. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank; c. de Belastingdienst; d. artikel 6.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg Wet marktordening gezondheidszorg artikelen 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet Wet langdurige zorg het CAK, genoemd in, de Nederlandse Zorgautoriteit, bedoeld in deen de zorgverzekeraars in de zin van deof van de; e. artikel 8 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers de bedrijfstakpensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen, risicofondsen, stichtingen tot uitvoering van een regeling inzake vervroegd uittreden en andere organen belast met het doen van uitkeringen of verstrekkingen die bij of krachtensals inkomen worden aangemerkt; f. Handelsregisterwet 2007 de Kamer van Koophandel, met dien verstande dat dit, in afwijking van de aanhef van dit lid, geschiedt tegen betaling van de daarvoor op grond van devastgestelde vergoeding; g. Vreemdelingenwet 2000 de korpschef en de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee in de zin van de; h. Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Wet bevordering eigenwoningbezit de Dienst Toeslagen betreffende de toekenning van tegemoetkomingen met toepassing van deen Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties betreffende de toepassing van de; i. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; j. Onze Minister van Economische Zaken betreffende de omvang van de productiebeperkende maatregelen voor het bedrijf van de ondernemer in de agrarische sector; k. Onze Minister van Veiligheid en Justitie voor zover het betreft de persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen of de persoon die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel; l. de instanties en personen die woonruimte verhuren; m. de instanties die in het kader van de openbare nutsvoorziening energie en water leveren; n. derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de arbeidsinschakeling van personen bevorderen; o. Wet inburgering 2021 Onze Minister betreffende de toepassing van. 2 Het vragen door burgemeester en wethouders en het verstrekken door de in het eerste lid bedoelde instanties van de in het eerste lid bedoelde opgaven en inlichtingen kan geschieden door tussenkomst van het Inlichtingenbureau. 3 Griffiers van colleges, geheel of ten dele met rechtspraak belast, zijn verplicht desgevraagd aan het college kosteloos alle gegevens en uittreksels of afschriften van uitspraken, registers en andere stukken te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet. 4 De in het eerste en het derde lid bedoelde verplichtingen strekken zich mede uit tot degene: a. hoofdstuk II, paragraaf 5 van wie kosten van uitkeringen worden of kunnen worden teruggevorderd ingevolge; b. die hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, of ten aanzien van wie dat redelijkerwijs kan worden vermoed, als degene: 1°. te wiens behoeve een uitkering ingevolge deze wet is gevraagd of wordt verleend; 2°. hoofdstuk II, paragraaf 5 van wie kosten van uitkering worden of kunnen worden teruggevorderd ingevolge. 5 De in het eerste en het derde lid bedoelde opgaven en inlichtingen worden desgevraagd schriftelijk, of in een andere vorm die redelijkerwijs kan worden verlangd, en zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na ontvangst van het verzoek hiertoe, verstrekt. 6 De in het eerste lid, onderdeel a tot en met k, genoemde instanties treffen desgevraagd met het college en met het Inlichtingenbureau een regeling met betrekking tot de mededeling van wijzigingen in de eerder aan hen gevraagde opgaven en inlichtingen. 7 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het tweede lid en de inhoud en vormgeving van de in het zesde lid bedoelde regelingen. 8 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen een of meer van de in het eerste lid bedoelde instanties worden aangewezen die ten behoeve van aan het college te verstrekken opgaven en inlichtingen, de door het Inlichtingenbureau aan deze instanties verstrekte gegevens van aldaar op dat moment nog onbekende personen opslaan. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing. Bij toepassing van de eerste volzin wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald op welke wijze en gedurende welke termijn deze gegevens worden opgeslagen. 9 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere instanties en personen dan genoemd in het eerste en het derde lid worden aangewezen voor wie de verplichtingen, bedoeld in het eerste tot en met zevende lid, eveneens gelden, voorzover het betreft de verstrekking van nader bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen inlichtingen en opgaven met betrekking tot inkomen en vermogen. 10 Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het negende lid, kan tevens worden bepaald dat de daar bedoelde verplichting alleen geldt jegens ambtenaren met opsporingsbevoegdheid. 11 artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer Onze Minister van Veiligheid en Justitie verstrekt ten aanzien van de persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen of de persoon die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, onverwijld en kosteloos de beschikbare informatie en alle overige opgaven en inlichtingen, die van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, aan het college, door tussenkomst van het Inlichtingenbureau, waarbij hij gebruik kan maken van het het burgerservicenummer, bedoeld in. 12 De Belastingdienst verstrekt aan het college zonder dat daaraan een verzoek ten grondslag ligt gegevens als bedoeld in het eerste lid over samenloop van een uitkering met inkomen uit of in verband met arbeid of bedrijf, die bij de uitvoering van een belastingwet of bij de invordering van enige rijksbelasting bekend zijn geworden voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 1 Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van deze wet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt medegedeeld, verder bekend te maken dan voor de uitvoering van deze wet noodzakelijk is dan wel op grond van deze wet is voorgeschreven of toegestaan. 2 Het in het eerste lid vervatte verbod is niet van toepassing indien: a. enig wettelijk voorschrift tot bekendmaking verplicht; b. degene op wie de gegevens betrekking hebben schriftelijk heeft verklaard tegen de verstrekking van deze gegevens geen bezwaar te hebben; c. de gegevens niet herleidbaar zijn tot individuele natuurlijke personen. 3 Ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek kunnen desgevraagd gegevens aan derden worden verstrekt voor zover de persoonlijke levenssfeer van de belanghebbenden daardoor niet onevenredig wordt geschaad. 4 artikelen 44 tot en met 48 Degene die op grond van degegevens verstrekt dient na te gaan of degene aan wie de gegevens worden verstrekt redelijkerwijs bevoegd is te achten om die gegevens te verkrijgen. 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 Het college is verplicht, indien zij bij de uitvoering van deze wet het gegronde vermoeden krijgen van een misdrijf dat is gepleegd ten nadele van een uitvoeringsorgaan van de sociale verzekeringswetten of van een overheidsorgaan, voorzover dit is belast met het verrichten van uitkeringen, het doen van verstrekkingen dan wel het heffen van bijdragen, het betrokken orgaan hiervan in kennis te stellen. 2007 551 21-12-2007 29-11-2007 31229 2007 552 21-12-2007 14-12-2007 01-01-2008
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 1 artikel 107 van de Vreemdelingenwet 2000 Het college is bevoegd uit eigen beweging en verplicht desgevraagd, onverminderd, uit de administratie terzake van de uitvoering van deze wet aan de hieronder vermelde organen en derden kosteloos de gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de hierbij vermelde wetten of wettelijke regelingen: a. Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen artikelen 30, eerste lid, onderdeel a 34, eerste lid, onderdeel a, van die wet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank voor de uitvoering van deof de wettelijke regelingen, bedoeld in de, en; b. artikel 2, onderdelen a en c, van de Wet financiering sociale verzekeringen artikel 41 van de Zorgverzekeringswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen de Belastingdienst voor de heffing of invordering van enige rijksbelasting, de premies voor de sociale verzekeringen, bedoeld in, of inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld inen de Dienst Toeslagen voor de uitvoering van inkomensafhankelijke regelingen als bedoeld in de; c. Participatiewet Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers het college van andere gemeenten voor de uitvoering van deze wet, deen de; d. artikel 6.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg Wet marktordening gezondheidszorg artikel 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet Zorgverzekeringswet artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg Wet langdurige zorg het CAK, genoemd in, de Nederlandse Zorgautoriteit, bedoeld in de, de zorgverzekeraars in de zin van, voor de uitvoering van deof de Wlz-uitvoerders, bedoeld in, voor de uitvoering van de; e. derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevorderen; f. buitenlandse organen voor de vervulling van een taak van zwaarwegend algemeen belang; g. bestuursorganen van Aruba, Curaçao, en Sint Maarten voor de vervulling van een taak van zwaarwegend algemeen belang; h. Wet inburgering 2021 Onze Minister voor de uitvoering van; i. Onze Minister van Veiligheid en Justitie in verband met de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen. 2 Het verstrekken door burgemeester en wethouders aan de in het eerste lid bedoelde instanties van de in het eerste lid bedoelde gegevens kan geschieden door tussenkomst van het Inlichtingenbureau. 3 De in het eerste lid bedoelde gegevensverstrekking vindt niet plaats indien de persoonlijke levenssfeer van de belanghebbenden daardoor onevenredig wordt geschaad. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de gevallen waarin en de wijze waarop in ieder geval gegevens dienen te worden verstrekt. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 1 artikelen 45 48 Bij de verstrekking van gegevens door het college, het Inlichtingenbureau en de in deenbedoelde instanties wordt, indien daartoe bevoegd, gebruik gemaakt van het burgerservicenummer. 2 artikel 34, eerste lid, onderdeel a Derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevorderen, maken gebruik van het burgerservicenummer voor zover dat noodzakelijk is voor het verrichten van werkzaamheden die in het kader van een voorziening als bedoeld in, worden uitgevoerd. 2013 316 26-07-2013 10-07-2013 33555 2013 494 09-12-2013 28-11-2013 06-01-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet basisregistratie
personen in werking treedt.
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 Vervallen 2009 108 12-03-2009 05-02-2009 30907 2009 135 24-03-2009 10-03-2009 25-03-2009
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 Vervallen 1999 564 23-12-1999 15-12-1999 26722 1999 564 23-12-1999 15-12-1999 26722 01-01-2000
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 1 Onze Minister kan, indien hij met betrekking tot de rechtmatige uitvoering van deze wet ernstige tekortkomingen vaststelt, aan het college, nadat het college gedurende acht weken in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, een aanwijzing geven. Hij treedt daarbij niet in de besluitvorming inzake individuele gevallen. 2 In de aanwijzing wordt een termijn opgenomen waarbinnen het college de uitvoering in overeenstemming heeft gebracht met de aanwijzing. 2011 442 18-10-2011 06-07-2011 32453 2012 449 09-10-2012 25-09-2012 01-01-2013
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van het college aangewezen ambtenaren. 2011 442 18-10-2011 06-07-2011 32453 2012 449 09-10-2012 25-09-2012 01-01-2013
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 1 Het college dient jaarlijks bij Onze Minister een beeld van de uitvoering in. 2 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inzake het beeld van de uitvoering. 2009 592 30-12-2009 17-12-2009 31927 2009 593 30-12-2009 27-12-2009 01-01-2010
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 1 Het college verstrekt desgevraagd aan Onze Minister gegevens en inlichtingen die hij voor de statistiek, informatievoorziening en beleidsvorming met betrekking tot deze wet nodig heeft. 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de soort informatie die het college verstrekt en de wijze waarop het college de gegevens en inlichtingen verzamelt en verstrekt, waarbij kan worden bepaald, dat categorieën van gemeenten bepaalde inlichtingen niet hoeven te verzamelen en te verstrekken. 3 artikel 54 De gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, en het beeld van de uitvoering, bedoeld in, worden kosteloos verstrekt. 2011 442 18-10-2011 06-07-2011 32453 2012 449 09-10-2012 25-09-2012 01-01-2013
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 Vervallen 2009 592 30-12-2009 17-12-2009 31927 2009 593 30-12-2009 27-12-2009 01-01-2010
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 Vervallen 2009 592 30-12-2009 17-12-2009 31927 2009 593 30-12-2009 27-12-2009 01-01-2010
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 Vervallen 2009 592 30-12-2009 17-12-2009 31927 2009 593 30-12-2009 27-12-2009 01-01-2010
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 Vervallen 2009 592 30-12-2009 17-12-2009 31927 2009 593 30-12-2009 27-12-2009 01-01-2010
Artikel 59a — Artikel 59a#
Artikel 59a Vervallen 2009 592 30-12-2009 17-12-2009 31927 2009 593 30-12-2009 27-12-2009 01-01-2010
Artikel 59b — Artikel 59b#
Artikel 59b Vervallen 2009 592 30-12-2009 17-12-2009 31927 2009 593 30-12-2009 27-12-2009 01-01-2010
Artikel 59c — Artikel 59c#
Artikel 59c Vervallen 2009 592 30-12-2009 17-12-2009 31927 2009 593 30-12-2009 27-12-2009 01-01-2010
Artikel 59d — Artikel 59d#
Artikel 59d Vervallen 2009 592 30-12-2009 17-12-2009 31927 2009 593 30-12-2009 27-12-2009 01-01-2010
Artikel 59e — Artikel 59e#
Artikel 59e Vervallen 2009 592 30-12-2009 17-12-2009 31927 2009 593 30-12-2009 27-12-2009 01-01-2010
Artikel 59f — Artikel 59f#
Artikel 59f Vervallen 2009 592 30-12-2009 17-12-2009 31927 2009 593 30-12-2009 27-12-2009 01-01-2010
Artikel 59g — Artikel 59g#
Artikel 59g Vervallen 2009 592 30-12-2009 17-12-2009 31927 2009 593 30-12-2009 27-12-2009 01-01-2010
Artikel 59h — Artikel 59h#
Artikel 59h Vervallen 2009 592 30-12-2009 17-12-2009 31927 2009 593 30-12-2009 27-12-2009 01-01-2010
Artikel 59i — Artikel 59i#
Artikel 59i Vervallen 2014 504 16-12-2014 26-11-2014 33988 2014 516 18-12-2014 10-12-2014 01-01-2015
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht Voor de toepassing van, wordt met een besluit gelijkgesteld het nalaten van een handeling die strekt tot uitvoering van het besluit inzake de verlening of terugvordering van de uitkering of het verrichten van een handeling die afwijkt van dat besluit. 2013 226 28-06-2013 19-06-2013 33455 2013 258 28-06-2013 25-06-2013 01-07-2013
Artikel 60a — Artikel 60a#
Artikel 60a Vervallen 2009 592 30-12-2009 17-12-2009 31927 2009 593 30-12-2009 27-12-2009 01-01-2010
Artikel 60b — Artikel 60b#
Artikel 60b 1 artikel 3, tweede tot en met zesde lid Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van, en de daarop berustende bepalingen. 2 Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen de uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof. 1997 789 30-12-1997 24-12-1997 25641 1997 789 30-12-1997 24-12-1997 25641 02-01-1998
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 Paragraaf 3 van Hoofdstuk V artikel 59c artikel 59e blijft van toepassing op de vaststelling van de vergoeding, uitkering en kosten, bedoeld inen, zoals deze artikelen luidden voor inwerkingtreding van de Wet van 17 december 2009 tot bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (Stb. 592), voor kosten die betrekking hebben op kalenderjaren gelegen voor die van inwerkingtreding van die wet. 2009 592 30-12-2009 17-12-2009 31927 2009 593 30-12-2009 27-12-2009 01-01-2010
Artikel 62 — Artikel 62#
Artikel 62 Vervallen 2000 40 01-02-2000 20-01-2000 23993 2000 237 13-06-2000 31-05-2000 01-07-2000
Artikel 62a — Artikel 62a#
Artikel 62a Het recht tot strafvordering vervalt indien het college aan de belanghebbende ter zake van hetzelfde feit reeds een bestuurlijke boete heeft opgelegd. 2007 551 21-12-2007 29-11-2007 31229 2007 552 21-12-2007 14-12-2007 01-01-2008
Artikel 63 — Artikel 63#
Artikel 63 1 artikel 1.10, onderdeel C, van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen artikel 2, eerste lid, onderdeel b Onverminderd het derde lid wordt tot een bij ministeriële regeling bepaald tijdstip, dat voor verschillende groepen personen verschillend kan worden vastgesteld, onder gewezen zelfstandige in deze wet en de daarop berustende bepalingen mede verstaan: de persoon die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding vanop grond van, zoals dat luidde op die dag, werd aangemerkt als gewezen zelfstandige. 2 artikel 1.10, onderdeel C, van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen artikel 3 van de Toeslagenwet artikel 2, eerste lid, onderdeel b Onder gewezen zelfstandige in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan: de persoon die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding vanwerd aangemerkt als gewezen zelfstandige op grond van, en die op grond vangeen recht heeft op grond van die wet. 3 Artikel 7 artikel 1.18, onderdeel A, van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is niet van toepassing op de persoon die als gevolg van de inwerkingtreding vangeen gewezen zelfstandige is en de echtgenoot van die persoon. 4 artikelen 2 5, derde lid 5a 6 8, derde lid Op de persoon die op grond van het eerste of tweede lid als gewezen zelfstandige wordt aangemerkt en zijn echtgenoot blijven de,,,, en, en de daarop berustende bepalingen zoals deze luidden op 28 december 2005 van toepassing. 2006 703 22-12-2006 30-11-2006 30682 2006 704 22-12-2006 15-12-2006 23-12-2006 29-12-2005
Artikel 63a — Artikel 63a#
Artikel 63a artikelen 3, zevende en achtste lid 4, tweede lid artikel 5 De, en, zijn niet van toepassing, indien voor de inwerkingtreding van deze artikelleden, op grond vanrecht bestaat op een uitkering voor de zelfstandige en de echtgenoot, omdat de ongehuwde uitkeringsgerechtigde wegens een gezamenlijke huishouding met een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind is aangemerkt als echtgenoot, voor zolang dit recht op uitkering bestaat, tenzij toepassing van de genoemde artikelleden leidt tot een hogere uitkering. 2009 596 30-12-2009 17-12-2009 32037 2009 623 30-12-2009 23-12-2009 01-01-2010
Artikel 63b — Artikel 63b#
Artikel 63b Vervallen 2014 269 15-07-2014 02-07-2014 33801 2014 269 15-07-2014 02-07-2014 33801 01-01-2019
Artikel 63d — Artikel 63d#
Artikel 63d artikelen 4a, eerste lid, onderdeel c 38 Wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden De, en, zoals deze luidden op de dag voor de inwerkingtreding van de, blijven van toepassing op de alleenstaande ouder die op de dag voor inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden een ontheffing heeft op grond van artikel 38, gedurende de duur van de ontheffing, doch ten hoogste gedurende zes maanden na inwerkingtreding van die wet. 2011 650 29-12-2011 22-12-2011 32815 2011 651 29-12-2011 22-12-2011 01-01-2012
Artikel 63e — Artikel 63e#
Artikel 63e Artikel 8, derde lid artikel V van de Wet vrijlating lijfrenteopbouw en inkomsten uit arbeid en bevordering vrijwillige voortzetting pensioenopbouw , zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van, blijft van toepassing op de persoon op wie de vrijlating van inkomsten uit arbeid, bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen van toepassing was voorafgaand aan de dag gelegen zes maanden voor inwerkingtreding van artikel V van de Wet vrijlating lijfrenteopbouw en inkomsten uit arbeid en bevordering vrijwillige voortzetting pensioenopbouw, tot zijn recht op uitkering op grond van deze wet waarin die vrijlating van toepassing was, eindigt. 2015 451 02-12-2015 21-11-2015 34227 2015 479 11-12-2015 04-12-2015 01-04-2016
Artikel 64 — Artikel 64#
Artikel 64 1 In het belang van een goede uitvoering van het bij en krachtens deze wet bepaalde kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld. 2 Onze Minister kan, wanneer hij overweegt een voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur te doen en naar zijn oordeel een gewichtige reden een onmiddellijke voorziening eist, overeenkomstig de in overweging zijnde maatregel regels stellen. 3 De regeling, bedoeld in het tweede lid, blijft, behoudens eerdere intrekking, van kracht totdat de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur in werking treedt, doch uiterlijk tot 12 maanden na de dag van inwerkingtreding. 1994 206 18-04-1994 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 64a — Artikel 64a#
Artikel 64a Vervallen 1999 564 23-12-1999 15-12-1999 26722 1999 564 23-12-1999 15-12-1999 26722 24-12-1999
Artikel 65 — Artikel 65#
Artikel 65 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 66 — Artikel 66#
Artikel 66 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 67 — Artikel 67#
Artikel 67 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1995 206 20-04-1995 18-04-1995 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 68 — Artikel 68#
Artikel 68 Deze wet treedt in werking met ingang van 1 juli 1987. 1994 206 18-04-1994 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996
Artikel 69 — Artikel 69#
Artikel 69 Deze wet kan worden aangehaald als Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. 1994 206 18-04-1994 1995 201 13-04-1995 12-04-1995 01-01-1996