Wet van 7 juli 1988, houdende algemene regeling met betrekking tot het scheepvaartverkeer op de binnenwateren en op zee
- BWB-id
- BWBR0004364
- Type
- Wet
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2025-07-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0004364
- ELI
- /eli/nl/wet/1988/scheepvaartverkeerswet
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1988/scheepvaartverkeerswet/2025-07-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0004364&g=2025-07-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0004364&z=2026-06-06&g=2025-07-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0004364/2025-07-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1988/scheepvaartverkeerswet
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij daarin anders is bepaald, verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; b. schip: elk vaartuig, met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, dat feitelijk wordt gebruikt of geschikt is om te worden gebruikt als middel tot verplaatsing te water; c. scheepvaartverkeer: verkeer van schepen en andere vaartuigen; d. scheepvaartwegen: voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaande binnenwateren en de Nederlandse territoriale zee, daaronder begrepen de daarin aanwezige waterstaatswerken; e. het voeren van een schip of ander vaartuig: het feitelijk de leiding hebben over een schip of ander vaartuig wat het deelnemen daarvan aan het scheepvaartverkeer betreft; f. verkeersdeelnemer: degene die een schip of ander vaartuig voert; g. verkeersteken: een in, naast of boven een scheepvaartweg aangebracht voorwerp of aangebrachte combinatie van voorwerpen waarmee aan het scheepvaartverkeer wordt gegeven: 1°. een inlichting over de toestand van een bepaalde plaats in of een bepaald gedeelte van een scheepvaartweg, of 2°. een inlichting, aanbeveling, gebod of verbod onderscheidenlijk opheffing van een gebod of verbod voor het verkeersgedrag op een bepaalde plaats in of een bepaald gedeelte van een scheepvaartweg; h. bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken: een schriftelijke mededeling aan het scheepvaartverkeer waarmee aan dat verkeer wordt gegeven: 1°. een inlichting over de toestand van een bepaalde plaats in of een bepaald gedeelte van een scheepvaartweg, of 2°. een inlichting, aanbeveling, gebod of verbod onderscheidenlijk opheffing van een gebod of verbod voor het verkeersgedrag op een bepaalde plaats in of een bepaald gedeelte van een scheepvaartweg; i. verkeersbegeleiding: het door middel van een samenstel van personele en infrastructurele voorzieningen op stelselmatige en interactieve wijze bewerkstelligen en onderhouden van een veilig en vlot scheepvaartverkeer; j. verkeersinformatie: een door een daartoe bevoegd persoon gegeven inlichting aan een of meerdere verkeersdeelnemers dan wel aan anderen met betrekking tot een scheepvaartweg of een gedeelte daarvan dan wel het scheepvaartverkeer of afzonderlijke schepen daarop, waarbij deze inlichting mede kan bestaan uit vaarweginformatie en tactische verkeersinformatie; k. Scheldereglement: het reglement ter uitvoering van artikel IX van het Tractaat van 19 april 1839, en van Hoofdstuk II, afdelingen 1 en 2, van het Tractaat van 5 november 1842 betreffende het loodswezen en het gemeenschappelijk toezicht (Trb. 1995, 48) zoals deze sedertdien is gewijzigd; l. verkeersaanwijzing: een door een daartoe bevoegd persoon aan een of meerdere verkeersdeelnemers gegeven gebod om een bepaald resultaat in het verkeersgedrag te bewerkstelligen of opgelegd verbod van een bepaald resultaat in het verkeersgedrag; m. Trb. Herziene Rijnvaartakte: de op 17 oktober 1868 te Mannheim tot stand gekomen Herziene Rijnvaartakte, met bijlagen en slotprotocol, (1955, 161), zoals deze sedertdien is gewijzigd; n. Nederlandse zeeschepen: zeeschepen die op grond van voor Nederland geldende rechtsregels gerechtigd zijn de vlag van het Koninkrijk te voeren; o. verwerken van persoonsgegevens, onderscheidenlijk verwerkingsverantwoordelijke: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 4, onderdelen 1, 2 en 7, van de Algemene verordening gegevensbescherming; p. River Information Services: de geharmoniseerde informatiediensten ter ondersteuning van het verkeers- en vervoersmanagement voor de binnenvaart, met inbegrip van de technisch haalbare koppelingen met andere vervoerswijzen dan wel met commerciële activiteiten, niet zijnde interne commerciële activiteiten tussen betrokken bedrijven; q. vaarweginformatie: geografische, hydrologische en administratieve informatie over de scheepvaartweg; r. tactische verkeersinformatie: informatie waarop onmiddellijke navigatiebeslissingen in de actuele verkeerssituatie en de nabije geografische omgeving zijn gebaseerd; s. verdrag inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer: het op 21 december 2005 te Middelburg totstandgekomen verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer in het Scheldegebied (Trb. 2005, 312); t. vaarbewijs: document ten bewijze van de bevoegdheid om op de Nederlandse binnenwateren een schip te voeren, waaronder begrepen een daarmee vergelijkbaar document dat is afgegeven door een buitenlandse autoriteit; u. snelle motorboot: schip dat een lengte heeft van minder dan 20 meter en dat bij gebruikmaking van zijn mechanische middelen tot voortbeweging, sneller dan 20 km per uur ten opzichte van het water kan varen; v. artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt de Autoriteit Consument en Markt: de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in. 2 artikelen 10 tot en met 13 15 tot en met 16a 27 tot en met 29 35 In de,,envan deze wet en in de op deze wet berustende bepalingen wordt, tenzij daarin anders is bepaald, verstaan onder: a. kapitein: degene die is belast met het gezag over een zeeschip; b. loods: degene die bij of krachtens de wet of verdrag bevoegd is verklaard als loods op te treden; c. zeeschip: een schip dat blijkens zijn constructie uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor de vaart ter zee. 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen zaken die geen schip zijn, onderscheidenlijk schepen die geen zeeschepen zijn, voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen met een schip onderscheidenlijk een zeeschip worden gelijkgesteld, dan wel deze wet en de daarop berustende bepalingen niet van toepassing worden verklaard op zaken die een schip zijn, onderscheidenlijk schepen die een zeeschip zijn. 4 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder het beheer van een scheepvaartweg verstaan het waterstaatkundig beheer daarvan dan wel, in afwijking hiervan, het vaarwegbeheer van die scheepvaartweg indien het laatstbedoelde beheer afzonderlijk bij een openbaar lichaam berust. 5 In deze wet wordt, tenzij daarin anders is bepaald, mede verstaan onder: a. schip: een samenstel van schepen of van een of meer schepen met een of meer andere vaartuigen, waarvan ten minste één schip deel uitmaakt dat ter voortbeweging gebruik maakt van zijn motor en dat dient voor het voortbewegen of het sturen van het samenstel; b. zeeschip: een samenstel van zeeschepen of van een of meer zeeschepen met een of meer andere schepen of andere vaartuigen, waarvan ten minste één schip deel uitmaakt dat ter voortbeweging gebruik maakt van een of meer van zijn motoren en dat dient voor het voortbewegen of sturen van het samenstel. 2023 156 10-05-2023 08-06-2022 34836 2025 134 15-05-2025 06-05-2025 01-07-2025
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen is dan wel zijn, tenzij daarin anders is bepaald, het bevoegd gezag: a. indien het betreft een scheepvaartweg in beheer bij 1°. het Rijk: Onze Minister; 2°. een provincie: gedeputeerde staten; 3°. een gemeente: burgemeester en wethouders; 4°. artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen een openbaar lichaam als bedoeld in: het dagelijks bestuur. b. indien het betreft een scheepvaartweg die niet in beheer is bij enig openbaar lichaam: burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de scheepvaartweg is gelegen. 2 In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, 1°, zijn burgemeester en wethouders van een gemeente het bevoegd gezag met betrekking tot het gedeelte van de Nederlandse territoriale zee dat binnen het gebied van de gemeente is gelegen. Het in de vorige volzin bepaalde lijdt uitzondering indien dit gedeelte van de Nederlandse territoriale zee of een deel daarvan a. van belang is voor het doorgaande scheepvaartverkeer dan wel het scheepvaartverkeer van of naar een Nederlandse haven of ander Nederlands binnenwater en als zodanig door Onze Minister is aangewezen bij een in de Staatscourant bekend te maken besluit, of b. door Onze Minister van Defensie als militair oefengebied is aangewezen bij een in de Staatscourant bekend te maken besluit. 3 Ten aanzien van een scheepvaartweg in beheer bij een waterschap bepalen provinciale staten wie het bevoegd gezag is. Zij wijzen als zodanig aan het dagelijks bestuur van het waterschap voor zover dit verenigbaar is met de in het reglement aan het waterschap ter behartiging opgedragen taken, en in andere gevallen burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de scheepvaartweg is gelegen of gedeputeerde staten. 4 In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, 3°, en onderdeel b, en van het derde lid kunnen provinciale staten ten aanzien van een scheepvaartweg als bedoeld in die bepalingen in het belang van de eenheid van de ordening van het doorgaande scheepvaartverkeer op die scheepvaartweg gedeputeerde staten als bevoegd gezag aanwijzen. 5 Onze Minister kan voor een scheepvaartweg in beheer bij het Rijk een van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde organen van een openbaar lichaam als bevoegd gezag aanwijzen. Aan een dergelijke aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden. 1999 30 16-02-1999 28-01-1999 25836 1999 40 16-02-1999 04-02-1999 25836 17-02-1999
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 artikelen 4 10, vierde lid 11 12 Toepassing van de,,enkan, behoudens het bepaalde in het tweede lid, slechts geschieden in het belang van: a. het verzekeren van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer; b. het instandhouden van scheepvaartwegen en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan; c. het voorkomen of beperken van schade door het scheepvaartverkeer aan de waterhuishouding, oevers en waterkeringen, of werken gelegen in of over scheepvaartwegen; d. het voorkomen of beperken van externe veiligheidsrisico’s in verband met schepen; e. het voorkomen of beperken van verontreiniging door schepen. 2 artikel 4 Toepassing vanten behoeve van een in het eerste lid genoemd belang kan mede geschieden in het belang van het voorkomen of beperken van: a. hinder of gevaar door het scheepvaartverkeer voor personen die zich anders dan op een schip te water bevinden; b. schade door het scheepvaartverkeer aan de landschappelijke of natuurwetenschappelijke waarden van een gebied waarin scheepvaartwegen zijn gelegen. 2020 79 04-03-2020 05-02-2020 35248 2020 378 14-10-2020 24-09-2020 01-01-2021 Treedt voor de zeehavengebieden, genoemd in artikel 2, eerste lid,
onderdelen a tot en met e, in werking op 1 januari 2021. Treedt voor
het zeehavengebied Scheldemonden, voor zover hoofdstuk III van het
Scheldereglement daarop niet van toepassing is, in werking op een
bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip (Stb. 2020/378).
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot: a. het deelnemen aan het scheepvaartverkeer op scheepvaartwegen; b. verkeerstekens; c. bekendmakingen met dezelfde strekking als een verkeersteken; d. verkeersaanwijzingen; e. het ontvangen, bewaren en verstrekken van gegevens met betrekking tot de scheepvaart door het bevoegd gezag en door organisaties en personen die niet deelnemen aan het scheepvaartverkeer. 2 De in het eerste lid, onder a, bedoelde regels kunnen slechts inhouden: a. verplichtingen met betrekking tot: 1° het varen en het ligplaats nemen met schepen en andere vaartuigen; 2° het tonen van optische tekens door schepen en andere vaartuigen; 3° het geven van geluidsseinen door schepen; 4° de aanwezigheid en het gebruik van bepaalde navigatiemiddelen aan boord van schepen; 5° de aanwezigheid en het gebruik van bepaalde communicatiemiddelen aan boord van schepen; 6° het aanbrengen van kentekens op schepen; b. andere verplichtingen van verkeersdeelnemers of andere personen aan boord van schepen en andere vaartuigen met betrekking tot het deelnemen aan het scheepvaartverkeer; c. verplichtingen van andere personen dan die genoemd in onderdeel b, met betrekking tot het deelnemen aan het scheepvaartverkeer. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor daarin aangewezen scheepvaartwegen in afwijking van of in aanvulling op de krachtens het eerste lid, onder a, te stellen regels andere regels met betrekking tot het deelnemen aan het scheepvaartverkeer worden gesteld. Daarin kunnen aan degenen die een schip voeren, naast verplichtingen met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde onderwerpen, verplichtingen worden opgelegd, die al dan niet gericht zijn op het deelnemen aan verkeersbegeleiding en onder andere betrekking hebben op het melden van aankomst, vertrek of positie van een schip, alsmede van gegevens met betrekking tot het schip, de daarmee vervoerde lading, de opvarenden of de uit te voeren reis. 4 Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de apparatuur en de softwaretoepassingen die ten behoeve van River Information Services worden gebruikt door het bevoegd gezag en organisaties en personen die niet deelnemen aan het scheepvaartverkeer. 2019 223 24-06-2019 05-06-2019 35121 2019 281 23-08-2019 18-07-2019 21-12-2019
Artikel 4a — Artikel 4a#
Artikel 4a 1 artikel 4, eerste lid, onderdeel e Ter uitvoering van, en artikel 4, derde lid, worden persoonsgegevens verwerkt. De verwerking van deze gegevens vindt plaats ter verzekering van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer en ter uitvoering van verdragen of bindende EU-rechtshandelingen alleen of gezamenlijk. Het bevoegd gezag en de organisatie of persoon die niet deelneemt aan het scheepvaartverkeer die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is aangewezen, is verwerkingsverantwoordelijke. 2 De verwerking van gegevens bedoeld in het eerste lid kan tevens de verwerking van gegevens over gezondheid als bedoeld in artikel 4, onderdeel 15, van de Algemene verordening gegevensbescherming bevatten. Deze verwerking vindt plaats teneinde de veiligheid en reddingkansen te verhogen van opvarenden aan boord van passagiersschepen. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de bescherming van de persoonsgegevens bedoeld in het eerste en tweede lid. 4 artikel 4, tweede lid, onderdeel b paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming Ter uitvoering van, worden gegevens over gezondheid als bedoeld in artikel 4, onderdeel 15, van de Algemene verordening gegevensbescherming en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld inverwerkt. De verwerking van deze gegevens vindt plaats teneinde te kunnen beoordelen of de aanvragers van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen Rijnpatenten voldoen of niet meer voldoen aan de wettelijke vereisten voor de verlening van deze patenten. De bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen bevoegde autoriteit is verwerkingsverantwoordelijke. 2019 223 24-06-2019 05-06-2019 35121 2019 281 23-08-2019 18-07-2019 21-12-2019
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 Beslissingen met betrekking tot het aanbrengen of verwijderen van een verkeersteken worden genomen door het bevoegd gezag. Dit gezag draagt zorg voor het aanbrengen of verwijderen van verkeerstekens. 2 Het bevoegd gezag kan van de bevoegdheid tot het nemen van beslissingen als bedoeld in het eerste lid machtiging verlenen aan degene die is belast met de uitoefening van de bij of krachtens deze wet verleende bevoegdheden ten aanzien van de deelname aan het scheepvaartverkeer op de desbetreffende scheepvaartweg. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 Een verkeersteken dat een gebod of verbod dan wel de opheffing van een gebod of verbod aangeeft, wordt, behoudens in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven bijzondere omstandigheden, niet aangebracht of verwijderd dan nadat het desbetreffende besluit door de zorg van het bevoegd gezag is bekendgemaakt. 2 Een belanghebbende kan tegen een besluit als bedoeld in het eerste lid beroep instellen bij de rechtbank. 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld inzake de totstandkoming van besluiten als bedoeld in het eerste lid en de wijze van bekendmaking daarvan. 1993 650 30-12-1993 16-12-1993 22495 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 Van een gebod of verbod, aangegeven met een verkeersteken, kan door het bevoegd gezag, zonodig onder beperkingen, vrijstelling of ontheffing worden verleend. Aan een besluit tot vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. 2 Bij de toepassing van het eerste lid wordt rekening gehouden met het belang of de belangen, ten dienste waarvan het desbetreffende gebod of verbod is gesteld. 3 Een besluit met betrekking tot een vrijstelling of een kennisgeving van een besluit met betrekking tot een ontheffing wordt door de zorg van het bevoegd gezag bekendgemaakt. 4 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld inzake de totstandkoming van besluiten met betrekking tot een vrijstelling of een ontheffing en de wijze van bekendmaking als bedoeld in het derde lid. 5 Het bevoegd gezag kan van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, mandaat verlenen aan degene die is belast met de uitoefening van de bij of krachtens deze wet verleende bevoegdheden ten aanzien van de deelname aan het scheepvaartverkeer op de desbetreffende scheepvaartweg. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 artikelen 5 tot en met 7 Dezijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot bekendmakingen met dezelfde strekking als een verkeersteken. 1988 352 28-07-1988 07-07-1988 20289 1988 389 11-08-1988 20289 01-09-1988
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke personen bevoegd zijn tot het geven van verkeersinformatie dan wel tot het geven van verkeersaanwijzingen. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de eisen waaraan in het eerste lid bedoelde personen wat opleiding, kundigheid en ervaring betreft moeten voldoen voor de uitvoering van de in dat lid genoemde taken. 3 Indien krachtens de in het tweede lid bedoelde maatregel regels worden gesteld voor ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, worden die regels gesteld in overeenstemming met Onze Minister van Veiligheid en Justitie. 2012 316 16-07-2012 12-07-2012 32822 2012 317 16-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 De kapitein van een zeeschip maakt tijdens de vaart op de scheepvaartwegen die deel uitmaken van een zeehavengebied, gebruik van de diensten van een loods. 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder zeehavengebied verstaan de scheepvaartwegen die deel uitmaken van een zeehaven, die de aanloop daarnaar vormen of de verbinding vormen tussen zeehavens. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de in het eerste lid bedoelde zeehavengebieden en scheepvaartwegen nader aangeduid. 4 Onverminderd het eerste lid maakt de kapitein van een zeeschip in ieder geval in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen omstandigheden, ook op andere daarvoor aangewezen scheepvaartwegen gebruik van de diensten van een loods. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt het gezag aangewezen dat op een in die maatregel aan te geven wijze belast wordt met de uitvoering van deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen. 2020 79 04-03-2020 05-02-2020 35248 2020 378 14-10-2020 24-09-2020 01-01-2021 Treedt voor de zeehavengebieden, genoemd in artikel 2, eerste lid,
onderdelen a tot en met e, in werking op 1 januari 2021. Treedt voor
het zeehavengebied Scheldemonden, voor zover hoofdstuk III van het
Scheldereglement daarop niet van toepassing is, in werking op een
bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip (Stb. 2020/378).
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 artikel 10, eerste lid Van de verplichting, bedoeld in, kan ten aanzien van een of meerdere aangewezen scheepvaartwegen in een zeehavengebied bij of krachtens algemene maatregel van bestuur: a. aan de kapitein van een zeeschip behorend tot een bepaalde categorie zeeschepen vrijstelling worden verleend; b. aan de kapitein vrijstelling, respectievelijk ontheffing, worden verleend voor een zeeschip indien de kapitein of eerste stuurman tijdens de vaart op de betreffende scheepvaartweg, voldoet aan de bij of krachtens die maatregel gestelde eisen wat betreft opleiding, kundigheid en ervaring of aan andere bij of krachtens die maatregel vastgestelde eisen; c. worden bepaald dat bij wijze van experiment, onder bij of krachtens die maatregel te bepalen voorwaarden, van de onderdelen a en b, kan worden afgeweken, om te onderzoeken of er mogelijkheden zijn om in andere gevallen dan bij of krachtens die onderdelen is bepaald, vrijstelling of ontheffing te verlenen. 2 Onverminderd het eerste lid kunnen personen die op grond van het eerste lid zijn vrijgesteld of ontheven van de verplichting gebruik te maken van de diensten van een loods, in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen, niettemin worden verplicht van de diensten van een loods gebruik te maken. 3 Bij de behandeling van een aanvraag voor het verlenen van een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in het eerste lid, de periodieke controle daarop en de intrekking daarvan kunnen persoonsgegevens worden verwerkt. De verwerking vindt plaats om te kunnen beoordelen of aan de wettelijke vereisten voor de afgifte van een ontheffing en de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen wordt voldaan. Het gezag dat bevoegd is de ontheffing te verlenen, is verantwoordelijk voor deze verwerking. 4 Aan een besluit tot vrijstelling, respectievelijk ontheffing, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. 2020 79 04-03-2020 05-02-2020 35248 2020 378 14-10-2020 24-09-2020 01-01-2021 Treedt voor de zeehavengebieden, genoemd in artikel 2, eerste lid,
onderdelen a tot en met e, in werking op 1 januari 2021. Treedt voor
het zeehavengebied Scheldemonden, voor zover hoofdstuk III van het
Scheldereglement daarop niet van toepassing is, in werking op een
bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip (Stb. 2020/378).
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voor kapiteins regels gesteld over operationele zaken betreffende het loodsen, waaronder het gelijktijdig gebruik van de diensten van meer dan één loods en het gebruik maken van de diensten van een loods vanaf de wal of vanaf een ander schip. 2020 79 04-03-2020 05-02-2020 35248 2020 378 14-10-2020 24-09-2020 01-01-2021 Treedt voor de zeehavengebieden, genoemd in artikel 2, eerste lid,
onderdelen a tot en met e, in werking op 1 januari 2021. Treedt voor
het zeehavengebied Scheldemonden, voor zover hoofdstuk III van het
Scheldereglement daarop niet van toepassing is, in werking op een
bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip (Stb. 2020/378).
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 Het bepaalde in deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een schip dat geen zeeschip is en degene die daarover de leiding heeft, indien dit schip zich op zee bevindt. 1988 352 28-07-1988 07-07-1988 20289 1988 389 11-08-1988 20289 01-09-1988
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 Indien het door het bevoegd gezag redelijkerwijze nodig wordt geoordeeld om verkeerstekens voor het scheepvaartverkeer dat zich op een scheepvaartweg bevindt, aan te brengen of te verwijderen in verband met door een ander in, op of boven die scheepvaartweg te ondernemen activiteiten welke niet behoren tot het normale verkeersgebruik van die scheepvaartweg, kan die ander door het bevoegd gezag worden verplicht de kosten te vergoeden die het heeft gemaakt voor het aanbrengen of verwijderen van die verkeerstekens. 2 Indien het door het bevoegd gezag redelijkerwijze nodig wordt geoordeeld om schepen op een scheepvaartweg te volgen, daaraan verkeersinformatie te geven dan wel deze te begeleiden met een schip in verband met door een ander in, op of boven die scheepvaartweg te ondernemen activiteiten welke niet behoren tot het normale verkeersgebruik van die scheepvaartweg, kan die ander door het bevoegd gezag worden verplicht de kosten te vergoeden, die het heeft gemaakt voor die maatregelen. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 14a — Artikel 14a#
Artikel 14a 1 De kosten verbonden aan de aanvraag en de afgifte van diploma’s en van vrijstellingen, respectievelijk ontheffingen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b de deelname aan de daarvoor vereiste opleidingen en examens en de afgifte van andere documenten, verplicht gesteld bij of krachtens deze wet, kunnen ten laste worden gebracht van de aanvrager van het diploma of andere document, onderscheidenlijk de kandidaat voor de bedoelde examens. 2 artikel 13 van de Loodsenwet hoofdstuk VIA van de Loodsenwet artikel 11, eerste lid, onderdeel b De tarieven voor de kosten verbonden aan de deelname aan de opleidingen en de examens die door de regionale loodsencorporaties op grond van, worden verzorgd in het kader van het verlenen van een vrijstelling of ontheffing, bedoeld in, worden vastgesteld bij besluit van de Autoriteit Consument en Markt overeenkomstigen de daarop gebaseerde bepalingen. 2020 79 04-03-2020 05-02-2020 35248 2020 378 14-10-2020 24-09-2020 01-01-2021 Treedt voor de zeehavengebieden, genoemd in artikel 2, eerste lid,
onderdelen a tot en met e, in werking op 1 januari 2021. Treedt voor
het zeehavengebied Scheldemonden, voor zover hoofdstuk III van het
Scheldereglement daarop niet van toepassing is, in werking op een
bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip (Stb. 2020/378).
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 De kapitein die gebruik maakt van de diensten van een loods, dan wel de eigenaar of rompbevrachter van het schip waarvoor gebruik wordt gemaakt van de diensten van een loods, is gehouden loodsgeld te betalen. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op de kapitein of gezagvoerder van een Scheldevaarder als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Scheldereglement. 3 Degene die gehouden is loodsgeld te betalen, kan door de organisatie waaraan het loodsgeld is verschuldigd, worden verplicht tot het stellen van zekerheid met betrekking tot de voldoening van het loodsgeld en tot het verschaffen van de in verband met de bepaling van het toepasselijke tarief benodigde informatie. 2020 79 04-03-2020 05-02-2020 35248 2020 378 14-10-2020 24-09-2020 01-01-2021 Treedt voor de zeehavengebieden, genoemd in artikel 2, eerste lid,
onderdelen a tot en met e, in werking op 1 januari 2021. Treedt voor
het zeehavengebied Scheldemonden, voor zover hoofdstuk III van het
Scheldereglement daarop niet van toepassing is, in werking op een
bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip (Stb. 2020/378).
Artikel 15a — Artikel 15a#
Artikel 15a 1 Het loodsgeld strekt tot vergoeding van de kosten met betrekking tot het loodsen. 2 Staatscourant artikel 26 Loodsenwet Het loodsgeld is verschuldigd aan de door de algemene raad van de Nederlandse loodsencorporatie aan te wijzen organisatie. Deze aanwijzing wordt bekend gemaakt in de. Aan die aanwijzing worden met inachtneming vanvoorschriften verbonden omtrent de aanwending van het loodsgeld door de aangewezen organisatie en kunnen, eveneens met inachtneming van genoemd artikel, voorschriften worden verbonden omtrent: a. de inning van het loodsgeld; b. de verplichting tot het stellen van zekerheid met betrekking tot de voldoening van het loodsgeld; c. de gevolgen van het in gebreke blijven van de organisatie ten aanzien van de inning of de aanwending van het loodsgeld; d. de verplichting van de kapitein tot het verschaffen van de in verband met de bepaling van het toepasselijke tarief benodigde informatie. 2007 559 27-12-2007 20-12-2007 30913 2007 560 27-12-2007 20-12-2007 01-01-2008 Artikel X van Stb. 2007/559 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 15b — Artikel 15b#
Artikel 15b 1 De inning van het loodsgeld en de loodsvergoedingen, die ingevolge het Scheldereglement geheven worden en aan het Rijk toekomen, geschiedt volgens de bij of krachtens het Scheldereglement geldende bepalingen door een door de algemene raad van de Nederlandse loodsencorporatie aan te wijzen organisatie. Deze aanwijzing wordt bekendgemaakt in de Staatscourant. 2 De krachtens het eerste lid aangewezen organisatie is rechthebbende op de ingevolge het Scheldereglement geheven loodsgelden en loodsvergoedingen. 3 artikel 26 Loodsenwet Aan de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, worden met inachtneming vanvoorschriften verbonden omtrent de aanwending door de organisatie van de aan deze toekomende gelden en kunnen, eveneens met inachtneming van genoemd artikel, voorschriften worden verbonden omtrent: a. de inning van het loodsgeld en de loodsvergoedingen; b. de gevolgen van het in gebreke blijven van de organisatie ten aanzien van de inning of de aanwending van het loodsgeld en de loodsvergoedingen. 2007 559 27-12-2007 20-12-2007 30913 2007 560 27-12-2007 20-12-2007 01-01-2008
Artikel 15ba — Artikel 15ba#
Artikel 15ba 1 artikelen 15a, tweede lid 15b, eerste lid artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht Een aanwijzing, bedoeld in de, en, behoeft de goedkeuring van de Autoriteit Consument en Markt. Onverminderdkan de goedkeuring kan slechts worden onthouden indien het belang van behoorlijk markttoezicht zich daartegen verzet. 2 artikelen 15a, tweede lid 15b, eerste lid Een krachtens de, onderscheidenlijk, aangewezen organisatie voert in de boekhouding een administratief onderscheid in voor iedere dienst of taak die bij of krachtens de wet bij uitsluiting aan registerloodsen, de organen van de Nederlandse en regionale loodsencorporaties, de aangewezen organisaties of samenwerkingsverbanden van registerloodsen is opgedragen. 3 Bij regeling van de Autoriteit Consument en Markt kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de boekhouding, bedoeld in het tweede lid. 4 artikelen 15a, tweede lid 15b, eerste lid artikel 15, eerste lid, onder b, van de Loodsenwet Loodsenwet De algemene raad en de ledenvergadering van de Nederlandse loodsencorporatie zijn bevoegd van de krachtens de, onderscheidenlijk, aangewezen organisaties, alsmede van de ter uitvoering vanopgerichte samenwerkingsverbanden van registerloodsen, alle inlichtingen en gegevens te verlangen die deze organen voor de uitoefening van de hen bij en krachtens deopgedragen taken redelijkerwijs nodig achten. De organisaties en samenwerkingsverbanden verlenen binnen de gestelde termijn alle gevraagde medewerking. 2013 102 21-03-2013 28-02-2013 33186 2013 103 21-03-2013 13-03-2013 01-04-2013
Artikel 15c — Artikel 15c#
Artikel 15c 1 artikel 4, derde lid De kapitein, eigenaar of rompbevrachter van een zeeschip dat gevoerd wordt door een verkeersdeelnemer op wie een verplichting rust als bedoeld in, gericht op het deelnemen aan verkeersbegeleiding, is gehouden het verkeersbegeleidingstarief te betalen en de in verband met de bepaling van het tarief benodigde informatie te verstrekken. 2 In bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen en op een in die maatregel aan te geven wijze kan Onze Minister aan een kapitein, eigenaar of rompbevrachter een gehele of gedeeltelijke ontheffing verlenen van de verplichting tot het betalen van het in het eerste lid bedoelde tarief. Aan een besluit tot ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. 3 Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de ontheffing van de verplichting tot het betalen van het in het eerste lid bedoelde tarief. 2011 575 09-12-2011 01-12-2011 32454 2011 627 21-12-2011 15-12-2011 01-01-2012
Artikel 15d — Artikel 15d#
Artikel 15d 1 Het verkeersbegeleidingstarief strekt tot vergoeding van ten laste van het Rijk komende kosten van verkeersbegeleiding, voor zover deze strekt tot individuele dienstverlening. 2 Het in het eerste lid bedoelde tarief is verschuldigd aan het Rijk. Bij algemene maatregel van bestuur worden de scheepvaartwegen aangewezen waarop het tarief is verschuldigd en worden de maatstaven voor de toepassing en de vrijstellingen van het verkeersbegeleidingstarief geregeld. Daarin kunnen regels worden gesteld betreffende het stellen van zekerheid. 3 Het in het eerste lid bedoelde tarief wordt vastgesteld bij ministeriële regeling. Bij ministeriële regeling worden tevens regels gesteld met betrekking tot de inning en de wijze van betaling van het tarief. Onze Minister, onderscheidenlijk het bij ministeriële regeling aangewezen bestuursorgaan of de bij ministeriële regeling aangewezen ambtenaar is bevoegd tot het uitvaardigen van een dwangbevel tot invordering van de verschuldigde geldsom. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 artikelen 15 a 15 Deenzijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een schip dat geen zeeschip is en op degene die daarover de leiding heeft, het schip in eigendom heeft of het als rompbevrachter exploiteert. 1994 584 07-07-1994 23099 1995 397 31-08-1995 16-08-1995 01-10-1995
Artikel 16a — Artikel 16a#
Artikel 16a c artikelen 15 d 15 Deenzijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een schip dat geen zeeschip is en behoort tot een categorie die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen kan worden en op degene die over dat schip de leiding heeft, het schip in eigendom heeft of het als rompbevrachter exploiteert. 1994 584 07-07-1994 23099 1995 397 31-08-1995 16-08-1995 01-10-1995
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 Degene die een schip voert dat behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorie, is verplicht om aan de daartoe bij of krachtens die maatregel aangewezen personen ten behoeve van de statistiek bepaalde gegevens te verstrekken met betrekking tot het schip, de daarmee vervoerde lading of de uit te voeren reis. 2 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld. Deze regels hebben slechts betrekking op: a. de inhoud van de te verstrekken gegevens; b. de plaatsen waar gegevens moeten worden verstrekt; c. het verstrekken van de gegevens. 1988 352 28-07-1988 07-07-1988 20289 1988 389 11-08-1988 20289 01-09-1988
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het gebruik van scheepvaartwegen door personen die zich anders dan op een schip te water bevinden. 2 Deze regels mogen slechts strekken tot het voorkomen of het beperken van hinder of gevaar voor het scheepvaartverkeer. 1988 352 28-07-1988 07-07-1988 20289 1988 389 11-08-1988 20289 01-09-1988
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 hoofdstukken 2 tot en met 4 Het stellen van regels krachtens het bepaalde in degeschiedt met inachtneming van bindende verdragen en bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties. 1988 352 28-07-1988 07-07-1988 20289 1988 389 11-08-1988 20289 01-09-1988
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, ter uitvoering van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties voor zover die het Koninkrijk binden, regels worden gesteld met betrekking tot het deelnemen aan het scheepvaartverkeer door Nederlandse zeeschepen: a. in volle zee; b. op alle niet-Nederlandse wateren die met de volle zee in verbinding staan en bevaarbaar zijn voor zeegaande schepen. 2 b Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel, is niet van toepassing, voorzover door de voor die wateren daartoe bevoegde autoriteiten afwijkende regels zijn gesteld. 1988 352 28-07-1988 07-07-1988 20289 1988 389 11-08-1988 20289 01-09-1988
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties welke betrekking hebben op de ordening van het scheepvaartverkeer voor de Nederlandse kust buiten de Nederlandse territoriale zee, voorzover die verdragen of besluiten het Koninkrijk binden, regels worden gesteld. Voorzover daarbij uitvoering wordt gegeven aan artikel 211, zesde lid, van het op 10 december 1982 te Montego-Bay totstandgekomen Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Trb. 1983, 83), geschiedt zulks met inachtneming van de voorschriften, genoemd in dat verdrag. 2 In de krachtens het eerste lid te stellen regels kan met betrekking tot daarin aangewezen onderdelen Onze Minister bevoegd worden verklaard tot het stellen van nadere regels. 2005 49 08-02-2005 20-01-2005 28984 2005 240 17-05-2005 21-04-2005 18-05-2005
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 Hoofdstukken 2 tot en met 4 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van de Herziene Rijnvaartakte voor zover dit noodzakelijk is voor een goede uitvoering van dat verdrag met betrekking tot de scheepvaart, regels inzake andere onderwerpen dan die bedoeld in deworden gesteld. 2 In de krachtens het eerste lid te stellen regels kan met betrekking tot daarin aangewezen onderdelen Onze Minister bevoegd worden verklaard tot het stellen van nadere regels. 1988 352 28-07-1988 07-07-1988 20289 1988 389 11-08-1988 20289 01-09-1988
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 artikelen 19 tot en met 21 Bij de toepassing van dewordt afgeweken van het bepaalde in deze wet, indien verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties voor zover deze het Koninkrijk binden daartoe nopen. 1988 352 28-07-1988 07-07-1988 20289 1988 389 11-08-1988 20289 01-09-1988
Artikel 23a — Artikel 23a#
Artikel 23a Behoeft de voorzitter van een veiligheidsregio, in geval van een ramp of crisis, bijstand van de Gemeenschappelijk Nautische Autoriteit, genoemd in artikel 6 van het Verdrag inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer, dan dient hij een daartoe strekkend verzoek in bij Onze Minister. Onze Minister geleidt dit verzoek door aan de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit. 2010 146 01-04-2010 11-03-2010 31968 2010 252 01-07-2010 24-06-2010 01-10-2010
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 Onze Minister, indien deze het bevoegd gezag is, is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 24a — Artikel 24a#
Artikel 24a b artikel 15, eerste en derde lid Onze Minister is gerechtigd te verrichten hetgeen in strijd met het bepaalde bij of krachtens, wordt nagelaten. 1994 584 07-07-1994 23099 1995 397 31-08-1995 16-08-1995 01-10-1995
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 artikel 4, eerste lid, onderdeel d Indien een verkeersdeelnemer aan wie een verkeersaanwijzing is gegeven, een krachtens, geregelde verplichting met betrekking tot een verkeersaanwijzing overtreedt en daarvoor onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen ontstaat of dreigt te ontstaan, is het bevoegd gezag bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter voorkoming of bestrijding van dat gevaar. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 Het is verboden om opzettelijk wederrechtelijk een aan een ander toebehorend schip of ander vaartuig te gebruiken voor het deelnemen aan het scheepvaartverkeer op een scheepvaartweg. 1988 352 28-07-1988 07-07-1988 20289 1992 501 14-09-1992 01-10-1992
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 1 Het is degene die op een scheepvaartweg een varend schip voert of stuurt, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of de verkeersdeelnemer adviseert over de te voeren navigatie, verboden dit te doen, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof waarvan hij weet of redelijkerwijze moet weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de vaardigheid voor het voeren of sturen van dat schip, dan wel de bekwaamheid tot het adviseren van de kapitein of de verkeersdeelnemer, kan verminderen, dat hij niet in staat moet worden geacht dat schip naar behoren te kunnen voeren of te kunnen sturen, dan wel de kapitein of de verkeersdeelnemer naar behoren te kunnen adviseren. 2 Het is degene die op een scheepvaartweg een varend schip voert of stuurt, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of de verkeersdeelnemer adviseert over de te voeren navigatie, verboden dit te doen, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat: a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan tweehonderdtwintig microgram alcohol per liter uitgeademde lucht; b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed. 3 Het is degene die op een scheepvaartweg een varend schip voert verboden dit te doen sturen door een persoon, waarvan hij weet of redelijkerwijze moet weten dat deze verkeert in een toestand als in het eerste lid of tweede lid omschreven. 4 Het is degene die op een scheepvaartweg een varend klein schip voert of stuurt verboden dit te doen terwijl hij verkeert in een toestand als omschreven in het eerste of tweede lid en het verkeer belemmert of dreigt te belemmeren. 5 artikelen 28 28a 29 In dit artikel en in de,enwordt onder een varend schip verstaan een schip dat niet ten anker of gemeerd ligt. 6 In dit artikel wordt onder een klein schip verstaan: a. een schip met een lengte van minder dan 20 meter dat uitsluitend door spierkracht wordt voortbewogen; b. een schip met een lengte van minder dan 5 meter dat uitsluitend door middel van zijn zeilen wordt voortbewogen of dat ter voortbeweging gebruik maakt van een motor waarmee geen hogere snelheid bereikt kan worden dan zes kilometer per uur. 7 In dit artikel wordt onder lengte van een schip verstaan de grootste lengte van de romp gemeten van de voorkant van het voorste tot de achterkant van het achterste deel van het schip. 2010 300 23-07-2010 07-07-2010 31870 2010 300 23-07-2010 07-07-2010 31870 24-07-2010
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 1 Op de eerste vordering van een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering is degene die op een scheepvaartweg een varend schip voert of stuurt, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of de verkeersdeelnemer adviseert over de te voeren navigatie, verplicht zijn medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht en daartoe volgens door die opsporingsambtenaar te geven aanwijzingen ademlucht te blazen in een door die opsporingsambtenaar aangewezen apparaat. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op degene die aanstalten maakt een schip dat op een scheepvaartweg voor vertrek gereed ligt, te gaan voeren of sturen, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of de verkeersdeelnemer over de te voeren navigatie te gaan adviseren. 1997 200 20-05-1997 10-04-1997 24753 1998 173 26-03-1998 19-03-1998 01-04-1998
Artikel 28a — Artikel 28a#
Artikel 28a 1 artikel 27, eerste, tweede of vierde lid artikel 27, tweede lid, onderdeel a artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering Indien degene die op een scheepvaartweg een varend schip voert of stuurt, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of verkeersdeelnemer adviseert over de te voeren navigatie, verdacht wordt van handelen in strijd met, kan een opsporingsambtenaar als bedoeld inhem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in. 2 De verdachte aan wie het in het eerste lid bedoelde bevel is gegeven, is verplicht ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle door de opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen. 3 artikel 27, eerste of tweede lid Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op degene die aanstalten maakt een schip dat op een scheepvaartweg voor vertrek gereed ligt, te gaan voeren of sturen, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of de verkeersdeelnemer over de te voeren navigatie te gaan adviseren, indien de opsporingsambtenaar redelijkerwijs kan aannemen dat dit voeren, sturen of adviseren zal leiden tot handelen in strijd met. 4 De in het tweede lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat het verlenen van medewerking aan een onderzoek van uitgeademde lucht voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. 5 artikel 27, tweede lid, onderdeel b artikel 27, eerste lid In het geval bedoeld in het vierde lid, dan wel indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid onderzoek van uitgeademde lucht, kan de opsporingsambtenaar de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in. Gelijke bevoegdheid heeft de opsporingsambtenaar, indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed van een andere in, bedoelde stof dan alcoholhoudende drank verkeert. 6 Indien de verdachte zijn op grond van het vijfde lid gevraagde toestemming niet verleent, kan de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, hem bevelen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek. 7 De verdachte die is bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen, is verplicht aan dit bevel gevolg te geven en zijn medewerking te verlenen. Hem wordt door een arts zoveel bloed afgenomen als voor het onderzoek noodzakelijk is. 8 De in het zevende lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat afname van bloed bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. 9 artikel 27, eerste lid artikel 27, tweede lid, onderdeel b De krachtens het achtste lid van de in het zevende lid genoemde verplichtingen vrijgestelde personen zijn verplicht mee te werken aan een door de officier van justitie, door een hulpofficier van justitie of door een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bevolen onderzoek teneinde op andere wijze dan door bloed- of ademonderzoek het gebruik van de in, bedoelde stoffen of het in, genoemde gehalte vast te stellen. 10 Indien de verdachte niet in staat is zijn wil kenbaar te maken, kan hem met de toestemming van de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, door een arts de in het zevende lid bedoelde hoeveelheid bloed worden afgenomen, tenzij aannemelijk is dat dit bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. Een onderzoek van het bloed vindt niet plaats dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld zijn toestemming daartoe te geven. Zo nodig kan hem overeenkomstig het zesde lid worden bevolen zijn medewerking te verlenen. De verdachte aan wie een zodanig bevel is gegeven, is verplicht zijn medewerking te verlenen. Indien de verdachte weigert zijn medewerking te verlenen wordt het bloedmonster vernietigd. 11 artikel 28 en van dit artikel Bij algemene maatregel van bestuur, gedaan op voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, worden regels gesteld omtrent de wijze van uitvoering van. Deze regels hebben mede betrekking op de mogelijkheid tot het doen verrichten van een tegenonderzoek. Bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie worden in de bij die algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen voorschriften ter uitvoering van die regels vastgesteld. 2012 316 16-07-2012 12-07-2012 32822 2012 317 16-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 1 artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering artikel 27, eerste, tweede of vierde lid Een opsporingsambtenaar als bedoeld inkan, indien hij een ernstige verdenking heeft dat degene die op een scheepvaartweg een varend schip voert of stuurt, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of de verkeersdeelnemer over de te voeren navigatie adviseert, handelt in strijd met, aan die persoon een verbod opleggen op een scheepvaartweg een varend schip te voeren of te sturen, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of de verkeersdeelnemer over de te voeren navigatie te adviseren, voor de tijd gedurende welke hij verwacht dat deze toestand zal voortduren tot ten hoogste vierentwintig uren. 2 artikel 27, eerste of tweede lid Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op degene die aanstalten maakt een schip dat op een scheepvaartweg voor vertrek gereed ligt, te voeren of te sturen, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of de verkeersdeelnemer over de te voeren navigatie te adviseren, indien de opsporingsambtenaar ernstige reden heeft om aan te nemen dat dit voeren, sturen of adviseren zal leiden tot handelen in strijd met. 3 Het is degene aan wie een verbod op grond van dit artikel is opgelegd, gedurende de tijd waarvoor het verbod geldt, verboden op een scheepvaartweg een varend schip te voeren of te sturen, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of de verkeersdeelnemer over de te voeren navigatie te adviseren. 4 Degene aan wie een verbod op grond van dit artikel is opgelegd, is verplicht de bevelen die door de opsporingsambtenaar worden gegeven voor de uitvoering van het verbod op te volgen. 1997 200 20-05-1997 10-04-1997 24753 1998 173 26-03-1998 19-03-1998 01-04-1998
Artikel 29a — Artikel 29a#
Artikel 29a 1 artikel 27, eerste tot en met vierde lid Voor zover bij of krachtens de Herziene Rijnvaartakte wordt voorzien in het onderwerp van de regeling van, zijn deze artikelleden niet van toepassing. 2 artikel 27, eerste tot en met vierde lid artikelen 27, vijfde lid 28 28a 29 Indien bij of krachtens de Herziene Rijnvaartakte wordt voorzien in het onderwerp van de regeling van, zijn de,,envan overeenkomstige toepassing. 2013 381 17-10-2013 25-09-2013 33442 2014 161 02-05-2014 25-04-2014 03-05-2014
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 artikel 4, eerste lid, onderdeel b Het is verboden om, zonder daartoe bevoegd te zijn, een krachtens, of een krachtens het verdrag inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer vastgesteld verkeersteken aan te brengen of te doen aanbrengen dan wel te verwijderen of te doen verwijderen. 2 Het is verboden om een voorwerp van welke aard ook, dat het scheepvaartverkeer op een scheepvaartweg in verwarring of in gevaar zou kunnen brengen, daarlangs, daarin of daarboven aan te brengen, te doen aanbrengen of te houden. 2010 300 23-07-2010 07-07-2010 31870 2010 300 23-07-2010 07-07-2010 31870 24-07-2010
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 1 artikel 26 Wetboek van Strafrecht Handelen in strijd metwordt, voorzoveel daartegen niet bij hetis voorzien, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie. 2 artikelen 27, eerste tot en met vierde lid a 28, tweede, zevende, negende en tiende lid artikel 29, derde en vierde lid Handelen in strijd met de,, en, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie. 3 artikel 28 Handelen in strijd metwordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie. 4 artikelen 4 4a, derde en vierde lid artikel 7, eerste lid artikel 8 Overtreding van de regels, gesteld krachtens deen, en van de voorschriften verbonden aan een besluit, genomen krachtensof met overeenkomstige toepassing daarvan krachtens, wordt gestraft met: a. hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de derde categorie, indien de overtreding is begaan in de Nederlandse territoriale zee, voor zover het verdrag inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer niet van toepassing is, de Rotterdamse waterweg, het Noordzeekanaal of de Eems-Dollard, b. hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie, indien de overtreding is begaan op een andere scheepvaartweg; c. hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de derde categorie, indien de overtreding betrekking heeft op het ontvangen, bewaren of verstrekken van gegevens met betrekking tot de scheepvaart door organisaties of personen die niet deelnemen aan het scheepvaartverkeer. 5 artikel 10, eerste lid artikel 13 Overtreding van, met een zeeschip of een schip als bedoeld in, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de derde categorie. 6 artikel 10, vierde lid 11, tweede lid artikel 12 artikel 13 Niet-nakoming van de verplichtingen, bedoeld inen, alsmede overtreding van de regels, gesteld krachtens, en van de voorschriften verbonden aan een besluit genomen krachtens artikel 11, eerste lid, onderdeel b, met een zeeschip of een schip als bedoeld inwordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de derde categorie. 7 artikel 20, eerste lid b artikel 20, eerste lid, onderdeel Overtreding met een Nederlands schip van de krachtens, gestelde regels, begaan in volle zee of op een ander in, bedoeld water waarop die regels ten aanzien van dat schip van toepassing zijn, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de derde categorie. 8 artikel 21 Overtreding van de krachtensgestelde regels wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de vierde categorie. 9 artikel 30 Overtreding vanwordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie. 10 artikel 17 artikel 18 Overtreding vanen van de regels, gesteld krachtens, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee weken of geldboete van de eerste categorie. 11 Overtreding van krachtens deze wet gestelde regels, als bedoeld in het vierde, zesde, zevende, achtste en tiende lid, vormt slechts een strafbaar feit voor zover dit in die regels uitdrukkelijk is bepaald. 12 Het bepaalde in het vierde lid, aanhef en onderdeel b, en het tiende lid is niet van toepassing op overtreding van in artikel 32 van de Herziene Rijnvaartakte strafbaar gestelde feiten. 13 De in het eerste en tweede lid van dit artikel strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven. De in of krachtens het derde tot en met tiende lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. 14 De Nederlandse strafwet is toepasselijk op een ieder die een krachtens het achtste lid strafbaar gesteld feit heeft begaan. 15 Ingeval bij of krachtens deze wet wordt verwezen naar in het kader van de Internationale Maritieme Organisatie van de Verenigde Naties tot stand gekomen besluiten die betrekking hebben op de ordening van het scheepvaartverkeer, kan overtreding van deze besluiten ook als strafbaar feit worden aangemerkt indien deze besluiten in de Engelse taal zijn gesteld en bekend gemaakt. 2020 79 04-03-2020 05-02-2020 35248 2020 378 14-10-2020 24-09-2020 01-01-2021 Treedt voor de zeehavengebieden, genoemd in artikel 2, eerste lid,
onderdelen a tot en met e, in werking op 1 januari 2021. Treedt voor
het zeehavengebied Scheldemonden, voor zover hoofdstuk III van het
Scheldereglement daarop niet van toepassing is, in werking op een
bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip (Stb. 2020/378).
Artikel 31a — Artikel 31a#
Artikel 31a 1 artikel 13 Overtreding van artikel 9, eerste lid, van het Scheldereglement met een zeeschip, een Scheldevaarder of een schip als bedoeld inwordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de derde categorie. 2 Niet-nakoming van de voorschriften verbonden aan een ontheffing, bedoeld in artikel 9, vierde lid, van het Scheldereglement, van een verplichting opgelegd krachtens artikel 11 van het Scheldereglement, alsmede overtreding van de regels gesteld bij en krachtens de artikelen 13, eerste lid, en 14, eerste lid, van het Scheldereglement, wordt gestraft met hechtenis van twee maanden of een geldboete van de derde categorie. 3 Overtreding van de regels gesteld krachtens artikel 4, derde lid, van het verdrag inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer wordt gestraft met: een en ander voorzover overtreding van de desbetreffende regel bij regeling van Onze Minister als een strafbaar feit is aangemerkt. a. hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de derde categorie, indien de overtreding is begaan in de Nederlandse territoriale zee of de Westerschelde; b. hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie, indien de overtreding is begaan op een andere scheepvaartweg waarop dat verdrag van toepassing is; c. hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de derde categorie, indien de overtreding betrekking heeft op het ontvangen, bewaren of verstrekken van gegevens met betrekking tot de scheepvaart door organisaties en personen die niet deelnemen aan het scheepvaartverkeer, 4 Niet-nakoming van een krachtens het verdrag inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer gegeven gebod of verbod, vervat in een verkeersteken of een bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken, in de zin van dat verdrag, dan wel een krachtens dat verdrag gegeven voorschrift of beperking, verbonden aan een vrijstelling of ontheffing van een verkeersteken of bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken, dan wel een krachtens dat verdrag gegeven verkeersaanwijzing, wordt gestraft met: a. hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de derde categorie indien de overtreding is begaan in de Nederlandse territoriale zee of de Westerschelde; b. hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie, indien de overtreding is begaan op een andere scheepvaartweg waarop dat verdrag van toepassing is. 5 De bij of krachtens dit artikel strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. 2008 313 31-07-2008 10-07-2008 30867 2008 366 23-09-2008 04-09-2008 01-10-2008
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 1 artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering artikelen 179 tot en met 182 184 van het Wetboek van Strafrecht Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten en van de in de Herziene Rijnvaartakte strafbaar gestelde feiten, voor zover deze laatste de overtreding betreffen van bepalingen die krachtens deze wet zijn vastgesteld, zijn, onverminderd, belast de daartoe door het bevoegd gezag, in overeenstemming met Onze Minister van Veiligheid en Justitie, aangewezen buitengewone opsporingsambtenaren. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in deen, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf. 2 Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. 3 artikelen 5:13 5:15 tot en met 5:17 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht De,enzijn van overeenkomstige toepassing. 2021 135 17-03-2021 03-03-2021 35256 2021 254 02-06-2021 18-05-2021 01-07-2021
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering Een opsporingsambtenaar als bedoeld inkan, indien hij op grond van feiten of omstandigheden redelijkerwijze kan vermoeden dat een schip betrokken is geweest bij een aanvaring waarbij een persoon is gedood, letsel heeft bekomen of in zijn gezondheid is benadeeld dan wel aan enige zaak die niet toebehoort aan een persoon die zich op het schip bevindt, schade is toegebracht, in het belang van de opsporing van de verkeersdeelnemer of de andere personen die deel uitmaken van de bemanning vorderen dat zij de inlichtingen en gegevens verstrekken die nodig zijn voor de vaststelling van hun identiteit en van die van het schip. 1988 352 28-07-1988 07-07-1988 20289 1988 389 11-08-1988 20289 01-09-1988
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 1 artikel 32, eerste lid Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de ambtenaren, aangewezen bij het besluit, bedoeld in. 2 Bij besluit van Onze Minister kunnen andere dan de in het eerste lid bedoelde ambtenaren worden aangewezen voor het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet. Ambtenaren van provincies, gemeenten of waterschappen worden aangewezen op voordracht van, en in overeenstemming met de desbetreffende besturen. 3 In de in het tweede lid bedoelde besluit kunnen eisen worden gesteld met betrekking tot de kennis en kunde van de toezichthouders en de wijze waarop zij hun taak vervullen. 4 Het besluit bedoeld in het tweede lid wordt in de Staatscourant geplaatst. 5 artikelen 5:18 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht De toezichthouders beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd in deen. 2010 300 23-07-2010 07-07-2010 31870 2010 300 23-07-2010 07-07-2010 31870 24-07-2010
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 1 Indien een persoon er van wordt verdacht dat hij, terwijl hij een zeeschip of samenstel van zeeschepen voerde, en indien redelijkerwijze moet worden gevreesd dat de betrokkene zich zal onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een hem opgelegde straf, is de officier van justitie bevoegd de in het tweede lid bedoelde maatregelen te nemen. a. artikel 31, eerste of tweede lid een in, bedoeld strafbaar feit heeft begaan, b. artikel 31, vierde, vijfde of zesde lid een in, bedoeld strafbaar feit heeft begaan,waardoor ernstig gevaar voor de veiligheid van personen of goederen kan ontstaan, c. een in artikel 32 van de Herziene Rijnvaartakte strafbaar gesteld feit heeft begaan, waardoor ernstig gevaar voor de veiligheid van personen of goederen kan ontstaan, voorzover dit feit de overtreding betreft van een bepaling die krachtens deze wet is vastgesteld, of d. artikel 31a een inbedoeld strafbaar feit heeft begaan, waardoor ernstig gevaar voor de veiligheid van personen of goederen kan ontstaan, 2 De officier van justitie is bevoegd het zeeschip of de zeeschepen van het samenstel op een door hem aan te wijzen plaats op een scheepvaartweg vast te doen houden, indien naar zijn oordeel de betrokkene niet voldoende zekerheid heeft gesteld voor een door hem te bepalen geldsom waarop een terzake van het plegen van het strafbaar feit op te leggen geldboete kan worden verhaald. Alvorens de plaats tot vasthouding aan te wijzen raadpleegt de officier van justitie het ten aanzien van de scheepvaartweg bevoegde gezag. 3 De in het tweede lid bedoelde vasthouding mag ten hoogste vier dagen na de dag waarop tot vasthouding is overgegaan, duren. 4 Indien binnen de in het derde lid genoemde termijn niet een zekerheid is gesteld als bedoeld in het tweede lid, kan de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken op vordering van de officier van justitie beslissen de vasthouding van het zeeschip of de zeeschepen van het samenstel te verlengen tot ten hoogste dertig dagen. De in het eerste lid bedoelde persoon die wordt verdacht van een in dat lid bedoeld strafbaar feit wordt vooraf gehoord of althans behoorlijk opgeroepen. De beslissing is dadelijk uitvoerbaar en wordt aan de in de vorige volzin bedoelde persoon betekend. 5 De in het eerste lid bedoelde persoon die wordt verdacht van een in dat lid bedoeld strafbaar feit en de officier van justitie kunnen gedurende veertien dagen na betekening van de beslissing van de rechter-commissaris aan eerstbedoelde persoon tegen die beslissing beroep instellen bij de rechtbank. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk. 6 De officier van justitie geeft het zeeschip of de zeeschepen van het samenstel vrij zodra de door hem ingevolge het tweede lid verlangde zekerheid is gesteld. 7 De kapitein is de kosten van de vasthouding verschuldigd. 8 Stb. Zodra het in de strafzaak gewezen vonnis onherroepelijk is geworden, wordt de zekerheidstelling bedoeld in het tweede lid beëindigd, nadat een bij dat vonnis opgelegde geldboete, vermeerderd met de kosten van de vasthouding, is betaald onderscheidenlijk daarop in mindering is gebracht. Tot dat tijdstip en te rekenen vanaf de dag dat de zekerheid is gesteld wordt bij gederfde rente over de tot zekerheid gestelde geldsom die gederfde rente vergoed tot een maximum van het percentage dat is vastgesteld krachtens het bepaalde in artikel 9, derde lid, van de Wet op de consignatie van gelden (1980, 473). 9 artikel 1, vijfde lid, onder b Met betrekking tot dit artikel is, niet van toepassing. 2008 313 31-07-2008 10-07-2008 30867 2008 366 23-09-2008 04-09-2008 01-10-2008
Artikel 35a — Artikel 35a#
Artikel 35a 1 artikel 35b, eerste lid In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a, b of c, overhandigt de houder van een vaarbewijs tegen wie proces-verbaal wordt opgemaakt wegens overtreding van een voorschrift als bedoeld in, zijn vaarbewijs op eerste vordering aan de opsporingsambtenaar. 2 Vaarbewijzen die ingevolge het eerste lid zijn ingevorderd worden onverwijld overgedragen aan de officier van justitie. De officier van justitie is bevoegd ingevorderde vaarbewijzen onder zich te houden totdat de veroordeling onherroepelijk is geworden of, indien de bevoegdheid tot het voeren van schepen onvoorwaardelijk is ontzegd, tot het tijdstip waarop de ontzegging is verstreken, indien: a. bij onderzoek is gebleken of, bij ontbreken van een dergelijk onderzoek, een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van degene die een schip voert of stuurt, hoger is dan 785 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, onderscheidenlijk het alcoholgehalte van zijn bloed hoger blijkt te zijn dan 1,8 milligram alcohol per milliliter bloed; b. met een zodanige snelheid is gevaren dat ernstig gevaar voor de veiligheid van personen of goederen is ontstaan; of c. artikel 35b, eerste lid op grond van andere feiten of omstandigheden ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de bestuurder opnieuw een feit als bedoeld in, zal begaan. 3 De officier van justitie geeft het ingevorderde vaarbewijs onverwijld terug aan de houder: a. indien hij binnen tien dagen na de dag van invordering geen toepassing geeft aan het tweede lid; b. indien ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de houder in geval van veroordeling door de rechter geen onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het voeren van een schip zal worden opgelegd, dan wel geen onvoorwaardelijke ontzegging van langere duur dan de tijd gedurende welke het vaarbewijs is ingevorderd of ingehouden geweest, of c. indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen 26 weken na de dag van invordering is aangevangen. 4 Artikel 552a, vierde en zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering Tegen toepassing van het eerste of tweede lid kan de belanghebbende bij klaagschrift opkomen. Zolang in de zaak nog geen vervolging is ingesteld, wordt het klaagschrift ingediend ter griffie van de rechtbank in het arrondissement waar het in het eerste lid bedoelde feit werd begaan, en anders ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de vervolging plaatsvindt of het laatst plaatsvond.is van overeenkomstige toepassing. De raadkamer van het gerecht geeft zo spoedig mogelijk, na de belanghebbende, desverlangd bijgestaan door diens raadsman, te hebben gehoord, althans opgeroepen, zijn met redenen omklede beslissing, die onverwijld aan de belanghebbende wordt betekend. Tegen de beslissing kan door het openbaar ministerie binnen veertien dagen daarna en door de belanghebbende binnen veertien dagen na de betekening beroep in cassatie worden ingesteld. De Hoge Raad beslist zo spoedig mogelijk. 5 artikelen 533, derde, vierde en zesde lid 534 535 536 van het Wetboek van Strafvordering Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, maar op grond van een feit waarvoor de toepassing van het eerste of tweede lid niet is toegelaten, kan de rechter op verzoek van de gewezen verdachte hem een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade die hij ten gevolge van die toepassing heeft geleden, waaronder begrepen nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. De,,enzijn van overeenkomstige toepassing. 2017 82 09-03-2017 22-02-2017 34086 2019 507 24-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 35b — Artikel 35b#
Artikel 35b 1 De houder van een vaarbewijs kan de bevoegdheid tot het voeren van schepen, voor zover daartoe een vaarbewijs is vereist, voor ten hoogste vijf jaren worden ontzegd wegens het op de binnenwateren voeren of doen voeren van: a. artikel 4, eerste lid, onderdelen a en d, en derde lid artikel 27 een snelle motorboot in strijd met voorschriften gesteld krachtens, en waarbij ernstig gevaar voor de veiligheid van personen of goederen is ontstaan, of in strijd met, of b. artikel 27 een schip waarvoor een bij ministeriële regeling aan te wijzen vaarbewijs is vereist, herhaaldelijk in strijd met. 2 Indien tijdens het plegen van een van de feiten, bedoeld in het eerste lid, nog geen vijf jaren zijn verlopen na het einde van de tijdsduur waarvoor bij een vroegere onherroepelijke veroordeling wegens een van die feiten de betrokkene de bevoegdheid tot het voeren van schepen, voor zover daartoe een vaarbewijs is vereist, is ontzegd, kan hem die bevoegdheid voor ten hoogste tien jaren worden ontzegd. 3 artikel 35a Bij het opleggen van de straf, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt de tijd gedurende welke het vaarbewijs van de veroordeelde ingevolgevóór het tijdstip waarop die straf ingaat, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die straf in mindering gebracht. 4 artikelen 36d 36e van het Wetboek van Strafvordering De tenuitvoerlegging van de veroordeling vindt niet plaats dan nadat aan de veroordeelde in persoon een schrijven is uitgereikt, volgens deen, waarin het tijdstip van ingang en de duur van de ontzegging, de verplichting tot inlevering van het vaarbewijs uiterlijk op dat tijdstip, alsmede het gevolg van niet tijdige inlevering worden medegedeeld. 5 De houder levert het vaarbewijs, tenzij het is ingevorderd en niet teruggegeven, in op het parket van het openbaar ministerie vanwaar hij het schrijven, bedoeld in het vierde lid, heeft ontvangen, uiterlijk op het tijdstip van ingang van de ontzegging. 6 Teruggave van het vaarbewijs vindt plaats zodra de termijn van de ontzegging is verstreken. 7 De termijn van ontzegging van de bevoegdheid tot het voeren van schepen wordt van rechtswege verlengd met het aantal dagen dat is verstreken tussen het tijdstip waarop het vaarbewijs ingevolge het vijfde lid had moeten worden ingeleverd en het tijdstip waarop nadien die inlevering heeft plaatsgevonden. 2019 504 24-12-2019 18-12-2019 35311 2019 507 24-12-2019 18-12-2019 01-01-2020 2017 82 09-03-2017 22-02-2017 34086 2019 507 24-12-2019 18-12-2019 01-01-2020 Abusievelijk is een wijziging geformuleerd die niet kan worden doorgevoerd.
Artikel 35c — Artikel 35c#
Artikel 35c Binnenvaartwet De opsporingsambtenaar die bij de uitoefening van de hem bij of krachtens wet verleende bevoegdheden de beschikking krijgt over een vaarwijs waarvan ingevolge dit hoofdstuk de overgifte is gevorderd, waarvan een verplichting tot inlevering bestaat of dat ingevolge dezijn geldigheid heeft verloren, is bevoegd dat vaarbewijs in te nemen en het door te geleiden naar het betrokken parket van het openbaar ministerie, naar degene bij wie de houder dat vaarbewijs had dienen in te leveren onderscheidenlijk naar de instantie die het heeft afgegeven. 2011 382 23-08-2011 06-07-2011 32539 2011 603 20-12-2011 18-11-2011 01-01-2012
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 1 artikelen 10, eerste en vierde lid 15c, eerste lid 17 artikelen 4 11, eerste en tweede lid 12 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de,, enalsmede de krachtens de,engestelde regels die in die maatregel zijn aangegeven, niet of slechts met beperkingen van toepassing zijn op Nederlandse of daarmee in die maatregel gelijk te stellen oorlogsschepen, die zich bevinden in de territoriale zee of daarop aansluitende Nederlandse scheepvaartwegen die in die maatregel zijn aangewezen. artikel 15, eerste en tweede lid Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat, niet of slechts met beperkingen van toepassing is op andere dan Nederlandse oorlogsschepen, indien dit met de vlaggestaat van de betreffende schepen is overeengekomen. 2 Bij algemene maatregel van bestuur kan het scheepvaartverkeer de toegang tot scheepvaartwegen die uitsluitend zijn bestemd tot gebruik door Nederlandse oorlogsschepen dan wel door andere Nederlandse schepen of andere vaartuigen, welke in gebruik zijn voor de uitvoering van de militaire taak, worden verboden of slechts in beperkte mate toegestaan. 3 Overtreding van de in het tweede lid bedoelde regels wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie. 4 Het in het derde lid strafbaar gestelde feit is een overtreding. 2020 79 04-03-2020 05-02-2020 35248 2020 378 14-10-2020 24-09-2020 01-01-2021 Treedt voor de zeehavengebieden, genoemd in artikel 2, eerste lid,
onderdelen a tot en met e, in werking op 1 januari 2021. Treedt voor
het zeehavengebied Scheldemonden, voor zover hoofdstuk III van het
Scheldereglement daarop niet van toepassing is, in werking op een
bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip (Stb. 2020/378).
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 1 artikelen 7, eerste lid 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden artikelen 37a, eerste lid 38 Onverminderd de, enkunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, voor het gehele land of een gedeelte daarvan de, engezamenlijk of afzonderlijk in werking worden gesteld. 2 Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde bepaling. 3 Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking is gesteld, onverwijld buiten werking gesteld. 4 Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, wordt de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking is gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten. 5 Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking. 6 Staatsblad Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in ieder geval geplaatst in het. 2004 686 28-12-2004 02-12-2004 29514 2005 118 15-03-2005 23-02-2005 16-03-2005
Artikel 37a — Artikel 37a#
Artikel 37a 1 Dit lid is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit lid in werking treden. In afwijking van het bij of krachtens deze wet bepaalde kan Onze Minister de maatregelen treffen die hij nodig acht in het belang van een ordelijk verloop van het scheepvaartverkeer. 2 Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de door hem krachtens het eerste lid getroffen maatregelen. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden. 1 artikelen 4 tot en met 13 Toepassing van het bepaalde bij of krachtens dekan ten aanzien van de Nederlandse territoriale zee of daarop aansluitende scheepvaartwegen mede geschieden in het belang van de uitwendige veiligheid. 2 artikelen 4 tot en met 13 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat hetgeen bij of krachtens deis bepaald en hetgeen door besturen van andere openbare lichamen dan het Rijk is bepaald bij of krachtens verordeningen die betrekking hebben op de ordening van het scheepvaartverkeer op scheepvaartwegen, geen toepassing vindt ten aanzien van schepen of andere vaartuigen, welke in gebruik zijn voor de uitvoering van de militaire taak. 3 artikelen 4 tot en met 13 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat hetgeen bij of krachtens deis bepaald en hetgeen door besturen van andere openbare lichamen dan het Rijk is bepaald bij of krachtens verordeningen die betrekking hebben op de ordening van het scheepvaartverkeer op scheepvaartwegen, geen toepassing vindt ten aanzien van schepen of andere vaartuigen, welke worden gebruikt ten behoeve van de in die maatregel aangewezen overheidsdiensten.
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 1 Het bij of krachtens de Oorlogswet voor Nederland aangewezen militair gezag is bevoegd om indien de beperkte of de algemene noodtoestand is afgekondigd, met betrekking tot de ordening van het scheepvaartverkeer op scheepvaartwegen regels te stellen in afwijking van hetgeen is bepaald bij of krachtens deze wet en van hetgeen door besturen van andere openbare lichamen dan het Rijk is bepaald bij of krachtens verordeningen die betrekking hebben op de ordening van het scheepvaartverkeer op scheepvaartwegen, voorzover zulks met het oog op de uitvoering van de militaire taak ter handhaving van de uitwendige of inwendige veiligheid noodzakelijk is. 2 Overtreding van de in het eerste lid bedoelde regels wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie. 3 Het in het tweede lid strafbaar gestelde feit is een overtreding. 1996 366 09-07-1996 03-04-1996 23791 1997 172 29-04-1997 23-04-1997 01-05-1997 De artikelen 38, geheel of gedeeltelijk, en artikel 39, eerste
lid, kunnen volgens artikel 7, eerste lid en artikel 8, eerste
lid van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden in beperkte en
in algemene noodtoestand in werking worden gesteld.
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 Vervallen 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 De toepasselijkheid van deze wet wordt beperkt door de in het volkenrecht erkende uitzonderingen. 1988 352 28-07-1988 07-07-1988 20289 1988 389 11-08-1988 20289 01-09-1988
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 De bevoegdheid van provinciale staten, gemeenteraden, waterschappen en havenschappen tot het stellen van regels blijft ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, gehandhaafd, voorzover die regels niet in strijd zijn met de bij of krachtens deze wet gestelde regels. 2005 532 01-11-2005 06-10-2005 29316 2005 533 01-11-2005 20-10-2005 08-03-2006 2005 530 01-11-2005 06-10-2005 28995 2005 531 01-11-2005 20-10-2005 08-03-2006
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 Stb. De Wet van 15 april 1891 (91), houdende bepalingen ter voorkoming van aanvaring of aandrijving op de openbare wateren in het Rijk, die voor de scheepvaart openstaan, wordt ingetrokken, met dien verstande dat de krachtens genoemde wet gestelde regels worden geacht te zijn gesteld krachtens deze wet. 1988 352 28-07-1988 07-07-1988 20289 1988 389 11-08-1988 20289 01-09-1988
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 Stb. De Wet van 20 april 1895 (71) tot regeling van het bakenwezen op openbare wateren wordt ingetrokken. 1988 352 28-07-1988 07-07-1988 20289 1988 389 11-08-1988 20289 01-09-1988
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 Stb. De Zeeaanvaringswet 1977 (1979, 196) wordt ingetrokken, met dien verstande dat de krachtens die wet gestelde regels worden geacht te zijn gesteld krachtens deze wet. 1988 352 28-07-1988 07-07-1988 20289 1988 389 11-08-1988 20289 01-09-1988
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1988 352 28-07-1988 07-07-1988 20289 1988 389 11-08-1988 20289 01-09-1988
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 Vervallen 2007 559 27-12-2007 20-12-2007 30913 2007 560 27-12-2007 20-12-2007 01-01-2008
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1988 352 28-07-1988 07-07-1988 20289 1988 389 11-08-1988 20289 01-09-1988
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 1 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 2 De krachtens artikel 1, onderdeel 1° en 2°, van de Wet van 28 februari 1891 tot vaststelling van bepalingen betreffende ’s Rijks waterstaatswerken vóór de inwerkingtreding van het eerste lid van dit artikel gestelde regels die betrekking hebben op het deelnemen aan het scheepvaartverkeer, worden geacht te zijn gesteld krachtens deze wet. 1988 352 28-07-1988 07-07-1988 20289 1988 389 11-08-1988 20289 01-09-1988
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1988 352 28-07-1988 07-07-1988 20289 1988 389 11-08-1988 20289 01-09-1988
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 Vervallen 2012 316 16-07-2012 12-07-2012 32822 2012 317 16-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 1 artikelen 4, eerste lid, onderdeel a 9, tweede lid 10, tweede en derde lid artikel 11, eerste en tweede lid 16a Staatscourant Het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de,,,,, dat niet uitsluitend bepalingen bevat ter implementatie van een besluit van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart, wordt gelijktijdig in debekend gemaakt en aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. 2 Gedurende 30 dagen vanaf de dag waarop de bekendmaking is geschied, kan een ieder met betrekking tot het ontwerp zijn zienswijze naar voren brengen bij Onze Minister. 3 Binnen de in het tweede lid bedoelde termijn kan door of namens een der Kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der Kamers van de Staten-Generaal de wens te kennen worden gegeven dat het in de maatregel te regelen onderwerp bij de wet wordt geregeld. 4 In het geval, bedoeld in het derde lid, dienen Wij zo spoedig mogelijk een desbetreffend wetsvoorstel in. 2020 79 04-03-2020 05-02-2020 35248 2020 378 14-10-2020 24-09-2020 01-01-2021 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is. Treedt voor de zeehavengebieden, genoemd in artikel 2, eerste lid,
onderdelen a tot en met e, in werking op 1 januari 2021. Treedt voor
het zeehavengebied Scheldemonden, voor zover hoofdstuk III van het
Scheldereglement daarop niet van toepassing is, in werking op een
bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip (Stb. 2020/378).
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 1 De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de onderscheidene artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2 Staatsblad Bij de inwerkingtreding van deze wet stelt Onze Minister van Veiligheid en Justitie de nummering van de artikelen, paragrafen en hoofdstukken van deze wet opnieuw vast, en brengt de in deze wet voorkomende aanhalingen van de artikelen, paragrafen en hoofdstukken met de nieuwe nummering in overeenstemming. Hij draagt zorg dat de overeenkomstig de eerste volzin bijgewerkte tekst van deze wet in hetwordt geplaatst. 2012 316 16-07-2012 12-07-2012 32822 2012 317 16-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 Deze wet kan worden aangehaald als: Scheepvaartverkeerswet. 1988 352 28-07-1988 07-07-1988 20289 1988 389 11-08-1988 20289 01-09-1988
Artikel 10#
artikel 10, eerste lid
Artikel 10#
artikel 10, eerste lid