Wet van 23 december 1988, tot vervanging van de Monumentenwet
- BWB-id
- BWBR0004471
- Type
- Wet
- Ministerie
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Geldigheid
- 2016-04-14 t/m 2016-06-30
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0004471
- ELI
- /eli/nl/wet/1989/monumentenwet-1988
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1989/monumentenwet-1988/2016-04-14
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0004471&g=2016-04-14
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0004471&z=2026-06-06&g=2016-04-14
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0004471/2016-04-14
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1989/monumentenwet-1988
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Onze minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; b. monumenten: 1. vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde; 2. terreinen welke van algemeen belang zijn wegens daar aanwezige zaken als bedoeld onder 1; c. archeologische monumenten: de monumenten, bedoeld in onderdeel b, onder 2; d. beschermde monumenten: onroerende monumenten welke zijn ingeschreven in de ingevolge deze wet vastgestelde registers; e. kerkelijke monumenten: onroerende monumenten welke eigendom zijn van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en welke uitsluitend of voor een overwegend deel worden gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging; f. stads- en dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden; g. artikel 35 Nederlandse Staatscourant beschermde stads- en dorpsgezichten: stads- en dorpsgezichten die door Onze minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu als zodanig ingevolgevan deze wet zijn aangewezen, met ingang van de datum van publikatie van die aanwijzing in de; h. het doen van opgravingen: het verrichten van werkzaamheden met als doel het opsporen of onderzoeken van monumenten, waardoor verstoring van de bodem optreedt; i. artikel 2a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid de Raad: de Raad voor cultuur, bedoeld in. 2013 88 08-03-2013 07-02-2013 33336 2013 276 03-07-2013 29-05-2013 04-07-2013
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Bij de toepassing van deze wet wordt rekening gehouden met het gebruik van het monument. 2 Met betrekking tot een kerkelijk monument wordt geen beslissing genomen ingevolge deze wet dan na overleg met de eigenaar. 1988 638 23-12-1988 19881 1988 639 23-12-1988 01-01-1989
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 Onze minister kan ambtshalve onroerende monumenten aanwijzen als beschermd monument. 2 Wegenverkeerswet 1994 Voordat Onze minister ter zake een beschikking geeft, vraagt hij advies aan burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het monument is gelegen en, indien de monumenten zijn gelegen buiten de krachtens devastgestelde bebouwde kom, tevens aan gedeputeerde staten. 3 Onze minister doet mededeling van de adviesaanvraag, bedoeld in het tweede lid, aan degenen die in de basisregistratie kadaster als eigenaar en beperkt gerechtigde staan vermeld. 4 artikel 2, tweede lid Burgemeester en wethouders stellen de in het derde lid genoemde belanghebbenden in de gelegenheid zich te doen horen en plegen het overleg, bedoeld in. 5 Burgemeester en wethouders brengen hun advies uit binnen vijf maanden na de verzending van de in het tweede lid bedoelde adviesaanvraag, gedeputeerde staten binnen vier maanden. 6 Onze minister beslist, de Raad gehoord, binnen tien maanden na de datum van de verzending van de adviesaanvraag aan burgemeester en wethouders. 2011 330 30-06-2011 06-06-2011 32433 2011 331 30-06-2011 17-06-2011 01-01-2012 Artikel III, eerste lid, van Stb. 2011/330 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Onze minister doet mededeling van zijn beschikking aan burgemeester en wethouders en aan gedeputeerde staten. Ingeval van aanwijzing leggen burgemeester en wethouders de beschikking op de secretarie ter inzage. De burgemeester maakt die terinzagelegging op de gebruikelijke wijze bekend. 2005 530 01-11-2005 06-10-2005 28995 2005 531 01-11-2005 20-10-2005 08-03-2006
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 artikel 3, derde lid artikel 6, eerste lid artikel 7, derde lid artikelen 11 tot en met 29 artikel 63, eerste en derde lid Met ingang van de datum waarop de mededeling, bedoeld in, heeft plaatsgevonden tot het moment dat inschrijving in het register, bedoeld in, of, plaatsvindt dan wel vaststaat dat het monument niet in een van die registers wordt ingeschreven, zijn op een archeologisch monument deen, van overeenkomstige toepassing. 2 Gedurende de periode, bedoeld in het eerste lid, zijn op een ander monument dan een archeologisch monument van overeenkomstige toepassing: a. artikelen 11, eerste lid 63, tweede en derde lid de, en; en b. hoofdstukken 2 3 4 6 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikel 1.1 van die wet de,,envoor zover die betrekking hebben op een beschermd monument als bedoeld in. 2011 330 30-06-2011 06-06-2011 32433 2011 331 30-06-2011 17-06-2011 01-01-2012 Artikel III, eerste lid, van Stb. 2011/330 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 Onze minister houdt voor elke gemeente een register aan van de beschermde monumenten. In het register schrijft hij de monumenten in die hij heeft aangewezen, voorzover geen beroep tegen die aanwijzing is ingesteld of een beroep is afgewezen. 2 Van de inschrijving in het register zendt Onze minister aan gedeputeerde staten en aan burgemeester en wethouders telkens één afschrift. 3 Het aan burgemeester en wethouders gezonden afschrift wordt ter inzage ter secretarie van de gemeente neergelegd. Een ieder kan zich aldaar op zijn kosten afschriften doen verstrekken. 2007 115 29-03-2007 05-03-2007 30608 2007 219 26-06-2007 08-06-2007 01-07-2007
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 artikel 3, tweede tot en met zesde lid artikel 4 artikel 6 Indien het monument niet gelegen is binnen het grondgebied van enige gemeente, zijn,enniet van toepassing. 2 Alvorens Onze minister ten aanzien van een monument als bedoeld in het eerste lid een beschikking geeft, hoort hij de Raad. 3 Onze minister houdt een landelijk register aan waarin hij de door hem aangewezen monumenten, bedoeld in het eerste lid, inschrijft voorzover geen beroep tegen die aanwijzing is ingesteld of een beroep is afgewezen. Een afschrift van de inschrijving wordt gezonden aan de instantie die het betrokken gebied beheert alsmede, indien het monument is gelegen binnen het grondgebied van een provincie, aan gedeputeerde staten. 2011 330 30-06-2011 06-06-2011 32433 2011 331 30-06-2011 17-06-2011 01-01-2012 Artikel III, eerste lid, van Stb. 2011/330 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 artikelen 3 tot en met 7 Onze minister is bevoegd ambtshalve of op verzoek van belanghebbenden in het register wijzigingen aan te brengen. Dezijn van overeenkomstige toepassing. 2 artikel 3 Indien de wijziging naar het oordeel van Onze minister van ondergeschikte betekenis is of indien de wijziging betreft het doorhalen van de inschrijving van een monument dat is teniet gegaan, blijft overeenkomstige toepassing vanachterwege. 1988 638 23-12-1988 19881 1988 639 23-12-1988 01-01-1989
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 Van wijziging in de kadastrale aanduiding van een beschermd monument geeft de bewaarder van het kadaster en de openbare registers binnen veertien dagen kennis aan Onze minister, die deze wijziging aanbrengt in het register. 2 Onze minister doet mededeling van de wijziging aan gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders. 2008 563 23-12-2008 18-12-2008 31345 2008 563 23-12-2008 18-12-2008 31345 01-01-2009 Artikel II van Stb. 2008/563 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 artikel 1, onderdeel e, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken Indien de afschriften van het register niet overeenstemmen met het register dan wel onderling niet gelijkluidend zijn, worden als beschermd monument slechts aangemerkt de monumenten die staan vermeld op het afschrift van het register, dat is opgenomen in de openbare registers, bedoeld in. 2007 115 29-03-2007 05-03-2007 30608 2007 219 26-06-2007 08-06-2007 01-07-2007
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 Het is verboden een beschermd monument te beschadigen of te vernielen. 2 Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning: a. een beschermd archeologisch monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; b. een beschermd archeologisch monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 artikel 11, tweede lid Een aanvraag om vergunning als bedoeld in, wordt ingediend bij burgemeester en wethouders. 2 Artikel 3.1, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is van overeenkomstige toepassing. 2011 330 30-06-2011 06-06-2011 32433 2011 331 30-06-2011 17-06-2011 01-01-2012 Artikel III, eerste lid, van Stb. 2011/330 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 artikel 12 artikel 7, eerste lid In afwijking van het bepaalde inwordt een aanvraag om vergunning die betrekking heeft op een archeologisch monument als bedoeld in, ingediend bij Onze minister. 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 artikel 11, tweede lid Onze minister beslist op een aanvraag om vergunning als bedoeld in. 2 Onze minister kan een rapport verlangen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van Onze minister in voldoende mate is vastgesteld. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud en inrichting van het rapport, bedoeld in het tweede lid. 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 14a — Artikel 14a#
Artikel 14a 1 artikel 11, tweede lid afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht artikelen 3:11 tot en met 3:17 van die wet Op de voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning als bedoeld in, isvan toepassing, met dien verstande dat burgemeester en wethouders ten aanzien van het door Onze minister opgestelde ontwerp van het besluit toepassing geven aan de. 2 Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder. 3 Burgemeester en wethouders zenden tijdig naar voren gebrachte zienswijzen onmiddellijk door aan Onze minister. 4 Artikel 3:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. 5 artikel 13 artikelen 3:11 tot en met 3:17 van die wet In afwijking van het eerste lid geeft Onze minister in gevallen als bedoeld intoepassing aan de. Het tweede, derde en vierde lid zijn niet van toepassing. 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 artikel 2.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht De gemeenteraad stelt een verordening vast waarin ten minste de inschakeling wordt geregeld van een commissie op het gebied van de monumentenzorg die in elk geval tot taak heeft te adviseren over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in. Van de commissie maken geen deel uit leden van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente. Binnen de commissie zijn enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg. 2 Burgemeester en wethouders vragen de commissie op het gebied van de monumentenzorg advies, voordat: a. artikel 2.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zij beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in; of b. artikel 2.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zij advies uitbrengen omtrent een aanvraag om of het ontwerp van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in. 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Vervallen 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 artikel 12 Burgemeester en wethouders zenden de aanvraag, bedoeld in, onmiddellijk na ontvangst aan Onze minister door. Zij zenden gelijktijdig afschrift aan gedeputeerde staten en stellen de aanvrager schriftelijk in kennis van de datum van doorzending. 2 artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht Indien Onze minister niet voldoet aan, wordt de vergunning geacht te zijn verleend. 3 Titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht De werking van de vergunning wordt opgeschort, totdat de beroepstermijn is verstreken, of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. De vergunninghouder kan de voorzieningenrechter van de rechtbank onderscheidenlijk de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzoeken de opschorting op te heffen.is van overeenkomstige toepassing. 4 Onze minister doet van de beschikking op de aanvraag om vergunning mededeling aan burgemeester en wethouders en aan gedeputeerde staten. 2011 330 30-06-2011 06-06-2011 32433 2011 331 30-06-2011 17-06-2011 01-01-2012 Artikel III, eerste lid, van Stb. 2011/330 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 Vervallen 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 artikel 11, tweede lid Onze minister kan aan een vergunning als bedoeld in, voorschriften verbinden in het belang van de archeologische monumentenzorg. 2 De vergunning kan voor een bepaalde tijd worden verleend. 3 artikel 11, tweede lid Aan een vergunning als bedoeld in, kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door Onze minister bij de vergunning te stellen kwalificaties. 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 artikel 7, eerste lid artikel 11, tweede lid artikel 2.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Burgemeester en wethouders, en voor zover het monumenten als bedoeld in, betreft, Onze minister houden een openbaar register aan waarin aantekening wordt gehouden van omgevingsvergunningen voor een activiteit als bedoeld inen vergunningen als bedoeld in. 2 In het in het eerste lid bedoelde register worden voorts aangetekend: a. de datum van de vergunning; b. het nummer van de vergunning; c. de plaats van het monument waarop de vergunning betrekking heeft, alsmede van de van belang zijnde kadastrale gegevens daarvan; d. de aard van de werkzaamheden. 3 Aantekening als bedoeld in het tweede lid vindt plaats binnen een week na de dag waarop een vergunning is verleend of wordt geacht te zijn verleend. 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 artikel 5.19 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikel 11, tweede lid Onverminderdkan Onze minister een vergunning als bedoeld in, intrekken, indien de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen. 2 Van een besluit tot intrekking van een vergunning wordt mededeling gedaan aan burgemeester en wethouders en aan gedeputeerde staten. 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 artikel 11, tweede lid Voorzover blijkt dat de aanvrager van een vergunning als bedoeld in, ten gevolge van de weigering daarvan of ten gevolge van de aan de vergunning verbonden voorschriften schade lijdt, welke redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent Onze minister, de schadebeoordelingscommissie gehoord, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. 2011 330 30-06-2011 06-06-2011 32433 2011 331 30-06-2011 17-06-2011 01-01-2012 Artikel III, eerste lid, van Stb. 2011/330 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 Onze minister stelt met het oog op de advisering over één of meer verzoeken om schadevergoeding een schadebeoordelingscommissie in. 2 De schadebeoordelingscommissie bestaat uit een of meer leden. 3 Een lid van de schadebeoordelingscommissie mag niet de betrekking bekleden van ambtenaar in dienst van het ministerie of van een dienst, bedrijf of instelling, werkzaam onder verantwoordelijkheid van Onze minister. 4 Met ambtenaar, bedoeld in het derde lid, worden voor de toepassing van dit hoofdstuk, gelijkgesteld zij die op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn. 1988 638 23-12-1988 19881 1988 639 23-12-1988 01-01-1989
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 1 Onze minister zendt binnen veertien dagen na de dag waarop het verzoek om schadevergoeding is ingediend, het verzoekschrift aan de schadebeoordelingscommissie, vergezeld van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. 2 Onze minister verleent aan de schadebeoordelingscommissie de gevraagde medewerking. 1988 638 23-12-1988 19881 1988 639 23-12-1988 01-01-1989
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 De schadebeoordelingscommissie stelt de verzoeker of zijn gemachtigde in de gelegenheid zijn verzoek om schadevergoeding in een openbare vergadering tegenover haar nader toe te lichten. 2 De schadebeoordelingscommissie kan ambtenaren in dienst van het ministerie of van een dienst, bedrijf of instelling, werkzaam onder verantwoordelijkheid van Onze minister oproepen om in de openbare vergadering te verschijnen tot het geven van inlichtingen. 3 Indien de schadebeoordelingscommissie een plaatsopneming wil houden, deelt zij het tijdstip van de plaatsopneming vooraf mede aan de verzoeker en aan Onze minister. 1988 638 23-12-1988 19881 1988 639 23-12-1988 01-01-1989
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 De schadebeoordelingscommissie brengt binnen drie maanden na de dag waarop het verzoek om schadevergoeding is ingediend, advies uit aan Onze minister. Zij zendt gelijktijdig een exemplaar daarvan aan de verzoeker. 1988 638 23-12-1988 19881 1988 639 23-12-1988 01-01-1989
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 1 Onze minister stelt de verzoeker in de gelegenheid schriftelijk, of mondeling in tegenwoordigheid van de schadebeoordelingscommissie, zijn opvatting omtrent het advies kenbaar te maken. 2 De schadebeoordelingscommissie verstrekt Onze minister desgevraagd nadere toelichting op het advies en geeft desgevraagd haar mening omtrent de opvatting daarover van de verzoeker. 1988 638 23-12-1988 19881 1988 639 23-12-1988 01-01-1989
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 De kosten van de schadebeoordelingscommissie worden de verzoeker niet in rekening gebracht. 1988 638 23-12-1988 19881 1988 639 23-12-1988 01-01-1989
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 Onze minister beslist binnen twee maanden na ontvangst van het advies van de schadebeoordelingscommissie. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 Vervallen 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 Vervallen 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 Vervallen 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 Vervallen 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 1 Onze minister kan subsidie verstrekken ten behoeve van de instandhouding van beschermde monumenten. Onder instandhouding wordt verstaan de onderhoudswerkzaamheden aan een beschermd monument alsmede werkzaamheden die het normale onderhoud te boven gaan en die voor het herstel van het monument noodzakelijk zijn. 2 De subsidie bestaat uit hetzij een vast bedrag per jaar hetzij een percentage van de door Onze minister vast te stellen kosten. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het verstrekken van subsidie, bedoeld in het eerste lid. Deze regels kunnen betrekking hebben op: a. de criteria op grond waarvan subsidie kan worden verstrekt; b. de wijze waarop het subsidiebedrag wordt bepaald; c. de vaststelling van een subsidieplafond; d. de aanvraag van een subsidie; e. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend; f. de verplichtingen van de subsidie-ontvanger; g. de vaststelling van de subsidie; h. de betaling en terugvordering van de subsidie, alsmede het verlenen van voorschotten op de subsidie. 4 Indien bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt voorzien in een subsidieplafond, worden daarbij regels gesteld omtrent de wijze van verdeling. 5 De voordracht voor een krachtens het derde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Het tijdstip van de overlegging wordt zodanig gekozen dat ten minste drie vierde deel van de termijn buiten een reces van de kamers valt. 6 Onze minister kan tevens subsidie verstrekken in verband met de herbestemming van onroerende monumenten. 7 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verstrekken van de subsidie, bedoeld in het zesde lid. De tweede volzin van het derde lid is van toepassing en het vierde lid is van overeenkomstige toepassing. 2011 330 30-06-2011 06-06-2011 32433 2011 331 30-06-2011 17-06-2011 01-07-2011
Artikel 34a — Artikel 34a#
Artikel 34a 1 Onze minister kan, volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels, aan een gemeente of een provincie een specifieke uitkering verstrekken voor de bestrijding van de kosten van het doen van opgravingen, voor zover die kosten in redelijkheid niet volledig ten laste dienen te komen van: a. degene die tot het doen van opgravingen is verplicht; b. de gemeente waarvan de gemeenteraad of burgemeester en wethouders tot het doen van de opgravingen heeft onderscheidenlijk hebben verplicht; of c. de provincie waarvan provinciale staten of gedeputeerde staten tot het doen van de opgravingen hebben verplicht. 2 De regels, bedoeld in het eerste lid, hebben betrekking op: a. de criteria op grond waarvan de uitkering kan worden verstrekt; b. de wijze waarop het uitkeringsbedrag wordt bepaald; c. de aanvraag van een uitkering; d. de voorwaarden waaronder de uitkering wordt verleend; e. de verplichtingen van de ontvanger van de uitkering; f. de vaststelling van de uitkering; en g. de betaling en terugvordering van de uitkering, alsmede het verlenen van voorschotten. 3 artikel 23 artikelen 24 tot en met 29 Onze minister kan de schadebeoordelingscommissie, bedoeld in, advies vragen over verzoeken om specifieke uitkeringen als bedoeld in het eerste lid. Dezijn daarbij niet van toepassing. 4 De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Het tijdstip van de overlegging wordt zodanig gekozen dat ten minste drie vierde deel van de termijn buiten een reces van de kamers valt. 2007 42 06-02-2007 21-12-2006 29259 2007 293 28-08-2007 21-08-2007 01-01-2008
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 1 Gehoord de gemeenteraad, gedeputeerde staten en de Raad, kunnen Onze minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stads- en dorpsgezichten aanwijzen als beschermd stads- of dorpsgezicht en kunnen zij zodanige aanwijzingen intrekken. 2 Onze minister zendt het voorstel tot aanwijzing of intrekking gelijktijdig aan de gemeenteraad, gedeputeerde staten en de Raad. De gemeenteraad brengt advies uit via gedeputeerde staten binnen 6 maanden, gedeputeerde staten binnen 9 maanden en de Raad binnen 12 maanden na verzending van het voorstel. 3 Onze minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu beslissen over aanwijzing of intrekking binnen zestien maanden na verzending van het voorstel. 4 Staatscourant De bekendmaking van een besluit tot aanwijzing of tot intrekking daarvan geschiedt door plaatsing in de. Van het besluit wordt mededeling gedaan in de daarvoor in aanmerking komende dag- of nieuwsbladen en aan de gemeenteraad, gedeputeerde staten en de Raad. 2013 88 08-03-2013 07-02-2013 33336 2013 276 03-07-2013 29-05-2013 04-07-2013
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 1 Wet ruimtelijke ordening De gemeenteraad stelt ter bescherming van een beschermd stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- en dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld. 2 Wet ruimtelijke ordening Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt, dan wel of een beheersverordening als bedoeld in de, Onze minister gehoord, kan worden vastgesteld. 3 artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening artikel 3.1, eerste lid, van die wet die wet Indien een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste of tweede lid, opnieuw moet worden vastgesteld ingevolge, kan de gemeenteraad, Onze minister gehoord, in afwijking van, voor het desbetreffende gebied een beheersverordening als bedoeld invaststellen. 2011 330 30-06-2011 06-06-2011 32433 2011 331 30-06-2011 17-06-2011 01-01-2012 Artikel III, eerste lid, van Stb. 2011/330 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 Vervallen 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 1 De gemeenteraad kan in het belang van de archeologische monumentenzorg bij verordening onder meer: a. regels vaststellen met betrekking tot de eisen die burgemeester en wethouders kunnen stellen aan onderzoek in het kader van het doen van opgravingen; of b. gevallen vaststellen waarin burgemeester en wethouders kunnen afzien van nader archeologisch onderzoek of het opleggen van daartoe strekkende verplichtingen. 2 artikel 38a Indien een verordening als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een gebied waarvoor een bestemmingsplan als bedoeld inis vastgesteld, blijft die verordening van kracht voor zover zij niet met dat bestemmingsplan in strijd is. 3 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Op de voorbereiding van een verordening als bedoeld in het eerste lid isvan toepassing. 2007 42 06-02-2007 21-12-2006 29259 2007 293 28-08-2007 21-08-2007 01-09-2007
Artikel 38a — Artikel 38a#
Artikel 38a artikel 3.1 artikel 3.38, van de Wet ruimtelijke ordening De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in, onderscheidenlijken bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. 2008 180 03-06-2008 22-05-2008 30938 2008 227 26-06-2008 16-06-2008 01-07-2008
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 1 artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische monumentenzorg een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit als bedoeld inverplicht worden gesteld. 2 Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid een rapport dient over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen in voldoende mate is vastgesteld. 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 1 artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikel 39, tweede lid Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld ineen rapport dient over te leggen als bedoeld in. 2 artikel 2.22, derde lid, onderdeel d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat aan een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid voorschriften kunnen worden verbonden die zijn vastgesteld krachtens. 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 1 artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikel 1.1 van die wet De aanvrager van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld inkan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden verplicht een rapport over te leggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag als bedoeld inin voldoende mate is vastgesteld. 2 artikel 2.1, eerste lid, onderdeel h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikel 1.1 van die wet De aanvrager van een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit als bedoeld inkan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden verplicht een rapport over te leggen, waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag als bedoeld inin voldoende mate is vastgesteld. 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 41a — Artikel 41a#
Artikel 41a artikelen 39 40 41, eerste lid 2 De,en, zijn niet van toepassing op projecten met een oppervlakte kleiner dan 100 m; de gemeenteraad kan een hiervan afwijkende andere oppervlakte vaststellen. 2011 330 30-06-2011 06-06-2011 32433 2011 331 30-06-2011 17-06-2011 01-01-2012 Artikel III, eerste lid, van Stb. 2011/330 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 Vervallen 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 artikelen 39, tweede lid 40, eerste lid 41, eerste en tweede lid Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud en inrichting van het rapport, bedoeld in de,, en. 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 1 Voor zover bij de vaststelling van geldende bestemmingsplannen onvoldoende rekening is gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten, kunnen provinciale staten binnen het grondgebied van de provincie gebieden die archeologisch waardevol zijn of naar verwachting archeologisch waardevol zijn, aanwijzen als archeologische attentiegebieden. 2 De gemeenteraad stelt binnen een door provinciale staten te stellen termijn in verband met een aangewezen archeologisch attentiegebied een bestemmingsplan vast. 3 Gedeputeerde staten melden een aanwijzingsbesluit als bedoeld in het eerste lid aan Onze minister. 4 artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening Provinciale staten houden bij de vaststelling of de herziening van een structuurvisie als bedoeld inrekening met aangewezen archeologische attentiegebieden. 5 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid isvan toepassing. 2008 180 03-06-2008 22-05-2008 30938 2008 227 26-06-2008 16-06-2008 01-07-2008
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 1 Het doen van opgravingen zonder of in afwijking van een opgravingsvergunning van Onze minister is verboden. 2 De opgravingsvergunning wordt verleend, indien de aanvrager aantoont bekwaam te zijn tot het doen van opgravingen. 3 De opgravingsvergunning kan onder beperkingen worden verleend. 4 In verband met de verlening van een opgravingsvergunning kunnen door Onze minister kosten in rekening worden gebracht volgens door hem vast te stellen tarieven. 5 artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht Met toepassing vanisniet van toepassing op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid. 2011 201 03-05-2011 07-04-2011 32614 2011 201 03-05-2011 07-04-2011 32614 01-01-2012
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 1 De houder van een opgravingsvergunning meldt de aanvang van een opgraving aan Onze minister. 2 Binnen twee weken na voltooiing van de opgraving meldt de houder van een opgravingsvergunning aan Onze minister de eerste bevindingen. 3 Binnen twee jaar na voltooiing van de opgraving conserveert de houder van een opgravingsvergunning de roerende monumenten die zijn gevonden bij die opgraving en draagt de geconserveerde monumenten alsmede de daarbij behorende opgravingsdocumentatie over aan de eigenaar. 4 Binnen twee jaar na voltooiing van de opgraving legt de houder van een opgravingsvergunning zowel aan Onze minister als aan de eigenaar als aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de opgraving is voltooid, een rapport over, waarin de resultaten van de opgraving zijn beschreven. 5 Aan de opgravingsvergunning kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg andere voorschriften worden verbonden dan genoemd in het eerste tot en met vierde lid. 6 Onze minister kan ontheffing verlening van de voorschriften, bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid. 2007 42 06-02-2007 21-12-2006 29259 2007 293 28-08-2007 21-08-2007 01-09-2007
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 Onze minister kan de opgravingsvergunning intrekken indien de vergunninghouder naar het oordeel van Onze minister niet langer bekwaam is tot het doen van opgravingen, zich niet houdt aan de gestelde beperkingen of de gestelde voorschriften niet naleeft. 2007 42 06-02-2007 21-12-2006 29259 2007 293 28-08-2007 21-08-2007 01-09-2007
Artikel 47a — Artikel 47a#
Artikel 47a artikelen 45 tot en met 47 artikel 1 van de Rijkswet instelling aansluitende zone Dezijn van toepassing in de aansluitende zone, bedoeld in. 2007 42 06-02-2007 21-12-2006 29259 2007 293 28-08-2007 21-08-2007 01-09-2007
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 1 artikel 45, tweede lid artikel 45, derde lid artikel 46, eerste tot en met het vierde lid Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten aanzien van de bekwaamheidseis, bedoeld in, de beperkingen, bedoeld in, en kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de voorschriften, bedoeld in. 2 De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, geeft in ieder geval regels over de wijze waarop wordt gewaarborgd dat het onderzoek in verband met en de uitvoering van de opgravingen voldoen aan eisen van wetenschappelijke zorgvuldigheid en wetenschappelijke relevantie. 3 De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Het tijdstip van de overlegging wordt zodanig gekozen dat ten minste drie vierde deel van de termijn buiten een reces van de kamers valt. 2007 42 06-02-2007 21-12-2006 29259 2007 293 28-08-2007 21-08-2007 01-09-2007
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 1 artikel 1.1, onder c, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek Op verzoek van een instelling voor wetenschappelijk onderwijs als bedoeld indan wel van een instelling voor wetenschappelijk onderwijs, gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte, kan Onze minister beslissen dat een bepaalde opgraving door die instelling wordt uitgevoerd, indien: a. de desbetreffende opgraving van uitzonderlijk belang is voor het specifieke onderzoeksprogramma van de instelling; b. de instelling over voldoende capaciteit beschikt om de opgraving binnen een redelijke termijn uit te voeren; c. de mogelijke marktverstorende effecten van het besluit van Onze minister beperkt zijn; d. de mogelijke nadelige financiële gevolgen voor degene die tot het doen van de opgraving is verplicht, niet onevenredig zijn; en e. artikel 45 aan de instelling een vergunning als bedoeld inis verleend. 2 artikel 2 van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek Voordat Onze minister een beslissing als bedoeld in het eerste lid neemt, wint hij advies in van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, bedoeld in. 2009 616 24-12-2009 23-12-2009 31859 2009 617 24-12-2009 23-12-2009 28-12-2009
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 Roerende monumenten die zijn gevonden bij het doen van opgravingen en waarop niemand zijn recht van eigendom kan bewijzen, zijn eigendom van: a. de provincie waar zij zijn gevonden, of b. artikel 51, tweede lid de gemeente waar zij zijn gevonden, indien die gemeente beschikt over een depot als bedoeld in, of c. de Staat, indien die monumenten buiten het grondgebied van enige gemeente zijn gevonden. 2007 42 06-02-2007 21-12-2006 29259 2007 293 28-08-2007 21-08-2007 01-09-2007
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 1 Gedeputeerde staten houden een depot in stand waarin roerende monumenten die zijn gevonden bij het doen van opgravingen binnen die provincie kunnen worden opgeslagen op een wijze die uit een oogpunt van behoud en toegankelijkheid verantwoord is. 2 Op verzoek van burgemeester en wethouders kunnen gedeputeerde staten in de desbetreffende gemeente een depot aanwijzen waarin roerende monumenten die zijn gevonden bij het doen van opgravingen kunnen worden opgeslagen op een wijze die uit een oogpunt van behoud en toegankelijkheid verantwoord is. 3 Onze minister wijst ten behoeve van de opslag van scheepsarcheologische monumenten die zijn gevonden bij het doen van opgravingen één of meer depots aan, die voor die opslag naar zijn oordeel in het bijzonder geschikt zijn. 4 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot verantwoorde en toegankelijke opslag van monumenten en de daarbij behorende documenten en rapporten eisen worden gesteld. 2007 42 06-02-2007 21-12-2006 29259 2007 293 28-08-2007 21-08-2007 01-09-2007
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 1 artikel 50 artikel 46, derde lid artikel 51, eerste tot en met derde lid Roerende monumenten als bedoeld inalsmede de daarbij behorende opgravingsdocumentatie, bedoeld in, worden opgeslagen in depots als bedoeld in. 2 artikel 51, derde lid Onze minister kan bepalen dat scheepsarcheologische monumenten die zijn gevonden bij het doen van opgravingen alsmede de daarbij behorende opgravingsdocumentatie worden opgeslagen in een depot als bedoeld in. 3 artikel 46, tweede lid artikel 50, onder a of b Onze minister kan, de Raad gehoord, binnen zes maanden na de melding, bedoeld in, bepalen dat een monument als bedoeld in, in verband met het belang daarvan voor het publiek, in beheer wordt gegeven aan een museale instelling. 2007 42 06-02-2007 21-12-2006 29259 2007 293 28-08-2007 21-08-2007 01-09-2007
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 1 Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is, meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij Onze minister. 2 De gerechtigde tot een roerend monument als bedoeld in het eerste lid, is gehouden het monument gedurende zes maanden, te rekenen van de dag van de in het eerste lid bedoelde melding, ter beschikking te houden of te stellen voor wetenschappelijk onderzoek. 2007 42 06-02-2007 21-12-2006 29259 2007 293 28-08-2007 21-08-2007 01-09-2007
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 Degene die bij het opsporen van monumenten, zonder dat daarbij verstoring van de bodem optreedt, waarnemingen doet, waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat die waarnemingen van belang zijn voor de archeologische monumentenzorg, meldt die waarnemingen zo spoedig mogelijk bij Onze minister. 2007 42 06-02-2007 21-12-2006 29259 2007 293 28-08-2007 21-08-2007 01-09-2007
Artikel 54a — Artikel 54a#
Artikel 54a artikelen 53 54 artikel 1 van de Rijkswet instelling aansluitende zone Deenzijn van toepassing in de aansluitende zone, bedoeld in. 2007 42 06-02-2007 21-12-2006 29259 2007 293 28-08-2007 21-08-2007 01-09-2007
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 1 Onze minister houdt een Centraal archeologisch informatiesysteem in stand waarin in ieder geval worden opgenomen en openbaar gemaakt: a. artikelen 6 7 de registers, bedoeld in deen, voor zover die archeologische monumenten betreffen; b. artikel 11, tweede lid de beslissingen op de aanvragen om vergunning, bedoeld in; c. artikel 44, eerste lid de besluiten, bedoeld in; d. artikel 46, vierde lid het rapport, bedoeld in; en e. artikelen 46, eerste en tweede lid 53, eerste lid 54 de meldingen, bedoeld in de,, en. 2 artikel 46, vierde lid Het auteursrecht op de rapporten, bedoeld in, en de daarin opgenomen werken is voorbehouden. 3 artikel 2, eerste lid, van de Databankenwet Het auteursrecht en het databankenrecht, bedoeld in, op het Centraal archeologisch informatiesysteem zijn voorbehouden. 4 Voor de verstrekking van informatie uit het Centraal archeologisch informatiesysteem kunnen kosten in rekening worden gebracht, volgens door Onze minister vast te stellen tarieven. 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 Onze minister kan bij schade dan wel dreigende schade aan archeologische monumenten voorschriften geven met betrekking tot de uitvoering van het werk dat die schade dan wel die dreiging veroorzaakt, dan wel gelasten dat dat werk voor bepaalde of onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk wordt stilgelegd. 2007 42 06-02-2007 21-12-2006 29259 2007 293 28-08-2007 21-08-2007 01-09-2007
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 1 Onze minister kan bepalen dat een rechthebbende ten aanzien van een terrein moet dulden dat dat terrein in het belang van een archeologisch onderzoek wordt betreden, dat daarop metingen worden verricht dan wel daarin opgravingen worden gedaan. 2 artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening artikel 3.38 van die wet artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding of uitvoering van een bestemmingsplan als bedoeld in, een beheersverordening als bedoeld inof een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld inkan bepalen dat een rechthebbende ten aanzien van een terrein moet dulden dat een terrein in het belang van archeologisch onderzoek wordt betreden, dat daarop metingen worden verricht dan wel dat daarin opgravingen worden gedaan, voor zover dat onderzoek dient ter voorbereiding of ter uitvoering daarvan. 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 1 artikelen 56 57, eerste lid Schade veroorzaakt door een maatregel als bedoeld in deof, wordt door Onze minister naar redelijkheid vergoed. 2 artikel 57, tweede lid Schade veroorzaakt door een maatregel als bedoeld in, wordt door het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 57, tweede lid, naar redelijkheid vergoed. 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 artikel 58 Rechtsvorderingen tot vergoeding van schade als bedoeld instaan ter kennisneming van de rechtbank binnen welker rechtsgebied het werk, onderscheidenlijk het onderzoek, wordt uitgevoerd. 2007 42 06-02-2007 21-12-2006 29259 2007 293 28-08-2007 21-08-2007 01-09-2007
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 artikelen 46, eerste en tweede lid 53, eerste lid 54 Onze minister kan formulieren vaststellen ten aanzien van de meldingen, bedoeld in de,, en. 2007 42 06-02-2007 21-12-2006 29259 2007 293 28-08-2007 21-08-2007 01-09-2007
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 Vervallen 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 62 — Artikel 62#
Artikel 62 Vervallen 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 63 — Artikel 63#
Artikel 63 1 Onze minister draagt zorg voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze wet. 2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikel 11, eerste lid Het bestuursorgaan dat met betrekking tot een monument bevoegd is een omgevingsvergunning als bedoeld in dete verlenen, draagt zorg voor de bestuursrechtelijke handhaving van, voor zover het een ander monument dan een archeologisch monument betreft. 3 artikelen 5.7 5.8 5.10 tot en met 5.16 5.18 tot en met 5.23 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikelen 5.3 tot en met 5.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht hoofdstuk II, paragraaf 2 Met betrekking tot de handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn de,,envan toepassing. Voorts zijn met betrekking tot de uitvoering en de handhaving van het bepaalde bij of krachtens, van deze wet devan toepassing. 2015 521 21-12-2015 09-12-2015 33872 2016 139 13-04-2016 01-04-2016 14-04-2016
Artikel 64 — Artikel 64#
Artikel 64 Vervallen 2008 563 23-12-2008 18-12-2008 31345 2008 563 23-12-2008 18-12-2008 31345 01-01-2009 Artikel II van Stb. 2008/563 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 65 — Artikel 65#
Artikel 65 Wet op de archeologische monumentenzorg die wet Een rijksdienst, een instelling voor wetenschappelijk onderwijs of een gemeente die ten tijde van de inwerkingtreding van deover een opgravingsvergunning voor onbepaalde tijd beschikt, blijft gerechtigd tot het doen van opgravingen onder de beperkingen en voorschriften die aan die vergunning zijn verbonden, gedurende twee jaar na inwerkingtreding van. 2007 42 06-02-2007 21-12-2006 29259 2007 293 28-08-2007 21-08-2007 01-09-2007
Artikel 66 — Artikel 66#
Artikel 66 1 Wet op de archeologische monumentenzorg Roerende monumenten die worden gevonden bij het doen van opgravingen die zijn begonnen, maar niet zijn voltooid ten tijde van de inwerkingtreding van deen waarop niemand zijn recht van eigendom kan bewijzen, zijn eigendom van de Staat. 2 Roerende monumenten als bedoeld in het eerste lid die zijn gevonden bij het doen van wettige opgravingen door een gemeente, zijn eigendom van die gemeente. 2007 42 06-02-2007 21-12-2006 29259 2007 293 28-08-2007 21-08-2007 01-09-2007
Artikel 67 — Artikel 67#
Artikel 67 Wet op de archeologische monumentenzorg artikel 65 Gedurende twee jaar na inwerkingtreding van dekunnen roerende monumenten die zijn gevonden bij het doen van opgravingen worden opgeslagen in de depots van de vergunninghoudende gemeenten, bedoeld in. 2007 42 06-02-2007 21-12-2006 29259 2007 293 28-08-2007 21-08-2007 01-09-2007
Artikel 68 — Artikel 68#
Artikel 68 Wet op de archeologische monumentenzorg artikel 65 artikel 51, tweede lid Gedeputeerde staten maken binnen een jaar na inwerkingtreding van deaan de gemeentelijke vergunninghouders, bedoeld in, kenbaar, hoe zij gebruik zullen maken van hun bevoegdheid, bedoeld in. 2007 42 06-02-2007 21-12-2006 29259 2007 293 28-08-2007 21-08-2007 01-09-2007
Artikel 69 — Artikel 69#
Artikel 69 Wet op de archeologische monumentenzorg die wet Wet op de archeologische monumentenzorg artikel 58, eerste lid artikel 63, eerste lid Besluiten die voor de inwerkingtreding van deop grond van het bijvervallen, zijn genomen, berusten na inwerkingtreding van deop. 2007 42 06-02-2007 21-12-2006 29259 2007 293 28-08-2007 21-08-2007 01-09-2007
Artikel 70 — Artikel 70#
Artikel 70 Deze wet wordt aangehaald als: Monumentenwet 1988. 2007 42 06-02-2007 21-12-2006 29259 2007 293 28-08-2007 21-08-2007 01-09-2007