Wet van 26 oktober 1988, houdende herziening van de wetgeving met betrekking tot de uitvoering van de postdienst
- BWB-id
- BWBR0004423
- Type
- Wet
- Ministerie
- Economische Zaken
- Geldigheid
- 2008-07-01 t/m 2009-03-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0004423
- ELI
- /eli/nl/wet/1989/postwet
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1989/postwet/2008-07-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0004423&g=2008-07-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0004423&z=2026-06-06&g=2008-07-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0004423/2008-07-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1989/postwet
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; b. brieven: bescheiden en schriftelijke mededelingen, al dan niet verpakt, met uitzondering van die welke door toepassing van druk- of andere vermenigvuldigingstechnieken in een aantal geheel met elkaar overeenstemmende exemplaren ter verspreiding zijn vervaardigd en waarin, behoudens de adressering, geen bijvoegingen, doorhalingen of aanduidingen zijn aangebracht; c. postzendingen: brieven en andere bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geadresseerde zendingen; d. postvervoer: geheel van handelingen dat tegen vergoeding wordt verricht teneinde postzendingen af te leveren; e. artikel 2a, eerste lid de houder van de concessie: de rechtspersoon, bedoeld in; f. de akten van de Wereldpostunie: de op 10 juli 1964 te Wenen tot stand gekomen Constitutie van de Wereldpostunie (Trb. 1965, 170) en de daarbij behorende voor Nederland bindende verdragen, reglementen en protocollen (Trb. 1965, 170 en Trb. 1998, 273); g. artikel 2 van de Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit college: college, genoemd in; h. artikel 2, eerste lid algemene voorwaarden: door de houder van de concessie vastgestelde schriftelijke bedingen die in overeenkomsten ter zake van het postvervoer, bedoeld in, worden opgenomen. 1999 484 25-11-1999 28-10-1999 26363 2000 226 30-05-2000 24-05-2000 01-06-2000
Artikel 1a — Artikel 1a#
Artikel 1a artikel 1, onder f Voorzover nodig en van toepassing, worden bij besluit van Onze Minister de vindplaatsen, genoemd in, gewijzigd. Van dit besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. 1999 484 25-11-1999 28-10-1999 26363 2000 226 30-05-2000 24-05-2000 01-06-2000
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Ter waarborging van een goede postale dienstverlening is de houder van de concessie verplicht om voor een ieder in Nederland het postvervoer van een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen omvang, met inbegrip van bij die maatregel aangewezen postvervoerdiensten, binnen Nederland en van of naar gebieden buiten Nederland, te verrichten, voorzover dit postvervoer betrekking heeft op postzendingen die in voor het publiek bestemde brievenbussen van de houder van de concessie zijn gedeponeerd of bij daartoe bestemde inrichtingen van de houder van de concessie zijn afgegeven. 2 Bij de maatregel, bedoeld in het eerste lid, kan een onderscheid worden gemaakt tussen het postvervoer: a. binnen Nederland; b. van of naar lidstaten van de Europese Unie of andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte; of c. van of naar andere landen of andere staten dan bedoeld onder b. 3 De houder van de concessie weigert het postvervoer, bedoeld in het eerste lid, indien dit strijdig is met de wet of gevaar oplevert voor personen of zaken en kan dit postvervoer weigeren indien dit strijdig is met de eisen die met het oog op een doelmatig postvervoer in de algemene voorwaarden worden gesteld. 1999 484 25-11-1999 28-10-1999 26363 2000 226 30-05-2000 24-05-2000 01-06-2000
Artikel 2a — Artikel 2a#
Artikel 2a 1 artikel 2, eerste lid Aan een bij wet aan te wijzen rechtspersoon wordt met uitsluiting van anderen concessie verleend voor het verrichten van het postvervoer, bedoeld in, binnen Nederland en van gebieden buiten Nederland ten aanzien van brieven die elk afzonderlijk ten hoogste 50 gram wegen, voorzover dit postvervoer wordt verricht tegen een tarief dat lager is dan bij algemene maatregel van bestuur bepaald. 2 Voorts wordt aan deze rechtspersoon met uitsluiting van anderen concessie verleend voor: a. het aan of op de openbare weg plaatsen van voor het publiek bestemde brievenbussen; en b. het uitgeven van postzegels en postzegelafdrukken met daarop een afbeelding van de Koning dan wel de vermelding «Nederland». 2005 469 27-09-2005 08-09-2005 29913 2005 614 13-12-2005 10-11-2005 01-01-2006
Artikel 2b — Artikel 2b#
Artikel 2b artikel 2a, eerste lid Het verrichten van het postvervoer binnen Nederland en van gebieden buiten Nederland is anders dan krachtens de concessie verboden ten aanzien van brieven die elk afzonderlijk ten hoogste 50 gram wegen, voorzover dit postvervoer wordt verricht tegen een tarief dat lager is dan vastgesteld krachtens. 2005 469 27-09-2005 08-09-2005 29913 2005 614 13-12-2005 10-11-2005 01-01-2006
Artikel 2c — Artikel 2c#
Artikel 2c 1 artikel 2b Het verbod, bedoeld in, is niet van toepassing op het postvervoer ten aanzien van brieven die: a. worden vervoerd in opdracht van de houder van de concessie; b. anders dan bedrijfsmatig worden vervoerd door of in opdracht van één natuurlijk persoon, of van één rechtspersoon of onderdeel daarvan, mits van één afzender afkomstig; c. artikel 2a kennelijk bestemd zijn om te worden vervoerd door de houder van de concessie dan wel te worden afgeleverd na het postvervoer, bedoeld in; d. uitsluitend betrekking hebben op voorwerpen waarmee zij worden vervoerd, dan wel dienen als kwitanties, wisselbrieven of andere handelspapieren die worden vervoerd in verband met daarop in te vorderen of uit te betalen geldbedragen; e. in hoofdzaak tekst bevatten uitgevoerd in voor blinden bestemde tekens; of f. artikel 13 worden vervoerd met een ontheffing als bedoeld in. 2 artikel 2b Het verbod, bedoeld in, is voorts niet van toepassing op het postvervoer ten aanzien van brieven dat strekt tot uitvoering van de document-uitwisselingsdienst. Onder de document-uitwisselingsdienst wordt de dienst verstaan die bestaat uit de terbeschikkingstelling van middelen, met inbegrip van het verschaffen van ad hoc-ruimte en vervoer door derden, voor zelfbestelling door de wederzijdse uitwisseling van brieven tussen gebruikers die zich op deze dienst abonneren. 1999 484 25-11-1999 28-10-1999 26363 2000 226 30-05-2000 24-05-2000 01-06-2000
Artikel 2d — Artikel 2d#
Artikel 2d 1 De houder van de concessie is verplicht aan andere aanbieders van postvervoer toegang te verlenen tot zijn postbussen tegen redelijke, objectief gerechtvaardigde en non-discriminatoire voorwaarden en vergoedingen. 2 De in het eerste lid bedoelde voorwaarden en vergoedingen worden in onderling overleg bepaald. Bij gebreke van overeenstemming worden deze voorwaarden of vergoedingen op verzoek van de meest gerede partij vastgesteld door het college. 1999 484 25-11-1999 28-10-1999 26363 2000 226 30-05-2000 24-05-2000 01-06-2000
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 artikel 2, eerste lid De houder van de concessie is gehouden bij de uitvoering van de ingevolge deze wet op hem rustende verplichtingen terzake van het postvervoer, bedoeld in, van of naar gebieden buiten Nederland, de voor Nederland bindende verplichtingen na te komen, die voortvloeien uit de akten van de Wereldpostunie dan wel uit andere verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties. 2 De houder van de concessie is gerechtigd voor de toepassing van de akten van de Wereldpostunie op te treden als Nederlandse postadministratie. 3 Onze Minister geeft in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken aan de houder van de concessie voorschriften welke strekken tot: a. het waarborgen van een goede toepassing van het eerste lid; b. het verlenen van de nodige medewerking aan Onze Minister en Onze Minister van Buitenlandse Zaken bij de voorbereiding van verdragen en besluiten als bedoeld in het eerste lid en het in verband daarmee te voeren internationale overleg. 1999 484 25-11-1999 28-10-1999 26363 2000 226 30-05-2000 24-05-2000 01-06-2000
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 De houder van de concessie kan toestaan dat de uitoefening van het exclusieve recht krachtens de concessie en van de terzake van de uitoefening op hem ingevolge deze wet rustende verplichtingen geheel of gedeeltelijk geschiedt door een andere rechtspersoon, indien de desbetreffende rechtspersoon: a. is opgericht in overeenstemming met het recht van een der Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen, b. artikel 1, onderdeel j, van de Handelsregisterwet 2007 het recht tot de uitoefening van het exclusieve recht krachtens de concessie feitelijk uitoefent door middel van een onderneming die in Nederland gevestigd is of in Nederland een vestiging heeft als bedoeld in, c. a d een geplaatst kapitaal heeft dat voor ten minste 51 procent wordt verschaft door de houder van de concessie dan wel door een rechtspersoon die voldoet aan het ondertot en metbepaalde, en d. c een rechtspersoon is waarin de houder van de concessie dan wel de rechtspersoon, bedoeld onder, de bevoegdheid heeft de meerderheid van de bestuurders te benoemen, te schorsen en te ontslaan. 2 c d Onze Minister kan aan de houder van de concessie, op diens verzoek, ontheffing verlenen van de in het eerste lid, onderengestelde eisen waaraan de in dat lid bedoelde andere rechtspersoon moet voldoen. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend en daaraan kunnen voorschriften worden verbonden. 3 In geval van toepassing van het eerste of tweede lid, is de houder van de concessie jegens het college verantwoordelijk. De rechtspersoon, bedoeld in het eerste of tweede lid, is jegens de houder van de concessie verplicht tot naleving van de ingevolge deze wet op de houder van de concessie rustende verplichtingen. De houder van de concessie geeft aan de rechtspersoon, bedoeld in het eerste of tweede lid, daartoe de nodige instructies die deze gehouden is op te volgen. 4 artikelen 2b 7 8 11 13 Ingeval van toepassing van het eerste of tweede lid, geldt het in de,,,enmet betrekking tot de houder van de concessie bepaalde mede ten aanzien van de rechtspersoon die krachtens de toepassing van het eerste of tweede lid het exclusieve recht als daar bedoeld uitoefent. 5 De houder van de concessie deelt het college voorafgaande aan de toepassing van het eerste lid, schriftelijk mede welke rechtspersoon het in dat lid bedoelde exclusieve recht zal uitoefenen. Het college kan de houder van de concessie te allen tijde verzoeken hem informatie te verstrekken over de wijze waarop de houder van de concessie heeft verzekerd dat wordt voldaan aan het bepaalde in het eerste lid. 6 In de statutaire omschrijving van het doel van de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, wordt aangegeven welke concessietaken door de desbetreffende rechtspersoon zullen worden vervuld. 7 Onder toestaan als bedoeld in het eerste lid wordt tevens begrepen het verlenen van medewerking aan overgang onder algemene titel. 2007 153 01-05-2007 22-03-2007 30656 2008 242 27-06-2008 18-06-2008 01-07-2008
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 artikel 2, eerste lid Onze Minister geeft aan de houder van de concessie algemene richtlijnen, welke deze bij de uitvoering van het postvervoer, bedoeld in, gehouden is op te volgen. Artikel 2, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op deze richtlijnen. Bij deze richtlijnen kunnen taken worden opgedragen en bevoegdheden worden toegekend aan het college. 2 Deze richtlijnen hebben slechts betrekking op: a. het instandhouden van een goede postale dienstverlening; b. de tariefstructuur, de vaststelling en publicatie van tarieven, het voeren van de boekhouding en de aan te brengen scheiding in de boekhouding, en de wijze van toerekening van kosten; c. de wijze waarop de houder van de concessie in een daartoe door hem in te stellen afzonderlijk overlegorgaan onder leiding van een door de Minister aan te wijzen onafhankelijk voorzitter met representatieve organisaties van direct belanghebbenden overleg dient te voeren over aangelegenheden van algemene aard en landelijke strekking betreffende het postvervoer; d. het instellen van een geschillencommissie voor bepaalde groepen gebruikers met betrekking tot de toepassing van de algemene voorwaarden; e. het verstrekken van informatie aan Onze Minister onderscheidenlijk het college voor een goede uitvoering van het bij of krachtens deze wet bepaalde of aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen in verband met een bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Onverminderd het vorenstaande in dit onderdeel is het college bevoegd te allen tijde inlichtingen te vorderen, voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is. De houder van de concessie is verplicht de gevorderde inlichtingen te geven. 3 a De in het tweede lid, onder, bedoelde richtlijnen bevatten uitgangspunten en maatstaven ten aanzien van: a. de wijze en mate van dienstverlening; b. de beveiliging van het postvervoer; c. artikel 10 de geheimhouding met betrekking tot postzendingen, alsmede genoegzame voorzorgen bij het openen van gesloten postzendingen, als bedoeld in; d. de bescherming van de persoonlijke levenssfeer met betrekking tot postzendingen. 4 Mededingingswet Onverminderd het bepaalde bij of krachtens het eerste tot en met het derde lid en het bepaalde in de, kan Onze Minister aan de houder van de concessie algemene richtlijnen geven met betrekking tot het voorkomen van oneerlijke concurrentie met derden. 5 De richtlijnen bevatten alleen verplichtingen ten aanzien van het door de houder van de concessie te bereiken resultaat en niet ten aanzien van de wijze van bedrijfsvoering om dit resultaat te bereiken. 6 Een besluit betreffende vaststelling of wijziging van de richtlijnen wordt genomen met inachtneming van een bedrijfsmatige en op continuïteit gerichte exploitatie door de houder van de concessie. 7 c artikel 10, eerste lid, onderdeel, van de Wet openbaarheid van bestuur Een beroep door de houder van de concessie, gedaan krachtens, op de vertrouwelijkheid van aan Onze Minister onderscheidenlijk het college verstrekte informatie als bedoeld in het tweede lid, onder e, is alleen toegestaan indien die informatie redelijkerwijs als vertrouwelijk moet worden aangemerkt. 8 Voorzover noodzakelijk voor de betaalbaarheid van de postale dienstverlening, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, kan bij besluit van Onze Minister voor een bij dat besluit te bepalen periode de ontwikkeling van tarieven worden gereguleerd, waarbij kan worden afgeweken van het bij of krachtens het tweede lid, onderdeel b, bepaalde. 9 Staatscourant De in het eerste en het vierde lid bedoelde algemene richtlijnen worden bekend gemaakt in de. 10 Vier jaren na het van kracht worden van de richtlijnen en vervolgens elke vijf jaar nadien dient Onze Minister de werking van die richtlijnen te hebben geëvalueerd. 1999 484 25-11-1999 28-10-1999 26363 2000 226 30-05-2000 24-05-2000 01-06-2000
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 Vervallen 1999 484 25-11-1999 28-10-1999 26363 2000 226 30-05-2000 24-05-2000 01-06-2000
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 artikel 2, eerste lid De houder van de concessie is voor schade als gevolg van verlies, beschadiging of vertraagde aflevering van postzendingen in het kader van het postvervoer, bedoeld in, binnen Nederland slechts aansprakelijk indien door de afzender gebruik wordt gemaakt van een wijze van postvervoer waarbij de postzending volgens daartoe in de algemene voorwaarden te stellen regels wordt geregistreerd. 2 De aansprakelijkheid bedoeld in het vorige lid bestaat niet indien de schade uitsluitend het gevolg is van één of meer van de volgende omstandigheden: a. de aard of een gebrek van het vervoerde zelf; b. onvoldoende verpakking van het vervoerde door een ander dan de houder van de concessie of diens ondergeschikten; c. een oorzaak die aan de afzender kan worden toegerekend; d. een oorlogshandeling of een gewapend conflict; e. aanhouding op last van daartoe bevoegd gezag. 3 Vorderingen kunnen slechts worden ingediend door de afzender. Indien de schade is geleden door een ander dan de afzender, is de afzender van rechtswege bevoegd ten behoeve van die ander, hetzij op eigen naam hetzij als diens vertegenwoordiger, de vordering in te stellen. 4 Bij algemene maatregel van bestuur worden bedragen vastgesteld waarboven de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid zich niet uitstrekt, waarbij de hoogte van de afzonderlijke bedragen kan worden bepaald naar gelang van onder meer de soorten van registratie alsmede naar gelang van de aard en de waarde van de postzending. 5 De houder van de concessie kan zich niet beroepen op een uit de voorgaande leden van dit artikel voortvloeiende uitsluiting of beperking van zijn aansprakelijkheid voor zover de schade is ontstaan uit zijn eigen handelen of nalaten, geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien. 6 artikel 2, eerste lid Ter zake van het postvervoer, bedoeld in, van of naar gebieden buiten Nederland is de houder van de concessie slechts aansprakelijk overeenkomstig de bepalingen van de akten van de Wereldpostunie dan wel andere voor Nederland bindende verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties. 1999 484 25-11-1999 28-10-1999 26363 2000 226 30-05-2000 24-05-2000 01-06-2000
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 artikel 2, eerste lid De houder van de concessie kan gedeelten van het postvervoer, bedoeld in, door anderen doen uitvoeren. 2 De exploitanten van openbare vervoermiddelen zijn verplicht tot het postvervoer tegen vergoeding, die de houder van de concessie hun ten vervoer aanbiedt. 3 Deze vergoeding wordt in onderling overleg bepaald. 4 Bij gebreke van overeenstemming wordt deze vergoeding op verzoek van de meest gerede partij vastgesteld door de kantonrechter in wiens ambtsgebied de exploitant is gevestigd. 5 artikel 7 Degenen die in het eerste of tweede lid bedoelde vervoer verrichten zijn uitsluitend jegens de houder van de concessie aansprakelijk en wel tot de bedragen welke de houder van de concessie, overeenkomstig, gehouden is aan afzenders te vergoeden. 1999 484 25-11-1999 28-10-1999 26363 2000 226 30-05-2000 24-05-2000 01-06-2000
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 Onze Minister stelt ter bevordering van de aflevering aan geadresseerden van voor hen bestemde postzendingen regels omtrent plaats, afmetingen en andere hoedanigheden van de voor die aflevering bestemde brievenbussen. 2 Postzendingen die naar hun aard en omvang in aanmerking komen voor aflevering in een brievenbus als in het eerste lid bedoeld, kunnen als onbestelbaar worden aangemerkt indien het opgegeven adres niet beschikt over een brievenbus die aan de krachtens het eerste lid gestelde regels voldoet. 1988 522 26-10-1988 20371 1988 550 30-12-1988 01-12-1988 01-01-1989
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Gesloten postzendingen die in het kader van het postvervoer als onbestelbaar zijn aan te merken en niet aan de afzender kunnen worden teruggegeven kunnen slechts geopend worden op last van de kantonrechter te 's-Gravenhage, zulks uitsluitend ter opsporing van de voor teruggave of aflevering nodige gegevens omtrent de afzender of de geadresseerde. 1999 484 25-11-1999 28-10-1999 26363 2000 226 30-05-2000 24-05-2000 01-06-2000
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 artikel 2, eerste lid Beslag op postzendingen welke in het kader van het postvervoer, bedoeld in, aan de houder van de concessie zijn toevertrouwd is slechts toegelaten in de gevallen dat de wet een zodanig beslag uitdrukkelijk regelt. 1999 484 25-11-1999 28-10-1999 26363 2000 226 30-05-2000 24-05-2000 01-06-2000
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 Vervallen 1999 484 25-11-1999 28-10-1999 26363 2000 226 30-05-2000 24-05-2000 01-06-2000
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 artikel 2a, eerste lid artikel 2b Onze Minister is bevoegd om voor bijzondere omstandigheden, waarin de houder van de concessie niet voorziet in het postvervoer, bedoeld in, aan anderen dan de houder van de concessie van het verbod, bedoeld in, ontheffing te verlenen onder door de Minister daaraan te verbinden voorschriften en beperkingen, welke in verband met de bijzondere omstandigheden redelijkerwijze nodig zijn. 2 Bij toepassing van het eerste lid is Onze Minister bevoegd voor deze ontheffing, als tegemoetkoming in de kosten die met de verlening van de ontheffing zijn gemoeid, een vergoeding vast te stellen. 1999 484 25-11-1999 28-10-1999 26363 2000 226 30-05-2000 24-05-2000 01-06-2000
Artikel 13a — Artikel 13a#
Artikel 13a 1 artikel 13, eerste lid artikel 13, tweede lid De houder van de concessie en de houder van een ontheffing als bedoeld in, zijn ter dekking van de kosten die verband houden met de werkzaamheden van het college, jaarlijks een vergoeding verschuldigd, voor zover deze kosten niet reeds krachtens, verschuldigd zijn. 2 De vergoeding wordt bepaald aan de hand van de door het college te verrichten werkzaamheden toegerekend aan de onderscheiden marktcategorieën. Van de toerekening van kosten van werkzaamheden zijn uitgezonderd de kosten, verbonden aan de behandeling van bezwaarschriften en aan het optreden als procespartij bij de behandeling van beroepschriften. 3 Onze Minister stelt op voorstel van het college de hoogte van de vergoeding vast. De vergoeding wordt opgelegd door het college en voldaan aan het college. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven met betrekking tot de wijze waarop de vergoeding wordt vastgesteld, geheven en ingevorderd. 1999 484 25-11-1999 28-10-1999 26363 2000 226 30-05-2000 24-05-2000 01-06-2000
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vanis voor beroep tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te Rotterdam bevoegd. 1997 320 22-07-1997 05-07-1997 25128 1997 343 29-07-1997 19-07-1997 01-08-1997
Artikel 14a — Artikel 14a#
Artikel 14a 1 De bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, voor zover het betreft de bepalingen die betrekking hebben op: a. paragraaf 5 de bijzondere en buitengewone omstandigheden, bedoeld in, en, artikel 15 b. een door hem gegeven aanwijzing als bedoeld in. 2 Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 14b — Artikel 14b#
Artikel 14b 1 artikel 14a, eerste lid De bij besluit van het college aangewezen ambtenaren zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, voor zover het betreft de andere dan in, bedoelde bepalingen. 2 Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 paragraaf 5 Indien de houder van de concessie handelt in strijd met een bij of krachtensgestelde verplichting, kan Onze Minister deze een aanwijzing geven. 2 Indien de houder van de concessie handelt in strijd met een verplichting gesteld bij of krachtens andere dan in het eerste lid bedoelde bepalingen van deze wet, kan het college deze een aanwijzing geven. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 15a — Artikel 15a#
Artikel 15a 1 Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van verplichtingen gesteld bij of krachtens: a. paragraaf 5 , of, b. artikel 15, eerste lid een aanwijzing als bedoeld in. 2 Het college is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van verplichtingen gesteld bij of krachtens: a. andere dan in het eerste lid bedoelde bepalingen van deze wet, of, b. artikel 15, tweede lid een aanwijzing als bedoeld in. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 15b — Artikel 15b#
Artikel 15b 1 Onze Minister kan bij beschikking een bestuurlijke boete van ten hoogste een miljoen gulden opleggen aan de houder van de concessie, indien deze handelt in strijd met: a. paragraaf 5 een verplichting gesteld bij of krachtens; b. een verplichting gesteld bij of krachtens een door hem gegeven aanwijzing, of, c. artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht . 2 Het college kan bij beschikking een bestuurlijke boete van ten hoogste € 450 000 opleggen: a. aan de houder van de concessie, indien deze handelt in strijd met: 1°. een verplichting gesteld bij of krachtens andere dan in het eerste lid bedoelde bepalingen van deze wet; 2°. een verplichting gesteld bij of krachtens een door hem gegeven aanwijzing, of, 3°. artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht . b. artikel 2b artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht aan de overtreder van, of van. 3 Onze Minister, onderscheidenlijk het college, legt geen boete op indien de natuurlijke of rechtspersoon aan wie de overtreding kan worden toegerekend aannemelijk maakt dat hem van de overtreding geen verwijt kan worden gemaakt. 4 Bij de vaststelling van de hoogte van de boete houdt Onze Minister, onderscheidenlijk het college, in ieder geval rekening met de ernst en de duur van de overtreding. 2001 481 01-11-2001 27-09-2001 27472 2001 481 01-11-2001 27-09-2001 27472 01-01-2002
Artikel 15c — Artikel 15c#
Artikel 15c 1 Met het onderzoek zijn belast: a. artikel 14a artikel 15b, eerste lid de inbedoelde ambtenaren, voor zover het de toepassing van, betreft, en, b. artikel 15b, tweede lid de in artikel 14b bedoelde ambtenaren, voor zover het de toepassing van, betreft. 2 Algemene wet bestuursrecht Onverminderd het overigens bij of krachtens deze wet en debepaalde beschikken de ambtenaren ten behoeve van het onderzoek over de in deze paragraaf geregelde bevoegdheden. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 15d — Artikel 15d#
Artikel 15d artikel 15c Indien de ambtenaren in het kader van het onderzoek, bedoeld in, een redelijk vermoeden hebben dat een natuurlijke persoon of een rechtspersoon een overtreding heeft begaan, is er geen verplichting aan de zijde van die natuurlijke persoon of rechtspersoon terzake een verklaring af te leggen. De betrokkenen worden hiervan in kennis gesteld voordat hun mondeling om informatie wordt gevraagd. 1999 484 25-11-1999 28-10-1999 26363 2000 226 30-05-2000 24-05-2000 01-06-2000
Artikel 15e — Artikel 15e#
Artikel 15e 1 Indien ambtenaren vaststellen dat een overtreding is begaan, maken zij daarvan een rapport op. 2 In het rapport worden in ieder geval vermeld: a. de overtreding, onder verwijzing naar het desbetreffende wettelijke voorschrift; b. een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip waarop de overtreding is begaan; c. de feiten en omstandigheden op grond waarvan is vastgesteld dat een overtreding is begaan. 3 artikel 15b Een afschrift van het rapport wordt toegezonden aan de betrokkene, bedoeld in. 4 Op verzoek van de belanghebbende die het rapport wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt draagt Onze Minister, onderscheidenlijk het college, er zoveel mogelijk zorg voor dat de inhoud van het rapport aan de betrokkene wordt meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 15f — Artikel 15f#
Artikel 15f 1 afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 15b In afwijking vanstelt Onze Minister, onderscheidenlijk het college, de betrokkene, bedoeld in, in de gelegenheid om binnen een redelijke termijn naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen. 2 artikel 15b Indien de betrokkene, bedoeld in, zijn zienswijze mondeling naar voren brengt en de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt Onze Minister, onderscheidenlijk het college, op verzoek van de houder zorg voor benoeming van een tolk die de betrokkene kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat. 1997 320 22-07-1997 05-07-1997 25128 1997 343 29-07-1997 19-07-1997 01-08-1997
Artikel 15g — Artikel 15g#
Artikel 15g 1 Een boete wordt opgelegd door Onze Minister, onderscheidenlijk het college. 2 In de beschikking worden in ieder geval vermeld: a. de te betalen geldsom; b. de overtreding ter zake waarvan zij is gegeven, onder verwijzing naar het desbetreffende wettelijk voorschrift; c. artikel 15e, tweede lid, onder b en c de in, bedoelde gegevens. 3 Op verzoek van de belanghebbende die de beschikking wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt Onze Minister, onderscheidenlijk het college, er zoveel mogelijk zorg voor dat de inhoud van de beschikking aan de betrokkene wordt meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal. 1997 320 22-07-1997 05-07-1997 25128 1997 343 29-07-1997 19-07-1997 01-08-1997
Artikel 15h — Artikel 15h#
Artikel 15h artikel 15f 15g artikel 15e De werkzaamheden die verband houden met de uitvoering vanenworden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij de opstelling van het inbedoelde rapport en het daaraan voorafgaande onderzoek. 1997 320 22-07-1997 05-07-1997 25128 1997 343 29-07-1997 19-07-1997 01-08-1997
Artikel 15i — Artikel 15i#
Artikel 15i artikel 15g De werking van een beschikking als bedoeld inwordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. 1997 320 22-07-1997 05-07-1997 25128 1997 343 29-07-1997 19-07-1997 01-08-1997
Artikel 15j — Artikel 15j#
Artikel 15j De boete wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen zes weken vanaf de dag waarop de beschikking is bekendgemaakt. 1997 320 22-07-1997 05-07-1997 25128 1997 343 29-07-1997 19-07-1997 01-08-1997
Artikel 15k — Artikel 15k#
Artikel 15k De bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt vijf jaar nadat de overtreding is begaan. 1997 320 22-07-1997 05-07-1997 25128 1997 343 29-07-1997 19-07-1997 01-08-1997
Artikel 15l — Artikel 15l#
Artikel 15l 1 artikel 15b Een beschikking als bedoeld inwordt, nadat zij is bekendgemaakt, ter inzage gelegd bij Onze Minister, indien Onze Minister de beschikking heeft gegeven, onderscheidenlijk bij het college, indien het college de beschikking heeft gegeven. Vertrouwelijke bedrijfs- en fabricagegegevens worden niet ter inzage gelegd. 2 Staatscourant Van de beschikking wordt mededeling gedaan in de. 1997 320 22-07-1997 05-07-1997 25128 1997 343 29-07-1997 19-07-1997 01-08-1997
Artikel 15m — Artikel 15m#
Artikel 15m artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht De bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt indien ter zake van het feit op grond waarvan de boete kan worden opgelegd, tegen de betrokkene een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvervolging is vervallen ingevolge. 1997 320 22-07-1997 05-07-1997 25128 1997 343 29-07-1997 19-07-1997 01-08-1997
Artikel 15n — Artikel 15n#
Artikel 15n Het recht tot strafvordering vervalt indien Onze Minister, onderscheidenlijk het college, aan de betrokkene ter zake van hetzelfde feit een boete heeft opgelegd. 1997 320 22-07-1997 05-07-1997 25128 1997 343 29-07-1997 19-07-1997 01-08-1997
Artikel 15o — Artikel 15o#
Artikel 15o 1 artikel 24 van de Mededingingswet Voorzover bij de uitoefening van bevoegdheden van het college begrippen worden uitgelegd die worden gehanteerd bij de toepassing van, geschiedt de uitoefening van die bevoegdheden overeenkomstig door het college in overeenstemming met de de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit vastgestelde richtlijnen. Van die richtlijnen doet de raad van bestuur mededeling in de Staatscourant. 2 Het college en de de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit maken in het belang van een effectieve en efficiënte besluitvorming gezamenlijk afspraken over de wijze van behandeling van aangelegenheden van wederzijds belang. 2005 172 05-04-2005 09-12-2004 27639 2005 172 05-04-2005 09-12-2004 27639 01-07-2005 Abusievelijk geeft het Staatsblad een wijzigingsopdracht voor het
tweede lid, tweede volzin, in plaats van het eerste lid, tweede volzin.
Artikel 15p — Artikel 15p#
Artikel 15p Vervallen 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 15q — Artikel 15q#
Artikel 15q Vervallen 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 15r — Artikel 15r#
Artikel 15r Vervallen 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 15s — Artikel 15s#
Artikel 15s Vervallen 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 15t — Artikel 15t#
Artikel 15t Vervallen 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 15u — Artikel 15u#
Artikel 15u Vervallen 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 15v — Artikel 15v#
Artikel 15v Vervallen 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 Het is anders dan krachtens de concessie verboden: a. postzegels of postzegelafdrukken te vervaardigen, te verspreiden of ter verspreiding in voorraad te hebben met daarop een afbeelding van de Koning dan wel de vermelding "Nederland"; b. voor het publiek bestemde brievenbussen aan of op de openbare weg te plaatsen. 2 Het is verboden zegels, zegelafdrukken, stempelafdrukken of aanduidingen op zodanige wijze te bezigen, dat zij ten onrechte de indruk kunnen wekken, dat de bescheiden of voorwerpen, waarop zij voorkomen, door de houder van de concessie behandeld of van de houder van de concessie afkomstig zijn. 1997 320 22-07-1997 05-07-1997 25128 1997 343 29-07-1997 19-07-1997 01-08-1997
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 artikelen 2b 8, tweede lid 16, eerste lid Overtreding van de,, en, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie. 2 artikel 16, tweede lid artikel 13 Overtreding van, alsmede van de voorschriften en beperkingen verbonden aan een ontheffing verleend krachtens, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie. 3 De in dit artikel strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. 1999 484 25-11-1999 28-10-1999 26363 2000 226 30-05-2000 24-05-2000 01-06-2000
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 artikel 2, eerste lid In bijzondere omstandigheden in verband met de handhaving van de internationale rechtsorde of met de internationale betrekkingen is Onze Minister bevoegd om in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken aan de houder van de concessie aanwijzingen te geven met betrekking tot het postvervoer, bedoeld in, van of naar gebieden buiten Nederland. 1999 484 25-11-1999 28-10-1999 26363 2000 226 30-05-2000 24-05-2000 01-06-2000
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 artikelen 7, eerste lid 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden artikel 21, eerste tot en met vierde lid Onverminderd de, enkan, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, voor het gehele land of een deel daarvan, in werking worden gesteld. 2 Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde bepaling. 3 Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking is gesteld, onverwijld buiten werking gesteld. 4 Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, wordt de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking is gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten. 5 Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking. 6 Staatsblad Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in ieder geval geplaatst in het. 1996 366 09-07-1996 03-04-1996 23791 1997 172 29-04-1997 23-04-1997 01-05-1997 Artikel 21, eerste tot en met vierde lid, kan volgens artikel 7,
eerste lid en artikel 8, eerste lid van de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden in beperkte en in algemene noodtoestand
in werking worden gesteld.
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 artikelen 7, eerste lid 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden Oorlogswet voor Nederland artikel 21, eerste lid In geval voor Nederland of een gedeelte daarvan, op grond van de, of, bepalingen uit dein werking zijn gesteld, oefent Onze Minister de in, bedoelde bevoegdheid uit in overeenstemming met Onze Minister van Defensie. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 artikel 2, eerste lid artikel 19 Onze Minister is bevoegd de houder van de concessie aanwijzingen te geven met betrekking tot het postvervoer, bedoeld in, naar, van, of in het gebied waarvoor een besluit als bedoeld invan kracht is. 2 artikelen 2, eerste lid 3, eerste lid 5 “lid,,” moet zijn “lid,” Onze Minister kan bij toepassing van het eerste lid afwijken van de verplichtingen die ingevolge de,,, enop de houder van de concessie rusten. 3 De aanwijzingen die ingevolge het eerste lid aan de houder van de concessie zijn gegeven, zijn voor deze verbindend. 4 artikel 8, tweede lid De exploitanten van openbare vervoermiddelen zijn gehouden om bij de uitvoering van de in, bedoelde verplichting mee te werken aan de uitvoering door de houder van de concessie van aanwijzingen gegeven krachtens het eerste lid. 5 Indien de houder van de concessie of een exploitant van openbare vervoermiddelen als gevolg van aanwijzingen gegeven krachtens het eerste lid onevenredig financieel nadeel ondervindt, kent Onze Minister de betrokkene een naar billijkheid te bepalen vergoeding toe. 1999 484 25-11-1999 28-10-1999 26363 2000 226 30-05-2000 24-05-2000 01-06-2000
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 artikel 14 van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag Bij toepassing vanis de houder van de concessie verplicht de krachtens het eerste lid van genoemd artikel aangewezen autoriteiten alle medewerking te verlenen, daaronder begrepen het uitvoeren van door die autoriteiten gegeven opdrachten. 2 artikel 31 van de Oorlogswet voor Nederland Bij toepassing vanis de houder van de concessie verplicht het militair gezag of een orgaan als bedoeld in het tweede lid van genoemd artikel alle medewerking te verlenen, daaronder begrepen het uitvoeren van door dat gezag of dat orgaan gegeven opdrachten. 1996 366 09-07-1996 03-04-1996 23791 1997 172 29-04-1997 23-04-1997 01-05-1997 Artikel 21, eerste tot en met vierde lid, kan volgens artikel 7,
eerste lid en artikel 8, eerste lid van de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden in beperkte en in algemene noodtoestand
in werking worden gesteld.
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 artikel 2, eerste lid artikel 19 Onze Minister geeft aan de houder van de concessie voorschriften ten aanzien van de door deze te nemen organisatorische en personele maatregelen met betrekking tot de voorbereiding van het postvervoer, bedoeld in, in buitengewone omstandigheden als bedoeld inen de door deze daarover aan Onze Minister te verstrekken informatie. De Minister bepaalt in die voorschriften welke kosten van de uitvoering redelijkerwijs ten laste van de houder van de concessie dienen te komen. 1999 484 25-11-1999 28-10-1999 26363 2000 226 30-05-2000 24-05-2000 01-06-2000
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 De afbeelding van de Koning op een postzegel of postzegelafdruk behoeft Diens goedkeuring. 1988 522 26-10-1988 20371 1988 550 30-12-1988 01-12-1988 01-01-1989
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 artikelen 1, onder c 2, eerste lid 2a, eerste lid De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de,, en, wordt niet gedaan dan nadat een ontwerp van de maatregel aan de beide kamers der Staten-Generaal ter kennisneming is toegezonden alsmede in de Staatscourant is geplaatst en nadat aan een ieder de gelegenheid is geboden binnen een termijn van twee maanden wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister te brengen. 2 artikel 5 Een besluit als bedoeld inwordt niet vastgesteld dan twee maanden nadat een ontwerp van dat besluit aan de beide kamers der Staten-Generaal ter kennisneming is toegezonden. 1999 484 25-11-1999 28-10-1999 26363 2000 226 30-05-2000 24-05-2000 01-06-2000
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1988 522 26-10-1988 20371 1988 550 30-12-1988 01-12-1988 01-01-1989
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1988 522 26-10-1988 20371 1988 550 30-12-1988 01-12-1988 01-01-1989
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1988 522 26-10-1988 20371 1988 550 30-12-1988 01-12-1988 01-01-1989
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1988 522 26-10-1988 20371 1988 550 30-12-1988 01-12-1988 01-01-1989
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1988 522 26-10-1988 20371 1988 550 30-12-1988 01-12-1988 01-01-1989
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1988 522 26-10-1988 20371 1988 550 30-12-1988 01-12-1988 01-01-1989
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1988 522 26-10-1988 20371 1988 550 30-12-1988 01-12-1988 01-01-1989
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 Stb. De Postwet 1954 (592) wordt ingetrokken. 1988 522 26-10-1988 20371 1988 550 30-12-1988 01-12-1988 01-01-1989
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 1988 522 26-10-1988 20371 1988 550 30-12-1988 01-12-1988 01-01-1989
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 Deze wet kan worden aangehaald als: Postwet. 1988 522 26-10-1988 20371 1988 550 30-12-1988 01-12-1988 01-01-1989