Wet van 14 juni 1989, houdende regelen inzake de waterhuishouding
- BWB-id
- BWBR0004575
- Type
- Wet
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- 2009-07-01 t/m 2009-12-21
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0004575
- ELI
- /eli/nl/wet/1989/wet-op-de-waterhuishouding
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1989/wet-op-de-waterhuishouding/2009-07-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0004575&g=2009-07-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0004575&z=2026-06-06&g=2009-07-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0004575/2009-07-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1989/wet-op-de-waterhuishouding
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: "Onze Minister": Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; "Onze Ministers": Onze Minister van Verkeer en Waterstaat tezamen met Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, ieder voor zover het aangelegenheden betreft die mede tot zijn verantwoordelijkheid behoren; "waterhuishouding": de overheidszorg die zich richt op het op en in de bodem vrij aanwezige water, met het oog op de daarbij betrokken belangen; "waterhuishoudkundig systeem": een samenhangend geheel van oppervlaktewateren en grondwatervoorkomens; "kwantiteitsbeheerder": het openbaar gezag dat belast is met kwantiteitsbeheer van oppervlaktewater; Wet verontreiniging oppervlaktewateren Stb. "kwaliteitsbeheerder": het openbaar gezag dat bevoegd is tot vergunningverlening ingevolge de(1981, 573); richtlijn nr. 2000/60/EG richtlijn 2000/60/EG "kaderrichtlijn water":van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L 327), zoals deze is gewijzigd bij beschikking nr. 2455/2001/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2001 tot vaststelling van de lijst van prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid en tot wijziging van(PbEG L 331) en met inbegrip van wijzigingen uit hoofde van artikel 20, eerste lid, van de richtlijn, doch voor het overige naar de tekst zoals deze bij de richtlijn is vastgesteld; "stroomgebied": een gebied vanwaar al het over het oppervlak lopende water via een reeks stromen, rivieren en eventueel meren door één riviermond, estuarium of delta in zee stroomt; "stroomgebieddistrict": het gebied van land en zee, gevormd door een of meer aan elkaar grenzende stroomgebieden met de bijbehorende grond- en kustwateren; "stroomgebiedbeheersplan": plan als bedoeld in artikel 13 van de kaderrichtlijn water, dat betrekking heeft op het op Nederlands grondgebied gelegen deel van een stroomgebieddistrict; "internationaal stroomgebiedbeheersplan": plan als bedoeld in artikel 13 van de kaderrichtlijn water, dat betrekking heeft op zowel het op Nederlands grondgebied gelegen deel van een stroomgebieddistrict als het buiten Nederlands grondgebied gelegen deel van een stroomgebieddistrict; natuurlijk oppervlaktewaterlichaam: oppervlaktewaterlichaam dat niet wordt aangewezen als kunstmatig dan wel sterk veranderd oppervlaktewaterlichaam, een en ander in de zin van de kaderrichtlijn water. 2007 276 16-08-2007 28-06-2007 30578 2007 276 16-08-2007 28-06-2007 30578 17-08-2007
Artikel 1a — Artikel 1a#
Artikel 1a Een wijziging uit hoofde van artikel 20, eerste lid, van de kaderrichtlijn water gaat voor de toepassing van deze wet gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld. 2005 303 21-06-2005 07-04-2005 28808 2005 303 21-06-2005 07-04-2005 28808 22-06-2005
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden tot de oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk mede gerekend de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen door anderen beheerde oppervlaktewateren die met de oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk in open verbinding staan. Over een voordracht voor een zodanige algemene maatregel van bestuur stelt Onze Minister de kwantiteitsbeheerders van de betrokken oppervlaktewateren in de gelegenheid hun oordeel te geven. 1995 355 25-07-1995 10-07-1995 23983 1995 355 25-07-1995 10-07-1995 23983 26-07-1995
Artikel 2a — Artikel 2a#
Artikel 2a 1 artikel 1 van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee artikel 2 van die wet Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt het Nederlandse grondgebied ingedeeld in de op Nederlands grondgebied gelegen delen van de stroomgebieddistricten Eems, Rijn, Maas en Schelde. Onder het Nederlandse grondgebied wordt mede verstaan de territoriale zee, voor zover die is gelegen aan de landzijde van de lijn waarvan elk punt zich bevindt op een afstand van een internationale zeemijl, zijnde achttienhonderd en twee en vijftig meter, gemeten zeewaarts vanaf de laagwaterlijn, bedoeld inof de basislijn, bedoeld in. 2 De onderlinge grenzen van de Nederlandse delen van de stroomgebieddistricten worden vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur. Daarbij wordt tevens voorzien in de toedeling van grondwatervoorkomens aan één van de stroomgebieddistricten. 3 Bij de voorbereiding van de maatregel raadplegen Onze Ministers per stroomgebieddistrict gedeputeerde staten van de betrokken provincies, de kwaliteitsbeheerders en de kwantiteitsbeheerders, alsmede de regeringen van de andere staten in het stroomgebieddistrict. 2005 303 21-06-2005 07-04-2005 28808 2005 303 21-06-2005 07-04-2005 28808 22-06-2005
Artikel 2b — Artikel 2b#
Artikel 2b 1 Provinciale besturen, kwaliteitsbeheerders, kwantiteitsbeheerders en gemeentebesturen: a. verrichten de analyses en beoordelingen, bedoeld in artikel 5 van de kaderrichtlijn water, en b. verstrekken aan Onze Minister de resultaten daarvan, alsmede de overige gegevens, bedoeld in bijlage VII van de kaderrichtlijn water, hoofdstuk II van deze wet voor zover die betrekking hebben op hun onderscheiden aandeel in de waterhuishouding in een stroomgebieddistrict, onverminderd het bepaalde in. 2 Op initiatief van Onze Minister vindt per stroomgebieddistrict overleg van de betrokken bestuursorganen plaats ten behoeve van een goede uitvoering van het eerste lid. 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld aangaande de gegevensverstrekking. 2005 303 21-06-2005 07-04-2005 28808 2005 303 21-06-2005 07-04-2005 28808 22-06-2005
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 Onze Ministers stellen een nota vast waarin: artikel 2a Bij het vaststellen van de nota wordt voor elk van de inbedoelde delen van de stroomgebieddistricten rekening gehouden met het desbetreffende internationale stroomgebiedbeheersplan, dan wel wordt dat plan in acht genomen voor zover dat uit het plan voortvloeit. a. de hoofdlijnen van het ten aanzien van de landelijke waterhuishouding te voeren beleid zijn aangegeven, en b. artikel 2a de stroomgebiedbeheersplannen of de inbreng voor de internationale stroomgebiedbeheersplannen met betrekking tot de inbedoelde delen van de stroomgebieddistricten zijn opgenomen. 2 De hoofdlijnen omvatten: a. een aanduiding van de belangrijkste functies van de oppervlaktewateren behorend tot het waterhuishoudkundig hoofdsysteem en, voorzover nationale belangen dat nodig maken, van de regionale waterhuishoudkundige systemen; b. aanwijzingen voor de verdere bepaling van functies van waterhuishoudkundige systemen of onderdelen daarvan; c. a b een aanduiding, in samenhang met de onderenbedoelde functies, van de gewenste ontwikkeling, werking en bescherming van de waterhuishoudkundige systemen of onderdelen daarvan, alsmede van de termijnen die daarbij worden nagestreefd; d. artikel 2a een uiteenzetting van de algemene aard en omvang van de maatregelen en voorzieningen, die met het oog op die ontwikkeling, en werking en bescherming nodig zijn, met inbegrip van de maatregelen, bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water, voor zover die op elk van de inbedoelde delen van de stroomgebieddistricten van toepassing zijn; e. een aanduiding van de redelijkerwijze te verwachten financiële, economische en ruimtelijke gevolgen van het te voeren beleid. 3 De nota geeft aan in hoeverre de hoofdlijnen zijn afgestemd op dan wel leiden tot aanpassing van het nationale milieubeleid en het nationale beleid inzake natuur en landschap en in hoeverre en binnen welke termijn Onze Ministers voornemens zijn het geldende nationale milieubeleidsplan en het geldende natuurbeleidsplan te herzien. 4 Een stroomgebiedbeheersplan omvat de informatie die ingevolge bijlage VII bij de kaderrichtlijn water daarin moet worden opgenomen. 5 Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde inbreng, met dien verstande dat slechts de gegevens worden opgenomen die betrekking of mede betrekking hebben op het Nederlandse deel van een stroomgebieddistrict. 6 De nota wordt tenminste eenmaal in de zes jaren herzien. Nieuwe of herziene maatregelen treden uiterlijk drie jaren na de opneming in de nota in werking. 7 Onze Minister doet de nota aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal toekomen. 2005 303 21-06-2005 07-04-2005 28808 2005 303 21-06-2005 07-04-2005 28808 22-12-2006
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Op de voorbereiding van de nota isvan toepassing. 2 Onze Ministers leggen ter inzage: a. een tijdschema en een werkprogramma voor de opstelling of een herziening van het internationale stroomgebiedbeheersplan of het stroomgebiedbeheersplan, tenminste drie jaren voor het begin van de periode waarop het plan betrekking heeft, b. artikel 2a een tussentijds overzicht van belangrijke waterbeheerkwesties die zijn vastgesteld in het stroomgebieddistrict of het inbedoelde deel daarvan, tenminste twee jaren voor het begin van de periode waarop het plan of een herziening betrekking heeft, en c. het ontwerp voor het stroomgebiedbeheersplan of voor het internationaal stroomgebiedbeheersplan of een herziening voor zover betrekking of mede betrekking hebbend op het op Nederlands grondgebied gelegen deel van het desbetreffende stroomgebieddistrict, tenminste een jaar voor het begin van de periode waarop het plan of de herziening betrekking heeft. 3 Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder. 4 De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen over de in het tweede lid bedoelde stukken bedraagt zes maanden en vangt aan met ingang van de dag waarop het stuk ter inzage is gelegd. 5 Met betrekking tot grensvormende of grensoverschrijdende wateren raadplegen Onze Ministers de ten aanzien van die wateren bevoegde Duitse of Belgische autoriteiten. Met betrekking tot stroomgebiedbeheersplannen en de inbreng voor de internationale stroomgebiedbeheersplannen raadplegen Onze Ministers de regeringen van de andere staten in het stroomgebieddistrict. 6 Onze Ministers raadplegen ten aanzien van de maatregelen bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn gedeputeerde staten van de betrokken provincies en de kwantiteitsbeheerders en kwaliteitsbeheerders van het op Nederlands grondgebied gelegen deel van het stroomgebieddistrict. 7 Onze Ministers brengen de ontvangen zienswijzen over het ontwerp voor een internationaal stroomgebiedbeheersplan of een herziening, voor zover die zienswijzen niet uitsluitend betrekking hebben op het op Nederlands grondgebied gelegen deel van het desbetreffende stroomgebieddistrict, ter kennis van de regeringen van de andere staten in het stroomgebieddistrict. 2005 303 21-06-2005 07-04-2005 28808 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 2005 303 21-06-2005 07-04-2005 28808 22-12-2006
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 artikel 3 artikel 7, tweede lid Onze Ministers stellen ten aanzien van de oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk een beheersplan vast. Het plan kan bestaan uit afzonderlijke delen. Bij de vaststelling van het plan wordt rekening gehouden met de inbedoelde nota en, voor zover het krachtens, aangewezen oppervlaktewateren betreft, met het provinciaal plan voor de waterhuishouding. 2 Het plan geeft aan: a. de functies van de oppervlaktewateren; b. het programma van maatregelen en voorzieningen, die met het oog op de ontwikkeling, werking en bescherming van de waterhuishoudkundige systemen of onderdelen daarvan en de bescherming van het milieu nodig zijn, onder vermelding van de termijnen die daarbij worden nagestreefd; c. de wijze waarop het beheer bij normale en bij afwijkende omstandigheden wordt gevoerd; d. de financiële middelen, die voor de uitvoering van het programma en het te voeren beheer nodig zijn. 3 Tot de maatregelen en voorzieningen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, behoren mede, gerangschikt naar stroomgebieddistrict: a. de aanwijzing van oppervlaktewateren of onderdelen daarvan als kunstmatige of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen, overeenkomstig artikel 4, derde lid, van de kaderrichtlijn water, dan wel als natuurlijk oppervlaktewaterlichaam, en b. de maatregelen, bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water. 4 Het plan gaat vergezeld van een toelichting. 5 Het plan wordt ten minste eenmaal in de zes jaren herzien. Nieuwe of herziene maatregelen treden uiterlijk drie jaren na de opneming in het plan in werking. 2007 276 16-08-2007 28-06-2007 30578 2007 276 16-08-2007 28-06-2007 30578 17-08-2007
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Op de voorbereiding van het plan isvan toepassing. 2 De terinzagelegging geschiedt tevens ter secretarie van de betrokken provincies. 3 Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder. 4 Met betrekking tot grensvormende of grensoverschrijdende wateren raadplegen Onze Ministers de ten aanzien van die wateren bevoegde Duitse of Belgische autoriteiten. 5 artikel 5, derde lid Onze Ministers stemmen de in, bedoelde maatregelen en voorzieningen per stroomgebieddistrict af met gedeputeerde staten van de betrokken provincies en de kwantiteitsbeheerders en kwaliteitsbeheerders van het stroomgebieddistrict. 2005 303 21-06-2005 07-04-2005 28808 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 2005 303 21-06-2005 07-04-2005 28808 22-12-2006
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 artikel 3 Provinciale staten stellen een provinciaal plan vast, waarin de hoofdlijnen van het ten aanzien van de waterhuishouding in de provincie te voeren beleid zijn aangegeven. Daarbij wordt rekening gehouden met de inbedoelde nota. 2 Het plan heeft mede betrekking op bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk. 3 De hoofdlijnen van het plan omvatten: a. de vastlegging van de belangrijkste functies van de regionale waterhuishoudkundige systemen of onderdelen daarvan; b. een aanduiding, in samenhang met de onder a bedoelde functies, van de gewenste ontwikkeling, werking en bescherming van de regionale waterhuishoudkundige systemen of onderdelen daarvan alsmede van de termijnen die daarbij worden nagestreefd; c. Grondwaterwet een uiteenzetting van het ingevolge de(Stb. 1981, 392) te voeren grondwaterbeheer, alsmede een overzicht van de financiële middelen die voor de uitvoering van het beheer nodig zijn; d. een uiteenzetting van de algemene aard en omvang van de overige maatregelen en voorzieningen die met het oog op de onder b bedoelde ontwikkeling, werking en bescherming nodig zijn; e. een aanduiding van de redelijkerwijze te verwachten financiële en economische gevolgen van het te voeren beleid. 4 Tot de maatregelen en voorzieningen, bedoeld in het derde lid, onderdelen b, c en d, behoren mede, gerangschikt naar stroomgebieddistrict: a. de aanwijzing van regionale oppervlaktewateren of onderdelen daarvan als kunstmatige of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen, overeenkomstig artikel 4, derde lid, van de kaderrichtlijn water, dan wel als natuurlijk oppervlaktewaterlichaam, en b. de maatregelen, bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water, die in alle in de provincie gelegen delen van stroomgebieddistricten van toepassing zijn dan wel het te voeren grondwaterbeheer betreffen. 5 In het plan geven provinciale staten aan in hoeverre de hoofdlijnen zijn afgestemd op dan wel leiden tot aanpassing van het provinciale milieubeleid, het provinciale ruimtelijk beleid of het provinciale verkeers- en vervoerbeleid, en in hoeverre en binnen welke termijn zij voornemens zijn het geldende provinciale milieubeleidsplan, een of meer geldende streekplannen of het geldende provinciale verkeers- en vervoerplan te herzien. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. 6 Het plan wordt ten minste een maal in de zes jaren herzien. Nieuwe of herziene maatregelen treden uiterlijk drie jaren na de opneming in het plan in werking. 7 Het besluit tot vaststelling of herziening van het plan wordt met het plan toegezonden aan Onze Ministers. 2007 276 16-08-2007 28-06-2007 30578 2007 276 16-08-2007 28-06-2007 30578 17-08-2007
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 Provinciale staten stellen bij verordening nadere regelen met betrekking tot de voorbereiding van het plan. Zij stellen daarbij in elk geval regels met betrekking tot: a. artikel 9 de wijze waarop het ontwerp van het plan in gemeenschappelijk overleg met de kwaliteitsbeheerders en kwantiteitsbeheerders die een beheersplan als bedoeld invaststellen, alsmede de gemeentebesturen wordt voorbereid; b. de raadpleging van Onze Minister, gedeputeerde staten van de aangrenzende provincies en, indien het plan betrekking heeft op grensvormende of grensoverschrijdende wateren, de ten aanzien van die wateren bevoegde Duitse of Belgische autoriteiten; c. artikel 147 van de Provinciewet de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden worden betrokken bij de voorbereiding van het plan, op de wijze voorzien in de krachtensvastgestelde verordening. 2 artikel 82 van de Provinciewet Provinciale staten en gedeputeerde staten regelen overeenkomstiggezamenlijk de instelling, samenstelling, taak en werkwijze van een commissie, die door provinciale staten en gedeputeerde staten vooraf worden gehoord over maatregelen en plannen die van betekenis zijn voor het provinciale beleid inzake de waterhuishouding. Provinciale staten en gedeputeerde staten benoemen elk een gelijk aantal leden. 3 Provinciale Staten zenden het besluit waarbij de verordening is vastgesteld aan Onze Minister. 2005 303 21-06-2005 07-04-2005 28808 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 2005 532 01-11-2005 06-10-2005 29316 2005 303 21-06-2005 07-04-2005 28808 22-12-2006
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 Een kwantiteitsbeheerder of kwaliteitsbeheerder, niet zijnde het Rijk, stelt met betrekking tot oppervlaktewateren onder zijn beheer een beheersplan vast. Bij die vaststelling wordt rekening gehouden met het provinciaal plan voor de waterhuishouding. 2 Een beheersplan geeft aan hetgeen de beheerder ter vervulling van zijn taak verricht. 3 Door een kwaliteitsbeheerder worden mede opgenomen, gerangschikt naar stroomgebieddistrict en voor zover niet opgenomen in het provinciale plan: a. de aanwijzing van regionale oppervlaktewateren of onderdelen daarvan als kunstmatige of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen overeenkomstig artikel 4, derde lid, van de kaderrichtlijn water, dan wel als natuurlijk oppervlaktewaterlichaam, en b. de maatregelen, bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water, met uitzondering van maatregelen die het kwantiteitsbeheer betreffen. 4 Het derde lid, onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een kwantiteitsbeheerder, voor zover de maatregelen van artikel 11 van de kaderrichtlijn water het kwantiteitsbeheer van oppervlaktewateren betreffen. 5 Een niet door provinciale staten vastgesteld beheersplan behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten. 6 Het plan wordt tenminste een maal in de zes jaren herzien. Nieuwe of herziene maatregelen treden uiterlijk drie jaren na de opneming in het plan in werking. 7 Provinciale staten stellen bij verordening nadere regels vast met betrekking tot de inrichting, voorbereiding en vaststelling van het beheersplan. Zij geven daarin aan welke beheerders zijn uitgezonderd van de verplichting tot vaststelling van een beheersplan. Tevens geven zij daarin regels met betrekking tot: a. de wijze waarop kwantiteitsbeheerders en kwaliteitsbeheerders bij de voorbereiding en vaststelling van een plan samenwerken; b. artikel 147 van de Provinciewet het betrekken van de in het beheersgebied woonachtige personen en in het beheersgebied belanghebbenden bij de voorbereiding van het plan, op overeenkomstige wijze als voorzien in de krachtensvastgestelde verordening en c. de raadpleging, indien het plan betrekking heeft op grensvormende of grensoverschrijdende wateren, van de ten aanzien van die wateren bevoegde Duitse of Belgische autoriteiten. 8 Provinciale Staten zenden het besluit waarbij de verordening, bedoeld in het vorige lid, is vastgesteld aan Onze Minister. 2007 276 16-08-2007 28-06-2007 30578 2007 276 16-08-2007 28-06-2007 30578 17-08-2007
Artikel 9a — Artikel 9a#
Artikel 9a 1 De gemeenteraad of het college van burgemeester en wethouders dragen zorg voor een doelmatige inzameling van het afvloeiend hemelwater, voor zover van degene die zich daarvan ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen, redelijkerwijs niet kan worden gevergd het afvloeiend hemelwater op of in de bodem of in het oppervlaktewater te brengen. 2 artikel 15a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders dragen tevens zorg voor een doelmatige verwerking van het ingezamelde hemelwater. Onder het verwerken van hemelwater kunnen in ieder geval de volgende maatregelen worden begrepen: de berging, het transport, de nuttige toepassing, het, al dan niet na zuivering, terugbrengen op of in de bodem of in het oppervlaktewater van ingezameld hemelwater, en het afvoeren naar een inrichting als bedoeld in. 2007 276 16-08-2007 28-06-2007 30578 2007 277 16-08-2007 10-07-2007 01-01-2008
Artikel 9b — Artikel 9b#
Artikel 9b 1 De gemeenteraad of het college van burgemeester en wethouders dragen zorg voor het in het openbaar gemeentelijke gebied treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, voor zover het treffen van die maatregelen doelmatig is en niet tot de zorg van het waterschap of de provincie behoort. 2 artikel 15a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, omvatten mede de verwerking van het ingezamelde grondwater, waaronder in ieder geval worden begrepen de berging, het transport, de nuttige toepassing en het, al dan niet na zuivering, op of in de bodem of in het oppervlaktewater brengen van ingezameld grondwater, en het afvoeren naar een inrichting als bedoeld in. 2007 276 16-08-2007 28-06-2007 30578 2007 277 16-08-2007 10-07-2007 01-01-2008
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 Onze Ministers kunnen aan provinciale staten omtrent de vaststelling of herziening en de inhoud van een provinciaal plan voor de waterhuishouding aanwijzingen geven, indien een samenhangend en doelmatig beleid en beheer met betrekking tot de waterhuishouding, nationaal dan wel per stroomgebieddistrict, zulks vorderen. 2 Bij een aanwijzing kan een termijn worden gesteld binnen welke het plan dient te zijn vastgesteld dan wel, indien het een vastgesteld plan betreft, de herziening dient te hebben plaatsgevonden. 3 Onze Ministers gaan niet over tot het geven van een aanwijzing dan nadat zij gedeputeerde staten in de gelegenheid hebben gesteld van hun gevoelen omtrent hun voornemen te doen blijken. 4 Provinciale staten stellen het plan vast of herzien het plan in overeenstemming met de gegeven aanwijzing. 5 Staatscourant Van het besluit houdende de aanwijzing wordt mededeling gedaan in de. 2005 303 21-06-2005 07-04-2005 28808 2005 303 21-06-2005 07-04-2005 28808 22-12-2006
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 artikelen 8, eerste lid 9, vierde lid Artikel 10, tweede, derde, vierde en vijfde lid Onze Minister kan aan provinciale staten omtrent de vaststelling of wijziging en de inhoud van een verordening als bedoeld in deen, aanwijzingen geven indien een samenhangend en doelmatig beleid en beheer met betrekking tot de waterhuishouding, nationaal dan wel per stroomgebieddistrict, zulks vorderen.is van overeenkomstige toepassing. 2005 303 21-06-2005 07-04-2005 28808 2005 303 21-06-2005 07-04-2005 28808 22-12-2006
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 Degene die water afvoert naar, aanvoert uit, loost in of onttrekt aan oppervlaktewateren waarover hij niet het beheer voert, is in daartoe aan te wijzen gevallen verplicht de wijze van afvoer, aanvoer, lozing of onttrekking te melden en - eventueel - de afgevoerde, aangevoerde, geloosde of onttrokken waterhoeveelheden te meten, daarvan aantekening te houden en van de verkregen gegevens opgave te doen. 2 De in het eerste lid bedoelde melding en opgave worden in de gevallen welke geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op de oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk, gedaan aan Onze Minister en in de overige gevallen aan de kwantiteitsbeheerder van het desbetreffende oppervlaktewater. 3 Een overzicht van de ontvangen gegevens wordt jaarlijks, vóór 1 juli van het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarop de gegevens betrekking hebben, door Onze Minister toegezonden aan gedeputeerde staten van de desbetreffende provincie of provincies en door de beheerder, bedoeld in het tweede lid, aan Onze Minister en aan gedeputeerde staten van de desbetreffende provincie of provincies. 4 Ter provinciale griffie liggen de in het derde lid bedoelde overzichten kosteloos ter inzage tot drie jaren na het einde van het kalenderjaar waarop zij betrekking hebben. 5 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regelen gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde melding, meting, het houden van aantekening daarvan en het doen van opgave van de verkregen gegevens. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 artikel 12, eerste lid artikel 5 artikel 9 De in, bedoelde aanwijzing van gevallen welke geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op de oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk vindt plaats bij of krachtens algemene maatregel van bestuur en van de overige gevallen bij door de kwantiteitsbeheerder vast te stellen verordening. Bij de aanwijzing wordt rekening gehouden met het inrespectievelijkbedoelde beheersplan. De kwantiteitsbeheerder zendt het besluit waarbij de verordening is vastgesteld aan Onze Minister. 2 Een voordracht tot de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt Ons gedaan door Onze Minister. 2004 191 11-05-2004 23-02-2004 28475 2004 192 11-05-2004 14-04-2004 01-06-2004
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 Vervallen 2004 191 11-05-2004 23-02-2004 28475 2004 192 11-05-2004 14-04-2004 01-06-2004
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 artikel 13, eerste lid Artikel 10, tweede, derde, vierde en vijfde lid Onze Minister kan aan de kwantiteitsbeheerder omtrent de vaststelling of wijziging en de inhoud van een verordening als bedoeld in, aanwijzingen geven indien een samenhangend en doelmatig beleid en beheer met betrekking tot de waterhuishouding zulks vorderen., is van overeenkomstige toepassing. 2004 191 11-05-2004 23-02-2004 28475 2004 192 11-05-2004 14-04-2004 01-06-2004
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 artikelen 5 9 Een kwantiteitsbeheerder is in daartoe aan te wijzen gevallen verplicht voor oppervlatewateren onder zijn beheer één of meer peilbesluiten vast te stellen. De kwantiteitsbeheerder draagt er zorg voor dat de in het peilbesluit aangegeven waterstanden gedurende daarbij aangegeven perioden zoveel mogelijk worden gehandhaafd. Bij het vaststellen van het peilbesluit wordt rekening gehouden met de in deenbedoelde beheersplannen, die van toepassing zijn op de oppervlaktewateren waarop het peilbesluit betrekking heeft. 2 Ten aanzien van oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regelen gesteld met betrekking tot het peilbesluit. 3 Ten aanzien van de overige oppervlaktewateren stellen provinciale staten bij verordening nadere regelen met betrekking tot het peilbesluit. 4 De in het eerste lid bedoelde aanwijzing van gevallen welke geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op de oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk vindt plaats bij of krachtens algemene maatregel van bestuur en van de overige gevallen bij door provinciale staten vast te stellen verordening. Provinciale staten zenden het besluit waarbij de verordening is vastgesteld aan Onze Minister. 5 Een voordracht tot de in het vierde lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt Ons gedaan door Onze Minister. 6 Artikel 10, tweede tot en met vijfde lid Onze Minister kan aan provinciale staten omtrent de vaststelling of wijziging en de inhoud van een verordening als bedoeld in het vierde lid aanwijzingen geven indien een samenhangend en doelmatig beleid en beheer met betrekking tot de waterhuishouding zulks vorderen., is van overeenkomstige toepassing. 2004 191 11-05-2004 23-02-2004 28475 2004 192 11-05-2004 14-04-2004 01-06-2004
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 Een kwantiteitsbeheerder die water afvoert naar of aanvoert uit oppervlaktewateren in beheer bij een andere kwantiteitsbeheerder, alsmede die andere beheerder zijn in daartoe aan te wijzen gevallen verplicht gezamenlijk een waterakkoord vast te stellen. Voor zover deze verplichting rust op het Rijk, wordt zij door of vanwege Onze Minister nagekomen. Indien een kwantiteitsbeheerder niet tevens kwaliteitsbeheerder is, neemt ook de kwaliteitsbeheerder aan het waterakkoord deel. Een kwantiteitsbeheerder kan voorts een ander openbaar gezag uitnodigen aan het waterakkoord deel te nemen, indien dat openbaar gezag een waterstaatkundige taak vervult die niet door de kwantiteitsbeheerder wordt vervuld. 2 artikelen 5 9 Een waterakkoord bevat bepalingen omtrent de wijze waarop de beheerders de af- en aanvoer van water ten opzichte van elkaar in het belang van de waterhuishouding regelen. Bij het stellen van deze bepalingen wordt rekening gehouden met de in deenbedoelde beheersplannen welke op de oppervlaktewateren waarop het waterakkoord betrekking heeft, van toepassing zijn. 3 artikel 16, vierde tot en met zesde lid Met betrekking tot de aanwijzing van de in het eerste lid bedoelde gevallen is, van overeenkomstige toepassing. 2004 191 11-05-2004 23-02-2004 28475 2004 192 11-05-2004 14-04-2004 01-06-2004
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 artikel 17, eerste lid De deelnemers stellen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen een termijn van acht maanden na het van kracht worden van de in, bedoelde verplichting een ontwerp van het waterakkoord op. 2 Een exemplaar van het ontwerp wordt uiterlijk twee weken na het opstellen ervan toegezonden aan: a. gedeputeerde staten van de desbetreffende provincie of provincies; b. de besturen van andere openbare lichamen alsmede andere bestuursorganen of instellingen welke naar het oordeel van de deelnemers geacht kunnen worden bij het ontwerp belang te hebben. 3 Gedurende een termijn van vier weken vanaf de datum van verzending kunnen degenen aan wie het ontwerp is toegezonden, hun zienswijze omtrent het ontwerp aan de deelnemers kenbaar maken. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 artikel 18, derde lid De deelnemers stellen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen acht weken na verloop van de in, bedoelde termijn het waterakkoord vast. 2 artikel 18, tweede lid Een exemplaar van het waterakkoord wordt uiterlijk twee weken na de vaststelling ervan toegezonden aan degenen aan wie ingevolge, toezending van het ontwerp heeft plaatsgevonden, en aan Onze Minister. 1995 250 16-05-1995 26-04-1995 23780 1995 250 16-05-1995 26-04-1995 23780 17-05-1995
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 artikel 19, tweede lid Uiterlijk twee weken na de in, bedoelde toezending wordt een exemplaar van het waterakkoord gedurende een maand ter inzage gelegd ten kantore van de deelnemers. 2 Nederlandse Staatscourant Van de terinzagelegging wordt tevoren kennis gegeven in deen in één of meer dag-, nieuws of advertentiebladen. 1989 285 14-06-1989 17367 1990 319 05-06-1990 01-07-1990
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 Een deelnemer die wijziging van een waterakkoord aan de vaststelling waarvan hij heeft meegewerkt, nodig acht, richt een schriftelijk verzoek daartoe aan de andere deelnemers. 2 artikelen 5 9 artikelen 18 19 20 Binnen een termijn van drie maanden na het in het eerste lid bedoelde verzoek wordt een aanvang gemaakt met de voorbereiding van de wijziging van het waterakkoord. Bij de wijziging van het waterakkoord wordt rekening gehouden met de in deenbedoelde beheersplannen, welke op de oppervlaktewateren waarop het waterakkoord betrekking heeft van toepassing zijn. De,enzijn van overeenkomstige toepassing. 1989 285 14-06-1989 17367 1990 319 05-06-1990 01-07-1990
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 artikel 17, eerste lid artikel 21, tweede lid Indien een waterakkoord niet binnen een termijn van een jaar is vastgesteld of gewijzigd, nadat de in, bedoelde verplichting van kracht is geworden onderscheidenlijk de in, bedoelde termijn is verlopen, doen de deelnemers daarvan mededeling aan het in het tweede lid bedoelde gezag. 2 De in het eerste lid bedoelde mededeling wordt, indien het Rijk of een provincie aan het waterakkoord deelneemt, gedaan aan Onze Minister en in de overige gevallen aan gedeputeerde staten van de desbetreffende provincie of provincies. 1989 285 14-06-1989 17367 1990 319 05-06-1990 01-07-1990
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 artikel 22, tweede lid Het in, bedoelde gezag kan in het geval, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, of indien een samenhangend beleid en beheer met betrekking tot de waterhuishouding zulks vordert, aan de deelnemers aanwijzingen geven omtrent de vaststelling of wijziging en de inhoud van een waterakkoord. 2 Bij een aanwijzing kan een termijn worden gesteld binnen welke het waterakkoord dient te zijn vastgesteld dan wel, indien het een vastgesteld waterakkoord betreft, de wijziging dient te hebben plaatsgevonden. 3 Een aanwijzing wordt niet gegeven dan nadat de deelnemers in de gelegenheid zijn gesteld van hun gevoelen omtrent het voornemen tot het geven van de aanwijzing te doen blijken. Indien Onze Minister het voornemen heeft een aanwijzing te geven, stelt hij, indien de provincie niet tot de deelnemers behoort, ook gedeputeerde staten in de gelegenheid hun gevoelen daaromtrent te laten blijken. 4 De deelnemers stellen het waterakkoord vast of wijzigen het waterakkoord in overeenstemming met de gegeven aanwijzing. 5 Staatscourant Van de beschikking, houdende de aanwijzing, wordt mededeling gedaan in de. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 1 Het is in daartoe aan te wijzen gevallen verboden water te lozen in of te onttrekken aan oppervlaktewateren zonder vergunning. Het verbod geldt eveneens ingeval door anderen dan kwantiteitsbeheerders water wordt afgevoerd naar of aangevoerd uit oppervlaktewateren. Het verbod geldt niet voor kwantiteitsbeheerders voor zover zij water lozen in of onttrekken aan oppervlaktewateren waarover zij zelf het beheer voeren. 2 artikelen 13 15 De aanwijzing ingevolge het eerste lid kan enkel betreffen de lozing of onttrekking van waterhoeveelheden die, zelfstandig of in samenhang met andere lozingen of onttrekkingen, van nadelige invloed kunnen zijn op de peilregeling, de grondwaterstand of de waterbeweging, dan wel de kwantiteitsbeheerder kunnen noodzaken tot bijzondere beheersmaatregelen. Deenzijn van overeenkomstige toepassing. 3 artikelen 5 9 Een vergunning wordt verleend door de kwantiteitsbeheerder van het desbetreffende oppervlaktewater. Is het Rijk kwantiteitsbeheerder, dan geschiedt de vergunningverlening door of vanwege Onze Minister. Bij het verlenen van de vergunning wordt rekening gehouden met de in deenbedoelde beheersplannen, die van toepassing zijn op het oppervlaktewater waarop de vergunning betrekking heeft. 4 Wet verontreiniging oppervlaktewateren Grondwaterwet Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van het belang van de waterhuishouding voor zover het bij of krachtens deof debepaalde daarin niet voorziet. 5 In de vergunning worden ten minste de waterhoeveelheden vermeld die per één of meer tijdseenheden mogen onderscheidenlijk moeten worden afgevoerd, aangevoerd, geloosd of onttrokken, alsmede, voor zover het aanvoeren of onttrekken betreft, het doel waarvoor de waterhoeveelheden zijn bestemd. De vorige volzin geldt niet voor zover de vergunning wordt verleend voor een lozing in een geval waarin ingevolge het eerste lid een aanwijzing van toepassing is in verband met de nadelige invloed van de lozing van de desbetreffende waterhoeveelheden op de grondwaterstand of de grondwaterbeweging. 6 De vergunning geldt ook voor de rechtsopvolgers van de houder, met dien verstande dat zij met ingang van de vierde maand na de dag van de rechtsopvolging vervalt, tenzij vóór dat tijdstip de wijziging van de tenaamstelling schriftelijk is aangevraagd. 2004 191 11-05-2004 23-02-2004 28475 2004 192 11-05-2004 14-04-2004 01-06-2004
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 De aanvraag tot verlening van een vergunning wordt ingediend bij de kwantiteitsbeheerder. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gesteld met betrekking tot de gegevens en bescheiden welke de aanvrager moet overleggen teneinde een beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 De kwantiteitsbeheerder zendt zo spoedig mogelijk een exemplaar van de aanvraag aan de kwaliteitsbeheerder, onder mededeling dat hij van advies kan dienen, alsmede aan gedeputeerde staten. 1989 285 14-06-1989 17367 1990 319 05-06-1990 01-07-1990
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Ten aanzien van de oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk onderscheidenlijk ten aanzien van de overige oppervlaktewateren kunnen bij algemene maatregel van bestuur onderscheidenlijk bij provinciale verordening gevallen worden aangewezen, waarinvan toepassing is op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag. 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 Vervallen 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 De kwantiteitsbeheerder doet van een beslissing tot verlening van een vergunning of tot weigering daarvan mededeling door toezending van een afschrift aan de kwaliteitsbeheerder en aan gedeputeerde staten. 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 De kwantiteitsbeheerder kan uit eigen beweging of op schriftelijk verzoek van een belanghebbende een vergunning wijzigen, dan wel geheel of gedeeltelijk intrekken. 2 Wet verontreiniging oppervlaktewateren Grondwaterwet Behoudens ingeval de houder van de vergunning om de wijziging verzoekt, kan een vergunning slechts worden gewijzigd indien de bescherming van het belang van de waterhuishouding voor zover deof dedaarin niet voorziet, zulks vordert. 3 Een vergunning kan slechts geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken indien: a. de houder van de vergunning schriftelijk verklaart daarvan in het geheel onderscheidenlijk voor een gedeelte geen gebruik meer te zullen maken; b. de ter verkrijging van de vergunning verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest; c. van de vergunning gedurende vier achtereenvolgende jaren in het geheel onderscheidenlijk voor een gedeelte geen gebruik is gemaakt; d. wordt gehandeld in strijd met de vergunning; e. Wet verontreiniging oppervlaktewateren Grondwaterwet blijkt van feiten of omstandigheden waardoor, in verband met het belang van de waterhuishouding voor zover dit niet door deof dewordt beschermd, de lozing, onttrekking, afvoer of aanvoer in het geheel onderscheidenlijk voor een gedeelte niet langer toelaatbaar wordt geacht. 4 artikelen 5 9 Bij de wijziging of intrekking van een vergunning wordt rekening gehouden met de in deenbedoelde beheersplannen, die van toepassing zijn op het oppervlaktewater waarop de vergunning betrekking heeft. 1989 285 14-06-1989 17367 1990 319 05-06-1990 01-07-1990
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 1 Van een voornemen tot wijziging geeft de kwantiteitsbeheerder zo spoedig mogelijk kennis aan: a. de houder van de vergunning; b. de kwaliteitsbeheerder; c. gedeputeerde staten; d. a b c de belanghebbende, voor zover niet genoemd onder,of, die een verzoek tot wijziging heeft gedaan. 2 artikel 30, derde lid onder a Behoudens in het geval, bedoeld in, geeft de kwantiteitsbeheerder van een voornemen tot gehele of gedeeltelijke intrekking zo spoedig mogelijk kennis aan de houder van de vergunning. 3 De kennisgeving bevat de redenen waarop het voornemen tot wijziging dan wel gehele of gedeeltelijke intrekking is gegrond, en, indien het een voornemen tot wijziging betreft, de zakelijke inhoud van de wijziging. 4 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Ten aanzien van de oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk onderscheidenlijk ten aanzien van de overige oppervlaktewateren kunnen bij algemene maatregel van bestuur onderscheidenlijk bij provinciale verordening gevallen worden aangewezen, waarinvan toepassing is op een voornemen als bedoeld in het eerste of tweede lid. 1995 250 16-05-1995 26-04-1995 23780 1995 250 16-05-1995 26-04-1995 23780 17-05-1995
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 Vervallen 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 De kwantiteitsbeheerder doet van een beslissing tot wijziging of tot weigering daarvan mededeling door toezending van een afschrift aan de kwaliteitsbeheerder en aan gedeputeerde staten. 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 33a — Artikel 33a#
Artikel 33a 1 De kwantiteitsbeheerder kan algemene regels stellen ten aanzien van het lozen van water in, het onttrekken van water aan, het afvoeren van water naar of het aanvoeren van water uit oppervlaktewateren waarover hij het beheer voert. 2 De regels kunnen enkel betreffen de lozing, onttrekking, aanvoer of afvoer van waterhoeveelheden die, niet zelfstandig maar wel in samenhang met andere lozingen, onttrekkingen, aanvoer of afvoer, van nadelige invloed kunnen zijn op de peilregeling, de grondwaterstand of de waterbeweging, dan wel de kwantiteitsbeheerder kunnen nopen tot bijzondere beheersmaatregelen. 3 Wet verontreiniging oppervlaktewateren Grondwaterwet De regels kunnen het belang van de waterhuishouding beschermen voor zover het bij of krachtens deof debepaalde daarin niet voorziet. 4 De regels kunnen een algeheel verbod of een bepaalde beperking inhouden van het met behulp van daarbij aan te geven categorieën van werken afvoeren, aanvoeren, lozen of onttrekken van waterhoeveelheden. De regels kunnen betrekking hebben op alle of op bepaalde oppervlaktewateren ten aanzien waarvan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid kan worden uitgeoefend. 5 artikel 24, eerste lid De regels kunnen geen betrekking hebben op gevallen waarin ingevolge, een vergunning is vereist. 6 artikel 24, eerste lid Het vijfde lid geldt niet voor zover de regels overgangsvoorzieningen betreffen voor gevallen waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van die regels een vergunning was vereist ingevolge. 7 Artikel 13 Artikel 15 artikel 13, eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de wijze van vaststelling van de regels.is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de aanwijzingen van Onze Minister omtrent de vaststelling of wijziging en de inhoud van een verordening als bedoeld in. 2004 191 11-05-2004 23-02-2004 28475 2004 192 11-05-2004 14-04-2004 01-06-2004
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 Vervallen 2002 292 18-06-2002 16-05-2002 27922 2002 292 18-06-2002 16-05-2002 27922 01-09-2002
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 Vervallen 2002 292 18-06-2002 16-05-2002 27922 2002 292 18-06-2002 16-05-2002 27922 01-09-2002
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 Vervallen 2002 292 18-06-2002 16-05-2002 27922 2002 292 18-06-2002 16-05-2002 27922 01-09-2002
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 Vervallen 2002 292 18-06-2002 16-05-2002 27922 2002 292 18-06-2002 16-05-2002 27922 01-09-2002
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 Vervallen 2002 292 18-06-2002 16-05-2002 27922 2002 292 18-06-2002 16-05-2002 27922 01-09-2002
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 Vervallen 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 artikel 33a Aan degene die ten gevolge van het vaststellen of wijzigen van een peilbesluit, het vaststellen of wijzigen van een waterakkoord, het verlenen, weigeren, wijzigen of intrekken van een vergunning of het vaststellen of wijzigen van een algemene regel als bedoeld in, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet op andere wijze voldoende is verzekerd, wordt door het gezag dat het desbetreffende besluit heeft genomen, op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toegekend. De schadevergoeding kan worden bepaald in geld of op andere wijze. 2004 191 11-05-2004 23-02-2004 28475 2004 192 11-05-2004 14-04-2004 01-06-2004
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 artikel 40 artikel 40 Indien het inbedoelde gezag, niet zijnde het Rijk, een vergoeding als bedoeld in dat artikel geheel of gedeeltelijk toekent in verband met de noodzakelijke behartiging van een openbaar belang waarvan de behartiging niet of niet geheel tot zijn taak behoort, kan Onze Minister op verzoek van dit gezag aan het openbaar lichaam welks belang geheel of gedeeltelijk wordt behartigd, de verplichting opleggen de met toepassing vangemoeide kosten die het gevolg zijn van die belangenbehartiging, geheel of gedeeltelijk te vergoeden. 1992 146 12-03-1992 21199 1992 497 10-09-1992 01-10-1992
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 Een belanghebbende kan tegen een peilbesluit voor oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk of een provincie beroep instellen bij de rechtbank. 1993 650 30-12-1993 16-12-1993 22495 1993 650 30-12-1993 16-12-1993 22495 01-01-1994
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 artikel 19, eerste lid In het geval dat een ander dan het Rijk of een provincie aan het waterakkoord deelneemt kan een belanghebbende beroep instellen bij gedeputeerde staten tegen een besluit als bedoeld in. Voor de gevallen waarin gedeputeerde staten van meer dan één provincie van het beroep zouden moeten kennisnemen, wijzen provinciale staten van de desbetreffende provincies gedeputeerde staten van één van de provincies als beroepsinstantie aan. Deze aanwijzing geschiedt bij verordening, vastgesteld bij gemeenschappelijk besluit van provinciale staten van de desbetreffende provincies. 1993 650 30-12-1993 16-12-1993 22495 1993 650 30-12-1993 16-12-1993 22495 01-01-1994
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 Vervallen 2004 191 11-05-2004 23-02-2004 28475 2004 192 11-05-2004 14-04-2004 01-06-2004
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 Vervallen 1993 650 30-12-1993 16-12-1993 22495 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 Vervallen 1993 650 30-12-1993 16-12-1993 22495 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 Vervallen 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 Vervallen 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 Vervallen 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 Vervallen 1993 650 30-12-1993 16-12-1993 22495 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 Indien een beslissing van gedeputeerde staten op een krachtens dit hoofdstuk ingesteld beroep strekt tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van een reeds in werking getreden besluit, kan, zo daartoe termen aanwezig zijn, bij die beslissing worden bepaald dat een vergoeding zal worden toegekend ten laste van het lichaam dat het geheel of gedeeltelijk vernietigde besluit heeft genomen, onverminderd het recht van degene die het beroep heeft ingesteld, om op grond van andere wettelijke bepalingen schadevergoeding te vragen. 1989 285 14-06-1989 17367 1990 319 05-06-1990 01-07-1990
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 artikel 17, eerste lid artikel 112, eerste lid, van de Grondwet a Artikel 18, eerste lid, eerste volzin, van de Wet op de Raad van State Geschillen omtrent de naleving van een in werking getreden waterakkoord als bedoeld in, tussen de deelnemers worden beslist door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, voor zover zij niet behoren tot die, vermeld in.is van overeenkomstige toepassing. 1993 650 30-12-1993 16-12-1993 22495 1993 650 30-12-1993 16-12-1993 22495 01-01-1994
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 1 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, zijn belast de bij besluit van Onze Minister of van het bestuur van een openbaar lichaam aan welk enige taak bij de uitvoering van deze wet is opgedragen, aangewezen ambtenaren. 2 artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering artikelen 179 tot en met 182 184 van het Wetboek van Strafrecht Met de opsporing van de bij deze wet strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd, belast de ambtenaren, aangewezen bij besluit van Onze Minister en Onze Minister van Justitie. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in deen, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf. 3 Staatscourant Van een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 Vervallen 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 Vervallen 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 Vervallen 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 Vervallen 1992 422 04-06-1992 22061 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 Onze Minister is, voor zover het de hem bij of krachtens deze wet toegekende bevoegdheden betreft, bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 1 artikel 24, eerste lid artikel 24, vierde lid artikel 33a Handelen in strijd met het in, omschreven verbod, een krachtens, aan een vergunning verbonden voorschrift, dan wel een krachtensgestelde algemene regel, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de vierde categorie. 2 artikel 12 Handelen in strijd met bij of krachtensvastgestelde verplichtingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie weken of een geldboete van de eerste categorie. 3 De in het eerste en tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. 2004 191 11-05-2004 23-02-2004 28475 2004 192 11-05-2004 14-04-2004 01-06-2004
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 1 Bepalingen in algemene maatregelen van bestuur en verordeningen van provincies, waterschappen, gemeenten en andere openbare lichamen ter zake van het afvoeren, aanvoeren, lozen of onttrekken van water, alsmede ter zake van het vaststellen van peilbesluiten blijven na de inwerkingtreding van deze wet van kracht, totdat daaromtrent op de wijze in deze wet bepaald voorzieningen zijn getroffen en zulks uiterlijk tot drie jaren na de dag van inwerkingtreding van deze bepaling. 2 artikelen 18 tot en met 20 Een peilbesluit onderscheidenlijk een besluit ter zake van het afvoeren of aanvoeren van water, genomen vóór de inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde voorzieningen, behoudt zijn geldigheid totdat het is vervangen door een waterakkoord of een peilbesluit op grond van deze wet, behoudens eerdere beëindiging van de werking ervan. Een vóór de inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde voorzieningen genomen besluit ter zake van het afvoeren of aanvoeren van water, dat is tot stand gekomen op de wijze van devan deze wet, wordt beschouwd als een waterakkoord in de zin van deze wet. 3 Een vergunning, vóór de inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde voorzieningen verleend op grond van enige wettelijke bepaling ter zake van het afvoeren, aanvoeren, lozen of onttrekken van water, wordt, voor zover niet verleend aan een kwantiteitsbeheerder voor het afvoeren of aanvoeren van water, voor de toepassing van deze wet beschouwd als een vergunning verleend op grond van deze wet. 1989 285 14-06-1989 17367 1990 319 05-06-1990 01-07-1990
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 artikel 12, eerste lid artikel 24, eerste lid Bij algemene maatregel van bestuur kan in het belang van de landsverdediging worden bepaald dat de in, gestelde verplichting en het in, gestelde verbod niet van toepassing zijn. Daarbij kunnen voorschriften worden gegeven welke naar ons oordeel in het belang van de waterhuishouding nodig zijn. 1989 285 14-06-1989 17367 1990 319 05-06-1990 01-07-1990
Artikel 62 — Artikel 62#
Artikel 62 De bevoegdheid tot het maken van verordeningen door waterschappen en gemeenten blijft ten aanzien van het onderwerp van deze wet gehandhaafd voor zover deze verordeningen niet met het bij of krachtens deze wet bepaalde in strijd zijn. 1989 285 14-06-1989 17367 1990 319 05-06-1990 01-07-1990
Artikel 63 — Artikel 63#
Artikel 63 artikelen 13, eerste lid 24, eerste lid 33a, eerste lid Bepalingen in verordeningen van provincies ter zake van de aanwijzing van registratie- of vergunningplichtige gevallen, vastgesteld op grond van de artikelen 13, eerste lid, 14 of 24, tweede of derde lid, zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van de Wet van 23 februari 2004, Stb. 191, blijven na de inwerkingtreding van die wet van kracht tot het tijdstip waarop met betrekking tot de in die verordeningen genoemde gevallen voorschriften van de kwantiteitsbeheerder als bedoeld in de,, of, van kracht worden. 2004 191 11-05-2004 23-02-2004 28475 2004 192 11-05-2004 14-04-2004 01-06-2004
Artikel 64 — Artikel 64#
Artikel 64 artikel 24 Ten aanzien van de behandeling van beroep dat voor de datum van inwerkingtreding van de Wet van 23 februari 2004, Stb. 191 is ingesteld tegen een beschikking ter zake van een vergunning als bedoeld in, of ter zake van de aanvraag daarvan, blijft het recht zoals dat gold voor die datum van toepassing. 2004 191 11-05-2004 23-02-2004 28475 2004 192 11-05-2004 14-04-2004 01-06-2004
Artikel 65 — Artikel 65#
Artikel 65 Vervallen 1999 30 16-02-1999 28-01-1999 25836 1999 40 16-02-1999 04-02-1999 25836 17-02-1999
Artikel 66 — Artikel 66#
Artikel 66 1 artikel 7 artikel 8, eerste lid artikel 9, vierde lid artikel 13, eerste lid artikel 16, derde lid Het provinciale plan bedoeld inen de verordeningen bedoeld in,,, enworden niet eerder vastgesteld dan nadat belanghebbenden in de gelegenheid zijn gesteld van de inhoud hiervan kennis te nemen en hun zienswijze bij provinciale staten kenbaar te maken. 2 Het bepaalde in het eerste lid vervalt zodra in de provincie een inspraakverordening van kracht is. 1989 285 14-06-1989 17367 1990 142 21-03-1990 01-04-1990
Artikel 67 — Artikel 67#
Artikel 67 1 artikel 5 7 9 artikel 3, vierde lid 5, vierde lid 7, vijfde lid De bepalingen van deze wet zoals die luiden tot het tijdstip van inwerkingtreding van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water blijven tot 22 december 2009 van toepassing op een voor dat tijdstip vastgestelde nota waterhuishouding en op een voor dat tijdstip vastgesteld plan als bedoeld in,ofvan deze wet. Indien voor een zodanige nota of een zodanig plan de termijn, bedoeld in,, of, eindigt op een tijdstip, liggende tussen 21 december 2006 en 22 december 2009, kan die termijn worden verlengd tot 22 december 2009. 2 3 5 7 9 Voor een waterhuishoudkundig systeem of onderdeel daarvan dat wordt gebruikt voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water en van waaruit dagelijks meer dan 10 mwater wordt onttrokken dan wel van waaruit water wordt ontrokken ten behoeve van meer dan 50 personen, wordt uiterlijk op 22 december 2004 een op dat gebruik betrekking hebbende functie vastgelegd in het desbetreffende plan als bedoeld in artikel,ofvan deze wet. 2005 303 21-06-2005 07-04-2005 28808 2005 303 21-06-2005 07-04-2005 28808 22-06-2005
Artikel 68 — Artikel 68#
Artikel 68 Vervallen 1999 30 16-02-1999 28-01-1999 25836 1999 40 16-02-1999 04-02-1999 25836 17-02-1999
Artikel 69 — Artikel 69#
Artikel 69 Deze wet kan worden aangehaald als: Wet op de waterhuishouding. 1989 285 14-06-1989 17367 1990 142 21-03-1990 01-04-1990
Artikel 70 — Artikel 70#
Artikel 70 De artikelen van deze wet treden in werking op een door Ons te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld. 1989 285 14-06-1989 17367 1990 142 21-03-1990 01-04-1990