Wet van 30 mei 1990, inzake invordering van rijksbelastingen, andere dan invoerrechten en accijnzen
- BWB-id
- BWBR0004770
- Type
- Wet
- Ministerie
- Financiën
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0004770
- ELI
- /eli/nl/wet/1990/invorderingswet-1990
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1990/invorderingswet-1990/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0004770&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0004770&z=2026-06-06&g=2026-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0004770/2026-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1990/invorderingswet-1990
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 Deze wet geldt bij de invordering van rijksbelastingen. 2 artikel 3:40 titels 4.1 tot en met 4.3 artikel 4:125 titel 5.2 hoofdstukken 6 7 afdeling 10.2.1 van de Algemene wet bestuursrecht Op deze wet zijn,,,, deenenniet van toepassing. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Deze wet verstaat onder: a. rijksbelastingen: artikel 1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 7:3 van de Algemene douanewet belastingen als bedoeld in, alsmede rechten bij invoer en rechten bij uitvoer als bedoeld in, die in Nederland worden geheven; aa. 1°. Koninkrijk: Koninkrijk der Nederlanden; 2°. Rijk: het land Nederland, zijnde Nederland en de BES eilanden; 3°. Nederland: artikel 1 van de Rijkswet instelling exclusieve economische zone het in Europa gelegen deel van het Koninkrijk, met dien verstande dat voor de heffing van de inkomstenbelasting, de loonbelasting, de vennootschapsbelasting en de assurantiebelasting Nederland tevens omvat de exclusieve economische zone van het Koninkrijk, bedoeld in, voorzover deze grenst aan de territoriale zee in Nederland; 4°. BES eilanden: Rijkswet tot vaststelling van een zeegrens tussen Curaçao en Bonaire, en tussen Sint Maarten en Saba de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, met daaronder begrepen, met inachtneming van de, het buiten de territoriale zee van de BES eilanden gelegen deel van de zeebodem en de ondergrond daarvan, voor zover het Koninkrijk daar op grond van het internationale recht ten behoeve van de exploratie en de exploitatie van natuurlijke rijkdommen soevereine rechten mag uitoefenen, alsmede de in, op, of boven dat gebied aanwezige installaties en andere inrichtingen ten behoeve van de exploratie en exploitatie van natuurlijke rijkdommen in dat gebied; b. hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen belastingrente en revisierente: de belastingrente en de revisierente, bedoeld in; c. Douanewetboek van de Unie: Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PbEU 2013, L 269); d. Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie: Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (PbEU 2015, L 343); e. Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie: Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PbEU 2015, L 343); f. paragraaf 1.2.3 van de Algemene douanewet kosten van ambtelijke werkzaamheden: de kosten, bedoeld in; g. hoofdstuk VIIA hoofdstuk VIIIA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen hoofdstuk 9 van de Algemene douanewet bestuurlijke boeten: de verzuimboeten en de vergrijpboeten, bedoeld invan deze wet,of, dan wel in enig ander wettelijk voorschrift betreffende de heffing van rijksbelastingen; h. Onze Minister: Onze Minister van Financiën; i. directeur, inspecteur of ontvanger: de functionaris die als zodanig bij ministeriële regeling is aangewezen; j. belastingdeurwaarder: de door Onze Minister als zodanig aangewezen ambtenaar van de rijksbelastingdienst; k. belastingschuldige: degene te wiens naam de belastingaanslag is gesteld; l. Wet op de loonbelasting 1964 werknemer, artiest, beroepssporter, buitenlands gezelschap, dienstbetrekking en inhoudingsplichtige: de werknemer, de artiest, de beroepssporter, het buitenlandse gezelschap, de dienstbetrekking en de inhoudingsplichtige in de zin van de; m. belastingaanslag: de voorlopige aanslag, de aanslag, de uitnodiging tot betaling, de navorderingsaanslag en de naheffingsaanslag, alsmede de voorlopige conserverende aanslag, de conserverende aanslag en de conserverende navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en in de schenk- en erfbelasting; n. kind: eerstegraads bloedverwant en aanverwant in de neergaande lijn. o. artikel 2, onderdelen a en c, van de Wet financiering sociale verzekeringen Zorgverzekeringswet sociale verzekeringspremies: de premies voor de sociale verzekeringen, bedoeld in, en de ingevolge degeheven inkomensafhankelijke bijdrage; p. artikel 76, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 10:15, eerste lid, van de Algemene douanewet strafbeschikking: de strafbeschikking, bedoeld inen; q. artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer burgerservicenummer: het nummer, bedoeld in; r. vertragingsrente: de vertragingsrente, bedoeld in artikel 114, eerste lid, van het Douanewetboek van de Unie; s. rente op achterstallen: de rente op achterstallen, bedoeld in artikel 114, tweede lid, van het Douanewetboek van de Unie; t. kredietrente: de kredietrente, bedoeld in artikel 112, tweede lid, van het Douanewetboek van de Unie. 2 Deze wet verstaat mede onder: a. rijksbelastingen: de belastingrente, de revisierente, de rente op achterstallen, de kosten van ambtelijke werkzaamheden, alsmede de bestuurlijke boeten; b. artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet wettelijke regeling betreffende de heffing van rijksbelastingen: de wettelijke bepalingen, bedoeld in, voor zover deze betrekking hebben op de heffing van rijksbelastingen; c. Algemene wet inzake rijksbelastingen Algemene douanewet belastingaanslag: een ingevolge dedan welof enige andere wettelijke regeling betreffende de heffing van rijksbelastingen vastgestelde beschikking of uitspraak strekkende tot - al dan niet nadere - vaststelling van een ingevolge die regelingen verschuldigd of terug te geven bedrag; d. aanslagbiljet: de kennisgeving van de beschikking of de uitspraak, bedoeld in onderdeel c; e. invorderen van rijksbelastingen: het betalen van een terug te geven bedrag aan rijksbelastingen. 3 Voor de toepassing van deze wet geldt, in afwijking in zoverre van het eerste en het tweede lid en behoudens voor zover daarvan moet worden afgeweken ingevolge het elders in deze wet bepaalde, als belastingaanslag: a. Algemene wet inzake rijksbelastingen de belastingaanslag na toepassing van de ingevolge deof enige andere wettelijke regeling betreffende de heffing van rijksbelastingen voorziene verrekeningen; b. ingeval een aanslagbiljet naast een of meer belastingaanslagen als bedoeld in onderdeel a een of meer ingevolge het tweede lid, onderdeel c, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikkingen omvat: het gezamenlijke bedrag van de ingevolge de op het aanslagbiljet vermelde belastingaanslagen in te vorderen bedragen. 4 Ingeval het derde lid, aanhef en onderdeel b, toepassing vindt, worden de op het aanslagbiljet vermelde bestanddelen - wat belasting betreft na de in het derde lid, onderdeel a, bedoelde verrekening - tot een negatief bedrag geacht naar evenredigheid te zijn verrekend met de bestanddelen tot een positief bedrag en omgekeerd. 5 Bepalingen van deze wet die rechtsgevolgen verbinden aan het aangaan, het bestaan, de beëindiging of het beëindigd zijn van een huwelijk zijn van overeenkomstige toepassing op het aangaan, het bestaan, de beëindiging onderscheidenlijk het beëindigd zijn van een geregistreerd partnerschap. 6 Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt een Europese coöperatieve vennootschap gelijkgesteld met een Europese naamloze vennootschap. 2016 163 28-04-2016 20-04-2016 34409 2016 164 28-04-2016 20-04-2016 01-05-2016 Artikel XV van Stb. 2016/163 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 De ontvanger is belast met de invordering van de rijksbelastingen. 2 In alle rechtsgedingen voortvloeiende uit de uitoefening van zijn taak treedt de ontvanger als zodanig in rechte op. 2016 163 28-04-2016 20-04-2016 34409 2016 164 28-04-2016 20-04-2016 01-05-2016 Artikel XV van Stb. 2016/163 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 3a — Artikel 3a#
Artikel 3a 1 De ontvanger is mede belast met de invordering van de strafbeschikking. 2 artikelen 4 6 9 tot en met 15 17 19 20 24 25 27 28 tot en met 30 artikel 9, eerste lid Bij de invordering zijn de,,,,,,,,envan overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in afwijking van, een geldboete invorderbaar is veertien dagen na de uitreiking in persoon of toezending van het afschrift van de strafbeschikking. 2006 330 18-07-2006 07-07-2006 29849 2008 262 10-07-2008 03-07-2008 31404 2011 308 27-06-2011 20-06-2011 01-07-2011
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Tot het verrichten van de bij of krachtens de wet aan een deurwaarder opgedragen werkzaamheden is, voor zover die werkzaamheden geschieden in opdracht van een ontvanger en betreffen de vervolgingen voor de invordering van rijksbelastingen, uitsluitend een belastingdeurwaarder bevoegd. 1990 221 30-05-1990 20588 1990 222 31-05-1990 30-05-1990 21135 01-06-1990
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 De bevoegdheid van een directeur, inspecteur of ontvanger is niet bepaald naar een geografische indeling van het Rijk. 2 artikel 2, eerste lid, onderdeel i Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de functionaris, bedoeld in, onder wie een belastingschuldige ressorteert. 2010 847 28-12-2010 16-12-2010 32276 2010 848 28-12-2010 23-12-2010 01-01-2011 Treedt in werking om 00:00 uur in de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 05:00 uur in
het Europese deel van Nederland.
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 De bepalingen van deze wet strekken zich niet alleen uit tot de rijksbelastingen, maar ook tot de daarmee samenhangende opcenten, de renten en de kosten. 2 Onder opcenten worden verstaan niet alleen die welke ten behoeve van de rijksoverheid, doch ook die welke ten behoeve van andere openbare lichamen met uitzondering van de BES eilanden worden geheven. 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 01-01-2024 Artikel XXXIII van Stb. 2023/499 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 artikel 4:92, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vangeschiedt de toerekening van de betalingen achtereenvolgens aan: a. de kosten; b. de rente; c. de belastingaanslag. 2 Toerekening van betalingen op een belastingaanslag geschiedt, behoudens voorzover daarvan moet worden afgeweken ingevolge deze wet, naar evenredigheid aan de op het aanslagbiljet vermelde in te vorderen bedragen. 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor een van het eerste lid afwijkende toerekening van betalingen op een uitnodiging tot betaling indien het recht van de Europese Unie daartoe noodzaakt. 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 01-01-2024 Artikel XXXIII van Stb. 2023/499 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. 2023 381 01-11-2023 16-10-2023 2023 408 15-11-2023 08-11-2023 01-01-2024
Artikel 7a — Artikel 7a#
Artikel 7a 1 artikel 4:89, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht artikel 25 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen In afwijking vanvindt uitbetaling aan de belastingschuldige van inkomstenbelasting uitsluitend plaats op een daartoe door de belastingschuldige bestemde bankrekening die op naam staat van de belastingschuldige. De belastingschuldige kan niet meer dan één bankrekening bestemmen voor de uitbetaling van inkomstenbelasting en voor de inbedoelde uitbetaling van de hem toekomende voorschotten en tegemoetkomingen. 2 Ingeval de belastingschuldige geen bankrekening heeft bestemd voor betaling van rijksbelastingen dan wel andere belastingen of heffingen voor zover de invordering daarvan is opgedragen aan de ontvanger betaalt de ontvanger op een bankrekening die op naam staat van de belastingschuldige. 3 Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op andere door de ontvanger uit te betalen bedragen. 4 In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen kan worden afgeweken van het eerste lid. Daarbij worden regels gesteld met betrekking tot de bestemming van een andere bankrekening voor de uitbetaling van inkomstenbelasting. 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 01-01-2015
Artikel 7b — Artikel 7b#
Artikel 7b artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht Een vordering op de ontvanger tot uitbetaling van een bedrag aan inkomstenbelasting is niet vatbaar voor vervreemding of verpanding. In afwijking van de eerste volzin is vervreemding of verpanding wel mogelijk aan een financiële onderneming als bedoeld in. 2013 567 23-12-2013 18-12-2013 33754 2013 567 23-12-2013 18-12-2013 33754 01-01-2014
Artikel 7c — Artikel 7c#
Artikel 7c 1 artikelen 2:7, tweede lid 2:8 van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking van de, enwordt in het verkeer tussen belastingschuldigen of aansprakelijk gestelden en de directeur, de ontvanger of de belastingdeurwaarder een bericht uitsluitend elektronisch verzonden. 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop het elektronische berichtenverkeer plaatsvindt. 3 Bij ministeriële regeling kunnen berichten en groepen van belastingschuldigen of aansprakelijk gestelden worden aangewezen waarvoor, alsmede omstandigheden worden aangewezen waaronder, het berichtenverkeer kan plaatsvinden anders dan langs elektronische weg. 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 01-01-2026 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026
Artikel 7d — Artikel 7d#
Artikel 7d 1 artikel 2:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vankunnen bij ministeriële regeling berichten, groepen van belastingschuldigen of aansprakelijk gestelden of omstandigheden worden aangewezen waarvoor, voor wie, onderscheidenlijk waaronder, geldt dat een belastingschuldige berichten uitsluitend langs elektronische weg dan wel uitsluitend anders dan langs elektronische weg aan de directeur, de ontvanger of de belastingdeurwaarder verzendt. 2 Het ontwerp van een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid wordt ten minste vier weken voordat de regeling wordt vastgesteld, overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal. 2019 512 27-12-2019 18-12-2019 35303 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 Abusievelijk is voor het eerste lid een wijziging geformuleerd die
niet kan worden doorgevoerd.
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 De ontvanger maakt de belastingaanslag bekend door verzending of uitreiking van het door de inspecteur voor de belastingschuldige opgemaakte aanslagbiljet. 2 In afwijking van het eerste lid kan de ontvanger een belastingaanslag ten name van een belastingschuldige die is opgehouden te bestaan of waarvan vermoed wordt dat deze is opgehouden te bestaan bekendmaken door verzending of uitreiking van het aanslagbiljet aan het parket van een ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarin de laatst bekende vestigingsplaats van de belastingschuldige is gelegen of aan het parket van de ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij de rechtbank Den Haag. 3 Indien de belastingaanslag op de wijze, bedoeld in het tweede lid, is bekendgemaakt worden zo spoedig mogelijk de volgende gegevens ter publicatie aan de Staatscourant verzonden of uitgereikt: a. de naam van de belastingschuldige; b. de soort belastingaanslag; c. de belastingsoort; d. het belastingjaar; e. de dagtekening van het aanslagbiljet. 4 Bij toepassing van het derde lid wordt een kopie van het aanslagbiljet verzonden of uitgereikt aan de laatste bestuurders, aandeelhouders en vereffenaars van de belastingschuldige, bedoeld in het tweede lid, voor zover die redelijkerwijs bij de ontvanger bekend kunnen zijn. 5 Een belastingaanslag is door de belastingschuldige in zijn geheel verschuldigd. 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 01-01-2019
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 Een belastingaanslag is invorderbaar zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet. 2 In afwijking van het eerste lid is een navorderingsaanslag, alsmede een conserverende navorderingsaanslag invorderbaar één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en een naheffingsaanslag invorderbaar veertien dagen na de dagtekening van het aanslagbiljet. 3 artikel 2, tweede lid, onderdeel c artikel 2, eerste lid, onderdeel m artikel 2, tweede lid, onderdeel c artikel 2, eerste lid, onderdeel m Een ingevolge, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete die gelijktijdig en in verband met de vaststelling van een belastingaanslag als bedoeld in, is opgelegd, is invorderbaar overeenkomstig de bepalingen die gelden voor die belastingaanslag. Een ingevolge, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake belasting- of revisierente is invorderbaar overeenkomstig de bepalingen die gelden voor de belastingaanslag, bedoeld in, waarop de belasting- of revisierente betrekking heeft. 4 artikel 2, tweede lid, onderdeel c hoofdstuk 9 van de Algemene douanewet Een uitnodiging tot betaling, alsmede een ingevolge, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake rente op achterstallen, inzake kosten van ambtelijke werkzaamheden of inzake een bestuurlijke boete als bedoeld in, is invorderbaar tien dagen na de dagtekening van het aanslagbiljet. 5 In afwijking van het eerste lid is een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting of in de vennootschapsbelasting en een voorlopige conserverende aanslag in de inkomstenbelasting, waarvan het aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt in het jaar waarover deze is vastgesteld, invorderbaar in zoveel gelijke termijnen als er na de maand, die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, nog maanden van het jaar overblijven. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. Indien de toepassing van de eerste volzin niet leidt tot meer dan één termijn, vindt het eerste lid toepassing. 6 In afwijking van het eerste en het vijfde lid is een belastingaanslag als bedoeld in het vijfde lid, die een uit te betalen bedrag behelst, invorderbaar in zoveel gelijke termijnen als er met inbegrip van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, nog maanden van het jaar overblijven. De eerste termijn vervalt aan het eind van de maand van de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 7 In afwijking van het eerste lid is een voorlopige aanslag waarvan het aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt voor het jaar waarover deze is vastgesteld, invorderbaar in zoveel gelijke termijnen als er maanden van het jaar zijn. De eerste termijn vervalt aan het eind van de eerste maand van het jaar waarover de voorlopige aanslag is vastgesteld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 8 In afwijking van het tweede lid is terstond invorderbaar een naheffingsaanslag ter zake van: a. artikel 8 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 de belasting van personenauto’s en motorrijwielen, die is opgelegd aan een ander dan een vergunninghouder als bedoeld in, of b. a artikel 6, onderdeel, van de Wet belasting zware motorrijtuigen de belasting zware motorrijtuigen, die is opgelegd aan de houder van een ander motorrijtuig dan bedoeld in. 9 In afwijking van het vierde lid is een uitnodiging tot betaling die is vastgesteld overeenkomstig een op een kalendermaand betrekking hebbende, aanvullende aangifte als bedoeld in artikel 167, eerste lid, van het Douanewetboek van de Unie invorderbaar vijftien dagen na de maand waarover de aangifte is gedaan. In afwijking in zoverre van de eerste volzin is de uitnodiging tot betaling ter zake van de aangifte over de maand februari invorderbaar na zestien maart. 10 Algemene termijnenwet Deis niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. 11 In afwijking van het eerste lid is een belastingaanslag die een uit te betalen bedrag behelst niet invorderbaar: a. zolang over de juistheid van het adresgegeven van de belastingschuldige gerede twijfel bestaat of zolang dit gegeven ontbreekt; b. indien er op het moment dat er na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan vijf jaren zijn verstreken: 1°. gerede twijfel bestaat over de juistheid van het adresgegeven van de belastingschuldige; of 2°. het adresgegeven van de belastingschuldige ontbreekt. 12 De verplichting tot betaling wordt niet geschorst door de indiening van een bezwaar- of beroepschrift inzake een belastingaanslag. 2016 163 28-04-2016 20-04-2016 34409 2016 164 28-04-2016 20-04-2016 01-05-2016 Artikel XV van Stb. 2016/163 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 artikel 9 In afwijking vanis een belastingaanslag van de belastingschuldige die een te innen bedrag behelst terstond en tot het volle bedrag invorderbaar indien: a. de belastingschuldige in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard en die belastingaanslag onder de werking van de schuldsaneringsregeling valt; b. de ontvanger aannemelijk maakt dat gegronde vrees bestaat dat goederen van de belastingschuldige zullen worden verduisterd; c. de belastingschuldige Nederland metterwoon wil verlaten dan wel zijn plaats van vestiging wil overbrengen naar een plaats buiten Nederland, tenzij hij aannemelijk maakt dat de belastingschuld kan worden verhaald; d. de belastingschuldige buiten Nederland woont of gevestigd is dan wel in Nederland geen vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft en de ontvanger aannemelijk maakt dat gegronde vrees bestaat dat de belastingschuld niet kan worden verhaald; e. op goederen waarop een belastingschuld van de belastingschuldige kan worden verhaald beslag is gelegd voor zijn belastingschuld; f. goederen van de belastingschuldige worden verkocht ten gevolge van een beslaglegging namens derden; g. artikel 19 ten laste van de belastingschuldige een vordering wordt gedaan als bedoeld in, tenzij hij aannemelijk maakt dat de belastingschuld kan worden verhaald; h. artikel 2:1, aanhef en onder j, van de Algemene douanewet met inachtneming van artikel 97 van het Douanewetboek van de Unie ten laste van de belastingschuldige aanvulling of vervanging van een gestelde zekerheid is geëist, doch die aanvulling of vervanging niet tijdig overeenkomstig het krachtensbepaalde, wordt verricht. 2 Het eerste lid is in de gevallen bedoeld in de onderdelen a, e, f en g niet van toepassing op een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting of in de vennootschapsbelasting waarvan het aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt in het jaar waarover deze is vastgesteld. 3 artikel 2, tweede lid, onderdeel c hoofdstuk 9 van de Algemene douanewet Het eerste lid is in het geval, bedoeld in onderdeel h, uitsluitend van toepassing op een uitnodiging tot betaling en op een ingevolge, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake rente op achterstallen, inzake kosten van ambtelijke werkzaamheden of inzake een bestuurlijke boete als bedoeld in. 2016 163 28-04-2016 20-04-2016 34409 2016 164 28-04-2016 20-04-2016 01-05-2016 Artikel XV van Stb. 2016/163 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 Indien de belastingschuldige een belastingaanslag niet binnen de gestelde termijn betaalt, maant de ontvanger hem schriftelijk aan om alsnog binnen twee weken na de dagtekening van de aanmaning te betalen. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 De invordering van de belastingaanslag kan geschieden bij een door de ontvanger uit te vaardigen dwangbevel. 2 artikel 4:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking vankunnen bij het dwangbevel tevens de kosten van de aanmaning, de kosten van het dwangbevel en de rente worden ingevorderd. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 artikel 4:123 van de Algemene wet bestuursrecht Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering In afwijking vangeschiedt de betekening van het dwangbevel overeenkomstig de regels van hetmet betrekking tot de betekening van exploten. Het dwangbevel vermeldt dat de belastingschuldige tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet kan komen. 2 artikel 47 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Indien de betekening geschiedt overeenkomstig, vermeldt de envelop, in afwijking van de tweede volzin van het tweede lid van dat artikel, in plaats van de naam, de hoedanigheid, het kantooradres en telefoonnummer van de deurwaarder, welke ontvanger de opdracht tot betekening heeft verstrekt, alsmede diens kantooradres en telefoonnummer. 3 artikel 4:123 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 14 In afwijking vankan de betekening van het dwangbevel met bevel tot betaling ook geschieden door het ter post bezorgen van een voor de belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling door de ontvanger. Indien het dwangbevel ten uitvoer wordt gelegd als bedoeld in, wordt het bevel tot betaling geacht te zijn betekend door de belastingdeurwaarder die belast is met de tenuitvoerlegging. Uit de ongeopende envelop waarin het afschrift ter post wordt bezorgd, blijkt de naam en het adres van de belastingschuldige, alsmede een aanduiding dat de inhoud de onmiddellijke aandacht behoeft. 4 Betekening op de voet van het derde lid is niet mogelijk ingeval: a. de ontvanger is gebleken dat de aanmaning de belastingschuldige niet heeft bereikt, of b. artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a of onderdeel b de invordering geschiedt met toepassing van. 5 artikelen 14 19 20 Voor de toepassing van de,enwordt het dwangbevel met bevel tot betaling dat op de voet van het derde lid is betekend, geacht te zijn betekend twee dagen na de datum van de terpostbezorging van het dwangbevel met bevel tot betaling. 2010 873 29-12-2010 23-12-2010 32505 2010 873 29-12-2010 23-12-2010 32505 01-01-2011 01-07-2009
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 47 van die wet artikel 13, derde lid artikel 13, tweede li In afwijking vangeschiedt de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, dat op de voet van, is betekend, niet dan na betekening van een hernieuwd bevel tot betaling. De betekening van het hernieuwd bevel tot betaling geschiedt overeenkomstig de regels van hetmet betrekking tot de betekening van exploten, met dien verstande dat indien de betekening geschiedt overeenkomstighet exploot van de belastingdeurwaarder een bevel inhoudt om binnen twee dagen te betalen;d, is van overeenkomstige toepassing. 2 artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel c Het eerste lid vindt geen toepassing ingeval het dwangbevel met toepassing van, terstond ten uitvoer kan worden gelegd. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 artikel 9, achtste lid artikel 10 Met betrekking tot een naheffingsaanslag als bedoeld in, en in de gevallen bedoeld inkan: a. een dwangbevel zonder voorafgaande aanmaning worden uitgevaardigd, of indien reeds een aanmaning is verzonden, in afwijking van de daarbij gestelde betalingstermijn, terstond worden uitgevaardigd; b. een dwangbevel terstond na het bevel tot betaling ten uitvoer worden gelegd; c. een dwangbevel indien het bevel tot betaling reeds is gedaan, voor zover nodig in afwijking van de daarbij gestelde betalingstermijn, terstond ten uitvoer worden gelegd; d. artikel 14, eerste lid, een dwangbevel indien het hernieuwd bevel tot betaling, bedoeld inreeds is gedaan, in afwijking van de daarbij gestelde betalingstermijn, terstond ten uitvoer worden gelegd; e. artikel 64, eerste en tweede lid, eerste volzin artikel 438b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de betekening en de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, in afwijking van, en, in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen situaties geschieden op alle dagen en uren; f. artikel 19, negende lid, eerste volzin in afwijking van, een vordering worden gedaan zonder schriftelijke aankondiging daarvan aan de belastingschuldige. 2 De voordracht voor een krachtens het eerste lid, onderdeel e, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2017 518 28-12-2017 20-12-2017 34786 2020 192 23-06-2020 15-06-2020 01-07-2020
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 artikel 9, zesde lid Indien executoriaal beslag is gelegd op een in een of meer termijnen door de ontvanger uit te betalen bedrag op grond van een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting als bedoeld in, wordt het beslag geacht mede te omvatten een in termijnen uit te betalen bedrag op grond van een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting als bedoeld in artikel 9, zesde lid, over een volgend jaar voor zover: a. de uit te betalen termijnen van de voorlopige aanslagen op elkaar aansluiten, en b. de schuld waarvoor beslag is gelegd niet geheel is voldaan. 2010 873 29-12-2010 23-12-2010 32505 2010 873 29-12-2010 23-12-2010 32505 01-01-2011
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 De belastingschuldige kan tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet komen bij de rechtbank van het arrondissement waarbinnen hij woont of is gevestigd. Indien de belastingschuldige buiten Nederland woont of is gevestigd dan wel in Nederland geen vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, kan hij in verzet komen bij de rechtbank van het arrondissement waarbinnen het kantoor is gevestigd van de ontvanger die het dwangbevel heeft uitgevaardigd. 2 Het verzet vangt aan met dagvaarding door de belastingschuldige als eiser aan de ontvanger die het dwangbevel heeft uitgevaardigd als gedaagde. 3 artikel 13, derde lid artikel 27, eerste lid Het verzet kan niet zijn gegrond op de stelling dat het aanslagbiljet, de aanmaning, het op de voet van, betekende dwangbevel of de schriftelijke mededeling, genoemd in, niet is ontvangen, tenzij de belastingschuldige aannemelijk maakt dat ontvangst redelijkerwijs moet worden betwijfeld. Bovendien kan het verzet niet zijn gegrond op de stelling dat de belastingaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. 2023 41 10-02-2023 25-01-2023 36212 2023 97 27-03-2023 20-03-2023 01-05-2023
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering Op eerste vordering van ambtenaren van de rijksbelastingdienst of van opsporingsambtenaren als bedoeld inis de bestuurder van een motorrijtuig verplicht dat te doen stilstaan teneinde de tenuitvoerlegging van een dwangbevel te doen plaatsvinden. De bestuurder van het motorrijtuig is verplicht de daartoe door de in de eerste volzin bedoelde ambtenaren gegeven aanwijzingen op te volgen. 2 artikelen 64, eerste en tweede lid, eerste volzin 438b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering De tenuitvoerlegging van een dwangbevel op de voet van het eerste lid en de daaraan voorafgaande betekening van het hernieuwde bevel tot betaling kunnen, in afwijking van de, en, geschieden op alle dagen en uren. 3 artikel 14, eerste lid In afwijking van, kan een hernieuwd bevel tot betaling ook worden betekend aan de bestuurder van het motorrijtuig, bedoeld in het eerste lid. 4 artikel 434 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering In afwijking vankan machtiging van de belastingdeurwaarder ook plaatsvinden door middel van het beschikbaar stellen van de gegevens van een dwangbevel waarvan de tenuitvoerlegging op de voet van het eerste lid dient plaats te vinden. 5 artikel 446 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Ingeval de schuld waarvoor op de voet van het eerste lid beslag is gelegd een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag te boven gaat, wordt voor de toepassing vanin elk geval aangenomen dat het voor het behoud van de op de voet van het eerste lid in executoriaal beslag genomen zaken redelijkerwijze noodzakelijk is dat deze zaken in gerechtelijke bewaring worden gegeven. 2011 640 29-12-2011 22-12-2011 33004 2011 640 29-12-2011 22-12-2011 33004 01-01-2012
Artikel 18a — Artikel 18a#
Artikel 18a artikel 475, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht Bij de tenuitvoerlegging van een executoriale titel in opdracht van de ontvanger isniet van toepassing. Bij de tenuitvoerlegging van een dwangbevel is dit in afwijking van. 2020 542 23-12-2020 09-12-2020 35573 2020 542 23-12-2020 09-12-2020 35573 01-01-2021
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 Een derde op wie de belastingschuldige een vordering heeft of uit een reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen, is op vordering van de ontvanger gehouden de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen voor zover een en ander vatbaar is voor beslag. Voor zover één en ander niet vatbaar is voor beslag is de derde op vordering van de ontvanger verplicht ten hoogste een tiende gedeelte daarvan aan te wenden voor betaling van de belastingaanslagen van de belastingschuldige. 2 Het eerste lid, tweede volzin, vindt alleen toepassing indien de belastingschuldige op het tijdstip waarop de vordering wordt gedaan, meer dan één belastingaanslag waarvan de enige of laatste betalingstermijn met ten minste twee maanden is overschreden, niet heeft betaald en hij met betrekking tot deze belastingaanslagen: a. geen verzoek om uitstel van betaling heeft gedaan, niet in aanmerking komt voor uitstel van betaling of de gestelde voorwaarden voor uitstel van betaling niet is nagekomen, en b. geen verzoek om kwijtschelding van belasting heeft gedaan of niet in aanmerking komt voor kwijtschelding van belasting. 3 Een huurder, een pachter, een curator in een faillissement en een houder van penningen is op vordering van de ontvanger verplicht uit de gelden die hij aan de belastingschuldige verschuldigd is of uit de gelden of de penningen die hij ten behoeve van de belastingschuldige onder zich heeft, de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen. Een curator in een faillissement van de belastingschuldige is voorts bevoegd uit eigen beweging uit de gelden die hij ten behoeve van de belastingschuldige onder zich heeft, de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen. 4 artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht Een betaaldienstverlener als bedoeld inis op vordering van de ontvanger verplicht, in zoverre onder blokkering van onttrekkingen aan de rekening, uit het tegoed van een rekening die een belastingschuldige bij hem heeft alsmede, indien de betaaldienstverlener en de belastingschuldige in samenhang met die rekening een overeenkomst inzake krediet zijn aangegaan, uit het ingevolge die overeenkomst verstrekte krediet, de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen. De betaaldienstverlener is verplicht aan de vordering te voldoen, zonder zich daarbij op verrekening te kunnen beroepen. De verplichting tot betaling vervalt een week na de dag van bekendmaking van de vordering aan de betaaldienstverlener. 5 De vordering geschiedt bij beschikking. Voor het doen van een vordering dient de ontvanger te beschikken over een aan de belastingschuldige betekend dwangbevel met bevel tot betaling. De beschikking heeft rechtsgevolg zodra zij is bekendgemaakt aan degene jegens wie de vordering is gedaan. De ontvanger maakt de beschikking tevens bekend aan de belastingschuldige. Indien de vordering wordt gedaan jegens de curator in een faillissement vindt de tweede volzin geen toepassing en blijft bekendmaking van de beschikking aan de belastingschuldige achterwege. 6 artikel 17 De belastingschuldige kan op de voet vanin verzet komen tegen de vordering als ware deze de tenuitvoerlegging van een dwangbevel. 7 Degene jegens wie een vordering is gedaan is verplicht aan die vordering te voldoen zonder daartoe een verificatie en beëdiging van schuldvordering, een rangregeling of rechterlijke uitspraak te mogen afwachten. De eerste volzin vindt geen toepassing in zoverre onder hem beslag is of wordt gelegd of verzet is of wordt gedaan ter zake van schulden waaraan een gelijke of hogere voorrang is toegekend. Voldoening aan de vordering geldt als betaling aan de belastingschuldige. 8 tweede boek, tweede titel, tweede afdeling, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering De ontvanger vervolgt degene die in gebreke blijft aan de vordering te voldoen bij executoriaal beslag volgens de regels van het. De kosten van vervolging komen voor rekening van degene die in gebreke blijft zonder dat hij deze kan verhalen op de belastingschuldige. 9 artikel 13, derde lid artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht artikel 475c, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 475i, tweede tot en met vijfde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Indien de vordering wordt gedaan op grond van het eerste lid en het dwangbevel op de voet van, is betekend, moet de vordering vooraf worden gegaan door een schriftelijke aankondiging van de ontvanger aan de belastingschuldige, inhoudende dat hij voornemens is een vordering te doen. De vordering wordt in dat geval niet eerder gedaan dan vier weken na de dagtekening van de vooraankondiging. De in de eerste volzin bedoelde aankondiging blijft achterwege indien de vordering wordt gedaan jegens een betaaldienstverlener als bedoeld inof jegens degene die reeds op vordering van de ontvanger een belastingaanslag van de belastingschuldige betaalt of zou moeten betalen. Indien de vordering op de voet van het eerste lid een vordering betreft van een periodieke betaling als bedoeld in, isvan overeenkomstige toepassing, tenzij de vordering wordt gedaan jegens degene die reeds op vordering van de ontvanger een belastingaanslag van de belastingschuldige betaalt of zou moeten betalen. 10 Het eerste tot en met negende lid zijn niet van toepassing op belastingaanslagen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen werkt. 11 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de gevallen waarin en de wijze waarop het eerste en het vierde lid toepassing kunnen vinden. 2022 530 27-12-2022 21-12-2022 36107 2022 530 27-12-2022 21-12-2022 36107 01-01-2023
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 artikel 585, onder a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering In afwijking in zoverre vankan een dwangbevel of een vonnis strekkend tot betaling van schadevergoeding aan de ontvanger in verband met belastingschuld die niet is voldaan, bij rechterlijk vonnis ten uitvoer worden gelegd door lijfsdwang. 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen Met betrekking tot een dwangbevel dat is uitgevaardigd aan een lichaam in de zin van de, kan lijfsdwang worden toegepast ten aanzien van: tenzij het niet aan hem te wijten is dat de belastingschuld niet is voldaan. a. de bestuurder of vereffenaar van dat lichaam of, bij ontstentenis, ten aanzien van de laatst afgetreden of ontslagen bestuurder of vereffenaar; en b. degene die het beleid van het lichaam heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder; 3 artikelen 586 tot en met 600 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Dezijn van overeenkomstige toepassing op de tenuitvoerlegging door lijfsdwang, bedoeld in het eerste lid. 4 De gerechtelijke procedure tot toepassing van lijfsdwang wordt gevoerd voor de rechtbank van het arrondissement waarbinnen het kantoor is gevestigd van de ontvanger die het dwangbevel of de dagvaarding strekkend tot betaling van schadevergoeding heeft uitgevaardigd. 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 01-01-2016
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 ’s Rijks schatkist heeft een voorrecht op alle goederen van de belastingschuldige. 2 artikelen 287 288 onder a artikel 284 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek artikel 22, derde lid Het voorrecht gaat boven alle andere voorrechten met uitzondering van die van deen, alsmede dat vanvoor zover de kosten zijn gemaakt na de dagtekening van het aanslagbiljet. Het voorrecht gaat tevens boven pand, voor zover het pandrecht rust op een zaak als is bedoeld in, die zich op de bodem van de belastingschuldige bevindt en tegen inbeslagneming waarvan derden zich op die grond niet kunnen verzetten. Het behoudt deze rang in geval van faillissement van de belastingschuldige of toepassing ten aanzien van hem van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, ongeacht of tevoren inbeslagneming heeft plaatsgevonden. 1998 446 23-07-1998 25-06-1998 23429 1998 622 17-11-1998 09-11-1998 01-12-1998
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 Derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op roerende zaken waarop ter zake van een belastingschuld beslag is gelegd, kunnen een beroepschrift richten tot de directeur, mits zulks doende vóór de verkoop en uiterlijk binnen zeven dagen, te rekenen van de dag der beslaglegging. Het beroepschrift wordt ingediend bij de ontvanger, tegen een door deze af te geven ontvangbewijs. De directeur neemt zo spoedig mogelijk een beslissing. De verkoop mag niet plaats hebben, dan acht dagen na de betekening van die beslissing aan de reclamant en aan degene tegen wie het beslag is gelegd, met nadere bepaling van de dag van verkoop. 2 Door het indienen van een beroepschrift op de voet van het eerste lid, verliest de belanghebbende niet het recht om zijn verzet voor de burgerlijke rechter te brengen. 3 Behoudens in het geval dat er een recht van terugvordering bestaat jegens degene die een zaak onrechtmatig of van een onbevoegde heeft verkregen, kunnen derden nimmer verzet in rechte doen tegen: indien de ingeoogste of nog niet ingeoogste vruchten, of roerende zaken tot stoffering van een huis of landhoef, of tot bebouwing of gebruik van het land, zich tijdens de beslaglegging op de bodem van de belastingschuldige bevinden. a. de beslaglegging ter zake van naheffingsaanslagen in: 1°. de loonbelasting ten laste van inhoudingsplichtigen met uitzondering van naheffingsaanslagen ter zake van huispersoneel; 2°. artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Wegenverkeerswet 1994 de omzetbelasting, alsmede de belasting van personenauto’s en motorrijwielen ten laste van een ander dan degene op wiens naam het motorrijtuig is gesteld in het kentekenregister, genoemd in; 3°. de accijns; 4°. de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van pruimtabak en snuiftabak; 5°. artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag de ingenoemde belastingen; 6°. de dividendbelasting; 7°. de bronbelasting; 8°. de kansspelbelasting ten laste van inhoudingsplichtigen; 9°. de assurantiebelasting; b. de beslaglegging ter zake van: 1°. uitnodigingen tot betaling; 2°. artikel 2, tweede lid, onderdeel c hoofdstuk 9 van de Algemene douanewet ingevolge, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikkingen inzake belastingrente, inzake bestuurlijke boeten die worden opgelegd in verband met vorenbedoelde naheffingsaanslagen, inzake bestuurlijke boeten als bedoeld in, inzake rente op achterstallen of inzake kosten van ambtelijke werkzaamheden; 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 01-01-2021
Artikel 22bis — Artikel 22bis#
Artikel 22bis 1 artikel 22, derde lid In dit artikel wordt verstaan onder bodemzaak: een zaak als bedoeld in, die zich op de bodem van de belastingschuldige bevindt. 2 Houders van pandrechten of overige derden die geheel of gedeeltelijk recht hebben op een bodemzaak, zijn gehouden de ontvanger mededeling te doen van het voornemen hun rechten met betrekking tot deze bodemzaak uit te oefenen, dan wel van het voornemen enigerlei andere handeling te verrichten of te laten verrichten waardoor die zaak niet meer kwalificeert als bodemzaak. 3 De belastingschuldige is gehouden de ontvanger mededeling te doen van het voornemen enigerlei handeling te verrichten of te laten verrichten, dan wel medewerking aan een dergelijke handeling te verlenen, waardoor de zaak niet meer kwalificeert als bodemzaak. 4 Handelingen die worden verricht in de normale uitoefening van het bedrijf of beroep van de belastingschuldige behoeven niet te worden gemeld. 5 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de mededeling, bedoeld in het tweede of derde lid, moet worden gedaan. 6 Gedurende vier weken na de mededeling, bedoeld in het tweede lid, mag de pandhouder of overige derde die de mededeling heeft gedaan, zijn rechten op de bodemzaak niet uitoefenen alsmede geen andere handeling verrichten of laten verrichten waardoor de ontvanger beperkt wordt in zijn recht met betrekking tot de bodemzaak. Gedurende vier weken na de mededeling, bedoeld in het derde lid, mag de belastingschuldige de bodemzaak niet vervreemden, niet enigerlei andere handeling verrichten of laten verrichten waardoor de ontvanger beperkt wordt in zijn recht met betrekking tot de bodemzaak, en niet zijn medewerking aan een dergelijke handeling verlenen. 7 Indien de ontvanger na een mededeling als bedoeld in het tweede lid besluit geen beslag te leggen op de bodemzaak, doet hij de pandhouder of de overige derde, bedoeld in dat lid, daarvan zo spoedig mogelijk kennisgeving. Gedurende vier weken na de dagtekening van de kennisgeving zijn de houders van pandrechten of de overige derden, bedoeld in het tweede lid, tot wie die kennisgeving is gericht, bevoegd hun rechten met betrekking tot die bodemzaak uit te oefenen, dan wel enigerlei handeling te verrichten dan wel te laten verrichten waardoor de zaak niet meer als bodemzaak kwalificeert. Na verloop van vier weken na de dagtekening van de kennisgeving is op handelingen die door de pandhouder of de derde, bedoeld in het tweede lid, worden verricht dit artikel onverkort van toepassing. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing indien de ontvanger geen kennisgeving doet, waarbij de termijn van vier weken aanvangt na afloop van de in het zesde lid genoemde termijn. 8 Het zevende lid is van overeenkomstige toepassing op de belastingschuldige, bedoeld in het derde lid. 9 De pandhouder of de overige derde, bedoeld in het tweede lid, die in gebreke is gebleven om de mededeling, bedoeld in dat lid, te doen, dan wel die handelt in strijd met het zesde lid, is op vordering van de ontvanger verplicht een met bescheiden gestaafde verklaring te doen omtrent de executiewaarde van de bodemzaak. Het door de belastingschuldige in gebreke blijven om de mededeling, bedoeld in het derde lid, te doen, en het handelen in strijd met het zesde lid, tweede volzin, worden aangemerkt als een in gebreke blijven van, onderscheidenlijk het handelen door, de pandhouder of de overige derde, bedoeld in het tweede lid, tenzij die pandhouder of die overige derde bewijst dat noch de zaak noch de opbrengst daarvan hem direct of indirect geheel of gedeeltelijk ten goede is gekomen. 10 De verklaring, bedoeld in het negende lid, moet geschieden binnen veertien dagen na de dagtekening van de brief van de ontvanger waarin om verklaring wordt verzocht. 11 De ontvanger stelt de executiewaarde van de bodemzaak vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. 12 artikel 22, derde lid De pandhouder of de overige derde, bedoeld in het tweede lid, is verplicht tot betaling van een bedrag bestaande uit de executiewaarde van de bodemzaak tot een beloop van maximaal het bedrag van de al dan niet in een naheffingsaanslag vervatte belastingschulden ter zake van rijksbelastingen, bedoeld in, voor zover deze belastingschulden zijn ontstaan in de periode voorafgaande aan het tijdstip waarop de zaak niet meer als bodemzaak kwalificeert. De ontvanger stelt het beloop van de betalingsverplichting vast in de beschikking, bedoeld in het elfde lid. 13 Voor de uit de beschikking, bedoeld in het twaalfde lid, voortvloeiende betalingsverplichting geldt een betalingstermijn van veertien dagen na de dagtekening van de beschikking. 14 Indien de pandhouder of de overige derde, bedoeld in het tweede lid, het bedrag, bedoeld in het twaalfde lid, niet binnen de gestelde termijn betaalt, vordert de ontvanger dat bedrag in, als ware dat bedrag een rijksbelasting. 15 Betalingen gedaan ingevolge het dertiende lid door de pandhouder of de overige derde, bedoeld in het tweede lid, komen in mindering op de belastingschulden, bedoeld in het twaalfde lid, van de belastingschuldige wiens bodemzaak het betrof, met uitzondering van rente, kosten en boeten die zijn verschuldigd door de pandhouder of de overige derde, bedoeld in het tweede lid. 16 De bevoegdheden van de ontvanger op grond van het negende, elfde, twaalfde en veertiende lid vervallen één jaar na het tijdstip waarop de zaak niet meer als bodemzaak kwalificeert, tenzij de ontvanger binnen dat jaar van de pandhouder of de overige derde, bedoeld in het tweede lid, een met bescheiden gestaafde verklaring heeft gevorderd omtrent de executiewaarde van de zaak. 17 hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Op het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie inzake de beschikking, bedoeld in het elfde lid, isvan overeenkomstige toepassing. 18 artikel 21, eerste lid De pandhouder of de overige derde, bedoeld in het tweede lid, die op grond van het tiende lid tijdig heeft verklaard en tijdig heeft betaald ingevolge het dertiende lid, heeft voor het bedrag dat hij aan de ontvanger heeft betaald verhaal op belastingschuldige, bedoeld in het eerste lid. Bij dit verhaal vindt geen subrogatie plaats in het voorrecht van. 19 Dit artikel is niet van toepassing indien de waarde van de bodemzaken bij het aangaan van de overeenkomst tussen belastingschuldige en pandhouder of derden als bedoeld in het tweede lid onder een bij ministeriële regeling vast te stellen drempel blijft. 20 Dit artikel vindt overeenkomstige toepassing tijdens de afkoelingsperiode. 2017 518 28-12-2017 20-12-2017 34786 2017 518 28-12-2017 20-12-2017 34786 01-01-2018
Artikel 22a — Artikel 22a#
Artikel 22a 1 artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Wegenverkeerswet 1994 Dit artikel is van toepassing op naheffingsaanslagen in de motorrijtuigenbelasting welke zijn vastgesteld op de voet vanten name van degene op wiens naam het motorrijtuig is gesteld in het kentekenregister, genoemd in, alsmede op de met die naheffingsaanslagen verband houdende kosten, renten en bestuurlijke boeten. 2 artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Wegenverkeerswet 1994 Voor de in het eerste lid bedoelde vorderingen kan door de ontvanger verhaal worden genomen op elk motorrijtuig dat op naam van de in het eerste lid bedoelde natuurlijke persoon of rechtspersoon is gesteld in het kentekenregister, genoemd in, zonder dat enig ander enig recht op deze motorrijtuigen kan tegenwerpen. 3 artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Wegenverkeerswet 1994 Uitwinning van motorrijtuigen als bedoeld in het tweede lid is niet mogelijk voorzover degene die enig recht op een dergelijk motorrijtuig heeft goederen van degene op wiens naam die motorrijtuigen zijn gesteld in het kentekenregister, genoemd in, aanwijst die voor de in het eerste lid bedoelde vorderingen voldoende verhaal bieden. 4 artikel 78 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 artikelen 78 79 van die wet De inbedoelde ambtenaren zijn bevoegd de hen in deentoegekende bevoegdheden mede uit te oefenen ten behoeve van de toepassing van dit artikel. 2014 481 10-12-2014 03-12-2014 33950 2014 481 10-12-2014 03-12-2014 33950 01-01-2015 01-01-2014
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 artikel 5.22, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 De ontvanger kan de belastingaanslagen in de inkomstenbelasting, voorzover zij betrekking hebben op goederen, verkregen onder de ontbindende voorwaarde van overlijden waarbij zich een opschortende voorwaarde ten gunste van een verwachter aansluit, op goederen waarvan de belastingschuldige het wettelijk vruchtgenot heeft, dan wel op goederen die de belastingschuldige ter beschikking staan krachtens een genotsrecht als bedoeld in, op die goederen verhalen als waren zij niet met die rechten bezwaard, een en ander voorzover deze goederen bestanddelen vormen van de rendementsgrondslag, bedoeld in. 2002 230 23-05-2002 18-04-2002 27245 2002 558 19-11-2002 11-11-2002 01-01-2003 2002 429 22-08-2002 16-08-2002 2002 558 19-11-2002 11-11-2002 01-01-2003 Tekstplaatsing met aanpassing van de in de regeling genoemde nummering. De gegevens van inwerkingtreding zijn ontleend aan de bron van de tekstplaatsing.
Artikel 23a — Artikel 23a#
Artikel 23a artikel 2.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001 De ontvanger kan de belastingaanslagen, voor zover zij zijn opgelegd aan de belastingschuldige als gevolg van een toerekening van een afgezonderd particulier vermogen als bedoeld in, verhalen op goederen van: a. het afgezonderd particulier vermogen; b. een derde waarin het afgezonderd particulier vermogen direct of indirect een belang heeft van 5 percent of meer, tot ten hoogste het belang van het afgezonderd particulier vermogen in die derde; zonder dat enig ander enig recht op die goederen kan tegenwerpen. 2009 564 23-12-2009 17-12-2009 31930 2009 564 23-12-2009 17-12-2009 31930 01-01-2010
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 1 De ontvanger is ten aanzien van de belastingschuldige bevoegd: Verrekening op grond van de onderdelen a en b is eveneens mogelijk wanneer op een aan de belastingschuldige uit te betalen bedrag beslag is gelegd. artikelen 53 tot en met 55 234 235 307 van de Faillissementswet artikel 15, eerste of tweede lid artikel 15a, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 De,,enzijn van overeenkomstige toepassing. Met betrekking tot door de ontvanger uit te betalen en te innen bedragen welker verschuldigdheid materieel is ontstaan over dan wel in een tijdvak waarin de belastingschuldige deel uitmaakt of uitmaakte van een fiscale eenheid als bedoeld in, of, kunnen aan die belastingschuldige uit te betalen bedragen, behalve met van deze te innen bedragen, worden verrekend met te innen bedragen van een andere maatschappij die in dat tijdvak deel uitmaakt of uitmaakte van vorenbedoelde fiscale eenheid. De vorige volzin vindt toepassing, ongeacht het in staat van surseance van betaling of van faillissement geraken van de in die volzin bedoelde belastingschuldige of andere maatschappij. artikel 4:93, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht artikel 9, zesde en zevende lid Op verzoek van de belastingschuldige is de ontvanger verplicht te verrekenen. In afwijking vangeldt als tijdstip van verrekening de dagtekening van het aanslagbiljet waaruit van het te betalen bedrag blijkt. In afwijking van de vorige volzin geldt met betrekking tot een verrekening van een termijn van een voorlopige aanslag als bedoeld in, als tijdstip van verrekening het tijdstip waarop de desbetreffende termijn vervalt. a. aan de belastingschuldige uit te betalen en van de belastingschuldige te innen bedragen ter zake van rijksbelastingen en andere belastingen en heffingen voor zover de invordering daarvan aan de ontvanger is opgedragen met elkaar te verrekenen; b. aan de belastingschuldige uit te betalen bedragen ter zake van met de in onderdeel a bedoelde rijksbelastingen en andere belastingen en heffingen verband houdende vorderingen op de Staat of de ontvanger te verrekenen met van de belastingschuldige te innen bedragen ter zake van rijksbelastingen en andere belastingen en heffingen voor zover de invordering daarvan aan de ontvanger is opgedragen. 2 artikel 9 artikel 9, vijfde en zevende lid De verrekening is ook mogelijk ingeval de termijn, bedoeld in, nog niet is verstreken, met dien verstande dat indien het betreft belastingaanslagen als bedoeld in, verrekening alleen mogelijk is met belastingaanslagen die op dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak betrekking hebben. 3 artikel 239 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek Verrekening is niet mogelijk met betrekking tot een door de ontvanger uit te betalen bedrag indien deze vordering door de gerechtigde onder bijzondere titel is overgedragen, mits de ontvanger met de overdracht heeft ingestemd. Verrekening is voorts niet mogelijk met betrekking tot een door de ontvanger uit te betalen bedrag indien op deze vordering een pandrecht als bedoeld inis gevestigd, mits de ontvanger op het tijdstip waarop het pandrecht hem wordt medegedeeld met het pandrecht heeft ingestemd. De ontvanger is verplicht bij beschikking met de overdracht of het pandrecht in te stemmen indien op het tijdstip van de mededeling van de akte van overdracht of van het pandrecht ten name van de belastingschuldige geen voor verrekening vatbare schuld invorderbaar is. De ontvanger kan bij beschikking instemming met de overdracht of het pandrecht weigeren. De ontvanger maakt de beschikking bekend door middel van een gedagtekende kennisgeving waarin, bij weigering tot instemming met de overdracht of het pandrecht, de grond is vermeld waarop de weigering berust. 4 In afwijking in zoverre van het derde lid is ook na de instemming, bedoeld in dat lid, verrekening mogelijk van belastingaanslagen die een uit te betalen bedrag behelzen met belastingaanslagen die op dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak betrekking hebben. 5 De belastingschuldige kan binnen een week na de dagtekening van de in het derde lid bedoelde kennisgeving waarmee de beschikking is bekendgemaakt beroep instellen bij de directeur. Het beroepschrift wordt ingediend bij de ontvanger tegen een door deze af te geven ontvangbewijs. De directeur neemt zo spoedig mogelijk een beslissing en maakt deze bekend aan de belastingschuldige door middel van een gedagtekende kennisgeving. Indien op het beroepschrift afwijzend wordt beslist, vindt verrekening niet eerder plaats dan nadat na de dagtekening van de kennisgeving waarmee de beslissing van de directeur is bekendgemaakt acht dagen zijn verstreken. 6 artikel 25, derde tot en met vijfde, achtste, negende, elfde tot en met veertiende, zestiende tot en met negentiende lid Met betrekking tot het bedrag waarvoor krachtens, uitstel van betaling is verleend, is gedurende het uitstel verrekening niet mogelijk, tenzij de belastingschuldige dit verzoekt. 7 De ontvanger maakt de verrekening onverwijld bekend. 8 artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht artikel 13, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen In afwijking vanis verrekening ook mogelijk van een voorlopige aanslag tot een negatief bedrag als bedoeld in. 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 01-01-2024 Artikel XXXIII van Stb. 2023/499 bevat overgangsrecht m.b.t. het
derde, vijfde en zesde lid.
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 De ontvanger kan onder door hem te stellen voorwaarden aan een belastingschuldige voor een bepaalde tijd bij beschikking uitstel van betaling verlenen. Gedurende het uitstel vangt de dwanginvordering niet aan, dan wel wordt deze geschorst. 2 Het uitstel kan tussentijds bij beschikking worden beëindigd. 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van ten hoogste tien jaren in de gevallen waarin belastingaanslagen in de schenk- of erfbelasting zijn opgelegd en door de voldoening daarvan zonder uitstel een sociaal-economisch dan wel cultureel belang in gevaar zou komen en dat uitstel niet of onvoldoende mogelijk is ingevolge de overige leden van dit artikel. 4 artikel 3.64, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.64, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van 12 maanden en voor de eventuele verlenging daarvan op grond van, mits voldoende zekerheid is gesteld, voor belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting die is verschuldigd door de toepassing van. Het uitstel wordt beëindigd indien de herinvesteringen niet leiden tot in Nederland belastbare winst van de onderneming en bij emigratie van de belastingschuldige. 5 artikelen 3.83, eerste lid of tweede lid 3.133, tweede lid, onderdelen h of j 3.136, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid 7.2, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 19b, eerste lid, of tweede lid, eerste volzin, van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 3.133, tweede lid, onderdelen a tot en met g, i en k artikel 3.135, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting die is verschuldigd door de toepassing van de,,, of. Het in de eerste volzin bedoelde uitstel wordt verleend tot uiterlijk het begin van het tiende jaar na afloop van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft. De in de eerste volzin bedoelde regels kunnen mede betrekking hebben op het stellen van voldoende zekerheid. Het uitstel wordt beëindigd indien zich een omstandigheid voordoet als genoemd in,, of. 6 Vervallen. 7 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling als bedoeld in de artikelen 110 en 111 van het Douanewetboek van de Unie. 8 artikel 2.8, vierde, vijfde, zesde of zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, van die wet artikel 7.2, twintigste lid, van die wet artikel 7.5, vierde, vijfde of zevende lid, van die wet Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting die is verschuldigd ter zake van geconserveerd inkomen als bedoeld inof ter zake van geconserveerd inkomen door de toepassing van,of van. De in de eerste volzin bedoelde regels kunnen mede betrekking hebben op het stellen van voldoende zekerheid. Het uitstel wordt beëindigd: Indien rechten die besloten liggen in de aandelen of winstbewijzen die aan het uitstel ten grondslag liggen overgaan op andere aandelen of winstbewijzen, worden die andere aandelen of winstbewijzen geacht eveneens aan het uitstel ten grondslag te liggen. a. artikelen 4.12 4.16, eerste lid, onderdelen a tot en met g, i, j of k, tweede lid, derde lid of vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.55 van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.56 van die wet artikel 3.57 van die wet ingeval aandelen of winstbewijzen die aan het uitstel ten grondslag liggen, worden vervreemd in de zin van deof. In geval van een vervreemding in het kader van een aandelenfusie als bedoeld in, een splitsing als bedoeld inof een fusie als bedoeld inkan het uitstel van betaling onder nader te stellen voorwaarden worden voortgezet. In geval van een vervreemding in de zin van artikel 4.16, eerste lid, onderdelen e, f en g, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of wegens een verdeling van een nalatenschap of een huwelijksgemeenschap binnen twee jaren na het overlijden van de erflater onderscheidenlijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap, kan het uitstel van betaling eveneens onder nader te stellen voorwaarden worden voortgezet. In geval van schenking aan een natuurlijk persoon kan het uitstel van betaling eveneens onder nader te stellen voorwaarden worden voortgezet; b. ingeval de vennootschap op de aandelen of winstbewijzen die aan het uitstel ten grondslag liggen, reserves heeft uitgedeeld, voor een bedrag ter grootte van het bedrag van die uitgedeelde reserves, vermenigvuldigd met: verminderd met de over die uitgedeelde reserves in Nederland verschuldigde dividendbelasting of inkomstenbelasting en de daarover in het buitenland feitelijk geheven belasting; 1°. artikel 2.12 van de Wet inkomstenbelasting 2001 het in de vierde kolom van de inopgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag van de uitgedeelde reserves op de aandelen of winstbewijzen die aan het uitstel ten grondslag liggen niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en 2°. het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag van die uitgedeelde reserves meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; c. in geval van een teruggaaf van wat op aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening is gestort dan wel van wat door houders van winstbewijzen is gestort of ingelegd. 9 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van ten hoogste tien jaar, mits voldoende zekerheid is gesteld, voor belastingaanslagen voor zover daarin is begrepen inkomstenbelasting ter zake van een vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen aan een natuurlijk persoon of aan een rechtspersoon als bedoeld in de tweede volzin, indien de koper de tegenprestatie schuldig is gebleven, de vervreemde aandelen ten minste vijf percent van het geplaatste kapitaal van de vennootschap uitmaken en de bezittingen van de vennootschap waarop het aanmerkelijk belang betrekking heeft niet in belangrijke mate onmiddellijk of middellijk bestaan uit beleggingen. Een rechtspersoon als bedoeld in de eerste volzin is een besloten vennootschap of een andere vennootschap waarvan het kapitaal in aandelen is verdeeld en in een aandelenregister de aandeelhouders worden geadministreerd, welke is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie of een bij ministeriële regeling aangewezen andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en waarvan alle aandelen worden gehouden door een natuurlijk persoon. Het uitstel wordt beëindigd indien aflossingen plaatsvinden dan wel de koper van de aandelen of winstbewijzen deze vervreemdt of wanneer daaruit reguliere voordelen van substantiële omvang worden genoten. 10 artikel 4.12 4.16, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de toepassing van het negende lid wordt het begrip vervreemding opgevat overeenkomstigen. 11 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van ten hoogste tien jaar, mits voldoende zekerheid is gesteld, voor belastingaanslagen voor zover daarin is begrepen inkomstenbelasting ter zake van inkomen uit aanmerkelijk belang omdat de vennootschap waarop het belang betrekking heeft op verzoek van haar aandeelhouder aandelen in een andere vennootschap heeft overgedragen aan een natuurlijk persoon of aan een rechtspersoon als bedoeld in het negende lid, tweede volzin, tegen een tegenprestatie lager dan de waarde in het economische verkeer. Dit uitstel wordt slechts verleend wanneer de overgedragen aandelen ten minste vijf percent van het geplaatste kapitaal van de vennootschap uitmaken en de bezittingen van de vennootschap waarop de overgedragen aandelen betrekking hebben niet in belangrijke mate onmiddellijk of middellijk bestaan uit beleggingen. Het uitstel wordt beëindigd indien de begiftigde aandelen of winstbewijzen welke aan het uitstel ten grondslag liggen, vervreemdt of wanneer daaruit reguliere voordelen van substantiële omvang worden genoten. 12 artikel 35b, derde lid, van de Successiewet 1956 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van tien jaren voor belastingaanslagen betreffende de schenk- of erfbelasting, bedoeld in. Het uitstel wordt beëindigd: a. in geval van faillissement van de belastingschuldige; b. ingeval de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen ten aanzien van de belastingschuldige van toepassing is; c. artikel 35e, eerste lid, van de Successiewet 1956 ingeval zich ten aanzien van de verkrijger tijdens de in de eerste volzin bedoelde periode een gebeurtenis voordoet als bedoeld in. 13 artikel 35c, eerste lid, van de Successiewet 1956 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van tien jaar voor belastingaanslagen in de schenk- of erfbelasting voor zover die belastingen kunnen worden toegerekend aan de verkrijging van een vordering op een medeverkrijger ter zake van door deze medeverkrijger verkregen ondernemingsvermogen, als bedoeld in. Het uitstel wordt beëindigd: a. in geval van faillissement van de belastingschuldige; b. ingeval de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen ten aanzien van de belastingschuldige van toepassing is; c. artikel 35e, eerste lid, van de Successiewet 1956 ingeval zich ten aanzien van de medeverkrijger tijdens de in de eerste volzin bedoelde periode een gebeurtenis voordoet als bedoeld in; d. voor zover de vordering, bedoeld in de eerste volzin, wordt voldaan. 14 artikel 3.91 artikel 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van ten hoogste tien jaar, mits voldoende zekerheid is gesteld, voor belastingaanslagen voor zover daarin is begrepen inkomstenbelasting die is verschuldigd wegens het beëindigen van een terbeschikkingstelling van een zaak in de zin vanof, welke belasting kan worden toegerekend aan het verschil tussen de boekwaarde en de waarde in het economisch verkeer van die zaak, ingeval de zaak waarvan de terbeschikkingstelling is beëindigd: Het uitstel wordt beëindigd: a. niet is vervreemd; b. is vervreemd waarbij de koper de overdrachtsprijs schuldig is gebleven, of c. is geschonken. 1°. wanneer de zaak niet is vervreemd: ingeval de zaak wordt vervreemd, in geval de belastingschuldige overlijdt, in geval van faillissement van de belastingschuldige of in geval de schuldsanering natuurlijke personen ten aanzien van hem van toepassing is; 2°. wanneer de overdrachtsprijs schuldig is gebleven: ingeval aflossingen plaatsvinden, in geval de koper de zaak vervreemdt, in geval de belastingschuldige overlijdt, in geval van faillissement van de belastingschuldige of in geval de schuldsanering natuurlijke personen ten aanzien van hem van toepassing is; 3°. wanneer is geschonken: ingeval de begiftigde de zaak vervreemdt, in geval de belastingschuldige overlijdt, in geval van faillissement van de belastingschuldige of in geval de schuldsanering natuurlijke personen ten aanzien van hem van toepassing is. 15 artikelen 4.3 tot en met 4.5b van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 2, derde lid, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Voor de toepassing van het achtste tot en met veertiende lid zijn deenvan overeenkomstige toepassing. 16 artikel 3.19, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.111 van die wet Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van ten hoogste tien jaar, mits voldoende zekerheid is gesteld, voor belastingaanslagen voorzover daarin is begrepen inkomstenbelasting die bij staking van een onderneming is verschuldigd en kan worden toegerekend aan het verschil tussen de boekwaarde en de waarde in het economische verkeer van een woning als bedoeld indie na het staken wordt aangemerkt als een eigen woning als bedoeld in. Het uitstel wordt beëindigd: a. in geval van faillissement van de belastingschuldige; b. ingeval de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen ten aanzien van de belastingschuldige van toepassing is; c. artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in geval van overlijden van de belastingschuldige, tenzij de partner, bedoeld in, aannemelijk maakt dat de resterende belasting binnen de periode waarvoor uitstel is verleend, zal worden voldaan; d. ingeval zich een omstandigheid voordoet waardoor de woning ophoudt een eigen woning te zijn. 17 artikel 3.58, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van tien jaar voor belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting die is verschuldigd bij staking door overlijden als bedoeld in. 18 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling, mits voldoende zekerheid is gesteld, voor belastingaanslagen waarin is begrepen inkomstenbelasting ter zake van winst behaald met of bij het staken van een onderneming of een gedeelte van een onderneming door de overdracht aan een natuurlijk persoon die de onderneming voortzet en de overdrachtsprijs geheel of gedeeltelijk schuldig is gebleven. Het uitstel heeft betrekking op de in de eerste volzin bedoelde belasting voorzover die betrekking heeft op de overdracht van vermogensbestanddelen aan de daar bedoelde persoon. Het uitstel wordt verleend voor een gedeelte in evenredigheid met de verhouding tussen het, op het moment met ingang waarvan het uitstel wordt verleend, schuldig gebleven gedeelte van de overdrachtsprijs en de totale overdrachtsprijs voor de duur van de overeengekomen aflossingsperiode, doch tot uiterlijk het begin van het tiende jaar na afloop van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft. 19 Het uitstel bedoeld in het vorige lid wordt aan het begin van elk kalenderjaar, te beginnen bij de aanvang van het eerste kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de voor de belastingaanslag geldende enige of laatste betalingstermijn vervalt, voor een evenredig gedeelte beëindigd waarbij de teller is één en de noemer gelijk aan het aantal nog resterende gehele jaren van de overeengekomen aflossingsperiode plus één, doch maximaal tien minus het aantal van de reeds verstreken jaren sedert het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft. Het uitstel wordt voorts beëindigd: Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit lid. a. in geval van faillissement van de belastingschuldige; b. ingeval de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen ten aanzien van de belastingschuldige van toepassing is; c. in geval van overlijden van de belastingschuldige; d. voorzover aan het begin van het kalenderjaar het bedrag van het resterende uitstel uitgaat boven het bedrag dat gelijk is aan het gedeelte van de in het vorige lid bedoelde belasting in evenredigheid met de verhouding tussen het nog niet ontvangen deel van de overdrachtsprijs en de totale overdrachtsprijs; e. voorzover op de dag volgend op de dag waarop de enige of laatste betalingstermijn is vervallen het resterende uitstel uitgaat boven het bedrag dat gelijk is aan het gedeelte van de in het vorige lid bedoelde belasting in evenredigheid met de verhouding tussen 1e het aantal nog resterende gehele jaren van de overeengekomen aflossingstermijn plus één doch maximaal negen verminderd met de reeds verstreken jaren sedert het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft, en 2e het aantal gehele jaren van de overeengekomen aflossingsperiode, doch maximaal tien. Ingeval de in het vorige lid bedoelde natuurlijk persoon de daar bedoelde onderneming staakt, kan de ontvanger het uitstel beëindigen. 20 artikel 35g van de Successiewet 1956 artikel 78, eerste lid, van de Successiewet 1956 artikel 14, eerste lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek artikel 35g van de Successiewet 1956 artikel 26 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling, mits voldoende zekerheid is gesteld, voor belastingaanslagen betreffende de erfbelasting ter zake van de verkrijging van de blote eigendom van een woning, bedoeld in, alsmede ter zake van de verkrijging van een onderbedelingsvordering, bedoeld in het vierde lid van dat artikel. Het uitstel wordt slechts verleend voor zover degene van wie op grond van de bevoegdheid, bedoeld in, wordt gevorderd de erfbelasting ter zake van de blote eigendom voor te schieten of uit de met vruchtgebruik bezwaarde goederen te voldoen, onderscheidenlijk degene die op grond vandan wel op grond van het testament gehouden is tot voldoening van de erfbelasting ter zake van de onderbedelingsvordering, niet in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar als bedoeld inde erfbelasting te betalen, waarbij het vruchtgebruik van de woning, dan wel – voor zover de hiervoor bedoelde persoon de eigendom van de woning heeft – de woning, bedoeld in, buiten beschouwing blijft. Het uitstel wordt beëindigd: a. artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 ingeval de woning voor de vruchtgebruiker niet langer een eigen woning is als bedoeld in; b. in geval van faillissement van de belastingschuldige; c. ingeval de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen ten aanzien van de belastingschuldige van toepassing is; d. bij vervreemding van de blote eigendom; e. voor zover de onderbedelingsvordering, bedoeld in de eerste volzin, wordt afgelost. 21 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van ten minste vijf jaar, voor zover het binnen de geldende betalingstermijn moeten betalen van een belastingaanslag die is opgelegd aan een natuurlijk persoon leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. 22 Voor de toepassing van het vierde, vijfde, achtste en zeventiende lid wordt de belastingrente en voor de toepassing van het vijfde lid wordt voorts de revisierente gelijkgesteld met de inkomstenbelasting waarmee deze samenhangen. Voor de toepassing van het negende, elfde, veertiende, zestiende en achttiende lid wordt de belastingrente voorzover deze samenhangt met de inkomstenbelasting waarvoor op de voet van die leden uitstel van betaling wordt verleend, gelijkgesteld met die belasting. Voor de toepassing van het twaalfde lid, wordt de belastingrente gelijkgesteld met de erfbelasting waarmee deze samenhangt. Voor de toepassing van het dertiende lid wordt de belastingrente voor zover deze samenhangt met de erfbelasting waarvoor op de voet van dat lid uitstel van betaling wordt verleend, gelijkgesteld met die belasting. Voor zover ingevolge het eenentwintigste lid uitstel van betaling is verleend, wordt voor de toepassing van dat lid de belastingrente gelijkgesteld met de belasting waarmee deze samenhangt. De vorige zin is van overeenkomstige toepassing op revisierente die samenhangt met een belastingaanslag. 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 01-01-2026
Artikel 25a — Artikel 25a#
Artikel 25a 1 Op verzoek van een belastingschuldige die woont of is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie of in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte wordt onder bij ministeriële regeling te stellen regels uitstel van betaling verleend, mits voldoende zekerheid is gesteld, voor belastingaanslagen voor zover daarin is begrepen inkomstenbelasting die betrekking heeft op voordelen ter zake van vermogensbestanddelen die bij de belastingschuldige bij het vaststellen van de belastingaanslag in aanmerking zijn genomen terwijl bij die belastingschuldige deze voordelen niet in aanmerking zouden zijn genomen ingeval deze ter zake van die vermogensbestanddelen voor de heffing van inkomstenbelasting belastingplichtig in Nederland zou zijn gebleven. De in de eerste volzin bedoelde regels zien op de uitvoering van dit artikel, waaronder begrepen regels betreffende de administratieve verplichtingen. 2 Het uitstel van betaling, bedoeld in het eerste lid, wordt beëindigd: a. ingeval de belastingschuldige niet meer woont of is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie of in een staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte; b. ingeval niet meer wordt voldaan aan de bij de in het eerste lid bedoelde ministeriële regeling gestelde regels; c. ingeval niet meer voldoende zekerheid is gesteld, of d. voor zover de in het eerste lid bedoelde voordelen ter zake van vermogensbestanddelen bij de belastingschuldige in aanmerking zouden zijn genomen indien hij belastingplichtig in Nederland zou zijn geweest. 3 In afwijking van het tweede lid, onderdeel d, wordt op verzoek van de belastingschuldige het bedrag waarvoor op grond van het eerste lid uitstel van betaling is verkregen, in tien gelijke jaarlijkse termijnen voldaan waarvan de eerste termijn één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet vervalt en elk van de volgende termijnen telkens een jaar later. 4 De in het eerste en het derde lid bedoelde verzoeken worden gedaan tegelijk met de aangifte waarin een voordeel als bedoeld in het eerste lid is opgenomen. 2018 508 28-12-2018 19-12-2018 35030 2018 508 28-12-2018 19-12-2018 35030 01-01-2019 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot
belastingschulden waarvoor op of na 1 januari 2019 uitstel van
betaling is verleend.
Artikel 25b — Artikel 25b#
Artikel 25b 1 Op verzoek van een belastingschuldige die is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie wordt een belastingaanslag voor zover daarin is begrepen vennootschapsbelasting die betrekking heeft op voordelen ter zake van vermogensbestanddelen die bij de belastingschuldige bij het vaststellen van die belastingaanslag in aanmerking zijn genomen terwijl bij die belastingschuldige deze voordelen niet in aanmerking zouden zijn genomen ingeval deze ter zake van die vermogensbestanddelen voor de heffing van vennootschapsbelasting belastingplichtig in Nederland zou zijn gebleven onder bij ministeriële regeling te stellen regels in vijf gelijke jaarlijkse termijnen voldaan waarvan de eerste termijn één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet vervalt en elk van de volgende termijnen telkens een jaar later. De in de eerste zin bedoelde regels zien op de uitvoering van dit artikel, waaronder begrepen regels betreffende de administratieve verplichtingen. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een belastingschuldige die is gevestigd in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, ingeval in relatie tot die staat een verdrag van kracht is dat, of een regeling is getroffen die, voorziet in wederzijdse bijstand inzake de invordering van belastingschulden die voortvloeien uit belastingen naar de winst. 3 Indien de ontvanger aannemelijk maakt dat gegronde vrees bestaat dat de belastingschuld niet kan worden verhaald, stelt hij aan de toepassing van het eerste lid de voorwaarde dat voldoende zekerheid wordt gesteld. 4 Het eerste lid is niet langer van toepassing: a. ingeval de belastingschuldige niet meer is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie of in een staat als bedoeld in het tweede lid; b. ingeval niet meer wordt voldaan aan de bij de in het eerste lid bedoelde ministeriële regeling gestelde regels; c. ingeval niet meer voldoende zekerheid als bedoeld in het derde lid is gesteld; of d. voor zover de in het eerste lid bedoelde voordelen ter zake van vermogensbestanddelen bij de belastingschuldige in aanmerking zouden zijn genomen indien hij belastingplichtig in Nederland zou zijn geweest. 5 Het in het eerste lid bedoelde verzoek wordt gedaan tegelijk met de aangifte waarin een voordeel als bedoeld in het eerste lid is opgenomen. 2018 508 28-12-2018 19-12-2018 35030 2018 508 28-12-2018 19-12-2018 35030 01-01-2019 Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot
belastingschulden waarvoor op of na 1 januari 2019 uitstel van
betaling is verleend.
Artikel 25c — Artikel 25c#
Artikel 25c 1 artikel 25, achtste lid artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.14a, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Het uitstel van betaling, bedoeld in, wordt mede beëindigd ingeval een positief voordeel in de zin vanwordt genoten voor zover het verschil tussen de totale som van de schulden en het maximumbedrag, bedoeld in, niet eerder heeft geleid tot intrekking van het uitstel van betaling. Het uitstel wordt in dat geval beëindigd voor een bedrag ter grootte van het voordeel, bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, van die wet, vermenigvuldigd met: 1°. artikel 2.12 van de Wet inkomstenbelasting 2001 het in de vierde kolom van de inopgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag van het voordeel niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en 2°. het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag van het voordeel meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag. 2 Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald als ware de belastingschuldige nog woonachtig in Nederland en wordt verminderd met: a. artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomstenbelasting 2001 de in Nederland verschuldigde inkomstenbelasting over het fictief reguliere voordeel, bedoeld in; b. artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, van die wet artikel 4.14a, tweede lid, van die wet de over het verschil tussen de totale som van de schulden, bedoeld in, en het maximumbedrag, bedoeld in, in het buitenland feitelijk geheven belasting. 3 artikel 7.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 25, achtste lid Voor de toepassing van het eerste lid blijven buiten aanmerking schulden bij vennootschappen waarin de belastingschuldige na emigratie een aanmerkelijk belang heeft verkregen en waarbij voordelen uit die vennootschappen niet behoren tot het Nederlandse inkomen, bedoeld in, voor zover deze schulden niet indirect zijn aangegaan bij vennootschappen ter zake waarvan bij de belastingschuldige een conserverende belastingaanslag als bedoeld in, is opgelegd. 4 artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.14a, tweede lid, van die wet artikel 4.14d artikel 7.5a van die wet artikel 25, achtste lid Ingeval de belastingschuldige aannemelijk maakt dat de schulden, bedoeld in, lager zijn geworden dan het maximumbedrag, bedoeld in, en ter zake van die afname in binnenlandse situaties een voordeel als bedoeld in artikel 4.14a, eerste lid, onderdeel b, van die wet in aanmerking zou worden genomen, wordt in afwijking van, het uitstel van betaling niet beëindigd voor zover een voordeel als bedoeld inofin aanmerking is genomen. 2023 501 27-12-2023 20-12-2023 36420 2023 501 27-12-2023 20-12-2023 36420 01-01-2024 01-01-2023 2023 501 27-12-2023 20-12-2023 36420 2023 501 27-12-2023 20-12-2023 36420 01-01-2024
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld krachtens welke aan de belastingschuldige die niet in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar een belastingaanslag geheel of gedeeltelijk te betalen, gehele of gedeeltelijke kwijtschelding kan worden verleend. 2 artikel 25, vijfde lid Bij ministeriële regeling worden regels gesteld krachtens welke aan de belastingschuldige ter zake van belasting waarvoor op de voet van, uitstel van betaling is verleend, kwijtschelding van belasting kan worden verleend indien dit uitstel eindigt doordat de termijn, bedoeld in artikel 25, vijfde lid, tweede volzin, is verstreken. Kwijtschelding van belasting kan worden verleend tot een bedrag gelijk aan het nog openstaande bedrag nadat de termijn, bedoeld in artikel 25, vijfde lid, tweede volzin, is verstreken. 3 artikel 25, vijfde lid artikel 25, vijfde lid, vierde volzin Indien de ontvanger het op de voet van, verleende uitstel van betaling beëindigt omdat zich met betrekking tot een aanspraak uit een overeenkomst van levensverzekering of een aanspraak ingevolge een pensioenregeling een omstandigheid voordoet als bedoeld in, kan krachtens bij ministeriële regeling te stellen regels aan de belastingschuldige kwijtschelding van belasting worden verleend voor zover: artikel 3.136, tweede, derde of vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing voorzover de waarde in het economische verkeer van de in die volzin bedoelde aanspraak is gedaald in vergelijking met het ingevolgeter zake van die aanspraak als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen bedrag. a. die belasting hoger is dan de belasting die zou zijn geheven ter zake van de hiervoor bedoelde omstandigheid indien de belastingschuldige op het moment waarop die omstandigheid zich voordeed in Nederland zou hebben gewoond; b. artikel 25, vijfde lid, vierde volzin de omstandigheid die ingevolge, tot beëindiging van het uitstel van betaling heeft geleid, ingevolge een regeling ter voorkoming van dubbele belasting niet belastbaar is in Nederland. 4 artikel 25, achtste lid hoofdstuk 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld krachtens welke aan de belastingschuldige ter zake van belasting waarvoor op de voet van, uitstel van betaling is verleend, kwijtschelding van belasting kan worden verleend tot een bedrag gelijk aan de in Nederland verschuldigde dividendbelasting op de aandelen of winstbewijzen die aan het uitstel ten grondslag liggen of, indien dit meer bedraagt, aan de in Nederland verschuldigde inkomstenbelasting wegens reguliere voordelen in de zin vanmet betrekking tot de aandelen of winstbewijzen waarop het uitstel betrekking heeft. 5 artikel 25, achtste lid artikel 25, achtste lid, onderdeel a Voorzover de ontvanger het op de voet van, verleende uitstel van betaling beëindigt omdat aandelen of winstbewijzen worden vervreemd in de zin van, kan krachtens bij ministeriële regeling te stellen regels kwijtschelding worden verleend: Het in de eerste volzin bedoelde bedrag aan kwijtschelding bedraagt niet meer dan het bedrag van de belasting waarvoor ter zake van de aandelen of winstbewijzen nog uitstel van betaling is verleend. a. indien de waarde in het economische verkeer van die aandelen of winstbewijzen is gedaald, anders dan door uitkering van winstreserves, teruggaaf van wat is gestort of ingelegd of overgang van rechten op andere aandelen of winstbewijzen, in vergelijking tot die waarde ten tijde van het belastbare feit ter zake waarvan de belastingaanslag is vastgesteld – tot een bedrag gelijk aan die waardedaling, vermenigvuldigd met: 1°. artikel 2.12 van de Wet inkomstenbelasting 2001 het in de vierde kolom van de inopgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag van de hiervoor bedoelde waardedaling niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en 2°. het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag van die waardedaling hoger is dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; b. Belastingregeling voor het Koninkrijk indien het heffingsrecht wegens vervreemding van die aandelen of winstbewijzen ingevolge de, de Belastingregeling voor het land Nederland of een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting aan een ander land van het Koninkrijk, aan een ander heffingsgebied binnen het Rijk, respectievelijk aan een andere mogendheid is toegewezen – tot een bedrag gelijk aan de aldaar ter zake van die vervreemding feitelijk geheven belasting; c. artikel 25, achtste lid voor zover de belasting waarvoor op de voet van, uitstel van betaling is verleend, hoger is dan de belasting die zou zijn geheven indien de aandeelhouder of houder van winstbewijzen op het moment van die vervreemding in Nederland zou hebben gewoond. 6 Vervallen. 7 artikelen 4.3 tot en met 4.5b van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 2, derde lid, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Voor de toepassing van dit artikel zijn deenvan overeenkomstige toepassing. 8 Voor de toepassing van het tweede lid worden de belastingrente en de revisierente gelijkgesteld met de inkomstenbelasting waarmee deze samenhangen. Voor de toepassing van dit artikel wordt de belastingrente voorzover deze samenhangt met de inkomstenbelasting waarvoor op de voet van dit artikel kwijtschelding wordt verleend, gelijkgesteld met die belasting. 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 01-01-2026
Artikel 26a — Artikel 26a#
Artikel 26a 1 artikel 3.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen De ontvanger verleent bij voor bezwaar vatbare beschikking ambtshalve kwijtschelding van het nog op 31 december 2020 openstaande bedrag van een belastingaanslag van een persoon als bedoeld in. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op: a. belastingaanslagen die niet voor 1 januari 2021 bekend zijn gemaakt en betrekking hebben op een tijdvak dat is geëindigd, dan wel een tijdstip dat is gelegen, voor 1 januari 2021; b. nog openstaande bedragen, niet zijnde belastingen, die door de ontvanger worden ingevorderd met toepassing dan wel overeenkomstige toepassing van deze wet. 3 artikel 49 De ontvanger verleent bij voor bezwaar vatbare beschikking aan degene, bedoeld in het eerste lid, die aansprakelijk is gesteld overeenkomstigvoor de belasting of bedragen, bedoeld in het eerste en tweede lid, ontslag van de verplichting tot betaling van die belastingen of bedragen. 4 Indien het openstaande bedrag, bedoeld in het eerste lid, na 31 december 2020 is verminderd als gevolg van een betaling of verrekening, betaalt de ontvanger het bedrag waarmee het openstaande bedrag is verminderd uit aan de belastingschuldige. 5 Geen kwijtschelding wordt verleend indien het ontstaan of niet voldoen van de belastingaanslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de belastingschuldige. 6 artikel 2.7, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen De ontvanger verleent de kwijtschelding uiterlijk drie maanden na het tijdstip waarop dit artikel in werking is getreden, of indien dit later is, uiterlijk binnen drie maanden na het toekennen, afwijzen of vermindering tot nihil van het forfaitaire bedrag, bedoeld inof indien dit nog later is, uiterlijk binnen drie maanden na bekendmaking van de belastingaanslag. De ontvanger kan de termijn eenmaal met maximaal drie maanden verlengen en stelt de belastingschuldige hiervan uiterlijk op de laatste dag van die termijn in kennis. Verder uitstel is mogelijk voor zover de belanghebbende daarmee instemt. 7 In afwijking van het eerste en zesde lid verleent de ontvanger uiterlijk binnen drie maanden kwijtschelding van het nog openstaande bedrag van een voorlopige aanslag nadat de aanslag over dezelfde belastingschuld is opgelegd en bekendgemaakt. 8 Verordening (EU) nr. 1407/2013 Belastingen verschuldigd door personen die een bedrijf of zelfstandig beroep uitoefenen en waarvan de verschuldigdheid voortvloeit uit de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep worden kwijtgescholden tot maximaal het bedrag dat de belastingschuldige nog als de-minimissteun kan ontvangen als bedoeld in artikel 3 vanvan de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L 352). 9 hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Op het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie inzake de beschikking, bedoeld in het eerste lid, isvan overeenkomstige toepassing. 2022 433 04-11-2022 02-11-2022 36151 2022 434 04-11-2022 02-11-2022 05-11-2022 02-06-2021
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 1 De ontvanger kan de verjaring van een rechtsvordering tot betaling stuiten door een schriftelijke mededeling waarin hij zich ondubbelzinnig zijn recht op betaling voorhoudt. 2 artikel 49, eerste lid Indien een belastingschuldige is opgehouden te bestaan of vermoedelijk is opgehouden te bestaan en voor zover voor zijn belastingschuld een aansprakelijkstelling als bedoeld in, heeft plaatsgevonden, treedt de aansprakelijk gestelde voor die belastingschuld in de plaats van de belastingschuldige, voor zover het betreft de stuiting van de verjaring of de verlenging van de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot betaling. 3 artikel 49, eerste lid Indien een belastingschuldige is opgehouden te bestaan of vermoedelijk is opgehouden te bestaan en voor zover voor zijn belastingschuld geen aansprakelijkstelling als bedoeld in, heeft plaatsgevonden, kan de ontvanger de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot betaling stuiten door verzending of uitreiking van een schriftelijke mededeling, waarin hij zich ondubbelzinnig zijn recht op betaling voorhoudt, aan het parket van een ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarin de laatst bekende vestigingsplaats van de belastingschuldige is gelegen of aan het parket van de ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij de rechtbank Den Haag. 4 Indien de verjaring van een belastingaanslag op de wijze, bedoeld in het derde lid, is gestuit, worden zo spoedig mogelijk de volgende gegevens ter publicatie aan de Staatscourant verzonden of uitgereikt: a. de naam van de belastingschuldige; b. de soort belastingaanslag; c. de belastingsoort; d. het belastingjaar; e. de dagtekening van het aanslagbiljet. 5 Bij toepassing van het vierde lid wordt een kopie van de schriftelijke mededeling, bedoeld in het derde lid, verzonden of uitgereikt aan de laatste bestuurders, aandeelhouders en vereffenaars van de belastingschuldige, bedoeld in het derde lid, voor zover die redelijkerwijs bij de ontvanger bekend kunnen zijn. 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 01-01-2019
Artikel 27bis — Artikel 27bis#
Artikel 27bis Indien een bedrag aan rechten bij invoer of rechten bij uitvoer geheel of gedeeltelijk wordt terugbetaald of kwijtgescholden en ter zake van dat bedrag kredietrente of vertragingsrente in rekening was gebracht, wordt het deel van de kredietrente of vertragingsrente dat betrekking heeft op het terug te betalen of kwijt te schelden bedrag eveneens terugbetaald, onderscheidenlijk kwijtgescholden. 2016 163 28-04-2016 20-04-2016 34409 2016 164 28-04-2016 20-04-2016 01-05-2016 Artikel XV van Stb. 2016/163 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 27ter — Artikel 27ter#
Artikel 27ter De ontvanger stelt het bedrag van de kredietrente, de vertragingsrente of de rente, bedoeld in artikel 116, zesde lid, tweede en derde volzin, van het Douanewetboek van de Unie, vast bij beschikking. Dat bedrag wordt op het afschrift van de uitspraak afzonderlijk vermeld of op andere wijze schriftelijk kenbaar gemaakt. 2021 612 16-12-2021 08-12-2021 35708 2021 612 16-12-2021 08-12-2021 35708 01-01-2022
Artikel 27quater — Artikel 27quater#
Artikel 27quater 1 Voor zover de ontvanger op grond van een beschikking van de inspecteur gehouden is rechten bij invoer of rechten bij uitvoer terug te betalen, omdat de desbetreffende rechten in strijd met het Unierecht zijn geheven, wordt aan de belastingschuldige een rente, gelijk aan de kredietrente, vergoed. 2 De rente, bedoeld in het eerste lid, wordt enkelvoudig berekend vanaf de dag van betaling door belastingplichtige tot de dag van terugbetaling van het bedrag aan die belastingplichtige. 3 Het te hanteren rentepercentage van de rente, bedoeld in het eerste lid, is niet lager dan 0%. 2021 612 16-12-2021 08-12-2021 35708 2021 612 16-12-2021 08-12-2021 35708 01-01-2022
Artikel 27quinquies — Artikel 27quinquies#
Artikel 27quinquies artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet Dit hoofdstuk is niet van toepassing op te innen of terug te betalen bedragen aan rechten bij invoer, rechten bij uitvoer, kredietrente, vertragingsrente en rente op achterstallen en belastingen of heffingen waarop de wettelijke bepalingen, bedoeld in, van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. 2021 612 16-12-2021 08-12-2021 35708 2021 612 16-12-2021 08-12-2021 35708 01-01-2022 Voorheen art. 27quater.
Artikel 27a — Artikel 27a#
Artikel 27a Vervallen 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 01-01-2024 Artikel XXXIII van Stb. 2023/499 bevat overgangsrecht m.b.t. het
tweede en derde lid.
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 1 Bij overschrijding van de voor de belastingaanslag geldende enige of laatste betalingstermijn wordt aan de belastingschuldige rente – invorderingsrente – in rekening gebracht over het op de belastingaanslag openstaande bedrag met dien verstande dat invorderingsrente niet in rekening wordt gebracht voor zover met de belastingaanslag wordt verrekend een belastingaanslag die op dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak betrekking heeft. 2 artikel 9 artikel 10 De invorderingsrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag waarop de belastingaanslag invorderbaar is ingevolgeen eindigt op de dag voorafgaand aan die van de betaling. Voor de toepassing van de eerste volzin blijftbuiten toepassing. 3 artikel 25, derde, vijfde, achtste, negende, elfde, zeventiende, achttiende, negentiende of eenentwintigste lid Invorderingsrente wordt niet in rekening gebracht over de tijd voor welke de belastingschuldige krachtens, uitstel van betaling is verleend. 4 artikel 25, vijfde, achtste, negende, elfde, zeventiende, achttiende, negentiende of eenentwintigste lid In afwijking in zoverre van het derde lid wordt invorderingsrente in rekening gebracht voor zover het krachtens, verleende uitstel door de ontvanger wordt beëindigd of voor zover betaling niet plaatsvindt binnen de termijn waarvoor uitstel van betaling is verleend. Bij algemene maatregel van bestuur wordt het tijdvak bepaald waarover in deze situaties invorderingsrente wordt berekend. 5 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen waarop het derde lid niet van toepassing is worden aangewezen in welke gevallen, onder daarbij te stellen voorwaarden, geen invorderingsrente in rekening wordt gebracht omdat het in rekening brengen van invorderingsrente door uitzonderlijke omstandigheden niet redelijk wordt geacht. 2022 530 27-12-2022 21-12-2022 36107 2022 530 27-12-2022 21-12-2022 36107 01-01-2023 2022 536 27-12-2022 21-12-2022 36207 2022 536 27-12-2022 21-12-2022 36207 01-01-2023
Artikel 28a — Artikel 28a#
Artikel 28a 1 Indien de ontvanger een aan een belastingplichtige uit te betalen bedrag niet binnen 6 weken na de dagtekening van de daartoe strekkende belastingaanslag uitbetaalt of verrekent, wordt aan de belastingplichtige invorderingsrente vergoed. 2 hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen De invorderingsrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na de dagtekening van de tot uitbetaling strekkende belastingaanslag of beschikking en eindigt op de dag voorafgaand aan die van de betaling. In afwijking van de eerste volzin wordt invorderingsrente niet berekend over dagen waarover ingevolgereeds belastingrente is vergoed. 3 Invorderingsrente wordt niet vergoed voor zover het aan de belastingplichtige is te wijten dat de uitbetaling niet tijdig is geschied. 4 artikel 9, vijfde lid Dit artikel is niet van toepassing op een voorlopige aanslag als bedoeld in, die een uit te betalen bedrag behelst als bedoeld in het zesde lid van dat artikel. 2016 163 28-04-2016 20-04-2016 34409 2016 164 28-04-2016 20-04-2016 01-05-2016 Artikel XV van Stb. 2016/163 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 28b — Artikel 28b#
Artikel 28b 1 Indien een belastingaanslag wordt verminderd of herzien tot een lager bedrag dan inmiddels op die aanslag is betaald en de belastingschuldige eerder een verzoek om uitstel van betaling met betrekking tot het door hem bestreden bedrag van die aanslag heeft gedaan dat door de ontvanger bij beschikking is afgewezen, wordt aan de belastingschuldige invorderingsrente vergoed. 2 artikel 9 De invorderingsrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt de dag na de dag waarop de belastingaanslag waarvoor een verzoek om uitstel van betaling bij beschikking is afgewezen, invorderbaar is ingevolgeen eindigt 6 weken na de dagtekening van de vermindering of de herziening en heeft als grondslag het terug te geven bedrag. 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 2011 639 29-12-2011 22-12-2011 33003 01-01-2013
Artikel 28c — Artikel 28c#
Artikel 28c 1 Voor zover de ontvanger op grond van een beschikking van de inspecteur gehouden is belasting terug te geven omdat de desbetreffende belasting in strijd met het Unierecht is geheven, wordt op verzoek aan de belastingschuldige invorderingsrente vergoed. 2 hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 28b De invorderingsrente, bedoeld in het eerste lid, wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na die waarop de belasting is betaald, voldaan of afgedragen en eindigt op de dag voorafgaand aan die van de terugbetaling en heeft als grondslag het aan de belastingschuldige terug te geven of teruggegeven bedrag. In afwijking van de eerste volzin wordt de invorderingsrente, bedoeld in het eerste lid, niet berekend over dagen waarover ingevolgebelastingrente wordt vergoed of waarover ingevolgeinvorderingsrente wordt vergoed. 3 De termijn voor het indienen van een verzoek om vergoeding van invorderingsrente op grond van dit artikel eindigt zes weken na dagtekening van de beschikking, bedoeld in het eerste lid. 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 01-01-2015 Artikel XXXV van Stb. 2014/528 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 Het percentage van de invorderingsrente bedraagt een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage, dat voor in rekening te brengen en voor te vergoeden invorderingsrente verschillend kan worden vastgesteld. In de algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de vaststelling van de percentages terugwerkt tot en met 1 juni 2020. 2020 195 22-06-2020 17-06-2020 35457 2020 196 22-06-2020 17-06-2020 23-06-2020 Artikel 7 van Stb. 2020/195 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 De ontvanger stelt het bedrag van de invorderingsrente vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Het bedrag van de invorderingsrente wordt op het afschrift van de uitspraak of de kennisgeving waarmee de vermindering wordt bekendgemaakt afzonderlijk vermeld of op andere wijze schriftelijk kenbaar gemaakt. 2 hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Op het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie inzake de in het eerste lid bedoelde beschikking isvan overeenkomstige toepassing. 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 01-01-2024
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de bij de berekening van invorderingsrente toe te passen afrondingen en voor het niet in rekening brengen van invorderingsrente die een bij die regeling bepaald bedrag niet te boven gaat. Voorts kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld met betrekking tot een doelmatige invordering van invorderingsrente. 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 01-01-2024 Artikel XXXIII van Stb. 2023/499 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 31a — Artikel 31a#
Artikel 31a Trb. Belastingregeling voor het Koninkrijk artikelen 28 29 30 31 Onze Minister kan in het kader van een regeling voor onderling overleg op grond van het Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen (1990, 173), deof een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting, voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen afwijkingen toestaan van de,,en. 1996 655 23-12-1996 13-12-1996 25051 1996 655 23-12-1996 13-12-1996 25051 01-01-1997
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 1 De bepalingen van dit hoofdstuk laten, behoudens voor zover anders is vermeld, onverlet het bepaalde met betrekking tot de aansprakelijkheid in enige andere wettelijke regeling. 2 De bepalingen van dit hoofdstuk strekken zich mede uit tot in te vorderen bedragen die verband houden met de belasting waarvoor de aansprakelijkheid geldt, een en ander voor zover het belopen daarvan aan de aansprakelijke is te wijten. 1997 738 29-12-1997 18-12-1997 23470 1997 737 29-12-1997 18-12-1997 24800 1997 739 29-12-1997 18-12-1997 01-01-1998
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 1 In afwijking in zoverre van andere wettelijke regelingen is hoofdelijk aansprakelijk voor de rijksbelastingen, verschuldigd door: a. een lichaam zonder rechtspersoonlijkheid of een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat niet volledig rechtsbevoegd is: ieder van de bestuurders; b. een niet in Nederland gevestigd lichaam: de leider van zijn vaste inrichting in Nederland dan wel zijn in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger; c. een lichaam dat is ontbonden: ieder van de met de vereffening belaste personen - met uitzondering van de door de rechter benoemde vereffenaar - voor zover het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur, met dien verstande dat geen aansprakelijkstelling kan plaatsvinden indien na de ontbinding drie jaren zijn verstreken. 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen Voor de toepassing van dit artikel wordt onder lichamen verstaan lichamen in de zin van deen wordt als bestuurder aangemerkt de volledig aansprakelijke vennoot van een maat- of vennootschap. 3 Voor de toepassing van dit artikel wordt ingeval een bestuurder van een lichaam zelf een lichaam is, onder bestuurder mede verstaan ieder van de bestuurders van het laatstbedoelde lichaam. 4 a b Degene die op grond van het eerste lid, onderdelenen, aansprakelijk is, is niet aansprakelijk voor zover hij bewijst dat het niet aan hem is te wijten dat de belasting niet is voldaan. 1990 221 30-05-1990 20588 1990 222 31-05-1990 30-05-1990 21135 01-06-1990
Artikel 33a — Artikel 33a#
Artikel 33a 1 Hoofdelijk aansprakelijk voor de rijksbelastingen verschuldigd door degene die, al dan niet tezamen met anderen, een onverplichte handeling heeft verricht als gevolg waarvan de ontvanger is benadeeld in zijn verhaalsmogelijkheden, is iedere begunstigde van die handeling tot ten hoogste het bedrag van de begunstiging, mits de belastingschuldige en de begunstigde wisten of behoorden te weten dat benadeling van de ontvanger het gevolg van die handeling zou zijn, overeenkomstig het bepaalde in de volgende leden. 2 Vermoed wordt dat de belastingschuldige en de begunstigde wisten of behoorden te weten dat benadeling in de verhaalsmogelijkheden van de ontvanger het gevolg van de onverplichte handeling zou zijn indien de ontvanger aannemelijk maakt dat de handeling die tot de benadeling heeft geleid: a. onderdeel van een verhaalsconstructie is; b. tot stand is gekomen in of na het tijdvak waarin de belastingschuld materieel is ontstaan dan wel op of na het tijdstip waarop de belastingschuld materieel is ontstaan; en c. is verricht door of namens een gelieerde natuurlijk persoon of een gelieerd lichaam. 3 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: a. begunstigde: degene die rechtens dan wel in feite direct of indirect voordeel heeft gehad van de onverplichte handeling, bedoeld in het eerste lid; b. bestuurder van een lichaam: artikel 36 bestuurder als bedoeld in; c. gelieerde natuurlijk persoon: een natuurlijk persoon die al dan niet tezamen met anderen de handeling die tot benadeling heeft geleid, heeft verricht met of jegens: 1°. zijn partner of zijn bloedverwant in de rechte lijn; 2°. artikel 4.6, onderdelen a of d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 een lichaam waarvan hij, zijn partner of zijn bloedverwant in de rechte lijn bestuurder, toezichthouder, beheerder, vennoot of maat is, dan wel waarin een of meer van die personen, afzonderlijk of tezamen, een aanmerkelijk belang als bedoeld inhebben; d. gelieerd lichaam: een lichaam dat al dan niet tezamen met anderen de handeling die tot benadeling heeft geleid, heeft verricht met of jegens: 1°. een natuurlijk persoon die bestuurder, toezichthouder, beheerder, vennoot of maat van het lichaam is; 2°. een natuurlijk persoon die partner of bloedverwant in de rechte lijn van de bestuurder, toezichthouder, beheerder, vennoot of maat, bedoeld onder 1°, is; 3°. artikel 4.6, onderdelen a of d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 een natuurlijk persoon die al dan niet tezamen met zijn partner of bloedverwant in de rechte lijn, een aanmerkelijk belang als bedoeld inheeft in het lichaam, bedoeld in de aanhef; 4°. artikel 4.6, onderdelen a of d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 een natuurlijk persoon wiens partner of bloedverwant in de rechte lijn, afzonderlijk of tezamen, een aanmerkelijk belang als bedoeld inheeft in het lichaam, bedoeld in de aanhef; 5°. een ander lichaam en een van die lichamen is bestuurder, toezichthouder, beheerder, vennoot of maat van het andere lichaam; 6°. een ander lichaam en een natuurlijk persoon die bestuurder, toezichthouder, beheerder, vennoot of maat is van een van die lichamen, of zijn partner of een bloedverwant in de rechte lijn, is bestuurder, toezichthouder, beheerder, vennoot of maat van het andere lichaam; 7°. artikel 4.6, onderdelen a of d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 een ander lichaam en een natuurlijk persoon die bestuurder, toezichthouder, beheerder, vennoot of maat is van een van die lichamen, of zijn partner of bloedverwant in de rechte lijn, afzonderlijk of tezamen, heeft een aanmerkelijk belang als bedoeld inin het andere lichaam; of 8°. een ander lichaam en in beide lichamen wordt voor ten minste vijf percent van het geplaatste kapitaal direct of indirect deelgenomen door hetzelfde lichaam, dan wel door dezelfde natuurlijke persoon, al dan niet tezamen met zijn partner of bloedverwant in de rechte lijn; e. lichaam: artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen artikelen 2 3 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 de lichamen, genoemd in, en de lichamen, genoemd in deen; f. onverplichte handeling: handeling of samenstel van handelingen waarvan er ten minste een onverplicht is verricht; g. verhaalsconstructie: handeling of samenstel van handelingen die, onderscheidenlijk dat, in overwegende mate is verricht met als doel om de ontvanger te benadelen in zijn verhaalsmogelijkheden. 4 artikelen 2.14a 10a.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 1, negende lid, van de Successiewet 1956 Voor de toepassing van dit artikel zijn deenenvan overeenkomstige toepassing. 5 De aansprakelijkheid van de begunstigde, bedoeld in het eerste lid, geldt tevens indien die begunstigde niet in Nederland woont of is gevestigd. 6 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld die bepalen bij welke combinatie van omstandigheden in ieder geval aannemelijk is dat sprake is van een verhaalsconstructie. Een krachtens de eerste zin vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een van de Kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een van de Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de Kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken. 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 01-01-2019 18-09-2018 Artikel XVII, eerste lid, van Stb. 2018/507 bevat overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 1 artikel 32, tweede lid Ingeval een werknemer met instandhouding van de dienstbetrekking tot zijn inhoudingsplichtige, de uitlener, door deze ter beschikking is gesteld aan een derde, de inlener, om onder diens toezicht of leiding werkzaam te zijn, is de inlener hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting welke de uitlener verschuldigd is in verband met het verrichten van die werkzaamheden door die werknemer alsmede voor de omzetbelasting welke de uitlener, dan wel – in geval doorlening plaatsvindt – de in het tweede lid bedoelde doorlener verschuldigd is in verband met dat ter beschikking stellen. In afwijking in zoverre van, is de inlener niet aansprakelijk voor de in verband met de heffing van loonbelasting of van omzetbelasting opgelegde bestuurlijke boete. 2 Onder inlener wordt mede verstaan: a. de doorlener, zijnde degene aan wie een werknemer ter beschikking is gesteld en die deze werknemer vervolgens ter beschikking stelt aan een derde om onder diens toezicht of leiding werkzaam te zijn; b. de in onderdeel a bedoelde derde, aan wie door een doorlener een werknemer ter beschikking is gesteld om onder toezicht of leiding van die derde werkzaam te zijn. 3 Wet op het financieel toezicht Indien een inlener ingevolge een overeenkomst met de uitlener ten behoeve van de voldoening van loonbelasting, omzetbelasting en sociale verzekeringspremies in verband met het verrichten van werkzaamheden door een ter beschikking gestelde werknemer, alsmede met dat ter beschikking stellen, een bedrag heeft overgemaakt op een rekening die door die uitlener ten behoeve van de betaling van loonbelasting, omzetbelasting en sociale verzekeringspremies wordt gehouden bij een financiële onderneming die ingevolge dein Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen, wordt het bedrag waarvoor de aansprakelijkheid van de inlener uit hoofde van het eerste en tweede lid met betrekking tot die werkzaamheden en dat ter beschikking stellen in eerste aanleg bestaat, verminderd met dat overgemaakte bedrag. 4 Het derde lid is niet van toepassing voor zover de inlener wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de uitlener in gebreke zou blijven het op de in dat lid bedoelde rekening gestorte bedrag aan te wenden voor de betaling van loonbelasting, omzetbelasting of sociale verzekeringspremies. 5 De aansprakelijkheid op grond van het eerste lid geldt niet met betrekking tot de loonbelasting en de omzetbelasting verschuldigd door de uitlener, indien aannemelijk is dat het niet betalen door de uitlener noch aan hem noch aan een inlener is te wijten. 6 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de toepassing van het derde lid. 7 Dit artikel is niet van toepassing indien de werkzaamheden die door de ter beschikking gestelde werknemer zijn verricht, ondergeschikt zijn aan een tussen de uitlener en de inlener, dan wel tussen de doorlener en de inlener, gesloten overeenkomst van koop en verkoop van een bestaande zaak. 2006 605 07-12-2006 20-11-2006 30658 2006 664 20-12-2006 11-12-2006 01-01-2007
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 1 De aannemer is hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting: artikel 32, tweede lid In afwijking in zoverre van, is de aannemer niet aansprakelijk voor de in verband met de heffing van loonbelasting opgelegde bestuurlijke boete. a. die de onderaannemer en, indien een werk geheel of gedeeltelijk door een of meer volgende onderaannemers wordt uitgevoerd, iedere volgende onderaannemer verschuldigd is in verband met het verrichten van werkzaamheden door zijn werknemers ter zake van dat werk; b. artikel 34 voor de betaling waarvan de onderaannemer en, indien een werk geheel of gedeeltelijk door een of meer volgende onderaannemers wordt uitgevoerd, iedere volgende onderaannemer ingevolgehoofdelijk aansprakelijk is ter zake van dat werk. 2 In dit artikel wordt verstaan onder: a. aannemer: degene die zich jegens een ander, de opdrachtgever, verbindt om buiten dienstbetrekking een werk van stoffelijke aard uit te voeren tegen een te betalen prijs; b. a onderaannemer: degene die zich jegens een aannemer verbindt om buiten dienstbetrekking het in onderdeelbedoelde werk geheel of gedeeltelijk uit te voeren tegen een te betalen prijs. 3 Voor de toepassing van dit artikel wordt: a. de onderaannemer ten opzichte van zijn onderaannemer als aannemer beschouwd; b. met een aannemer gelijkgesteld degene die zonder daartoe van een opdrachtgever opdracht te hebben gekregen buiten dienstbetrekking in de normale uitoefening van zijn bedrijf een werk van stoffelijke aard uitvoert; c. a ten opzichte van de aannemer als onderaannemer beschouwd de verkoper van een toekomstige zaak, voor zover de koop en verkoop voortvloeit uit of verband houdt met het in het tweede lid, onderdeel, bedoelde werk. 4 De voorgaande leden zijn niet van toepassing: a. indien een werk tot de uitvoering waarvan een onderaannemer zich jegens een aannemer heeft verbonden, geheel of grotendeels wordt verricht op de plaats waar de onderneming van de onderaannemer is gevestigd met uitzondering van de vervaardiging en elke daarop gerichte handeling van kleding, andere dan schoeisel, of b. indien de uitvoering van een werk waartoe een onderaannemer zich jegens een aannemer heeft verbonden, ondergeschikt is aan een tussen hen gesloten overeenkomst van koop en verkoop van een bestaande zaak. 5 Wet op het financieel toezicht Indien een aannemer ingevolge een overeenkomst met een onderaannemer, ten behoeve van de voldoening van loonbelasting en sociale verzekeringspremies met betrekking tot het door die onderaannemer aangenomen werk, een bedrag heeft overgemaakt op een rekening die door die onderaannemer ten behoeve van de betaling van loonbelasting en sociale verzekeringspremies wordt gehouden bij een financiële onderneming die ingevolge dein Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen wordt het bedrag waarvoor de aansprakelijkheid van de aannemer uit hoofde van het eerste lid met betrekking tot dat werk in eerste aanleg bestaat, verminderd met dat overgemaakte bedrag. De vorige volzin is niet van toepassing voor zover de aannemer wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat een onderaannemer in gebreke zou blijven het op de in de eerste volzin bedoelde rekening gestorte bedrag aan te wenden voor de betaling van loonbelasting of sociale verzekeringspremies. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de toepassing van dit lid. 6 De aansprakelijkheid op grond van het eerste lid geldt niet met betrekking tot de loonbelasting verschuldigd door een onderaannemer, indien aannemelijk is dat het niet betalen door de onderaannemer noch aan hem noch aan een aannemer is te wijten. 2006 605 07-12-2006 20-11-2006 30658 2006 664 20-12-2006 11-12-2006 01-01-2007
Artikel 35a — Artikel 35a#
Artikel 35a 1 De opdrachtgever is hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting ter zake van een werk, inhoudende de vervaardiging en elke daarop gerichte handeling van kleding, andere dan schoeisel: artikel 32, tweede lid In afwijking in zoverre van, is de opdrachtgever niet aansprakelijk voor de in verband met de heffing van loonbelasting opgelegde bestuurlijke boete. a. die de aannemer en, indien een werk geheel of gedeeltelijk door een of meer volgende onderaannemers wordt uitgevoerd, iedere volgende onderaannemer verschuldigd is in verband met het verrichten van werkzaamheden door zijn werknemers ter zake van dat werk; b. artikel 35 voor de betaling waarvan de aannemer en, indien een werk geheel of gedeeltelijk door een of meer volgende onderaannemers wordt uitgevoerd, iedere volgende onderaannemer ingevolgehoofdelijk aansprakelijk is ter zake van dat werk. 2 In dit artikel wordt onder opdrachtgever verstaan degene die buiten dienstbetrekking in de normale uitoefening van zijn bedrijf met een ander, de aannemer, een overeenkomst heeft gesloten om voor hem een werk als bedoeld in het eerste lid uit te voeren tegen een te betalen prijs. 3 Voor de toepassing van dit artikel wordt met een opdrachtgever gelijkgesteld degene die buiten dienstbetrekking in de normale uitoefening van zijn bedrijf kleding, andere dan schoeisel, koopt die nog geheel of gedeeltelijk vervaardigd moet worden en met een aannemer de verkoper daarvan. 4 Artikel 35, tweede lid, derde lid, onderdelen a en c, en vijfde lid , is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: a. in het tweede lid, onderdeel a, van dat artikel voor een werk van stoffelijke aard moet worden gelezen: een werk, inhoudende de vervaardiging en elke daarop gerichte handeling van kleding, andere dan schoeisel; b. de toepassing van het derde lid, onderdeel a, van dat artikel er niet toe kan leiden dat de wederpartij van de aannemer als opdrachtgever als bedoeld in het tweede lid wordt beschouwd; c. in het vijfde lid van dat artikel voor «aannemer» moet worden gelezen: opdrachtgever, voor «onderaannemer»: aannemer en voor «het eerste lid»: het eerste lid van artikel 35a. 5 De aansprakelijkheid op grond van het eerste lid geldt niet met betrekking tot de loonbelasting verschuldigd door de aannemer of een onderaannemer, indien aannemelijk is dat het niet betalen door de aannemer of een onderaannemer noch aan de opdrachtgever, noch aan de aannemer of een onderaannemer is te wijten. 2005 37 03-02-2005 16-12-2004 29531 2005 717 28-12-2005 15-12-2005 01-01-2006
Artikel 35b — Artikel 35b#
Artikel 35b artikel 35a, eerste lid artikel 32, tweede lid Indien de belastingschuld betrekking heeft op een werk als bedoeld in, is degene die buiten dienstbetrekking in de normale uitoefening van zijn bedrijf vervaardigde kleding koopt, hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting welke verschuldigd is ter zake van dat werk, tenzij aannemelijk is dat hij op het tijdstip van de koop niet wist of behoorde te weten dat ter zake van dat werk te weinig of geen loonbelasting zou worden betaald. In afwijking in zoverre van, is degene die op grond van de eerste volzin aansprakelijk is niet aansprakelijk voor de in verband met de heffing van loonbelasting opgelegde bestuurlijke boete. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel. 2003 305 24-07-2003 19-06-2003 25035 2003 305 24-07-2003 19-06-2003 25035 01-10-2003 De wijziging is van toepassing voor belastingen premieschulden die
betrekking hebben op werk dat is verricht na de inwerkingtreding van
deze wet.
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 1 artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag Algemene wet inzake rijksbelastingen Hoofdelijk aansprakelijk is voor de loonbelasting, de omzetbelasting, de accijns, de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van pruimtabak en snuiftabak, de ingenoemde belastingen en de kansspelbelasting verschuldigd door een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam in de zin van dedat volledig rechtsbevoegd is, voor zover het aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen: ieder van de bestuurders overeenkomstig het bepaalde in de volgende leden. 2 artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag Het lichaam als bedoeld in het eerste lid is verplicht om onverwijld nadat gebleken is dat het niet tot betaling van loonbelasting, omzetbelasting, accijns, verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, verbruiksbelasting van pruimtabak of snuiftabak, een van de ingenoemde belastingen of de kansspelbelasting in staat is, daarvan schriftelijk mededeling te doen aan de ontvanger en, indien de ontvanger dit verlangt, nadere inlichtingen te verstrekken en stukken over te leggen. Elke bestuurder is bevoegd om namens het lichaam aan deze verplichting te voldoen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inhoud van de mededeling, de aard en de inhoud van de te verstrekken inlichtingen en de over te leggen stukken, alsmede de termijnen waarbinnen het doen van de mededeling, het verstrekken van de inlichtingen en het overleggen van de stukken dienen te geschieden. 3 Indien het lichaam op juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, is een bestuurder aansprakelijk indien aannemelijk is, dat het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren, voorafgaande aan het tijdstip van de mededeling. 4 Indien het lichaam niet of niet op juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, is een bestuurder op de voet van het bepaalde in het derde lid aansprakelijk, met dien verstande dat wordt vermoed dat de niet betaling aan hem is te wijten en dat de periode van drie jaren wordt geacht in te gaan op het tijdstip waarop het lichaam in gebreke is. Tot de weerlegging van het vermoeden wordt slechts toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat het niet aan hem is te wijten dat het lichaam niet aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan. 5 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder bestuurder mede verstaan: a. de gewezen bestuurder tijdens wiens bestuur de belastingschuld is ontstaan; b. degene ten aanzien van wie aannemelijk is dat hij het beleid van het lichaam heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder, met uitzondering van de door de rechter benoemde bewindvoerder; c. Algemene wet inzake rijksbelastingen indien een bestuurder van een lichaam een lichaam is in de zin van de: ieder van de bestuurders van het laatstbedoelde lichaam. 6 De tweede volzin van het vierde lid is niet van toepassing op de gewezen bestuurder. 7 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder belasting uitsluitend verstaan de belasting die het lichaam als inhoudingsplichtige of als ondernemer is verschuldigd. 8 Artikel 45, leden 4 en 5, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek Indien de bestuurder van het lichaam ingevolge dit artikel aansprakelijk is en niet in staat is tot betaling van zijn schuld terzake, zijn de door die bestuurder onverplicht verrichte rechtshandelingen waardoor de mogelijkheid tot verhaal op hem is verminderd, vernietigbaar en kan de ontvanger deze vernietigingsgrond inroepen, indien aannemelijk is dat deze rechtshandelingen geheel of nagenoeg geheel met dat oogmerk zijn verricht.is van overeenkomstige toepassing. 2009 610 29-12-2009 23-12-2009 32129 2010 176 11-05-2010 28-04-2010 04-07-2010
Artikel 36a — Artikel 36a#
Artikel 36a 1 Hoofdelijk aansprakelijk is: a. Wet bronbelasting 2021 voor de belasting die een inhoudingsplichtige als bedoeld in deis verschuldigd: ieder van de bestuurders van die inhoudingsplichtige; b. Wet bronbelasting 2021 voor de belasting die een inhoudingsplichtige als bedoeld in deis verschuldigd over het door de belastingplichtige genoten voordeel, bedoeld in de Wet bronbelasting 2021: de belastingplichtige, bedoeld in de Wet bronbelasting 2021; c. Wet bronbelasting 2021 voor de belasting die een belastingplichtige als bedoeld in deis verschuldigd: ieder van de bestuurders van die belastingplichtige. 2 Niet aansprakelijk is de bestuurder, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a of c, voor zover hij aannemelijk maakt dat het niet aan hem is te wijten dat de bronbelasting niet of niet volledig is betaald. 3 artikel 36, vijfde en achtste lid Voor de toepassing van dit artikel is, van overeenkomstige toepassing. 4 De aansprakelijkheid geldt tevens indien de bestuurder, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a of c, of de belastingplichtige, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, niet in Nederland woont of is gevestigd. 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 2019 513 27-12-2019 18-12-2019 35305 01-01-2021
Artikel 36b — Artikel 36b#
Artikel 36b 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 49, eerste lid Hoofdelijk aansprakelijk is voor de loonbelasting of de omzetbelasting waarvoor een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam in de zin van dedat volledig rechtsbevoegd is, voorzover het aan de heffing van de vennootschapsbelasting is onderworpen, bij beschikking als bedoeld in, aansprakelijk is gesteld (aansprakelijkheidsschuld): ieder van de bestuurders van dat lichaam. 2 Artikel 36, tweede tot en met zesde lid en achtste lid , is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: a. tweede lid van artikel 36 artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag in hetvoor «loonbelasting, omzetbelasting, accijns, verbruiksbelasting voor alcoholvrije dranken, verbruiksbelasting van pruimtabak of snuiftabak, een van de ingenoemde belastingen of de kansspelbelasting» moet worden gelezen: de aansprakelijkheidsschuld; b. derde lid van artikel 36 in hetvoor «belastingschuld» moet worden gelezen «aansprakelijkheidsschuld», en voor «drie jaren»: zeven jaren; c. vierde lid van artikel 36 in hetvoor «drie jaren» moet worden gelezen: zeven jaren; d. vijfde lid, onderdeel a, van artikel 36 in hetvoor «belastingschuld» moet worden gelezen: aansprakelijkheidsschuld. 2008 567 29-12-2008 18-12-2008 31717 2008 567 29-12-2008 18-12-2008 31717 30-12-2008
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 1 artikel 33, eerste lid, onderdeel b Voor zover zulks niet reeds uit, volgt is hoofdelijk aansprakelijk: a. voor de loonbelasting verschuldigd door een niet in Nederland wonende of gevestigde inhoudingsplichtige, b. voor de omzetbelasting verschuldigd door een niet in Nederland wonende of gevestigde ondernemer, c. artikelen 35 35a 35b voor de loonbelasting die een niet in Nederland wonende of gevestigde aannemer, opdrachtgever of koper is verschuldigd op grond van de,of: de leider van de vaste inrichting in Nederland, de in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger, of degene die de leiding heeft van de in Nederland verrichte werkzaamheden. 2 Hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting met betrekking tot de gage van de niet in Nederland wonende artiest of beroepssporter dan wel het buitenlandse gezelschap is de persoon die of het lichaam dat het optreden of de sportbeoefening in Nederland organiseert, mede organiseert of doet organiseren. 3 Degene die op grond van het eerste lid aansprakelijk is, is niet aansprakelijk voor zover hij bewijst dat het niet aan hem is te wijten dat door de inhoudingsplichtige, door de ondernemer, dan wel door de aannemer, opdrachtgever of koper de belasting niet is voldaan. 2003 305 24-07-2003 19-06-2003 25035 2003 305 24-07-2003 19-06-2003 25035 01-10-2003 De wijziging is van toepassing voor belastingen premieschulden die
betrekking hebben op werk dat is verricht na de inwerkingtreding van
deze wet.
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 1 Hoofdelijk aansprakelijk is: a. voor de van een werknemer, een artiest, een beroepssporter of een buitenlands gezelschap ten onrechte niet ingehouden loonbelasting: de werknemer, de artiest, de beroepssporter, het gezelschap of de leden van het gezelschap; b. voor de van een belastingplichtige ten onrechte niet ingehouden kansspelbelasting: de belastingplichtige. 2 Niet aansprakelijk is de werknemer, de artiest, de beroepssporter, het buitenlandse gezelschap, het lid van het buitenlandse gezelschap of de belastingplichtige die de inspecteur omtrent de nalatigheid van de inhoudingsplichtige in kennis heeft gesteld voordat hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de inspecteur met deze nalatigheid bekend is of bekend zal worden. 2001 643 21-12-2001 14-12-2001 28015 2001 643 21-12-2001 14-12-2001 28015 01-01-2002
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 artikel 15, eerste of tweede lid artikel 15a, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Hoofdelijk aansprakelijk is voor de vennootschapsbelasting die over een tijdvak is geheven van een fiscale eenheid als bedoeld in, of: elk van de dochtermaatschappijen, onderscheidenlijk elk van de ledenmaatschappijen die in dat tijdvak deel uitmaakt of uitmaakte van die fiscale eenheid. 2016 479 08-12-2016 30-11-2016 34323 2016 479 08-12-2016 30-11-2016 34323 09-12-2016
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 1 artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 De natuurlijke persoon die, al dan niet tezamen met zijn partner en zijn bloedverwanten in de rechte lijn, of het lichaam dat, al dan niet tezamen met een of meer verbonden lichamen als bedoeld in, direct of indirect, voor ten minste één derde gedeelte van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is in een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld en waarvan de bezittingen in belangrijke mate bestaan uit beleggingen, daaronder begrepen liquide middelen, en die aandelen of een gedeelte daarvan vervreemdt, is aansprakelijk voor een gedeelte van de vennootschapsbelasting die de desbetreffende vennootschap is verschuldigd aan het einde van het jaar waarin de vervreemding plaatsvindt en de vennootschapsbelasting die verschuldigd wordt over de drie jaren daarna in verband met de op het tijdstip van de vervreemding aanwezige stille en in het kader van de heffing van de vennootschapsbelasting toegelaten fiscale reserves indien het vermogen van de vennootschap anders dan ten gevolge van de normale bedrijfsvoering van de vennootschap is verminderd in de vijf jaren voorafgaande aan het jaar van de vervreemding, in het jaar van de vervreemding, dan wel in de drie jaren daarna. 2 Degene die op grond van het eerste lid aansprakelijk is, is niet aansprakelijk voorzover zekerheid is gesteld voor het in het eerste lid bedoelde gedeelte van de vennootschapsbelasting. 3 Het in het eerste lid bedoelde gedeelte van de vennootschapsbelasting waarvoor de aansprakelijkheid geldt, wordt bepaald naar het gedeelte van het vermogen van de vennootschap waarop krachtens de vervreemde aandelen aanspraak zou kunnen worden gemaakt ingeval op het tijdstip van de vervreemding de vennootschap zou worden ontbonden. 4 Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de vervreemder van een belang of een gedeelte daarvan in een lichaam dat een niet in aandelen verdeeld kapitaal heeft. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder belang verstaan een gerechtigdheid, direct of indirect, tot ten minste een derde gedeelte van het vermogen of van het resultaat van het lichaam. 5 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de aandeelhouder of belanghouder in een lichaam ingeval dat lichaam een deelneming in de zin van degeheel of voor een gedeelte vervreemdt en de aandeelhouder of belanghouder voldoet aan het kwantitatieve criterium van het eerste lid onderscheidenlijk vierde lid, tweede volzin. 6 artikel 3.53, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Een persoon of lichaam is, in afwijking van het eerste lid, niet aansprakelijk voor de vennootschapsbelasting die is of wordt verschuldigd in verband met een op het tijdstip van de vervreemding van de aandelen bij de vennootschap aanwezige egalisatiereserve als bedoeld inen de op dat tijdstip bij de vennootschap aanwezige stille reserves, voor zover: a. deze reserves betrekking hebben op roerende zaken, onroerende zaken of vermogensrechten; b. de zaken en rechten waarop de reserves betrekking hebben ten minste gedurende zes maanden na de vervreemding van de aandelen in bezit zijn van de vennootschap; en c. de persoon of het lichaam bewijst dat het niet aan hem is te wijten dat het vermogen van de vennootschap ontoereikend is voor het voldoen van de vennootschapsbelasting. 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 01-01-2016 15-09-2015
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 1 Hoofdelijk aansprakelijk is voor de vennootschapsbelasting en de dividendbelasting verschuldigd door een lichaam dat aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen en waarvan de plaats van vestiging niet langer in Nederland is gelegen: ieder van de met de verplaatsing belaste personen. 2 Degene die op grond van het eerste lid aansprakelijk is, is niet aansprakelijk voor zover hij bewijst dat het niet aan hem is te wijten dat de belasting niet is voldaan. 1990 221 30-05-1990 20588 1990 222 31-05-1990 30-05-1990 21135 01-06-1990
Artikel 41a — Artikel 41a#
Artikel 41a artikel 1.2, eerste lid, van de Wet minimumbelasting 2024 Hoofdelijk aansprakelijk is voor de minimumbelasting die over een verslagjaar als bedoeld inis geheven van een groepsentiteit behorend tot een multinationale groep of binnenlandse groep als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, van die wet: elk van de groepsentiteiten die in dat verslagjaar deel uitmaakt of uitmaakte van die multinationale groep of binnenlandse groep. 2023 510 27-12-2023 20-12-2023 36369 2023 510 27-12-2023 20-12-2023 36369 31-12-2023 Vindt voor het eerst toepassing m.b.t. verslagjaren die aanvangen
op of na 31 december 2023.
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 1 artikel 18 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer Stb. Indien krachtens(1970, 611) overdrachtsbelasting ter zake van een verkrijging moet worden voldaan ter gelegenheid van de aanbieding ter registratie van de door de notaris ter zake opgemaakte akte, is de notaris hoofdelijk aansprakelijk voor die belasting tot het bedrag dat ingevolge de inhoud van de akte is verschuldigd. 2 artikel 2, tweede lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer Indien overdrachtsbelasting verschuldigd is ter zake van een verkrijging als bedoeld inen het eerste lid niet van toepassing is, is degene die de economische eigendom overdraagt hoofdelijk aansprakelijk voor die belasting. 1995 659 28-12-1995 18-12-1995 24172 1995 659 28-12-1995 18-12-1995 24172 29-12-1995 31-03-1995
Artikel 42a — Artikel 42a#
Artikel 42a Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 6j, aanhef en onderdeel a, van die wet Natuurlijke personen voor wie, anders dan als ondernemer in de zin van de, diensten worden verricht als bedoeld in, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de omzetbelasting die verschuldigd is door de ondernemer die de dienst verricht. 2009 546 21-12-2009 03-12-2009 31907 2009 565 23-12-2009 14-12-2009 01-01-2010
Artikel 42b — Artikel 42b#
Artikel 42b Vervallen 2015 455 02-12-2015 25-11-2015 34220 2015 455 02-12-2015 25-11-2015 34220 01-01-2016 10-10-2013
Artikel 42c — Artikel 42c#
Artikel 42c 1 Wet op de omzetbelasting 1968 Hoofdelijk aansprakelijk voor de omzetbelasting die verschuldigd is ter zake van de levering van bij ministeriële regeling aan te wijzen goederen, is de natuurlijke persoon of rechtspersoon, die ondernemer is in de zin van de, aan wie de levering is verricht en die wist of behoorde te weten dat de ter zake van die levering verschuldigde omzetbelasting niet of niet volledig is of zal worden voldaan. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van: a. ondernemers die voorafgaand aan de in die volzin bedoelde levering leveringen van die goederen hebben verricht, indien deze leveringen hebben plaatsgevonden op of na de datum waarop die goederen bij ministeriële regeling zijn aangewezen; b. ondernemers aan wie op de in die volzin bedoelde levering volgende leveringen van die goederen zijn verricht; c. artikel 7, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 de ondernemer die tezamen met de op grond van de voorgaande bepalingen van dit lid aansprakelijke ondernemer ingevolgeis aangemerkt of is aangemerkt geweest als één ondernemer. 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt een ondernemer geacht te hebben geweten dat de omzetbelasting die verschuldigd is ter zake van de in dat lid bedoelde levering niet of niet volledig is of zal worden voldaan, indien hij door het niet of niet volledig voldaan zijn van de in dat lid bedoelde belasting voordeel heeft behaald, tenzij hij aannemelijk maakt dat dat voordeel niet voortvloeit uit of geen verband houdt met het niet of niet volledig voldaan zijn van die belasting. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt een ondernemer in ieder geval geacht voordeel te hebben behaald als aan hem voor de goederen een vergoeding in rekening is gebracht die op het tijdstip van de levering lager is dan het bedrag dat bij vrije mededinging zou moeten worden betaald of die lager is dan de vergoeding die aan zijn leverancier of aan elk van de leveranciers ter zake van voorafgaande verkrijgingen van die goederen in rekening is gebracht. 3 Dit artikel is niet van toepassing indien de in het eerste lid bedoelde omzetbelasting verschuldigd is ter zake van een tijdens surséance van betaling of faillissement, of tijdens het van toepassing zijn van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, verrichte levering door een ondernemer, diens bewindvoerder of curator of door een pandhouder in het kader van de uitoefening van een op de geleverde goederen gevestigd pandrecht. 2001 643 21-12-2001 14-12-2001 28015 2001 643 21-12-2001 14-12-2001 28015 01-01-2002
Artikel 42d — Artikel 42d#
Artikel 42d Hoofdelijk aansprakelijk is voor de omzetbelasting die verschuldigd is ter zake van de levering van een zaak: de pandhouder, de hypotheekhouder of de executant die zich heeft verhaald op het door de koper betaalde bedrag, voor zover dat betrekking heeft op de ter zake van de levering verschuldigde omzetbelasting. De eerste volzin is niet van toepassing ingeval de pandhouder, onderscheidenlijk de hypotheekhouder, onderscheidenlijk de executant, niet wist en ook niet behoorde te weten dat de omzetbelasting niet of niet volledig door de belastingschuldige is of zal worden voldaan. 2017 517 28-12-2017 20-12-2017 34785 2017 517 28-12-2017 20-12-2017 34785 01-01-2018
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 7, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 Natuurlijke personen en lichamen in de zin van de, die ingevolgezijn aangemerkt als één ondernemer, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de omzetbelasting welke verschuldigd is door deze ondernemer, dan wel - indien de inspecteur niet schriftelijk ervan in kennis is gesteld dat op grond van gewijzigde omstandigheden niet langer een eenheid bestaat als is bedoeld in die bepaling - door deze personen en lichamen. 2 artikel 54 Indien aan de ondernemer, bedoeld in het eerste lid, een vermindering of teruggaaf van omzetbelasting wordt verleend, kan de ontvanger, met inachtneming van, deze vermindering of teruggaaf bevrijdend voldoen aan één van de natuurlijke personen of lichamen, bedoeld in het eerste lid. 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 01-01-2015
Artikel 43a — Artikel 43a#
Artikel 43a artikel 32 van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964 Bij toepassing vanis iedere inhoudingsplichtige die ingevolge het eerste lid van dat artikel samen met andere inhoudingsplichtigen als één inhoudingsplichtige wordt beschouwd hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting die deze inhoudingsplichtigen ingevolge dat artikel gezamenlijk zijn verschuldigd met betrekking tot vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in. 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 01-01-2015
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 1 artikel 2.15 van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en derde lid 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Indien op grond vaninkomensbestanddelen van een minderjarig kind zijn toegerekend aan de belastingschuldige, is dat kind aansprakelijk voor een gedeelte van de verschuldigde inkomstenbelasting. Dit gedeelte wordt gesteld op een evenredig gedeelte van de verschuldigde belasting, bepaald naar de verhouding waarin het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in de, en, de belastbare inkomsten uit eigen woning, het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang of het belastbare inkomen uit sparen en beleggen van dat kind dat bij de vaststelling van de belastingschuld in aanmerking is genomen, staat tot het inkomen uit werk en woning, het inkomen uit aanmerkelijk belang onderscheidenlijk het belastbare inkomen uit sparen en beleggen dat tot de belastingschuld heeft geleid. 2 artikel 2.17, tweede tot en met zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Indien op grond vanbelastbare inkomsten uit eigen woning, inkomen uit aanmerkelijk belang vóór vermindering met de persoonsgebonden aftrek of bestanddelen van de rendementsgrondslag van een derde geacht worden bij de belastingschuldige op te komen, te zijn opgekomen of tot zijn bezit te behoren dan wel te hebben behoord, is die derde aansprakelijk voor een gedeelte van de verschuldigde inkomstenbelasting. Dit gedeelte wordt gesteld op een evenredig gedeelte van de verschuldigde belasting, bepaald naar de verhouding waarin de belastbare inkomsten uit eigen woning, het inkomen uit aanmerkelijk belang of het belastbare inkomen uit sparen en beleggen van die derde dat bij de vaststelling van de belastingschuld in aanmerking is genomen, staat tot het inkomen uit werk en woning, het inkomen uit aanmerkelijk belang onderscheidenlijk het belastbare inkomen uit sparen en beleggen dat tot de belastingschuld heeft geleid. 3 Artikel 2.16, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing. 2002 613 19-12-2002 11-12-2002 28487 2002 613 19-12-2002 11-12-2002 28487 01-01-2003 01-01-2001 De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
Artikel 44a — Artikel 44a#
Artikel 44a 1 artikelen 3.133 3.135 3.136 van de Wet inkomstenbelasting 2001 i artikel 30van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Indien ingevolge de,of, premies voor een aanspraak op periodieke uitkeringen als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen, is de verzekeraar van die aanspraak tot ten hoogste de waarde in het economische verkeer daarvan aansprakelijk voor de belasting die ter zake door de verzekeringnemer of de gerechtigde is verschuldigd, alsmede voor de revisierente die ingevolgein verband daarmee is verschuldigd. 2 artikelen 3.133 3.135 3.136 van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3 137 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Het bedrag van de verschuldigde belasting wordt gesteld op het evenredig gedeelte van de belasting die meer is verschuldigd ter zake van alle in het jaar ingevolge de,of, als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen premies alsmede het over die premies behaalde rendement, bedoeld in. 3 Artikel 2.16, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing. 4 Zo spoedig mogelijk nadat de aansprakelijkheid ingevolge het eerste lid is ontstaan, wordt aan de verzekeraar schriftelijk mededeling gedaan van het bedrag waarvoor deze aansprakelijk is. 5 artikel 3.133, tweede lid, onderdeel h, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat degene die op grond van het eerste lid aansprakelijk is, niet aansprakelijk is indien de lijfrenteverplichting in de inbedoelde situatie overgaat, of beoordeeld aan het einde van het kalenderjaar in enig voorafgaand kalenderjaar is overgegaan, op een niet in een van de lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het verzekeringsbedrijf uitoefent en dit pensioenfonds of lichaam aansprakelijkheid aanvaardt voor de belasting die terzake door de verzekeringnemer of de gerechtigde is verschuldigd, alsmede voor de in verband daarmee verschuldigde revisierente. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing indien de verzekeringnemer of de gerechtigde terzake voldoende zekerheid heeft gesteld. 6 artikel 3.126a van de Wet inkomstenbelasting 2001 Indien met betrekking tot een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld innegatieve uitgaven voor inkomensvoorziening in aanmerking worden genomen, is dit artikel van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de bank of beleggingsonderneming waarbij de lijfrenterekening wordt aangehouden, onderscheidenlijk de beheerder van het lijfrentebeleggingsrecht. 7 artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 34, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 Dit artikel is niet van toepassing op de belasting en revisierente ter zake van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen die in aanmerking zijn genomen in verband met een afkoop als bedoeld in, voor zover de afkoop heeft geleid tot afkoopsommen ter zake waarvan met toepassing vaneen heffing is verschuldigd naar een tarief van 52%. 2024 435 23-12-2024 18-12-2024 36603 2024 435 23-12-2024 18-12-2024 36603 01-01-2025 16-11-2023
Artikel 44b — Artikel 44b#
Artikel 44b 1 artikel 19b, eerste lid of tweede lid, eerste volzin, van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 3.81 van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.83, eerste of tweede lid artikel 7.2, achtste lid, van de laatstgenoemde wet artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Indien ingevolge de toepassing vanin verbinding metof van, dan welde aanspraak ingevolge een pensioenregeling tot het loon wordt gerekend is de verzekeraar van die aanspraak tot ten hoogste de waarde in het economische verkeer daarvan aansprakelijk voor de belasting die terzake door de gerechtigde is verschuldigd, alsmede voor de revisierente die ingevolgein verband daarmee is verschuldigd. 2 artikel 19b, eerste lid of tweede lid, eerste volzin, van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 3.83, eerste of tweede lid artikel 7.2, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Het bedrag van de verschuldigde belasting wordt gesteld op het evenredig gedeelte van de belasting die meer is verschuldigd terzake van alle in het jaar ingevolge de toepassing vanof van, dan weltot loon gerekende aanspraken. 3 Artikel 2.16, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing. 4 Zo spoedig mogelijk nadat de aansprakelijkheid ingevolge het eerste lid is ontstaan, wordt aan de verzekeraar schriftelijk mededeling gedaan van het bedrag waarvoor deze aansprakelijk is. 5 artikel 19b, zevende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat degene die op grond van het eerste lid aansprakelijk is, niet aansprakelijk is indien de verplichting ingevolge een pensioenregeling in de inbedoelde situatie overgaat op een niet in een van de lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het verzekeringsbedrijf uitoefent en dit pensioenfonds of lichaam aansprakelijkheid aanvaardt voor de belasting die terzake door de gerechtigde is verschuldigd, alsmede voor de in verband daarmee verschuldigde revisierente. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing indien de verzekeringnemer of de gerechtigde terzake voldoende zekerheid heeft gesteld. 2024 435 23-12-2024 18-12-2024 36603 2024 435 23-12-2024 18-12-2024 36603 01-01-2025 01-07-2023
Artikel 44c — Artikel 44c#
Artikel 44c Vervallen 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 01-01-2013
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 1 artikel 2.8, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 25, achtste lid Voor belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting die is verschuldigd ter zake van geconserveerd inkomen als bedoeld inis aansprakelijk degene aan wie de aandelen of winstbewijzen die aan het uitstel van betaling ten grondslag liggen zijn vervreemd en welke vervreemding heeft geleid tot het geconserveerde inkomen, of, voor zover voor de aandelen of winstbewijzen die nadien zijn geschonken het uitstel op grond van, is voortgezet, degene die deze aandelen of winstbewijzen heeft verkregen, voor zover de belastingschuld aan die aandelen of winstbewijzen kan worden toegerekend. 2 artikel 25, achtste lid, onderdelen a, b of c Aansprakelijkheid op grond van het eerste lid ontstaat indien het uitstel van betaling op grond van, is beëindigd. 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 2025 431 12-12-2025 04-12-2025 36735 01-01-2026
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 1 Ieder van de erfgenamen is naar evenredigheid van zijn erfdeel aansprakelijk voor de door en bij het overlijden van de erflater door de legatarissen verschuldigde erfbelasting. 2 De erfgenamen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de erfbelasting die door en bij het overlijden van de erflater is verschuldigd door verkrijgers die buiten Nederland wonen. 3 De schenker is hoofdelijk aansprakelijk voor de schenkbelasting verschuldigd door de begiftigde. 2009 564 23-12-2009 17-12-2009 31930 2009 564 23-12-2009 17-12-2009 31930 01-01-2010
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 1 Executeurs en door de rechter benoemde vereffenaars van nalatenschappen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor al de door en bij het overlijden van de erflater verschuldigde erfbelasting, tenzij de aangifte voor de erfbelasting niet door hen is gedaan. 2 De aansprakelijkheid op grond van het eerste lid geldt niet voor zover een executeur aannemelijk maakt dat het niet aan hem te wijten is dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. 2011 640 29-12-2011 22-12-2011 33004 2011 640 29-12-2011 22-12-2011 33004 01-01-2012
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 1 artikel 12, eerste lid, van de Successiewet 1956 Erfgenamen zijn niet verder aansprakelijk dan ieder tot het beloop van zijn erfdeel vermeerderd met het bedrag van hetgeen hem door de erflater is gelegateerd en vermeerderd met al wat hij van de erflater op grond vankrachtens erfrecht door het overlijden geacht wordt te hebben verkregen - één en ander naar de waarde in het economische verkeer op het tijdstip van overlijden van de erflater - voor: a. navorderings- en naheffingsaanslagen die na het overlijden van de belastingschuldige worden vastgesteld; b. artikel 49 bedragen die na het overlijden van de hoofdelijk aansprakelijk gestelde worden vastgesteld op de voet van. 2 b artikel 36 36b In afwijking in zoverre van het eerste lid, onderdeel, zijn erfgenamen niet aansprakelijk voor bedragen waarvoor de ontvanger de erflater op grond vanofna diens overlijden aansprakelijk stelt. 3 Het eerste lid is niet van toepassing op: a. artikel 33 van de Successiewet 1956, onderdelen 1°, 2°, 3°, 8°, 9°, 11° en 12° en, voor zover het een schenking betreft waarvoor de verhoogde vrijstelling geldt, 5° en 7° schenkingen als bedoeld in; b. artikel 67 van de Successiewet 1956 schenkingen waarvan de schenkbelasting is kwijtgescholden op grond van. 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 01-01-2019 18-09-2018 Artikel XVII, tweede lid, van Stb. 2018/507 bevat overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 48a — Artikel 48a#
Artikel 48a artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Een derde die kan beschikken over een bankrekeningnummer waarop inkomstenbelasting is uitbetaald, is hoofdelijk aansprakelijk voor de inkomstenbelasting die een belastingschuldige is verschuldigd voor zover het bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting is betaald op die bankrekening. Voor zover een verschuldigd bedrag aan inkomstenbelasting voortvloeit uit de toepassing van, wordt het bedrag waarvoor de derde aansprakelijk is, bepaald op het gedeelte van het door de belastingschuldige verschuldigde bedrag dat in dezelfde verhouding staat tot het door de belastingschuldige verschuldigde bedrag als de aan de derde over het belastingjaar uitbetaalde voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting in verhouding staat tot het totale bedrag van de over het belastingjaar uitbetaalde voorlopige teruggaven inkomstenbelasting, een en ander voor zover dit bedrag kan worden toegerekend aan de aan die derde uitbetaalde bedragen. 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 01-01-2015
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 1 artikel 36b hoofdstuk VIIIA, afdeling 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Aansprakelijkstelling geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking door de ontvanger en vindt niet plaats vóór het tijdstip waarop de belastingschuldige in gebreke is met de betaling van zijn belastingschuld. In afwijking van de eerste zin vindt aansprakelijkstelling van een bestuurder op de voet vanniet plaats voor het tijdstip waarop het aansprakelijk gestelde lichaam in gebreke is met de betaling van zijn aansprakelijkheidsschuld. Voor zover de aansprakelijkstelling betrekking heeft op een bestuurlijke boete, geschiedt zij met overeenkomstige toepassing van. 2 afdeling 4.4.2 van de Algemene wet bestuursrecht Op de in het eerste lid bedoelde beschikking isniet van toepassing. 3 De ontvanger maakt de beschikking bekend door toezending als aangetekend stuk. 4 hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Op het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie inzake de in het eerste lid bedoelde beschikking isvan overeenkomstige toepassing. 5 artikelen 25, derde lid 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Met betrekking tot het vierde lid zijn de, enniet van toepassing indien het niet aan de aansprakelijk gestelde is te wijten dat: a. de vereiste aangifte niet is gedaan; of b. 41 47 47a 49 52 van die wet artikel 53, eerste, tweede en derde lid, van die wet niet volledig is voldaan aan de verplichtingen ingevolge de artikelen,,,en, alsmede aan de verplichtingen ingevolgevoor zover het verplichtingen van administratieplichtigen betreft ten behoeve van de heffing van de belasting waarvan de inhouding aan hen is opgedragen. 6 De ontvanger stelt de aansprakelijk gestelde desgevraagd op de hoogte van de gegevens met betrekking tot de belasting waarvoor hij aansprakelijk is gesteld voor zover deze gegevens voor het maken van bezwaar, het instellen van beroep of beroep in cassatie redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht. 7 Het bezwaar kan geen betrekking hebben op feiten of omstandigheden die van belang zijn geweest bij de vaststelling van een belastingaanslag en ter zake waarvan een onherroepelijke rechterlijke uitspraak is gedaan. 2022 530 27-12-2022 21-12-2022 36107 2022 530 27-12-2022 21-12-2022 36107 01-01-2023 01-07-2009
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 Vervallen 2002 478 24-09-2002 12-09-2002 28183 2002 478 24-09-2002 12-09-2002 28183 01-12-2002
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 1 artikel 700, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Op een conservatoir beslag door de ontvanger ten laste van degene die aansprakelijk is of wordt gesteld, isniet van toepassing. 2 Het beslag vervalt van rechtswege indien: a. artikel 49, eerste lid de aansprakelijk gestelde bezwaar heeft gemaakt tegen de beschikking, bedoeld in, en de ontvanger niet binnen vier maanden na de dagtekening van de beschikking uitspraak heeft gedaan op het bezwaarschrift; of b. vóór het leggen van het beslag geen aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en aansprakelijkstelling niet alsnog plaatsvindt binnen drie maanden na het leggen van het beslag. 3 De voorzieningenrechter van de rechtbank die het verlof tot het leggen van het beslag heeft verleend, kan de termijn, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, verlengen indien de ontvanger dit vóór het verstrijken van de termijn verzoekt. Tegen de beschikking, bedoeld in de vorige volzin, is geen hogere voorziening toegelaten. 4 Ingeval een conservatoir derdenbeslag van rechtswege is vervallen, stelt de ontvanger de derdebeslagene daarvan schriftelijk in kennis. 2002 478 24-09-2002 12-09-2002 28183 2002 478 24-09-2002 12-09-2002 28183 01-12-2002
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 1 artikel 49, eerste lid artikelen 9, tiende lid 11 12 13 14 19 Het bedrag, vermeld in een beschikking als bedoeld in, is invorderbaar zes weken na de dagtekening van de beschikking. De,,,,enzijn van overeenkomstige toepassing. 2 artikel 17 derde lid van dat artikel artikel 49, eerste lid artikel 49, eerste lid De aansprakelijk gestelde kan tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel inzake de invordering van een aansprakelijkheidsschuld in verzet komen op overeenkomstige wijze als een belastingschuldige op de voet van, met dien verstande dat het bepaalde in heteveneens geldt voor het niet ontvangen zijn van de beschikking, bedoeld in, en voor de omstandigheden die aan de orde zijn of hadden kunnen worden gesteld bij het maken van bezwaar tegen de in, bedoelde beschikking, bij het instellen van beroep ter zake van een uitspraak op het desbetreffende bezwaar of bij het instellen van beroep in cassatie ter zake van een uitspraak op het desbetreffende beroep. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 1 eerste tweede afdeling van hoofdstuk IV artikel 24, tweede lid De bepalingen van deen deinzake verhaalsrechten en verrekening, met uitzondering van, vinden overeenkomstige toepassing ten aanzien van de aansprakelijk gestelde. 2 artikel 25 Het bepaalde inmet betrekking tot de mogelijkheid van uitstel van betaling vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de aansprakelijk gestelde. 3 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld krachtens welke de aansprakelijk gestelde die niet in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar het bedrag waarvoor hij aansprakelijk is gesteld geheel of gedeeltelijk te voldoen, geheel of gedeeltelijk wordt ontslagen van zijn betalingsverplichting. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 1 artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Een teruggaaf als gevolg van een vermindering van een belastingaanslag waarop het door de aansprakelijk gestelde betaalde bedrag is afgeboekt, alsmede een teruggaaf als gevolg van een vermindering van een aanslag waarmee een voorlopige aanslag, waarop het door de aansprakelijk gestelde betaalde bedrag is afgeboekt, op de voet vanis verrekend, komt niet toe aan de belastingschuldige doch aan de aansprakelijk gestelde, tot het bedrag dat hij op grond van die aansprakelijkstelling heeft voldaan. 2 Indien een aanslag na de verrekening van een voorlopige aanslag met die aanslag leidt tot een teruggaaf, wordt deze teruggaaf voor de toepassing van het eerste lid aangemerkt als een vermindering van de voorlopige aanslag. 3 De ontvanger doet aan de belastingschuldige mededeling van zijn voornemen tot betaling van de in het eerste lid bedoelde teruggaaf aan de aansprakelijk gestelde, dan wel van zijn voornemen tot verrekening op de voet van artikel 24 van die teruggaaf. 4 Indien meer dan één aansprakelijk gestelde recht hebben op dezelfde teruggaaf, komt het bedrag van de teruggaaf toe aan ieder van hen naar evenredigheid van ieders op grond van de aansprakelijkstelling betaalde bedrag. 2002 478 24-09-2002 12-09-2002 28183 2002 478 24-09-2002 12-09-2002 28183 01-12-2002
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 1 artikelen 33, eerste lid, onderdelen a, b of c 33a 34 35 35a 35b 36 36b 37 artikelen 35 35a 35b Indien verhaal op de belastingschuldige door degene die ingevolge de,,,,,,,ofbelasting heeft voldaan geheel of gedeeltelijk onmogelijk blijkt en ter zake van de belastingschuld twee of meer personen ingevolge de desbetreffende bepaling hoofdelijk aansprakelijk zijn, dragen dezen onderling voor gelijke delen in het onverhaald gebleven deel bij. Indien de,ofvan toepassing zijn en het aandeel in het totaal van het uit te voeren werk dat ieder van de hoofdelijk aansprakelijken heeft laten uitvoeren kan worden vastgesteld, draagt, in afwijking in zoverre van de eerste volzin, ieder in evenredigheid met dat aandeel bij. Voor de toepassing van dit artikel worden voorts de opdrachtgever en de koper geacht dat werk geheel te hebben laten uitvoeren door een onderaannemer. 2 artikel 35a artikel 35 artikel 35b artikel 35a artikel 35 Indien de opdrachtgever ingevolgebelasting heeft voldaan, draagt, in afwijking in zoverre van het eerste lid, tevens een aannemer bij die met betrekking tot het desbetreffende werk ingevolgeaansprakelijk is. Indien een koper ingevolgebelasting heeft voldaan, dragen, in afwijking in zoverre van het eerste lid, tevens de opdrachtgever onderscheidenlijk een aannemer bij die met betrekking tot het desbetreffende werk ingevolgeonderscheidenlijkaansprakelijk zijn. 3 In afwijking in zoverre van de voorgaande leden bedraagt de bijdrage niet meer dan het bedrag waarvoor ieders aansprakelijkheid ingevolge de desbetreffende bepaling bestaat. Een als gevolg van de toepassing van de vorige volzin ontstaan tekort wordt met inachtneming van de voorgaande leden over de anderen verdeeld. 4 Degene die meer heeft bijgedragen dan overeenkomt met zijn op de voet van de voorgaande leden bepaalde aandeel, heeft voor dat meerdere verhaal op degene die minder dan zijn dienovereenkomstig bepaalde aandeel heeft bijgedragen. Blijkt verhaal op een of meer van degenen op wie verhaal kan worden genomen geheel of gedeeltelijk onmogelijk, dan wordt dat tekort met inachtneming van de voorgaande leden over de anderen verdeeld. 5 Ieder die in de belasting heeft bijgedragen, blijft gerechtigd het bijgedragene alsnog van de belastingschuldige terug te vorderen. 6 Van de voorgaande leden kan bij overeenkomst worden afgeweken. 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 01-01-2019 18-09-2018
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 1 artikelen 33, eerste lid, onderdelen b en c 33a 34 35 35a 35b 37 artikelen 33, eerste lid, onderdeel a 36 36b Degene die op de voet van de,,,,,ofvoor de voldoening van een belastingschuld geheel of ten dele aansprakelijk is gesteld, kan voor hetgeen hij in de belasting heeft bijgedragen verhaal nemen op ieder van degenen, die ingevolge de,ofvoor die belastingschuld hoofdelijk aansprakelijk is. 2 artikel 55 Ten aanzien van degene die een ingevolgeverschuldigd bedrag heeft voldaan, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing. 3 artikelen 33, eerste lid, onderdeel a 36 36b Degene die het ingevolge het eerste lid verschuldigde bedrag heeft voldaan, wordt geacht tot dit bedrag de belasting van de belastingschuldige ingevolge de,ofte hebben voldaan. 4 Van het eerste, tweede en derde lid kan bij overeenkomst worden afgeweken. 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 01-01-2019 18-09-2018
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 artikel 21 artikel 54 De aansprakelijke die in de belasting heeft bijgedragen, is bij zijn verhaal op de belastingschuldige of de mede-aansprakelijke uitsluitend gesubrogeerd in het voorrecht van ’s Rijks schatkist overeenkomstig. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de belastingschuldige en de aansprakelijke die in de belasting heeft bijgedragen indientoepassing heeft gevonden. 2003 305 24-07-2003 19-06-2003 25035 2003 305 24-07-2003 19-06-2003 25035 01-10-2003 De wijziging is van toepassing voor belastingen premieschulden die
betrekking hebben op werk dat is verricht na de inwerkingtreding van
deze wet.
Artikel 57a — Artikel 57a#
Artikel 57a 1 Wet op het financieel toezicht artikel 34 artikel 35 artikel 35a De ontvanger houdt op zijn naam een rekening aan bij een financiële onderneming die ingevolge dein Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen (vrijwaringsrekening) waarop de in,enbedoelde inleners, onderscheidenlijk aannemers en opdrachtgevers, bedragen kunnen storten ten behoeve van het door hun uitleners, onderscheidenlijk onderaannemers en aannemers, bij de ontvanger aan te houden depot. 2 hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Een uitlener, een onderaannemer of een aannemer die voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, kan de ontvanger verzoeken ten behoeve van hem een depot aan te houden. De ontvanger beslist op het verzoek bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Ook het opheffen van een depot geschiedt bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Op het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie inzake deze beschikkingen isvan overeenkomstige toepassing. 3 artikel 10 Degene ten behoeve van wie de ontvanger een depot aanhoudt (de depotbegunstigde), kan over het tegoed van het depot beschikken voor de voldoening van loonbelasting, omzetbelasting of sociale verzekeringspremies. Indien de depotbegunstigde na aanmaning in gebreke blijft en in de gevallen bedoeld in, is de ontvanger ook zelf bevoegd tot een zodanige aanwending over te gaan. 4 artikel 34, derde lid, tweede volzin artikel 35, vijfde lid, tweede volzin artikel 35a, vierde lid De depotbegunstigde kan tevens over het tegoed van het depot beschikken voor het overboeken naar andere depots, een en ander als bedoeld in,en. Voor zover de overboeking geen betrekking heeft op loonbelasting, omzetbelasting of sociale verzekeringspremies als aldaar bedoeld, is de depotbegunstigde naar wie is overgeboekt, verplicht de overboeking ongedaan te maken door terugboeking naar het depot waarvan de overboeking afkomstig is. Voor zover de depotbegunstigde naar wie is overgeboekt, zich niet houdt aan deze verplichting, is de ontvanger bevoegd de overboeking ongedaan te maken. 5 artikel 10 Voor zover het tegoed van het depot uitgaat boven hetgeen de depotbegunstigde verschuldigd is aan loonbelasting, omzetbelasting en sociale verzekeringspremies, en hetgeen hij naar verwachting binnenkort aan zodanige schulden zal moeten voldoen, kan hij de ontvanger verzoeken het tegoed aan te wenden voor de voldoening van andere belastingen of heffingen waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen. Indien de depotbegunstigde na aanmaning in gebreke blijft en in de gevallen bedoeld in, is de ontvanger ook zelf bevoegd tot een zodanige aanwending over te gaan. 6 Artikel 24 Bij opheffing van een depot keert de ontvanger het tegoed ervan uit aan de depotbegunstigde.is van overeenkomstige toepassing. 7 artikel 9 van de Wet op de consignatie van gelden die wet Over het tegoed van een depot vergoedt de ontvanger aan de depotbegunstigde een rente als bedoeld in, welke rente wordt bijgeschreven bij het tegoed en wordt berekend volgens de regels van. 8 Het tegoed van een depot is niet vatbaar voor beslag of verpanding en kan niet worden overgedragen. 9 artikel 7a Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel, waaronder regels dat de ontvanger in afwijking vanterug te geven bedragen aan loonbelasting, omzetbelasting en sociale verzekeringspremies kan uitbetalen door bijboeking op het depot van degene die recht heeft op de terugbetaling. 2009 280 01-07-2009 01-07-2009 31301
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 1 Ieder is gehouden desgevraagd aan de ontvanger: a. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de invordering te zijnen aanzien van belang kunnen zijn; b. de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan - zulks ter keuze van de ontvanger - waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de invordering te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen. 2 artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht Ieder die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, is verplicht op vordering van de ontvanger terstond een identiteitsbewijs als bedoeld inter inzage aan te bieden, indien dit van belang kan zijn voor de invordering. 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 2018 507 28-12-2018 19-12-2018 35027 01-01-2019
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 1 artikel 58, eerste lid, onderdeel b De in, bedoelde verplichting geldt onverminderd voor een derde bij wie zich gegevensdragers bevinden van degene die gehouden is deze, of de inhoud daarvan, aan de ontvanger voor raadpleging beschikbaar te stellen. 2 De ontvanger stelt degene wiens gegevensdragers hij bij een derde voor raadpleging vordert, gelijktijdig hiervan in kennis. 2009 612 29-12-2009 23-12-2009 32133 2009 612 29-12-2009 23-12-2009 32133 01-01-2010 01-01-2005
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 1 De gegevens en inlichtingen dienen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden verstrekt, mondeling, schriftelijk of op andere wijze - zulks ter keuze van de ontvanger - en binnen een door de ontvanger te stellen redelijke termijn. 2 Toegelaten moet worden, dat kopieën, leesbare afdrukken of uittreksels worden gemaakt van de voor raadpleging beschikbaar gestelde gegevensdragers of de inhoud daarvan. 1994 499 29-06-1994 21287 1993 598 08-11-1993 23024 1994 499 29-06-1994 21287 14-07-1994
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 1 artikelen 58 59 60 Voor een weigering om te voldoen aan de in de,enomschreven verplichtingen kan niemand zich met vrucht beroepen op de omstandigheid dat hij uit enigerlei hoofde tot geheimhouding verplicht is, zelfs niet indien deze hem bij een wettelijke bepaling is opgelegd. 2 artikelen 58 60 artikel 63 Voor een weigering om te voldoen aan de in deenomschreven verplichtingen kan niemand zich met vrucht beroepen op de vertrouwelijkheid van zijn contacten met een verschoningsgerechtigde als bedoeld invoor zover het gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan betreft waarover diegene ook zonder die vertrouwelijke contacten beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 62 — Artikel 62#
Artikel 62 1 artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen artikelen 58 59 60 Met betrekking tot administratieplichtigen als bedoeld in, zijn de in de,engeregelde verplichtingen van overeenkomstige toepassing ten behoeve van de invordering van derden. 2 artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op de personen en de lichamen als bedoeld in, voor zover het de in dat artikel bedoelde gegevens en inlichtingen betreft. 3 Artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van toepassing met dien verstande dat voor inspecteur wordt gelezen ontvanger en voor belastingwet wordt gelezen Invorderingswet 1990. 4 Artikel 49a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van toepassing. 2009 108 12-03-2009 05-02-2009 30907 2009 135 24-03-2009 10-03-2009 25-03-2009
Artikel 62bis — Artikel 62bis#
Artikel 62bis 1 Wet op het financieel toezicht artikel 7a Financiële ondernemingen die ingevolge dein Nederland het bedrijf van bank mogen uitoefenen zijn gehouden aan de ontvanger kosteloos de volgende gegevens inzake bankrekeningen te verstrekken: het bankrekeningnummer en de naam, het adres en de geboortedatum van de houder van de bankrekening, voor zover die gegevens van belang zijn voor de uitbetaling van inkomstenbelasting, bedoeld in. 2 Financiële ondernemingen als bedoeld in het eerste lid zijn gehouden aan de ontvanger kosteloos de volgende gegevens inzake houders van bankrekeningen te verstrekken, voor zover die gegevens van belang zijn voor het afboeken van een door de ontvanger ontvangen betaling op een in te vorderen bedrag: a. met betrekking tot een natuurlijk persoon: de naam, het adres en de geboortedatum; b. Handelsregisterwet 2007 in andere gevallen en voor zover beschikbaar: de naam, het adres en een uniek nummer als bedoeld in deof hiermee vergelijkbaar identificatienummer. 3 De gegevens worden verstrekt binnen een door de ontvanger te stellen termijn. 4 Voor de toepassing van het eerste lid kan de ontvanger bepalen dat bij het verstrekken van de gegevens tevens het burgerservicenummer van degene op wie de gegevens betrekking hebben dient te worden vermeld. 5 Bij het verwerken van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, maken de financiële ondernemingen, bedoeld in het eerste lid, in hun eigen administratie gebruik van het burgerservicenummer. 2019 512 27-12-2019 18-12-2019 35303 2019 512 27-12-2019 18-12-2019 35303 01-01-2020
Artikel 62a — Artikel 62a#
Artikel 62a 1 artikelen 58, eerste lid 59, eerste lid 62, eerste lid Ingeval een persoon als bedoeld in de,en, een door de ontvanger op een van die leden gebaseerde verplichting is nagekomen maar van oordeel is dat de verplichting onrechtmatig is opgelegd, kan hij verzoeken om vergoeding van kosten die rechtstreeks verband houden met deze nakoming. De ontvanger beslist op dat verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking en kent een redelijke kostenvergoeding toe in geval van een onrechtmatig opgelegde verplichting. 2 hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Op het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie inzake de in het eerste lid bedoelde beschikking isvan overeenkomstige toepassing. 2011 265 03-06-2011 27-05-2011 30645 2011 301 23-06-2011 14-06-2011 01-07-2011
Artikel 63 — Artikel 63#
Artikel 63 Voor een weigering om te voldoen aan de verplichtingen ten behoeve van de invordering van derden kunnen alleen bekleders van een geestelijk ambt, notarissen, advocaten, artsen en apothekers zich beroepen op de omstandigheid, dat zij uit hoofde van hun stand, ambt of beroep tot geheimhouding verplicht zijn, voor zover het betreft hetgeen aan hen in die hoedanigheid is toevertrouwd of door hen in die hoedanigheid is meegedeeld. 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 2023 498 27-12-2023 20-12-2023 36342 01-01-2024
Artikel 63a — Artikel 63a#
Artikel 63a De verplichtingen welke volgens dit hoofdstuk bestaan jegens de ontvanger, gelden mede jegens iedere door Onze Minister aangewezen andere ambtenaar van de rijksbelastingdienst. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 63aa — Artikel 63aa#
Artikel 63aa 1 artikel 1 van de Wet terugvordering staatssteun Indien een Commissiebesluit als bedoeld inverplicht tot terugvordering van staatssteun en die staatssteun voortvloeit uit de toepassing van deze wet, wordt die staatssteun voor de toepassing van deze wet aangemerkt als in te vorderen belasting. 2 Bij invordering op grond van het eerste lid: a. zijn de ingevolge andere bepalingen van deze wet ter zake geldende verjaringstermijnen en voorwaarden niet van toepassing; en b. artikel 20b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 4 van de Wet terugvordering staatssteun zijnenvan overeenkomstige toepassing. 2020 472 25-11-2020 11-11-2020 35437 2020 472 25-11-2020 11-11-2020 35437 01-01-2021
Artikel 63ab — Artikel 63ab#
Artikel 63ab 1 artikel 20a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 63aa Ten aanzien van de invordering van teruggevorderde staatssteun als bedoeld inen van staatssteun die ingevolgeis aangemerkt als in te vorderen belasting, zijn niet van toepassing: a. artikelen 25 26 27 de,en; b. afdelingen 4.4.2 4.4.3 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 4:97 van die wet deen, met uitzondering van. 2 Geen invorderingsrente wordt in rekening gebracht: a. artikel 20a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen voor zover de belastingaanslag is opgelegd vanwege de terugvordering van staatssteun, bedoeld in; b. artikel 63aa ter zake van staatssteun die ingevolgeis aangemerkt als in te vorderen belasting. 2018 75 16-03-2018 21-02-2018 34753 2017 518 28-12-2017 20-12-2017 34786 2018 99 12-04-2018 26-03-2018 01-07-2018
Artikel 63b — Artikel 63b#
Artikel 63b 1 Indien de belastingschuldige de belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven niet, gedeeltelijk niet dan wel niet binnen de op het aanslagbiljet vermelde termijn of termijnen heeft betaald, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de ontvanger hem bij voor bezwaar vatbare beschikking een bestuurlijke boete van ten hoogste € 6.709 kan opleggen. 2 artikel 60, tweede lid Degene die niet voldoet aan de verplichting hem opgelegd bij, begaat een verzuim ter zake waarvan de ontvanger hem bij voor bezwaar vatbare beschikking een bestuurlijke boete van ten hoogste € 6.709 kan opleggen. 3 artikelen 67g, tweede lid 67pa, eerste lid 67pb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Het opleggen van de boete, bedoeld in het eerste en tweede lid, geschiedt met overeenkomstige toepassing van de,, en. 4 hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Op het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie inzake de in het eerste en tweede lid bedoelde beschikking isvan overeenkomstige toepassing. 5 Een door de ontvanger opgelegde bestuurlijke boete is invorderbaar zes weken na de dagtekening van de beschikking waarbij deze is opgelegd, met overeenkomstige toepassing van de regels die gelden voor de invordering van de belastingaanslag in verband waarmee deze is opgelegd. 2024 38492 24-12-2024 20-12-2024 2024-0000553969 2024 38492 24-12-2024 20-12-2024 2024-0000553969 01-01-2025
Artikel 63c — Artikel 63c#
Artikel 63c 1 artikel 63b, eerste en tweede lid artikelen 10.1 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Het in, genoemde bedrag wordt elke vijf jaar, met ingang van 1 januari van een jaar, bij ministeriële regeling gewijzigd. Deze wijziging vindt voor het eerst plaats per 1 januari 2015. Deenzijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat als tabelcorrectiefactor wordt genomen het product van de factoren van de laatste vijf kalenderjaren. 2 De gewijzigde bedragen vinden voor het eerst toepassing met betrekking tot verzuimen die zijn begaan na het begin van het kalenderjaar bij de aanvang waarvan de bedragen zijn gewijzigd. 2009 609 29-12-2009 23-12-2009 32128 2009 609 29-12-2009 23-12-2009 32128 01-01-2010 Vindt voor het eerst
toepassing met betrekking tot verzuimen die zijn begaan op of na
1 januari 2011.
Artikel 64 — Artikel 64#
Artikel 64 1 Degene die ingevolge deze wet verplicht is tot: wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie. a. het verstrekken van inlichtingen of gegevens, en deze niet, onjuist of onvolledig verstrekt; b. het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, en deze niet voor dit doel beschikbaar stelt; c. het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, en deze in valse of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar stelt; 2 artikel 58, tweede lid Degene die niet voldoet aan de hem bij, opgelegde verplichting, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie. 2009 609 29-12-2009 23-12-2009 32128 2009 609 29-12-2009 23-12-2009 32128 01-01-2010
Artikel 65 — Artikel 65#
Artikel 65 1 artikel 64, eerste lid, onderdeel a of b Degene die opzettelijk een der feiten begaat, omschreven in, wordt, indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt ingevorderd, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig ingevorderde belasting. 2 artikel 64, eerste lid, onderdeel c Degene die opzettelijk het feit begaat, omschreven in, wordt, indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt ingevorderd, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig ingevorderde belasting. 3 artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht Indien het feit, ter zake waarvan de verdachte kan worden vervolgd, zowel valt onder een van de strafbepalingen van het eerste of het tweede lid, als onder die van, is strafvervolging op grond van genoemd artikel 225, tweede lid, uitgesloten. 4 Indien de schuldige een van de strafbare feiten, omschreven in het eerste en tweede lid, in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet. 2017 518 28-12-2017 20-12-2017 34786 2017 518 28-12-2017 20-12-2017 34786 01-01-2018 Artikel XXIX van Stb. 2017/518 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 65a — Artikel 65a#
Artikel 65a De in deze wet strafbaar gestelde feiten waarop gevangenisstraf is gesteld, zijn misdrijven. De overige bij deze wet strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. 1997 738 29-12-1997 18-12-1997 23470 1997 739 29-12-1997 18-12-1997 01-01-1998
Artikel 66 — Artikel 66#
Artikel 66 Hoofdstuk IX, afdeling 2 artikel 72 artikel 64 afdeling 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen - met uitzondering van- enis van toepassing met betrekking tot de instrafbaar gestelde feiten, met dien verstande dat voor belastingwet wordt gelezen Invorderingswet 1990. 1990 221 30-05-1990 20588 1990 222 31-05-1990 30-05-1990 21135 01-06-1990
Artikel 67 — Artikel 67#
Artikel 67 1 Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van deze wet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet of voor de heffing van enige rijksbelasting (geheimhoudingsplicht). 2 De geheimhoudingsplicht geldt niet indien: a. enig wettelijk voorschrift tot de bekendmaking verplicht; b. bij regeling van Onze Minister is bepaald dat bekendmaking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak van een bestuursorgaan; c. bekendmaking plaatsvindt aan degene op wie de gegevens betrekking hebben voorzover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt. 3 In andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid kan Onze Minister ontheffing verlenen van de geheimhoudingsplicht. 2007 376 16-10-2007 27-09-2007 30322 2007 376 16-10-2007 27-09-2007 30322 01-01-2008 2007 563 27-12-2007 20-12-2007 31206
Artikel 67a — Artikel 67a#
Artikel 67a 1 Ter bevordering van een doelmatige invordering van de uit een belastingwet voortvloeiende schuld of van een op grond van deze wet of een belastingwet op te leggen bestuurlijke boete kan de ontvanger afwijken van het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde, indien: a. de belastingschuldige instemt met deze wijze van invorderen, en b. de invordering niet leidt tot voldoening van een lagere schuld dan de schuld die voortvloeit uit de belastingwet of tot voldoening van een lagere bestuurlijke boete dan de op grond van deze wet of de belastingwet opgelegde bestuurlijke boete. 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel. 3 artikel 2, eerste lid, onderdeel k artikel 64 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen In afwijking van, wordt voor de toepassing van dit artikel mede verstaan onder belastingschuldige: degene die zonder toepassing vaneen belastingschuldige als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel k, zou zijn. 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 2015 540 30-12-2015 23-12-2015 34305 01-01-2016
Artikel 68 — Artikel 68#
Artikel 68 artikel 43 van de Successiewet 1956 De verzending en de betekening van de stukken betreffende de invordering van de schenk- en erfbelasting kan plaatsvinden aan de ingevolgegekozen woonplaats dan wel aan de werkelijke woonplaats of plaats van vestiging. 2009 564 23-12-2009 17-12-2009 31930 2009 564 23-12-2009 17-12-2009 31930 01-01-2010
Artikel 69 — Artikel 69#
Artikel 69 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van deze wet. 1990 221 30-05-1990 20588 1990 222 31-05-1990 30-05-1990 21135 01-06-1990
Artikel 70 — Artikel 70#
Artikel 70 Onze Minister is bevoegd voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, indien deze zich bij de toepassing van deze wet mochten voordoen. 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 01-01-2024
Artikel 70a — Artikel 70a#
Artikel 70a artikelen 22, derde lid 36, eerste en tweede lid artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag Bij toepassing van de, en, blijftvan toepassing, zoals dat artikel luidde: a. op 31 december 2011, voor belastingaanslagen grondwaterbelasting; en b. op 31 december 2012, voor belastingaanslagen verpakkingenbelasting. 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 01-01-2015 01-04-2014
Artikel 70aa — Artikel 70aa#
Artikel 70aa Artikel 43 artikel 80, onderdeel g, van de Wet belastingen op milieugrondslag is van overeenkomstige toepassing op de verpakkingenbelasting die is verschuldigd door een concern als bedoeld in, zoals dat artikel luidde op 31 december 2012. 2013 413 25-10-2013 16-10-2013 33637 2013 413 25-10-2013 16-10-2013 33637 01-01-2014 01-01-2013
Artikel 70b — Artikel 70b#
Artikel 70b 1 artikel 25, zesde lid artikel 3.116, vierde lid artikel 3.116a, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 10bis.4, vierde lid artikel 10bis.5, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot op de voet van, zoals dat luidde op 31 december 2012, verleend uitstel van betaling alsmede met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting die is verschuldigd door de toepassing van, of, zoals die artikelen luidden op 31 december 2012, onderscheidenlijk door de toepassing van, of. De in de eerste volzin bedoelde regels kunnen mede betrekking hebben op het stellen van voldoende zekerheid. Het uitstel wordt beëindigd: a. artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 indien zich een omstandigheid voordoet waardoor de woning ophoudt een eigen woning te zijn in de zin van; b. artikel 3.116, eerste lid artikel 3.116a, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 10bis.4, eerste lid artikel 10bis.5, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 indien de belastingschuldige een voordeel geniet als bedoeld in, of, zoals die artikelen luidden op 31 december 2012, onderscheidenlijk als bedoeld in, of; c. artikel 3.116, derde lid artikel 3.116a, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 10bis.4, derde lid artikel 10bis.5, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 indien zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in, of, zoals die artikelen luidden op 31 december 2012, onderscheidenlijk als bedoeld in, of. 2 artikel 24, zesde lid artikel 25, tweeëntwintigste lid, eerste volzin artikel 28, derde en vierde lid Met betrekking tot een verleend uitstel van betaling als bedoeld in het eerste lid zijn,, en, van overeenkomstige toepassing. 2025 445 23-12-2025 17-12-2025 36813 2025 445 23-12-2025 17-12-2025 36813 01-01-2026 01-01-2023
Artikel 70ba — Artikel 70ba#
Artikel 70ba artikel 70b Indien de ontvanger het verleende uitstel van betaling, bedoeld in, beëindigt, kan volgens bij ministeriële regeling te stellen regels kwijtschelding worden verleend voor zover de belasting waarvoor uitstel van betaling is verleend, hoger is dan de belasting die zou zijn geheven indien de belastingschuldige op het moment van de omstandigheid op grond waarvan het uitstel van betaling wordt beëindigd, in Nederland zou hebben gewoond. 2013 413 25-10-2013 16-10-2013 33637 2013 413 25-10-2013 16-10-2013 33637 01-01-2014 01-01-2013
Artikel 70c — Artikel 70c#
Artikel 70c 1 artikel 10bis.4, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 10bis.5, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Indien ingevolgeeen kapitaalverzekering eigen woning wordt geacht tot uitkering te zijn gekomen, is de verzekeraar van die uitkering tot ten hoogste de waarde in het economische verkeer daarvan aansprakelijk voor de belasting die ter zake door de gerechtigde is verschuldigd. Indien ingevolgeeen spaarrekening eigen woning of een beleggingsrecht eigen woning geacht wordt te zijn gedeblokkeerd, is de bank waarbij die rekening wordt aangehouden, onderscheidenlijk de beheerder waarbij dat recht wordt aangehouden, aansprakelijk voor de belasting die ter zake door de rekeninghouder, onderscheidenlijk eigenaar, is verschuldigd. 2 artikel 10bis.4, vierde lid artikel 10bis.5, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Het bedrag van de verschuldigde belasting wordt gesteld op het evenredig gedeelte van de belasting die meer is verschuldigd ter zake van alle kapitaalverzekeringen eigen woning, alle spaarrekeningen eigen woning en alle beleggingsrechten eigen woning die in het jaar ingevolge, onderscheidenlijkworden geacht tot uitkering te zijn gekomen, onderscheidenlijk worden geacht te zijn gedeblokkeerd. 3 Artikel 2.16, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing. 4 Zo spoedig mogelijk nadat de aansprakelijkheid ingevolge het eerste lid is ontstaan, wordt aan de verzekeraar, de bank, onderscheidenlijk de beheerder van de beleggingsinstelling, schriftelijk mededeling gedaan van het bedrag waarvoor deze aansprakelijk is. 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 2012 670 27-12-2012 20-12-2012 33405 01-01-2013
Artikel 70ca — Artikel 70ca#
Artikel 70ca artikel 25, vijfde lid artikel 38n van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 38p van die wet Indien de ontvanger het verleende uitstel van betaling, bedoeld in, beëindigt omdat een aanspraak ingevolge een pensioenregeling als bedoeld iningevolge artikel 38n, tweede lid, van die wet, zoals dat artikel luidde op 31 december 2019 gedeeltelijk wordt prijsgegeven en voor het overige wordt afgekocht of omdat een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting als bedoeld inwordt afgekocht, wordt volgens bij ministeriële regeling te stellen regels kwijtschelding verleend voor zover de belasting en de revisierente waarvoor uitstel van betaling is verleend hoger is dan de belasting en de revisierente die zou zijn geheven, onderscheidenlijk in rekening gebracht, indien de belastingschuldige op het moment van die handeling in Nederland zou hebben gewoond. 2017 115 27-03-2017 08-03-2017 34555 2017 115 27-03-2017 08-03-2017 34555 01-01-2020
Artikel 70cb — Artikel 70cb#
Artikel 70cb Vervallen 2017 115 27-03-2017 08-03-2017 34555 2017 115 27-03-2017 08-03-2017 34555 01-01-2020
Artikel 70cc — Artikel 70cc#
Artikel 70cc artikel 23a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikelen 36a 48, tweede lid 55, eerste lid Met betrekking tot de vennootschapsbelasting die een lichaam is verschuldigd ingevolge, zoals dat artikel luidde op 31 december 2016, blijven de,, en, zoals die bepalingen luidden op 31 december 2016, van toepassing. 2017 115 27-03-2017 08-03-2017 34555 2017 115 27-03-2017 08-03-2017 34555 01-04-2017 2017 116 27-03-2017 08-03-2017 34662
Artikel 70d — Artikel 70d#
Artikel 70d artikel 3.116, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.116a, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 44c Op een kapitaalverzekering eigen woning die voor 1 januari 2013 ingevolge, zoals dat luidde op 31 december 2012, wordt geacht tot uitkering te zijn gekomen of op een spaarrekening eigen woning of een beleggingsrecht eigen woning die voor 1 januari 2013 ingevolge, zoals dat luidde op 31 december 2012, wordt geacht te zijn gedeblokkeerd, blijft, zoals dat luidde op 31 december 2012, van toepassing. 2013 413 25-10-2013 16-10-2013 33637 2013 413 25-10-2013 16-10-2013 33637 01-01-2014 01-01-2013
Artikel 70e — Artikel 70e#
Artikel 70e artikelen 11, eerste lid, onderdeel g 37 van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 11a van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 39f, eerste en tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 artikelen 36a, tweede lid, onderdeel b 44b, eerste en tweede lid Met betrekking tot op 31 december 2013 bestaande aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de, en, zoals die op 31 december 2013 luidden, alsmede met betrekking tot op 31 december 2013 bestaande stamrechtspaarrekeningen en stamrechtbeleggingsrechten als bedoeld in, zoals dat op 31 december 2013 luidde, blijven de, en, zoals die op 31 december 2013 luidden, met overeenkomstige toepassing van, van toepassing. 2013 565 23-12-2013 18-12-2013 33752 2013 565 23-12-2013 18-12-2013 33752 01-01-2014
Artikel 70ea — Artikel 70ea#
Artikel 70ea 1 Artikel 25, achtste lid artikel 26, tweede lid , en, zoals die op 14 september 2015 luidden, blijven van toepassing op belastingaanslagen die zijn opgelegd naar aanleiding van belastbare feiten die zich hebben voorgedaan voor 15 september 2015, 15.15 uur. 2 Artikel 25c is niet van toepassing op belastingaanslagen als bedoeld in het eerste lid. 2022 531 27-12-2022 21-12-2022 35496 2022 531 27-12-2022 21-12-2022 35496 01-01-2023
Artikel 70f — Artikel 70f#
Artikel 70f artikel 28c artikel XXXIV van het Belastingplan 2012 Bij toepassing vanwordt de invorderingsrente, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, mede niet berekend over dagen waarover heffingsrente of invorderingsrente als bedoeld inwordt vergoed. 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 2014 578 29-12-2014 17-12-2014 34002 01-01-2015
Artikel 70g — Artikel 70g#
Artikel 70g 1 artikel IV, eerste lid, van de Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling artikel V, eerste en tweede lid, van die wet De ontvanger verleent de belastingschuldige op diens schriftelijk verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking uitstel van betaling voor de duur van ten hoogste tien jaren, mits voldoende zekerheid is gesteld, voor belastingaanslagen voor zover daarin is begrepen vennootschapsbelasting ter zake van een overdracht van vermogensbestanddelen door een fonds voor gemene rekening op grond van. Het uitstel wordt slechts verleend indien de belastingschuldige aannemelijk maakt dat hij niet in aanmerking komt voor de toepassing van. 2 artikel IV, eerste lid, van de Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling Het uitstel wordt verleend voor het bedrag aan belasting dat kan worden toegerekend aan het voordeel ter zake van de overdracht van de vermogensbestanddelen op grond van. 3 Het uitstel houdt in dat de verschuldigde belasting kan worden voldaan in tien gelijke jaarlijkse termijnen, waarvan de eerste termijn zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet vervalt en elk van de volgende termijnen telkens een jaar later. 4 Het uitstel wordt beëindigd in geval van faillissement van de belastingschuldige. Ingeval deze omstandigheid zich voordoet, stelt de belastingschuldige de ontvanger daarvan onverwijld in kennis. 5 artikel 24, zesde lid, artikel 25, tweeëntwintigste lid, vijfde zin artikel 28, derde en vierde lid Met betrekking tot een verleend uitstel van betaling als bedoeld in het eerste lid zijn, en, van overeenkomstige toepassing. 6 hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Op het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie inzake de beschikking, bedoeld in het eerste lid, isvan overeenkomstige toepassing. 2025 445 23-12-2025 17-12-2025 36813 2025 445 23-12-2025 17-12-2025 36813 01-01-2026 01-01-2025
Artikel 70h — Artikel 70h#
Artikel 70h 1 artikel IX, eerste lid, van de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen artikel X, eerste en tweede lid, van die wet De ontvanger verleent de belastingschuldige op diens schriftelijk verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking uitstel van betaling voor de duur van ten hoogste tien jaren, mits voldoende zekerheid is gesteld, voor belastingaanslagen voor zover daarin is begrepen vennootschapsbelasting ter zake van een overdracht van vermogensbestanddelen door een open commanditaire vennootschap, op grond van. Het uitstel wordt slechts verleend indien de belastingschuldige aannemelijk maakt dat hij niet in aanmerking komt voor de toepassing van. 2 artikel IX, eerste lid, van de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen Het uitstel wordt verleend voor het bedrag aan belasting dat kan worden toegerekend aan het voordeel ter zake van de overdracht van de vermogensbestanddelen op grond van. 3 Het uitstel houdt in dat de verschuldigde belasting kan worden voldaan in tien gelijke jaarlijkse termijnen, waarvan de eerste termijn zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet vervalt en elk van de volgende termijnen telkens een jaar later. 4 Het uitstel wordt beëindigd in geval van faillissement van de belastingschuldige. Ingeval deze omstandigheid zich voordoet, stelt de belastingschuldige de ontvanger daarvan onverwijld in kennis. 5 artikel 24, zesde lid artikel 25, tweeëntwintigste lid, vijfde zin artikel 28, derde en vierde lid Met betrekking tot een verleend uitstel van betaling als bedoeld in het eerste lid zijn,, en, van overeenkomstige toepassing. 6 hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Op het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie inzake de beschikking, bedoeld in het eerste lid, isvan overeenkomstige toepassing. 2025 445 23-12-2025 17-12-2025 36813 2025 445 23-12-2025 17-12-2025 36813 01-01-2026 01-01-2025
Artikel 71 — Artikel 71#
Artikel 71 De inwerkingtreding van deze wet wordt nader bij de wet geregeld. 1990 221 30-05-1990 20588 1990 222 31-05-1990 30-05-1990 21135 01-06-1990
Artikel 72 — Artikel 72#
Artikel 72 Invorderingswet 1990 Deze wet kan worden aangehaald als. 1990 221 30-05-1990 20588 1990 222 31-05-1990 30-05-1990 21135 01-06-1990