Wet van 1 oktober 1992, houdende regelen met betrekking tot woonruimte
- BWB-id
- BWBR0005674
- Type
- Wet
- Ministerie
- Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Geldigheid
- 2014-04-15 t/m 2014-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0005674
- ELI
- /eli/nl/wet/1993/huisvestingswet
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1993/huisvestingswet/2014-04-15
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0005674&g=2014-04-15
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0005674&z=2026-06-06&g=2014-04-15
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0005674/2014-04-15
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1993/huisvestingswet
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; b. woonruimte: besloten ruimte die, al dan niet te zamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden; c. woonschip: schip dat uitsluitend of in hoofdzaak gebezigd wordt of bestemd is voor bewoning; d. ligplaats: plaats in het water, bestemd of aangewezen om door een woonschip bij verblijf te worden ingenomen; e. standplaats: een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten; f. woonwagen: voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst; g. artikel 2 huisvestingsverordening: de verordening, bedoeld in; h. artikel 7, eerste lid huisvestingsvergunning: een vergunning als bedoeld in; i. leegstaan; het niet of niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht in gebruik zijn, alsmede een gebruik dat de kennelijke strekking heeft afbreuk te doen aan de werking van deze wet; j. huurprijs: de prijs die bij huur en verhuur is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woonruimte, uitgedrukt in een bedrag per maand, dan wel, indien het betreft een standplaats voor een woonwagen of een ligplaats van een woonschip, het bedrag dat is verschuldigd voor het innemen van die standplaats, onderscheidenlijk ligplaats, uitgedrukt in een bedrag per maand; k. koopprijs: de prijs die voor de enkele koop van een woonruimte daadwerkelijk is of zal worden betaald; l. economische binding aan een gebied: de binding van een persoon aan een gebied, daarin gelegen dat die persoon, met het oog op de voorziening in het bestaan, een redelijk belang heeft zich in dat gebied te vestigen, met dien verstande dat een economische binding in elk geval wordt aangenomen ten aanzien van personen die voor de voorziening in het bestaan zijn aangewezen op het duurzaam verrichten van arbeid binnen of vanuit dat gebied; m. maatschappelijke binding aan een gebied: de binding van een persoon aan een gebied, daarin gelegen dat die persoon een redelijk, met de plaatselijke samenleving verband houdend belang heeft zich in dat gebied te vestigen, met dien verstande dat een maatschappelijke binding in elk geval wordt aangenomen ten aanzien van personen die ten minste zes jaar onafgebroken ingezetene zijn, dan wel gedurende de voorafgaande tien jaar ten minste zes jaar onafgebroken ingezetene zijn geweest van dat gebied; n. regio: een gebied dat uit een oogpunt van het functioneren van de woonruimtemarkt als een samenhangend geheel kan worden beschouwd. 2 artikel 106 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek Voor zover niet anders is bepaald, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder eigenaar van een woonruimte of een gebouw verstaan: degene die bevoegd is tot het in gebruik geven van die woonruimte of dat gebouw. Onder "eigenaar in de zin van het Burgerlijk Wetboek" wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen mede verstaan: de erfpachter, vruchtgebruiker, gerechtigde tot een appartementsrecht als bedoeld in, of degene aan wie door een rechtspersoon het gebruiksrecht van een woonruimte is verleend. 3 In deze wet en de daarop berustende bepalingen worden onder woonruimte mede begrepen: a. een standplaats, b. een ligplaats. 4 onderafdeling 2 van afdeling 5 van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek onderafdeling 2 van afdeling 5 van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek Indien de huurprijs hoger is dan de maximale huurprijsgrens voor de desbetreffende woonruimte, vastgesteld overeenkomstig het bij of krachtens dedaaromtrent bepaalde, dan wel indien een woonruimte niet verhuurd is en evenmin te huur wordt aangeboden, geldt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen als huurprijs: de maximale huurprijsgrens, ongeacht ofop de betrokken overeenkomst van huur en verhuur wel of niet van toepassing is. 5 Indien voor een woonruimte die niet verhuurd is en evenmin te huur wordt aangeboden, niet een maximale huurprijsgrens kan worden bepaald als bedoeld in het vierde lid, geldt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen als huurprijs: de huurprijs die bij huur en verhuur als woonruimte redelijkerwijs zou kunnen worden overeengekomen, gelet op de huurprijs die in het economisch verkeer voor vergelijkbare woonruimten wordt overeengekomen. 2012 233 05-06-2012 24-05-2012 32389 2012 276 27-06-2012 13-06-2012 01-10-2012
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 hoofdstuk II hoofdstuk III Indien het naar het oordeel van de gemeenteraad noodzakelijk is regelen te stellen met betrekking tot het in gebruik nemen of geven van woonruimte als bedoeld in, of met betrekking tot wijzigingen van de woonruimtevoorraad als bedoeld in, stelt de gemeenteraad een huisvestingsverordening vast. 2 Ten behoeve van de toepassing van het eerste lid gaat de gemeenteraad in elk geval na hoe met regelen als in dat lid bedoeld, kan worden bewerkstelligd dat bij het in gebruik geven van woonruimten met een verhoudingsgewijs lage prijs zoveel mogelijk voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden die, gelet op hun inkomen, in het bijzonder op die woonruimten zijn aangewezen. Tevens gaat de gemeenteraad na op welke wijze kan worden bewerkstelligd dat bij het in gebruik nemen of geven van een standplaats voorrang wordt verleend aan woningzoekenden, die in een woonwagen wonen of hebben gewoond. 3 artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen In afwijking van het eerste en tweede lid treedt het algemeen bestuur van een plusregio als bedoeld invoor de toepassing van die leden in de plaats van de gemeenteraad. 2005 666 22-12-2005 24-11-2005 29532 2005 667 22-12-2005 09-12-2005 01-01-2006
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 artikel 70, eerste lid artikel 70j, eerste lid, van de Woningwet Stb. Bij de voorbereiding van een besluit tot vaststelling of wijziging van een huisvestingsverordening plegen burgemeester en wethouders overleg met de in de gemeente werkzame, ingevolge, of(1991, 439) toegelaten instellingen en met andere daarvoor naar hun oordeel in aanmerking komende organisaties die binnen de gemeente op het gebied van de woonruimteverdeling werkzaam zijn. 2 artikel 1, eerste lid, van de Woningwet Burgemeester en wethouders zenden een besluit tot vaststelling of wijziging van een huisvestingsverordening toe aan gedeputeerde staten. Zij zenden een afschrift van een zodanig besluit toe aan de inspecteur, bedoeld in. 3 artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen In afwijking van het eerste en tweede lid treedt het dagelijks bestuur van een plusregio als bedoeld invoor de toepassing van die leden in de plaats van burgemeester en wethouders. 2005 666 22-12-2005 24-11-2005 29532 2005 667 22-12-2005 09-12-2005 01-01-2006 De wijzigingsopdracht is niet geheel juist.
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 artikel 2, tweede lid Indien een gemeente met een eigenaar van een of meer woonruimten een overeenkomst sluit over het in gebruik geven daarvan, is, van overeenkomstige toepassing op de in zodanige overeenkomst op te nemen bepalingen. 2 Indien een gemeente een of meer overeenkomsten sluit, als bedoeld in het eerste lid, draagt zij er zorg voor, dat een belanghebbende bij een besluit ter uitvoering van zodanige overeenkomst, daarover zijn beklag kan doen bij een daartoe door burgemeester en wethouders ingestelde commissie, die haar taak onafhankelijk van de gemeente en van de betrokken eigenaar of eigenaren van woonruimte verricht. Een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid, dient een bepaling te bevatten, er toe strekkende dat de uitspraken van de in de eerste volzin bedoelde commissie, voor zover zij betrekking hebben op de uitvoering van die overeenkomst, partijen bij de overeenkomst tot bindend advies strekken. 3 artikel 68 artikel 13 artikelen 13a tot en met 13c Bij de uitvoering van een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid worden de ingevolgeter zake van de woonruimteverdeling gegeven aanwijzingen in acht genomen. Op de criteria die worden toegepast bij het in gebruik geven van woonruimten waarop de overeenkomst betrekking heeft, zijn de krachtensen in degestelde regels van overeenkomstige toepassing. 2012 233 05-06-2012 24-05-2012 32389 2012 276 27-06-2012 13-06-2012 01-10-2012
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 bijlage artikel 2, vierde lid De gemeenteraad kan, voor zover dat in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, in de huisvestingsverordening woonruimte aanwijzen die niet voor bewoning in gebruik mag worden genomen of gegeven, indien voor het in gebruik nemen daarvan geen huisvestingsvergunning is verleend. In afwijking van de eerste volzin is tot 1 januari 2003 in de in degenoemde betrokken gemeenten, alsmede in de krachtens, aangewezen gemeenten, voor het in gebruik nemen of geven van een woonwagen op een standplaats een huisvestingsvergunning voor een standplaats vereist. 1998 459 28-07-1998 01-07-1998 25333 1998 656 27-11-1998 23-11-1998 01-03-1999
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 artikel 5 Een aanwijzing als bedoeld in, kan niet betreffen: a. woonruimten, bestemd voor inwoning; b. woonwagens; c. woonschepen. 2 Behoudens het bepaalde in het vierde lid, kan, indien de koopprijs onderscheidenlijk de huurprijs daarvan de ter zake in het derde lid gestelde grens te boven gaat, een aanwijzing evenmin betreffen: a. woonruimten die in gebruik zullen worden genomen door de eigenaar ervan in de zin van het Burgerlijk Wetboek, en die hetzij niet eerder bewoond zijn geweest, hetzij sedert de eerste ingebruikname, dan wel gedurende ten minste de zes maanden waarin zij laatstelijk bewoond zijn geweest, bewoond werden door de eigenaar ervan in de zin van het Burgerlijk Wetboek, en b. a andere woonruimten dan bedoeld onder. 3 De grenzen bedoeld in het tweede lid, bedragen: a. a voor de aanwijzing van woonruimten als bedoeld in dat lid, onder: het in de betrokken gemeente geldende hoogste bedrag voor de koopsom van een woonruimte, voor het verkrijgen in eigendom waarvan aan degene die zodanige woonruimte als eigenaar zal bewonen, afhankelijk van de hoogte van diens inkomen, krachtens wettelijk voorschrift van overheidswege subsidie kan worden verstrekt; b. b Stb. artikel 13, eerste lid, onder a, van de Huursubsidiewet Wet op de huurtoeslag voor de aanwijzing van woonruimten als bedoeld in dat lid, onder: een twaalfde deel van het bedrag, op het tijdstip van de aanwijzing genoemd in artikel 16 van de Wet individuele huursubsidie (1990, 394), dan wel het bedrag op het tijdstip van de aanwijzing genoemd indan wel de. 4 In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, kunnen woonruimten als daar bedoeld worden aangewezen, voor zover zodanige aanwijzing in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is in verband met uit bovengemeentelijk ruimtelijk beleid voortvloeiende geringe mogelijkheden tot uitbreiding van de woonruimtevoorraad in de betrokken gemeente of in een of meer kernen, behorend tot die gemeente. 2012 233 05-06-2012 24-05-2012 32389 2012 276 27-06-2012 13-06-2012 01-10-2012
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 artikel 5 Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een woonruimte, aangewezen overeenkomstig, in gebruik te nemen voor bewoning. 2 artikel 5 Het is verboden een woonruimte, aangewezen overeenkomstig, voor bewoning in gebruik te geven aan een persoon die niet beschikt over een huisvestingsvergunning. 3 Voor de toepassing van het eerste en tweede lid, wordt het in gebruik nemen of geven van een woonwagen die op een standplaats staat, of van een woonschip dat op een ligplaats ligt, aangemerkt als het in gebruik nemen of geven van die standplaats onderscheidenlijk ligplaats. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 De gemeenteraad kan, voor zover dat in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, in de huisvestingsverordening bepalen dat de leegstand van woonruimten in daarbij aangegeven gevallen door de eigenaar aan burgemeester en wethouders dient te worden gemeld, zodra die leegstand langer duurt dan een daarbij aangegeven termijn van ten minste twee maanden. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 artikel 5 De gemeenteraad wijst in de huisvestingsverordening de categorieën van woningzoekenden aan die met het oog op een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van de woonruimte, aangewezen overeenkomstig, voor het verkrijgen van een huisvestingsvergunning in aanmerking komen. 2 Een huisvestingsvergunning wordt uitsluitend verleend aan personen die: a. de Nederlandse nationaliteit bezitten of op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander worden behandeld, of b. artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 vreemdeling zijn en rechtmatig verblijf houden als bedoeld in. 2000 496 07-12-2000 23-11-2000 26975 2001 144 29-03-2001 20-03-2001 01-04-2001 Treedt in werking als de Vreemdelingenwet 2000 in werking treedt.
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 artikel 5 artikel 9 De gemeenteraad kan in de huisvestingsverordening voorts bepalen dat een of meer daarbij aan te wijzen categorieën van woonruimte, aangewezen overeenkomstig, met het oog op een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte, in verband met de aard, grootte of prijs van die woonruimte, slechts passend is voor een daarbij aangewezen gedeelte van de ingevolgeaangewezen categorieën van woningzoekenden. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 artikel 5 De gemeenteraad kan, voor zover dat in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, in de huisvestingsverordening tevens bepalen dat voor daarbij aan te wijzen categorieën van woonruimte, aangewezen overeenkomstig, bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden waarvoor de voorziening in de behoefte aan woonruimte dringend noodzakelijk is. 2 artikel 9 Bij toepassing van het eerste lid stelt de gemeenteraad in de huisvestingsverordening tevens criteria vast volgens welke de woningzoekenden, bedoeld in, worden ingedeeld in urgentiecategorieën. 3 Tot de criteria, bedoeld in het tweede lid, kan mede behoren dat aan de woonruimte welke de woningzoekende verlaat, met het oog op een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte dringend behoefte bestaat. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 artikel 5 De gemeenteraad kan, voor zover dat in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, in de huisvestingsverordening bovendien bepalen dat voor daarbij aan te wijzen categorieën van woonruimte, aangewezen overeenkomstig, bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang wordt gegeven aan personen die zijn geplaatst op een door burgemeester en wethouders aan de eigenaar van de betrokken woonruimte gedane voordracht. 2 Bij toepassing van het eerste lid stelt de gemeenteraad in de huisvestingsverordening tevens vast welke categorieën woningzoekenden in aanmerking komen om op een voordracht als bedoeld in het eerste lid te worden geplaatst en volgens welke criteria binnen die categorieën van woningzoekenden de rangorde naar urgentie wordt bepaald. 3 Tot de criteria, bedoeld in het tweede lid, kan mede behoren dat aan de woonruimte welke de woningzoekende verlaat, met het oog op een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte dringend behoefte bestaat. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 artikel 9, eerste lid artikelen 10 tot en met 12 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op de bescherming van daarbij aan te geven categorieën van woningzoekenden regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van, en de. 1998 203 14-04-1998 26-03-1998 24233 1998 204 14-04-1998 02-04-1998 01-07-1998
Artikel 13a — Artikel 13a#
Artikel 13a De gemeenteraad kan voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte in de huisvestingsverordening criteria vaststellen voor de verlening van huisvestingsvergunningen, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen woningzoekenden die al of niet een economische of maatschappelijke binding hebben aan een in die verordening aangeduide regio. 2012 233 05-06-2012 24-05-2012 32389 2012 276 27-06-2012 13-06-2012 01-10-2012
Artikel 13b — Artikel 13b#
Artikel 13b De gemeenteraad kan voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte in verband met uit bovengemeentelijk ruimtelijk beleid voortvloeiende geringe mogelijkheden tot uitbreiding van de woonruimtevoorraad in de betrokken gemeente of kern, in de huisvestingsverordening criteria vaststellen voor de verlening van huisvestingsvergunningen, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen woningzoekenden die al of niet een economische of maatschappelijke binding hebben aan de gemeente of aan een tot de gemeente behorende kern. 2012 233 05-06-2012 24-05-2012 32389 2012 276 27-06-2012 13-06-2012 01-10-2012
Artikel 13c — Artikel 13c#
Artikel 13c 1 Behoudens het bepaalde in het tweede lid, wordt geen onderscheid naar economische of maatschappelijke binding gemaakt ten aanzien van woningzoekenden: a. waarvan redelijkerwijs niet of niet meer verwacht kan worden dat zij door het duurzaam verrichten van arbeid in hun bestaan voorzien, zoals gepensioneerden, ernstig invaliden en langdurig werklozen; b. die als remigrant wensen terug te keren naar Nederland of zijn teruggekeerd, doch nog niet over passende huisvesting beschikken; c. artikel 8, onderdelen a tot en met d, van de Vreemdelingenwet 2000 aan wie op grond van een asielverzoek of ambtshalve een van de verblijfsvergunningen, bedoeld inis verleend, indien zij na die verlening voor de eerste maal woonruimte zoeken; d. die na echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed, in verband met die omstandigheid dringend woonruimte behoeven, of e. artikel 822 823 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering die een procedure tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed aanhangig hebben gemaakt en een voorlopige voorziening als bedoeld inenhebben verkregen, indien zij in verband met die omstandigheid dringend woonruimte behoeven. 2 Voor zover dat in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is in verband met uit bovengemeentelijk ruimtelijk beleid voortvloeiende geringe mogelijkheden tot uitbreiding van de woonruimtevoorraad in de gemeente of in een of meer kernen, behorend tot de gemeente, kan de gemeenteraad afwijken van het bepaalde in het eerste lid, onder a, b, d en e. 2013 478 05-12-2013 25-11-2013 33293 2013 587 24-12-2013 18-12-2013 01-01-2014
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 De gemeenteraad kan in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte in de huisvestingsverordening bepalen dat door burgemeester en wethouders een register van woningzoekenden wordt bijgehouden. 2 Ingeval toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, wordt in de huisvestingsverordening tevens bepaald: a. welke woningzoekenden voor inschrijving in het register in aanmerking komen; b. welke gegevens met het oog op een goede toepassing van de verordening bij een verzoek om inschrijving moeten worden overgelegd; c. hoe lang een inschrijving geldig blijft; d. welke gegevens op het bewijs van inschrijving moeten worden vermeld; e. in welke gevallen een inschrijving door burgemeester en wethouders kan worden doorgehaald. 3 artikel 25 Bij de bepaling welke woningzoekenden voor inschrijving in het register in aanmerking komen, worden slechts criteria vastgesteld, die ingevolge de huisvestingsverordening bij de verlening van de huisvestingsvergunning overeenkomstigworden toegepast. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 artikel 11 12 artikel 14 Ingeval de gemeenteraad toepassing geeft aanof, geeft hij tevens toepassing aan. In dat geval worden als woningzoekenden die voor inschrijving in het register in aanmerking komen, in elk geval aangewezen: a. artikel 11 bij toepassing van: de woningzoekenden die kunnen worden ingedeeld in een andere dan de laagste urgentiecategorie; b. artikel 12 artikel 12, eerste lid bij toepassing van: de categorieën woningzoekenden die in aanmerking komen om op een voordracht als bedoeld in, te worden geplaatst. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Vervallen 2001 180 19-04-2001 05-04-2001 26410 2001 337 19-07-2001 05-07-2001 25892 01-09-2001 Treedt in werking als de Wet bescherming persoonsgegevens in
werking treedt.
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 De gemeenteraad kan in de huisvestingsverordening regels stellen met betrekking tot centrale registratie van woningzoekenden die daartegen geen bedenkingen hebben. De eigenaars van woonruimte die zelf een registratie van woningzoekenden bijhouden, zijn verplicht aan die centrale registratie medewerking te verlenen. 2 Tenzij de huisvestingsverordening anders bepaalt, kunnen burgemeester en wethouders eigenaren van woonruimte machtigen een of meer van hun bevoegdheden krachtens deze paragraaf uit te oefenen. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 artikel 12, eerste lid De eigenaar van een woonruimte die is aangewezen overeenkomstig, is verplicht het ter beschikking komen van die woonruimte onverwijld aan burgemeester en wethouders te melden. 2 Gelijktijdig met de melding, bedoeld in het eerste lid, kan de eigenaar aan burgemeester en wethouders een woningzoekende voordragen. 3 Het eerste lid is niet van toepassing, indien de woonruimte zal worden bewoond door de eigenaar ervan in de zin van het Burgerlijk Wetboek, en de woonruimte gedurende ten minste de zes maanden waarin deze laatstelijk bewoond is geweest, bewoond werd door de eigenaar ervan in de zin van het Burgerlijk Wetboek. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 artikel 18, eerste lid artikel 12, tweede lid Tot uiterlijk twee weken nadat het ter beschikking komen van een woonruimte ingevolge, is gemeld, kunnen burgemeester en wethouders aan de eigenaar een of meer woningzoekenden voordragen die behoren tot de ingevolge, aangewezen categorieën. 2 artikel 12, tweede lid Bij het opstellen van de voordracht slaan burgemeester en wethouders acht op de rangorde naar urgentie, zoals die ingevolge, is vastgesteld. 1992 423 04-06-1992 22320 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 artikel 19, eerste lid artikelen 9 10 11 In afwijking van, doen burgemeester en wethouders geen voordracht, indien aan de door de eigenaar voorgedragen woningzoekende op grond van de ingevolge de,engeldende eisen een huisvestingsvergunning kan worden verleend en er voor het doen van een voordracht geen in aanmerking komende woningzoekenden zijn ingeschreven wier behoefte aan woonruimte urgenter is dan die van de door de eigenaar voorgedragen woningzoekende. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 Burgemeester en wethouders kunnen de voordracht intrekken, indien de voordracht niet leidt tot de totstandkoming van een overeenkomst tussen de eigenaar en een der voorgedragen woningzoekenden, uit kracht waarvan die woningzoekende gerechtigd is de betrokken woonruimte voor bewoning in gebruik te nemen. 2 artikel 12, tweede lid Artikel 19, tweede lid artikel 20 Gelijktijdig met de intrekking van een voordracht overeenkomstig het eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders aan de eigenaar opnieuw een of meer woningzoekenden voordragen die behoren tot de ingevolge, aangewezen categorieën.,en het eerste lid van dit artikel zijn van toepassing. 3 artikel 18, eerste lid In afwijking van het tweede lid kan geen nieuwe voordracht meer worden gedaan, zodra 10 weken zijn verstreken nadat het ter beschikking komen van de woonruimte ingevolge, is gemeld. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 artikel 12, tweede lid De gemeenteraad stelt in de huisvestingsverordening nadere regels met betrekking tot de toepassing van deze paragraaf. Daarbij regelt hij in ieder geval de wijze waarop een woningzoekende, behorende tot een krachtens, aangewezen categorie, desverzocht op de hoogte wordt gesteld van de toepassing die te zijnen aanzien is gegeven aan de bij of krachtens deze paragraaf gestelde voorschriften. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 De gemeenteraad stelt in de huisvestingsverordening regels met betrekking tot: a. de wijze waarop een huisvestingsvergunning kan worden aangevraagd; b. de gegevens die door de aanvrager moeten worden verstrekt met het oog op de beoordeling van de aanvraag; c. de termijn waarbinnen door burgemeester en wethouders op de aanvraag moet worden beslist; d. de gegevens die ten minste in de beschikking op de aanvraag moeten worden vermeld. 2 De gemeenteraad kan in de huisvestingsverordening bepalen dat een aanvraag slechts in behandeling wordt genomen, indien de aanvrager aannemelijk kan maken dat hij, indien hij een huisvestingsvergunning voor de in de aanvraag aangegeven woonruimte krijgt, die woonruimte ook daadwerkelijk in gebruik zal kunnen nemen. 3 artikelen 267 lid 6 268 lid 3 270 lid 1 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek Een bepaling als bedoeld in het tweede lid, blijft buiten toepassing, indien de aanvraag is gedaan met het oog op het bepaalde in de,of. 2003 218 03-06-2003 22-05-2003 28064 2003 230 17-06-2003 02-06-2003 01-08-2003
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 Indien de vergunning wordt verleend, vermelden burgemeester en wethouders in hun beschikking ten minste de termijn waarbinnen van de vergunning gebruik kan worden gemaakt. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 artikel 9, eerste lid artikel 9, tweede lid Een huisvestingsvergunning wordt verleend, indien de aanvrager behoort tot een van de ingevolge, aangewezen categorieën van woningzoekenden, voor zover wordt voldaan aan. 2 artikel 10 Ingeval voor de betrokken woonruimte toepassing is gegeven aan, dient de woonruimte voor de aanvrager tevens passend te zijn, gelet op de ingevolge dat artikel gestelde regels. 3 artikel 11 Ingeval voor de betrokken woonruimte toepassing is gegeven aan, kan de vergunning worden geweigerd, indien er in het register van woningzoekenden voldoende voor de betrokken woonruimte in aanmerking komende woningzoekenden zijn ingeschreven, die behoren tot een hogere urgentiecategorie dan de aanvrager. 4 artikel 19, eerste lid artikel 21, tweede lid artikel 21, eerste lid artikel 20 Ingeval voor de betrokken woonruimte een voordracht is gedaan krachtens, of, en die voordracht niet is ingetrokken overeenkomstig, dient de aanvrager voorts te zijn vermeld op die voordracht. Ingeval een voordracht ingevolgeachterwege is gebleven, wordt de vergunning verleend aan de door de eigenaar voorgedragen woningzoekende. 5 Het bepaalde in het derde en vierde lid is niet van toepassing, indien de woonruimte zal worden bewoond door de eigenaar ervan in de zin van het Burgerlijk Wetboek en de woonruimte gedurende ten minste de zes maanden waarin deze laatstelijk bewoond is geweest, bewoond werd door de eigenaar ervan in de zin van het Burgerlijk Wetboek. 1998 203 14-04-1998 26-03-1998 24233 1998 204 14-04-1998 02-04-1998 01-07-1998
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 artikel 9, tweede lid artikelen 9 10 11 12 Onverminderd, wordt een huisvestingsvergunning voorts aan iedere aanvrager verleend, indien de woonruimte door de eigenaar gedurende een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening te bepalen termijn van ten hoogste dertien weken vruchteloos is aangeboden aan de woningzoekenden die ingevolge het bepaalde krachtens de,,envoor die woonruimte in aanmerking komen. 2 Het eerste lid is slechts van toepassing: a. onderafdeling 2 van afdeling 5 van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek ingeval de woonruimte te huur wordt aangeboden enop die woonruimte van toepassing is: indien de gevraagde huurprijs niet hoger is dan de voor de betrokken woonruimte ingevolge die onderafdeling geldende maximale huurprijsgrens; b. onderafdeling 2 van afdeling 5 van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek ingeval de woonruimte te huur wordt aangeboden enniet op die woonruimte van toepassing is: indien de gevraagde huurprijs niet hoger is dan redelijk is, gelet op de huurprijs die in het economisch verkeer voor vergelijkbare woonruimten wordt overeengekomen; c. ingeval de woonruimte te koop wordt aangeboden: indien de koopprijs niet hoger is dan redelijk is gelet op de waarde van de woonruimte in het economisch verkeer. 3 De gemeenteraad stelt in de huisvestingsverordening regels met betrekking tot de wijze waarop de aanbieding dient plaats te vinden. De raad kan daarbij tevens regels stellen omtrent de wijze waarop aan burgemeester en wethouders moet worden aangetoond dat de aanbieding in overeenstemming met het bij en krachtens de wet bepaalde heeft plaatsgevonden, alsmede met betrekking tot de wijze waarop aan burgemeester en wethouders verslag moet worden uitgebracht over het verloop van de aanbiedingsprocedure. 4 bijlage Het eerste lid is tot 1 januari 2003 niet van toepassing ten aanzien van een standplaats die is bestemd voor een woningzoekende die met een woonwagen op een standplaats staat die is gelegen op een van de in degenoemde regionale woonwagencentra. 2003 218 03-06-2003 22-05-2003 28064 2003 230 17-06-2003 02-06-2003 01-08-2003
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 artikel 9, eerste lid artikel 9, tweede lid artikel 26, eerste en derde lid In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders een huisvestingsvergunning verlenen aan andere woningzoekenden dan bedoeld in, voor zover wordt voldaan aan, zonder dat de betrokken woonruimte overeenkomstig het bij en krachtens, bepaalde vruchteloos is aangeboden. 1998 203 14-04-1998 26-03-1998 24233 1998 204 14-04-1998 02-04-1998 01-07-1998
Artikel 27a — Artikel 27a#
Artikel 27a 1 artikelen 25, eerste lid 26, eerste lid artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van de, en, de huisvestingsvergunning weigeren in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in. 2 artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur artikel 9 van die wet Voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in, om een advies als bedoeld inworden gevraagd. 2013 125 05-04-2013 28-03-2013 32676 2013 205 14-06-2013 07-06-2013 01-07-2013
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 1 Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning intrekken, indien: a. de vergunninghouder de erin vermelde woonruimte niet binnen de door burgemeester en wethouders bij de verlening van de vergunning gestelde termijn in gebruik heeft genomen; b. de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren. 2 artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur Burgemeesters en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning voorts intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in. 3 artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur artikel 9 van die wet Voordat toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in, om een advies als bedoeld inworden gevraagd. 2013 125 05-04-2013 28-03-2013 32676 2013 205 14-06-2013 07-06-2013 01-07-2013
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 Van de bevoegdheden krachtens deze paragraaf kunnen burgemeester en wethouders mandaat verlenen aan eigenaren van woonruimte, voor zover het die woonruimte betreft. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 Het is verboden een woonruimte die behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen wijk, zonder vergunning van burgemeester en wethouders: a. aan de bestemming tot bewoning te onttrekken, of voor een zodanig gedeelte aan die bestemming te onttrekken, dat die woonruimte daardoor niet langer geschikt is voor bewoning door een huishouden van dezelfde omvang als waarvoor deze zonder zodanige onttrekking geschikt is; b. met andere woonruimte samen te voegen; c. van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten; d. te verbouwen tot twee of meer woonruimten. 2 c Onder zelfstandige woonruimte als bedoeld in het eerste lid, onder, wordt verstaan een woonruimte welke een eigen toegang heeft en welke door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte. 3 artikel 5 Woonruimte, aangewezen overeenkomstig, wordt tevens aangewezen overeenkomstig het eerste lid, tenzij een zodanige aanwijzing naar het oordeel van de gemeenteraad met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad niet noodzakelijk is. 2014 152 14-04-2014 09-04-2014 33797 2014 153 14-04-2014 09-04-2014 15-04-2014
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 1 artikel 30, eerste lid Een vergunning als bedoeld in, wordt verleend, tenzij het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met het onttrekken aan de bestemming tot bewoning gediende belang en het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad niet door het stellen van voorwaarden en voorschriften voldoende kan worden gediend. 2 artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur De vergunning kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in. 3 artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur artikel 9 van die wet Voordat toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in, om een advies als bedoeld inworden gevraagd. 2013 125 05-04-2013 28-03-2013 32676 2013 205 14-06-2013 07-06-2013 01-07-2013
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 artikel 30, eerste lid De gemeenteraad bepaalt in de huisvestingsverordening ten minste de voorwaarden en voorschriften die burgemeester en wethouders in het belang van de voorziening in de behoefte aan woonruimte aan de vergunning, bedoeld in, kunnen verbinden. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 1 artikel 106, eerste en vierde lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek Het is verboden een recht op een gebouw dat behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe aangewezen categorie, zonder vergunning van burgemeester en wethouders te splitsen in appartementsrechten als bedoeld in, indien een of meer appartementsrechten de bevoegdheid omvatten tot het gebruik van een of meer gedeelten van het gebouw als woonruimte. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het verlenen van deelnemings- of lidmaatschapsrechten of het aangaan van een verbintenis daartoe door een rechtspersoon met betrekking tot een gebouw als bedoeld in het eerste lid. 2005 89 01-03-2005 19-02-2005 28614 2005 160 29-03-2005 21-03-2005 01-05-2005
Artikel 33a — Artikel 33a#
Artikel 33a 1 artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur De vergunning kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in. 2 artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur artikel 9 van die wet Voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in, om een advies als bedoeld inworden gevraagd. 2013 125 05-04-2013 28-03-2013 32676 2013 205 14-06-2013 07-06-2013 01-07-2013
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 1 De gemeenteraad bepaalt in de huisvestingsverordening ten minste: a. artikel 33 de overige gronden die tot weigering van een vergunning als bedoeld inkunnen leiden; b. de categorieën van gevallen waarin de beslissing op de aanvraag om een vergunning door burgemeester en wethouders wordt aangehouden; c. de voorwaarden en voorschriften die burgemeester en wethouders aan de vergunning kunnen verbinden. 2 De gronden en regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen slechts betrekking hebben op: a. de samenstelling van de woonruimtevoorraad; b. het voorkomen van belemmering van de stadsvernieuwing; c. het voorkomen van splitsing van rechten op gebouwen waarvan de toestand uit oogpunt van indeling of staat van onderhoud zich geheel of ten dele tegen splitsing in appartementsrechten of de verlening van deelnemings- of lidmaatschapsrechten verzet. 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot de toepassing van het eerste lid nadere regels worden gesteld. 2013 125 05-04-2013 28-03-2013 32676 2013 205 14-06-2013 07-06-2013 01-07-2013
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 1 De gemeenteraad stelt in de huisvestingsverordening regels met betrekking tot: a. artikel 30, eerste lid 33 de wijze waarop een vergunning als bedoeld in, of, kan worden aangevraagd; b. de gegevens die door de aanvrager moeten worden verstrekt met het oog op de beoordeling van de aanvraag; c. de termijn waarbinnen door burgemeester en wethouders op de aanvraag moet worden beslist; d. de gegevens die ten minste in de beschikking op de aanvraag moeten worden vermeld. 2 artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Indien van de vergunning slechts gebruik kan worden gemaakt na verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een verzoek om zodanige omgevingsvergunning. 2010 142 01-04-2010 25-03-2010 31953 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 1 Indien de aanvraag niet is gedaan door de gebruiker, onderscheidenlijk de eigenaar van de woonruimte of het gebouw, zenden burgemeester en wethouders onverwijld aan deze een afschrift van de aanvraag. 2 Burgemeester en wethouders stellen de gebruiker, onderscheidenlijk de eigenaar op diens verzoek, voor zover zulks nodig is voor de beoordeling van de aanvraag, in de gelegenheid de bij de aanvraag overgelegde gegevens in te zien, totdat op de aanvraag onherroepelijk is beslist. Zij verschaffen hem desgevraagd een afschrift daarvan tegen betaling van de kosten. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 1 artikel 36, eerste lid Gedurende vier weken nadat hem overeenkomstig, mededeling is gedaan, kan de gebruiker, onderscheidenlijk de eigenaar zijn zienswijze kenbaar maken aan burgemeester en wethouders. 2 Burgemeester en wethouders doen aan de aanvrager onverwijld mededeling van de kenbaar gemaakte zienswijzen. 1992 423 04-06-1992 22320 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 1 Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning intrekken, indien: a. artikel 109 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek niet binnen een jaar nadat de beschikking onherroepelijk is geworden, is overgegaan tot onttrekking, samenvoeging of omzetting, onderscheidenlijk tot overschrijving in de openbare registers van de akte van splitsing in appartementsrechten, bedoeld in, of tot het verlenen van deelnemings- of lidmaatschapsrechten; b. de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren, of c. artikel 32 de voorwaarden en voorschriften, bedoeld in, niet worden nageleefd. 2 artikel 3 van de Wet integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning voorts intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in. 3 artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur artikel 9 van die wet Voordat toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in, om een advies als bedoeld inworden gevraagd. 2014 152 14-04-2014 09-04-2014 33797 2014 153 14-04-2014 09-04-2014 15-04-2014
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 artikel 109 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek artikel 33 Inschrijving in de openbare registers van een akte als bedoeld invindt alleen plaats, indien onder de akte een notariële verklaring is opgenomen, dat ten tijde van het verlijden van de akte een vergunning als bedoeld inniet is vereist, dan wel onherroepelijk is geworden. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 1 artikel 30 Burgemeester en wethouders kunnen, indien dat voor een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, van de eigenaar van een in de gemeente aanwezige leegstaande woonruimte, een leegstaand gebouw, niet zijnde een of meer woonruimten, of een leegstaand gedeelte van een zodanig gebouw, dan wel van een woonruimte die in strijd met de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften zonder huisvestingsvergunning of vergunning ingevolgein gebruik genomen is, het gebruik daarvan als woonruimte vorderen. De vordering vindt niet plaats dan na overleg met de eigenaar. De vordering kan mede betrekking hebben op het gebruik van bij de woonruimte of het gebouw behorende of voor de toegang daartoe noodzakelijke andere ruimten en van de daarbij behorende centrale en nutsvoorzieningen. 2 Ten aanzien van leegstaande woonruimte die laatstelijk door de eigenaar gedurende een termijn van ten minste een jaar onafgebroken als eigenaar is bewoond geweest, maken burgemeester en wethouders gedurende een termijn van een jaar na het tijdstip waarop de bewoning door de eigenaar een einde heeft genomen, geen gebruik van hun in het eerste lid omschreven bevoegdheid, tenzij er gewichtige redenen zijn om niettemin tot vordering over te gaan. Onder eigenaar wordt in dit lid degene verstaan, die eigenaar is in de zin van het Burgerlijk Wetboek. 3 Ten aanzien van leegstaande woonruimte die nimmer is bewoond geweest, maken burgemeester en wethouders gedurende een termijn van een jaar na het tijdstip waarop de woonruimte voor bewoning is gereedgekomen, geen gebruik van hun in het eerste lid omschreven bevoegdheid, tenzij er gewichtige redenen zijn om niettemin tot vordering over te gaan. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 artikel 40, eerste lid Een vordering als bedoeld in, vindt plaats voor een door burgemeester en wethouders bij hun besluit tot vordering bepaalde tijdsduur van ten hoogste tien jaar. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 Tegelijkertijd met de bekendmaking van een last tot vordering wordt daarvan mededeling gedaan door aanplakking van een afschrift op of nabij de woonruimte, het gebouw of het gedeelte van een gebouw waarop de vordering betrekking heeft. 1992 423 04-06-1992 22320 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 De last bevat ten minste: a. een omschrijving van de woonruimte, het gebouw of het gedeelte van een gebouw waarvan het gebruik wordt gevorderd, en van de ruimten of voorzieningen op het gebruik waarvan de vordering mede betrekking heeft; b. de datum waarop de last is gegeven; c. de termijn waarbinnen aan de vordering moet worden voldaan; d. de tijdsduur waarvoor gevorderd wordt. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 1 artikel 40, eerste lid titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht Bij een beroep tegen een besluit tot vordering als bedoeld in, blijftbuiten toepassing. 2 De werking van het in het eerste lid bedoelde besluit wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. 3 afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht De Afdeling behandelt de zaak met toepassing vanen doet uiterlijk acht weken na de dag waarop het beroepschrift is ontvangen, uitspraak. Blijkt aan de Afdeling dat de zaak een gewone behandeling vordert, dan doet zij binnen dertien weken uitspraak. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 1 artikel 40, eerste lid De eigenaar van een woonruimte, een gebouw of een gedeelte van een gebouw, met betrekking waartoe toepassing is gegeven aan, is verplicht het gevorderde binnen de in de last aangegeven termijn ter beschikking van burgemeester en wethouders te stellen. Voor zover het gevorderde bestemd is om te worden gebruikt als woonruimte, wordt het, tenzij het in de voorafgaande periode eveneens gevorderd was, leeg aan burgemeester en wethouders ter beschikking gesteld. 2 Het is een ieder verboden de uitvoering van de vordering van een woonruimte, een gebouw of een gedeelte van een gebouw te belemmeren. Indien de vordering betrekking heeft op een woonwagen of woonschip, is het een ieder verboden die woonwagen of dat woonschip te verplaatsen. 3 Waar in het vervolg van dit hoofdstuk sprake is van de eigenaar van een overeenkomstig het eerste lid aan burgemeester en wethouders ter beschikking gestelde woonruimte of ter beschikking gesteld gebouw of gedeelte van een gebouw, wordt daaronder verstaan: degene die bevoegd zou zijn geweest tot het in gebruik geven van die woonruimte, dat gebouw of gedeelte van een gebouw, indien de vordering niet zou hebben plaats gevonden. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 1 Burgemeester en wethouders zijn bevoegd aan het gevorderde de voorzieningen uit te voeren die noodzakelijk zijn met het oog op het beoogde gebruik ervan als woonruimte. 2 Zij plegen tevoren zo mogelijk overleg met de eigenaar. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 1 Bij hun besluit tot vordering bepalen burgemeester en wethouders de door de gemeente aan de eigenaar maandelijks verschuldigde vorderingsvergoeding. 2 De vorderingsvergoeding wordt, met inachtneming van de geldende prijsvoorschriften, vastgesteld op een bedrag dat in het economisch verkeer redelijk is. 3 artikel 46 Indien aan het gevorderde voorzieningen zijn uitgevoerd als bedoeld in, worden deze bij het vaststellen van de vorderingsvergoeding buiten beschouwing gelaten. 4 De gemeente vergoedt de eigenaar de kosten die deze redelijkerwijs heeft moeten maken met het oog op het leeg ter beschikking stellen van het gevorderde. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 Artikel 47, tweede en derde lid Burgemeester en wethouders kunnen ambtshalve, dan wel op een daartoe strekkend verzoek van de eigenaar het bedrag van de vorderingsvergoeding wijzigen, teneinde de vergoeding in overeenstemming te brengen met een voor het in gebruik geven van het gevorderde redelijke prijs., is met betrekking tot het in de eerste volzin bedoelde besluit van overeenkomstige toepassing. 1992 423 04-06-1992 22320 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 1 artikel 60a, onder a artikel 68, eerste lid artikel 40, eerste lid, eerste volzin Een vordering ten behoeve van een of meer verblijfsgerechtigden als bedoeld in, of een of meer woningzoekenden als bedoeld in, kan, in afwijking van, betrekking hebben op een bij het vorderingsbesluit te bepalen aantal woonruimten, gebouwen, niet zijnde woonruimte, of gedeelten van zodanige gebouwen van dezelfde eigenaar, dat na het tijdstip waarop de vordering is gedaan, ter beschikking komt. 2 artikelen 40, eerste lid, tweede en derde volzin, tweede en derde lid 41 43, aanhef en onder b en d 44 45, eerste lid, tweede volzin, tweede en derde lid 46 47, tweede tot en met vierde lid 48 Met betrekking tot een vordering als bedoeld in het eerste lid zijn de,,,en,,, envan toepassing. 3 Tegelijkertijd met de bekendmaking van de last tot vordering wordt hiervan mededeling gedaan in een of meer in de gemeente verspreide dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen. 4 De eigenaar is verplicht elke woonruimte, elk gebouw als bedoeld in het eerste lid of elk gedeelte daarvan op het tijdstip waarop het ter beschikking komt, ter beschikking van burgemeester en wethouders te stellen, totdat het gevorderde aantal is bereikt. 5 Zodra een terbeschikkingstelling als bedoeld in het derde lid heeft plaatsgevonden, bepalen burgemeester en wethouders zo spoedig mogelijk de door de gemeente aan de eigenaar maandelijks verschuldigde vorderingsvergoeding voor het ter beschikking gestelde. 1995 159 31-03-1995 30-03-1995 23930 1995 159 31-03-1995 30-03-1995 23930 01-04-1995
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 1 Zo spoedig mogelijk nadat het gevorderde ter beschikking van burgemeester en wethouders is gekomen, wijzen zij het ter bewoning toe aan een of meer met name te noemen personen. 2 artikel 59 Bij de toewijzing wijzen burgemeester en wethouders de gebruiker op zijn verplichting ingevolge. 1992 423 04-06-1992 22320 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 1 artikel 50, eerste lid Bij de toepassing van, stellen burgemeester en wethouders de gebruiksvergoeding vast, die de gebruiker voor het enkele gebruik van de gevorderde woonruimte, het gevorderde gebouw of het gevorderde gedeelte van een gebouw, met de daarbij behorende onroerende aanhorigheden, aan de gemeente maandelijks is verschuldigd. 2 artikelen 10, eerste lid 12, tweede lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte De gebruiksvergoeding wordt vastgesteld met inachtneming van hetgeen krachtens de, enmet betrekking tot de redelijkheid van huurprijzen is bepaald. Voor zover dit niet mogelijk is, wordt de gebruiksvergoeding vastgesteld op een bedrag dat in het economisch verkeer redelijk is. 3 Indien de vordering meer omvat dan het enkele gebruik van de woonruimte, het gebouw of het gedeelte van een gebouw, met de daarbij behorende onroerende aanhorigheden, kunnen burgemeester en wethouders bij hun besluit als bedoeld in het eerste lid tevens bepalen dat de gebruiker aan de gemeente een aanvullende vergoeding verschuldigd is ter dekking van de aan dat meerdere verbonden kosten. 4 artikelen 259 tot en met 262 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek Dezijn op een aanvullende vergoeding als bedoeld in het derde lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor huurder steeds gebruiker en voor verhuurder steeds burgemeester en wethouders wordt gelezen. 5 artikel 47, eerste lid Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat de gebruiker het door deze krachtens het eerste en derde lid verschuldigde bedrag, of een gedeelte daarvan, maandelijks betaalt aan de eigenaar van het gevorderde, ter gehele of gedeeltelijke betaling van de geldsommen die de gemeente krachtens, aan de eigenaar verschuldigd wordt. 6 Tegelijkertijd met de bekendmaking doen burgemeester en wethouders aan de eigenaar van het gevorderde mededeling van een besluit als bedoeld in het vijfde lid. 2005 705 27-12-2005 14-12-2005 30134 2005 705 27-12-2005 14-12-2005 30134 28-12-2005
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 1 Burgemeester en wethouders kunnen ambtshalve, dan wel op daartoe strekkend verzoek van de gebruiker het bedrag van de gebruiksvergoeding of van de aanvullende vergoeding wijzigen teneinde die vergoeding in overeenstemming te brengen met een voor het betrokken gebruik redelijke prijs. 2 artikel 51, tweede lid artikel 51, vierde lid Op een besluit tot wijziging van de gebruiksvergoeding is, van overeenkomstige toepassing. Op een besluit tot wijziging van de aanvullende vergoeding is, van overeenkomstige toepassing. 3 vijfde en zesde lid van artikel 51 Op een besluit als bedoeld in het eerste lid zijn hetvan overeenkomstige toepassing. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 1 De gebruiker is verplicht zich met betrekking tot het gevorderde te gedragen als ware hij een goed huurder. 2 Indien de eigenaar van het gevorderde schade lijdt, doordat de gebruiker de ingevolge het eerste lid geldende verplichting niet nakomt, kan de eigenaar deze schade op de gemeente verhalen. Voor zover de schade het gevolg is van aan het gevorderde aangebrachte beschadigingen, kan de gemeente deze schade vergoeden door het ongedaan maken van die beschadigingen. 3 De gebruiker is gehouden aan de gemeente de kosten te vergoeden die de gemeente heeft moeten maken voor de vergoeding van schade als bedoeld in het tweede lid. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 1 artikel 53 Burgemeester en wethouders kunnen besluiten de toewijzing te beëindigen, indien de gebruiker de gebruiksvergoeding niet of niet tijdig betaalt of indien de gebruiker de ingevolgegeldende verplichtingen niet nakomt. 2 De gebruiker is verplicht het gevorderde te ontruimen binnen één maand na de bekendmaking van het besluit tot beëindiging van de toewijzing. 1992 423 04-06-1992 22320 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 1 Burgemeester en wethouders beëindigen de vordering: a. indien tussen de gebruiker en de eigenaar een huurovereenkomst tot stand komt; b. indien naar hun oordeel het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte het voortzetten van de vordering niet langer noodzakelijk maakt. 2 Burgemeester en wethouders kunnen de vordering op verzoek van de eigenaar tevens beëindigen, indien de eigenaar het gevorderde zo dringend voor eigen gebruik - vervreemding niet daaronder begrepen - nodig heeft, dat bij afweging van zijn belang tegen het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte handhaving van de vordering redelijkerwijs niet aanvaardbaar is. 3 Burgemeester en wethouders geven niet eerder toepassing aan het eerste of tweede lid, dan vier weken nadat zij de gebruiker van hun voornemen daartoe op de hoogte hebben gesteld. Zij stellen de gebruiker in de gelegenheid zijn zienswijze op het voornemen kenbaar te maken. 1992 423 04-06-1992 22320 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 1 Burgemeester en wethouders stellen in hun besluit tot beëindiging van de vordering het tijdstip vast waarop de vordering eindigt. 2 Bij het bepalen van het tijdstip van beëindiging houden burgemeester en wethouders rekening met de tijd die de gebruiker redelijkerwijs nodig heeft om het gevorderde te ontruimen. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 Vervallen 1992 423 04-06-1992 22320 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 1 artikel 41 Behoudens het bepaalde in het derde lid, eindigt de vordering van rechtswege door het verstrijken van de overeenkomstigvastgestelde tijdsduur. 2 artikel 41 De eigenaar van het gevorderde stelt de gebruiker ten minste drie maanden voor het verstrijken van de overeenkomstigvastgestelde tijdsduur schriftelijk daarvan op de hoogte. 3 Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in het tweede lid niet of niet tijdig voor het verstrijken van de daar genoemde tijdsduur is gedaan, eindigt de vordering met ingang van een door de eigenaar vast te stellen tijdstip, doch niet eerder dan drie maanden nadat hij dat tijdstip schriftelijk aan de gebruiker heeft medegedeeld. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 De gebruiker is verplicht het gevorderde onverwijld te ontruimen: a. artikel 58 artikel 40 zodra de vordering ingevolge het bepaalde inis geëindigd, tenzij voordien een nieuw besluit tot vordering als bedoeld inonherroepelijk is geworden; b. artikel 55, eerste lid, onder b, of tweede lid zodra de vordering ingevolge een besluit als bedoeld in, is geëindigd. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 1 artikel 55, eerste lid, onder a, of tweede lid artikel 46 Ingeval de vordering wordt beëindigd met toepassing van, is de eigenaar gehouden aan de gemeente de kosten te vergoeden van de overeenkomstiguitgevoerde voorzieningen, voor zover daarin niet reeds door afschrijving of op andere wijze is voorzien. 2 artikel 58 artikel 40 artikel 55, eerste lid, onder b Ingeval de vordering is geëindigd ingevolge het bepaalde inen voordien niet een nieuw besluit tot vordering als bedoeld inonherroepelijk is geworden, dan wel ingeval de vordering wordt beëindigd met toepassing van, is de gemeente gehouden op verzoek van de eigenaar aan deze de kosten te vergoeden die hij redelijkerwijs moest maken met het oog op het herstel in de oude toestand en die hij ook daadwerkelijk heeft gemaakt. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 60a — Artikel 60a#
Artikel 60a Voor de toepassing van het in deze paragraaf bepaalde wordt verstaan onder: a. artikel 8, onderdelen a tot en met d, van de Vreemdelingenwet 2000 artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 verblijfsgerechtigden: vreemdelingen die in Nederland op grond van een asielverzoek rechtmatig verblijf hebben als bedoeld inof die houder zijn van een machtiging tot voorlopig verblijf die voldoet aan de ingestelde voorwaarden; b. taakstelling: het aantal in opvangcentra of op gemeentelijke opvangplaatsen verkerende verblijfsgerechtigden in wier huisvesting per gemeente per kalenderhalfjaar dient te worden voorzien. 2013 478 05-12-2013 25-11-2013 33293 2013 587 24-12-2013 18-12-2013 01-01-2014
Artikel 60b — Artikel 60b#
Artikel 60b 1 Burgemeester en wethouders dragen zorg voor de voorziening in de huisvesting van verblijfsgerechtigden in de gemeente overeenkomstig de voor de gemeente geldende taakstelling. 2 artikel 60c, eerste lid Behoudens toepassing van de bevoegdheid, bedoeld in, geldt als taakstelling de uitkomst van de toepassing van de formule (a:b) * c, waarin wordt voorgesteld: - met de letter a: het aantal inwoners van een gemeente volgens de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers per 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waartoe het kalenderhalfjaar, bedoeld bij de letter c, behoort, dan wel het in plaats daarvan op grond van het derde lid vastgestelde aantal; - met de letter b: het aantal inwoners van Nederland volgens de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfer per 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waartoe het kalenderhalfjaar, bedoeld bij de letter c, behoort; - met de letter c: Staatscourant het door Onze Minister voor Immigratie en Asiel in debekendgemaakte totale aantal verblijfsgerechtigden in wier huisvesting in het bij die bekendmaking aan te geven kalenderhalfjaar naar verwachting zal dienen te worden voorzien. 3 Staatscourant Gedeputeerde staten van de betrokken provincie of de betrokken provincies zijn bevoegd het aantal inwoners van een gemeente per 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waartoe het kalenderhalfjaar, bedoeld in het tweede lid bij de letter c, behoort, vast te stellen voor de gemeenten die zijn betrokken bij een wijziging van de gemeentelijke indeling en waarvoor de datum van herindeling is gelegen op 1 januari van laatstbedoeld jaar. Bij deze vaststelling wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met de inwonertallen van de samenstellende delen van de bij een wijziging van de gemeentelijke indeling betrokken gemeenten. Een vaststelling per 1 januari van het in de eerste volzin eerstbedoelde jaar wordt vóór 1 oktober van dat jaar bekendgemaakt in de. 4 De bekendmaking, bedoeld in het tweede lid bij de letter c, geschiedt ten minste dertien weken voor de aanvang van het kalenderhalfjaar waarop zij betrekking heeft. 5 De met toepassing van de formule, bedoeld in het tweede lid, verkregen uitkomst wordt naar boven afgerond op een geheel getal. 2012 233 05-06-2012 24-05-2012 32389 2012 276 27-06-2012 13-06-2012 01-10-2012
Artikel 60c — Artikel 60c#
Artikel 60c artikel 60b, tweede lid artikel 60b, tweede lid Gedeputeerde staten zijn bevoegd taakstellingen die volgen uit de toepassing van de formule, bedoeld in, te wijzigen, voor zover de verwezenlijking van het bovengemeentelijke ruimtelijke beleid of volkshuisvestingsbeleid of de samenhang tussen het door gemeenten gevoerde volkshuisvestingsbeleid dat vordert, met dien verstande dat de som van de aantallen verblijfsgerechtigden in wier huisvesting na die wijziging in de betrokken gemeenten te zamen dient te worden voorzien, niet afwijkt van de som van de aantallen die worden verkregen met toepassing van de formule, bedoeld in. 2005 136 22-03-2005 02-03-2005 29566 2005 214 28-04-2005 14-04-2005 01-05-2005
Artikel 60e — Artikel 60e#
Artikel 60e Vervallen 2012 233 05-06-2012 24-05-2012 32389 2012 276 27-06-2012 13-06-2012 01-10-2012
Artikel 60f — Artikel 60f#
Artikel 60f Vervallen 2012 233 05-06-2012 24-05-2012 32389 2012 276 27-06-2012 13-06-2012 01-10-2012
Artikel 60g — Artikel 60g#
Artikel 60g 1 artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen artikel 60c Het dagelijks bestuur van een plusregio als bedoeld indie de gemeente of gemeenten Amsterdam, Arnhem en Nijmegen, Eindhoven en Helmond, Enschede en Hengelo, ’s-Gravenhage, Rotterdam of Utrecht omvat, treedt voor de toepassing vanin de plaats van gedeputeerde staten. 2 artikelen 116 117 van de Wet gemeenschappelijke regelingen Deenzijn niet van toepassing. 2012 233 05-06-2012 24-05-2012 32389 2012 276 27-06-2012 13-06-2012 01-10-2012
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 hoofdstukken I II III Provinciale staten kunnen, voor zover de verwezenlijking van het bovengemeentelijke ruimtelijke beleid of het gebrek aan samenhang tussen het door de gemeenten gevoerde huisvestingsbeleid dat vordert, beleidsregels vaststellen met betrekking tot de in de,engeregelde onderwerpen. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 62 — Artikel 62#
Artikel 62 artikel 61 Bij de voorbereiding van een beleidsregel als bedoeld inplegen gedeputeerde staten overleg met de besturen van de gemeenten waarop de beleidsregel betrekking heeft. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 63 — Artikel 63#
Artikel 63 Tegelijkertijd met de bekendmaking van een beleidsregel doen gedeputeerde staten daarvan mededeling aan Onze Minister. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 64 — Artikel 64#
Artikel 64 Vervallen 2012 233 05-06-2012 24-05-2012 32389 2012 276 27-06-2012 13-06-2012 01-10-2012
Artikel 65 — Artikel 65#
Artikel 65 Vervallen 2012 233 05-06-2012 24-05-2012 32389 2012 276 27-06-2012 13-06-2012 01-10-2012
Artikel 66 — Artikel 66#
Artikel 66 Vervallen 2012 233 05-06-2012 24-05-2012 32389 2012 276 27-06-2012 13-06-2012 01-10-2012
Artikel 67 — Artikel 67#
Artikel 67 Vervallen 2012 233 05-06-2012 24-05-2012 32389 2012 276 27-06-2012 13-06-2012 01-10-2012
Artikel 68 — Artikel 68#
Artikel 68 1 Bij ministeriële regeling kunnen categorieën van woningzoekenden worden aangewezen, wier huisvesting bijzondere zorg van rijkswege behoeft. 2 Voor zover zulks met het oog op de huisvesting van een of meer personen, behorende tot een krachtens het eerste lid aangewezen categorie, noodzakelijk is, kan Onze Minister aan burgemeester en wethouders van een gemeente een aanwijzing geven met betrekking tot de voorziening in de huisvesting van die persoon of personen. 3 Onze Minister stelt een regeling als bedoeld in het eerste lid slechts vast, indien omstandigheden van bijzondere aard daartoe naar zijn oordeel aanleiding geven. De regeling geldt voor een daarbij aangegeven periode van ten hoogste twee jaar. 1995 159 31-03-1995 30-03-1995 23930 1995 159 31-03-1995 30-03-1995 23930 01-04-1995
Artikel 69 — Artikel 69#
Artikel 69 artikel 68, tweede lid artikel 67 artikel 61 Alvorens toepassing te geven aan, pleegt Onze Minister overleg met het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente. Indien een aanwijzing als bedoeld inafwijkt van een beleidsregel als bedoeld in, pleegt hij tevens vooraf overleg met gedeputeerde staten van de betrokken provincie. 2012 233 05-06-2012 24-05-2012 32389 2012 276 27-06-2012 13-06-2012 01-10-2012
Artikel 70 — Artikel 70#
Artikel 70 Vervallen 2012 233 05-06-2012 24-05-2012 32389 2012 276 27-06-2012 13-06-2012 01-10-2012
Artikel 71 — Artikel 71#
Artikel 71 Vervallen 1993 650 30-12-1993 16-12-1993 22495 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 72 — Artikel 72#
Artikel 72 1 artikel 51, eerste lid artikel 52 artikel 3a van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte Binnen zes weken na verzending van een besluit tot vaststelling van een gebruiksvergoeding als bedoeld in, of tot wijziging van de gebruiksvergoeding, bedoeld in, kan degene aan wie de woonruimte in gebruik is gegeven, een uitspraak over de redelijkheid van dat besluit vragen aan de huurcommissie, bedoeld in. 2 Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt schriftelijk ingediend. Onze Minister bepaalt aan welke voorwaarden het verzoek moet voldoen en welke gegevens daarbij moeten worden verstrekt of overgelegd. 3 De huurcommissie doet binnen vier maanden na ontvangst van het verzoek bedoeld in het eerste lid, schriftelijk uitspraak. Zij kan deze termijn met ten hoogste twee maanden verlengen. Zij stelt partijen van de duur van de verlenging in kennis. 4 De uitspraak van de huurcommissie is met redenen omkleed. De huurcommissie vermeldt in haar uitspraak de gebruiksvergoeding die zij redelijk acht. 5 artikel 74, eerste lid De huurcommissie zendt bij aangetekend schrijven een afschrift van haar uitspraak aan de verzoeker en aan burgemeester en wethouders. Zij wijst daarbij op de in, bedoelde mogelijkheid om de kantonrechter te verzoeken de gebruiksvergoeding vast te stellen, alsook op de vorm en de termijn die daarbij in acht moeten worden genomen. 2010 28 02-02-2010 23-12-2009 31903 2010 133 30-03-2010 19-03-2010 01-04-2010
Artikel 73 — Artikel 73#
Artikel 73 1 artikel 72, vijfde lid artikel 74, eerste lid Indien noch de gebruiker, noch het college van burgemeester en wethouders binnen twee maanden na verzending van het in, bedoelde afschrift een verzoek richt tot de kantonrechter, overeenkomstig, geldt als gebruiksvergoeding de vergoeding die de huurcommissie blijkens haar uitspraak redelijk acht. 2 Een ingevolge het eerste lid verschuldigde gebruiksvergoeding mag in rekening worden gebracht met ingang van de datum die was vermeld in het besluit van burgemeester en wethouders tot vaststelling of tot wijziging van de gebruiksvergoeding, of, indien de huurcommissie in haar uitspraak een latere datum heeft vermeld, met ingang van die latere datum. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 74 — Artikel 74#
Artikel 74 1 artikel 72, eerste lid Gedurende twee maanden na verzending van een uitspraak van de huurcommissie als bedoeld in, kunnen de gebruiker en burgemeester en wethouders de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin de woonruimte is gelegen, schriftelijk en met redenen omkleed verzoeken de gebruiksvergoeding vast te stellen. Indien het verzoek niet met redenen is omkleed, stelt de kantonrechter de verzoeker in de gelegenheid het verzuim binnen een door hem te bepalen termijn te herstellen. 2 Een afschrift van de uitspraak van de huurcommissie, bedoeld in het eerste lid, wordt bij het verzoek gevoegd. 3 artikel 51, tweede lid De kantonrechter beschikt op het verzoek met inachtneming van het bepaalde in. 4 De beschikking wordt in het openbaar uitgesproken. De griffier zendt een afschrift van de beschikking aan de huurcommissie. 5 Tegen deze beschikking staat hoger beroep noch beroep in cassatie open, met uitzondering van cassatie in het belang van de wet. 6 Artikel 73, tweede lid , is van overeenkomstige toepassing op de door de kantonrechter vastgestelde gebruiksvergoeding. 2001 584 18-12-2001 06-12-2001 27878 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 75 — Artikel 75#
Artikel 75 1 Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast de bij besluit van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren. 2 Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn tevens belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren. 3 Van een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. 2003 449 18-11-2003 22-10-2003 28744 2005 81 24-02-2005 08-02-2005 25-02-2005
Artikel 76 — Artikel 76#
Artikel 76 Vervallen 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 77 — Artikel 77#
Artikel 77 De toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 78 — Artikel 78#
Artikel 78 Vervallen 2012 233 05-06-2012 24-05-2012 32389 2012 276 27-06-2012 13-06-2012 01-10-2012
Artikel 79 — Artikel 79#
Artikel 79 artikel 70, eerste lid, van de Woningwet Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat de toegelaten instellingen als bedoeld in, die eigenaar zijn van in de gemeente gelegen woonruimten, alsmede andere eigenaren van in de gemeente gelegen woonruimten, aan hen verslag uitbrengen over de huisvesting in die woonruimten van personen, behorende tot daarbij aangegeven categorieën van woningzoekenden die door andere omstandigheden dan hun inkomen moeilijkheden ondervinden bij het vinden van hun passende huisvesting. 2005 530 01-11-2005 06-10-2005 28995 2005 531 01-11-2005 20-10-2005 08-03-2006
Artikel 80 — Artikel 80#
Artikel 80 1 Onze Minister zendt telkens om de vijf jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de wijze waarop deze wet is toegepast. 2 artikelen 60a tot en met 60g In afwijking van het eerste lid zendt Onze Minister binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deaan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van die artikelen in de praktijk. 1995 159 31-03-1995 30-03-1995 23930 1995 159 31-03-1995 30-03-1995 23930 01-04-1995
Artikel 81 — Artikel 81#
Artikel 81 Staatsblad Een algemene maatregel van bestuur, vastgesteld krachtens deze wet, treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van uitgifte van het, waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan beide kamers der Staten-Generaal. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 82 — Artikel 82#
Artikel 82 Vervallen 2005 282 14-06-2005 26-05-2005 29421 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 83 — Artikel 83#
Artikel 83 1 artikel 30, eerste lid 33 Een gedraging in strijd met een voorschrift, verbonden aan een vergunning als bedoeld in, of, is verboden. 2 artikel 42 Het is verboden een afschrift van een last die overeenkomstigis aangeplakt, te verwijderen of onleesbaar te maken. 1992 423 04-06-1992 22320 1993 690 23-12-1993 23258 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 84 — Artikel 84#
Artikel 84 1 artikel 45 49, vierde lid 59 Hij die handelt in strijd met het bepaalde bij of krachtens,, of, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie. 2 artikel 17 33 83 Hij die handelt in strijd met het bepaalde bij of krachtens,ofwordt gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van de derde categorie. 3 De in het eerste en tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. 2010 320 17-08-2010 24-07-2010 31560 2010 321 17-08-2010 10-08-2010 01-10-2010
Artikel 85 — Artikel 85#
Artikel 85 artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering artikelen 179 182 184 van het Wetboek van Strafrecht artikel 75 Met de opsporing van de bij deze wet strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd, belast de bij of krachtensaangewezen ambtenaren, voor zover zij tevens buitengewoon opsporingsambtenaar zijn. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in detot en meten, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf. 1997 580 18-12-1997 04-12-1997 25464 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 85a — Artikel 85a#
Artikel 85a 1 artikelen 7, eerste en tweede lid 8 18, eerste lid 30, eerste lid De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter zake van de overtreding van de,,, en. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete. 2 De bestuurlijke boete kan niet hoger zijn dan: a. artikel 7, eerste lid € 340 voor overtreding van; b. artikelen 8 18, eerste lid € 7 500 voor overtreding van de, en, en c. artikelen 7, tweede lid 30, eerste lid € 18 500 voor overtreding van de, en. 3 De gemeenteraad stelt bij verordening het bedrag vast van de bestuurlijke boete die voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd. 4 artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen In afwijking van het eerste en derde lid treedt het algemeen bestuur van een plusregio als bedoeld invoor de toepassing van die leden in de plaats van de gemeenteraad. 2010 320 17-08-2010 24-07-2010 31560 2010 321 17-08-2010 10-08-2010 01-10-2010
Artikel 86 — Artikel 86#
Artikel 86 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 87 — Artikel 87#
Artikel 87 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 88 — Artikel 88#
Artikel 88 De gemeenteraad stelt geen regels die leiden tot een algeheel verbod van het in gebruik nemen of geven van een woonschip op een ligplaats. 1998 459 28-07-1998 01-07-1998 25333 1998 656 27-11-1998 23-11-1998 01-03-1999
Artikel 89 — Artikel 89#
Artikel 89 1 Stb. Woningwet 1962 artikelen 56 56a tot en met 56i De Woonruimtewet 1947 (H 291) wordt ingetrokken. In devervallen deen. 2 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 3 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 4 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 5 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 6 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 90 — Artikel 90#
Artikel 90 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 91 — Artikel 91#
Artikel 91 1 Artikel 4, tweede lid, tweede volzin artikel 4, eerste lid artikel 4, tweede lid, tweede volzin , is niet van toepassing op overeenkomsten als bedoeld in, voor zover zij zijn totstandgekomen voor het tijdstip van in werking treden van de desbetreffende bepaling. Uiterlijk drie maanden na dat tijdstip verstrekken burgemeester en wethouders aan de gemeenteraad een overzicht van voor de gemeente verbindende overeenkomsten waarop het bepaalde in de vorige volzin van toepassing is, en van de wijze waarop zij voornemens zijn te bevorderen dat die overeenkomsten worden aangevuld met een bepaling als bedoeld in. 2 hoofdstuk II Stb. Een vergunning, voor het tijdstip van in werking treden vanvan deze wet verleend op grond van artikel 1, eerste lid, van de Woonruimtewet 1947 (H 291), wordt gelijkgesteld met een huisvestingsvergunning. 3 hoofdstuk IV artikel 40 hoofdstuk IV Stb. Stb. Een woonruimte of gebouw of gedeelte daarvan, op het tijdstip van in werking treden vanvan deze wet gevorderd op grond van artikel 7, eerste lid, van de Woonruimtewet 1947 (H 291), wordt gelijkgesteld met een woonruimte of gebouw of gedeelte daarvan, gevorderd op grond van, met dien verstande dat in plaats van de artikelen 46 tot en met 51 de artikelen 13 en 14 van de Woonruimtewet 1947 (H 291) van toepassing blijven. Een vordering als bedoeld in de eerste volzin, die voor onbepaalde tijd is gedaan, wordt gelijkgesteld met een vordering, gedaan op het tijdstip van in werking treden vanvan deze wet voor een tijdsduur van tien jaar. Een vordering als bedoeld in de eerste volzin, die voor bepaalde tijd is gedaan, eindigt op het tijdstip dat in het besluit tot vordering is bepaald. 4 hoofdstuk III artikel 30, eerste lid artikel 33 artikel 56 56a van de Woningwet 1962 Stb. Een vergunning, voor het tijdstip van in werking treden vanvan deze wet verleend krachtensof(1964, 222), wordt voor zover nodig gelijkgesteld met een vergunning, verleend ingevolge, onderscheidenlijk. 5 Aanvragen om vergunning, ingediend voor het in werking treden van de desbetreffende hoofdstukken van deze wet, worden voor zover nodig behandeld volgens het voordien geldende recht. 6 Artikel 86 dat artikel is niet van toepassing op woningen en gebouwen waarvan de wederrechtelijke ingebruikneming heeft plaatsgevonden voor het tijdstip waaropin werking treedt. 7 In hetgeen overigens met het oog op het in werking treden van deze wet regeling behoeft, wordt voorzien bij algemene maatregel van bestuur. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 92 — Artikel 92#
Artikel 92 1 De verschillende bepalingen van deze wet of onderdelen daarvan treden in werking op bij koninklijk besluit te bepalen tijdstippen. 2 Deze wet kan worden aangehaald als Huisvestingswet. 1992 548 01-10-1992 20520 1993 234 16-04-1993 01-07-1993
Artikel 2#
artikel 2, derde lid
Artikel 5#
artikel 5
Artikel 26#
artikel 26
Artikel 82#
artikel 82