Wet van 18 juni 1992, houdende algemene regeling met betrekking tot het luchtverkeer
- BWB-id
- BWBR0005555
- Type
- Wet
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2025-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0005555
- ELI
- /eli/nl/wet/1993/wet-luchtvaart
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1993/wet-luchtvaart/2025-12-31
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0005555&g=2025-12-31
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0005555&z=2026-06-06&g=2025-12-31
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0005555/2025-12-31
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1993/wet-luchtvaart
Artikel 1.1 — Artikel 1.1#
Artikel 1.1 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: algemene luchtverkeersleiding: luchtverkeersleiding voor gecontroleerde vluchten; AOC: door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aan een onderneming of groep van ondernemingen afgegeven document waarin wordt verklaard dat de betrokken luchtvaartexploitant beschikt over beroepsbekwaamheid en organisatie om luchtvaartuigen veilig te exploiteren voor de in dat bewijs gespecificeerde luchtvaartactiviteiten (Air Operator's Certificate); artikel 83bis-overeenkomst: overeenkomst waarbij ten behoeve van het uitoefenen van toezicht op de naleving van luchtverkeersregels, eisen of bepalingen met betrekking tot het bezit van het bewijs van luchtwaardigheid annex radiovergunning behorende bij het betreffende luchtvaartuig, eisen of bepalingen met betrekking tot het bezit van het bewijs van bevoegdheid, alsmede bevoegdverklaringen van het stuurhutpersoneel, door de staat van registratie van een luchtvaartuig functies en taken zijn overgedragen aan de staat van exploitatie; Verordeningen (EG) nr. 2111/2005 (EG) nr. 1008/2008 nr. 996/2010 nr. 376/2014 2014/30 2014/53 (EG) nr. 552/2004 (EG) nr. 216/2008 Verordening (EEG) nr. 3922/91 basisverordening: Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de,, (EU), (EU)en de Richtlijnen/EU en/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningenenvan het Europees Parlement en de Raad envan de Raad of een verordening die daarvoor in de plaats treedt; artikel 8a.54 besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven: besluit als bedoeld in; burgerexploitant: houder van een vergunning voor burgermedegebruik die is afgegeven voor burgerluchtvaart van commerciële aard onder vaststelling van een grenswaarde voor de geluidbelasting door dat luchthavenluchtverkeer, anders dan in de vorm van een maximum aantal vliegtuigbewegingen; burgermedegebruik: gebruik van een militaire luchthaven door andere dan militaire luchtvaart; communicatiediensten: vaste en mobiele diensten ten behoeve van de luchtvaart voor grond-tot-grond, lucht-tot-grond en lucht-tot-lucht-communicatie voor luchtverkeersleidingsdoeleinden; EASA: het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart; Eurocontrol-organisatie: de Organisatie, ingesteld bij het op 13 december 1960 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart «Eurocontrol» (Trb. 1961, 62), zoals gewijzigd bij Protocol van 12 februari 1981 (Trb. 1981, 182); functioneel luchtruimblok: ongeacht de staatsgrenzen, op operationele behoeften gebaseerd luchtruimblok waarbinnen de luchtvaartnavigatiediensten en aanverwante functies op prestatiegerichte en optimale wijze worden verleend met het oogmerk in ieder van die blokken versterkte samenwerking tussen de verleners van luchtvaartnavigatiediensten of naargelang, een geïntegreerde dienstverlener, in te voeren; gevaarlijke stoffen: artikel 6.51 artikel 10.7, eerste lid indien zij krachtensof, zijn aangewezen; 1°. ontplofbare stoffen of voorwerpen; 2°. samengeperste, vloeibaar gemaakte of onder druk opgeloste gassen; 3°. brandbare vloeistoffen; 4°. brandbare vaste stoffen, voor zelfontbranding vatbare stoffen en stoffen, die bij aanraking met water brandbare gassen ontwikkelen; 5°. stoffen, die de verbranding bevorderen en organische peroxyden; 6°. giftige of infectieuze stoffen; 7°. radioactieve stoffen; 8°. bijtende stoffen; 9°. andere stoffen of voorwerpen, die bij vervoer door de lucht gevaar kunnen opleveren voor de gezondheid, de veiligheid of het milieu; gezagvoerder: degene, die de leiding heeft bij en verantwoordelijk is voor de veilige uitvoering van de vlucht; artikel 3.3, tweede lid houder van een luchtvaartuig: degene, op wiens naam een luchtvaartuig in het register, bedoeld in, dan wel in een buitenlands register van luchtvaartuigen is ingeschreven; interoperabiliteitsverordening: verordening (EG) nr. 552/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 10 maart 2004 betreffende de interoperabiliteit van het Europese netwerk voor luchtverkeersbeveiliging (PbEU L 96); kaderverordening: verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 10 maart 2004 tot vaststelling van het kader voor de totstandbrenging van het gemeenschappelijke Europese luchtruim (PbEU L 96); klaring: machtiging aan de gezagvoerder van een luchtvaartuig om een vlucht aan te vangen of te vervolgen onder door een verlener van luchtverkeersleiding gestelde voorwaarden; lid van het boordpersoneel: lid van het cockpitpersoneel en ieder, die aan boord van een luchtvaartuig ten behoeve van de inzittenden of de lading werkzaamheden verricht of heeft te verrichten, onder welke werkzaamheden mede wordt verstaan de voorbereidingshandelingen voorafgaande aan de vlucht; lid van het cockpitpersoneel: ieder, die aan boord van een luchtvaartuig werkzaamheden verricht, welke van direct belang zijn voor de bediening van het luchtvaartuig tijdens de vlucht, onder welke werkzaamheden mede wordt verstaan de voorbereidingshandelingen voorafgaande aan de vlucht; luchthaven: een terrein geheel of gedeeltelijk bestemd voor het opstijgen en het landen van luchtvaartuigen met inbegrip van: 1°. de daarmee verband houdende bewegingen van luchtvaartuigen op de grond, 2°. de afwikkeling van het in de aanhef en onder 1° bedoelde luchtverkeer, of 3°. bedrijfsmatige activiteiten die samenhangen met de afwikkeling van het in de aanhef en onder 1° bedoelde luchtverkeer; artikelen 8.43, eerste en tweede lid 8.70, eerste lid 10.15 luchthavenbesluit: het besluit, bedoeld in de,, of; luchthavengebied: het gebied dat bestemd is voor gebruik als luchthaven; artikel 8.4 luchthavenindelingbesluit: het besluit, bedoeld in; luchthavenluchtverkeer: het onder het begrip luchthaven, in de aanhef en onder 1°, bedoelde luchtverkeer; artikelen 8.64, eerste lid 8.77, eerste lid 10.39, eerste lid luchthavenregeling: de regeling, bedoeld in de,, of; artikel 8.15 luchthavenverkeerbesluit: het besluit, bedoeld in; artikel 1 van de Luchtvaartwet BES luchtruim van Bonaire, Sint Eustatius en Saba: delen van het vluchtinformatiegebied Curaçao en het vluchtinformatiegebied San Juan, bedoeld in, die zich boven het territoir van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevinden dan wel die delen waarvoor Onze Minister van Infrastructuur en Milieu de verantwoordelijkheid voor het verzorgen van luchtverkeersdiensten heeft aanvaard; timesharing luchtruimbeheer: een planningsfunctie met als belangrijkste doel een maximale benutting van beschikbaar luchtruim door dynamischeen, bij gelegenheid, scheiding van luchtruim tussen verschillende categorieën luchtruimgebruikers op basis van kortetermijnbehoeften; luchtruimgebruikers: exploitanten van luchtvaartuigen die als algemeen luchtverkeer opereren; luchtruimverordening: verordening (EG) nr. 551/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 10 maart 2004 betreffende de organisatie en het gebruik van het gemeenschappelijk Europees luchtruim (PbEU L 96); luchtvaartgebied: het deel van de luchthaven dat bestemd is voor luchthavenluchtverkeer; luchtvaartinlichtingendienst: een binnen het vastgestelde gebied opgerichte dienst die verantwoordelijk is voor het verstrekken van luchtvaartinformatie en gegevens die nodig zijn voor de veiligheid, regelmaat en efficiency van luchtvaartnavigatie; luchtvaartmaatschappij: onderneming, welke geheel of gedeeltelijk haar bedrijf maakt van het vervoer van personen, dieren of goederen met luchtvaartuigen; luchtvaartnavigatiediensten: luchtverkeersdiensten, communicatie-, navigatie- en plaatsbepalingsdiensten, meteorologische diensten voor de luchtvaartnavigatie, en luchtvaartinlichtingendiensten; luchtvaartnavigatiedienstenverordening: verordening (EG) nr. 550/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 10 maart 2004 betreffende de verlening van luchtvaartnavigatiediensten in het gemeenschappelijk Europees luchtruim (PbEU L 96); luchtvaartuig: toestel, dat in de dampkring kan worden gehouden ten gevolge van krachten, die de lucht daarop uitoefent, anders dan de krachten van de lucht tegen het aardoppervlak; luchtverkeer: het geheel der verplaatsingen van luchtvaartuigen in de lucht of op een luchthaven, alsmede het gebruik van het luchtruim door toestellen die geen luchtvaartuigen zijn; luchtverkeersbeveiliging: de verzameling van functies in de lucht en op de grond, te weten luchtverkeersdiensten, luchtruimbeheer en de regeling van de luchtverkeersstroom, die nodig zijn om de veiligheid en de doeltreffendheid van de vliegtuigbewegingen in alle fasen te waarborgen; luchtverkeersdiensten: vluchtinlichtingendiensten, alarmeringsdiensten, adviesdiensten voor het luchtverkeer en luchtverkeersleiding, zijnde algemene luchtverkeersleiding, naderingsluchtverkeersleiding en plaatselijke luchtverkeersleiding; luchtverkeersleidingsdienst: dienst die wordt verricht teneinde: 1.° botsingen te voorkomen: – tussen luchtvaartuigen en – tussen luchtvaartuigen en hindernissen op dat deel van de luchthaven dat is bedoeld voor het opstijgen, landen en taxiën met luchtvaartuigen, en 2.° een geordende luchtverkeersstroom tot stand te brengen en te handhaven; luchtverkeerweg: een ten behoeve van geleiding van het luchthavenluchtverkeer afgebakend deel van het luchtruim; artikel 5.22 LVNL: de organisatie voor het verlenen van luchtverkeersdiensten, bedoeld in; meteorologische diensten: de faciliteiten en diensten die luchtvaartuigen voorzien van weersverwachtingen, instructies en waarnemingen, alsmede andere meteorologische informatie en gegevens voor gebruik in de luchtvaart; naderingsluchtverkeersleiding: luchtverkeersleiding voor aankomende of vertrekkende gecontroleerde vluchten; navigatiediensten: de faciliteiten en diensten die luchtvaartuigen voorzien van informatie op het gebied van positionering en timing; artikel 3.3, eerste lid Nederlands luchtvaartuig: een in het register, bedoeld in, ingeschreven luchtvaartuig; onderzoeksverordening: Verordening (EU) nr. 996/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 inzake onderzoek en preventie van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart en houdende intrekking van Richtlijn 94/56/EG (PbEU 2010, L295); artikel 11.3, eerste lid opsporingsambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in; plaatsbepalingsdiensten: de faciliteiten en diensten voor het bepalen van de respectieve posities van luchtvaartuigen waarmee voor een veilige separatie wordt gezorgd; plaatselijke verkeersleiding: luchtverkeersleidingsdienst voor luchtvaartterreinverkeer; prestatie- en heffingsverordening: Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317 van de Commissie van 11 februari 2019 tot vaststelling van een prestatie- en heffingsregeling in het gemeenschappelijk Europees luchtruim en tot intrekking van Uitvoeringsverordeningen (EU) nr. 390/2013 en (EU) nr. 391/2013 (PbEU 2019, L 56) of een uitvoeringsverordening die daarvoor in de plaats treedt; regeling van luchtverkeersstromen: functie die tot doel heeft bij te dragen aan een veilige, ordelijke en vlotte doorstroming van het luchtverkeer door ervoor te zorgen dat de luchtverkeersleidingscapaciteit optimaal wordt benut en dat het verkeersvolume verenigbaar is met de door de betrokken luchtverkeersdienstverleners afgegeven capaciteit; staat van exploitatie: staat waarin een luchtvaartuig ingevolge een lease-, charter-, of ruilovereenkomst of soortgelijke regeling wordt geëxploiteerd door een exploitant die zijn hoofdkantoor of, bij afwezigheid daarvan, zijn vaste woonplaats niet heeft in de staat waar het luchtvaartuig is ingeschreven; staat van registratie: staat waarin een luchtvaartuig is ingeschreven overeenkomstig Bijlage 7 bij het Verdrag van Chicago; STD: een trainingsinstrument zijnde een vluchtnabootser, een vliegtrainingsinstrument, een trainer voor vlieg- en navigatieprocedures of een ander trainingsinstrument (Synthetic Training Device); timesharing: de verdeling in de tijd gezien van het beschikbaar luchtruim of een gedeelte daarvan over luchtruimgebruikers of verschillende categorieën luchtruimgebruikers; veiligheidscertificaat: verklaring dat de exploitant van de luchthaven met het veiligheidsmanagementsysteem de veiligheidsrisico's op die luchthaven beheerst; veiligheidsmanagementsysteem: een systeem voor het management van de orde en de veiligheid op de luchthaven; Verdrag van Chicago: het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109); verleners van luchtvaartnavigatiediensten: de openbare of particuliere lichamen die luchtvaartnavigatiediensten voor het luchtverkeer verlenen; Verordening (EU) 2023/2405 Verordening (EU) 2023/2405:van het Europees Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 inzake het waarborgen van een gelijk speelveld voor duurzaam luchtvervoer (ReFuelEU Luchtvaart) (PbEU 2023, L 2023/2405); Verordening (EU) nr. 2019/1020 Richtlijn 2004/42/EG Verordeningen (EG) nr. 765/2008 nr. 305/2011 verordening markttoezicht:van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende markttoezicht en conformiteit van producten en tot wijziging vanenen (EU)(PbEU 2019, L 169); verordening voorvallen: Verordening (EU) nr. 376/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 inzake het melden, onderzoeken en opvolgen van voorvallen in de burgerluchtvaart en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 996/2010 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn nr. 2003/42/EG van het Europees Parlement en de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 1321/2007 en (EG) nr. 1330/2007 van de Commissie (PbEU 2014, L 122); vlucht: de verplaatsing van het luchtvaartuig gedurende het tijdsverloop dat het in beweging komt met de bedoeling om op te stijgen, tot het ogenblik dat het weer tot volledige stilstand is gekomen na de landing; vluchtinformatiegebied Amsterdam: het luchtruim boven het gebied, dat wordt begrensd door de rijksgrenzen en de kortste lijn op de ellipsoïde tussen de posities met de coördinaten 51°22'25" N 003°21'50" O en 51°30'00" N 002°00'00" O, 51°30'00" N 002°00'00" O en 55°00'00" N 005°00'00" O, de loxodroom tussen 55°00'00" N, 005°00'00" O en 55°00'00" N 006°30'00" O en de kortste lijn op de ellipsoïde tussen de posities met de coördinaten 55°00'00" N 006°30'00" O en 53°40'00" N, 006°30'00" O, uitgedrukt in het geografische referentiesysteem WGS 84; voorval gevaarlijke stoffen: ongeval of incident met gevaarlijke stoffen als bedoeld in de als bijlage bij Annex 18 bij het Verdrag van Chicago behorende Technische Voorschriften voor het veilig vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht. 2 Onder lid van het cockpitpersoneel wordt ten aanzien van onbemande luchtvaartuigen mede verstaan ieder, die werkzaamheden verricht, welke van direct belang zijn voor het op afstand bedienen van het luchtvaartuig. 3 Onder luchtvaartmaatschappij wordt mede verstaan de naar privaatrecht opgerichte rechtspersoon, die zich bezig houdt met het vervoer van personen, dieren of goederen met luchtvaartuigen tegen vergoeding. 4 richtlijn nr. 94/56/EG Een wijziging van artikel 3, onderdelen a en k, van, gaat voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel v, gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven. 2025 234 16-09-2025 14-07-2025 36649 2025 234 16-09-2025 14-07-2025 36649 17-09-2025
Artikel 1.2 — Artikel 1.2#
Artikel 1.2 1 Deze wet is: a. van toepassing op de luchthavens, het luchtverkeer, de luchtverkeersbeveiliging, de luchtvaartnavigatiediensten, de luchtvaartuigen, het vervoer en de vluchtuitvoering met luchtvaartuigen binnen het vluchtinformatiegebied Amsterdam, voor zover hetgeen bij of krachtens de basisverordening is bepaald niet van toepassing is; b. van toepassing op: tenzij en voor zover: 1°. Nederlandse luchtvaartuigen, alsmede het vervoer en de vluchtuitvoering met Nederlandse luchtvaartuigen buiten het vluchtinformatiegebied Amsterdam; 2°. in een buitenlands nationaliteitsregister ingeschreven luchtvaartuigen ten aanzien waarvan de Nederlandse Staat als staat van exploitatie geldt en een artikel 83bis-overeenkomst heeft gesloten, i. hetgeen bij of krachtens de basisverordening is bepaald van toepassing is, of ii. ter zake van een Nederlands luchtvaartuig een artikel 83bis-overeenkomst is gesloten; c. hoofdstuk 2 3 4 artikelen 5.13a 5.14b 11.1 11.2 11.2a 11.3 tot en met 11.14 met betrekking tot het bepaalde bij of krachtens,, enen de,,,,,mede van toepassing binnen het luchtruim van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en op het territoir van deze openbare lichamen; d. hoofdstuk 11 met betrekking tot het bepaalde bij of krachtensvan toepassing op de verleners van luchtvaartnavigatiediensten die bij of krachtens deze wet zijn gecertificeerd. 2 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat, op nader in die algemene maatregel aan te geven categorieën van personeel of op bepaalde soorten van luchtvaartuigen, op bepaalde soorten van vervoer of op bepaalde vormen van vluchtuitvoering, indien toepassing van deze wet in redelijkheid niet kan worden gevergd en de veiligheid van het luchtverkeer niet in gevaar wordt gebracht, geheel of gedeeltelijk niet van toepassing zijn: – artikelen 2.1 tot en met 2.10 deof één of meer van deze artikelen, – hoofdstuk 3 , – hoofdstuk 4 , – titel 5.1 artikelen 5.14b tot en met 5.14d 5.2 , met uitzondering van de, of, – titel 6.5 titel 6.6 of, – hoofdstuk 9 , of – hoofdstuk 10 . 3 Bij de toepassing van het tweede lid kunnen bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur voorschriften en beperkingen worden opgenomen met betrekking tot één of meer buiten toepassing van de wet te laten onderdelen. Deze voorschriften en beperkingen kunnen mede betrekking hebben op de beperking van geluidshinder. 2019 374 31-10-2019 02-10-2019 35100 2019 431 26-11-2019 13-11-2019 27-11-2019
Artikel 1.2a — Artikel 1.2a#
Artikel 1.2a 1 Het is verboden toestellen, die geen luchtvaartuig zijn, in het luchtruim te gebruiken. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie kan bij ministeriële regeling voor door hem aan te wijzen toestellen vrijstelling verlenen van het verbod. 2 Aan de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. Het is verboden in strijd met deze voorschriften of beperkingen te handelen. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 1.3 — Artikel 1.3#
Artikel 1.3 Een luchtvaartmaatschappij is verplicht er voor zorg te dragen, dat: a. de door haar geëxploiteerde luchtvaartuigen in een zodanige staat zijn, dat daarmee veilig gevlogen en vervoerd kan worden; b. het boordpersoneel van de door haar geëxploiteerde luchtvaartuigen over voldoende kennis, bedrevenheid en ervaring beschikt; c. al datgene wordt gedaan, wat in haar vermogen ligt om ernstige lichamelijke of geestelijke vermoeidheid van de leden van het boordpersoneel bij de bediening van luchtvaartuigen te voorkomen. 1997 255 26-06-1997 26-03-1997 24513 1999 263 29-06-1999 21-06-1999 26336 01-07-1999
Artikel 1.4 — Artikel 1.4#
Artikel 1.4 Voor zover Onze Minister van Infrastructuur en Milieu onderscheidenlijk Onze Minister van Defensie, beslissingen neemt ingevolge bij of krachtens deze wet verleende bevoegdheden, die mede betrekking hebben op de militaire luchtvaart onderscheidenlijk de burgerluchtvaart handelt hij in overeenstemming met Onze Minister van Defensie onderscheidenlijk Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 1.5 — Artikel 1.5#
Artikel 1.5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling kunnen regels gesteld worden ter uitvoering van hetgeen bij of krachtens de basisverordening is bepaald. 2013 140 18-04-2013 28-03-2013 33476 2013 406 23-10-2013 17-05-2013 24-10-2013
Artikel 1.6 — Artikel 1.6#
Artikel 1.6 Het is verboden in strijd te handelen met bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van hetgeen bij of krachtens de basisverordening is bepaald. 2013 140 18-04-2013 28-03-2013 33476 2013 406 23-10-2013 17-05-2013 24-10-2013
Artikel 1.7 — Artikel 1.7#
Artikel 1.7 1 De kosten die samenhangen met het in behandeling nemen van de aanvraag, afgifte, wijziging, beperking, schorsing, intrekking, verlenging en vernieuwing van bewijzen van bevoegdheid, verklaringen, certificaten en overige documenten die bij of krachtens de basisverordening worden afgegeven, worden ten laste gebracht van de aanvrager van het document. 2 De bedragen ter vergoeding van de kosten, bedoeld in het eerste lid, worden bij ministeriële regeling vastgesteld. 2013 140 18-04-2013 28-03-2013 33476 2013 406 23-10-2013 17-05-2013 24-10-2013
Artikel 2.1 — Artikel 2.1#
Artikel 2.1 1 artikel 3.13 van de Telecommunicatiewet Wet telecommunicatievoorzieningen BES Het is verboden een luchtvaartuig te bedienen, luchtverkeersdiensten te verlenen, luchthaveninformatie te verstrekken of een grondstation of een mobiel station in de luchtvaartmobiele band, waarvoor een vergunning is vereist als bedoeld inof de, te bedienen zonder het daarvoor geldige bewijs van bevoegdheid of geldige bewijs van gelijkstelling. 2 Voor het bedienen van een Nederlands burgerluchtvaartuig, het verlenen van luchtverkeersdiensten, het verstrekken van luchthaveninformatie of het bedienen van een grondstation of een mobiel station als bedoeld in het eerste lid is het bezit vereist van hetzij: a. een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu afgegeven bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling, b. artikel 2.8 artikel 2.4 een bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling, afgegeven door de bevoegde autoriteit van een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu op grond vanaangewezen staat of door een door hem aangewezen internationale organisatie. Betrokkene dient in geval van toepassing van onderdeel a tevens in het bezit te zijn van een geldige medische verklaring, bedoeld in, afgegeven door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu dan wel door de bevoegde autoriteit van een door hem aangewezen staat, hetzij c. artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in. 3 artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere werkzaamheden aan boord van een burgerluchtvaartuig worden aangewezen, die niet mogen worden verricht zonder een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu afgegeven bewijs van bevoegdheid, bewijs van gelijkstelling of een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in. 4 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens dit artikel, wanneer door bijzondere omstandigheden die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt gebracht. Aan de ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. 5 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu trekt de door hem verleende ontheffing in, wanneer a. de redenen, waarom de ontheffing is verleend, zijn komen te vervallen; b. de houder van de ontheffing de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet naleeft. 6 Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift als bedoeld in het vierde lid. 7 artikel 1.2, eerste lid artikel 1 van de Mijnbouwwet Voor zover het eerste lid betrekking heeft op het bedienen van een grondstation of een mobiel station als bedoeld in dat lid, is het onverminderd, eveneens van toepassing op het continentaal plat, bedoeld in, voor zover dat buiten het vluchtinformatiegebied Amsterdam ligt. 2015 478 11-12-2015 02-12-2015 34272 2016 2 08-01-2016 16-12-2015 18-01-2016
Artikel 2.1a — Artikel 2.1a#
Artikel 2.1a Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties Onverminderd deis hoofdstuk 2 van overeenkomstige toepassing op de erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in die wet. 2015 478 11-12-2015 02-12-2015 34272 2016 2 08-01-2016 16-12-2015 18-01-2016
Artikel 2.2 — Artikel 2.2#
Artikel 2.2 1 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu geeft op aanvraag een bewijs van bevoegdheid af, wanneer degene, die het bewijs van bevoegdheid heeft aangevraagd: a. beschikt over een geldige medische verklaring; b. beschikt over voldoende kennis, bedrevenheid en ervaring met betrekking tot het bewijs van bevoegdheid dat hij heeft aangevraagd; en c. daartoe voldoende onderricht heeft genoten aan een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu of door de bevoegde autoriteit van een door hem aangewezen staat: 1°. goedgekeurde of geregistreerde opleidingsinstelling, of 2°. gecertificeerde opleidingsinstelling indien degene die het bewijs van bevoegdheid heeft aangevraagd een bewijs van bevoegdheid voor het verlenen van luchtverkeersdiensten heeft aangevraagd. 2 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu geeft op aanvraag op het bewijs van bevoegdheid een of meer bevoegdverklaringen weer. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing behoudens ter zake van de medische verklaring. 3 Bij algemene maatregel van bestuur wordt aangegeven welke bewijzen van bevoegdheid Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan afgeven en welke bevoegdverklaringen Onze Minister van Infrastructuur en Milieu daarop kan weergeven; in die algemene maatregel worden voor elk bewijs van bevoegdheid en voor elke algemene bevoegdverklaring de bevoegdheden en eventueel aan de bevoegdverklaring te verbinden beperkingen aangegeven. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden aangegeven welke bijzondere bevoegdverklaringen en voor welke termijn Onze Minister van Infrastructuur en Milieu op het bewijs van bevoegdheid kan weergeven en welke beperkingen daaraan kunnen worden verbonden. 4 Bij ministeriële regeling kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu met betrekking tot het model en de uitvoering van het document, waarop een bewijs van bevoegdheid en een of meer bevoegdverklaringen worden weergegeven, eisen vaststellen. 5 artikel 2.1, eerste lid Onze Minister van Infrastructuur en Milieu houdt van de door hem afgegeven bewijzen van bevoegdheid een register bij. In het belang van een goede uitvoering en handhaving van deze wet en de daarop berustende bepalingen verwerkt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in het register gegevens omtrent afgegeven bewijzen van bevoegdheid en bewijzen van gelijkstelling, rechterlijke uitspraken houdende ontzegging van de bevoegdheid een luchtvaartuig te bedienen, luchtverkeersdiensten te verlenen, luchthaveninformatie te verstrekken of een grondstation of een mobiel station als bedoeld in, te bedienen en persoonsgegevens over gezondheid als bedoeld in artikel 4, onderdeel 15, van de Algemene verordening gegevensbescherming van houders van een bewijs van bevoegdheid. 6 Het derde lid is niet van toepassing op bewijzen van bevoegdheid voor het verlenen van luchtverkeersdiensten of het verstrekken van luchthaveninformatie. Bij algemene maatregel van bestuur wordt aangegeven welke bewijzen van bevoegdheid voor het verlenen van luchtverkeersdiensten of het verstrekken van luchthaveninformatie Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan afgeven en welke bevoegdverklaringen Onze Minister op die bewijzen van bevoegdheid kan weergeven. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gesteld aan de bewijzen van bevoegdheid, bevoegdverklaringen en daaraan te verbinden machtigingen voor het verlenen van luchtverkeersdiensten of het verstrekken van luchthaveninformatie. 7 Het eerste lid, onderdeel c, onder 2°, is niet van toepassing op degene die zijn taken uitoefent onder de verantwoordelijkheid van verleners van luchtvaartnavigatiediensten die deze diensten voornamelijk aanbieden aan andere bewegingen van luchtvaartuigen dan aan het algemeen luchtverkeer. 8 Onder algemeen luchtverkeer als bedoeld in het zevende lid wordt verstaan: alle bewegingen van burgerluchtvaartuigen, alsmede alle bewegingen van staatsluchtvaartuigen, met inbegrip van militaire, douane- en politieluchtvaartuigen, voorzover deze bewegingen worden uitgevoerd in overeenstemming met de procedures van het Verdrag van Chicago. 2019 374 31-10-2019 02-10-2019 35100 2019 431 26-11-2019 13-11-2019 27-11-2019
Artikel 2.3 — Artikel 2.3#
Artikel 2.3 1 Een bewijs van bevoegdheid wordt afgegeven voor onbepaalde tijd dan wel voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn, welke termijn voor de verschillende bewijzen van bevoegdheid verschillend kan zijn. 2 Indien een bewijs van bevoegdheid voor onbepaalde tijd is verleend, is dit bewijs slechts geldig indien daarop ten minste één geldige bevoegdverklaring is weergegeven en voor de bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn waarvoor die bevoegdverklaring is afgegeven. 3 Indien een bewijs van bevoegdheid voor bepaalde tijd is verleend, verlengt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu op aanvraag het bewijs van bevoegdheid, indien de houder daarvan beschikt over voldoende kennis, bedrevenheid en ervaring met betrekking tot dat bewijs van bevoegdheid; het bewijs van bevoegdheid wordt voor de krachtens het eerste lid vastgestelde termijn verlengd. 4 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu geeft op aanvraag een bevoegdverklaring af en verlengt deze, indien de houder daarvan beschikt over voldoende bedrevenheid en ervaring met betrekking tot die bevoegdverklaring. De bevoegdverklaring wordt voor de krachtens het tweede lid vastgestelde termijn verlengd. 5 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden voorgeschreven, dat de houder van een in die algemene maatregel aan te geven bewijs van bevoegdheid of bevoegdverklaring bij het bereiken van een in die algemene maatregel bepaalde leeftijd daarin aan te geven bevoegdheden: a. niet meer mag uitoefenen; b. slechts onder in die algemene maatregel bepaalde voorwaarden mag uitoefenen. 6 artikel 2.2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven met betrekking toten dit artikel. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen betreffende: a. de aanvraag en afgifte van bewijzen van bevoegdheid en de aanvraag, afgifte en verlenging van bevoegdverklaringen; b. de leeftijd, die een aanvrager ten minste moet hebben om voor een bewijs van bevoegdheid in aanmerking te kunnen komen; c. de eisen, waaraan de aanvrager van een bewijs van bevoegdheid of bevoegdverklaring of van de verlenging daarvan moet voldoen alsmede de wijze, waarop hij kan doen blijken, dat hij aan die eisen voldoet; d. de te houden examens; e. de eisen, waaraan examinatoren moeten voldoen, alsmede de eisen waaraan examinatoren moeten voldoen teneinde een autorisatie te verkrijgen; f. aan STD's te stellen eisen voor kwalificatie; g. de vernieuwing van het document, waarop bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen worden weergegeven; h. artikel 2.2, eerste lid de vergoeding, die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de handelingen ten behoeve van de aanvraag tot afgifte van het bewijs van bevoegdheid, een bevoegdverklaring of het bewijs van gelijkstelling, de verlenging van een bewijs van bevoegdheid of verlenging een bevoegdverklaring, het afleggen van een theorie- of praktijkexamen, de vernieuwing van het document, bedoeld in onderdeel g, de afgifte van de autorisatie, bedoeld in onderdeel e, de afgifte en verlenging van de medische verklaring, bedoeld in, en de afgifte en verlenging van de kwalificatie, bedoeld in onderdeel f. 7 Bij het besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, bedoeld in het zesde lid, onderdeel e, kunnen in aanmerking genomen worden het aantal reeds geautoriseerde examinatoren, hun specifieke deskundigheid en de spreiding van examinatoren over het land in relatie tot de regionale of plaatselijke behoefte. 8 Artikel 2.1, vierde tot en met zesde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 2.4 — Artikel 2.4#
Artikel 2.4 1 artikel 2.2 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu geeft op aanvraag de medische verklaring, bedoeld in, af, indien betrokkene voldoet aan de eisen van medische geschiktheid om de werkzaamheden te verrichten, waarvoor betrokkene een bewijs van bevoegdheid of bevoegdverklaring heeft aangevraagd of is verleend. 2 De medische verklaring wordt, al dan niet onder beperkingen, verleend voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu verlengt op aanvraag de medische verklaring voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn, indien de houder voldoet aan de in het eerste lid bedoelde eisen. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven omtrent: a. de eisen van medische geschiktheid; b. de ten behoeve van de afgifte van een medische verklaring te verrichten medische keuring; c. de verplichtingen van de houder van de medische verklaring; d. de eisen waaraan een geneeskundige of geneeskundige instantie moet voldoen teneinde een autorisatie te verkrijgen; e. onderdeel d de aanwijzing van instellingen die in het kader van een autorisatie als bedoeld ineen certificaat kunnen afgeven; f. de mogelijkheid van herbeoordeling; g. onderdeel d de vergoeding, die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de handelingen ten behoeve van de aanvraag tot afgifte van de autorisatie, bedoeld in. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven omtrent de beperkingen waaronder een medische verklaring kan worden afgegeven. 5 Onze Minister autoriseert geneeskundigen of geneeskundige instanties die met het verrichten van medische keuringen worden belast. 6 Bij het besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu over de autorisatie kunnen in aanmerking worden genomen het aantal reeds geautoriseerde geneeskundigen of geneeskundige instanties, hun specialisme en de spreiding van de geautoriseerde geneeskundigen of geneeskundige instanties over het land in relatie tot de regionale of plaatselijke behoefte. 7 De medische verklaring is ongeldig gedurende de periode dat de gezondheidstoestand van de houder zodanig is, dat deze niet meer in staat is de werkzaamheden, waarvoor hem een bewijs van bevoegdheid is verleend, te verrichten. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 2.5 — Artikel 2.5#
Artikel 2.5 1 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een bewijs van bevoegdheid dan wel een daarop weergegeven bevoegdverklaring schorsen wanneer een ernstig vermoeden rijst, dat de houder van het bewijs van bevoegdheid: a. niet over voldoende kennis of bedrevenheid beschikt met betrekking tot dat bewijs van bevoegdheid of die bevoegdverklaring; b. bij het verrichten van de hem toegestane werkzaamheden de veiligheid in gevaar kan brengen; c. niet in het bezit is van een geldige medische verklaring. 2 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu neemt het document waarop het geschorste bewijs van bevoegdheid of de geschorste bevoegdverklaring is weergegeven in. De houder van het betrokken bewijs van bevoegdheid is verplicht hieraan alle medewerking te verlenen. In geval van schorsing van een of meer bevoegdverklaringen verstrekt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een aan de schorsing aangepast document. 3 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu heft de schorsing op zodra de redenen, die tot de schorsing hebben geleid, zijn komen te vervallen. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven met betrekking tot: a. de wijze, waarop de houder van het betrokken bewijs van bevoegdheid opnieuw kan doen blijken over voldoende kennis of bedrevenheid met betrekking tot het geschorste bewijs van bevoegdheid of de geschorste bevoegdverklaring te beschikken; b. de wijze, waarop de houder van het betrokken bewijs van bevoegdheid kan doen blijken, dat hij bij het verrichten van de hem toegestane werkzaamheden de veiligheid niet in gevaar brengt; c. artikel 2.4, derde lid, onderdeel d de wijze waarop de houder van een autorisatie als bedoeld in, opnieuw kan doen blijken aan de bij of krachtens dat onderdeel bedoelde eisen te voldoen. 5 artikel 2.4, derde lid, onderdeel d Onze Minister kan een autorisatie als bedoeld in, schorsen, wanneer een ernstig vermoeden rijst, dat de houder van de autorisatie niet langer voldoet aan de bij of krachtens dat onderdeel gestelde eisen. 6 artikel 2.3, zesde lid, onderdeel e Het eerste tot en met vierde lid is van overeenkomstige toepassing op een autorisatie als bedoeld in. 7 artikel 2.4, derde lid, onderdeel d Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op een autorisatie als bedoeld in. 8 Schorsing van het bewijs van bevoegdheid betekent schorsing van op het document weergegeven bevoegdverklaringen voor de duur van die schorsing. 9 Bij ministeriële regeling kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu regels geven met betrekking tot de procedure van schorsing. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 2.6 — Artikel 2.6#
Artikel 2.6 1 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een bewijs van bevoegdheid of een bevoegdverklaring intrekken: a. op aanvraag van de houder; b. wanneer het bewijs van bevoegdheid of de daarop weergegeven bevoegdverklaring ten minste drie maanden is geschorst; c. wanneer gedurende een periode van ten minste zes maanden van het betrokken bewijs van bevoegdheid of de daarop weergegeven bevoegdverklaring geen gebruik is gemaakt; d. wanneer bij de aanvraag of het verzoek om verlenging van het bewijs van bevoegdheid, de bevoegdverklaring of de medische verklaring onjuiste gegevens zijn verstrekt. 2 Vervallen. 3 artikel 2.1, eerste lid Indien de houder van een bewijs van bevoegdheid of een of meer bevoegdverklaringen de bevoegdheid een luchtvaartuig te bedienen, luchtverkeersdiensten te verlenen, luchthaveninformatie te verstrekken of een grondstation of mobiel station als bedoeld in, te bedienen is ontzegd, dan wel zijn bewijs van bevoegdheid of een of meer bevoegdverklaringen zijn ingetrokken, is hij verplicht het document, waarop zijn bewijs van bevoegdheid en eventuele bevoegdverklaringen zijn weergegeven, onverwijld bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in te leveren. 4 artikel 2.3, zesde lid, onderdeel e Het eerste en derde lid is van overeenkomstige toepassing op een autorisatie als bedoeld in. 5 artikel 2.4, derde lid, onderdeel d Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een autorisatie als bedoeld in. 6 artikel 2.3, vijfde lid, onderdeel d Het eerste en derde lid is van overeenkomstige toepassing op een autorisatie als bedoeld in. 7 Bij ministeriële regeling kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu regels geven met betrekking tot de procedure van intrekking. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 2.7 — Artikel 2.7#
Artikel 2.7 1 Artikel 2.2, vierde lid Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan op aanvraag een bewijs van gelijkstelling met een in een andere staat door een daar bevoegde autoriteit afgegeven bewijs van bevoegdheid afgeven., is van overeenkomstige toepassing. 2 Het bewijs van gelijkstelling geeft niet meer bevoegdheden dan het betrokken bewijs van bevoegdheid en wordt slechts eenmaal afgegeven voor ten hoogste de duur van geldigheid van het betrokken bewijs van bevoegdheid doch niet langer dan een jaar. 3 artikel 2.6, eerste lid, onder c of d, of tweede lid Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een bewijs van gelijkstelling intrekken wanneer de omstandigheden, bedoeld inzich voordoen. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven over de voorwaarden en omstandigheden waaronder een bewijs van gelijkstelling wordt afgegeven. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 2.8 — Artikel 2.8#
Artikel 2.8 artikel 2.3, zesde lid, onderdeel c artikel 2.4, derde lid Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan op grond van internationale overeenkomsten of besluiten van volkenrechtelijke organisaties bewijzen van bevoegdheid, bewijzen van gelijkstelling of medische verklaringen, die op grond van eisen, welke gelijkwaardig zijn aan de krachtens, of, gestelde eisen, zijn afgegeven door: erkennen als geldig bewijs van bevoegdheid, geldig bewijs van gelijkstelling of geldige medische verklaring. Aan de erkenning kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. a. de bevoegde autoriteit van een door hem bij ministeriële regeling aangewezen staat, of b. een door hem bij ministeriële regeling aangewezen internationale organisatie 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 2.8a — Artikel 2.8a#
Artikel 2.8a Vervallen 2013 140 18-04-2013 28-03-2013 33476 2014 102 14-03-2014 11-02-2014 15-03-2014
Artikel 2.9 — Artikel 2.9#
Artikel 2.9 1 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een opleidingsinstelling ter verkrijging van een bewijs van bevoegdheid, bevoegdverklaring of attest als bedoeld in subdeel CCA van bijlage V bij verordening (EU) nr. 1178/2011 goedkeuren of registreren, indien die opleidingsinstelling voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen. 2 Onverminderd het eerste lid kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een opleidingsinstelling ter verkrijging van een bewijs van bevoegdheid of bevoegdverklaring voor het verlenen van luchtverkeersdiensten certificeren indien die opleidingsinstelling voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen. 3 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan de goedkeuring of registratie van een opleidingsinstelling geheel of deels intrekken, wanneer die opleidingsinstelling niet meer voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven met betrekking tot de vergoeding, die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de handelingen ten behoeve van de aanvraag tot afgifte van de goedkeuring of registratie, bedoeld in het eerste lid. 5 Artikel 2.8 en het derde en vierde lid van onderhavig artikel zijn van overeenkomstige toepassing op het certificeren van een opleidingsinstelling als bedoeld in het tweede lid. 2020 455 18-11-2020 04-11-2020 35319 2020 556 24-12-2020 17-12-2020 01-01-2021
Artikel 2.10 — Artikel 2.10#
Artikel 2.10 1 De houder van een bewijs van bevoegdheid, dat de bevoegdheid geeft een luchtvaartuig te bedienen, en de leerling-vlieger dienen onder door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu te stellen regelen een logboek bij te houden. 2 Het is verboden a. in het logboek onjuiste gegevens of onjuiste aantekeningen op te nemen, te doen opnemen of toe te laten dat zij daarin worden opgenomen; b. het logboek te beschadigen of te vernietigen, te doen beschadigen of vernietigen dan wel toe te laten, dat het wordt beschadigd of vernietigd. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 2.11 — Artikel 2.11#
Artikel 2.11 Het is de houder van een bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling verboden werkzaamheden, tot het verrichten waarvan dat bewijs de bevoegdheid geeft, te verrichten wanneer de houder daardoor in verband met zijn lichamelijke of geestelijke gesteldheid de veiligheid van het luchtverkeer in gevaar brengt of in gevaar kan brengen. 2012 231 05-06-2012 21-05-2012 32403 2012 231 05-06-2012 21-05-2012 32403 06-06-2012
Artikel 2.12 — Artikel 2.12#
Artikel 2.12 1 Het is een lid van het boordpersoneel verboden werkzaamheden aan boord van een luchtvaartuig te verrichten, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijze moet weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de vaardigheid voor het verrichten van die werkzaamheden kan verminderen, dat hij niet in staat moet worden geacht die werkzaamheden naar behoren te verrichten. 2 Het is een lid van het boordpersoneel verboden werkzaamheden aan boord van een luchtvaartuig te verrichten, indien hij binnen de tien daaraan voorafgaande uren alcoholhoudende drank heeft gebruikt. 3 Het is een lid van het boordpersoneel verboden werkzaamheden aan boord van een luchtvaartuig te verrichten na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat: a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan negentig microgram (90 µg) alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan eenvijfde milligram (0,2 mg) alcohol per milliliter bloed. 4 artikel 162, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 Het is een lid van het boordpersoneel verboden werkzaamheden aan boord van een luchtvaartuig te verrichten gedurende de tijd, waarvoor een rijverbod als bedoeld ingeldt. 5 artikel 2.11, eerste lid Het is verboden een lid van het boordpersoneel van wie men weet of redelijkerwijs moet weten, dat deze verkeert in een toestand, als bedoeld in, of in het eerste of derde lid van dit artikel, werkzaamheden aan boord van een luchtvaartuig te doen verrichten. 6 artikel 2.1, eerste lid Het eerste, derde, vierde en vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op eenieder die luchtverkeersdiensten verleent, luchthaveninformatie verstrekt of een grondstation of een mobiel station als bedoeld in, bedient. 2013 140 18-04-2013 28-03-2013 33476 2014 102 14-03-2014 11-02-2014 15-03-2014
Artikel 2.13 — Artikel 2.13#
Artikel 2.13 artikel 2.12 artikel 126 van de Wegenverkeerswet 1994 Aan de ambtenaren, die belast zijn met de handhaving vanworden uit het register, bedoeld in, op door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze de gegevens verstrekt, die zij voor de uitoefening van hun taak nodig hebben. 1997 255 26-06-1997 26-03-1997 24513 1999 263 29-06-1999 21-06-1999 26336 01-07-1999
Artikel 2.14 — Artikel 2.14#
Artikel 2.14 1 Er is een Adviescommissie arbeidsomstandigheden boordpersoneel Nederlandse burgerluchtvaart. 2 De Adviescommissie heeft tot taak in het belang van de veiligheid in de burgerluchtvaart Onze Minister van Infrastructuur en Milieu desgevraagd of uit eigen beweging van advies te dienen over de uitvoering van het beleid en van de regelgeving met betrekking tot de arbeidsomstandigheden van het boordpersoneel van in Nederland geregistreerde burgerluchtvaartuigen. 3 De Adviescommissie bestaat uit elf leden, die door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden benoemd. Hiervan worden vier leden benoemd op voordracht van naar het oordeel van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu representatieve organisaties van leden van het boordpersoneel, vier leden op voordracht van de betrokken luchtvaartmaatschappijen en drie leden als onafhankelijken. 4 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu wijst uit de drie onafhankelijke leden de voorzitter aan. 5 De leden worden voor een periode van vier jaren benoemd. Aftredende leden zijn terstond herbenoembaar. 6 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu verleent tussentijds ontslag aan een lid: a. wanneer deze zijn hoedanigheid verliest op grond waarvan hij is benoemd; b. op eigen verzoek; c. bij het bereiken van de zeventigjarige leeftijd; d. wegens ongeschiktheid voor de functie. 7 De Adviescommissie stelt een reglement vast ter nadere regeling van haar werkzaamheden. Het reglement wordt ter kennisneming toegezonden aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 3.1 — Artikel 3.1#
Artikel 3.1 1 Het is verboden een luchtvaartuig te gebruiken, dat niet is voorzien van een geldig nationaliteits- en inschrijvingskenmerk en een geldig bewijs van inschrijving. 2 Het is verboden: a. op een luchtvaartuig een ander dan het in het eerste lid bedoelde kenmerk aan te brengen, of b. een luchtvaartuig te gebruiken dan wel te doen of te laten gebruiken, dat is voorzien van een ander dan het in het eerste lid bedoelde kenmerk, met het oogmerk het te doen voorkomen, dat het luchtvaartuig is voorzien van een geldig kenmerk. 1999 235 17-06-1999 29-04-1999 26336 2001 466 16-10-2001 09-10-2001 01-10-2001 Datum inwerkingtreding ligt voor datum uitgifte.
Artikel 3.2 — Artikel 3.2#
Artikel 3.2 1 De houder van een Nederlands luchtvaartuig voorziet het luchtvaartuig van: a. een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie vastgesteld nationaliteitskenmerk en een voor dat luchtvaartuig vastgesteld inschrijvingskenmerk; en b. artikel 3.3 een bewijs van inschrijving in het register, bedoeld in. 2 De kenmerken, bedoeld in het eerste lid, bestaan voor burgerluchtvaartuigen uit letters of cijfers of een combinatie van beide; zij worden op bij ministeriële regeling nader aan te geven plaats, wijze en uitvoering op het desbetreffende luchtvaartuig aangebracht. 3 Voor militaire luchtvaartuigen bestaat het nationaliteitskenmerk uit een afbeelding en het inschrijvingskenmerk uit letters of cijfers of een combinatie van beide; zij worden op bij ministeriële regeling nader aan te geven plaats, wijze en uitvoering op het desbetreffende luchtvaartuig aangebracht. 4 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie kan voor luchtvaartuigen, die naar zijn oordeel van historische waarde zijn, kenmerken toestaan, die van het eerste lid, onderdeel a, afwijken. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 3.3 — Artikel 3.3#
Artikel 3.3 1 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie houdt een register bij van Nederlandse burgerluchtvaartuigen respectievelijk Nederlandse militaire luchtvaartuigen. Het register voor burgerluchtvaartuigen is openbaar. 2 In het register voor burgerluchtvaartuigen worden op aanvraag op naam van de aanvrager burgerluchtvaartuigen ingeschreven, wanneer zowel de aanvrager als de in te schrijven burgerluchtvaartuigen voldoen aan bij algemene maatregel van bestuur gestelde eisen. De inschrijving geschiedt voor onbepaalde tijd. 3 In afwijking van het tweede lid kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een luchtvaartuig tijdelijk inschrijven: a. indien het desbetreffende luchtvaartuig slechts voor een bepaalde termijn aan de houder ter beschikking is gesteld, voor ten hoogste die bepaalde termijn; of b. in afwachting van het voldoen aan de eisen, bedoeld in het tweede lid, voor ten hoogste zes maanden, welke termijn eenmaal voor ten hoogste dezelfde periode kan worden verlengd. 4 In het buitenland geregistreerde burgerluchtvaartuigen worden niet in het register ingeschreven. 5 Bij ministeriële regeling kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie regels geven inzake de in het register op te nemen gegevens. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 3.4 — Artikel 3.4#
Artikel 3.4 1 artikel 3.5 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan op aanvraag van de houder van een burgerluchtvaartuig de inschrijving wijzigen, nadat de houder de nodige gegevens heeft verstrekt en het bewijs van inschrijving, bedoeld in, bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu heeft ingeleverd. 2 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een inschrijving ambtshalve wijzigen, wanneer: a. onjuiste gegevens zijn verstrekt, of b. de feiten die ten grondslag liggen aan de gegevens, tijdens de duur van de inschrijving wijziging hebben ondergaan. 3 artikel 3.5 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu haalt op aanvraag van de houder van een burgerluchtvaartuig de inschrijving door, nadat de houder de nodige gegevens heeft verstrekt en het bewijs van inschrijving, bedoeld in, bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu heeft ingeleverd. 4 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een inschrijving ambtshalve doorhalen, wanneer: a. de houder ten behoeve van de inschrijving onjuiste gegevens heeft verstrekt; b. artikel 3.3, tweede lid de houder niet meer voldoet aan de eisen, bedoeld in, of c. artikel 3.8, tweede lid gedurende langer dan een jaar het desbetreffende luchtvaartuig niet voorzien is van een geldig bewijs van luchtwaardigheid als bedoeld in. 5 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu haalt een inschrijving ambtshalve door, wanneer het betrokken luchtvaartuig: a. in het buitenland is geregistreerd, of b. definitief niet meer aan het luchtverkeer deelneemt. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 3.5 — Artikel 3.5#
Artikel 3.5 1 artikel 3.3 Ten bewijze van inschrijving in het register, bedoeld in, verstrekt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie met betrekking tot het ingeschreven luchtvaartuig een bewijs van inschrijving. Onze Minister wie het aangaat kan een inschrijvingsbewijs wijzigen. Het bewijs wordt verstrekt voor onbepaalde tijd. 2 artikel 3.3, derde lid In geval van toepassing van, verstrekt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een bewijs van inschrijving voor de termijn, waarvoor het betrokken luchtvaartuig is ingeschreven. 3 In geval van: a. artikel 3.4, eerste lid wijziging van de inschrijving, bedoeld in, of b. artikel 3.4, derde lid doorhaling van de inschrijving, bedoeld in, kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aan de aanvrager een tijdelijk bewijs van inschrijving ver trekken voor ten hoogste vier weken. Wijziging of doorhaling van de inschrijving vindt plaats na verstrijken van de termijn, waarvoor het tijdelijk bewijs van inschrijving is verleend. 4 artikel 3.4 In geval van ambtshalve wijziging of doorhaling van de inschrijving, bedoeld in, tweede respectievelijk vierde of vijfde lid, levert de houder van het bewijs van inschrijving dit bewijs terstond in bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 5 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie kunnen met betrekking tot het model en de uitvoering van het bewijs van inschrijving eisen worden vastgesteld. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 3.6 — Artikel 3.6#
Artikel 3.6 artikel 3.25 Voor luchtvaartuigen, die behoren tot de bedrijfsvoorraad van een natuurlijke of rechtspersoon aan wie een erkenning als bedoeld inis verleend, geldt het vereiste, dat een inschrijvingskenmerk voor een bepaald luchtvaartuig is vastgesteld, niet, mits het betrokken luchtvaartuig een inschrijvingskenmerk voert, dat door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aan die natuurlijke of rechtspersoon met het oog op de bedrijfsvoorraad is opgegeven. Artikel 3.2, tweede lid, is van toepassing. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 3.7 — Artikel 3.7#
Artikel 3.7 de artikelen 3.4 3.5 Ten aanzien van burgerluchtvaartuigen worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gegeven ter uitvoering vanen. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen betreffende: a. de procedure van aanvraag, wijziging of doorhaling van een inschrijving, alsmede de gegevens, welke bij elke procedure dienen te worden verstrekt; b. de vernieuwing van het inschrijvingsbewijs, en c. de vergoeding, die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de behandeling van zijn aanvraag om inschrijving en om wijziging of doorhaling van de inschrijving alsmede voor afgifte en vernieuwing van een bewijs van inschrijving. 1999 235 17-06-1999 29-04-1999 26336 2001 466 16-10-2001 09-10-2001 01-10-2001 Datum inwerkingtreding ligt voor datum uitgifte.
Artikel 3.8 — Artikel 3.8#
Artikel 3.8 1 Het is verboden een vlucht uit te voeren met een luchtvaartuig, dat: a. niet luchtwaardig is, of b. niet voorzien is van een geldig bewijs van luchtwaardigheid. 2 Voor het uitvoeren van een vlucht met een Nederlands luchtvaartuig is een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie afgegeven bewijs van luchtwaardigheid vereist. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 3.9 — Artikel 3.9#
Artikel 3.9 1 Onze Minister van Defensie geeft met betrekking tot een type-ontwerp van een militair luchtvaartuig dan wel van een voortstuwingsinrichting of propeller bestemd voor een militair luchtvaartuig, een type-certificaat af, indien wordt voldaan aan de bij regeling van Onze Minister van Defensie gestelde eisen. 2 Een type-certificaat wordt afgegeven voor onbepaalde tijd. 3 Het type-certificaat geldt ten aanzien van alle militaire luchtvaartuigen, voortstuwingsinrichtingen of propellers bestemd voor een militair luchtvaartuig, die conform het onderzochte type-ontwerp zijn. 4 Onze Minister van Defensie wijzigt een type-certificaat, wanneer voldaan wordt aan de bij regeling van Onze Minister van Defensie gestelde eisen. 5 Onze Minister van Defensie kan een aanvullend type-certificaat afgeven. Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 2006 359 01-08-2006 05-07-2006 30456 2006 359 01-08-2006 05-07-2006 30456 02-08-2006
Artikel 3.10 — Artikel 3.10#
Artikel 3.10 Vervallen 2006 359 01-08-2006 05-07-2006 30456 2006 359 01-08-2006 05-07-2006 30456 02-08-2006
Artikel 3.11 — Artikel 3.11#
Artikel 3.11 Vervallen 2006 359 01-08-2006 05-07-2006 30456 2006 359 01-08-2006 05-07-2006 30456 02-08-2006
Artikel 3.12 — Artikel 3.12#
Artikel 3.12 1 Onze Minister van Defensie kan een typecertificaat of aanvullend type-certificaat schorsen, wanneer een ernstig vermoeden rijst, dat met betrekking tot de luchtvaartuigen dan wel voortstuwingsinrichtingen of propellers waarvoor dat type-certificaat of aanvullend typecertificaat is afgegeven, niet aan de bij regeling van Onze Minister van Defensie gestelde eisen wordt voldaan. 2 Onze Minister van Defensie heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn komen te vervallen. 3 Onze Minister van Defensie kan een typecertificaat of aanvullend type-certificaat intrekken, wanneer de luchtvaartuigen dan wel voortstuwingsinrichtingen of propellers met betrekking waartoe dat type-certificaat is afgegeven, niet aan daarvoor bij regeling van Onze Minister van Defensie gestelde eisen voldoen. 2006 359 01-08-2006 05-07-2006 30456 2006 359 01-08-2006 05-07-2006 30456 02-08-2006
Artikel 3.13 — Artikel 3.13#
Artikel 3.13 1 Bij algemene maatregel van bestuur wordt aangegeven welke bewijzen van luchtwaardigheid Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan afgeven, alsmede de verplichtingen en de bevoegdheden, welke aan ieder bewijs verbonden zijn. 2 In de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangegeven in welke gevallen aan de houder van een luchtvaartuig, waarvoor EASA geen type-certificaat of aanvullend type-certificaat heeft afgegeven, Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een type-certificaat, aanvullend type-certificaat dan wel een bewijs van luchtwaardigheid kan afgeven of wijzigen. 3 Aan een bewijs van luchtwaardigheid kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. Het is verboden in strijd met die voorschriften of beperkingen te handelen. 4 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan met betrekking tot een luchtvaartuig, dat naar zijn oordeel van historische waarde is en niet voldoet aan de eisen van EASA, een bewijs van luchtwaardigheid afgeven, mits het betrokken luchtvaartuig voldoet aan de bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu met betrekking tot de luchtwaardigheid van dat luchtvaartuig gestelde eisen. 2017 320 29-08-2017 17-05-2017 34591 2017 321 29-08-2017 19-08-2017 30-08-2017
Artikel 3.14 — Artikel 3.14#
Artikel 3.14 1 Onze Minister van Defensie geeft met betrekking tot Nederlandse militaire luchtvaartuigen bewijzen van luchtwaardigheid af, indien: a. artikel 3.9, eerste lid ten aanzien van het betrokken type-ontwerp een typecertificaat is afgegeven als bedoeld in; en b. het betrokken luchtvaartuig voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen; deze eisen kunnen voor verschillende categorieën luchtvaartuigen verschillend zijn. 2 Bij ministeriële regeling wordt aangegeven welke bewijzen van luchtwaardigheid Onze Minister van Defensie kan afgeven. 3 In afwijking van het eerste lid, onder a, wordt in de ministeriële regeling, bedoeld in het tweede lid, aangegeven in welke gevallen met betrekking tot een militair luchtvaartuig, waarvoor geen type-certificaat is afgegeven, door Onze Minister van Defensie een bewijs van luchtwaardigheid kan worden afgegeven. 4 Aan een bewijs van luchtwaardigheid kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. Het is verboden in strijd met die voorschriften of beperkingen te handelen. 5 Onze Minister van Defensie kan met betrekking tot een luchtvaartuig, dat naar zijn oordeel van historische waarde is en niet voldoet aan een van de eisen, bedoeld in het eerste lid, een bewijs als bedoeld in het tweede lid afgeven. Het betrokken luchtvaartuig dient te voldoen aan door Onze Minister van Defensie met betrekking tot de luchtwaardigheid van dat luchtvaartuig gestelde eisen. 2006 359 01-08-2006 05-07-2006 30456 2006 359 01-08-2006 05-07-2006 30456 02-08-2006
Artikel 3.15 — Artikel 3.15#
Artikel 3.15 1 Het bewijs van luchtwaardigheid voor burgerluchtvaartuigen wordt afgegeven voor onbepaalde tijd dan wel voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn, welke voor de verschillende bewijzen van luchtwaardigheid verschillend kan zijn. 2 artikel 3.13 Op aanvraag van de houder verlengt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu het bewijs van luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig, indien wordt voldaan aan de bij of krachtensgestelde eisen. 3 Het bewijs van luchtwaardigheid voor militaire luchtvaartuigen wordt afgegeven voor onbepaalde tijd. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 3.16 — Artikel 3.16#
Artikel 3.16 1 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan op aanvraag van de houder een bewijs van luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig wijzigen, nadat hij het bewijs van luchtwaardigheid bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu daartoe heeft ingeleverd. 2 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu wijzigt een bewijs van luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig ambtshalve, indien aan het betrokken burgerlichtvaartuig veranderingen zijn aangebracht, die de gegevens als vermeld op het bewijs van luchtwaardigheid beïnvloeden. 3 In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, levert de houder van het betrokken burgerluchtvaartuig op eerste vordering van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, terstond het betrokken bewijs «van luchtwaardigheid bij Onze Minister» van Verkeer en Waterstaat ter wijziging in. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 3.17 — Artikel 3.17#
Artikel 3.17 1 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een bewijs van luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig schorsen, wanneer: a. een ernstig vermoeden rijst dat het betrokken luchtvaartuig niet lichtwaardig is; b. artikel 3.3 het desbetreffende luchtvaartuig niet meer in het register, bedoeld in, is ingeschreven; c. de houder van het betrokken luchtvaartuig dat luchtvaartuig niet overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen onderhoudt of laat onderhouden, of d. de houder van het betrokken luchtvaartuig anderszins het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde niet nakomt. 2 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn komen te vervallen. 3 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu trekt een bewijs van luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig ambtshalve in, wanneer: a. het type-certificaat met betrekking tot dat luchtvaartuig is ingetrokken; b. ter verkrijging van het bewijs van luchtwaardigheid onjuiste gegevens zijn verstrekt, of c. het betrokken luchtvaartuig onherstelbaar is beschadigd. 4 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een bewijs van luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig intrekken, wanneer: a. het betrokken luchtvaartuig anders dan wegens onherstelbare beschadiging niet luchtwaardig is, of b. het bewijs van luchtwaardigheid gedurende ten minste drie maanden is geschorst. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 3.18 — Artikel 3.18#
Artikel 3.18 1 Onze Minister van Defensie kan een bewijs van luchtwaardigheid voor een militair luchtvaartuig schorsen, wanneer: a. een ernstig vermoeden rijst dat het betrokken luchtvaartuig niet luchtwaardig is, of b. het type-certificaat met betrekking tot dat luchtvaartuig is geschorst of ingetrokken. 2 Onze Minister van Defensie heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn komen te vervallen. 3 Onze Minister van Defensie trekt een bewijs van luchtwaardigheid voor een militair luchtvaartuig in, wanneer het betrokken luchtvaartuig: a. onherstelbaar is beschadigd, of b. definitief buiten gebruik wordt gesteld. 4 Onze Minister van Defensie kan een bewijs van luchtwaardigheid voor een militair luchtvaartuig intrekken, wanneer het betrokken luchtvaartuig anders dan wegens onherstelbare beschadiging niet luchtwaardig is. 5 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gegeven. 1999 235 17-06-1999 29-04-1999 26336 2001 466 16-10-2001 09-10-2001 01-10-2001 Datum inwerkingtreding ligt voor datum uitgifte.
Artikel 3.19 — Artikel 3.19#
Artikel 3.19 1 De houder van een burgerluchtvaartuig, waarvan het type-certificaat, het beperkt type-certificaat of het aanvullend type-certificaat afgegeven door de EASA is ingetrokken, dan wel het bewijs van luchtwaardigheid is geschorst of ingetrokken, levert op eerste vordering van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu het bewijs van luchtwaardigheid van het betrokken luchtvaartuig, terstond in bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 2 Wanneer de schorsing wordt opgeheven doet Onze Minister van Infrastructuur en Milieu het ingeleverde bewijs van luchtwaardigheid terstond wederom toekomen aan de houder van het betrokken luchtvaartuig. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 3.19a — Artikel 3.19a#
Artikel 3.19a 1 Het is verboden een vlucht uit te voeren met een burgerluchtvaartuig, dat: a. niet voldoet aan de voor dat luchtvaartuig geldende geluidseisen, of b. niet is voorzien van een geldig voor dat luchtvaartuig afgegeven geluidscertificaat of van een passende verklaring in een ander document dat door de staat van registratie is goedgekeurd voor zover dit voor dat luchtvaartuig vereist is. 2 Voor het uitvoeren van een vlucht met een Nederlands burgerluchtvaartuig dat is voorzien van een voortstuwingsinrichting is vereist een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu afgegeven (voorlopig) geluidscertificaat, (voorlopige) geluidsverklaring of (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt aangegeven in welke gevallen aan de houder van een burgerluchtvaartuig, waarvoor geen type-certificaat is afgegeven, door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een geluidscertificaat kan worden afgegeven. 4 Een geluidscertificaat wordt afgegeven voor onbepaalde tijd. Vooruitlopend op de afgifte van een geluidscertificaat kan een voorlopig geluidscertificaat worden afgegeven. 5 Aan een geluidscertificaat dan wel een voorlopig geluidscertificaat kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden in verband met het onderhoud of het gebruik van het luchtvaartuig. Het is verboden in strijd met die voorschriften of beperkingen te handelen. 6 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan met betrekking tot een luchtvaartuig, dat naar zijn oordeel van historische waarde is, geluidseisen stellen die afwijken van de door EASA vastgestelde geluidseisen. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 3.19b — Artikel 3.19b#
Artikel 3.19b Vervallen 2006 359 01-08-2006 05-07-2006 30456 2006 359 01-08-2006 05-07-2006 30456 02-08-2006
Artikel 3.19c — Artikel 3.19c#
Artikel 3.19c 1 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu geeft op aanvraag aan de houder van een burgerluchtvaartuig dat is voorzien van een voortstuwingsinrichting, waarvoor geen geluidseisen gelden, en dat in Nederland is ingeschreven, een geluidsverklaring af. Op deze verklaring wordt vermeld dat voor het betrokken luchtvaartuig geen geluidseisen gelden. 2 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan op aanvraag aan de houder van een burgerluchtvaartuig een geluidsverklaring afgeven omtrent geluidsniveaus bepaald op andere wijze dan ingevolge de geldende eisen. Op deze verklaring wordt vermeld dat voor het betreffende luchtvaartuig een geluidscertificaat is afgegeven alsmede de wijze waarop van de voorschriften ingevolge de geldende eisen is afgeweken. 3 De geluidsverklaring wordt afgegeven voor onbepaalde tijd. Vooruitlopend op de afgifte van een geluidsverklaring respectievelijk een aanvullende geluidsverklaring, als bedoeld in de voorgaande leden, kan een voorlopige geluidsverklaring respectievelijk een voorlopige aanvullende geluidsverklaring worden afgegeven. 4 Aan een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring kunnen voorschriften of beperkingen met betrekking tot het onderhoud of het gebruik van het luchtvaartuig worden verbonden. Het is verboden in strijd met die voorschriften of beperkingen te handelen. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 3.19d — Artikel 3.19d#
Artikel 3.19d 1 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu wijzigt op aanvraag van de houder een geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig, nadat de houder een wijziging aan het luchtvaartuig heeft uitgevoerd, indien: a. het luchtvaartuig na de wijziging aan de geluidseisen blijft voldoen, en b. de houder het geluidscertificaat daartoe bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu heeft ingeleverd. 2 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een geluidscertificaat ambtshalve wijzigen wanneer: a. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verwerkt of verstrekt, of b. gegevens op het certificaat wijziging hebben ondergaan. 3 Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de wijziging van een geluidsverklaring. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 3.19e — Artikel 3.19e#
Artikel 3.19e 1 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een (voorlopig) geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig vernieuwen, indien het verloren is gegaan, beschadigd of anderszins onbruikbaar is geworden. 2 Indien een (voorlopig) geluidscertificaat wegens verlies is vernieuwd en het certificaat wordt teruggevonden, levert de houder van het betrokken luchtvaartuig het teruggevonden (voorlopige) certificaat binnen acht dagen bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in. 3 Indien een (voorlopig) geluidscertificaat anders dan wegens verlies is vernieuwd, levert de houder van het betrokken luchtvaartuig het oorspronkelijke (voorlopige) geluidscertificaat binnen acht dagen na ontvangst van het vernieuwde (voorlopige) certificaat bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in. 4 Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 3.19f — Artikel 3.19f#
Artikel 3.19f 1 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig schorsen, wanneer: a. een ernstig vermoeden rijst dat niet meer aan de geluidseisen wordt voldaan; b. een ernstig vermoeden rijst dat de houder van het betrokken luchtvaartuig dat luchtvaartuig niet overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen onderhoudt of laat onderhouden; c. een ernstig vermoeden rijst dat met betrekking tot dat luchtvaartuig een wijziging is aangebracht, zonder dat de houder een daardoor noodzakelijk geworden wijziging van het geluidscertificaat heeft aangevraagd of zonder dat deze wijziging van het luchtvaartuig is goedgekeurd; d. het type-certificaat met betrekking tot dat luchtvaartuig is geschorst of ingetrokken; e. een ernstig vermoeden rijst dat ter verkrijging van een geluidscertificaat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; f. een ernstig vermoeden rijst dat op het geluidscertificaat onjuiste gegevens zijn vermeld; of g. de houder van het luchtvaartuig anderszins het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde niet nakomt. 2 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn vervallen. 3 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig intrekken, wanneer: a. een wijziging met betrekking tot het luchtvaartuig is aangebracht, zonder dat de houder een daardoor noodzakelijk geworden wijziging van het geluidscertificaat heeft aangevraagd of zonder dat deze wijziging van het luchtvaartuig is goedgekeurd; b. het geluidscertificaat gedurende tenminste drie maanden is geschorst; c. ter verkrijging van een geluidscertificaat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, of d. op het geluidscertificaat onjuiste gegevens zijn vermeld. 4 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu trekt een geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig in, wanneer: a. het luchtvaartuig niet aan de geluidseisen voldoet ; b. het betrokken luchtvaartuig onherstelbaar is beschadigd, of c. het betrokken luchtvaartuig uit het register van Nederlandse burgerluchtvaartuigen is uitgeschreven. 5 De houder van het burgerluchtvaartuig waarvan het geluidscertificaat is geschorst of ingetrokken, levert op eerste vordering van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu het geluidscertificaat binnen acht dagen in bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 6 Wanneer de schorsing wordt opgeheven doet Onze Minister van Infrastructuur en Milieu het ingeleverde geluidscertificaat terstond wederom toekomen aan de houder van het betrokken burgerluchtvaartuig. 7 Het eerste lid onder b tot en met g, het tweede, derde, vierde lid onder b en c, het vijfde en het zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring. 8 Onverminderd het zevende lid wordt een (voorlopige) geluidsverklaring, afgegeven in aanvulling op een (voorlopig) geluidscertificaat, geschorst indien het betrokken (voorlopige) geluidscertificaat wordt geschorst, onderscheidenlijk ingetrokken, wanneer het betrokken (voorlopige) geluidscertificaat wordt ingetrokken. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 3.20 — Artikel 3.20#
Artikel 3.20 Vervallen 2006 359 01-08-2006 05-07-2006 30456 2006 359 01-08-2006 05-07-2006 30456 02-08-2006
Artikel 3.21 — Artikel 3.21#
Artikel 3.21 1 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan op aanvraag van de houder, respectievelijk Onze Minister van Defensie kan ambtshalve ontheffing verlenen van de bij of krachtens deze paragraaf gegeven regels, wanneer door bijzondere omstandigheden die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt gebracht. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. 2 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie trekt de ontheffing in, wanneer: a. de redenen, waarom de ontheffing is verleend, zijn komen te vervallen, of b. de houder van de ontheffing de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet naleeft. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 3.22 — Artikel 3.22#
Artikel 3.22 1 De houder van een Nederlands burgerluchtvaartuig, waarvoor een bewijs van luchtwaardigheid is afgegeven: a. ziet er op toe, dat het luchtvaartuig zijn luchtwaardigheid behoudt, en b. onderhoudt of laat het luchtvaartuig onderhouden overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels. 2 De houder van een Nederlands burgerluchtvaartuig dat is voorzien van een voortstuwingsinrichting ziet er op toe dat: a. het luchtvaartuig blijft voldoen aan de geldende geluidseisen, en b. het luchtvaartuig in de configuratie blijft waarvoor het geluidscertificaat of de geluidsverklaring is verleend. 3 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan worden aangegeven in welke gevallen en onder welke voorwaarden een afwijking van beperkte duur van het bepaalde in het tweede lid, onder b, is toegestaan. 4 De houder van een Nederlands burgerlichtvaartuig, waarvoor een bewijs van luchtwaardigheid is afgegeven, volgt de door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu gegeven aanwijzingen met betrekking tot de luchtwaardigheid op. 5 Onze Minister van Defensie ziet er op toe dat militaire luchtvaartuigen worden onderhouden overeenkomstig de daartoe gestelde eisen. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 3.23 — Artikel 3.23#
Artikel 3.23 Ten aanzien van burgerluchtvaartuigen worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld met betrekking tot het in deze paragraaf bepaalde. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen betreffende: a. de aanvraag en de afgifte van een type-certificaat, een aanvullend type-certificaat, een bewijs van luchtwaardigheid, een (voorlopig) geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring; b. de wijziging en overdracht van een type-certificaat, een aanvullend type-certificaat, een (voorlopig) geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring, een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring en een bewijs van luchtwaardigheid en de verlenging van zulk een bewijs; c. de procedure van aanvraag, wijziging, schorsing en intrekking van een type-certificaat, een aanvullend type-certificaat, een (voorlopig) geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring; d. de procedure van aanvraag, wijziging, verlenging, schorsing en intrekking van een bewijs van luchtwaardigheid; e. de eisen waaraan de aanvrager van een bewijs van luchtwaardigheid of geluidscertificaat moet voldoen alsmede de wijze, waarop hij kan doen blijken, dat hij aan die eisen voldoet; f. hetgeen moet worden verstaan onder een ingrijpende wijziging van het type-ontwerp waarvoor een type-certificaat is afgegeven; g. het aan luchtvaartuigen te verrichten onderhoud; h. de vernieuwing van een bewijs van luchtwaardigheid, een (voorlopig) geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring; i. de vergoeding die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de behandeling van zijn aanvraag om afgifte, wijziging of overdracht van een type-certificaat, of van een aanvullend type-certificaat, en j. de vergoeding die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de behandeling van zijn aanvraag om afgifte, wijziging of vernieuwing van een (voorlopig) geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring, een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring en een bewijs van luchtwaardigheid of de verlenging van een bewijs van luchtwaardigheid, dan wel van zijn aanvraag om een ontheffing; k. de vergoeding die de aanvrager verschuldigd is voor de kosten van de behandeling van zijn aanvraag om goedkeuring of wijziging van een onderhoudsprogramma. 2017 320 29-08-2017 17-05-2017 34591 2017 321 29-08-2017 19-08-2017 30-08-2017
Artikel 3.24 — Artikel 3.24#
Artikel 3.24 Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot het model en de uitvoering van een type-certificaat, een aanvullend type-certificaat, een bewijs van luchtwaardigheid, een (voorlopig) geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring of een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring voor een burgerluchtvaartuig regels worden gesteld. 2003 24 23-01-2003 19-12-2002 28357 2005 223 29-04-2005 22-04-2005 01-05-2005 Treedt in werking met uitzondering voor zover het betreft MLA's. Treedt in werking voor zover het betrekking heeft op
luchtvaartuigen met een maximum startmassa van ten hoogste 8.618 kg.
Voor zover het betrekking heeft op luchtvaartuigen met een maximum
startmassa van meer dan 8.618 kg treedt het in werking op 1 januari 2006.
Artikel 3.25 — Artikel 3.25#
Artikel 3.25 1 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu verleent voor het verrichten van werkzaamheden verband houdende met de luchtwaardigheid of de geluidsproductie van burgerluchtvaartuigen of onderdelen daarvan op aanvraag aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning, wanneer de desbetreffende natuurlijke persoon of rechtspersoon een bedrijf voert, dat voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met betrekking tot die erkenning gestelde eisen. Aan de erkenning kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. 2 Bij algemene maatregel van bestuur wordt aangegeven welke erkenningen Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan verlenen, alsmede de bevoegdheden, welke aan iedere erkenning verbonden zijn. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven met betrekking tot het verrichten van werkzaamheden verband houdende met de luchtwaardigheid van burgerluchtvaartuigen of onderdelen daarvan door een natuurlijke persoon of rechtspersoon zonder erkenning als bedoeld in het eerste lid. 4 Het is behoudens het derde lid verboden de werkzaamheden verband houdende met de luchtwaardigheid van burgerluchtvaartuigen of onderdelen daarvan, bedoeld in het eerste lid, te verrichten zonder een daartoe strekkende erkenning. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 3.26 — Artikel 3.26#
Artikel 3.26 1 Een erkenning wordt verleend voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn dan wel voor onbepaalde tijd. 2 Op aanvraag van de houder kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu de erkenning wijzigen. 3 Op aanvraag van de houder verlengt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu de erkenning, indien wordt voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met betrekking tot die erkenning gestelde eisen. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 3.27 — Artikel 3.27#
Artikel 3.27 1 artikel 3.25 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een erkenning geheel of gedeeltelijk schorsen, wanneer een ernstig vermoeden rijst, dat het betrokken bedrijf niet voldoet aan de eisen, gesteld krachtens. 2 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn komen te vervallen. 3 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een erkenning intrekken, wanneer: a. de houder daarom verzoekt; b. artikel 3.25 het betrokken bedrijf niet voldoet aan de eisen, gesteld krachtens; c. de houder krachtens de hem verleende erkenning werkzaamheden verricht, waartoe deze niet erkend is; d. de houder van de erkenning de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet naleeft; e. de erkenning gedurende ten minste drie maanden is geschorst, of f. de houder in staat van faillissement verkeert. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 3.28 — Artikel 3.28#
Artikel 3.28 artikel 3.25 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan op grond van een internationale overeenkomst of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie natuurlijke of rechtspersonen, die bedrijven voeren, welke op grond van eisen, welke gelijkwaardig zijn aan de krachtensgestelde eisen, a. erkend zijn door de bevoegde autoriteit van een door hem bij ministeriële regeling aangewezen staat, of b. erkend zijn door een door hem bij ministeriële regeling aangewezen internationale organisatie erkennen als erkende bedrijven. Aan de erkenning kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 3.29 — Artikel 3.29#
Artikel 3.29 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven met betrekking tot deze paragraaf. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen betreffende: a. de aanvraag en de afgifte van een erkenning; b. de verlenging of wijziging van een erkenning; c. de procedure van aanvraag, verlenging, wijziging, schorsing of intrekking van een erkenning; d. de vernieuwing van de erkenning, e. de vergoeding die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de behandeling van zijn aanvraag om afgifte, verlenging, vernieuwing of wijziging van een erkenning; f. artikel 3.25, derde lid de vergoeding die de aanvrager verschuldigd is voor het verlenen van toestemming tot het verrichten van werkzaamheden zonder erkenning als bedoeld inen g. het model en de uitvoering van de erkenningen. 2003 24 23-01-2003 19-12-2002 28357 2005 223 29-04-2005 22-04-2005 01-05-2005 Treedt in werking met uitzondering voor zover het betreft MLA's. Treedt in werking voor zover het betrekking heeft op
luchtvaartuigen met een maximum startmassa van ten hoogste 8.618 kg.
Voor zover het betrekking heeft op luchtvaartuigen met een maximum
startmassa van meer dan 8.618 kg treedt het in werking op 1 januari 2006.
Artikel 3.30 — Artikel 3.30#
Artikel 3.30 1 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan op aanvraag bewijzen van bevoegdheid afgeven: artikelen 2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, vierde en vijfde lid 2.2 2.3 2.5 tot en met 2.10 De,,enzijn van overeenkomstige toepassing. a. voor het zonder toezicht verrichten van onderhoud aan luchtvaartuigen; b. waarmee de houder in aanmerking komt om door een erkend onderhoudsbedrijf gemachtigd te worden om namens dat bedrijf werkzaamheden te mogen vrijgeven. 2 artikel 3.25 Behoudensis het verboden zonder toezicht onderhoud aan burgerluchtvaartuigen te verrichten indien het daarvoor geldige bewijs van bevoegdheid ontbreekt. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 3.31 — Artikel 3.31#
Artikel 3.31 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven met betrekking tot startinrichtingen voor luchtvaartuigen zonder voortstuwingsinrichting. 1999 235 17-06-1999 29-04-1999 26336 2001 466 16-10-2001 09-10-2001 01-10-2001 Datum inwerkingtreding ligt voor datum uitgifte.
Artikel 4.1 — Artikel 4.1#
Artikel 4.1 1 Voor zover bij internationale overeenkomst of besluit van een volkenrechtelijke organisatie niet anders is bepaald, is het verboden met luchtvaartuigen vluchten tegen vergoeding uit te voeren zonder een daartoe door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu afgegeven AOC. 2 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu geeft op aanvraag de AOC af, wanneer wordt voldaan aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen. De AOC wordt slechts afgegeven aan een luchtvaartmaatschappij. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan aangegeven worden welke AOC's Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan afgeven alsmede de verplichtingen en bevoegdheden welke aan een AOC verbonden zijn. 4 Aan een AOC kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. Het is verboden vluchten uit te voeren in strijd met de aan een AOC verbonden voorschriften of beperkingen. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 4.2 — Artikel 4.2#
Artikel 4.2 1 De AOC wordt afgegeven voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn, welke termijn voor de verschillende AOC's verschillend kan zijn. 2 artikel 4.1, tweede en derde lid Op aanvraag van de houder verlengt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu de AOC, indien wordt voldaan aan de bij of krachtens, gestelde eisen. 3 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een AOC op verzoek van de houder wijzigen. 4 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu wijzigt een AOC ambtshalve, wanneer: a. onjuiste gegevens zijn verstrekt; b. de vluchtuitvoering, waarvoor de AOC is verleend, tijdens de duur van de AOC veranderingen heeft ondergaan, of c. redenen van nationaal of internationaal beleid op het gebied van de vluchtuitvoering zulks vereisen. 5 artikel 4.1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven met betrekking toten dit artikel. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op: a. de aanvraag om afgifte van een AOC of een wijziging of verlenging daarvan, en b. de vergoeding, die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de behandeling van zijn aanvraag om afgifte van een AOC of om een wijziging, het onderhouden of de verlenging daarvan. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 4.3 — Artikel 4.3#
Artikel 4.3 1 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een AOC schorsen: a. wegens vluchtuitvoering in strijd met bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften; b. wegens overtreding van de aan de AOC verbonden voorschriften of beperkingen, of c. indien ter verkrijging van de AOC onjuiste gegevens zijn verstrekt. 2 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn komen te vervallen. 3 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een AOC intrekken: a. indien de AOC-houder daarom verzoekt; b. wegens het gedurende een aangesloten periode van ten minste twaalf maanden niet uitvoeren van vluchten; c. indien ter verkrijging van de AOC onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, of d. indien de AOC ten minste drie maanden is geschorst. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 4.4 — Artikel 4.4#
Artikel 4.4 1 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan op aanvraag van de houder ontheffing verlenen van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde regels, wanneer door bijzondere omstandigheden die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt gebracht. 2 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan voorts ontheffing verlenen van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde regels met betrekking tot onbemande luchtvaartuigen, wanneer door bijzondere omstandigheden die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt gebracht. 3 Aan de ontheffing, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. 4 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu trekt de door hem verleende ontheffing in, wanneer: a. de redenen, waarom de ontheffing is verleend, zijn komen te vervallen, of b. de houder van de ontheffing de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet naleeft. 2017 320 29-08-2017 17-05-2017 34591 2017 321 29-08-2017 19-08-2017 30-08-2017
Artikel 4.5 — Artikel 4.5#
Artikel 4.5 De houder van een AOC volgt de door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu gegeven aanwijzingen met betrekking tot de vluchtuitvoering op. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 4.6 — Artikel 4.6#
Artikel 4.6 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot vluchtuitvoering die niet door een luchtvaartmaatschappij dan wel niet tegen vergoeding wordt uitgevoerd. 2 Het is verboden vluchten uit te voeren in strijd met de bij of krachtens het eerste lid gestelde regels. 1999 235 17-06-1999 29-04-1999 26336 2008 292 18-07-2008 12-07-2008 19-07-2008
Artikel 4.7 — Artikel 4.7#
Artikel 4.7 artikelen 4.1 tot en met 4.6 Dezijn niet van toepassing op de vluchtuitvoering ten behoeve van douane- en politiedoeleinden. 1999 235 17-06-1999 29-04-1999 26336 2008 292 18-07-2008 12-07-2008 19-07-2008
Artikel 4.8 — Artikel 4.8#
Artikel 4.8 De gezagvoerder van een burgerluchtvaartuig is verplicht de bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu genoemde documenten mee te voeren. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 5.1 — Artikel 5.1#
Artikel 5.1 artikelen 5.3 5.9 Het bepaalde bij of krachtens detot en metis van toepassing op: a.. deelnemers aan het luchtverkeer binnen het vluchtinformatiegebied Amsterdam, en b. Nederlandse luchtvaartuigen, waar deze zich ook bevinden, tenzij dit onverenigbaar is met de daar ter plaatse geldende regels of de regels die in overeenstemming met internationale afspraken worden gehanteerd door de ter plaatse voor het verlenen van luchtverkeersdiensten verantwoordelijke Staat. 2007 405 30-10-2007 27-09-2007 30834 2008 175 27-05-2008 13-05-2008 28-05-2008
Artikel 5.2 — Artikel 5.2#
Artikel 5.2 Buiten het vluchtinformatiegebied Amsterdam houdt de gezagvoerder van een Nederlands luchtvaartuig zich aan de daar ter plaatse geldende regels. Indien in overeenstemming met internationale afspraken andere regels worden gehanteerd door de ter plaatse voor het verlenen van luchtverkeersdiensten verantwoordelijke Staat, houdt de gezagvoerder zich aan deze regels. 2007 405 30-10-2007 27-09-2007 30834 2008 175 27-05-2008 13-05-2008 28-05-2008
Artikel 5.3 — Artikel 5.3#
Artikel 5.3 Het is verboden op zodanige wijze aan het luchtverkeer deel te nemen dan wel luchtverkeersleidingsdiensten te verlenen dat daardoor personen of zaken in gevaar worden of kunnen worden gebracht. 2007 405 30-10-2007 27-09-2007 30834 2008 175 27-05-2008 13-05-2008 28-05-2008
Artikel 5.4 — Artikel 5.4#
Artikel 5.4 Het is verboden boven gebieden met aaneengesloten bebouwing of kunstwerken, industrie- en havengebieden daaronder begrepen, dan wel boven mensenmenigten, aan het luchtverkeer deel te nemen op een zodanige hoogte dat het niet meer mogelijk is een noodlanding uit te voeren zonder personen of zaken op het aardoppervlak in gevaar te brengen, tenzij zulks noodzakelijk is: a. om op te stijgen van of te landen op een luchthaven; b. voor de uitvoering van naderings- en vertrekprocedures, alsmede van luchtverkeerspatronen. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 5.5 — Artikel 5.5#
Artikel 5.5 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter bescherming van de openbare veiligheid bij het gebruik van het luchtruim, ter bevordering van het veilige, ordelijke en vlotte verloop van het luchtverkeer of ter bescherming van personen of zaken aan boord van het luchtvaartuig of op het aardoppervlak regels worden gesteld aan deelnemers van het luchtverkeer. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorts regels worden gesteld betreffende: a. de uitvoering van vluchten; b. de met betrekking tot de uitvoering van vluchten te verstrekken inlichtingen; c. de communicatie tussen deelnemers aan het luchtverkeer onderling en met de instanties en organisaties belast met het verlenen van luchtverkeersdiensten; d. de in en ten behoeve van het luchtverkeer te gebruiken tekens en seinen; e. het gebruik van het luchtruim anders dan door luchtverkeer; en f. gedrag van het verkeer op een luchthaven. 3 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan ontheffing of vrijstelling verlenen van het bepaalde bij of krachtens het eerste en tweede lid, mede met inachtneming van het veilige, ordelijke en vlotte verloop van het luchtverkeer. Aan de ontheffing of vrijstelling kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. Het is verboden in strijd met die voorschriften of beperkingen te handelen. 4 De kosten die samenhangen met het in behandeling nemen van de aanvraag en de afgifte van de in het derde lid bedoelde ontheffing of een wijziging daarvan, worden ten laste gebracht van de aanvrager. 5 De bedragen ter vergoeding van de kosten worden vastgesteld bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 5.6 — Artikel 5.6#
Artikel 5.6 Het is verboden een vlucht uit te voeren zonder dat een gezagvoerder is aangewezen. 1997 255 26-06-1997 26-03-1997 24513 1999 263 29-06-1999 21-06-1999 26336 01-07-1999
Artikel 5.7 — Artikel 5.7#
Artikel 5.7 1 De gezagvoerder bevindt zich aan boord van het luchtvaartuig. 2 de eerste volzin De gezagvoerder is, ongeacht of hij daadwerkelijk de stuurorganen bedient of niet, ervoor verantwoordelijk dat de uitvoering van de vlucht geschiedt in overeenstemming met de bij of krachtens deze wet gestelde regels. Van de regels bedoeld inmag slechts worden afgeweken indien de omstandigheden dit in het belang van de veiligheid dringend noodzakelijk maken. 3 Het eerste lid is niet van toepassing op door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie bij ministeriële regeling aan te wijzen onbemande luchtvaartuigen. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 5.8 — Artikel 5.8#
Artikel 5.8 Voor de aanvang van iedere vlucht, neemt de gezagvoerder kennis van alle gegevens en inlichtingen die voor de uitvoering van de vlucht van belang zijn. 1997 255 26-06-1997 26-03-1997 24513 1999 263 29-06-1999 21-06-1999 26336 01-07-1999
Artikel 5.9 — Artikel 5.9#
Artikel 5.9 1 artikel 5.5, tweede lid, onderdeel c Voor de aanvang van iedere vlucht waaraan luchtverkeersleidingsdiensten worden verleend wordt door of namens de gezagvoerder een vliegplan ingediend overeenkomstig de bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in, gestelde regels. Het vliegplan bevat de gegevens en inlichtingen omtrent de voorgenomen vlucht. 2 Alvorens een vlucht waaraan luchtverkeersleidingsdiensten worden verleend aan te vangen, of een gedeelte daarvan uit te voeren moet een desbetreffende klaring zijn gevraagd en verkregen. 3 De gezagvoerder komt de door de verlener van luchtverkeersleidingsdiensten gegeven voorwaarden van de klaring na. Van de voorwaarden bedoeld in de eerste volzin mag slechts worden afgeweken indien de omstandigheden dit in het belang van de veiligheid dringend noodzakelijk maken. Een afwijking wordt zo spoedig mogelijk gemeld aan de betrokken verlener van luchtverkeersleidingsdiensten. 2007 405 30-10-2007 27-09-2007 30834 2008 175 27-05-2008 13-05-2008 28-05-2008
Artikel 5.10 — Artikel 5.10#
Artikel 5.10 1 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan bij ministeriële regeling het uitoefenen van het burgerluchtverkeer tijdelijk of blijvend beperken of verbieden boven Nederland of gedeelten daarvan: a. om redenen van openbare orde en veiligheid; b. om andere dringende redenen, waarbij het uitoefenen van de luchtvaart en omstandigheden of gebeurtenissen op het aardoppervlak elkaar kunnen beïnvloeden; 2 Onze Minister van Defensie kan bij ministeriële regeling het uitoefenen van het burgerluchtverkeer beperken of verbieden om reden van militaire noodzaak. 3 artikel 2.24, eerste lid artikel 2.27, aanhef en onder c, van de Omgevingswet Op voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot het uitoefenen van het burgerluchtverkeer boven gebieden aangewezen overeenkomstig, in samenhang met. 4 artikel 5.23, eerste lid, onderdeel c Van de regelingen krachtens het eerste en tweede lid wordt mededeling gedaan via de luchtvaartpublicaties bedoeld in, en voor zover nodig via de verlener van luchtverkeersdiensten aan de betrokken gezagvoerder. 5 Het is verboden aan het luchtverkeer deel te nemen in strijd met het bepaalde krachtens het eerste, tweede en derde lid van dit artikel. 2025 85 03-04-2025 10-02-2025 36581 2025 85 03-04-2025 10-02-2025 36581 04-04-2025
Artikel 5.11 — Artikel 5.11#
Artikel 5.11 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur: a. worden, met inachtneming van het type en de dichtheid van het luchtverkeer, delen van het vluchtinformatiegebied Amsterdam alsmede luchthavens aangewezen waar de daarbij bepaalde vormen van luchtverkeersdiensten worden verleend; b. worden in het vluchtinformatiegebied Amsterdam luchtverkeersroutes en -procedures vastgesteld, waaronder mede zijn begrepen naderings-, vertrek- en wachtprocedures, alsmede luchtverkeerspatronen; c. kunnen delen van het vluchtinformatiegebied Amsterdam worden aangewezen als tijdelijke gebieden met beperkingen, waar daarbij gegeven voorschriften gelden. 2 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan ontheffing of vrijstelling verlenen van het bepaalde bij of krachtens het eerste lid, mede met inachtneming van het veilige, ordelijke en vlotte verloop van het luchtverkeer. Aan de ontheffing of vrijstelling kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. Het is verboden in strijd met die voorschriften of beperkingen te handelen. 3 De kosten die samenhangen met het in behandeling nemen van de aanvraag en de afgifte van de in het tweede lid bedoelde ontheffing of een wijziging daarvan, worden ten laste gebracht van de aanvrager. 4 De bedragen ter vergoeding van de kosten worden vastgesteld bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 2024 77 02-04-2024 13-03-2024 36168 2024 124 10-05-2024 26-04-2024 01-07-2024
Artikel 5.12 — Artikel 5.12#
Artikel 5.12 1 Luchtverkeersdiensten worden verleend in het belang van de algemene luchtverkeersveiligheid en een veilig, ordelijk en vlot verloop van het luchtverkeer. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop luchtverkeersdiensten worden verleend. 2007 405 30-10-2007 27-09-2007 30834 2008 175 27-05-2008 13-05-2008 28-05-2008
Artikel 5.13 — Artikel 5.13#
Artikel 5.13 1 Binnen het vluchtinformatiegebied Amsterdam kunnen luchtverkeersdiensten worden verleend door: a. de LVNL. b. Onze Minister van Defensie; 2 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister van Defensie tezamen wijzen de gebieden waarbinnen en het luchtverkeer waaraan de in het eerste lid genoemde instanties luchtverkeersdiensten verlenen, aan. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 5.13a — Artikel 5.13a#
Artikel 5.13a 1 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu wijst een verlener van meteorologische diensten voor de luchtvaartnavigatie aan die verantwoordelijk is voor het beschikbaar maken, stellen en houden van luchtvaartmeteorologische inlichtingen of delen hiervan. 2 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden regels gesteld omtrent het beschikbaar maken, stellen en houden van luchtvaartmeteorologische inlichtingen. 3 Voor zover de aanwijzing en de regeling, bedoeld in het eerste en tweede lid, betrekking hebben op het vluchtinformatiegebied Amsterdam worden zij opgesteld in overeenstemming met Onze Minister van Defensie. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 5.14 — Artikel 5.14#
Artikel 5.14 artikel 5.13 In afwijking van, kunnen Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister van Defensie: a. delen van het vluchtinformatiegebied Amsterdam aanwijzen waarbinnen door de Eurocontrol-organisatie luchtverkeersdiensten worden verleend; b. artikel 5.13 in bijzondere situaties delen van het vluchtinformatiegebied Amsterdam aanwijzen waarbinnen luchtverkeersdiensten worden verleend door een andere verlener van luchtverkeersdiensten dan de ingenoemde verleners van luchtverkeersdiensten. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 5.14a — Artikel 5.14a#
Artikel 5.14a artikelen 5.13 5.13a 5.14 Indien op basis van artikel 9 bis van de luchtvaartnavigatiedienstenverordening een functioneel luchtruimblok is ingesteld, waarvan een gedeelte van of het gehele vluchtinformatiegebied Amsterdam deel uitmaakt, wijzen, in afwijking van de,en, Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister van Defensie in overeenstemming met het bevoegde gezag van de betrokken staat of staten voor dat bepaalde gebied een of meer verleners van luchtverkeersdiensten en verleners van meteorologische diensten voor de luchtvaartnavigatie aan, alsmede het luchtverkeer waaraan de bedoelde instanties luchtverkeersdiensten verlenen. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is. Abusievelijk is een wijziging geformuleerd die niet kan worden doorgevoerd.
Artikel 5.14b — Artikel 5.14b#
Artikel 5.14b 1 artikel 5.13 5.13a 5.14 5.14a Een bij of krachtens,,ofaangewezen instantie kan, onverminderd haar verantwoordelijkheid voor het verlenen van de diensten waartoe deze instantie is aangewezen, na schriftelijke instemming door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu luchtverkeersdiensten of meteorologische diensten voor de luchtvaartnavigatie laten verrichten door een andere verlener van luchtverkeersdiensten of meteorologische diensten voor de luchtvaartnavigatie. 2 artikel 5.13 5.13a 5.14 5.14a Ter verkrijging van de in het eerste lid bedoelde instemming dient de bij of krachtens,,ofaangewezen instantie hiertoe een verzoek in bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 3 artikel 5.13 5.14 5.14a De bij of krachtens,ofaangewezen instantie verstrekt alle informatie die benodigd is voor de beoordeling van een verzoek als bedoeld in het tweede lid. 4 Gronden waarop instemming als bedoeld in het eerste lid kan worden onthouden zijn: a. artikel 5.14d het niet voldoen of niet kunnen voldoen door de verlener van wiens diensten gebruik zal worden gemaakt aan de op grond van, derde lid, aan het certificaat van de aangewezen instantie gestelde beperkingen en voorschriften, dan wel indien het dienstverlening binnen het luchtruim van Bonaire, Sint Eustatius en Saba betreft, het niet voldoen of kunnen voldoen aan de bij regeling van Onze Minister gestelde eisen inzake het toezicht op de dienstverlener of inzake zijn bekwaamheid of geschiktheid; b. strijd met het belang van een veilig, ordelijk en vlot verloop van het luchtverkeer; of c. strijd met het recht. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 5.14c — Artikel 5.14c#
Artikel 5.14c 1 artikel 5.14b Het is verboden luchtverkeersdiensten te verlenen zonder hiertoe te zijn aangewezen bij of krachtens deze wet, dan wel zonder de hiertoe vereiste instemming, bedoeld in. 2 artikel 5.14b Het is verboden luchtverkeersdiensten te doen verlenen zonder de hiertoe vereiste instemming, bedoeld in. 2007 405 30-10-2007 27-09-2007 30834 2008 175 27-05-2008 13-05-2008 28-05-2008
Artikel 5.14d — Artikel 5.14d#
Artikel 5.14d 1 Het is verboden luchtvaartnavigatiediensten te verlenen zonder te beschikken over een daartoe bestemd certificaat als bedoeld in artikel 7 van de luchtvaartnavigatiedienstenverordening en artikel 41 van de basisverordening. 2 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu verstrekt een certificaat als bedoeld in het eerste lid, indien de aanvrager voldoet aan de in artikel 6 van de luchtvaartnavigatiedienstenverordening en artikel 40 van de basisverordening bedoelde eisen. 3 Aan een certificaat kunnen de voorschriften en beperkingen, zoals bedoeld in Bijlage II van de luchtvaartnavigatiedienstenverordening, worden verbonden. 4 De in het derde lid bedoelde voorschriften en beperkingen kunnen na het verstrekken van het certificaat ambtshalve worden gewijzigd of aangevuld wegens: a. wijziging van de krachtens deze wet gestelde regels; b. wijziging van de kaderverordening, luchtvaartnavigatiedienstenverordening, luchtruimverordening of interoperabiliteitsverordening; of c. wijziging van bepalingen die op grond van de in onderdeel b genoemde verordeningen zijn gesteld. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de aanvraag en verlening van een certificaat. 6 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu neemt binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag voor het verlenen van een certificaat een besluit omtrent de afgifte daarvan. 7 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een certificaat geheel of gedeeltelijk opschorten of intrekken overeenkomstig hetgeen bij of krachtens de basisverordening is bepaald. 8 artikel 2.2, achtste lid Dit artikel is niet van toepassing op verleners van luchtvaartnavigatiediensten die deze diensten hoofdzakelijk aanbieden aan andere bewegingen van luchtvaartuigen dan aan het algemeen luchtverkeer als bedoeld in. 2021 286 18-06-2021 26-05-2021 35664 2021 306 29-06-2021 25-06-2021 30-06-2021
Artikel 5.14e — Artikel 5.14e#
Artikel 5.14e Vervallen 2021 286 18-06-2021 26-05-2021 35664 2021 306 29-06-2021 25-06-2021 30-06-2021
Artikel 5.15 — Artikel 5.15#
Artikel 5.15 De instanties belast met het verlenen van luchtverkeersleidingsdiensten coördineren de uitvoering van deze taken met de instanties belast met het verlenen van luchtverkeersleidingsdiensten binnen hetzelfde gebied of in aangrenzende gebieden. 2007 405 30-10-2007 27-09-2007 30834 2008 175 27-05-2008 13-05-2008 28-05-2008
Artikel 5.16 — Artikel 5.16#
Artikel 5.16 artikel 2.1, eerste lid artikel 5.13 5.14 5.14a artikel 5.14b, eerste lid Onverminderd, van deze wet en de basisverordening is het verboden luchtverkeersdiensten te verlenen zonder een daartoe verkregen opdracht van een bij of krachtens,ofaangewezen instantie of van een andere verlener van luchtverkeersdiensten als bedoeld in. 2013 140 18-04-2013 28-03-2013 33476 2014 102 14-03-2014 11-02-2014 15-03-2014
Artikel 5.17 — Artikel 5.17#
Artikel 5.17 1 artikel 5.13 5.14 5.14a artikel 5.14b, eerste lid artikel 5.16 Een bij of krachtens,ofaangewezen instantie of een andere verlener van luchtverkeersdiensten als bedoeld in, houdt een registratie bij van de daadwerkelijk gewerkte uren van de houders van een bewijs van bevoegdheid voor het verlenen van luchtverkeersdiensten aan wie deze instanties een opdracht als bedoeld inhebben gegeven. 2 Ten behoeve van het behoud van de geldigheid en de verlenging van een bewijs van bevoegdheid voor het verlenen van luchtverkeersdiensten kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu om inzage in de registratie als bedoeld in het eerste lid verzoeken. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 5.17a — Artikel 5.17a#
Artikel 5.17a Vervallen 2007 405 30-10-2007 27-09-2007 30834 2008 175 27-05-2008 13-05-2008 28-05-2008 2008 130 29-04-2008 03-04-2008 31221 2008 175 27-05-2008 13-05-2008 28-05-2008
Artikel 5.18 — Artikel 5.18#
Artikel 5.18 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter bevordering van een veilige, ordelijke en vlotte afwikkeling van het luchtverkeer regels worden gesteld betreffende de prioriteitstelling bij het verlenen van luchtverkeersdiensten. 2007 405 30-10-2007 27-09-2007 30834 2008 175 27-05-2008 13-05-2008 28-05-2008
Artikel 5.19 — Artikel 5.19#
Artikel 5.19 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de exploitant van een burgerluchthaven met inachtneming van de daarbij te stellen regels na overleg met de gebruikers en de betrokken verlener van luchtverkeersleidingsdiensten, de volgorde van het gebruik van de luchthaven vaststelt. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 5.20 — Artikel 5.20#
Artikel 5.20 1 De luchtruimgebruiker, bedoeld in artikel 2, onderdeel 5, van de prestatie- en heffingsverordening, is in het vluchtinformatiegebied Amsterdam een vergoeding verschuldigd voor de bestrijding van kosten van: a. luchtvaartnavigatiediensten voor «en route»-verkeer als bedoeld in de op 12 februari 1981 te Brussel gesloten Multilaterale Overeenkomst betreffende «en route»-heffingen (Trb. 1981, 181), b. plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten. 2 De Eurocontrol-organisatie stelt jaarlijks in het kader van de op 12 februari 1981 te Brussel gesloten Multilaterale Overeenkomst betreffende «en route»-heffingen (Trb. 1981, 181), de hoogte van het en-route-eenheidstarief, bedoeld in artikel 25 van de prestatie- en heffingsverordening, vast ter berekening van de vergoeding voor luchtvaartnavigatiediensten voor «en route»-verkeer». Ter voorbereiding daarvan leggen de verleners van luchtvaartnavigatiediensten aan «en route»-verkeer» Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, jaarlijks vóór 15 mei een voorstel voor. 3 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stelt jaarlijks de hoogte van het terminaleenheidstarief, bedoeld in artikel 25 van de prestatie- en heffingsverordening, vast ter berekening van de vergoeding voor plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten. Ter voorbereiding daarvan leggen de verleners van plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten genoemde Minister jaarlijks vóór 15 mei een voorstel voor. 4 De Eurocontrol-organisatie int de vergoeding ter bestrijding van de kosten voor luchtvaartnavigatiediensten voor «en route»-verkeer en draagt aan de desbetreffende verleners van deze diensten het hun toekomende deel van het geïnde bedrag af. 5 De verleners van plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten dragen zorg voor de inning van de vergoedingen ter bestrijding van de kosten van deze diensten en stemmen daartoe onderling af. 6 Bij algemene maatregel van bestuur worden heffingszones als bedoeld in artikel 21 van de prestatie- en heffingsverordening vastgesteld en worden nadere voorschriften gesteld met betrekking tot de bekendmaking en de inning van vergoedingen, bedoeld in het vierde en het vijfde lid, en de termijnen binnen welke betaling van de vergoedingen plaats moet vinden. 7 De Eurocontrol-organisatie kan rechtsvorderingen tot inning van vergoedingen als bedoeld in het vierde lid en van andere vergoedingen uit hoofde van de op 12 februari 1981 te Brussel gesloten Multilaterale Overeenkomst betreffende «en route»-heffingen (Trb. 1981, 181) uitsluitend aanhangig maken bij de rechtbank Amsterdam. 8 Bij algemene maatregel van bestuur kan overeenkomstig artikel 31, derde tot en met zesde lid, van de prestatie- en heffingsverordening vrijstelling worden verleend van betaling van vergoedingen voor luchtvaartnavigatiediensten. 9 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot het treffen van stimuleringsmaatregelen als bedoeld in artikel 11 van de prestatie- en heffingsverordening. Dergelijke voorschriften betreffen in ieder geval financiële stimulansen op het prestatiekerngebied capaciteit. 10 De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde vergoeding moet worden betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld. 11 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden voorschriften gesteld voor de raadpleging van vertegenwoordigers van luchtruimgebruikers over het vergoedingenbeleid. 12 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan besluiten tot modulering van luchtvaartnavigatieheffingen als bedoeld in artikel 32 van de prestatie- en heffingsverordening. 2021 271 10-06-2021 02-06-2021 35744 2021 326 09-07-2021 28-06-2021 10-07-2021
Artikel 5.21 — Artikel 5.21#
Artikel 5.21 1 artikel 5.20 De prestatie- en heffingsverordening enzijn niet van toepassing op plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten die worden verstrekt op luchthavens met minder dan 80.000 IFR-luchtvervoersbewegingen per jaar als bedoeld in artikel 2, onderdeel 10, van de prestatie- en heffingsverordening, tenzij deze luchthavens onderdeel uitmaken van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen terminalheffingszone als bedoeld in artikel 2, onderdeel 21, van de prestatie- en heffingsverordening. 2 De gebruiker van luchtvaartnavigatiediensten als bedoeld in het eerste lid is een vergoeding verschuldigd ter bestrijding van de kosten van de verlening van deze diensten. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gesteld ten aanzien van de hoogte, de berekening, de vaststelling, de inning en de bekendmaking van deze vergoeding, en de termijn binnen welke betaling van deze vergoeding plaats moet vinden. 3 De in het tweede lid bedoelde vergoeding moet worden betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld. 4 Voor de toepassing van het eerste lid wordt de North Sea Area Amsterdam zijnde het gebied dat als NSA Amsterdam is gedefinieerd in de door LVNL uitgegeven luchtvaartgids, volume I, hoofdstuk ENR 6-2-5 aangemerkt als luchthaven. 4 Bij algemene maatregel van bestuur kan vrijstelling worden verleend van de verplichting tot betaling van vergoedingen als bedoeld in het tweede lid. 2021 271 10-06-2021 02-06-2021 35744 2021 326 09-07-2021 28-06-2021 10-07-2021
Artikel 5.21a — Artikel 5.21a#
Artikel 5.21a Onverminderd de prestatiekernindicatoren en de indicatoren voor monitoring als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de prestatie- en heffingsverordening kan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat bij ministeriële regeling, met het oog op de monitoring van de prestatie van luchtvaartnavigatiediensten, aanvullende prestatiekernindicatoren en monitoringindicatoren vaststellen. 2021 271 10-06-2021 02-06-2021 35744 2021 326 09-07-2021 28-06-2021 10-07-2021
Artikel 5.22 — Artikel 5.22#
Artikel 5.22 1 Er is een organisatie voor het verlenen van luchtverkeersdiensten. Hij heeft rechtspersoonlijkheid. 2 Kaderwet zelfstandige bestuursorganen artikelen 15 18 van die wet Op de in het eerste lid bedoelde organisatie is devan toepassing, met uitzondering van deen. 2012 442 02-10-2012 13-09-2012 33250 2012 619 12-12-2012 27-11-2012 01-01-2013
Artikel 5.23 — Artikel 5.23#
Artikel 5.23 1 De LVNL is, ter bevordering van een zo groot mogelijke veiligheid van het luchtverkeer in het vluchtinformatiegebied Amsterdam, belast met de volgende taken: a. het verlenen van luchtverkeersdiensten; b. het verlenen van communicatie-, navigatie- en plaatsbepalingsdiensten; c. het verlenen van luchtvaartinlichtingendiensten en het uitgeven van luchtvaartpublicaties en luchtvaartkaarten; d. het verzorgen of doen verzorgen van opleidingen ten behoeve van luchtverkeersbeveiliging en het verlenen van luchtvaartnavigatiediensten; e. het adviseren van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu alsmede Onze Minister van Defensie betreffende aangelegenheden op het gebied van de luchtverkeersbeveiliging en het verlenen van luchtvaartnavigatiediensten; f. het verrichten van andere bij of krachtens deze wet opgedragen taken. 2 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan de LVNL belasten met het verlenen van luchtverkeersdiensten buiten het vluchtinformatiegebied Amsterdam. 3 De LVNL kan, in ieder geval tegen vergoeding van kosten, diensten aan anderen dan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister van Defensie verlenen op het gebied van en verband houdende met taken bedoeld in het eerste lid. De in de eerste volzin bedoelde diensten kunnen buiten het vluchtinformatiegebied Amsterdam worden verleend. 4 artikel 5.14b, eerste lid De LVNL kan, onverminderd zijn verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de aan hem opgedragen taken, luchtverkeersdiensten laten verrichten door een andere verlener van luchtverkeersdiensten, indien hiervoor instemming is verleend op grond van. 5 De LVNL kan, onverminderd zijn verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de aan hem opgedragen taken, luchtvaartnavigatiediensten anders dan de in het vierde lid bedoelde diensten laten verrichten door een andere verlener van luchtvaartnavigatiediensten. 6 De LVNL kan, onverminderd zijn verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de aan hem opgedragen taken, andere werkzaamheden dan die zijn bedoeld in het vierde en vijfde lid laten verrichten door derden, voor zover deze werkzaamheden een ondersteunend karakter hebben. 7 De LVNL is verplicht zijn taken te verrichten overeenkomstig het bepaalde in Nederland bindende verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 5.24 — Artikel 5.24#
Artikel 5.24 De LVNL heeft een bestuur en een raad van toezicht. 1999 322 29-07-1999 08-07-1999 26287 1999 322 29-07-1999 08-07-1999 26287 01-09-1999
Artikel 5.25 — Artikel 5.25#
Artikel 5.25 1 Het bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, waaronder de voorzitter. 2 De hoedanigheid van lid van het bestuur is onverenigbaar met het lidmaatschap van de raad van toezicht. 3 De leden van het bestuur worden benoemd voor een tijdvak van maximaal vier jaar en zijn aansluitend éénmalig voor een tijdvak van maximaal vier jaar herbenoembaar. In het geval van bijzondere omstandigheden binnen de organisatie van de LVNL kan een lid van het bestuur bij afloop van de tweede benoemingstermijn terstond opnieuw worden benoemd voor een tijdvak van maximaal twee jaar. 2021 286 18-06-2021 26-05-2021 35664 2021 306 29-06-2021 25-06-2021 30-06-2021 Artikel XIV van Stb. 2021/286 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5.26 — Artikel 5.26#
Artikel 5.26 1 Het bestuur is belast met de dagelijkse leiding van de LVNL. 2 Alle bevoegdheden van de LVNL welke niet bij of krachtens deze wet aan de raad van toezicht zijn opgedragen, komen toe aan het bestuur. 3 Het bestuur verstrekt de raad van toezicht tijdig de voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen en andere gegevens. 1999 322 29-07-1999 08-07-1999 26287 1999 322 29-07-1999 08-07-1999 26287 01-09-1999
Artikel 5.27 — Artikel 5.27#
Artikel 5.27 1 Het bestuur vertegenwoordigt de LVNL in en buiten rechte. 2 Het bestuur kan onder zijn verantwoordelijkheid de vertegenwoordiging, bedoeld in het eerste lid, opdragen aan een of meer bestuursleden of andere personen. Het kan bepalen dat deze vertegenwoordiging uitsluitend betrekking heeft op bepaalde onderdelen van de taak van de LVNL dan wel op bepaalde aangelegenheden. 1999 322 29-07-1999 08-07-1999 26287 1999 322 29-07-1999 08-07-1999 26287 01-09-1999
Artikel 5.28 — Artikel 5.28#
Artikel 5.28 Ingeval van schorsing of ontstentenis van een lid van het bestuur voorziet Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in de waarneming van zijn functie. 2012 442 02-10-2012 13-09-2012 33250 2012 619 12-12-2012 27-11-2012 01-01-2013
Artikel 5.29 — Artikel 5.29#
Artikel 5.29 Het bestuur legt jaarlijks, en voorts tussentijds indien hiertoe naar het oordeel van de raad van toezicht bijzondere aanleiding bestaat, aan de raad van toezicht verantwoording af over het door hem gevoerde beleid. 1997 255 26-06-1997 26-03-1997 24513 1999 263 29-06-1999 21-06-1999 26336 01-07-1999
Artikel 5.30 — Artikel 5.30#
Artikel 5.30 De raad van toezicht bestaat uit zes leden, waaronder de voorzitter, alsmede een waarnemer, die Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in de raad van toezicht vertegenwoordigt. 2017 320 29-08-2017 17-05-2017 34591 2017 321 29-08-2017 19-08-2017 30-08-2017
Artikel 5.31 — Artikel 5.31#
Artikel 5.31 1 De leden van de raad van toezicht worden zonder last of ruggespraak benoemd voor een tijdvak van vier jaren en zijn eenmaal voor een tijdvak van vier jaren herbenoembaar. Hun kan tussentijds op eigen verzoek, dan wel om zwaarwichtige redenen ontslag worden verleend. 2 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu benoemt een waarnemer in de raad van toezicht. Het waarnemerschap kan tussentijds op eigen verzoek, dan wel om zwaarwichtige redenen worden beëindigd. 3 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu benoemt, schorst en ontslaat de leden van de raad van toezicht, met dien verstande dat: a. een lid wordt benoemd op voordracht van Onze Minister van Defensie; b. vier leden worden benoemd op voordracht van de raad van toezicht. c. een lid, tevens voorzitter, wordt benoemd op voordracht van de raad van toezicht. Omtrent de voordracht besluiten de leden van de raad van toezicht met gewone meerderheid, met dien verstande dat de voorzitter niet deelneemt aan de vaststelling van de voordracht. 4 Zolang in een vacature in de raad van toezicht niet is voorzien, vormen de overblijvende leden de raad van toezicht, met de bevoegdheid van de volledige raad. 5 De raad van toezicht verschaft Onze Minister alle verlangde inlichtingen, met inachtneming van het door Onze Minister vastgestelde informatiestatuut. 2012 442 02-10-2012 13-09-2012 33250 2012 619 12-12-2012 27-11-2012 01-01-2013
Artikel 5.32 — Artikel 5.32#
Artikel 5.32 1 De raad van toezicht ziet toe op de werkzaamheden van het bestuur, en staat dit met raad terzijde. 2 Bij de vervulling van hun taak nemen de leden van de raad van toezicht tot richtsnoer de verwezenlijking van de taakstelling en het belang van de LVNL waaronder de continuïteit van zijn bedrijfsvoering. 3 artikel 32 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan bepalen dat het bestuur de voorafgaande instemming behoeft van de raad van toezicht voor een beslissing als bedoeld inof dat het bestuur, ingeval Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een beslissing als bedoeld in dat artikel aan zijn voorafgaande instemming heeft onderworpen, die beslissing pas aan hem kan voorleggen nadat de raad van toezicht heeft verklaard tegen die beslissing geen bedenkingen te hebben. 4 Besluiten van het bestuur betreffende de volgende onderwerpen behoeven voorafgaande instemming van de raad van toezicht: a. artikelen 5.34 5.36 5.37 5.39 de reglementen bedoeld in de,,en; b. artikel 5.20, derde lid artikel 5.21, tweede lid voorstellen aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu met betrekking tot de hoogte van het eenheidstarief, bedoeld in, en de hoogte van de vergoeding, bedoeld in; c. de financiële begroting, en het financiële meerjarenbeleidsplan; d. het jaarverslag en de jaarrekening; e. de bij of krachtens de wet aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu uit te brengen rapportages; f. de aanwijzing van de externe registeraccountant; g. wijzigingen in de arbeidsvoorwaarden van het personeel. 5 Besluiten betreffende het in het vierde lid, onderdeel c, genoemde financiële meerjarenbeleidsplan behoeven bovendien de goedkeuring van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 6 De raad van toezicht kan geen rechtsgeldige besluiten nemen indien niet tenminste tweederde van het aantal leden ter vergadering aanwezig is. 7 De raad van toezicht stelt bij reglement zijn werkwijze vast. Het reglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 5.33 — Artikel 5.33#
Artikel 5.33 1 De raad van toezicht heeft een eigen secretariaat; de kosten daarvan komen ten laste van de LVNL. 2 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan aan de leden van de raad van toezicht, ten laste van de LVNL, een vergoeding toekennen voor hun werkzaamheden. 3 De leden van de raad van toezicht hebben aanspraak op vergoeding van de door hen in de uitoefening van hun functie gemaakte reis- en verblijfkosten. 2012 442 02-10-2012 13-09-2012 33250 2012 619 12-12-2012 27-11-2012 01-01-2013
Artikel 5.34 — Artikel 5.34#
Artikel 5.34 Het bestuur stelt bij reglement de hoofdlijnen vast van de inrichting van de LVNL en van de wijze van bedrijfsvoering. 1999 322 29-07-1999 08-07-1999 26287 1999 322 29-07-1999 08-07-1999 26287 01-09-1999
Artikel 5.34a — Artikel 5.34a#
Artikel 5.34a Vervallen 2007 405 30-10-2007 27-09-2007 30834 2008 175 27-05-2008 13-05-2008 28-05-2008
Artikel 5.35 — Artikel 5.35#
Artikel 5.35 De bedrijfsvoering van de LVNL geschiedt zoveel mogelijk overeenkomstig die, welke algemeen gebruikelijk is bij het particuliere bedrijfsleven. 1999 322 29-07-1999 08-07-1999 26287 1999 322 29-07-1999 08-07-1999 26287 01-09-1999
Artikel 5.36 — Artikel 5.36#
Artikel 5.36 Het bestuur van de LVNL voert op bij reglement vast te stellen wijze overleg met gebruikers van door de organisatie geleverde diensten of met hun vertegenwoordigers omtrent aangelegenheden terzake waarvan naar zijn oordeel overleg dienstig is, alsmede omtrent aangelegenheden terzake waarvan de deelnemers aan het geïnstitutionaliseerde overleg het bestuur te kennen hebben gegeven overleg te willen voeren. 1999 322 29-07-1999 08-07-1999 26287 1999 322 29-07-1999 08-07-1999 26287 01-09-1999
Artikel 5.37 — Artikel 5.37#
Artikel 5.37 Bij reglement kunnen voorzieningen worden vastgesteld met betrekking tot de rechtspositie van de leden van het bestuur. 2019 173 16-05-2019 17-04-2019 35073 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 5.38 — Artikel 5.38#
Artikel 5.38 De geldmiddelen van de LVNL bestaan uit: a. artikel 5.20 5.21 de opbrengst van de inenbedoelde vergoedingen; b. artikelen 5.20 5.21 de opbrengst van de vergoedingen voor verleende diensten waarvan de kosten niet reeds de basis vormen voor de vergoedingen bedoeld in deen; c. andere baten hoe ook genoemd. 2003 448 13-11-2003 09-10-2003 28068 2007 38 01-02-2007 04-12-2003 02-02-2007 01-01-2001
Artikel 5.39 — Artikel 5.39#
Artikel 5.39 Het bestuur stelt bij reglement de werkwijze vast voor het financiële beheer en de administratieve organisatie van de LVNL. 1999 322 29-07-1999 08-07-1999 26287 1999 322 29-07-1999 08-07-1999 26287 01-09-1999
Artikel 5.40 — Artikel 5.40#
Artikel 5.40 1 De begroting bestaat uit: a. de jaarlijkse financiële begroting, bestaande uit een exploitatiebegroting en een kapitaalsbegroting; b. het financiële meerjarenbeleidsplan. 2 Tot de lasten van de LVNL worden gerekend de kosten voortvloeiende uit de taken van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat op het gebied van de luchtverkeersbeveiliging. 2012 442 02-10-2012 13-09-2012 33250 2012 619 12-12-2012 27-11-2012 01-01-2013
Artikel 5.41 — Artikel 5.41#
Artikel 5.41 1 Het jaarverslag van de LVNL gaat vergezeld van: a. een opgave over de toepassing van de arbeidsvoorwaarden; b. artikel 5.32, vierde lid, onder d een document, houdende de instemming bedoeld in. 2 Het boekjaar van de LVNL valt samen met het kalenderjaar. 3 artikel 18 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen In afwijking vanzendt het bestuur jaarlijks het door hem vastgestelde jaarverslag voor 1 mei aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en voor 15 juni aan beide Kamers der Staten-Generaal. 2022 104 02-03-2022 16-02-2022 35890 2022 171 04-05-2022 21-03-2022 01-07-2022
Artikel 5.42 — Artikel 5.42#
Artikel 5.42 1 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stelt regels over de uitoefening van het toezicht op de LVNL door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en de raad van toezicht. 2 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stelt een informatiestatuut vast. 3 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan het bestuur opdragen periodiek rapportage uit te brengen op een door hem, na overleg met het bestuur, te bepalen wijze. 2012 442 02-10-2012 13-09-2012 33250 2012 619 12-12-2012 27-11-2012 01-01-2013
Artikel 5.43 — Artikel 5.43#
Artikel 5.43 1 De volgende stukken worden door het bestuur vastgesteld: a. de financiële begroting; b. het financiële meerjarenbeleidsplan. 2 Het bestuur zendt het financiële meerjarenbeleidsplan aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu toe vóór 1 november van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar. 3 Indien Onze Minister van Verkeer en Waterstaat binnen vier weken na de in het tweede lid bedoelde toezending de goedkeuring aan de in het eerste lid, onder a en b, genoemde stukken, niet heeft onthouden, wordt deze geacht te zijn verleend. 2012 442 02-10-2012 13-09-2012 33250 2012 619 12-12-2012 27-11-2012 01-01-2013
Artikel 5.44 — Artikel 5.44#
Artikel 5.44 artikel 5.43, derde lid Waar in deze wet de goedkeuring van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is vereist, verleent dan wel onthoudt hij die, behoudens het bepaalde in, binnen twaalf weken na de datum van ontvangst van de goed te keuren stukken. Indien Onze Minister van Verkeer en Waterstaat goedkeuring onthoudt aan de financiële begroting, is het bestuur gerechtigd voor iedere maand gedurende welke de goedkeuring wordt onthouden, uitgaven te doen ter grootte van maximaal een twaalfde deel van de begroting van het voorafgaande boekjaar. 1997 255 26-06-1997 26-03-1997 24513 1999 263 29-06-1999 21-06-1999 26336 01-07-1999
Artikel 5.45 — Artikel 5.45#
Artikel 5.45 Vervallen 2012 442 02-10-2012 13-09-2012 33250 2012 619 12-12-2012 27-11-2012 01-01-2013
Artikel 5.46 — Artikel 5.46#
Artikel 5.46 Vervallen 2012 442 02-10-2012 13-09-2012 33250 2012 619 12-12-2012 27-11-2012 01-01-2013
Artikel 6.50 — Artikel 6.50#
Artikel 6.50 artikelen 6.55 6.56 6.57 artikel 1, eerste lid, van de Kernenergiewet Deze titel is, met uitzondering van het bepaalde bij of krachtens de,en, niet van toepassing op het vervoer van splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen als bedoeld in. 2000 468 02-11-2000 12-10-2000 26902 2003 100 13-03-2003 04-03-2003 16-03-2003
Artikel 6.51 — Artikel 6.51#
Artikel 6.51 1 Het is verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevaarlijke stoffen met een luchtvaartuig te vervoeren, ten vervoer aan te bieden of aan te nemen, alsmede te laden in of te lossen uit een luchtvaartuig, of tijdens het vervoer neer te leggen. 2 Het verbod in het eerste lid geldt niet voor de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevaarlijke stoffen of categorieën van gevaarlijke stoffen, indien aan de bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur terzake gestelde regels is voldaan. 3 Onder het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt mede begrepen het laten staan op een luchthaven van een luchtvaartuig waarin zich dergelijke stoffen bevinden. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 6.51a — Artikel 6.51a#
Artikel 6.51a 1 artikel 6.51, tweede lid Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan instanties erkennen die belast zijn met de door hem aan te geven, in het kader van de krachtens, vastgestelde regels te verrichten taken. De taken kunnen mede betrekking hebben op het keuren en certificeren van verpakkingen of drukhouders. 2 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan regels stellen met betrekking tot de voorwaarden om voor erkenning in aanmerking te komen, de werkwijze van de erkende instanties, de periodieke verslaglegging over de verrichte werkzaamheden, alsmede de uitoefening van het toezicht op de erkende instanties. 3 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan aan de erkenning voorschriften of beperkingen verbinden. De voorschriften kunnen mede betrekking hebben op de door de erkende instantie in rekening te brengen tarieven. 4 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan de erkenning schorsen dan wel intrekken indien de betrokken instantie niet meer voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde regels. 2017 320 29-08-2017 17-05-2017 34591 2017 321 29-08-2017 19-08-2017 30-08-2017
Artikel 6.52 — Artikel 6.52#
Artikel 6.52 1 Het is verboden gevaarlijke stoffen ten vervoer aan te bieden onder een andere benaming of onder opgave van een andere categorie-indeling dan die welke bij of krachtens deze wet is voorgeschreven. 2 De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven. 2000 468 02-11-2000 12-10-2000 26902 2003 100 13-03-2003 04-03-2003 16-03-2003
Artikel 6.53 — Artikel 6.53#
Artikel 6.53 1 artikel 6.51, tweede lid De regels, bedoeld in, kunnen onder meer betrekking hebben op: a. de eisen ten aanzien van constructie, inrichting en uitrusting van luchtvaartuigen, waarmee gevaarlijke stoffen worden vervoerd; b. de documenten die met betrekking tot gevaarlijke stoffen opgemaakt dienen te worden; c. de stuwage en de belading van luchtvaartuigen met inbegrip van samenlading; d. het onderzoek van gevaarlijke stoffen naar hun eigenschappen; e. de eisen ten aanzien van verpakking van gevaarlijke stoffen, met inbegrip van de daarbij behorende inrichting of uitrusting, en het testen of keuren daarvan, alsmede de uitgifte en intrekking van verpakkingskenmerken; f. de etiketten, kenmerken of andere aanduidingen op de verpakking, bedoeld in onderdeel e; g. de eisen ten aanzien van constructie, inrichting en uitrusting van inrichtingen, voertuigen of werktuigen met behulp waarvan gevaarlijke stoffen worden geladen of gelost; h. de keuring van de inrichtingen, voertuigen of werktuigen, bedoeld in onderdeel g; i. artikel 6.51 de melding voorafgaande aan het verrichten van een handeling, als bedoeld in; j. het opstellen van een risico-inventarisatie met betrekking tot het vervoeren, laden of lossen van door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu daartoe aangewezen stoffen; k. het aanwijzen van luchtroutes waarlangs door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen gevaarlijke stoffen worden vervoerd. 2 De betrokkene is een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu vast te stellen vergoeding verschuldigd voor de kosten van een keuring, als bedoeld in onderdeel h van het eerste lid, gebaseerd op de werkelijke kosten. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 6.54 — Artikel 6.54#
Artikel 6.54 1 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie kan na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het belang van de openbare veiligheid ten aanzien van luchtvaartuigen die door hem aangewezen gevaarlijke stoffen vervoeren, bepalen dat die luchtvaartuigen uitsluitend van door hem aangewezen luchthavens mogen starten of op die luchthavens mogen landen. 2 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie kan na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het belang van de openbare veiligheid bepalen, dat de in het eerste lid bedoelde gevaarlijke stoffen op de in het eerste lid bedoelde luchthavens slechts mogen worden geladen, gelost of neergelegd op door hem op die luchthavens aangewezen plaatsen. 3 Onze Minister van Defensie kan ten aanzien van militaire helikopters de in het eerste en tweede lid bedoelde beperkingen ook doen gelden voor door hem aangewezen terreinen, niet zijnde luchthavens. 4 Het is verboden te handelen in strijd met het bepaalde krachtens het eerste, tweede of derde lid. 2017 320 29-08-2017 17-05-2017 34591 2017 321 29-08-2017 19-08-2017 30-08-2017
Artikel 6.55 — Artikel 6.55#
Artikel 6.55 1 Het is verboden gevaarlijke stoffen ten vervoer aan te bieden, te doen of laten vervoeren met luchtvaartuigen, zonder een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu verleende erkenning. 2 Een erkenning wordt verleend voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn, dan wel voor onbepaalde tijd indien door de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon voldaan wordt aan de bij of krachtens die maatregel met betrekking tot de erkenning gestelde eisen. Aan de erkenning kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. 3 Bij algemene maatregel van bestuur wordt aangegeven welke erkenningen Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan verlenen, alsmede de bevoegdheden, welke aan iedere erkenning verbonden zijn. 4 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een erkenning geheel of gedeeltelijk schorsen, wanneer een ernstig vermoeden rijst, dat de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon: Hij heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn komen te vervallen. a. niet voldoet aan de eisen, gesteld krachtens het tweede lid; b. handelt in strijd met het bij of krachtens deze titel bepaalde. 5 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een erkenning intrekken, wanneer: a. de houder daarom verzoekt; b. de houder niet voldoet aan de eisen, gesteld krachtens het tweede lid; c. de houder krachtens de hem verleende erkenning werkzaamheden verricht, waartoe deze niet erkend is; d. artikelen 6.51, tweede lid 6.52 de houder handelt in strijd met de, of; e. de erkenning gedurende ten minste drie maanden is geschorst; f. de houder in staat van faillissement verkeert. 6 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kunnen regels gegeven worden met betrekking tot de procedure van aanvraag, afgifte, wijziging, verlenging, schorsing en intrekking van erkenningen, alsmede de vergoeding die de aanvrager van de erkenning verschuldigd is voor de kosten van de behandeling van zijn aanvraag om afgifte, wijziging of verlenging, welke gebaseerd is op de werkelijke kosten. 2017 320 29-08-2017 17-05-2017 34591 2017 321 29-08-2017 19-08-2017 30-08-2017
Artikel 6.56 — Artikel 6.56#
Artikel 6.56 1 artikel 6.55, eerste lid Onze Minister van Infrastructuur en Milieu erkent een opleiding voor een theoretisch of praktisch examen als opleiding voor een theoretisch of praktisch examen benodigd ter verkrijging van een erkenning, als bedoeld in, indien die opleiding voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen eisen. 2 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan de erkenning van een opleiding intrekken, wanneer die opleiding niet meer aan de krachtens het eerste lid gestelde eisen voldoet. 3 Bij ministeriële regeling kunnen ter uitvoering van het eerste en tweede lid nadere regels worden gegeven. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 6.57 — Artikel 6.57#
Artikel 6.57 artikel 6.55, eerste lid artikel 6.55 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan ter uitvoering van internationale overeenkomsten of besluiten van volkenrechtelijke organisaties natuurlijke personen of rechtspersonen, die handelingen als bedoeld in, verrichten op zodanige wijze, dat deze voldoen aan eisen, welke gelijkwaardig zijn aan de krachtensgestelde eisen, erkennen als erkende bedrijven voor zover die bedrijven erkend zijn door de bevoegde autoriteit van een bij ministeriële regeling aangewezen land of internationale organisatie. Aan de erkenning kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 6.58 — Artikel 6.58#
Artikel 6.58 1 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie kan na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van de bij of krachtens deze titel gegeven regels, wanneer die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt gebracht. Aan de ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. 2 Het is verboden te handelen in strijd met de voorschriften of de beperkingen bedoeld in het eerste lid. 3 De ontheffing kan worden geweigerd op grond van de openbare veiligheid. 4 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie kan na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een ontheffing wijzigen: a. op verzoek van de houder; b. op grond van de openbare veiligheid. 5 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie kan de ontheffing intrekken, wanneer a. de redenen, waarom de ontheffing is verleend, zijn komen te vervallen; b. de openbare veiligheid dit vereist; c. de houder van de ontheffing de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet naleeft. 6 De aanvrager van de ontheffing of van de wijziging daarvan is Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een door deze vast te stellen vergoeding voor de behandeling van de aanvraag verschuldigd, gebaseerd op de werkelijke kosten. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 6.59 — Artikel 6.59#
Artikel 6.59 Het is passagiers en leden van het boordpersoneel verboden gevaarlijke stoffen aan boord van een luchtvaartuig te brengen, of met zich mee te voeren in hun bagage, anders dan met inachtneming van de door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie aangewezen Technische Voorschriften van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 6.60 — Artikel 6.60#
Artikel 6.60 1 artikel 6.51, eerste lid Degene, die een handeling als bedoeld in, verricht, is verplicht, indien zich daarbij voorvallen gevaarlijke stoffen voordoen waardoor gevaar voor de openbare veiligheid is ontstaan of is te duchten, daarvan onverwijld mededeling te doen aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie. 2 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de procedure en de wijze van mededeling als bedoeld in het eerste lid. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 6.61 — Artikel 6.61#
Artikel 6.61 1 artikel 6.51 artikel 6.60 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie kan van degenen die handelingen verrichten als bedoeld in, alle inlichtingen of documenten vragen die naar zijn redelijk oordeel nodig zijn ten behoeve van het analyseren van voorvallen gevaarlijke stoffen als bedoeld in. 2 De betrokkenen zijn verplicht de gevraagde inlichtingen volledig en naar waarheid te verstrekken binnen een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie in redelijkheid te stellen termijn. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 6.61a — Artikel 6.61a#
Artikel 6.61a 1 Indien zich binnen het vluchtinformatiegebied Amsterdam een luchtvaartongeval voordoet verstrekt de houder van het betrokken luchtvaartuig onverwijld aan de betrokken hulpverlenende instanties informatie over de gevaarlijke stoffen die zich aan boord van dat luchtvaartuig bevinden. 2 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie wordt vastgesteld welke informatie door tussenkomst van welke instantie verstrekt dient te worden. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 6.62 — Artikel 6.62#
Artikel 6.62 1 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kunnen met het oog op de luchtwaardigheid van luchtvaartuigen tijdens het vervoer van dieren in die luchtvaartuigen in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken regels worden gegeven met betrekking tot dat vervoer. 2 Het is verboden dieren te vervoeren in strijd met het bepaalde krachtens het eerste lid. 3 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van de in het eerste lid bedoelde regels. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 7.1 — Artikel 7.1#
Artikel 7.1 1 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat worden regels gesteld met betrekking tot: a. de inrichting en de werking van een systeem ten behoeve van het verplicht melden van voorvallen als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de verordening voorvallen; b. de inrichting en de werking van een systeem ten behoeve van het vrijwillig melden van voorvallen als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de verordening voorvallen; c. de inrichting en werking van een mechanisme voor het onafhankelijk verrichten van de verzameling, beoordeling, verwerking, analyse en opslag van de bijzonderheden over de overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van de verordening voorvallen gemelde voorvallen. 2 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kunnen overeenkomstig artikel 5, zevende lid, van de verordening voorvallen regels worden gesteld voor het verzamelen en verwerken van veiligheidsinformatie, teneinde bijzonderheden over voorvallen te verzamelen die mogelijkerwijs niet worden opgenomen in de meldingssystemen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de verordening voorvallen. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van de verordening voorvallen op voorvallen en andere veiligheid gerelateerde informatie met betrekking tot luchtvaartuigen waarop de basisverordening niet van toepassing is. 4 Gegevens die op grond van de artikelen 4, 5 en 10 van de verordening voorvallen zijn ontvangen of verzameld door of namens bestuursorganen, zijn niet openbaar. 2019 243 09-07-2019 10-04-2019 34979 2019 243 09-07-2019 10-04-2019 34979 10-07-2019
Artikel 7.2 — Artikel 7.2#
Artikel 7.2 artikel 3, eerste lid, van de Wet bescherming klokkenluiders Het Huis voor klokkenluiders, bedoeld inwordt aangewezen als het orgaan, bedoeld in artikel 16, twaalfde lid, van de verordening voorvallen, voor zover het betreft de uitvoering van de orgaantaken, bedoeld in de leden negen, elf en twaalf, van het laatstgenoemde artikel. 2023 29 03-02-2023 25-01-2023 35851 2023 52 17-02-2023 10-02-2023 18-02-2023
Artikel 7.3 — Artikel 7.3#
Artikel 7.3 Vervallen 2019 150 19-04-2019 27-03-2019 35060 2020 25 31-01-2020 20-01-2020 01-04-2020 Artikelen II tot en met V van Stb. 2019/150 bevatten
overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 7.4 — Artikel 7.4#
Artikel 7.4 1 De luchtvervoerder en de exploitant van luchtvaartuigen, bedoeld in artikel 3 van de Verordening (EG) nr. 785/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake de verzekeringseisen voor luchtvervoerders en exploitanten van luchtvaartuigen (PbEU L 138) hebben een verzekering die voldoet aan de artikelen 4, 6 en 7 van voornoemde verordening. 2 Met betrekking tot niet-commerciële diensten van luchtvaartuigen met een MTOM van 2700 kg of minder bedraagt de verzekeringsdekking ten minste 100 000 BTR per passagier. 2006 359 01-08-2006 05-07-2006 30456 2006 576 28-11-2006 02-11-2006 29977 29-11-2006 De wijziging is in werking getreden op 2 augustus 2006 (Stb. 2006/359). Het tweede lid werkt terug tot en met 1 mei 2005.
Artikel 7.5 — Artikel 7.5#
Artikel 7.5 Het is een vliegtuigexploitant als bedoeld in artikel 3, onder o, van richtlijn nr. 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad (PbEU L 275), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij richtlijn nr. 2008/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 november 2008 (PbEU 2009, L 8), verboden een vlucht uit te voeren met een luchtvaartuig zolang en voor zover de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van artikel 16, tiende lid, van eerstgenoemde richtlijn aan de betrokken vliegtuigexploitant een exploitatieverbod heeft opgelegd. 2010 31 04-02-2010 21-01-2010 31963 2010 61 23-02-2010 10-02-2010 24-02-2010
Artikel 7.6 — Artikel 7.6#
Artikel 7.6 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden vastgesteld betreffende de vergoedingen voor de kosten van handelingen die voortvloeien uit internationale overeenkomsten, die ter zake van de luchtvaartveiligheid door Nederland, dan wel op grond van de artikelen 100, tweede lid, en 207, eerste en vierde lid, in samenhang met artikel 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie door de Europese Unie zijn gesloten, voor zover deze kosten niet reeds de basis vormen voor de vergoedingen bedoeld in deze wet. 2013 140 18-04-2013 28-03-2013 33476 2013 406 23-10-2013 17-05-2013 24-10-2013
Artikel 7.7 — Artikel 7.7#
Artikel 7.7 1 Wanneer een Nederlands luchtvaartuig buiten Nederland in een staat van exploitatie wordt geëxploiteerd kan met die staat van exploitatie een artikel 83bis-overeenkomst worden gesloten. 2 Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op buiten Nederland ingeschreven luchtvaartuigen ten aanzien waarvan de Nederlandse Staat als staat van exploitatie geldt. 3 Een artikel 83bis-overeenkomst kan eveneens worden aangegaan met betrekking tot luchtvaartuigen, die geëxploiteerd worden door organisaties voor de gezamenlijke exploitatie van luchtvervoer of internationale exploitatiebureaus, dan wel voor het gemeenschappelijk uitoefenen van luchtdiensten op enige route of in enig gebied. 4 Aan de sluiting van een artikel 83bis-overeenkomst gaat een evaluatie van de normen en voorschriften vooraf, zulks met inachtneming van de regels inzake gelijkstelling van buitenlandse bewijzen van luchtwaardigheid en buitenlandse bewijzen van bevoegdheid zoals opgenomen in deze wet. 5 Dit artikel is uitsluitend van toepassing voor zover de basisverordening niet van toepassing is. 2019 374 31-10-2019 02-10-2019 35100 2019 431 26-11-2019 13-11-2019 27-11-2019
Artikel 7.8 — Artikel 7.8#
Artikel 7.8 artikel 7, tweede lid, van de Bekendmakingswet In afwijking vankunnen bijlagen bij een krachtens deze wet vastgesteld algemeen verbindende voorschrift worden bekendgemaakt door terinzagelegging op een in dat voorschrift bepaalde locatie, indien dit voortvloeit uit internationaalrechtelijke verplichtingen. 2020 262 17-07-2020 01-07-2020 35218 2021 176 09-04-2021 01-04-2021 01-07-2021
Artikel 8.1 — Artikel 8.1#
Artikel 8.1 1 Luchthavens zijn te onderscheiden in: a. de luchthaven Schiphol, b. overige burgerluchthavens, en c. militaire luchthavens. 2 Overige burgerluchthavens zijn van regionale betekenis of van nationale betekenis. Deze luchthavens zijn van nationale betekenis indien: a. Provinciewet zij zijn gelegen buiten provinciegrenzen zoals bepaald bij of krachtens de, of b. dit bij wet is bepaald. 3 Luchthavens van nationale betekenis zijn: a. de luchthaven Lelystad, b. de luchthaven Eelde, c. de luchthaven Maastricht, en d. de luchthaven Rotterdam. 4 Indien het militaire gebruik van een militaire luchthaven, met uitzondering van de militaire luchthaven Twenthe, wordt beëindigd door intrekking van: en op die plaats een burgerluchthaven wordt gevestigd, dan is deze luchthaven van nationale betekenis. a. Luchtvaartwet de aanwijzing op grond van devan die luchthaven als militaire luchthaven, of b. het luchthavenbesluit dat op deze luchthaven betrekking heeft, 5 In afwijking van het vierde lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld dat een luchthaven als bedoeld in dat lid van regionale betekenis is. 6 De voordracht voor een krachtens het vijfde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2015 297 17-07-2015 06-07-2015 01-08-2015 Artikel XVIII van Stb. 2008/561 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8.1a — Artikel 8.1a#
Artikel 8.1a 1 Het is verboden met een luchtvaartuig op te stijgen of te landen, anders dan van of op een luchthaven. 2 Het is verboden de luchthaven Schiphol in bedrijf te hebben indien voor deze luchthaven geen luchthavenindelingbesluit en luchthavenverkeerbesluit gelden en indien de exploitant van deze luchthaven niet beschikt over een geldig veiligheidscertificaat. 3 Het is verboden een overige burgerluchthaven in bedrijf te hebben indien voor deze luchthaven geen luchthavenbesluit of luchthavenregeling geldt. Vaststelling van een luchthavenbesluit is vereist indien buiten het luchthavengebied het externe-veiligheidsrisico of de geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer zodanig is dat dit gevolgen heeft voor de ruimtelijke indeling van het gebied rond de luchthaven. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt de mate van externe-veiligheidsrisico of geluidbelasting buiten het luchthavengebied bepaald die vaststelling van gevolgen voor de ruimtelijke indeling van het gebied rond de luchthaven noodzakelijk maakt. Daarbij kan worden bepaald dat voor daarbij te omschrijven luchthavens in elk geval kan worden volstaan met de vaststelling van een luchthavenregeling. De voordracht voor een krachtens dit lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 4 Het is de exploitant van een overige burgerluchthaven waarvoor vaststelling van een luchthavenbesluit is vereist, verboden die luchthaven in bedrijf te hebben indien hij niet beschikt over een geldig veiligheidscertificaat. Bij algemene maatregel van bestuur kan dit verbod van toepassing worden verklaard op burgerluchthavens waarvoor vaststelling van een luchthavenregeling mogelijk is. 5 Voor een militaire luchthaven is een luchthavenbesluit of een luchthavenregeling van kracht. 6 Dit lid is nog niet in werking getreden. 2010 149 07-04-2010 18-03-2010 31857 2010 263 06-07-2010 26-05-2010 07-07-2010 01-11-2009
Artikel 8.1b — Artikel 8.1b#
Artikel 8.1b 1 In deze titel wordt verstaan onder: Autoriteit Consument en Markt: artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in; exploitant van de luchthaven: de N.V. Luchthaven Schiphol, of, indien dit een ander is, de houder van de luchthavenexploitatievergunning; gebruiker: een luchtvaartmaatschappij, alsmede een persoon of rechtspersoon die vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij; inspecteur-generaal: de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport, bedoeld in het Instellingsbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport; investeringsproject: artikel 8.25de het samenhangende geheel van diensten, leveringen dan wel werken, die als zodanig zijn opgenomen in het inbedoelde investeringsprogramma, waarvan de uitgaven voor luchtvaartactiviteiten een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag overschrijden; luchthavenexploitatievergunning: artikel 8.25 de vergunning, bedoeld in; luchthavennetwerk: een groep luchthavens die als zodanig door de lidstaat is aangewezen en die wordt geëxploiteerd door een en dezelfde exploitant van de luchthaven; netwerkkwaliteit: de directe beschikbaarheid van een omvangrijk, wereldwijd en frequent bediend lijnennet; operationele voorwaarden: die voorwaarden die betrekking hebben op het gebruik van de luchthaven door de gebruikers; representatieve organisatie: een bij ministeriële regeling aangewezen rechtspersoon die de belangen vertegenwoordigt van gebruikers; 2 Omgevingswet In deze titel wordt onder omgevingsplan mede verstaan een projectbesluit als bedoeld in de. 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel 4.22 van Stb. 2020/172 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8.2 — Artikel 8.2#
Artikel 8.2 Deze titel is van toepassing ten aanzien van de luchthaven Schiphol. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 8.2a — Artikel 8.2a#
Artikel 8.2a 1 De overheid bezit ten minste een meerderheid van het economisch en juridisch belang in de exploitant van de luchthaven. 2 Onze Minister van Financiën wijst bij regeling een of meerdere overheidsorganisaties aan ter voldoening van de in het eerste lid genoemde eis. 3 De krachtens het tweede lid vast te stellen regeling heeft in ieder geval betrekking op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de in het eerste lid genoemde eis en de wijze waarop de overheid in gezamenlijkheid blijvend invulling geeft aan de continuïteit van de Mainport. 4 Het voorstel voor de krachtens het tweede lid vast te stellen regeling wordt gedaan door Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is overgelegd. 5 Aan de goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders van de exploitant van de luchthaven zijn onderworpen de besluiten van het bestuur van de exploitant van de luchthaven omtrent investeringen welke een bedrag vereisen gelijk aan ten minste een tiende van het bedrag van de activa volgens de geconsolideerde balans met toelichting volgens de laatst vastgestelde jaarrekening van de exploitant van de luchthaven. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 8.3 — Artikel 8.3#
Artikel 8.3 De uitoefening van de bevoegdheden die voortvloeien uit deze titel is gericht op het bevorderen van een optimaal gebruik van de luchthaven als kwalitatief hoogwaardig luchtverkeersknooppunt met een hoge netwerkkwaliteit, met inachtneming van de grenzen die met het oog op de veiligheid, de geluidbelasting, de lokale luchtverontreiniging en de geurbelasting noodzakelijk zijn. 2016 272 14-07-2016 22-06-2016 34197 2017 188 12-05-2017 19-04-2017 01-07-2017
Artikel 8.4 — Artikel 8.4#
Artikel 8.4 Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor de luchthaven een luchthavenindelingbesluit vastgesteld. 2002 374 16-07-2002 27-06-2002 27603 2002 593 17-12-2002 26-11-2002 20-02-2003
Artikel 8.5 — Artikel 8.5#
Artikel 8.5 1 In het luchthavenindelingbesluit worden het luchthavengebied en het beperkingengebied vastgesteld. 2 Als luchthavengebied wordt het gebied vastgesteld dat bestemd is voor gebruik als luchthaven. 3 Als beperkingengebied wordt het gebied vastgesteld waar in verband met de nabijheid van de luchthaven met het oog op de veiligheid en de geluidbelasting beperkingen noodzakelijk zijn ten aanzien van de functie of het gebruik van de locatie. 4 Het luchthavengebied en het beperkingengebied overlappen elkaar niet. De gebieden kunnen bestaan uit niet aaneengesloten delen. 5 De gebieden worden langs elektronische weg en met gebruikmaking van een of meer ondergronden vastgelegd. Van een zodanig elektronisch document wordt tevens een papieren versie gemaakt. 6 Bij de vaststelling van het luchthavenindelingbesluit kan in ieder geval gebruik worden gemaakt van gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar. 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikelen 4.22 en 4.89 van Stb. 2020/172 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8.6 — Artikel 8.6#
Artikel 8.6 Het luchthavenindelingbesluit bevat voor het luchthavengebied regels omtrent de functie en het gebruik van de locatie voor zover die regels noodzakelijk zijn met het oog op het gebruik van het gebied als luchthaven. 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel 4.22 van Stb. 2020/172 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8.7 — Artikel 8.7#
Artikel 8.7 1 Het luchthavenindelingbesluit bevat voor het beperkingengebied regels waarbij beperkingen zijn gesteld ten aanzien van de functie en het gebruik van de locatie voor zover die beperkingen noodzakelijk zijn met het oog op de veiligheid en de geluidbelasting in verband met de nabijheid van de luchthaven. 2 Het besluit bevat in ieder geval regels omtrent beperking van: a. de functie en het gebruik van de locatie in verband met het externe-veiligheidsrisico vanwege het luchthavenluchtverkeer; b. de functie en het gebruik van de locatie in verband met de geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer; c. de maximale hoogte van objecten op of boven de locatie, in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer; d. een functie die, of van een gebruik dat, vogels aantrekt, in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer. 3 Bij de regels, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, worden in ieder geval locaties aangewezen waar woningen of andere in het besluit aangewezen gebouwen niet zijn toegelaten. 4 Elk besluit, volgend op het eerste luchthavenindelingbesluit, biedt een beschermingsniveau ten aanzien van externe veiligheid en geluidbelasting, dat voor ieder van deze aspecten, gemiddeld op jaarbasis vastgesteld, per saldo gelijkwaardig is aan of beter is dan het niveau zoals dat geboden werd door het eerste besluit. 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel 4.22 van Stb. 2020/172 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8.8 — Artikel 8.8#
Artikel 8.8 1 Bij de vaststelling van een omgevingsplan voor een gebied dat is gelegen binnen het luchthavengebied of het beperkingengebied, wordt het luchthavenindelingbesluit in acht genomen. 2 artikel 8.9, tweede lid artikelen 2.24 4.16, tweede lid, van de Omgevingswet Voor het gebied dat ligt binnen het luchthavengebied of beperkingengebied waarvoor geen omgevingsplan geldt in overeenstemming met het luchthavenindelingbesluit en voor het omgevingsplan geen toepassing is gegeven aan, kan bij de vaststelling van het luchthavenindelingbesluit toepassing worden gegeven aan deen. 3 De gemeenteraad is verplicht binnen een jaar of een andere bij het besluit te bepalen termijn nadat het besluit in werking is getreden het omgevingsplan overeenkomstig het besluit vast te stellen. 4 Indien een omgevingsplan niet in overeenstemming is met het besluit, is het college van burgemeester en wethouders verplicht aan degenen die inzage verlangen in het omgevingsplan, tevens inzage te verlenen in het besluit. 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel 4.22 van Stb. 2020/172 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8.9 — Artikel 8.9#
Artikel 8.9 1 Omgevingswet Bij de verlening van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in dewordt het luchthavenindelingbesluit in acht genomen. 2 Bij de vaststelling van een omgevingsplan of de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid kan van het besluit worden afgeweken indien van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu de verklaring is ontvangen dat hij tegen de afwijking geen bezwaar heeft. 3 De verklaring van geen bezwaar die betrekking heeft op het luchthavengebied kan worden geweigerd met het oog op het gebruik van het gebied als luchthaven. 4 De verklaring van geen bezwaar die betrekking heeft op het beperkingengebied kan worden geweigerd met het oog op de veiligheid en de geluidbelasting in verband met de nabijheid van de luchthaven. 5 Artikel 10:31, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing met betrekking tot de verklaring van geen bezwaar. 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikelen 4.22, 4.80a en 4.91 van Stb. 2020/172 bevatten
overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8.10 — Artikel 8.10#
Artikel 8.10 Voor zover het ontwerp van een omgevingsplan zijn grondslag vindt in de uitvoering van het luchthavenindelingbesluit kunnen zienswijzen geen betrekking hebben op dat deel van het ontwerpplan. 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel 4.22 van Stb. 2020/172 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8.11 — Artikel 8.11#
Artikel 8.11 hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 8.9, tweede lid Voor de mogelijkheid van beroep ingevolgeworden een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in, en het besluit waarop de verklaring betrekking heeft als één besluit aangemerkt. 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel 4.22 van Stb. 2020/172 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8.12 — Artikel 8.12#
Artikel 8.12 Vervallen 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel 4.22 van Stb. 2020/172 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8.13 — Artikel 8.13#
Artikel 8.13 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht De voordracht voor een luchthavenindelingbesluit wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp is voorbereid met toepassing van. Zienswijzen kunnen daarbij naar voren worden gebracht door een ieder. Gelijktijdig met de terinzagelegging in het kader van de procedure in de hiervoor bedoelde afdeling wordt het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. 2025 85 03-04-2025 10-02-2025 36581 2025 85 03-04-2025 10-02-2025 36581 04-04-2025
Artikel 8.14 — Artikel 8.14#
Artikel 8.14 Artikel 8.13 is van overeenkomstige toepassing op het wijzigen van het luchthavenindelingbesluit. 2002 374 16-07-2002 27-06-2002 27603 2002 593 17-12-2002 26-11-2002 20-02-2003
Artikel 8.15 — Artikel 8.15#
Artikel 8.15 Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor de luchthaven een luchthavenverkeerbesluit vastgesteld. 2002 374 16-07-2002 27-06-2002 27603 2002 593 17-12-2002 26-11-2002 20-02-2003
Artikel 8.16 — Artikel 8.16#
Artikel 8.16 Het luchthavenverkeerbesluit bevat een beschrijving van de luchtverkeerwegen. 2002 374 16-07-2002 27-06-2002 27603 2002 593 17-12-2002 26-11-2002 20-02-2003
Artikel 8.16a — Artikel 8.16a#
Artikel 8.16a Voor zover het ontwerp van een omgevingsplan zijn grondslag vindt in de uitvoering van het luchthavenbesluit kunnen zienswijzen geen betrekking hebben op dat deel van het ontwerpplan. 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 Artikel 4.22 van Stb. 2020/172 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8.17 — Artikel 8.17#
Artikel 8.17 1 Het luchthavenverkeerbesluit bevat regels omtrent het luchthavenluchtverkeer voor zover die regels noodzakelijk zijn met het oog op de veiligheid, de geluidbelasting, de lokale luchtverontreiniging en de geurbelasting. 2 Het besluit bevat in ieder geval regels omtrent: a. de gevallen waarin van een luchtverkeerweg gebruik gemaakt wordt; b. een op beperking van belasting gerichte wijze van gebruik van het luchtruim in andere gevallen; c. de beschikbaarheid van de luchthaven voor het luchthavenluchtverkeer. 3 Het besluit kan regels bevatten omtrent: a. de wijze van gebruik van de luchtverkeerwegen; b. de tijdstippen waarop, de frequentie waarmee en de categorieën van luchtvaartuigen waarmee van het luchtruim gebruik gemaakt wordt. 4 De regels bevorderen het realiseren van een beschermingsniveau, waarbij de in het besluit beschreven grenswaarden met betrekking tot de door het luchthavenluchtverkeer veroorzaakte belasting ten aanzien van veiligheid, geluid en lokale luchtverontreiniging niet worden overschreden. 5 Het besluit bevat in ieder geval: a. de grenswaarden voor het externe-veiligheidsrisico; b. de grenswaarden voor de geluidbelasting, waarbij in ieder geval punten in of aan de rand van woonbebouwing in de nabijheid van de luchthaven bepaald worden met de grenswaarden die op ieder van die punten van toepassing zijn; c. de grenswaarden voor de emissie van de stoffen die lokale luchtverontreiniging veroorzaken. 6 artikel 8.22 Het besluit kan ten aanzien van de in het tweede en derde lid bedoelde onderwerpen, grenzen stellen aan de maatregelen die de inspecteur-generaal op grond vankan treffen. 7 Elk besluit, volgend op het eerste luchthavenverkeerbesluit, biedt een beschermingsniveau ten aanzien van externe veiligheid, geluidbelasting en lokale luchtverontreiniging, dat voor ieder van deze aspecten, gemiddeld op jaarbasis vastgesteld, per saldo gelijkwaardig is aan of beter is dan het niveau zoals dat geboden werd door het eerste besluit. 8 Bij de vaststelling van het luchthavenverkeerbesluit kan in ieder geval gebruik worden gemaakt van gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar. 2013 144 24-04-2013 28-03-2013 33135 2013 145 24-04-2013 15-04-2013 25-04-2013
Artikel 8.17a — Artikel 8.17a#
Artikel 8.17a 1 De exploitant van de luchthaven stelt jaarlijks voorafgaand aan het gebruiksjaar in overleg met de verlener van luchtverkeersdiensten een gebruiksprognose inzake het gebruik van de luchthaven op. 2 artikel 8.34 De gebruiksprognose wordt ten minste vier weken voor de toezending, bedoeld in het vierde lid, voor advies voorgelegd aan de Omgevingsraad Schiphol, bedoeld in. 3 Voorafgaand aan het gebruiksjaar zendt de Omgevingsraad Schiphol zijn advies aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 4 Voorafgaand aan het gebruiksjaar zendt de exploitant van de luchthaven de gebruiksprognose aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud en de procedure van de gebruiksprognose. 2016 119 30-03-2016 09-03-2016 34098 119 30-03-2016
Artikel 8.17b — Artikel 8.17b#
Artikel 8.17b 1 De exploitant van de luchthaven zendt binnen vier maanden na afloop van het gebruiksjaar een evaluatie van het werkelijke gebruik van de luchthaven in vergelijking tot de gebruiksprognose voor dat jaar aan de Omgevingsraad Schiphol en aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud en de procedure van de evaluatie. 2016 119 30-03-2016 09-03-2016 34098 119 30-03-2016
Artikel 8.18 — Artikel 8.18#
Artikel 8.18 artikel 8.17, vierde lid De exploitant van de luchthaven, de verlener van luchtverkeersdiensten en de luchtvaartmaatschappijen bevorderen het goede verloop van het luchthavenluchtverkeer overeenkomstig het luchthavenverkeerbesluit. Zij treffen daartoe zelf en in onderlinge samenwerking de voorzieningen die redelijkerwijs van hen kunnen worden gevergd om te bewerkstelligen dat de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer de in, bedoelde grenswaarden niet overschrijdt. 2007 405 30-10-2007 27-09-2007 30834 2008 175 27-05-2008 13-05-2008 28-05-2008
Artikel 8.19 — Artikel 8.19#
Artikel 8.19 De exploitant van de luchthaven stelt de luchthaven beschikbaar overeenkomstig de regels van het luchthavenverkeerbesluit. De exploitant kan hiervan afwijken als dit in het belang van de veiligheid nodig is. 2002 374 16-07-2002 27-06-2002 27603 2002 593 17-12-2002 26-11-2002 20-02-2003
Artikel 8.20 — Artikel 8.20#
Artikel 8.20 Luchtverkeersdiensten worden verleend overeenkomstig de regels van het luchthavenverkeerbesluit. De verlener van de luchtverkeersdiensten kan hiervan afwijken als dit in het belang van de veiligheid nodig is. 2007 405 30-10-2007 27-09-2007 30834 2008 175 27-05-2008 13-05-2008 28-05-2008
Artikel 8.21 — Artikel 8.21#
Artikel 8.21 1 De gezagvoerder neemt deel aan het luchthavenluchtverkeer overeenkomstig de regels van het luchthavenverkeerbesluit. 2 De gezagvoerder kan afwijken van het eerste lid op advies van de verlener van luchtverkeersdiensten. 3 De gezagvoerder kan afwijken van het eerste lid als dit in het belang van de veiligheid nodig is. 2007 405 30-10-2007 27-09-2007 30834 2008 175 27-05-2008 13-05-2008 28-05-2008
Artikel 8.22 — Artikel 8.22#
Artikel 8.22 1 artikel 8.17, vierde lid Zodra de inspecteur-generaal constateert dat de in, bedoelde grenswaarden zijn overschreden, schrijft hij maatregelen voor die naar zijn oordeel bijdragen aan het terugdringen van de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer binnen de grenswaarden. 2 8.17, tweede en derde lid artikel 8.17, zesde lid De maatregelen hebben betrekking op de in artikel, bedoelde onderwerpen en vallen binnen de in, bedoelde grenzen. 3 De inspecteur-generaal trekt de maatregelen in of matigt deze voor zover zij naar zijn oordeel niet langer nodig zijn voor het terugdringen van de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer binnen de grenswaarden. 4 Voordat de inspecteur-generaal een maatregel voorschrijft stelt hij degene tot wie de maatregel is gericht in de gelegenheid zijn zienswijze kenbaar te maken. 5 artikelen 8.18 tot en met 8.21 Dezijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de voorgeschreven maatregelen. 2002 374 16-07-2002 27-06-2002 27603 2002 593 17-12-2002 26-11-2002 20-02-2003
Artikel 8.23 — Artikel 8.23#
Artikel 8.23 1 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan indien ten gevolge van groot onderhoud van een baan het normale gebruik van een luchthaven naar hun oordeel ernstig wordt belemmerd: a. vrijstelling worden verleend van een regel in het luchthavenverkeerbesluit; b. een in het luchthavenverkeerbesluit vastgelegde grenswaarde voor de geluidbelasting in een bepaald punt worden vervangen door een andere grenswaarde. 2 Een vrijstelling kan slechts worden verleend voor een bepaalde in de vrijstelling vast te stellen termijn van ten hoogste een jaar. 3 artikelen 8.18 tot en met 8.21 Aan een vrijstelling kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden met het oog op de veiligheid, de geluidbelasting, de lokale luchtverontreiniging en de geurbelasting. Dezijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de beperkingen en voorschriften. 4 Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een vervanging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. 5 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan indien ten gevolge van een bijzonder voorval het normale gebruik van een luchthaven naar hun oordeel ernstig wordt belemmerd vrijstelling verlenen van een regel in het luchthavenverkeerbesluit of een in het luchthavenverkeerbesluit vastgelegde grenswaarde vervangen. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 2017 320 29-08-2017 17-05-2017 34591 2017 321 29-08-2017 19-08-2017 30-08-2017
Artikel 8.23a — Artikel 8.23a#
Artikel 8.23a 1 artikel 8.15 artikel 8.34 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan worden bepaald dat bij wijze van experiment wordt afgeweken van krachtensgestelde voorschriften, mits de commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol, bedoeld inof een ander bij ministeriële regeling aan te wijzen regionaal orgaan, bij advies heeft aangegeven dat het experiment een gunstig effect kan hebben op de hinderbeleving. De afwijking kan bestaan uit: a. het verlenen van vrijstelling van een regel in het luchthavenverkeerbesluit voorzover deze de luchtverkeerwegen of het gebruik van het luchtruim en de beschikbaarheid van de banen betreft, of b. het vervangen van een in het luchthavenverkeerbesluit vastgelegde grenswaarde voor de geluidbelasting in een bepaald punt door een andere grenswaarde. 2 In de ministeriële regeling wordt het doel van het experiment vastgesteld, alsmede op welke wijze van welke voorschriften wordt afgeweken en op welke wijze eventuele nadelige gevolgen zo veel mogelijk worden beperkt. 3 artikel 8.31 In de ministeriële regeling kan worden bepaald in hoeverre, op welke wijze en door wie eventuele nadelige gevolgen worden gecompenseerd. In dat geval isniet van toepassing. 4 Tevens worden in de ministeriële regeling regels gesteld over de uitvoering en de gevolgen van het experiment, over criteria aan de hand waarvan kan worden bepaald of het experiment wordt omgezet in een structurele wettelijke regeling, en worden voorzieningen getroffen voor onvoorziene gevallen die zich gedurende het experiment kunnen voordoen. 5 Een experiment kan slechts worden toegestaan voor een bepaalde in de ministeriële regeling vast te stellen termijn van ten hoogste een jaar. Deze termijn kan eenmaal met maximaal een jaar worden verlengd. De looptijd van een experiment sluit zoveel mogelijk aan bij een gebruiksjaar. Bij voortijdige beëindiging van het experiment stelt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een overgangsregeling vast. 6 artikelen 8.13 8.14 8.24 Indien voor afloop van een experiment en in overeenstemming met de,ofeen ontwerp is bekendgemaakt om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling, kan bij ministeriële regeling de termijn van het experiment worden verlengd tot het tijdstip waarop het ontwerp is vastgesteld en in werking treedt. 7 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu zendt voldoende tijdig voor het einde van de werkingsduur van een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, alsmede een standpunt inzake de voortzetting ervan anders dan als experiment. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu bericht de beide kamers der Staten-Generaal bij vaststelling van deze ministeriële regeling wanneer en over de wijze waarop hij verslag zal doen. 8 artikel 8.34 Een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid wordt niet eerder vastgesteld dan nadat het voorstel voor advies is voorgelegd aan de commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol, bedoeld in, in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu te brengen. 9 artikel 8.34 De commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol, bedoeld in, danwel een ander per ministeriële regeling aan te wijzen orgaan, kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu verzoeken om een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid vast te stellen. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu overweegt het verzoek en deelt uiterlijk zes weken na ontvangst van het verzoek zijn overwegingen, met redenen omkleed, aan de commissie en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal mee. 2020 262 17-07-2020 01-07-2020 35218 2021 176 09-04-2021 01-04-2021 01-07-2021
Artikel 8.24 — Artikel 8.24#
Artikel 8.24 artikelen 8.13 8.14 Deenzijn van overeenkomstige toepassing op het voorbereiden en het wijzigen van het luchthavenverkeerbesluit. 2002 374 16-07-2002 27-06-2002 27603 2002 593 17-12-2002 26-11-2002 20-02-2003
Artikel 8.24a — Artikel 8.24a#
Artikel 8.24a 1 Luchtvaartwet De exploitant van de luchthaven is verplicht om met inachtneming van de bij of krachtens deze wet of degestelde bepalingen, luchthavenluchtverkeer ten behoeve van de burgerluchtvaart op de luchthaven toe te laten. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op circuitvluchten, oefenvluchten en proefvluchten. 3 De exploitant is verplicht om in door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in overeenstemming met Onze Minister van Defensie aangewezen gevallen met inachtneming van de bij of krachtens deze wet of de Luchtvaartwet gestelde bepalingen, luchthavenluchtverkeer ten behoeve van de militaire luchtvaart op de luchthaven toe te laten. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 8.25 — Artikel 8.25#
Artikel 8.25 1 Het is verboden de luchthaven te exploiteren zonder vergunning van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 2 Een luchthavenexploitatievergunning wordt verleend voor onbepaalde tijd. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 8.25a — Artikel 8.25a#
Artikel 8.25a artikel 8.3 De exploitant van de luchthaven is verplicht tot exploitatie van de luchthaven en treft met inachtneming vandaartoe de voorzieningen die nodig zijn voor een goede afwikkeling van het luchthavenluchtverkeer en het daarmee samenhangende personen- en goederenvervoer op de luchthaven. 2006 331 18-07-2006 29-06-2006 28074 2006 332 18-07-2006 07-07-2006 19-07-2006
Artikel 8.25b — Artikel 8.25b#
Artikel 8.25b 1 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een vergunning intrekken indien: a. de exploitant van de luchthaven zich schuldig maakt aan wanbeheer waardoor de continuïteit van de luchthaven in gevaar wordt gebracht; b. het nationale ruimtelijke beleid niet langer voorziet in een luchthaven op de desbetreffende locatie. 2 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan op aanvraag van de exploitant van de luchthaven de vergunning intrekken indien het algemeen belang zich niet tegen die intrekking verzet. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 8.25c — Artikel 8.25c#
Artikel 8.25c artikel 8.25b, onderdeel a Indien een ernstig vermoeden bestaat dat een omstandigheid als bedoeld in, zich dreigt voor te doen, kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu de exploitant van de luchthaven een aanwijzing geven om binnen een door hem te stellen termijn maatregelen te treffen ter voorkoming van wanbeheer. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 8.25d — Artikel 8.25d#
Artikel 8.25d 1 De exploitant van de luchthaven stelt eenmaal per drie jaar de tarieven en voorwaarden voor de eerstkomende periode van drie jaar vast voor de activiteiten van de exploitant van de luchthaven ten behoeve van het gebruik van de luchthaven door gebruikers. 2 De in het eerste lid, bedoelde tarieven en voorwaarden kunnen binnen de periode van drie jaar per jaar verschillen. 3 De in het eerste lid, bedoelde tarieven en voorwaarden treden op 1 april in werking. 4 artikel 8.25db artikel 8.25dg De exploitant van de luchthaven stelt jaarlijks aangepaste tarieven vast op basis van de in het eerste lid, dan wel in, bedoelde tarieven die voor het desbetreffende jaar zijn vastgesteld. De aanpassing betreft een of meer van de door de exploitant van de luchthaven aan de gebruikers in, bedoelde verschuldigde afzonderlijke verrekeningen. 5 artikel 8.25db artikel 8.25dg De exploitant van de luchthaven kan jaarlijks aangepaste tarieven vaststellen op basis van de in het eerste lid dan wel in, bedoelde tarieven die voor het desbetreffende jaar zijn vastgesteld. De aanpassing betreft een of meer van de door de gebruikers aan de exploitant van de luchthaven in, bedoelde verschuldigde afzonderlijke verrekeningen. 6 artikel 8.25db De exploitant van de luchthaven kan telkens als hiertoe aanleiding bestaat aangepaste operationele voorwaarden vaststellen voor het resterende gedeelte van de in het eerste lid bedoelde periode van drie jaar, op basis van de in het eerste lid, dan wel inbedoelde voorwaarden. 7 De in het vierde en vijfde lid, bedoelde aangepaste tarieven treden per 1 april in werking. 8 artikelen 8.25di, eerste lid 8.25e, twaalfde lid De in het zesde lid, bedoelde aangepaste operationele voorwaarden treden in werking op een door de exploitant van de luchthaven te bepalen datum, waarbij de exploitant van de luchthaven de nadere regels, bedoeld in de, en, in acht neemt. 2016 272 14-07-2016 22-06-2016 34197 2017 188 12-05-2017 19-04-2017 01-07-2017
Artikel 8.25da — Artikel 8.25da#
Artikel 8.25da 1 artikel 8.25d, eerste lid De exploitant van de luchthaven doet voorafgaande aan de periode waarop de in, bedoelde tarieven en voorwaarden betrekking hebben, mededeling ter zake van de vaststelling van de tarieven en voorwaarden aan gebruikers en representatieve organisaties. 2 artikel 8.25d, eerste lid De exploitant van de luchthaven betrekt bij de vaststelling van de in, bedoelde tarieven en voorwaarden, de zienswijzen van gebruikers en representatieve organisaties en geeft in de mededeling ter zake van de vaststelling van de tarieven en voorwaarden gemotiveerd aan: a. of, in hoeverre en op welke wijze deze zienswijzen hebben geleid tot eventuele aanpassing van de voorgestelde tarieven en voorwaarden; b. welke mogelijke effecten de tarieven en voorwaarden hebben op de netwerkkwaliteit. 3 De exploitant van de luchthaven draagt er op verzoek van een gebruiker of representatieve organisatie zorg voor dat de mededeling van de vaststelling van de tarieven geen tot die gebruiker of representatieve organisatie herleidbare informatie bevat, indien de informatie in de zienswijze door een gebruiker of representatieve organisatie als bedrijfsvertrouwelijk wordt gekwalificeerd. 4 artikel 8.25d, vierde en vijfde lid artikel 8.25dg De exploitant van de luchthaven doet voorafgaande aan de periode waarop de in, bedoelde aangepaste tarieven betrekking hebben, mededeling van de vaststelling van de in, bedoelde afzonderlijke verrekeningen, het saldo van de afzonderlijke verrekeningen en de daaruit volgende aangepaste tarieven aan gebruikers en representatieve organisaties. Het tweede lid, onderdeel a, en het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 5 artikel 8.25d, zesde lid De exploitant van de luchthaven doet voorafgaande aan de periode waarop de in, bedoelde aangepaste voorwaarden betrekking hebben, mededeling van de vaststelling aan gebruikers en representatieve organisaties. Het tweede lid, onderdeel a, en het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 2016 272 14-07-2016 22-06-2016 34197 2017 188 12-05-2017 19-04-2017 01-07-2017
Artikel 8.25db — Artikel 8.25db#
Artikel 8.25db 1 artikel 8.25d, eerste en derde lid De exploitant van de luchthaven kan, in afwijking van, nieuwe tarieven en voorwaarden vaststellen voor het resterende gedeelte van de in artikel 8.25d, eerste lid, bedoelde periode, in verband met de inwerkingtreding van veranderingen van de beveiligingsmaatregelen. Deze tarieven en voorwaarden kunnen zowel op 1 april als op 1 november van enig jaar in werking treden. 2 artikel 8.25d, eerste en derde lid De exploitant van de luchthaven kan, in afwijking van, nieuwe tarieven en voorwaarden vaststellen voor het resterende gedeelte van de in artikel 8.25d, eerste lid, bedoelde periode, indien sprake is van uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden. Deze tarieven en voorwaarden kunnen zowel op 1 april als op 1 november van enig jaar in werking treden. 3 artikel 8.25d, eerste en derde lid artikel 8.25f, vierde lid artikel 11.24 De exploitant van de luchthaven kan, in afwijking van, nieuwe tarieven en voorwaarden vaststellen voor het resterende gedeelte van de in artikel 8.25d, eerste lid, bedoelde periode, naar aanleiding van een in, bedoeld besluit van de Autoriteit Consument en Markt, naar aanleiding van het op grond vangenomen besluit van de Autoriteit Consument en Markt of naar aanleiding van een rechterlijke uitspraak, indien een dergelijk besluit of rechterlijke uitspraak gevolgen heeft voor de structuur van en de onderlinge verhouding tussen de tarieven voor de onderscheiden soorten verkeer en vervoer. Deze tarieven en voorwaarden kunnen zowel op 1 april als op 1 november van enig jaar in werking treden. 4 Artikel 8.25da, tweede en derde lid De exploitant van de luchthaven doet voorafgaande aan de periode waarop de in de voorgaande leden bedoelde tarieven en voorwaarden betrekking hebben, mededeling aan gebruikers en representatieve organisaties ter zake van de vaststelling van deze tarieven en voorwaarden., zijn van overeenkomstige toepassing. 2016 272 14-07-2016 22-06-2016 34197 2017 188 12-05-2017 19-04-2017 01-07-2017
Artikel 8.25dc — Artikel 8.25dc#
Artikel 8.25dc 1 artikelen 8.25d 8.25db De inenbedoelde tarieven en voorwaarden zijn redelijk en non-discriminatoir. 2 artikelen 8.25d 8.25db De inenbedoelde tarieven kunnen worden gedifferentieerd uit een oogpunt van algemeen belang, met inbegrip van de bescherming van het milieu. De criteria voor deze tariefsdifferentiatie dienen de differentiatie te kunnen rechtvaardigen en zijn objectief en transparant. 3 artikelen 8.25d 8.25db De inenbedoelde tarieven zijn voor het geheel van de activiteiten kostengeoriënteerd. 4 Onverminderd het derde lid zijn de tarieven voor het geheel van de beveiligingsactiviteiten ten behoeve van de burgerluchtvaart kostengeoriënteerd. 2016 272 14-07-2016 22-06-2016 34197 2017 188 12-05-2017 19-04-2017 01-07-2017
Artikel 8.25dd — Artikel 8.25dd#
Artikel 8.25dd 1 artikel 8.25d, eerste lid De exploitant van de luchthaven neemt bij de in, bedoelde vaststelling van de tarieven, een bijdrage in aanmerking uit de andere activiteiten dan de in artikel 8.25d, eerste lid, bedoelde activiteiten en de andere activiteiten dan de in het tweede lid van dit artikel bedoelde overige activiteiten. De exploitant van de luchthaven houdt bij deze bijdrage rekening met de continuïteit van de onderneming en de financierbaarheid van de investeringen van de exploitant van de luchthaven. 2 artikel 8.25d, eerste lid De exploitant van de luchthaven neemt bij de in, bedoelde vaststelling van de tarieven, de toegerekende opbrengsten in aanmerking uit de overige activiteiten van de exploitant van de luchthaven die rechtstreeks verband houden met de in artikel 8.25d, eerste lid, bedoelde activiteiten. 3 artikel 8.25d, eerste lid artikel 8.25db, eerste lid artikel 37ac, tweede lid, van de Luchtvaartwet De exploitant van de luchthaven neemt bij de vaststelling van de in, en, bedoelde tarieven de kosten in aanmerking van structurele maatregelen voor de uitvoering van een in, bedoelde bijzondere aanwijzing van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, voor zover die maatregelen betrekking hebben op de beveiliging van de burgerluchtvaart. 2016 272 14-07-2016 22-06-2016 34197 2017 188 12-05-2017 19-04-2017 01-07-2017
Artikel 8.25de — Artikel 8.25de#
Artikel 8.25de 1 De exploitant van de luchthaven stelt eenmaal per drie jaar een vijfjarig investeringsprogramma vast, betreffende de activiteiten van de exploitant ten behoeve van het gebruik van de luchthaven door gebruikers, voorafgaande aan de periode waarop het vijfjarige investeringsprogramma betrekking heeft. De in het vierde en vijfde jaar van het investeringsprogramma geplande investeringen zijn indicatief van aard. 2 artikel 8.25d, eerste lid De exploitant van de luchthaven doet voor aanvang van het boekjaar waarin de in, bedoelde tarieven en voorwaarden in werking treden, mededeling ter zake van de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde vijfjarige investeringsprogramma. 3 De exploitant van de luchthaven betrekt bij de vaststelling van het vijfjarige investeringsprogramma de zienswijzen van gebruikers en representatieve organisaties en geeft in de in het tweede lid, bedoelde mededeling, gemotiveerd aan: a. of, in hoeverre en op welke wijze deze zienswijzen hebben geleid tot een aanpassing van het voorgestelde investeringsprogramma; b. de mate van draagvlak voor het investeringsprogramma bij gebruikers en representatieve organisaties. 4 De exploitant van de luchthaven draagt er op verzoek van een gebruiker of een representatieve organisatie zorg voor dat de mededeling van de vaststelling van het vijfjarige investeringsprogramma geen tot die gebruiker of representatieve organisatie herleidbare informatie bevat, indien de informatie in de zienswijze door een gebruiker of representatieve organisatie als bedrijfsvertrouwelijk wordt gekwalificeerd. 2016 272 14-07-2016 22-06-2016 34197 2017 188 12-05-2017 19-04-2017 01-07-2017
Artikel 8.25df — Artikel 8.25df#
Artikel 8.25df 1 De exploitant van de luchthaven raadpleegt voor elk investeringsproject of elk afzonderlijk onderdeel daarvan, die gebruikers en representatieve organisaties, die hebben aangegeven deel te willen nemen in een specifiek voor dit investeringsproject opgerichte projectgroep. 2 De exploitant van de luchthaven stelt voor elk investeringsproject, voorafgaande aan de start van de aanbesteding van dat investeringsproject of elk afzonderlijk onderdeel daarvan, in ieder geval een raming en de daarbij behorende functionele specificaties vast en deelt deze mede aan de gebruikers en de representatieve organisaties die deelnemen in de in het eerste lid, bedoelde projectgroep. 3 De exploitant van de luchthaven betrekt bij de vaststelling van de raming en de daarbij behorende functionele specificaties van elk investeringsproject, of elk afzonderlijk onderdeel daarvan, de zienswijzen van de gebruikers en van de representatieve organisaties die deelnemen in de in het eerste lid, bedoelde projectgroep. 4 De exploitant van de luchthaven doet, voor aanvang van de realisatiefase van elk investeringsproject, of elk afzonderlijk onderdeel daarvan, aan de leden van de in het eerste lid bedoelde projectgroep, in ieder geval mededeling van de vaststelling van de omvang van de investeringsbegroting en de functionele specificaties van dat investeringsproject. 5 De exploitant van de luchthaven doet, na afloop van de realisatie van elk investeringsproject, of elk afzonderlijk onderdeel daarvan, aan de leden van de in het eerste lid, bedoelde projectgroep, mededeling ter zake van in ieder geval de daadwerkelijke uitgaven en de gerealiseerde functionele specificaties van dat investeringsproject, of elk afzonderlijk onderdeel daarvan, en de verschillen met de investeringsbegroting, respectievelijk de in het kader van de aanbesteding vastgestelde functionele specificaties. 6 Bij wijziging van de in het vierde lid, bedoelde functionele specificaties, in de periode vanaf de aanvang van de realisatiefase tot het moment van afronding van de realisatiefase, is het eerste tot en met vijfde lid van overeenkomstige toepassing. 7 In het geval dat het investeringsproject geheel bestaat uit diensten, leveringen of werken, die niet behoeven te worden aanbesteed, is het eerste tot en met vijfde lid van overeenkomstige toepassing. 2016 272 14-07-2016 22-06-2016 34197 2017 188 12-05-2017 19-04-2017 01-07-2017
Artikel 8.25dg — Artikel 8.25dg#
Artikel 8.25dg 1 artikel 8.25d, vierde en vijfde lid De exploitant van de luchthaven verrekent met het oog op een in, bedoelde aanpassing van de tarieven, en met inachtneming van deze leden, de verschillen tussen de geraamde en de werkelijke opbrengsten en kosten, in verband met de prognoses en de realisatie van het volume van het verkeer en vervoer, zoals volgt uit de financiële verantwoordingen. 2 artikel 8.25d, vierde lid artikel 8.25dc, vierde lid artikel 8.25dd, derde lid De exploitant van de luchthaven verrekent met het oog op een in, bedoelde aanpassing van de tarieven voor beveiliging, en met inachtneming van dit lid, de meeropbrengst uit de in, bedoelde tarieven voor de beveiliging, die zijn verkregen nadat een in, bedoelde structurele maatregel is ingetrokken, en de tarieven voor de beveiliging van de burgerluchtvaart nog niet dienovereenkomstig zijn aangepast, zoals volgt uit de financiële verantwoordingen. 3 artikel 8.25d, vierde en vijfde lid artikel 8.25f, vierde lid De exploitant van de luchthaven verrekent met het oog op een aanpassing van de tarieven, als bedoeld in, en met inachtneming van deze leden, de omzet als gevolg van het verschil tussen het door de exploitant van de luchthaven in rekening gebrachte tarief en het tarief, als bedoeld in, dat door de exploitant van de luchthaven is vastgesteld naar aanleiding van een besluit van de Autoriteit Consument en Markt. De in dit lid bedoelde omzet volgt uit de financiële verantwoordingen. 4 artikel 8.25d, vierde en vijfde lid artikel 11.24 De exploitant van de luchthaven verrekent met het oog op een in, bedoelde aanpassing van de tarieven, en met inachtneming van deze leden, de omzet als gevolg van het verschil tussen het door de exploitant van de luchthaven in rekening gebrachte tarief en het tarief, dat door de exploitant van de luchthaven is vastgesteld naar aanleiding van een op grond vangenomen besluit van de Autoriteit Consument en Markt of een rechterlijke uitspraak. De in dit lid bedoelde omzet volgt uit de financiële verantwoordingen. 5 artikel 8.25d, vierde en vijfde lid De exploitant van de luchthaven verrekent met het oog op een inbedoelde aanpassing van de tarieven, en met inachtneming van deze leden, de toe- of afname van de omzet als gevolg van een in het derde lid dan wel vierde lid bedoeld besluit van de Autoriteit Consument en Markt, of een besluit van de rechter dat gevolgen heeft voor de structuur van een deel van de tarieven. De in dit lid bedoelde toe- of afname van de omzet volgt uit de financiële verantwoordingen. 6 artikel 8.25d, vierde en vijfde lid artikel 8.25de artikel 8.25db De exploitant van de luchthaven verrekent met het oog op een in, bedoelde aanpassing van de tarieven, en met inachtneming van deze leden, het verschil in afschrijvings-, vermogens- en operationele kosten zoals opgenomen in de investeringsbegroting van de investering, zoals deze is opgenomen in het inbedoelde investeringsprogramma en de werkelijke afschrijvings-, vermogens- en operationele kosten van deze investeringen, zoals deze volgen uit de financiële verantwoordingen. De voorgaande volzin is van overeenkomstige toepassing in gevallen van eerdere of latere ingebruikneming of buitengebruikstelling van activa dan gepland gedurende de periode waarvoor de in artikel 8.25d of, bedoelde tarieven van kracht zijn. De in dit lid bedoelde verschillen in afschrijvings-, vermogens- en operationele kosten volgen uit de financiële verantwoordingen. 7 artikel 8.25d, vierde en vijfde lid De exploitant van de luchthaven verrekent met het oog op een in, bedoelde aanpassing van de tarieven, en met inachtneming van deze leden, de verschillen tussen de geraamde en de werkelijke kosten in verband met activiteiten op verzoek van een gebruiker dan wel opgelegd door de overheid. De in dit lid bedoelde verschillen volgen uit de financiële verantwoordingen. 8 artikel 8.25d, vierde en vijfde lid artikel 8.25db, tweede lid De exploitant van de luchthaven verrekent met het oog op een in, bedoelde aanpassing van de tarieven, en met inachtneming van deze leden, de toe- of afname van de kosten, die het gevolg is van het aanvangen, respectievelijk ophouden te bestaan van de in, bedoelde uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden. De in dit lid bedoelde toe- of afname van de kosten volgt uit de financiële verantwoordingen. 9 artikel 8.25df, vijfde lid artikel 8.25d, vierde lid Indien de in, bedoelde daadwerkelijke investeringsuitgaven lager zijn dan de in artikel 8.25df, vierde lid, dan wel zesde lid, bedoelde investeringsbegroting en het verschil tussen die uitgaven en de begroting groter is dan een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage, verrekent de exploitant van de luchthaven dit verschil, in afwijking van het zesde lid, met het oog op een in, bedoelde aanpassing van de tarieven, en met inachtneming van dit lid, gedurende de resterende jaren van de in artikel 8.25d, eerste lid, bedoelde periode van drie jaar, waarin het investeringsproject of een onderdeel daarvan in gebruik wordt genomen en de direct daarop volgende periode van drie jaar. De verrekening van het verschil in de in de vorige volzin bedoelde periode is gelijk aan de helft van het verschil in jaarlijkse afschrijvings-, vermogens- en operationele kosten dat het gevolg is van het verschil tussen de in artikel 8.25df, vierde lid, dan wel zesde lid, bedoelde investeringsbegroting, van het investeringsproject, en de lagere in artikel 8.25df, vijfde lid, bedoelde daadwerkelijke uitgaven van het investeringsproject. Het in dit lid bedoelde verschil volgt uit de financiële verantwoordingen. 10 artikel 8.25df, vijfde lid artikel 8.25d, eerste lid Indien de in, bedoelde daadwerkelijke investeringsuitgaven hoger zijn dan de in artikel 8.25df, vierde lid, dan wel het zesde lid, bedoelde investeringsbegroting en het verschil tussen die uitgaven en de begroting groter is dan een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage blijft, in afwijking van het zesde lid, het verschil in afschrijvings-, vermogens- en operationele kosten dat voortvloeit uit het verschil tussen daadwerkelijke investeringsuitgaven en de investeringsbegroting buiten de kosten en de tarieven gedurende de resterende jaren van de in, bedoelde periode van drie jaar, waarin het investeringsproject of elk afzonderlijk onderdeel daarvan in gebruik wordt genomen, en de direct daarop volgende periode van drie jaar. Het in de eerste volzin bepaalde is niet van toepassing, indien en voor zover het verschil tussen de investeringsbegroting en de hogere daadwerkelijke investeringsuitgaven het gevolg is van uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden. 11 artikel 8.25d, vierde en vijfde lid De exploitant van de luchthaven verrekent met het oog op een in, bedoelde aanpassing van de tarieven, en met inachtneming van deze leden, het verschil tussen de geraamde en de daadwerkelijke kosten in verband met verzekeringspremies tegen schade als gevolg van terrorisme, zoals volgt uit de financiële verantwoordingen. 12 artikel 8.25d, vierde en vijfde lid De exploitant van de luchthaven verrekent met het oog op een in, bedoelde aanpassing van de tarieven, en met inachtneming van deze leden, de verschillen tussen de geraamde en de werkelijke kosten in verband met een uitstel van de uitvoering van activiteiten ten opzichte van de prognose, zoals volgt uit de financiële verantwoordingen. 2016 272 14-07-2016 22-06-2016 34197 2017 188 12-05-2017 19-04-2017 01-07-2017
Artikel 8.25dh — Artikel 8.25dh#
Artikel 8.25dh artikel 8.25d, eerste lid artikel 8.25db, eerste tot en met derde lid De exploitant van de luchthaven hanteert de op grond van, en, vastgestelde tarieven en voorwaarden, de op grond van artikel 8.25d, vierde en vijfde lid, vastgestelde aangepaste tarieven, en de op grond van artikel 8.25d, zesde lid, vastgestelde aangepaste voorwaarden, gedurende de periode waarop die tarieven en voorwaarden, respectievelijk die aangepaste tarieven en voorwaarden betrekking hebben. 2016 272 14-07-2016 22-06-2016 34197 2017 188 12-05-2017 19-04-2017 01-07-2017
Artikel 8.25di — Artikel 8.25di#
Artikel 8.25di 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent: a. artikel 8.25d, eerste lid artikel 8.25db, eerste tot en met derde lid de activiteiten ten behoeve van het gebruik van de luchthaven door gebruikers waarvoor de inen, bedoelde tarieven en voorwaarden, de in artikel 8.25d, vierde en vijfde lid, bedoelde aanpassingen van tarieven en de in artikel 8.25d, zesde lid, bedoelde aanpassingen van de operationele voorwaarden worden vastgesteld; b. artikel 8.25d, eerste lid artikel 8.25db, eerste tot en met derde lid het tijdstip van vaststelling van de inen, bedoelde tarieven en voorwaarden, de in artikel 8.25d, vierde en vijfde lid, bedoelde aanpassingen van tarieven en de in artikel 8.25d, zesde lid, bedoelde aanpassingen van de operationele voorwaarden; c. artikel 8.25d, eerste lid artikel 8.25db, eerste tot en met derde lid de vermelding van de wijzigingen van de inen, bedoelde voorwaarden, gedurende de in artikel 8.25d, eerste lid, bedoelde periode, en het tijdstip van die wijzigingen; d. artikel 8.25d, zesde lid de vermelding van de in, bedoelde aangepaste operationele voorwaarden; e. artikel 8.25da, eerste, vierde en vijfde lid artikel 8.25db, vierde lid de wijze en het tijdstip waarop de inen, bedoelde mededelingen plaatsvinden; f. artikel 8.25db, tweede lid artikel 8.25dg, tiende lid de inen in, bedoelde uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden; g. artikel 8.25dc, derde en vierde lid de in, bedoelde kostenoriëntatie; h. artikel 8.25dd, eerste lid de procedure volgens welke en de methodiek aan de hand waarvan de exploitant van de luchthaven uitvoering geeft aanen de informatieverstrekking ter zake; i. artikel 8.25dd, tweede lid de in, bedoelde overige activiteiten, welke rechtstreeks verband houden met de activiteiten ten behoeve van het gebruik van de luchthaven; j. artikel 8.25dd, derde lid het tijdstip en de wijze waarop de exploitant van de luchthaven, indien nodig in afwijking van de in onderdeel b bedoelde regels, uitvoering geeft aan; k. artikel 8.25de, tweede lid het tijdstip en de wijze waarop de in, bedoelde mededeling van de vaststelling van het vijfjarige investeringsprogramma plaatsvindt; l. de tijdstippen en de wijze waarop de exploitant van de luchthaven jaarlijks gebruikers en representatieve organisaties informeert over de voortgang van het investeringsprogramma; m. het minimale bedrag van het investeringsproject; n. artikel 8.25df, eerste lid het tijdstip en de wijze waarop de in, bedoelde projectgroep, wordt vormgegeven; o. artikel 8.25df, eerste, tweede, vierde en vijfde lid de in, bedoelde raadplegingen en de mededelingen inzake een investeringsproject of elk afzonderlijk onderdeel daarvan; p. artikel 8.25dg, eerste tot en met negende en elfde en twaalfde lid de tijdstippen en de wijze waarop de in, bedoelde verrekeningen, alsmede de informatieverstrekking door de exploitant van de luchthaven over de verrekeningen en de overige aan de verrekeningen te stellen voorwaarden, plaats hebben; q. artikel 8.25dg, negende en tiende lid het in, bedoelde percentage van het verschil tussen de daadwerkelijke investeringsuitgaven van een investeringsproject of elk afzonderlijk onderdeel daarvan, en de investeringsbegroting. 2 De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2016 272 14-07-2016 22-06-2016 34197 2017 188 12-05-2017 19-04-2017 01-07-2017
Artikel 8.25dj — Artikel 8.25dj#
Artikel 8.25dj 1 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een groep luchthavens die wordt geëxploiteerd door de exploitant van de luchthaven of, indien dit een ander is, een en dezelfde houder van de luchthavenexploitatievergunning, aanwijzen als luchthavennetwerk. 2 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan de exploitant van het luchthavennetwerk toestemming verlenen om een gemeenschappelijk, transparant systeem van tarieven vast te stellen voor het gehele luchthavennetwerk. 3 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan de exploitant van de luchthaven en de exploitant van elke deelnemende overige burgerluchthaven, voor zover zij luchtverbindingen voor dezelfde stad of agglomeratie verzorgen, toestemming verlenen om een gemeenschappelijk, transparant systeem van tarieven vast te stellen voor alle luchthavens die de luchtverbindingen voor dezelfde stad of agglomeratie verzorgen. 4 artikelen 8.25d tot en met 8.25h artikel 8.25d 8.25da 8.25db 8.25dc, eerste lid 8.25dd 8.25de, eerste lid 8.25df, eerste lid 8.25dg 8.25e 8.25f 8.25fa 8.25h 8.25j In geval van een gemeenschappelijk, transparant systeem van tarieven, als bedoeld in het tweede of derde lid, doet de exploitant van de luchthaven aan de gebruikers en representatieve organisaties mededeling van een voorstel voor de tarieven en voorwaarden en stelt hij de tarieven en voorwaarden vast voor de luchthaven Schiphol overeenkomstig deen de krachtens deze artikelen gestelde regels. De exploitant van elke deelnemende overige burgerluchthaven doet aan de gebruikers en representatieve organisaties mededeling van een voorstel en stelt de tarieven vast overeenkomstig de,,,,,,,,,,,enen de krachtens deze artikelen gestelde regels. De exploitant en de deelnemende overige burgerluchthavens dragen zorg voor de noodzakelijke onderlinge afstemming. 2017 480 15-12-2017 29-11-2017 34757 2018 32 16-02-2018 25-01-2018 17-02-2018 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is.
Artikel 8.25e — Artikel 8.25e#
Artikel 8.25e 1 artikel 8.25d, eerste lid 8.25db, eerste tot en met derde lid De exploitant van de luchthaven doet met het oog op de vaststelling van de inen, bedoelde tarieven en voorwaarden, aan gebruikers en representatieve organisaties voorafgaand mededeling van een voorstel voor deze tarieven en voorwaarden met een omschrijving van de daarvoor te leveren diensten, alsmede van een toelichting, onder meer inhoudende een economische onderbouwing, een kostenbenchmark, een tarievenbenchmark, een benchmark kwaliteitsindicatoren en een onderbouwde beschrijving van de mogelijke effecten van het voorstel van de tarieven en voorwaarden op de netwerkkwaliteit. 2 artikel 8.25d, vierde en vijfde lid artikel 8.25dg De exploitant van de luchthaven doet met het oog op de vaststelling van de in, bedoelde aanpassing van de tarieven, aan gebruikers en representatieve organisaties voorafgaand mededeling van een voorstel van de inbedoelde afzonderlijke verrekeningen, het saldo van die verrekeningen en de daaruit volgende aangepaste tarieven. 3 artikel 8.25d, zesde lid De exploitant van de luchthaven doet, met het oog op de vaststelling van de in, bedoelde aanpassingen van de voorwaarden, aan gebruikers en representatieve organisaties voorafgaand mededeling van een voorstel tot aanpassing. 4 artikel 8.25d, eerste lid artikel 8.25db Gebruikers verstrekken aan de exploitant van de luchthaven de in het twaalfde lid, onderdeel f, bedoelde informatie, voorafgaand aan de mededeling van het voorstel voor de in, dan wel inbedoelde tarieven en voorwaarden. 5 De exploitant van de luchthaven raadpleegt gebruikers en representatieve organisaties over de in het eerste tot en met derde lid bedoelde voorstellen, alvorens de tarieven en voorwaarden, respectievelijk de aangepaste tarieven en voorwaarden vast te stellen. 6 artikel 8.25de, eerste lid De exploitant van de luchthaven doet met het oog op de vaststelling van het in, bedoelde investeringsprogramma, aan gebruikers en representatieve organisaties voorafgaand mededeling van een voorstel van het vijfjarige investeringsprogramma. 7 artikel 8.25df, eerste lid De exploitant van de luchthaven doet, met het oog op de vaststelling van de raming van een investeringsproject, en de ten behoeve van dat investeringsproject opgestelde functionele specificaties, aan de in, bedoelde projectgroep, per investeringsproject of elk afzonderlijk onderdeel daarvan, voorafgaand mededeling van een voorstel dat in ieder geval een raming, de onderbouwing daarvan en de bij het betreffende investeringsproject of afzonderlijke onderdelen daarvan behorende functionele specificaties bevat. 8 De exploitant van de luchthaven raadpleegt gebruikers en representatieve organisaties over het in het zesde lid bedoelde investeringsprogramma, alvorens dat vast te stellen. 9 artikel 8.25df, eerste lid De exploitant van de luchthaven raadpleegt de in, bedoelde projectgroep over de raming en de daarbij behorende functionele specificaties per investeringsproject of elk afzonderlijk onderdeel daarvan, alvorens deze vast te stellen. 10 Gebruikers en representatieve organisaties kunnen binnen vier weken na de dag waarop de in het eerste, tweede, derde of zesde lid bedoelde mededeling is gedaan, hun zienswijze over het in het eerste, tweede, derde of zesde lid bedoelde voorstel, aan de exploitant van de luchthaven doen toekomen. 11 artikel 8.25df, eerste lid Gebruikers en representatieve organisaties, die deelnemen in de in, bedoelde projectgroep, kunnen binnen de door de projectgroep afgesproken termijn, welke maximaal vier weken bedraagt, na de dag waarop de in het zevende lid bedoelde mededeling is gedaan, hun zienswijze over dat voorstel aan de exploitant van de luchthaven doen toekomen. 12 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent: a. de wijze en het tijdstip waarop de in het eerste tot en met derde lid en het zesde en zevende lid bedoelde mededelingen plaatsvinden; b. de wijze waarop de in het vijfde en het achtste lid bedoelde raadplegingen plaatsvinden; c. de informatie, welke door de exploitant van de luchthaven moet worden opgenomen in het voorstel voor de in het eerste lid bedoelde tarieven en voorwaarden, de in het tweede en derde lid bedoelde aangepaste tarieven en voorwaarden en de daarbij behorende toelichtingen, waaronder ook de in het eerste lid bedoelde benchmarks; d. de informatie, welke door de exploitant van de luchthaven moet worden gegeven over het in het zesde lid bedoelde voorstel van het investeringsprogramma; e. de informatie, welke door de exploitant van de luchthaven moet worden gegeven over het in het zevende lid bedoelde voorstel van een investeringsproject of elk afzonderlijk onderdeel daarvan; f. de door de gebruikers aan de exploitant van de luchthaven te verstrekken informatie als bedoeld in het vierde lid, en g. het proces aan de hand waarvan invulling wordt gegeven aan de in het eerste lid bedoelde benchmarks. 13 Gebruikers en representatieve organisaties dienen de op basis van dit artikel door de exploitant van de luchthaven verstrekte informatie en het in het zesde lid bedoelde investeringsprogramma, als bedrijfsvertrouwelijk te beschouwen en te behandelen. 14 artikel 8.25df, eerste lid De op basis van dit artikel door de exploitant van de luchthaven aan de leden van de inbedoelde projectgroep, verstrekte informatie over een in het zevende lid bedoeld investeringsproject of elk afzonderlijk onderdeel daarvan, dient door de leden van de projectgroep als bedrijfsvertrouwelijk te worden beschouwd en behandeld. 15 De op basis van dit artikel door de gebruikers aan de exploitant van de luchthaven verstrekte informatie, als bedoeld in het vierde lid, dient door de exploitant van de luchthaven evenzeer als bedrijfsvertrouwelijk te worden beschouwd en behandeld en mag door de exploitant van de luchthaven bovendien niet in een tot een gebruiker herleidbare vorm in het voorstel worden verwerkt. 2016 272 14-07-2016 22-06-2016 34197 2017 188 12-05-2017 19-04-2017 01-07-2017
Artikel 8.25ea — Artikel 8.25ea#
Artikel 8.25ea 1 Gebruikers van de luchthaven die gebruik wensen te maken van diensten op maat of specifiek voor hen gereserveerde terminals of delen van terminals, kunnen een verzoek daartoe richten aan de exploitant. 2 De exploitant van de luchthaven stelt relevante, objectieve, transparante en non-discriminatoire criteria vast, op basis waarvan een verzoek van gebruikers van de luchthaven wordt beoordeeld. 3 Naast de criteria, bedoeld in het tweede lid, kan de exploitant van de luchthaven aanvullende criteria hanteren indien de inhoud van het verzoek daartoe noodzaakt. De aanvullende criteria voldoen aan dezelfde eisen als de criteria bedoeld in het tweede lid. 4 Indien binnen vier weken nadat de exploitant van de luchthaven heeft beslist op een verzoek als bedoeld in het eerste lid, daartoe een aanvraag van een gebruiker is ingediend, stelt de Autoriteit Consument en Markt vast of de beslissing van de exploitant in strijd is met bij of krachtens deze wet gestelde regels. De Autoriteit Consument en Markt geeft haar oordeel binnen drie maanden. Indien de Autoriteit Consument en Markt vaststelt dat de beslissing in strijd is met bij of krachtens deze wet gestelde regels, deelt zij dit terstond mede aan de exploitant van de luchthaven. De exploitant van de luchthaven neemt binnen vier weken een nieuwe beslissing op het verzoek met inachtneming van de overwegingen van de Autoriteit Consument en Markt. 2013 102 21-03-2013 28-02-2013 33186 2013 103 21-03-2013 13-03-2013 01-04-2013
Artikel 8.25f — Artikel 8.25f#
Artikel 8.25f 1 artikel 8.25da, eerste, vierde en vijfde lid artikel 8.25db, vierde lid artikel 8.25d, eerste lid 8.25db, eerste tot en met derde lid artikelen 8.25dd, eerste lid 8.25de, vierde lid Binnen vier weken na de dag waarop de in, dan wel in, bedoelde mededelingen, hebben plaats gehad kan een gebruiker of representatieve organisatie een aanvraag bij de Autoriteit Consument en Markt indienen tot vaststelling of de inen, bedoelde tarieven en voorwaarden, of de in artikel 8.25d, vierde en vijfde lid, bedoelde aangepaste tarieven, of de in artikel 8.25d, zesde lid, bedoelde aangepaste voorwaarden, in strijd zijn met bij of krachtens deze wet gestelde regels. Als gevolg van die aanvraag treden bedoelde tarieven en voorwaarden, dan wel aangepaste tarieven en voorwaarden niet op de voorgenomen ingangsdatum in werking. De aanvraag heeft geen betrekking op de wijze waarop en de mate waarin de exploitant van de luchthaven deen, heeft nageleefd. De Autoriteit Consument en Markt deelt de exploitant van de luchthaven terstond mede dat een aanvraag van een gebruiker of van een representatieve organisatie is ontvangen. 2 De Autoriteit Consument en Markt neemt binnen vier weken na ontvangst van de in het eerste lid, bedoelde aanvraag, een besluit omtrent de inwerkingtreding van de door de exploitant van de luchthaven vastgestelde tarieven en voorwaarden, dan wel aangepaste tarieven of voorwaarden. De Autoriteit Consument en Markt wijst daarbij de tarieven en voorwaarden dan wel de aangepaste tarieven of voorwaarden aan waarvoor, gelet op de aanvraag, de in het eerste lid, bedoelde opschorting van de inwerkingtreding, noodzakelijk blijft. In plaats van deze aangewezen tarieven en voorwaarden, dan wel aangepaste tarieven of voorwaarden, hanteert de exploitant de tarieven en voorwaarden, dan wel aangepaste tarieven of voorwaarden, die golden in de periode voorafgaand aan de periode waarvoor de aangewezen tarieven en voorwaarden, dan wel aangepaste tarieven of voorwaarden, waren vastgesteld. De tarieven en voorwaarden, dan wel aangepaste tarieven of voorwaarden, die niet zijn aangewezen, treden op de door de exploitant van de luchthaven voorgenomen ingangsdatum in werking. Het nemen van een in de eerste volzin bedoelde besluit, blijft achterwege indien binnen de daarin genoemde termijn een besluit over de aanvraag kan worden genomen. 3 De Autoriteit Consument en Markt beslist zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier maanden na ontvangst van een aanvraag. Deze termijn kan in uitzonderlijke gevallen met twee maanden worden verlengd. De Autoriteit Consument en Markt doet de aanvrager en de exploitant van de luchthaven voor het einde van de in de eerste volzin bedoelde termijn met redenen omkleed mededeling van de verlenging. 4 artikel 8.25d, eerste lid 8.25db, eerste tot en met derde lid Indien de Autoriteit Consument en Markt heeft vastgesteld dat de inen, bedoelde tarieven en voorwaarden, dan wel de in artikel 8.25d, vierde en vijfde lid, bedoelde aangepaste tarieven, of de in artikel 8.25d, zesde lid, bedoelde aangepaste voorwaarden, in strijd zijn met bij of krachtens deze wet gestelde regels, deelt de Autoriteit Consument en Markt dit terstond mede aan de exploitant van de luchthaven en de aanvrager. De exploitant van de luchthaven stelt binnen vier weken na het besluit van de Autoriteit Consument en Markt nieuwe in artikel 8.25d, eerste lid en 8.25db, eerste tot en met derde lid, bedoelde tarieven en voorwaarden, of nieuwe in artikel 8.25d, vierde en vijfde lid, bedoelde aangepaste tarieven, dan wel nieuwe in artikel 8.25d, zesde lid, bedoelde aangepaste voorwaarden, met inachtneming van het besluit en de overwegingen van de Autoriteit Consument en Markt, vast. Nadat de tarieven en voorwaarden, dan wel de aangepaste tarieven of voorwaarden, opnieuw zijn vastgesteld, trekt de Autoriteit Consument en Markt het in het tweede lid bedoelde besluit omtrent de inwerkingtreding, in. De opnieuw vastgestelde in artikel 8.25d, eerste lid en 8.25db, eerste tot en met derde lid, bedoelde tarieven en voorwaarden, dan wel de nieuwe in artikel 8.25d, vierde en vijfde lid, bedoelde aangepaste tarieven, of de in artikel 8.25d, zesde lid, bedoelde aangepaste voorwaarden, gelden vanaf de door de exploitant van de luchthaven oorspronkelijk voorgenomen ingangsdatum. 5 artikel 8.25d, eerste lid 8.25db, eerste tot en met derde lid Indien de Autoriteit Consument en Markt heeft vastgesteld dat de inen, bedoelde tarieven en voorwaarden, dan wel de in artikel 8.25d, vierde en vijfde lid, bedoelde aangepaste tarieven, of de in artikel 8.25d, zesde lid, bedoelde aangepaste voorwaarden, niet in strijd zijn met de bij of krachtens deze wet gestelde regels, trekt de Autoriteit Consument en Markt het besluit omtrent de in het tweede lid bedoelde inwerkingtreding, in en gelden deze tarieven en voorwaarden, dan wel aangepaste tarieven of voorwaarden, vanaf de door de exploitant van de luchthaven oorspronkelijk voorgenomen ingangsdatum. De Autoriteit Consument en Markt stelt de exploitant van de luchthaven en de aanvrager van zijn besluit op de hoogte. 6 artikelen 8.25da 8.25db, vierde lid 8.25e Het eerste lid en de,, enzijn niet van toepassing op de in het vierde lid bedoelde vaststelling van tarieven en voorwaarden, de aangepaste tarieven en de aangepaste voorwaarden. 7 De exploitant van de luchthaven hanteert de ingevolge het vierde lid vastgestelde tarieven en voorwaarden, dan wel aangepaste tarieven of voorwaarden, gedurende de resterende periode waarop de in het eerste lid bedoelde aanvraag betrekking had. 8 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de in het eerste lid bedoelde aanvraag aan de Autoriteit Consument en Markt en omtrent de in het vierde lid bedoelde vaststelling van tarieven en voorwaarden, dan wel aangepaste tarieven of voorwaarden, door de exploitant van de luchthaven. 2016 272 14-07-2016 22-06-2016 34197 2017 188 12-05-2017 19-04-2017 01-07-2017
Artikel 8.25fa — Artikel 8.25fa#
Artikel 8.25fa 1 artikel 8.25df, eerste lid artikel 8.25e, zevende lid Een deelnemer aan de in, bedoelde projectgroep, kan binnen twee weken na de dag waarop de in artikel 8.25df, tweede lid, bedoelde mededeling door de exploitant van de luchthaven heeft plaats gehad een aanvraag bij de Autoriteit Consument en Markt indienen om een beoordeling van de juiste en tijdige uitvoering van de in, bedoelde procedure, inzake een investeringsproject of onderdeel daarvan. De Autoriteit Consument en Markt deelt de exploitant van de luchthaven terstond mede dat een aanvraag van een deelnemer aan de projectgroep is ontvangen. 2 De Autoriteit Consument en Markt beslist zo spoedig mogelijk op de in het eerste lid, bedoelde aanvraag, doch uiterlijk binnen twee maanden na ontvangst van een aanvraag. 3 artikel 8.25e, zevende lid Indien de Autoriteit Consument en Markt vaststelt dat de regels ter zake van de in, bedoelde procedure, door de exploitant van de luchthaven niet tijdig, niet volledig of niet correct zijn nagekomen, deelt de Autoriteit Consument en Markt dit mede aan de exploitant van de luchthaven en de aanvrager. 4 artikel 8.25df, eerste lid artikel 8.25e, zevende lid De exploitant van de luchthaven informeert de in, bedoelde projectgroep, met inachtneming van de overwegingen van de Autoriteit Consument en Markt, op grond van het tweede lid en geeft tevens aan op welke wijze en op welk tijdstip alsnog een tijdige, volledige dan wel correcte nakoming van de regels ter zake van de in, bedoelde procedure zal plaats hebben. 5 artikel 8.25df, eerste lid De exploitant van de luchthaven doet, met inachtneming van het besluit en de overwegingen van de Autoriteit Consument en Markt, de in, bedoelde projectgroep mededeling van in ieder geval de aanpassingen van de investeringsraming, de onderbouwing daarvan en de bij het betreffende investeringsproject behorende functionele specificaties. 6 Het eerste lid is niet van toepassing op de in het vijfde lid bedoelde mededeling. 7 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de in het eerste lid bedoelde aanvraag aan de Autoriteit Consument en Markt. 2016 272 14-07-2016 22-06-2016 34197 2017 188 12-05-2017 19-04-2017 01-07-2017
Artikel 8.25g — Artikel 8.25g#
Artikel 8.25g 1 artikel 8.25d, eerste lid De exploitant van de luchthaven stelt een toerekeningssysteem vast voor de jaarlijkse kosten en opbrengsten van de activiteiten, bedoeld in, dat voldoet aan de eisen van marktconformiteit, proportionaliteit en integraliteit. De exploitant van de luchthaven legt het toerekeningssysteem ter goedkeuring voor aan de Autoriteit Consument en Markt. 2 artikel 8.25dc, vierde lid De exploitant van de luchthaven voert voor de activiteiten met betrekking tot het gebruik van de luchthaven door gebruikers een gescheiden administratie binnen de boekhouding, waarbinnen de kosten en opbrengsten van de uitvoering van de beveiliging van passagiers en hun bagage, bedoeld inafzonderlijk worden geadministreerd. 3 artikel 8.25d, eerste lid Op grond van de gescheiden administratie binnen de boekhouding, bedoeld in het tweede lid, stelt de exploitant van de luchthaven jaarlijks een financiële verantwoording op over het voorafgaande boekjaar, die bestaat uit een afzonderlijke exploitatierekening en een overzicht van de toegedeelde materiële vaste activa voor het geheel van de activiteiten, bedoeld in. De financiële verantwoording bevat een toelichting en is voorzien van een verklaring van een onafhankelijke accountant. 4 De exploitant van de luchthaven legt binnen vijf maanden na afloop van het boekjaar van de exploitant van de luchthaven de financiële verantwoording over het voorafgaande boekjaar tezamen met de verklaring van de onafhankelijke accountant, over aan de Autoriteit Consument en Markt en de gebruikers en representatieve organisaties die daarom verzoeken. 5 artikel 8.25d, eerste lid Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de geldigheidsduur, de inrichting en goedkeuring van het toerekeningssysteem, bedoeld in het eerste lid, de toedeling van activa aan de activiteiten, bedoeld in, de inrichting van de gescheiden administratie binnen de boekhouding, bedoeld in het tweede lid, en omtrent de financiële verantwoording, bedoeld in het derde lid. 6 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Op de voorbereiding van een besluit omtrent goedkeuring van het toerekeningssysteem isvan toepassing. 7 artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht Onverminderd, kunnen de gebruikers en representatieve organisaties van de luchthaven hun zienswijze naar voren brengen over het voorgenomen besluit omtrent goedkeuring van het toerekeningssysteem. 8 De voordracht voor een krachtens het vijfde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2016 272 14-07-2016 22-06-2016 34197 2017 188 12-05-2017 19-04-2017 01-07-2017
Artikel 8.25ga — Artikel 8.25ga#
Artikel 8.25ga artikel 8.25e, eerste lid De exploitant van de luchthaven zendt, de in, bedoelde benchmarks over het voorafgaande boekjaar aan zowel de Autoriteit Consument en Markt, als aan de gebruikers en de representatieve organisaties, uiterlijk op hetzelfde tijdstip als waarop de exploitant van de luchthaven de in artikel 8.25e, eerste en tweede lid, bedoelde mededelingen doet. 2016 272 14-07-2016 22-06-2016 34197 2017 188 12-05-2017 19-04-2017 01-07-2017
Artikel 8.25h — Artikel 8.25h#
Artikel 8.25h 1 artikelen 8.25da, eerste, vierde en vijfde lid 8.25db, vierde lid 8.25de, tweede lid 8.25df, tweede en vijfde lid 8.25e, eerste tot en met derde, zesde en zevende lid De exploitant van de luchthaven zendt de Autoriteit Consument en Markt een afschrift van de in,,,en, bedoelde mededelingen. 2 De exploitant van de luchthaven verleent binnen de door de Autoriteit Consument en Markt gestelde termijn alle medewerking die deze redelijkerwijs kan verlangen bij de uitoefening van haar bevoegdheden op grond van deze wet. 3 Artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing indien de Autoriteit Consument en Markt aan de exploitant van de luchthaven om gegevens verzoekt met het oog op een te nemen besluit. 4 artikel 12m van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt Ingeval van overtreding van het tweede lid isvan overeenkomstige toepassing. 2016 272 14-07-2016 22-06-2016 34197 2017 188 12-05-2017 19-04-2017 01-07-2017
Artikel 8.25ha — Artikel 8.25ha#
Artikel 8.25ha Vervallen 2010 208 10-06-2010 29-04-2010 32151 2010 209 10-06-2010 27-05-2010 01-01-2011
Artikel 8.25i — Artikel 8.25i#
Artikel 8.25i Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8.25j — Artikel 8.25j#
Artikel 8.25j artikelen 8.25d tot en met 8.25g Een voordracht voor een algemene maatregel van bestuur op grond van dewordt gedaan door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken. 2014 247 03-07-2014 25-06-2014 33622 2014 266 15-07-2014 02-07-2014 01-08-2014
Artikel 8.26 — Artikel 8.26#
Artikel 8.26 Een ministeriële regeling op grond van deze afdeling wordt vastgesteld door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 2017 320 29-08-2017 17-05-2017 34591 2017 321 29-08-2017 19-08-2017 30-08-2017
Artikel 8.27 — Artikel 8.27#
Artikel 8.27 1 De exploitant van de luchthaven draagt zorg voor het registreren van de veiligheids- en milieubelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer. Hij verricht de metingen en berekeningen die voor die registratie noodzakelijk zijn. 2 artikel 8.17, vierde lid Het registreren wordt zodanig uitgevoerd dat een vergelijking mogelijk is met de in, bedoelde grenswaarden. 3 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent het registreren en omtrent de metingen en berekeningen die daartoe noodzakelijk zijn. 2002 374 16-07-2002 27-06-2002 27603 2002 593 17-12-2002 26-11-2002 20-02-2003
Artikel 8.28 — Artikel 8.28#
Artikel 8.28 1 De exploitant van de luchthaven verstrekt de inspecteur-generaal: a. artikel 8.27 de op grond vangeregistreerde gegevens; b. artikel 8.27 gegevens over de inbedoelde metingen en berekeningen. 2 artikel 8.18 De exploitant, de verlener van luchtverkeersdiensten en de luchtvaartmaatschappijen verstrekken de inspecteur-generaal gegevens over de ter uitvoering vangetroffen voorzieningen. 3 artikel 8.19 artikelen 8.20 8.21 De exploitant verstrekt de inspecteur-generaal gegevens over de afwijkingen, bedoeld in. De verlener van luchtverkeersdiensten verstrekt de inspecteur-generaal gegevens over de afwijkingen, bedoeld in deen. 4 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de gegevensverstrekking. 2007 405 30-10-2007 27-09-2007 30834 2008 175 27-05-2008 13-05-2008 28-05-2008
Artikel 8.29 — Artikel 8.29#
Artikel 8.29 1 De inspecteur-generaal brengt elk half jaar aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu verslag uit over de veiligheids- en milieuaspecten van het luchthavenluchtverkeer. Het verslag bevat ten minste een beschrijving van: a. artikel 8.18 de ter uitvoering vangetroffen voorzieningen en van de doelmatigheid en doeltreffendheid van die voorzieningen; b. artikel 8.22 de ter uitvoering vangetroffen maatregelen en van de doelmatigheid en de doeltreffendheid van die maatregelen. 2 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de verslaglegging. 2017 320 29-08-2017 17-05-2017 34591 2017 321 29-08-2017 19-08-2017 30-08-2017
Artikel 8.29a — Artikel 8.29a#
Artikel 8.29a 1 artikel 8.25a artikel 8.25da, tweede lid 8.25e, eerste lid De exploitant van de luchthaven brengt elke drie jaar, of zoveel eerder als Onze Minister van Infrastructuur en Milieu nodig oordeelt, aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu verslag uit over de exploitatie van de luchthaven. Het verslag bevat ten minste een beschrijving van de ter uitvoering vangetroffen voorzieningen, een overzicht van alle daartoe relevante gegevens en een beschrijving van de doelmatigheid en doeltreffendheid van die voorzieningen, alsmede een beschrijving van de ontwikkeling van de netwerkkwaliteit, tevens omvattende een vergelijking met de inen, bedoelde beschrijvingen. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de verslaggeving. 3 De door de exploitant van de luchthaven verstrekte beschrijving van de ontwikkeling van de netwerkkwaliteit stelt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in staat in te schatten of en in hoeverre het door de exploitant van de luchthaven gevoerde beleid voldoende rekening houdt met de netwerkkwaliteit. Deze inschatting van het door de exploitant van de luchthaven gevoerde beleid met het oog op de ontwikkeling van netwerkkwaliteit door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu laat de bij of krachtens deze wet opgenomen bepalingen met betrekking tot de voorstellen, raadplegingen en vaststellingen en de bevoegdheden van de Autoriteit Consument en Markt onverlet. 2016 272 14-07-2016 22-06-2016 34197 2017 188 12-05-2017 19-04-2017 01-07-2017
Artikel 8.30 — Artikel 8.30#
Artikel 8.30 1 artikel 8.28 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent het openbaar maken van gegevens als bedoeld in. 2 artikel 12 van de Bekendmakingswet De openbaarmaking geschiedt door kennisgeving op de inbepaalde wijze. 2020 262 17-07-2020 01-07-2020 35218 2021 176 09-04-2021 01-04-2021 01-07-2021
Artikel 8.30a — Artikel 8.30a#
Artikel 8.30a Vervallen 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 8.30b — Artikel 8.30b#
Artikel 8.30b Vervallen 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 8.30c — Artikel 8.30c#
Artikel 8.30c Vervallen 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 8.30d — Artikel 8.30d#
Artikel 8.30d Vervallen 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 8.31 — Artikel 8.31#
Artikel 8.31 1 titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 4:126, eerste lid, van die wet Indien een bestuursorgaan in de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak met betrekking tot luchthavens schade veroorzaakt, isalleen van toepassing op de toekenning van vergoeding van schade als bedoeld indie wordt veroorzaakt door het vaststellen of wijzigen van een luchthavenindelingbesluit of luchthavenverkeerbesluit. 2 Een aanvraag om schadevergoeding wordt ingediend binnen vijf jaar nadat de desbetreffende bepaling van het luchthavenindelingbesluit of luchthavenverkeerbesluit in werking is getreden. 3 artikel 4:126 van de Algemene wet bestuursrecht Voor de toepassing van dit artikel bestaat schade als bedoeld inalleen uit inkomens- of omzetderving of waardevermindering van een onroerende zaak. 4 artikel 4:126, tweede lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht De aanvrager heeft het risico van het ontstaan van de schade, bedoeld in, aanvaard als: a. een regel die is gesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, wordt gewijzigd of beëindigd door een luchthavenindelingbesluit of luchthavenverkeerbesluit of de wijziging daarvan, b. gedurende een periode van ten minste drie jaar voorafgaande aan het luchthavenindelingbesluit of luchthavenverkeerbesluit of de wijziging daarvan van de mogelijkheden die de regel biedt geen gebruik is gemaakt, en c. na het verstrijken van de periode, bedoeld onder b, de benadeelde ten minste een jaar voor de bekendmaking van het luchthavenindelingbesluit of luchthavenverkeerbesluit of de wijziging daarvan is gewezen op het voornemen tot wijziging of beëindiging van die regel. 5 artikel 4:126, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht Van schade die bestaat uit waardevermindering van een onroerende zaak, wordt vier procent aangemerkt als behorend tot het normale maatschappelijke risico als bedoeld in. 6 Van de aanvrager heft Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat een recht ten bedrage van € 500. De aanvrager wordt gewezen op de verschuldigdheid van het recht en wordt medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling op de door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangegeven rekening moet zijn bijgeschreven. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven, wordt de aanvrager niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de aanvrager in verzuim is geweest. Indien op de aanvraag geheel of gedeeltelijk positief wordt beslist, stort Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat het betaalde recht terug. 7 Afdeling 15.1 van de Omgevingswet blijft buiten toepassing voor zover de belanghebbende met betrekking tot de schade een beroep doet of kan doen op een schadevergoeding als bedoeld in het eerste lid. 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel 4.22 van Stb. 2020/172 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8.32 — Artikel 8.32#
Artikel 8.32 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een regeling vaststellen inzake het treffen van geluidwerende voorzieningen ten aanzien van in de regeling bepaalde woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen voor zover die gebouwen vanwege het luchthavenluchtverkeer een geluidbelasting kunnen ondervinden die ligt boven de in de regeling vastgestelde maximale waarden. 2017 320 29-08-2017 17-05-2017 34591 2017 321 29-08-2017 19-08-2017 30-08-2017
Artikel 8.33 — Artikel 8.33#
Artikel 8.33 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan regels stellen ten aanzien van het verstrekken van geldelijke steun uit s Rijks kas aan gemeenten ter bestrijding van de kosten ten gevolge van uitvoering van de in overeenstemming met het luchthavenindelingbesluit gebrachte omgevingsplannen. 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel 4.22 van Stb. 2020/172 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8.34 — Artikel 8.34#
Artikel 8.34 1 Er is een commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol. 2 De commissie bestaat uit een onafhankelijke voorzitter en vertegenwoordigers van: a. de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht; b. gemeenten in de in onderdeel a genoemde provincies; c. de exploitant van de luchthaven; d. de verlener van luchtverkeersdienstverlening; e. luchtvaartmaatschappijen die geregeld van de luchthaven gebruik maken. 2002 374 16-07-2002 27-06-2002 27603 2002 593 17-12-2002 26-11-2002 20-02-2003
Artikel 8.35 — Artikel 8.35#
Artikel 8.35 artikel 8.34 De commissie heeft tot taak om door overleg tussen de inbedoelde betrokkenen een gebruik van de luchthaven te bevorderen dat zoveel mogelijk recht doet aan de belangen van die betrokkenen. 2002 374 16-07-2002 27-06-2002 27603 2002 593 17-12-2002 26-11-2002 20-02-2003
Artikel 8.36 — Artikel 8.36#
Artikel 8.36 artikel 8.34, tweede lid Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stelt nadere regels omtrent de taak en de samenstelling van de commissie. Daarbij wordt bepaald welke in, bedoelde gemeenten en luchtvaartmaatschappijen in de commissie vertegenwoordigd zijn. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 8.37 — Artikel 8.37#
Artikel 8.37 1 De voorzitter van de commissie wordt door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu benoemd, geschorst en ontslagen. 2 Elk ander lid wordt benoemd, geschorst en ontslagen door de voorzitter op voordracht van het orgaan of de organisatie die het lid vertegenwoordigt. 3 De benoeming geschiedt voor ten hoogste vier jaren. Herbenoeming kan telkens voor ten hoogste vier jaren plaatsvinden. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 8.38 — Artikel 8.38#
Artikel 8.38 De commissie stelt een bestuursreglement vast. Het reglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 8.39 — Artikel 8.39#
Artikel 8.39 De commissie heeft een secretariaat. De samenstelling en de werkzaamheden van het secretariaat worden in het bestuursreglement geregeld. 2002 374 16-07-2002 27-06-2002 27603 2002 593 17-12-2002 26-11-2002 20-02-2003
Artikel 8.40 — Artikel 8.40#
Artikel 8.40 Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie wordt in het bestuursreglement geregeld. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie opgeborgen in het archief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu. 2017 320 29-08-2017 17-05-2017 34591 2017 321 29-08-2017 19-08-2017 30-08-2017
Artikel 8.40a — Artikel 8.40a#
Artikel 8.40a 1 In deze titel wordt verstaan onder: Autoriteit Consument en Markt: artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in; gebruiker: een luchtvaartmaatschappij, alsmede een persoon of rechtspersoon die vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij; luchthavennetwerk: een groep luchthavens die als zodanig door de lidstaat is aangewezen en die wordt geëxploiteerd door een en dezelfde exploitant van de luchthaven; overige luchthaven: artikel 8.1, eerste lid, onder b een burgerluchthaven behorende tot de overige burgerluchthavens, bedoeld in, dan wel een militaire luchthaven voor zover het betreft burgermedegebruik door tussenkomst van een burgerexploitant; representatieve organisatie: een bij ministeriële regeling aangewezen rechtspersoon die de belangen vertegenwoordigt van gebruikers. 2 In deze titel wordt onder exploitant mede verstaan burgerexploitant. 2018 76 21-03-2018 14-02-2018 34802 2018 124 30-04-2018 09-04-2018 01-05-2018
Artikel 8.40b — Artikel 8.40b#
Artikel 8.40b Deze titel is, tenzij anders is bepaald, van toepassing ten aanzien van overige luchthavens die de drempelwaarde van vijf miljoen passagiersbewegingen per jaar overschrijden. 2018 76 21-03-2018 14-02-2018 34802 2018 124 30-04-2018 09-04-2018 01-05-2018
Artikel 8.40c — Artikel 8.40c#
Artikel 8.40c 1 De exploitant van een overige luchthaven stelt ten minste eenmaal per jaar de tarieven en voorwaarden vast voor de activiteiten van deze exploitant ten behoeve van het gebruik van de luchthaven door gebruikers. De exploitant van een overige luchthaven doet voorafgaande aan de periode waarop de tarieven en voorwaarden betrekking hebben, mededeling van de tarieven en voorwaarden. 2 De tarieven zijn redelijk en non-discriminatoir. 3 De tarieven kunnen worden gedifferentieerd uit een oogpunt van algemeen belang, met inbegrip van de bescherming van het milieu. De criteria voor deze tariefdifferentiatie dienen differentiatie te kunnen rechtvaardigen en zijn objectief en transparant. 4 De exploitant van de luchthaven hanteert de tarieven en voorwaarden die ingevolge het eerste lid zijn vastgesteld, gedurende de periode waarop de vaststelling van de tarieven en voorwaarden betrekking heeft. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent: a. de activiteiten ten behoeve van het gebruik van de luchthaven door gebruikers waarvoor tarieven en voorwaarden als bedoeld in het eerste lid, worden vastgesteld; b. de wijze en het tijdstip waarop de mededeling, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt; en c. het tijdstip van vaststelling en inwerkingtreding van de tarieven en voorwaarden. 2018 76 21-03-2018 14-02-2018 34802 2018 124 30-04-2018 09-04-2018 01-05-2018
Artikel 8.40d — Artikel 8.40d#
Artikel 8.40d 1 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een groep van overige luchthavens die wordt geëxploiteerd door een en dezelfde exploitant aanwijzen als luchthavennetwerk. 2 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan de exploitant van het luchthavennetwerk toestemming verlenen om een gemeenschappelijk, transparant systeem van tarieven vast te stellen voor het gehele luchthavennetwerk. 3 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan de exploitanten van overige luchthavens, voor zover zij luchtverbindingen voor dezelfde stad of agglomeratie verzorgen, toestemming verlenen om een gemeenschappelijk, transparant systeem van tarieven vast te stellen voor alle luchthavens die de luchtverbindingen voor dezelfde stad of agglomeratie verzorgen. 4 artikelen 8.40c tot en met 8.40f In geval van een gemeenschappelijk, transparant systeem van tarieven, als bedoeld in het tweede of derde lid, doen zowel de exploitant van de overige luchthaven die de grens van vijf miljoen passagiersbewegingen overschrijdt als de exploitant van elke deelnemende overige luchthaven aan de gebruikers mededeling van een voorstel voor de tarieven en voorwaarden en stellen zij de tarieven en voorwaarden vast overeenkomstig deen de krachtens deze artikelen gestelde regels. De exploitanten van de deelnemende overige luchthavens dragen zorg voor de noodzakelijke onderlinge afstemming. 2018 76 21-03-2018 14-02-2018 34802 2018 124 30-04-2018 09-04-2018 01-05-2018
Artikel 8.40e — Artikel 8.40e#
Artikel 8.40e 1 artikel 8.40c, eerste lid Voorafgaand aan de vaststelling van de tarieven en voorwaarden, bedoeld in, doet de exploitant van een overige luchthaven aan de gebruikers van de luchthaven en representatieve organisaties mededeling van een voorstel van deze tarieven en voorwaarden met een omschrijving van de daarvoor te leveren diensten, alsmede een toelichting, inhoudende een economische onderbouwing en een omschrijving, aan de hand van indicatoren, van het kwaliteitsniveau van de aangeboden diensten ten behoeve van het gebruik van de luchthaven. 2 artikel 8.40c, eerste lid Voorafgaand aan het voorstel voor de vaststelling van de tarieven en voorwaarden, bedoeld in, verstrekken de gebruikers aan de exploitant de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorgeschreven informatie. 3 De exploitant van de overige luchthaven raadpleegt de gebruikers van de luchthaven en representatieve organisaties over het voorstel, bedoeld in het eerste lid, alvorens de tarieven en voorwaarden vast te stellen. 4 De exploitant van de overige luchthaven houdt bij de vaststelling van de tarieven en voorwaarden rekening met de zienswijze van de gebruikers van de luchthaven en van representatieve organisaties naar aanleiding van de raadpleging, bedoeld in het derde lid, en motiveert bij de vaststelling van de tarieven en voorwaarden zijn overwegingen omtrent de ingebrachte zienswijzen. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent: a. de wijze en het tijdstip waarop de mededeling, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt; b. de wijze waarop de raadpleging, bedoeld in het derde lid, plaatsvindt; c. de indicatoren, bedoeld in het eerste lid; en d. De gegevens die door de exploitant van een overige luchthaven moeten worden opgenomen in het voorstel voor de tarieven en voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, en de daarbij behorende toelichting. 6 De op basis van dit artikel door de exploitant aan de gebruikers van de overige luchthaven verstrekte informatie dient door de gebruikers te worden beschouwd en behandeld als bedrijfsvertrouwelijk of economisch gevoelig. De op basis van dit artikel door de gebruikers van de overige luchthaven aan de exploitant verstrekte informatie dient door de exploitant evenzeer te worden beschouwd en behandeld als bedrijfsvertrouwelijk of economisch gevoelig en mag door de exploitant bovendien niet in een tot een gebruiker herleidbare vorm in het voorstel worden verwerkt. 2018 76 21-03-2018 14-02-2018 34802 2018 124 30-04-2018 09-04-2018 01-05-2018
Artikel 8.40f — Artikel 8.40f#
Artikel 8.40f 1 Gebruikers van een overige luchthaven die gebruik wensen te maken van diensten op maat of specifiek voor hen gereserveerde terminals of delen van terminals, kunnen een verzoek daartoe richten aan de exploitant. 2 De exploitant van een overige luchthaven stelt relevante, objectieve, transparante en non-discriminatoire criteria vast, op basis waarvan een verzoek van gebruikers van de luchthaven wordt beoordeeld. 3 Naast de criteria, bedoeld in het tweede lid, kan de exploitant van een overige luchthaven aanvullende criteria hanteren indien de inhoud van het verzoek daartoe noodzaakt. De aanvullende criteria voldoen aan dezelfde eisen als de criteria bedoeld in het tweede lid. 4 Indien binnen vier weken nadat de exploitant van een overige luchthaven heeft beslist op een verzoek als bedoeld in het eerste lid, daartoe een aanvraag van een gebruiker is ingediend, stelt de Autoriteit Consument en Markt vast of de beslissing van de exploitant in strijd is met bij of krachtens deze wet gestelde regels. De Autoriteit Consument en Markt geeft haar oordeel binnen drie maanden. Indien de Autoriteit Consument en Markt vaststelt dat de beslissing in strijd is met bij of krachtens deze wet gestelde regels, deelt zij dit terstond mede aan de exploitant van de overige luchthaven die heeft beslist op het in het eerste lid bedoelde verzoek. De exploitant van de overige luchthaven neemt binnen vier weken een nieuwe beslissing op het verzoek met inachtneming van de overwegingen van de Autoriteit Consument en Markt. 2018 76 21-03-2018 14-02-2018 34802 2018 124 30-04-2018 09-04-2018 01-05-2018
Artikel 8.40g — Artikel 8.40g#
Artikel 8.40g 1 artikel 8.40c, eerste lid Indien binnen vier weken na de mededeling, bedoeld in, van de vaststelling van de tarieven en voorwaarden bij de Autoriteit Consument en Markt een aanvraag van een gebruiker of representatieve organisatie is ingediend tot vaststelling of de tarieven en voorwaarden in strijd zijn met bij of krachtens deze wet gestelde regels, treden de tarieven en voorwaarden op de voorgenomen ingangsdatum niet in werking. De Autoriteit Consument en Markt deelt de exploitant van de overige luchthaven terstond mede dat een aanvraag van een gebruiker of van een representatieve organisatie is ontvangen. 2 De Autoriteit Consument en Markt neemt binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag een besluit omtrent de inwerkingtreding van de door de exploitant vastgestelde tarieven en voorwaarden. De Autoriteit Consument en Markt wijst daarbij de tarieven en voorwaarden aan waarvoor, gelet op de aanvraag, de in het eerste lid bedoelde opschorting van de inwerkingtreding noodzakelijk blijft. In plaats van deze aangewezen tarieven en voorwaarden hanteert de exploitant de tarieven en voorwaarden die golden in de periode voorafgaand aan de periode waarvoor de aangewezen tarieven en voorwaarden waren vastgesteld. De tarieven en voorwaarden die niet zijn aangewezen, treden op de door de exploitant voorgenomen ingangsdatum in werking. Het nemen van een besluit als bedoeld in de eerste volzin, blijft achterwege indien binnen de daarin genoemde termijn een besluit over de aanvraag kan worden genomen. 3 De Autoriteit Consument en Markt beslist zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier maanden na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn kan in uitzonderlijke gevallen met twee maanden worden verlengd. De Autoriteit Consument en Markt doet de aanvrager voor het einde van de in de eerste volzin bedoelde termijn met redenen omkleed mededeling van de verlenging. 4 Indien de Autoriteit Consument en Markt vaststelt dat de tarieven en voorwaarden in strijd zijn met bij of krachtens deze wet gestelde regels, deelt zij dit terstond mede aan de exploitant van de overige luchthaven. De exploitant van de overige luchthaven stelt opnieuw de tarieven en voorwaarden vast met inachtneming van de overwegingen van de Autoriteit Consument en Markt. Nadat de tarieven en voorwaarden opnieuw zijn vastgesteld, trekt de Autoriteit Consument en Markt het besluit omtrent de inwerkingtreding bedoeld in het tweede lid in. De opnieuw vastgestelde tarieven en voorwaarden gelden vanaf de door de exploitant oorspronkelijk voorgenomen ingangsdatum. 5 Indien de Autoriteit Consument en Markt heeft vastgesteld dat de tarieven en voorwaarden niet in strijd zijn met bij of krachtens deze wet gestelde regels, trekt zij het besluit omtrent de inwerkingtreding bedoeld in het tweede lid in, en gelden deze tarieven en voorwaarden vanaf de door de exploitant oorspronkelijk voorgenomen ingangsdatum. 6 Eventuele verschillen in tarieven, voortvloeiende uit beslissingen van de Autoriteit Consument en Markt als bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid, worden vereffend bij de hernieuwde vaststelling van de tarieven en voorwaarden. 7 artikel 8.40e Het eerste lid enzijn niet van toepassing op de vaststelling van tarieven en voorwaarden als bedoeld in het vierde lid. 8 artikel 8.40c, eerste lid De exploitant van de overige luchthaven hanteert de ingevolge het vierde lid vastgestelde tarieven en voorwaarden gedurende het resterende deel van de periode waarvoor de tarieven en voorwaarden overeenkomstig, waren vastgesteld. 9 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, aan de Autoriteit Consument en Markt en omtrent de vaststelling van tarieven en voorwaarden, bedoeld in het vierde lid. 2018 76 21-03-2018 14-02-2018 34802 2018 124 30-04-2018 09-04-2018 01-05-2018
Artikel 8.40h — Artikel 8.40h#
Artikel 8.40h 1 artikel 8.40c, eerste lid 8.40e, eerste lid De exploitant van een overige luchthaven zendt de Autoriteit Consument en Markt een afschrift van de in de, en, bedoelde mededelingen. 2 De exploitant van een overige luchthaven verleent binnen de door de Autoriteit Consument en Markt gestelde termijn alle medewerking die deze redelijkerwijs kan verlangen bij de uitoefening van haar bevoegdheden op grond van deze wet. 3 Artikel 4.15 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing indien de Autoriteit Consument en Markt aan de exploitant van een overige luchthavens om gegevens verzoekt met het oog op een te nemen besluit. 4 artikel 12m van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt Ingeval van overtreding van het tweede lid isvan overeenkomstige toepassing. 2018 76 21-03-2018 14-02-2018 34802 2018 124 30-04-2018 09-04-2018 01-05-2018
Artikel 8.40i — Artikel 8.40i#
Artikel 8.40i Een voordracht voor een algemene maatregel van bestuur op grond van deze titel wordt gedaan door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken. 2018 76 21-03-2018 14-02-2018 34802 2018 124 30-04-2018 09-04-2018 01-05-2018
Artikel 8.41 — Artikel 8.41#
Artikel 8.41 1 Deze titel is van toepassing op luchthavens van regionale betekenis. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, indien bovenprovinciale belangen dit vorderen, regels worden gesteld ten aanzien van de vorm van luchtvaart die in ieder geval toegang heeft tot een luchthaven van regionale betekenis. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan tevens worden bepaald welke grenswaarden voor de geluidbelasting voor dit luchthavenluchtverkeer ter beschikking moeten worden gesteld. 3 De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 8.42 — Artikel 8.42#
Artikel 8.42 artikel 8.1a, derde lid Deze afdeling is van toepassing op luchthavens van regionale betekenis waarvoor op grond van, vaststelling van een luchthavenbesluit is vereist. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 8.43 — Artikel 8.43#
Artikel 8.43 1 artikel 152 van de Provinciewet Provinciale staten stellen bij verordening voor de luchthaven een luchthavenbesluit vast. Provinciale staten kunnen de bevoegdheid tot het vaststellen van deze verordening niet overdragen als bedoeld in. 2 Een luchthavenbesluit bevat bepalingen omtrent: a. het luchthavenluchtverkeer, en b. de ruimtelijke indeling van het gebied van en rond de luchthaven. 3 Artikel 107 van de Provinciewet is niet van toepassing. 2014 557 24-12-2014 17-12-2014 33659 2014 558 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 8.44 — Artikel 8.44#
Artikel 8.44 1 Het luchthavenbesluit bevat ten aanzien van het luchthavenluchtverkeer: a. grenswaarden en regels voor zover deze noodzakelijk zijn met het oog op de geluidbelasting, en b. regels voor zover deze noodzakelijk zijn met het oog op de vliegveiligheid. 2 Binnen de in het eerste lid, onder a, bedoelde grenswaarden kan in ieder geval een grenswaarde exclusief worden toegewezen voor vluchten ten behoeve van: a. spoedeisende hulpverlening; b. artikel 3 van de Politiewet 2012 de uitoefening van politietaken als bedoeld in. 3 Een luchthavenbesluit kan tevens regels of grenswaarden bevatten die noodzakelijk zijn met het oog op het externe-veiligheidsrisico of de lokale luchtverontreiniging. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de in luchthavenbesluiten op te nemen grenswaarden en regels. Deze maatregel stelt in ieder geval regels omtrent het opnemen van grenswaarden voor de geluidbelasting. Bij deze maatregel kan een onderscheid worden gemaakt tussen categorieën luchthavens en tussen vormen van luchtvaart die gebruik maken van luchthavens. 5 artikelen 8.19 tot en met 8.21 Dezijn van overeenkomstige toepassing. 6 De voordracht voor een krachtens het vierde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 7 Bij de vaststelling van het luchthavenbesluit kan in ieder geval gebruik worden gemaakt van gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar. 2014 581 31-12-2014 10-12-2014 33976 2014 581 31-12-2014 10-12-2014 33976 01-01-2015
Artikel 8.45 — Artikel 8.45#
Artikel 8.45 1 Zodra gedeputeerde staten constateren dat een in het luchthavenbesluit opgenomen grenswaarde is overschreden, schrijven zij maatregelen voor die naar hun oordeel bijdragen aan het terugdringen van de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer binnen de grenswaarden. 2 Artikel 8.22, derde en vierde lid Artikel 8.44, vijfde lid , is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat gedeputeerde staten in de plaats treden van de inspecteur-generaal., is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de voorgeschreven maatregel. 3 artikel 8.44, tweede lid Gedeputeerde staten schrijven geen maatregelen als bedoeld in het eerste lid voor met betrekking tot de overschrijding van de grenswaarde die is veroorzaakt door vluchten als bedoeld in, indien deze overschrijding het gevolg is van uitzonderlijke omstandigheden. 2024 77 02-04-2024 13-03-2024 36168 2024 124 10-05-2024 26-04-2024 01-07-2024
Artikel 8.46 — Artikel 8.46#
Artikel 8.46 1 Gedeputeerde staten kunnen indien ten gevolge van groot onderhoud van een baan of door een bijzonder voorval het normale gebruik van de luchthaven naar hun oordeel ernstig wordt belemmerd: a. vrijstelling verlenen van een regel in het luchthavenbesluit; b. een in het luchthavenbesluit vastgelegde grenswaarde voor geluid vervangen door een andere grenswaarde. 2 Aan een vrijstelling of vervanging kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden met het oog op de geluidbelasting, het externe-veiligheidsrisico, de vliegveiligheid of de lokale luchtverontreiniging. 3 Artikel 8.23, tweede lid Artikel 8.44, vijfde lid , is van toepassing., is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de beperkingen en voorschriften. 2013 144 24-04-2013 28-03-2013 33135 2013 145 24-04-2013 15-04-2013 25-04-2013
Artikel 8.47 — Artikel 8.47#
Artikel 8.47 1 In het luchthavenbesluit worden ten behoeve van de ruimtelijke indeling van het gebied van en rond de luchthaven, het luchthavengebied en het beperkingengebied vastgesteld. 2 artikelen 8.5, derde tot en met vijfde lid 8.6 8.7, eerste en derde lid 8.8 tot en met 8.11 artikel 8.9, tweede lid artikel 8.8, tweede lid artikelen 2.22 4.16, eerste lid, van de Omgevingswet De,,, enzijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de verklaring van geen bezwaar, bedoeld in, wordt verleend door gedeputeerde staten en in het geval, bedoeld in, toepassing kan worden gegeven aan deen. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de in luchthavenbesluiten op te nemen regels omtrent de vaststelling van het luchthavengebied en het beperkingengebied. Deze maatregel stelt ten aanzien van het beperkingengebied in ieder geval regels ten aanzien van: a. de functie en het gebruik van de locatie in verband met het externe-veiligheidsrisico vanwege het luchthavenluchtverkeer; b. de functie en het gebruik van de locatie in verband met de geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer; c. de functie en het gebruik van de locatie waaronder begrepen de maximale hoogte van objecten op of boven de locatie, in verband met de vliegveiligheid. 4 De voordracht voor een krachtens het derde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2023 376 27-10-2023 16-10-2023 36367 2023 470 15-12-2023 13-12-2023 01-01-2024 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikelen 4.22, 4.90 en 4.91 van Stb. 2020/172 bevatten
overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8.47a — Artikel 8.47a#
Artikel 8.47a Provinciale staten nemen bij de vaststelling van het luchthavenbesluit het beleid in acht dat door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu over luchthavens is vastgelegd. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 8.48 — Artikel 8.48#
Artikel 8.48 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Op de voorbereiding van een luchthavenbesluit of op de voorbereiding van een wijziging van een luchthavenbesluit isvan toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 8.49 — Artikel 8.49#
Artikel 8.49 1 Een luchthavenbesluit of een wijziging van dit besluit treedt niet in werking dan nadat Onze Minister van Infrastructuur en Milieu heeft verklaard dat het veilig gebruik van het luchtruim door het luchthavenluchtverkeer is gewaarborgd. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu beslist binnen negen weken na indiening van de aanvraag voor deze verklaring veilig gebruik. 2 artikel 8.9, tweede lid De afgifte van de verklaring van geen bezwaar op grond van, geschiedt niet dan nadat Onze Minister van Infrastructuur en Milieu heeft verklaard dat het veilig gebruik van het luchtruim door deze verklaring of ontheffing is gewaarborgd. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu beslist binnen vier weken na indiening van de aanvraag voor deze verklaring veilig gebruik. Hij kan die beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen. 3 De verklaring veilig gebruik, bedoeld in het tweede lid, is van rechtswege verleend indien Onze Minister: a. niet binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag een beslissing op die aanvraag heeft genomen, b. niet binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag heeft besloten de beslissing op die aanvraag te verdagen, of c. niet binnen de termijn waarmee de beslissing op de aanvraag is verdaagd, een beslissing op die aanvraag heeft genomen. 4 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden voorschriften gegeven omtrent de gegevens die bij een aanvraag voor een verklaring van veilig gebruik moeten worden meegezonden. 2023 376 27-10-2023 16-10-2023 36367 2023 470 15-12-2023 13-12-2023 01-01-2024 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikelen 4.22 en 4.91 van Stb. 2020/172 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8.49a — Artikel 8.49a#
Artikel 8.49a Vervallen 2012 233 05-06-2012 24-05-2012 32389 2012 276 27-06-2012 13-06-2012 01-10-2012
Artikel 8.50 — Artikel 8.50#
Artikel 8.50 artikel 5.11, eerste lid, onderdeel b Indien voor een luchthaven op grond van, luchtverkeersroutes en -procedures worden vastgesteld, geschiedt vaststelling van het deel van de luchtverkeersroutes die zijn gelegen in het plaatselijk luchtverkeersleidinggebied, en vaststelling van de luchtverkeersprocedures, in overeenstemming met gedeputeerde staten. Bij de vaststelling van deze routes en procedures wordt het advies van gedeputeerde staten gevolgd, tenzij dit niet mogelijk is met het oog op de vliegveiligheid, de indeling van het luchtruim of de capaciteit van het luchtruim. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 8.51 — Artikel 8.51#
Artikel 8.51 Artikel 8.24a is van toepassing met dien verstande dat voor de toepassing van het derde lid gedeputeerde staten in de plaats treden van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 8.52 — Artikel 8.52#
Artikel 8.52 1 De exploitant van een luchthaven is gerechtigd luchthavenluchtverkeer ten behoeve van burgerluchtvaart op de luchthaven afhankelijk te stellen van toestemming. De toestemming wordt alleen geweigerd om te voorkomen dat de in het luchthavenbesluit opgenomen grenswaarden worden overschreden. 2 Indien op de luchthaven luchtverkeersdienstverlening wordt gegeven vindt afstemming plaats met de verlening van luchtverkeersdienstverlening. 3 Indien de exploitant gebruik maakt van het recht, bedoeld in het eerste lid, kan hij bij de vaststelling van tarieven voor de luchthaven een opslagtarief vaststellen voor het geval een luchtvaartuig zonder voorafgaande toestemming start of landt. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 8.53 — Artikel 8.53#
Artikel 8.53 Indien de exploitant van een luchthaven tarieven en voorwaarden vaststelt voor het gebruik van de luchthaven zijn deze non-discriminatoir. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 8.54 — Artikel 8.54#
Artikel 8.54 1 De exploitant van de luchthaven draagt zorg voor het registreren van de milieubelasting en indien van toepassing het externe-veiligheidsrisico vanwege het luchthavenluchtverkeer. Hij verricht de berekeningen die voor die registratie noodzakelijk zijn. Het registreren wordt zodanig uitgevoerd dat een vergelijking mogelijk is met de in het luchthavenbesluit opgenomen grenswaarden. 2 Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen omtrent de registratie en omtrent de berekeningen die daartoe noodzakelijk zijn. 3 artikel 8.44, vierde lid Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de registratie van de milieubelasting en indien van toepassing het externe-veiligheidsrisico voor zover op grond van, nadere regels zijn voorgeschreven. Hierbij worden tevens regels voorgeschreven omtrent de berekeningen die daartoe noodzakelijk zijn. De voordracht voor een krachtens de eerste volzin vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 4 De exploitant van de luchthaven verstrekt aan gedeputeerde staten: a. de op grond van het eerste tot en met derde lid geregistreerde gegevens; b. gegevens over de in het eerste tot en met derde lid bedoelde berekeningen. 2013 144 24-04-2013 28-03-2013 33135 2013 145 24-04-2013 15-04-2013 25-04-2013
Artikel 8.55 — Artikel 8.55#
Artikel 8.55 1 Gedeputeerde staten brengen ieder jaar aan provinciale staten verslag uit over de milieuaspecten en indien van toepassing de externe-veiligheidsaspecten vanwege het luchthavenluchtverkeer. 2 artikelen 8.29, tweede lid 8.30 De, enzijn van overeenkomstige toepassing. 2012 233 05-06-2012 24-05-2012 32389 2012 276 27-06-2012 13-06-2012 01-10-2012
Artikel 8.56 — Artikel 8.56#
Artikel 8.56 artikelen 8.31 8.32 Deenzijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat bij de toepassing van artikel 8.31, zesde lid, gedeputeerde staten in de plaats treden van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat. 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel 4.22 van Stb. 2020/172 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8.57 — Artikel 8.57#
Artikel 8.57 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kunnen regels worden gesteld ten aanzien van het verstrekken van geldelijke steun uit de provinciale kas aan gemeenten ter bestrijding van de kosten ten gevolge van uitvoering van in overeenstemming met het luchthavenbesluit gebrachte omgevingsplannen. 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel 4.22 van Stb. 2020/172 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8.58 — Artikel 8.58#
Artikel 8.58 1 Provinciale staten kunnen voor een luchthaven een commissie regionaal overleg luchthaven instellen. 2 Indien provinciale staten voor een luchthaven een commissie instellen, bestaat de commissie uit een onafhankelijke voorzitter en in ieder geval uit vertegenwoordigers van: a. gemeenten waarin het beperkingengebied geheel of gedeeltelijk is gelegen, b. de exploitant van de luchthaven, c. de verlener van luchtverkeersdienstverlening voor zover op de luchthaven van toepassing, en d. omwonenden van de luchthaven. 3 Onverminderd het tweede lid kan de commissie ook bestaan uit vertegenwoordigers van rechtspersoonlijkheidbezittende gebruikersorganisaties of milieuorganisaties. 2017 480 15-12-2017 29-11-2017 34757 2018 32 16-02-2018 25-01-2018 17-02-2018
Artikel 8.59 — Artikel 8.59#
Artikel 8.59 1 artikel 8.58, tweede en derde lid De commissie heeft tot taak om door overleg tussen de in, bedoelde betrokkenen een gebruik van de luchthaven te bevorderen dat zoveel mogelijk recht doet aan de belangen van die betrokkenen. 2 artikel 8.58, tweede lid, onderdeel a Provinciale staten stellen nadere regels vast omtrent de taak, de samenstelling en de werkwijze van de commissie. Daarbij wordt in ieder geval bepaald welke in, bedoelde gemeenten in de commissie vertegenwoordigd zijn. 3 De voorzitter van de commissie wordt door provinciale staten benoemd, geschorst en ontslagen. 4 Elk ander lid wordt benoemd, geschorst en ontslagen door de voorzitter op voordracht van het orgaan of de organisatie die het lid vertegenwoordigt. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 8.60 — Artikel 8.60#
Artikel 8.60 Vervallen 2012 233 05-06-2012 24-05-2012 32389 2012 276 27-06-2012 13-06-2012 01-10-2012
Artikel 8.61 — Artikel 8.61#
Artikel 8.61 Vervallen 2012 233 05-06-2012 24-05-2012 32389 2012 276 27-06-2012 13-06-2012 01-10-2012
Artikel 8.62 — Artikel 8.62#
Artikel 8.62 artikel 8.47 Indien een beperkingengebied als bedoeld in, gedeeltelijk valt binnen de grenzen van een andere provincie dan de provincie waarin een luchthaven is gelegen, wordt het luchthavenbesluit vastgesteld in overeenstemming met provinciale staten van de andere provincie. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 8.63 — Artikel 8.63#
Artikel 8.63 artikel 8.1a, derde lid Deze afdeling is van toepassing op luchthavens van regionale betekenis waarvoor op grond van, vaststelling van een luchthavenbesluit niet is vereist. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 8.64 — Artikel 8.64#
Artikel 8.64 1 Gedeputeerde staten stellen bij besluit een luchthavenregeling vast voor een luchthaven. 2 Een luchthavenregeling bevat regels omtrent het luchthavenluchtverkeer voor zover die regels noodzakelijk zijn met het oog op de geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer. Een luchthavenregeling kan tevens bevatten: a. grenswaarden die noodzakelijk zijn met het oog op het externe-veiligheidsrisico of de geluidbelasting; of b. regels die noodzakelijk zijn met het oog op het externe-veiligheidsrisico. 3 artikel 8.1a, derde lid De in de luchthavenregeling opgenomen regels of grenswaarden bevorderen in ieder geval dat niet wordt voldaan aan het criterium op grond waarvan volgens, vaststelling van een luchthavenbesluit is vereist. 4 In een luchthavenregeling wordt het luchthavengebied vastgesteld. Het luchthavengebied wordt vastgesteld met behulp van een kaart waarop de ligging van dit gebied is aangegeven. Deze kaart wordt vervaardigd op een schaal van ten minste 1 op 10 000. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de in luchthavenregelingen op te nemen regels en grenswaarden. 6 artikelen 8.19 8.45 8.46 8.47a tot en met 8.49 artikel 8.47a De,,,zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat invoor «provinciale staten» wordt gelezen «gedeputeerde staten». 2017 320 29-08-2017 17-05-2017 34591 2017 321 29-08-2017 19-08-2017 30-08-2017 Artikel IV, eerste en tweede lid, van Stb. 2017/320 bevat
overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8.65 — Artikel 8.65#
Artikel 8.65 artikelen 8.54 8.55 Deenzijn van toepassing. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 8.66 — Artikel 8.66#
Artikel 8.66 artikelen 8.58, tweede en derde lid 8.59 Indien provinciale staten voor een luchthaven een commissie regionaal overleg luchthaven instellen, zijn de, envan toepassing. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 8.67 — Artikel 8.67#
Artikel 8.67 Vervallen 2012 233 05-06-2012 24-05-2012 32389 2012 276 27-06-2012 13-06-2012 01-10-2012
Artikel 8.68 — Artikel 8.68#
Artikel 8.68 artikel 8.1, tweede lid Deze titel is van toepassing op luchthavens die op grond van, van nationale betekenis zijn. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 8.69 — Artikel 8.69#
Artikel 8.69 artikel 8.1a, derde lid Deze afdeling is van toepassing op luchthavens van nationale betekenis waarvoor op grond van, vaststelling van een luchthavenbesluit is vereist. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 8.70 — Artikel 8.70#
Artikel 8.70 1 artikel 8.1, tweede lid Voor een luchthaven waarvan op grond van, is bepaald dat deze van nationale betekenis is, wordt het luchthavenbesluit bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. 2 artikelen 8.43, tweede lid 8.44, eerste, tweede, derde en vijfde lid 8.45 8.46 8.47, eerste en tweede lid De,,,en, zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor de toepassing van de artikelen 8.45, eerste en derde lid, en 8.46, eerste lid, Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in de plaats treedt van gedeputeerde staten. 3 Het luchthavenbesluit bevat omtrent de ruimtelijke indeling van het gebied van en rond de luchthaven in ieder geval regels ten aanzien van: a. de functie en het gebruik van de locatie in verband met het externe-veiligheidsrisico vanwege het luchthavenluchtverkeer; b. de functie en het gebruik van de locatie in verband met de geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer; c. de functie en het gebruik van de locatie waaronder begrepen de maximale hoogte van objecten op of boven de locatie, in verband met de vliegveiligheid. 4 artikel 8.44, vierde lid artikel 8.47, derde lid Bij het vaststellen van het luchthavenbesluit worden de nadere regels, bedoeld in, en, in acht genomen. 5 Bij de vaststelling van het luchthavenbesluit kan in ieder geval gebruik worden gemaakt van gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar. 6 Artikel 8.71 Ten aanzien van de burgerluchthaven Twente wordt het luchthavenbesluit of een wijziging daarvan, in afwijking van het eerste lid, vastgesteld bij besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.is van overeenkomstige toepassing. 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikelen 4.18, 4.22 en 4.104a van Stb. 2020/172 bevatten
overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8.71 — Artikel 8.71#
Artikel 8.71 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht De voordracht voor een luchthavenbesluit of voor een wijziging daarvan wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp is voorbereid met toepassing van. Zienswijzen kunnen daarbij naar voren worden gebracht door een ieder. Gelijktijdig met de terinzagelegging in het kader van de procedure in de hiervoor bedoelde afdeling wordt het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. 2025 85 03-04-2025 10-02-2025 36581 2025 85 03-04-2025 10-02-2025 36581 04-04-2025
Artikel 8.71a — Artikel 8.71a#
Artikel 8.71a Artikel 8.23a is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat: a. artikel 8.15 artikel 8.34 artikel 8.75 in de aanhef van het eerste lid in plaats van «krachtensgestelde voorschriften» wordt gelezen «het bepaalde in een luchthavenbesluit» en in plaats van «de commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol, bedoeld in» wordt gelezen: de commissie regionaal overleg van de betreffende luchthaven, bedoeld in; b. in de onderdelen a en b van het eerste lid in plaats van «het luchthavenverkeerbesluit» wordt gelezen: het luchthavenbesluit; c. artikelen 8.13 8.14 8.24 artikel 8.71 in het zesde lid in plaats van «de,of» wordt gelezen:; d. artikel 8.34 artikel 8.75 in het achtste en negende lid in plaats van «de commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol, bedoeld in» wordt gelezen: de commissie regionaal overleg van de betreffende luchthaven, bedoeld in. 2013 144 24-04-2013 28-03-2013 33135 2013 145 24-04-2013 15-04-2013 25-04-2013
Artikel 8.72 — Artikel 8.72#
Artikel 8.72 1 artikelen 8.24a 8.52 8.53 8.54, eerste en vierde lid artikel 8.54, vierde lid De,,en, zijn van toepassing met dien verstande dat voor de toepassing van, Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in de plaats treedt van gedeputeerde staten. 2 artikel 8.54, vierde lid Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden nadere regels gesteld omtrent het registreren van de grenswaarden die in het luchthavenbesluit zijn opgenomen, omtrent de berekeningen die daartoe noodzakelijk zijn en omtrent de gegevensverstrekking, bedoeld in. 2017 320 29-08-2017 17-05-2017 34591 2017 321 29-08-2017 19-08-2017 30-08-2017
Artikel 8.73 — Artikel 8.73#
Artikel 8.73 1 artikel 8.45 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu maakt elk jaar een verslag over de milieuaspecten en indien van toepassing de externe-veiligheidsaspecten van het luchthavenluchtverkeer. Het verslag bevat ten minste een beschrijving van de ter uitvoering vangetroffen maatregelen en van de doelmatigheid en doeltreffendheid van die maatregelen. 2 artikelen 8.29, tweede lid 8.30 De, enzijn van overeenkomstige toepassing. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 8.74 — Artikel 8.74#
Artikel 8.74 artikelen 8.31 tot en met 8.33 Dezijn van overeenkomstige toepassing. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 8.75 — Artikel 8.75#
Artikel 8.75 1 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stelt voor iedere luchthaven een commissie regionaal overleg luchthaven in. 2 De commissie bestaat uit een onafhankelijke voorzitter en in ieder geval uit vertegenwoordigers van: a. elke provincie waarin het beperkingengebied geheel of gedeeltelijk is gelegen, b. gemeenten waarin het beperkingengebied geheel of gedeeltelijk is gelegen, c. de exploitant van de luchthaven, d. de verlener van luchtverkeersdienstverlening voor zover op de luchthaven van toepassing, en e. omwonenden van de luchthaven. 3 Onverminderd het tweede lid kan de commissie ook bestaan uit vertegenwoordigers van rechtspersoonlijkheid bezittende gebruikersorganisaties of milieuorganisaties. 4 Artikel 8.59 is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor de toepassing van het tweede en derde lid Onze Minister de plaats inneemt van provinciale staten. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 8.76 — Artikel 8.76#
Artikel 8.76 artikel 8.1a, derde lid Deze afdeling is van toepassing op luchthavens van nationale betekenis waarvoor op grond van, vaststelling van een luchthavenbesluit niet is vereist. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 8.77 — Artikel 8.77#
Artikel 8.77 1 Provinciewet Voor een luchthaven die is gelegen buiten provinciegrenzen zoals bepaald bij of krachtens de, wordt bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een luchthavenregeling vastgesteld. 2 Artikel 8.64, tweede tot en met vierde en zesde lid artikelen 8.45, eerste lid 8.46, eerste lid , zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor de toepassing van de, en, Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in de plaats treedt van gedeputeerde staten. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 8.78 — Artikel 8.78#
Artikel 8.78 artikelen 8.24a, derde lid 8.54, eerste en vierde lid 8.72, tweede lid 8.73, eerste en derde lid artikel 8.54, vierde lid De,,, en, zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor de toepassing van, Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in de plaats treedt van gedeputeerde staten. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 8.79 — Artikel 8.79#
Artikel 8.79 artikel 8.75, lid 2, 3 en 4 Indien Onze Minister van Infrastructuur en Milieu voor een luchthaven een commissie regionaal overleg luchthaven instelt, is, van toepassing. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 8a.1 — Artikel 8a.1#
Artikel 8a.1 1 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kunnen regels worden gesteld omtrent de aanleg, de inrichting, de uitrusting en het gebruik van luchthavens met het oog op de orde en de veiligheid op die luchthavens. Hierbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen categorieën luchthavens en tussen vormen van luchtvaart die gebruik maken van luchthavens. 2 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan ontheffing verlenen van de regels, bedoeld in het eerste lid. Deze ontheffing wordt slechts verleend indien: a. als gevolg van bijzondere omstandigheden de regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden, en b. de veiligheid van de luchthaven en van het luchthavenluchtverkeer met het verlenen van een ontheffing niet in gevaar worden gebracht. 3 Aan de ontheffing, bedoeld in het tweede lid, kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. 4 De kosten die samenhangen met het in behandeling nemen van de aanvraag en de afgifte van de in het tweede lid bedoelde ontheffing of een wijziging daarvan, worden ten laste gebracht aan de aanvrager. 5 De bedragen ter vergoeding van de kosten, bedoeld in het vierde lid, worden bij ministeriële regeling vastgesteld. 6 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kunnen regels worden gesteld omtrent het verrichten van grondafhandelingsdiensten op luchthavens. 2021 286 18-06-2021 26-05-2021 35664 2021 306 29-06-2021 25-06-2021 30-06-2021
Artikel 8a.2 — Artikel 8a.2#
Artikel 8a.2 1 artikel 8a.1, eerste lid artikel 8a.3, tweede lid Onze Minister van Infrastructuur en Milieu verleent of wijzigt op aanvraag van de exploitant een veiligheidscertificaat indien wordt voldaan aan de regels, bedoeld in, voorzover deze regels betrekking hebben op het luchtvaartgebied en. 2 Een veiligheidscertificaat vermeldt het gebruik waarvoor het verleend is. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 8a.3 — Artikel 8a.3#
Artikel 8a.3 1 Ten behoeve van het verkrijgen van een veiligheidscertificaat stelt de exploitant een luchthavenbedrijfshandboek op. Het luchthavenbedrijfshandboek bevat een beschrijving van de aanleg, de inrichting, de uitrusting en het veilig gebruik van het luchtvaartgebied alsmede een beschrijving van het veiligheidsmanagementsysteem van de luchthaven. 2 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden regels gegeven omtrent het veiligheidscertificaat, het veiligheidsmanagementsysteem en het luchthavenbedrijfshandboek. Hierbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen categorieën luchthavens en vormen van luchtvaart die gebruik maken van luchthavens. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 8a.4 — Artikel 8a.4#
Artikel 8a.4 1 Een veiligheidscertificaat wordt afgegeven voor onbepaalde tijd. Een veiligheidscertificaat is niet overdraagbaar. 2 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden nadere regels gegeven omtrent de aanvraag tot het verlenen of het wijzigen van een veiligheidscertificaat. 3 De kosten die samenhangen met het in behandeling nemen van de aanvraag en de afgifte van het certificaat of een wijziging daarvan, worden ten laste gebracht van de aanvrager. 4 De bedragen ter vergoeding van de kosten worden vastgesteld bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 2017 320 29-08-2017 17-05-2017 34591 2017 321 29-08-2017 19-08-2017 30-08-2017 Artikel IV, derde lid, van Stb. 2017/320 bevat overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8a.5 — Artikel 8a.5#
Artikel 8a.5 1 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu schorst het veiligheidscertificaat geheel of gedeeltelijk indien de veiligheid van de luchthaven niet gewaarborgd is. 2 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu trekt een veiligheidscertificaat geheel of gedeeltelijk in bij gehele of gedeeltelijke beëindiging van het gebruik waarvoor het certificaat is verleend. 3 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu trekt een veiligheidscertificaat geheel of gedeeltelijk ambtshalve in indien: a. er stelselmatig sprake is van grove overtredingen van de veiligheidsvoorschriften, b. het veiligheidsmanagementsysteem de veiligheid niet langer waarborgt, of c. de exploitant ook na aanmaning weigert mee te werken aan het toezicht op de veiligheid. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 8a.6 — Artikel 8a.6#
Artikel 8a.6 Vervallen 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikelen 4.16 en 4.22 van Stb. 2020/172 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8a.37 — Artikel 8a.37#
Artikel 8a.37 Deze paragraaf is van toepassing op de luchthaven Schiphol. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 8a.38 — Artikel 8a.38#
Artikel 8a.38 1 artikel 8.32 artikel 8.33 artikel 8.31 artikel 9, eerste lid, tweede lid, onderdeel a, en de leden 3a, 3f en 3g, van de Gemeenschappelijke regeling Schadeschap Luchthaven Schiphol Met betrekking tot de financiering en de bekostiging van de kosten van de uitvoering vanwordt onder de naam «geluidsheffing burgerluchtvaart» een heffing geheven. Naast de geluidsheffing burgerluchtvaart wordt een heffing geheven ter financiering van de kosten van de uitvoering van, alsmede de kosten van het Schadeschap Luchthaven Schiphol en van zijn uitspraken voor zover deze betrekking hebben op de uitvoering vandan wel van de opvolger van dit schadeschap belast met de behandeling van en de besluitvorming inzake een aanvraag als bedoeld in. 2 De heffingen worden geheven ter zake van het landen met een burgerluchtvaartuig tot het tijdstip waarop de kosten als bedoeld in het eerste lid, zijn voldaan. 3 De heffingen worden geheven van de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die als eigenaar of houder van een burgerluchtvaartuig dit te zijner beschikking heeft en dit onder zijn verantwoordelijkheid laat deelnemen aan het luchtverkeer. De natuurlijke persoon of rechtspersoon, bedoeld in de eerste volzin, is in ieder geval belanghebbende bij een uitspraak van het Schadeschap Luchthaven Schiphol als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin dan wel de opvolger van dit schadeschap bedoeld in het eerste lid, tweede volzin. 4 De geluidsheffing burgerluchtvaart wordt geheven naar de geluidsproduktie van het burgerluchtvaartuig uitgedrukt in een aantal rekeneenheden. De geluidsproduktie wordt bepaald met toepassing van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen formules. 5 Het basistarief van de heffing per rekeneenheid geluidsproductie bedraagt in het jaar 2004 € 27,–. Het tarief van de heffing per rekeneenheid geluidsproductie wordt na 2004 met ingang van elk daarop volgend kalenderjaar verhoogd met € 1,–. 6 Het basistarief, bedoeld in het vijfde lid, wordt per rekeneenheid verhoogd met: a. € 98,50 tot het jaar 2010; b. € 40,– vanaf het jaar 2010, met dien verstande dat deze verhoging met ingang van elk daaropvolgend kalenderjaar wordt verhoogd met € 1,25. 7 Het tarief van de in het eerste lid, tweede volzin, bedoelde heffing bedraagt € 0,50 per ton van de maximale toegelaten startmassa van het luchtvaartuig. 8 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan bij de toepassing van het eerste lid een deel van de kosten buiten toepassing laten indien toepassing, gelet op het belang van de burgerluchtvaart, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. 9 De eigenaar of houder van een luchtvaartuig dient de ter bepaling van de geluidsheffing noodzakelijke gegevens ter beschikking van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu te stellen overeenkomstig door hem te geven regels. 2016 119 30-03-2016 09-03-2016 34098 119 30-03-2016 2018 205 29-06-2018 25-06-2018 01-07-2018 Abusievelijk is voor het eerste lid een wijzigingsopdracht
geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 8a.39 — Artikel 8a.39#
Artikel 8a.39 1 De heffingen worden door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu geheven. 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen die wet artikelen 2, vierde lid 37 38 47a 48 52 53 54 66a 66b 68 tot en met 88 Onverminderd het overigens in dit artikel bepaalde worden de heffingen geheven met overeenkomstige toepassing van de, met dien verstande dat vanbuiten toepassing blijven, de,,,,,,,,enalsmede. 3 Algemene wet inzake rijksbelastingen De bevoegdheden en de verplichtingen van de hierna vermelde, in degenoemde functionarissen gelden met betrekking tot de heffingen voor de daarachter genoemde functionarissen: a. Onze Minister van Financiën: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; b. de inspecteur: de door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu daartoe aan te wijzen functionaris van de exploitant van de luchthaven; 4 hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 28a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen In afwijking van het derde lid, onderdeel b, treedt voor de toepassing vande door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aan te wijzen ambtenaar in de plaats van de inspecteur. Voorts treedt voor de toepassing vanOnze Minister van Infrastructuur en Milieu in de plaats van Onze Minister van Financiën. 5 De heffingen worden geheven bij wege van aanslag. Zij worden geheven over een bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu te bepalen tijdvak. 2025 447 23-12-2025 17-12-2025 36816 2025 447 23-12-2025 17-12-2025 36816 31-12-2025
Artikel 8a.40 — Artikel 8a.40#
Artikel 8a.40 1 artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de Invorderingswet 1990 De heffingen worden ingevorderd door de door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aan te wijzen functionaris van de exploitant van de luchthaven, door de door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in overeenstemming met Onze Minister van Financiën aan te wijzen ambtenaar van de Dienst der Domeinen en door de ontvanger, bedoeld in. 2 Invorderingswet 1990 Kostenwet invordering rijksbelastingen Invorderingswet 1990 artikelen 9, eerste tot en met negende lid 59 62 artikel 66 van die wet artikelen 76 80, tweede, derde en vierde lid 82 84 86 87 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Onverminderd het overigens in dit artikel bepaalde worden de heffingen ingevorderd met overeenkomstige toepassing van deen de, met dien verstande dat van debuiten toepassing blijven de,en. Voorts blijven bij de toepassing vande,,,,enbuiten toepassing. 3 Met betrekking tot de invordering geldt vervolgens dat: a. de belastingaanslagen terstond en tot het volle bedrag invorderbaar zijn; b. artikel 8, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 artikelen 11 12 15, eerste lid, onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 artikel 26 van de Invorderingswet 1990 artikel 26 van die wet wat betreft de toepassing vanuitsluitend bevoegd is de functionaris of ambtenaar bedoeld in het eerste lid. De in de,enbedoelde bevoegdheden komen uitsluitend toe aan de functionaris of ambtenaar, bedoeld in het eerste lid. De inbedoelde bevoegdheid komt uitsluitend toe aan de door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aan te wijzen ambtenaar, met dien verstande dat voor de toepassing vande door Onze Minister van Financiën bij regeling gestelde regels van toepassing zijn; c. artikelen 24, tweede lid 25 58 van de Invorderingswet 1990 de overige bij de invordering van toepassing zijnde bevoegdheden, met uitzondering van die bedoeld in de,en, uitsluitend toekomen aan de ontvanger, bedoeld in het eerste lid; d. artikel 24, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 de bevoegdheid bedoeld inzowel toekomt aan de functionaris of ambtenaar bedoeld in het eerste lid als aan de ontvanger bedoeld in het eerste lid; e. artikel 25 artikel 58 van de Invorderingswet 1990 de bevoegdheden bedoeld inentoekomen, indien de functionaris of ambtenaar bedoeld in het eerste lid met de invordering is belast, aan deze functionaris of ambtenaar en indien de ontvanger, bedoeld in het eerste lid, met de invordering is belast, aan de ontvanger. 4 artikel 17 van de Invorderingswet 1990 In het kader van het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel moet invoor «de ontvanger die het dwangbevel heeft uitgevaardigd» telkens worden gelezen: de met de tenuitvoerlegging van het dwangbevel belaste ontvanger. 5 Betaling van de heffingen dient te geschieden aan de functionaris of ambtenaar bedoeld in het eerste lid. Na de betekening van het dwangbevel dient te worden betaald aan de ontvanger, bedoeld in het eerste lid, die is vermeld op het dwangbevel. 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 2023 499 27-12-2023 20-12-2023 36418 01-01-2024
Artikel 8a.41 — Artikel 8a.41#
Artikel 8a.41 1 artikelen 8a.38 tot en met 8a.40 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kunnen inzake de heffingen en de invordering daarvan nadere in het kader van depassende regels worden gesteld ter aanvulling van de daarin geregelde onderwerpen. 2 artikel 8a.40, eerste lid Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden regels gesteld inzake de afdracht van de door de functionaris als bedoeld in, ingevorderde heffing aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 8a.42 — Artikel 8a.42#
Artikel 8a.42 1 artikel 8.74 artikel 8.33 Met betrekking tot de financiering en de bekostiging van de kosten van de uitvoering vanwordt onder de naam «geluidsheffing burgerluchtvaart» een heffing geheven. Tevens wordt een heffing geheven ter financiering van de kosten van de uitvoering van. 2 artikelen 8a.38, tweede tot en met vierde en zevende tot en met negende lid 8a.39 tot en met 8a.41 De, enzijn van overeenkomstige toepassing. 3 Het tarief van de heffing per rekeneenheid geluidsproduktie bedraagt in het jaar 2004 € 27,– en wordt met ingang van elk daaropvolgend kalenderjaar verhoogd met € 1,–. 2010 149 07-04-2010 18-03-2010 31857 2010 263 06-07-2010 26-05-2010 07-07-2010 01-11-2009
Artikel 8a.43 — Artikel 8a.43#
Artikel 8a.43 1 artikel 8.56, eerste lid artikel 8.57 Provinciale staten kunnen bij verordening bepalen dat met betrekking tot de financiering en de bekostiging van de kosten van de uitvoering van, onder de naam «geluidsheffing burgerluchtvaart» een heffing wordt geheven. Tevens kunnen provinciale staten bij verordening bepalen dat een heffing wordt geheven ter financiering van de kosten van de uitvoering van. 2 De heffingen worden geheven ter zake van het landen met een burgerluchtvaartuig tot het tijdstip waarop de kosten als bedoeld in het eerste lid, zijn voldaan. 3 artikelen 220 220a 221 227 tot en met 232h van de Provinciewet Voor de heffing en invordering zijn de,,envan overeenkomstige toepassing. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 8a.44 — Artikel 8a.44#
Artikel 8a.44 Vervallen 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel 4.22 van Stb. 2020/172 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8a.45 — Artikel 8a.45#
Artikel 8a.45 Vervallen 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikelen 4.22 en 4.86 van Stb. 2020/172 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8a.46 — Artikel 8a.46#
Artikel 8a.46 Vervallen 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikelen 4.22 en 4.86 van Stb. 2020/172 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8a.47 — Artikel 8a.47#
Artikel 8a.47 Vervallen 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel 4.22 van Stb. 2020/172 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8a.48 — Artikel 8a.48#
Artikel 8a.48 Vervallen 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikelen 4.22en 4.87 van Stb. 2020/172 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8a.49 — Artikel 8a.49#
Artikel 8a.49 Vervallen 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikelen 4.22 en 4.88 van Stb. 2020/172 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8a.50 — Artikel 8a.50#
Artikel 8a.50 1 artikel 8.1a, eerste lid De verbodsbepaling bedoeld in, is niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen luchtvaartuigen. 2 artikel 8.1a, tweede tot en met vierde lid Van de in, genoemde verboden kan vrijstelling worden verleend door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 3 Dit lid is nog niet in werking getreden. 4 Aan de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, kunnen voorwaarden worden verbonden. 5 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kunnen regels worden gesteld omtrent het terrein niet zijnde een luchthaven waarvan de luchtvaartuigen bedoeld in het eerste lid opstijgen dan wel waarop zij landen en omtrent de wijze waarop dit terrein wordt gebruikt. 2017 320 29-08-2017 17-05-2017 34591 2017 321 29-08-2017 19-08-2017 30-08-2017
Artikel 8a.50a — Artikel 8a.50a#
Artikel 8a.50a artikel 8a.50, tweede lid artikel 8.1a, derde lid afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Indien ten aanzien van de burgerluchthaven Twente een vrijstelling, als bedoeld in, van het verbod in, wordt verleend, is op de voorbereiding van die vrijstellingvan toepassing. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8a.50b — Artikel 8a.50b#
Artikel 8a.50b 1 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan op aanvraag van een exploitant van een luchthaven ontheffing verlenen van een regel die met het oog op de geluidbelasting is opgenomen in een luchthavenbesluit of luchthavenregeling voor een luchthaven van nationale betekenis. 2 Gedeputeerde staten kunnen op aanvraag van een exploitant van een luchthaven ontheffing verlenen van een regel die met het oog op de geluidbelasting is opgenomen in een luchthavenbesluit of luchthavenregeling voor een luchthaven van regionale betekenis. 3 Een ontheffing kan slechts worden verleend voor een bepaalde in de ontheffing vast te stellen termijn van ten hoogste een jaar. 4 Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. 5 Gedeputeerde staten doen zo spoedig mogelijk na de verlening van een ontheffing hiervan mededeling aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 6 De exploitant maakt de beslissing omtrent een ontheffing bekend aan de gebruikers van de luchthaven. 2013 144 24-04-2013 28-03-2013 33135 2013 145 24-04-2013 15-04-2013 25-04-2013
Artikel 8a.51 — Artikel 8a.51#
Artikel 8a.51 1 artikel 8.1a, eerste lid Gedeputeerde staten kunnen voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik van een terrein ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in, indien het terrein wordt gebruikt door een luchtvaartuig dat behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorie. 2 Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. 3 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden regels gesteld over: a. het terrein; b. de wijze waarop het terrein wordt gebruikt; c. de termijn waarbinnen gedeputeerde staten een besluit nemen op de aanvraag; d. de wijze waarop Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en de burgemeester van de gemeente waarin het terrein ligt, worden betrokken bij het verlenen van de ontheffing en bij het gebruik van het terrein. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 8a.52 — Artikel 8a.52#
Artikel 8a.52 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld betreffende het gebruik van luchthavens. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 8a.53 — Artikel 8a.53#
Artikel 8a.53 Wanneer de aanleg, de instandhouding of het gebruik van een werk ten behoeve van de uitvoering van de militaire taak op een burgerluchthaven in strijd zou komen met een bepaling van of krachtens deze wet, kunnen Wij, op voordracht van Onze Minister van Defensie, daarvan ontheffing verlenen. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 8a.53a — Artikel 8a.53a#
Artikel 8a.53a 1 De exploitant van de luchthaven Schiphol en de exploitant van een luchthaven van nationale betekenis verstrekken Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op diens verzoek alle bij hen berustende gegevens met betrekking tot de exploitatie, de veiligheid, het milieu of het gebruik van de luchthaven voor zover dit noodzakelijk is voor de vervulling van de taken en bevoegdheden van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat bij of krachtens deze wet. 2 De exploitant is verplicht de in het eerste lid bedoelde gegevens op de door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat aan te geven wijze en binnen de door laatstgenoemde te bepalen redelijke termijn te verstrekken. De exploitant geeft bij het verstrekken van de gevraagde informatie zo nodig aan welke informatie als bedrijfsvertrouwelijk moet worden aangemerkt. 3 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat gebruikt de gegevens uitsluitend voor de uitvoering van zijn taken en bevoegdheden bij of krachtens deze wet. 4 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de opname van een informatieplicht voor luchthavenexploitanten in deze wet in de praktijk. 2024 77 02-04-2024 13-03-2024 36168 2024 124 10-05-2024 26-04-2024 01-07-2024
Artikel 8a.54 — Artikel 8a.54#
Artikel 8a.54 1 Bij algemene maatregel van bestuur wordt een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven vastgesteld in verband met de nabijheid van de navolgende buitenlandse luchthavens in de Bondsrepubliek Duitsland: a. de burgerluchthaven Weeze, gelegen in de gemeente Weeze; b. de militaire luchthaven Brüggen, gelegen in de gemeente Brüggen; c. de militaire luchthaven Geilenkirchen, gelegen bij de stad Geilenkirchen. 2 Bij algemene maatregel van bestuur kan een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven worden vastgesteld in verband met de nabijheid van een andere buitenlandse luchthaven. 3 De voordracht voor een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2012 582 23-11-2012 08-11-2012 31898 2012 644 18-12-2012 06-12-2012 01-01-2013
Artikel 8a.55 — Artikel 8a.55#
Artikel 8a.55 1 Bij een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven wordt het beperkingengebied vastgesteld, dat het Nederlands grondgebied omvat waar met het oog op het externe-veiligheidsrisico, de geluidsbelasting of de vliegveiligheid, vanwege de nabijheid van de desbetreffende buitenlandse luchthaven, beperkingen noodzakelijk zijn ten aanzien van de functie of het gebruik van de locatie. 2 De ruimtelijke indeling en de begrenzing van het beperkingengebied voor een buitenlandse luchthaven worden bepaald aan de hand van: a. het gebruik van de luchthaven door het luchthavenluchtverkeer, b. de ligging van start- en landingsbanen, en c. de positie van navigatie- en communicatieapparatuur. 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel 4.22 van Stb. 2020/172 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8a.56 — Artikel 8a.56#
Artikel 8a.56 Een beperkingengebied wordt vastgesteld met behulp van een of meer kaarten waarop de ligging van het gebied is aangegeven. De kaarten worden vervaardigd op een schaal van ten minste 1 op 50 000. Zo nodig worden delen van de gebieden vastgelegd met behulp van kaarten op een schaal met een kleiner verhoudingsgetal. 2012 582 23-11-2012 08-11-2012 31898 2012 644 18-12-2012 06-12-2012 01-01-2013
Artikel 8a.57 — Artikel 8a.57#
Artikel 8a.57 1 Het besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven bevat in elk geval regels omtrent de functie en het gebruik van de locatie waaronder begrepen de maximale hoogte van objecten op of boven de locatie, in verband met: a. de geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer, en b. de vliegveiligheid. 2 Indien het besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven wordt vastgesteld in verband met de nabijheid van een buitenlandse burgerluchthaven, bevat dit besluit voorts regels omtrent de functie en het gebruik van de locatie in verband met het externe-veiligheidsrisico vanwege het luchthavenluchtverkeer. Indien het besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven wordt vastgesteld in verband met de nabijheid van een buitenlandse militaire luchthaven, kan het besluit dergelijke regels bevatten. 3 Bij de regels, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, worden in ieder geval locaties aangewezen waar woningen of andere in het besluit aangewezen gebouwen niet zijn toegelaten. 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel 4.22 van Stb. 2020/172 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8a.58 — Artikel 8a.58#
Artikel 8a.58 1 artikelen 8.8 8.10 8.11 Met betrekking tot het besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven zijn de,envan overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van «luchthavenindelingbesluit» telkens wordt gelezen: besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven. 2 artikel 8.9, tweede en vierde lid Voorts is, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat omtrent de verklaring van geen bezwaar wordt besloten door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en dat in plaats van «het luchthavenindelingbesluit» telkens wordt gelezen: het besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven. 3 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu beslist omtrent de verklaring van geen bezwaar of de ontheffing, bedoeld in het tweede lid, indien het een militaire luchthaven betreft, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie. 4 De beslistermijn bedraagt acht weken na ontvangst van de aanvraag. 2023 376 27-10-2023 16-10-2023 36367 2023 470 15-12-2023 13-12-2023 01-01-2024 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel 4.22 van Stb. 2020/172 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8a.59 — Artikel 8a.59#
Artikel 8a.59 1 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden regels gesteld omtrent de wijze van meten, berekenen en registreren van de geluidbelasting, en kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze van meten, berekenen en registreren van het externe-veiligheidsrisico. 2 Een regeling als bedoeld in het eerste lid wordt ten aanzien van militaire luchthavens vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister van Defensie. 2012 582 23-11-2012 08-11-2012 31898 2012 644 18-12-2012 06-12-2012 01-01-2013
Artikel 8a.60 — Artikel 8a.60#
Artikel 8a.60 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Op de voorbereiding van een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven of op de voorbereiding van een wijziging of intrekking van een zodanig besluit isvan toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder. 2012 582 23-11-2012 08-11-2012 31898 2012 644 18-12-2012 06-12-2012 01-01-2013
Artikel 8a.61 — Artikel 8a.61#
Artikel 8a.61 artikelen 8.31 tot en met 8.33 Dezijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van «het luchthavenindelingbesluit of het luchthavenverkeerbesluit» onderscheidenlijk «het luchthavenindelingbesluit» wordt gelezen: het besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven. 2012 582 23-11-2012 08-11-2012 31898 2012 644 18-12-2012 06-12-2012 01-01-2013
Artikel 8a.62 — Artikel 8a.62#
Artikel 8a.62 1 artikel 8a.54 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan voor iedere buitenlandse luchthaven, aangewezen bij of krachtens, een commissie regionaal overleg luchthaven instellen. 2 Indien een commissie wordt ingesteld, stelt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu regels omtrent: a. de taak, samenstelling en werkwijze van de commissie, b. de instelling van een secretariaat ter ondersteuning van de commissie, en c. de mate waarin en de voorwaarden waaronder Onze Minister van Infrastructuur en Milieu jaarlijks bijdraagt in de kosten van de commissie. 3 Artikel 8.37 is van overeenkomstige toepassing. 2012 582 23-11-2012 08-11-2012 31898 2012 644 18-12-2012 06-12-2012 01-01-2013
Artikel 8a.63 — Artikel 8a.63#
Artikel 8a.63 1 In deze titel wordt verstaan onder: ACNL: Airport Coordination Netherlands; bemiddelaar inzake de dienstregelingen: bemiddelaar inzake de dienstregelingen als bedoeld in artikel 2, onderdeel i, van de slotverordening; gebruiker: een luchtvaartmaatschappij, alsmede een persoon of rechtspersoon die vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij; gefaciliteerde beweging: een beweging die wordt gefaciliteerd op een luchthaven met bemiddeling inzake de dienstregelingen door de bemiddelaar inzake de dienstregelingen; slotcoördinator: coördinator als bedoeld in de slotverordening; slotverordening: Verordening nr. 95/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 januari 1993 betreffende gemeenschappelijke regels voor de toewijzing van «slots» op communautaire luchthavens (PbEG 1993, L 14). 2 Een wijziging van de slotverordening gaat voor de toepassing van deze titel gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven. 2019 150 19-04-2019 27-03-2019 35060 2020 25 31-01-2020 20-01-2020 01-04-2020 Artikelen II tot en met V van Stb. 2019/150 bevatten
overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8a.64 — Artikel 8a.64#
Artikel 8a.64 1 Er is een organisatie, ACNL, belast met de taken die de slotcoördinator en de bemiddelaar inzake de dienstregelingen op grond van de slotverordening hebben. 2 ACNL is gevestigd te Haarlemmermeer en bezit rechtspersoonlijkheid. 3 artikelen 21 22 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen Deenzijn op ACNL niet van toepasing. 4 Indien ACNL bij de uitvoering van de taken van de slotcoördinator, bedoeld in het eerste lid, schade toebrengt aan luchtvaartmaatschappijen of anderen, is ACNL daarvoor niet aansprakelijk, tenzij de schade een gevolg is van opzet of roekeloosheid. 2019 150 19-04-2019 27-03-2019 35060 2020 25 31-01-2020 20-01-2020 01-04-2020 Artikelen II tot en met V van Stb. 2019/150 bevatten
overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8a.65 — Artikel 8a.65#
Artikel 8a.65 ACNL stelt ten behoeve van haar werkwijze een bestuursreglement op. 2019 150 19-04-2019 27-03-2019 35060 2020 25 31-01-2020 20-01-2020 01-04-2020 Artikelen II tot en met V van Stb. 2019/150 bevatten
overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8a.66 — Artikel 8a.66#
Artikel 8a.66 1 ACNL heeft een directie. 2 De directie: a. is belast met de dagelijkse leiding van ACNL; b. bestaat uit maximaal twee leden; c. vertegenwoordigt ACNL in en buiten rechte. 3 De leden van de directie worden benoemd voor een tijdvak van maximaal vier jaar en zijn aansluitend éénmalig voor een tijdvak van maximaal vier jaar herbenoembaar. In het geval van bijzondere omstandigheden binnen de organisatie van de ACNL kan een lid van de directie bij afloop van de tweede benoemingstermijn terstond opnieuw worden benoemd voor een tijdvak van maximaal twee jaar. 4 In geval van schorsing of ontstentenis van een lid van de directie voorziet Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat in de waarneming van diens functie. 2021 286 18-06-2021 26-05-2021 35664 2021 306 29-06-2021 25-06-2021 30-06-2021 Artikel XIV van Stb. 2021/286 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8a.67 — Artikel 8a.67#
Artikel 8a.67 1 artikel 8a.64, eerste lid Ter dekking van de kosten die ACNL maakt ten behoeve van de uitvoering van de taken, bedoeld in: a. zijn de gebruikers van de betreffende luchthavens per gebruikt slot of gefaciliteerde beweging een vergoeding verschuldigd aan ACNL; b. zijn de exploitanten van de betreffende luchthavens een vergoeding verschuldigd aan ACNL op basis van de met slots gerealiseerde of gefaciliteerde bewegingen in het vorige boekjaar. 2 ACNL stelt jaarlijks de tarieven van de vergoedingen, bedoeld in het eerste lid, bij regeling vast na consultatie van de gebruikers en exploitanten van de betreffende luchthavens. 3 De tarieven, bedoeld in het tweede lid, treden na bekendmaking op de eerstvolgende 1 april in werking. 4 De exploitant van de betreffende luchthaven int de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en draagt het geïnde bedrag af aan ACNL. 2019 150 19-04-2019 27-03-2019 35060 2020 25 31-01-2020 20-01-2020 01-07-2020 Artikelen II tot en met V van Stb. 2019/150 bevatten
overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8a.68 — Artikel 8a.68#
Artikel 8a.68 1 Het boekjaar van ACNL loopt van 1 april van enig jaar tot en met 31 maart van het daaropvolgende jaar. 2 artikel 18 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen In afwijking vanzendt ACNL jaarlijks het door hem vastgestelde jaarverslag voor 1 juni aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en voor 15 juli aan beide Kamers der Staten-Generaal. 2022 104 02-03-2022 16-02-2022 35890 2022 171 04-05-2022 21-03-2022 01-07-2022
Artikel 8a.69 — Artikel 8a.69#
Artikel 8a.69 1 ACNL stelt jaarlijks een begroting op, met in ieder geval: a. de jaarlijkse financiële begroting, bestaande uit een exploitatiebegroting en een kapitaalsbegroting; b. een meerjarenbegroting voor de eerstvolgende drie boekjaren. 2 ACNL stuurt de begroting vóór 1 februari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de begroting betrekking heeft naar Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat. 3 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verleent dan wel onthoudt binnen vier weken de goedkeuring aan de begroting. 4 In het geval de goedkeuring wordt onthouden, is de directie gerechtigd gedurende ten hoogste zes maanden van het nieuwe boekjaar voor iedere maand uitgaven te doen ter grootte van 115% van een twaalfde deel van de begroting van het voorafgaande boekjaar. 2019 150 19-04-2019 27-03-2019 35060 2020 25 31-01-2020 20-01-2020 01-04-2020 Artikelen II tot en met V van Stb. 2019/150 bevatten
overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8a.70 — Artikel 8a.70#
Artikel 8a.70 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt regels over de uitoefening van het toezicht op ACNL door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat. 2021 286 18-06-2021 26-05-2021 35664 2021 306 29-06-2021 25-06-2021 30-06-2021
Artikel 9.1 — Artikel 9.1#
Artikel 9.1 1 In bijzondere omstandigheden in geval van ernstige verstoring van de binnenlandse openbare orde of veiligheid is Onze Minister van Infrastructuur en Milieu bevoegd in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie aan de LVNL aanwijzingen te geven met betrekking tot het verzorgen van de luchtverkeersbeveiliging. 2 In bijzondere omstandigheden in verband met de handhaving van de internationale rechtsorde of met de internationale betrekkingen is Onze Minister van Infrastructuur en Milieu bevoegd in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken en Onze Minister van Defensie aan de LVNL aanwijzingen te geven met betrekking tot het verzorgen van de luchtverkeersbeveiliging. 3 Indien de LVNL door het uitvoeren van de aanwijzingen financieel nadeel ondervindt, ontvangt hij een naar billijkheid te bepalen vergoeding. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 9.2 — Artikel 9.2#
Artikel 9.2 1 artikelen 7, eerste lid 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden artikelen 9.3 9.4 9.5 Onverminderd de, enkunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de,engezamenlijk of afzonderlijk in werking worden gesteld. 2 Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde bepalingen. 3 Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld. 4 Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, worden de bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten. 5 Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking. 6 Staatsblad Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in ieder geval geplaatst in het. 2004 686 28-12-2004 02-12-2004 29514 2005 118 15-03-2005 23-02-2005 16-03-2005
Artikel 9.3 — Artikel 9.3#
Artikel 9.3 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan aanwijzingen geven aan de LVNL.
Artikel 9.4 — Artikel 9.4#
Artikel 9.4 Onze Minister van Defensie kan aanwijzingen geven aan de LVB-organisatie. 1999 322 29-07-1999 08-07-1999 26287 De wijziging is in werking getreden op 1 september 1999 (Stb.1999/322). 1997 255 26-06-1997 26-03-1997 24513
Artikel 9.5 — Artikel 9.5#
Artikel 9.5 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden. titels 5.1 5.2 Het bij of krachtens deenvan deze wet bepaalde geldt niet ten aanzien van de luchtvaartuigen, in gebruik ten behoeve van de defensie, en de leden hunner bemanning. 1997 255 26-06-1997 26-03-1997 24513
Artikel 9.6 — Artikel 9.6#
Artikel 9.6 1 artikel 9.3 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan aan de LVNL een naar billijkheid te bepalen vergoeding toekennen ter zake van buitengewone kosten door de LVNL gemaakt vanwege de naleving van de aanwijzing gegeven krachtens. 2 artikel 9.4 Onze Minister van Defensie kan aan de LVNL een naar billijkheid te bepalen vergoeding toekennen ter zake van buitengewone kosten door de LVNL gemaakt vanwege de naleving van de aanwijzing gegeven krachtens. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 9.7 — Artikel 9.7#
Artikel 9.7 1 artikel 1.4 artikel 9.4 artikel 9.4 In afwijking vanricht Onze Minister van Defensie, voordat hij de hem krachtenstoekomende bevoegdheid uitoefent, een verzoek aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu om aan de behoefte gesteld door Onze Minister van Defensie te voldoen. Onze Minister van Defensie oefent de bevoegdheid krachtensniet uit dan nadat Onze Minister van Infrastructuur en Milieu te kennen heeft gegeven niet te zullen voldoen aan dit verzoek. 2 In dringende omstandigheden kan Onze Minister van Defensie afwijken van het eerste lid. Hij stelt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu daarvan terstond in kennis. Zodra de omstandigheden dat naar het oordeel van Onze Minister van Defensie en van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu toelaten, wordt aan de door Onze Minister van Defensie gestelde behoefte voldaan door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 3 artikel 9.3 artikel 9.6, eerste lid Indien de intoegekende bevoegdheid door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu wordt uitgeoefend op verzoek van Onze Minister van Defensie als bedoeld in het eerste lid, vindt toekenning van een vergoeding krachtens, plaats in overeenstemming met Onze Minister van Defensie. Deze vergoeding komt voor rekening van Onze Minister van Defensie. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 9.8 — Artikel 9.8#
Artikel 9.8 artikel 5.14d Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan in omstandigheden waarin maatregelen worden genomen als bedoeld in artikel 13 van de kaderverordening een of meer luchtverkeerdienstverleners ontheffing verlenen van het inbedoelde verbod, indien deze omstandigheden hiertoe noodzaken. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 10.1 — Artikel 10.1#
Artikel 10.1 1 hoofdstuk 2 Behoudens titel 2.2 isniet van toepassing op het bedienen van militaire luchtvaartuigen. 2 Militaire luchtvaartuigen worden bediend door cockpitpersoneel, dat voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen inzake theoretische en praktische bekwaamheid en geestelijke en lichamelijke geschiktheid. 3 Onze Minister van Defensie kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van de bij of krachtens het tweede lid gegeven regels, wanneer door bijzondere omstandigheden die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt gebracht. Aan de ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. 4 Onze Minister van Defensie trekt de door hem verleende ontheffing in, wanneer a. de redenen, waarom de ontheffing is verleend, zijn komen te vervallen; b. de houder van de ontheffing de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet naleeft. 1997 255 26-06-1997 26-03-1997 24513 1999 263 29-06-1999 21-06-1999 26336 01-10-1999
Artikel 10.2 — Artikel 10.2#
Artikel 10.2 1 Hoofdstuk 2, titel 2.1 artikel 5.16 , enzijn niet van toepassing op luchtverkeersdienstverleningspersoneel van de krijgsmacht. Dit personeel voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen inzake theoretische en praktische bekwaamheid en geestelijke en lichamelijke geschiktheid. 2 Artikel 10.1, derde en vierde lid , zijn van overeenkomstige toepassing. 2008 130 29-04-2008 03-04-2008 31221 2008 175 27-05-2008 13-05-2008 28-05-2008
Artikel 10.3 — Artikel 10.3#
Artikel 10.3 artikel 3.2, eerste lid, onderdeel a Onze Minister van Defensie kan voor militaire luchtvaartuigen toestaan, dat van het nationaliteitskenmerk en het inschrijvingskenmerk bedoeld in, wordt afgeweken. 1999 235 17-06-1999 29-04-1999 26336 2001 466 16-10-2001 09-10-2001 01-10-2001 Datum inwerkingtreding ligt voor datum uitgifte.
Artikel 10.4 — Artikel 10.4#
Artikel 10.4 1 Het onderhoud aan militaire luchtvaartuigen wordt verricht door personeel, dat voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen inzake theoretische en praktische bekwaamheid en geestelijke en lichamelijke geschiktheid. 2 Artikel 10.1, derde en vierde lid , is van overeenkomstige toepassing. 1999 235 17-06-1999 29-04-1999 26336
Artikel 10.5 — Artikel 10.5#
Artikel 10.5 Hoofdstuk 4 is niet van toepassing op de vluchtuitvoering met militaire luchtvaartuigen alsmede op de vluchtuitvoering ten behoeve van militaire doeleinden. 1999 235 17-06-1999 29-04-1999 26336 2001 466 16-10-2001 09-10-2001 01-10-2001 Datum inwerkingtreding ligt voor datum uitgifte.
Artikel 10.6 — Artikel 10.6#
Artikel 10.6 1 Titel 6.5 is niet van toepassing op internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen met luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is. 2 Titel 6.5 artikel 6.54 is, met uitzondering van, niet van toepassing op nationaal vervoer van ontplofbare stoffen of voorwerpen met luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is. 3 Artikel 6.51, eerste lid , geldt niet voor het nationale vervoer van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevaarlijke stoffen, niet zijnde ontplofbare stoffen of voorwerpen, behorend tot de operationele uitrusting of het wapensysteem van een luchtvaartuig waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is, of behorend tot de uitrusting van personen die met een dergelijk luchtvaartuig worden vervoerd, indien aan de bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur terzake gestelde regels is voldaan. 4 Artikel 6.55 is niet van toepassing op het door personeel van de krijgsmacht verrichten van de in dat artikel bedoelde handelingen ten aanzien van het nationaal vervoer van andere gevaarlijke stoffen dan ontplofbare stoffen of voorwerpen,met luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is. 5 artikelen 6.60 6.61 6.61a De,enzijn van overeenkomstige toepassing op het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen en het nationaal vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen met luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is met dien verstande dat: a. artikel 6.60, eerste lid artikel 6.51, eerste lid artikel 10.7, eerste en tweede lid in, in plaats van «als bedoeld in,» wordt gelezen «als bedoeld in»; b. artikel 6.61, eerste lid artikel 6.51 artikel 10.7, eerste en tweede lid in, in plaats van «» wordt gelezen. 2000 468 02-11-2000 12-10-2000 26902 2003 243 19-06-2003 02-06-2003 20-06-2003 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht met militaire luchtvaartuigen in werking treedt.
Artikel 10.7 — Artikel 10.7#
Artikel 10.7 1 artikelen 6.51, derde lid 6.52 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, gedaan op voordracht van Onze Minister van Defensie, worden regels gegeven inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen met een luchtvaartuig waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is, het daartoe aanbieden of aannemen, alsmede het laden in of lossen uit een dergelijk luchtvaartuig of het tijdens het vervoer neerleggen van bedoelde stoffen. De, enzijn van overeenkomstige toepassing. 2 artikelen 6.51, derde lid 6.52 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, gedaan op voordracht van Onze Minister van Defensie , worden regels gegeven inzake het nationaal vervoer van ontplofbare stoffen of voorwerpen met een luchtvaartuig waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is, het daartoe aanbieden of aannemen alsmede het laden in of lossen uit een dergelijk luchtvaartuig of het tijdens het vervoer neerleggen van bedoelde stoffen of voorwerpen. De, enzijn van overeenkomstige toepassing. 3 De bedoelde regels kunnen onder meer betrekking hebben op: a. het aanwijzen van gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid, die niet door de lucht mogen worden vervoerd; b. de eisen ten aanzien van constructie, inrichting en uitrusting van luchtvaartuigen waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid worden vervoerd; c. de belading van luchtvaartuigen met inbegrip van samenlading; d. de eisen waaraan gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid, moeten voldoen; e. de eisen waaraan de verpakking moet voldoen; f. de etiketten of aanduidingen op de verpakking; g. de eisen, waaraan bij het laden en lossen voldaan moet worden; h. de eisen ten aanzien van constructie, inrichting en uitrusting van inrichtingen, voertuigen of werktuigen met behulp waarvan gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid, worden geladen of gelost; i. de melding voorafgaande aan een handeling inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid; j. de begeleiding van het vervoer en de eisen die aan de begeleider worden gesteld; k. het uitzonderen van gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid, behorend tot de operationele uitrusting of het wapensysteem van het luchtvaartuig, of behorend tot de uitrusting van personen die met het luchtvaartuig worden vervoerd. 2000 468 02-11-2000 12-10-2000 26902 2003 243 19-06-2003 02-06-2003 20-06-2003
Artikel 10.8 — Artikel 10.8#
Artikel 10.8 1 artikel 10.7 Onze Minister van Defensie kan ontheffing verlenen van de krachtensgegeven regels, wanneer de taakuitvoering met militaire luchtvaartuigen meebrengt, dat die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar komt. Aan de ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. 2 tweede tot en met het vijfde lid van artikel 6.58 Hetzijn van overeenkomstige toepassing. 2000 468 02-11-2000 12-10-2000 26902 2003 243 19-06-2003 02-06-2003 20-06-2003
Artikel 10.9 — Artikel 10.9#
Artikel 10.9 Titel 6.6 is niet van toepassing op vervoer van dieren met luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is. 2000 468 02-11-2000 12-10-2000 26902 2003 100 13-03-2003 04-03-2003 16-03-2003
Artikel 10.10 — Artikel 10.10#
Artikel 10.10 Artikel 7.1, eerste lid , is niet van toepassing op voorvallen die uitsluitend de militaire luchtvaart betreffen. 2006 576 28-11-2006 02-11-2006 29977 2006 576 28-11-2006 02-11-2006 29977 29-11-2006
Artikel 10.11 — Artikel 10.11#
Artikel 10.11 1 hoofdstukken 8 8a Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald zijn deenniet van toepassing op militaire luchthavens, met uitzondering van: a. artikel 8.1a, eerste, vijfde en zesde lid , b. titel 8a.1 artikel 8a.1, eerste lid voor zover het betreft burgermedegebruik door tussenkomst van een burgerexploitant, met dien verstande dat de regels, bedoeld in, voor zover het militaire luchthavens betreft worden gesteld bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, en c. artikel 8a.42 voor zover het betreft het gebruik van militaire luchthavens door burgerluchtvaartuigen. 2 titel 8a.1 Voor de toepassing ingevolge het eerste lid vanop militaire luchthavens wordt als exploitant aangemerkt de burgerexploitant. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 10.12 — Artikel 10.12#
Artikel 10.12 1 Deze titel is van toepassing ten aanzien van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen militaire luchthavens. Bij die maatregel worden de luchthavens aangewezen waarvoor vaststelling van een luchthavenbesluit is vereist. 2 artikel 10.17, derde lid Bij algemene maatregel van bestuur worden voor bij die maatregel aangewezen luchthavens uniforme grenswaarden vastgesteld voor de maximaal toegelaten geluidbelasting door landende en opstijgende luchtvaartuigen. Bij die maatregel kunnen tevens uniforme grenswaarden worden vastgesteld voor het externe-veiligheidsrisico en voor lokale luchtverontreiniging en kunnen regels worden gesteld met betrekking tot geluidbelasting, het externe-veiligheidsrisico, lokale luchtverontreiniging en de maximale hoogte van objecten als bedoeld in. Bij de vaststelling kan onderscheid worden gemaakt naar soorten luchtvaartuigen, aan- en uitvliegroutes, functie van locaties en perioden van het etmaal. 3 Bij regeling van Onze Minister van Defensie in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden regels vastgesteld omtrent de wijze van meten, berekenen en registreren van de in het tweede lid bedoelde geluidbelasting en kunnen dergelijke regels worden vastgesteld met betrekking tot het externe-veiligheidsrisico en luchtverontreiniging. 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel 4.22 van Stb. 2020/172 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 10.13 — Artikel 10.13#
Artikel 10.13 1 artikel 10.27 Het is verboden met een burgerluchtvaartuig op te stijgen van of te landen op een militaire luchthaven, zonder of in afwijking van een voor dat opstijgen of landen door Onze Minister van Defensie verleende vergunning voor burgermedegebruik als bedoeld in, vrijstelling of ontheffing. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het gebruik van militaire luchthavens door de burgerluchtvaart. Deze regels betreffen in ieder geval de gevallen waarin militair luchtverkeer voorrang heeft op burgerluchtverkeer. 3 Aan de in het eerste lid bedoelde vrijstelling en ontheffing kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het verlenen, wijzigen en intrekken van de vrijstelling of ontheffing, alsmede omtrent de aan de behandeling van de aanvraag verbonden kosten. 5 Een vrijstelling of ontheffing wordt niet verleend voor burgerluchtvaart van commerciële aard op een luchthaven waar burgermedegebruik plaatsvindt door tussenkomst van een burgerexploitant. 6 Een vrijstelling of ontheffing kan in ieder geval door Onze Minister van Defensie worden ingetrokken of gewijzigd wanneer: a. een of meer redenen waarom de vrijstelling of ontheffing is verleend, zijn vervallen, b. een of meer van de daaraan verbonden beperkingen of voorschriften niet worden nageleefd, of c. na de verlening zodanige feiten of omstandigheden bekend zijn geworden dat, indien deze ten tijde van de verlening bekend waren geweest, de vrijstelling of ontheffing niet of niet in die vorm zou zijn verleend. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 10.14 — Artikel 10.14#
Artikel 10.14 artikel 10.12 Deze afdeling is van toepassing op militaire luchthavens waarvoor op grond vanvaststelling van een luchthavenbesluit is vereist. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 10.15 — Artikel 10.15#
Artikel 10.15 1 Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor een luchthaven een luchthavenbesluit vastgesteld. 2 In het luchthavenbesluit worden het luchthavengebied en het beperkingengebied vastgesteld. 3 Het luchthavengebied en het beperkingengebied overlappen elkaar niet. De gebieden kunnen bestaan uit niet aaneengesloten delen. 4 Artikel 8.5, vijfde lid , is van toepassing. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 10.16 — Artikel 10.16#
Artikel 10.16 1 Als luchthavengebied wordt de locatie vastgesteld die bestemd is voor gebruik als luchthaven. 2 Het luchthavenbesluit bevat voor het luchthavengebied regels omtrent de functie en het gebruik van de locatie voor zover die regels noodzakelijk zijn met het oog op het gebruik van het gebied als luchthaven. 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel 4.22 van Stb. 2020/172 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 10.17 — Artikel 10.17#
Artikel 10.17 1 Als beperkingengebied wordt het gebied vastgesteld waar met het oog op de geluidsbelasting en de veiligheid in verband met de nabijheid van de luchthaven beperkingen noodzakelijk zijn ten aanzien van de functie of het gebruik van de locatie. Het beperkingengebied omvat de gebieden die behoren bij de in het tweede lid bedoelde grenswaarden voor geluidbelasting en het externe-veiligheidsrisico, alsmede bij de in het derde lid, onderdeel b, bedoelde regels. 2 Het luchthavenbesluit bevat een grenswaarde voor geluidsbelasting. Het besluit kan tevens bevatten: a. een grenswaarde voor het externe-veiligheidsrisico; b. een of meer grenswaarden die noodzakelijk zijn met het oog op de lokale luchtverontreiniging. 3 Het luchthavenbesluit bevat voor het beperkingengebied in ieder geval regels waarbij beperkingen zijn gesteld ten aanzien van de functie en het gebruik van de locatie voor zover die beperkingen noodzakelijk zijn met het oog op: Het besluit kan voor het beperkingengebied tevens regels bevatten waarbij beperkingen zijn gesteld ten aanzien van de functie en het gebruik van de locatie voor zover die beperkingen noodzakelijk zijn met het oog op het externe-veiligheidsrisico in verband met de nabijheid van de luchthaven. a. de geluidsbelasting in verband met de nabijheid van de luchthaven; b. de maximale hoogte van objecten op of boven de locatie, in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer. 4 Het luchthavenbesluit kan tevens voor het luchthavenluchtverkeer bevatten: a. regels met het oog op de geluidsbelasting; b. regels die noodzakelijk zijn met het oog op de lokale luchtverontreiniging. 5 Bij de regels met het oog op de geluidsbelasting en het externe-veiligheidsrisico, bedoeld in het derde lid, worden in ieder geval locaties aangewezen waar woningen of andere in het besluit aangewezen gebouwen niet zijn toegelaten. 6 artikelen 8.8 tot en met 8.11 Dezijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat Onze Minister van Defensie in de plaats treedt van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 7 Bij de vaststelling van het luchthavenbesluit kan in ieder geval gebruik worden gemaakt van gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar. 2023 376 27-10-2023 16-10-2023 36367 2023 470 15-12-2023 13-12-2023 01-01-2024 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikelen 4.22 en 4.91 van Stb. 2020/172 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 10.18 — Artikel 10.18#
Artikel 10.18 De voordracht voor een luchthavenbesluit of de wijziging daarvan wordt gedaan: a. na overleg met gedeputeerde staten en de colleges van burgemeester en wethouders van respectievelijk de provincies en de gemeenten binnen de grenzen waarvan het gebied of een gedeelte van het gebied ligt dat door het ontwerp wordt bestreken, en b. afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht nadat het ontwerp vervolgens is voorbereid met toepassing van, waarbij zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder. 2025 85 03-04-2025 10-02-2025 36581 2025 85 03-04-2025 10-02-2025 36581 04-04-2025
Artikel 10.19 — Artikel 10.19#
Artikel 10.19 De bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gegevens met betrekking tot de geluidsbelasting, het externe-veiligheidsrisico en de lokale luchtverontreiniging zijn niet openbaar. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 10.20 — Artikel 10.20#
Artikel 10.20 Onze Minister van Defensie draagt er zorg voor dat het luchthavenluchtverkeer zodanig geschiedt dat de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer de grenswaarden, opgenomen in het luchthavenbesluit, niet overschrijdt. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 10.21 — Artikel 10.21#
Artikel 10.21 1 artikel 10.17 Zodra Onze Minister van Defensie constateert dat de inbedoelde grenswaarden zijn overschreden, schrijft hij maatregelen voor die naar zijn oordeel bijdragen aan het terugdringen van de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer binnen de grenswaarden. 2 Onze Minister van Defensie trekt de maatregelen in of matigt deze voor zover zij naar zijn oordeel niet langer nodig zijn voor het terugdringen van de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer binnen de grenswaarden. 3 Artikel 10.20 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de voorgeschreven maatregelen. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 10.22 — Artikel 10.22#
Artikel 10.22 1 Onze Minister van Defensie kan voor een luchthaven indien ten gevolge van groot onderhoud van een baan of door een bijzonder voorval het normale gebruik van de luchthaven naar zijn oordeel ernstig wordt belemmerd, of in verband met bijzondere redenen van nationale of bondgenootschappelijke aard: a. vrijstelling verlenen van een regel in het luchthavenbesluit; b. een in het luchthavenbesluit vastgelegde grenswaarde vervangen door een andere grenswaarde. 2 artikel 10.17, vierde lid, onder a of b Het verlenen van een vrijstelling van een regel als bedoeld in, geschiedt in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. 3 Een vrijstelling kan slechts worden verleend voor een bepaalde in de vrijstelling vast te stellen termijn van ten hoogste een jaar. 4 Artikel 10.20 Aan een vrijstelling kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden met het oog op geluidsbelasting en veiligheid.is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de beperkingen en voorschriften. 5 Het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een vervanging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 10.23 — Artikel 10.23#
Artikel 10.23 Artikel 10.19 De gegevens omtrent het feitelijk gebruik van een luchthaven door het luchthavenluchtverkeer worden jaarlijks door Onze Minister van Defensie in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu herleid tot contouren die de actuele geluidsbelasting voor dat verkeer in dat jaar weergeven.is van toepassing. De contourenkaarten zijn openbaar. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 10.24 — Artikel 10.24#
Artikel 10.24 artikelen 8.31 tot en met 8.33 Dezijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat Onze Minister van Defensie in de plaats treedt van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 10.25 — Artikel 10.25#
Artikel 10.25 1 Onze Minister van Defensie stelt voor iedere luchthaven ten behoeve van overleg en voorlichting omtrent milieuaspecten buiten een luchthaven een commissie van overleg en voorlichting milieu in. 2 De commissie bestaat in ieder geval uit: a. één vertegenwoordiger van elke provincie waarin het beperkingengebied geheel of gedeeltelijk is gelegen; b. twee vertegenwoordigers van elke gemeente waarin het beperkingengebied geheel of gedeeltelijk is gelegen, waarvan één vertegenwoordiger van elke gemeente een omwonende van de luchthaven is; c. één of twee vertegenwoordigers van de luchthaven; d. één of twee vertegenwoordigers van Onze Minister van Defensie. 3 Onverminderd het tweede lid kan de commissie ook bestaan uit vertegenwoordigers van rechtspersoonlijkheid bezittende milieuorganisaties. 4 artikelen 8.37, tweede en derde lid 8.38 De vertegenwoordiger van de provincie, dan wel één van hen indien er meer vertegenwoordigers van provincies in de commissie zitting hebben, treedt op als voorzitter van de commissie. De, enzijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat Onze Minister van Defensie in de plaats treedt van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 5 Onze Minister van Defensie voorziet in het secretariaat van de commissie. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 10.26 — Artikel 10.26#
Artikel 10.26 artikelen 10.15 tot en met 10.25 Deze afdeling is in aanvulling op devan toepassing op militaire luchthavens waar een vergunning voor burgermedegebruik kan worden verleend. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 10.27 — Artikel 10.27#
Artikel 10.27 1 Onze Minister van Defensie kan aan een rechtspersoon een vergunning verlenen voor burgermedegebruik onder verantwoordelijkheid van die rechtspersoon. 2 Het verlenen van een vergunning voor burgermedegebruik door tussenkomst van een burgerexploitant geschiedt in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. De overige vergunningen voor burgermedegebruik worden verleend na overleg met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 3 De vergunning vermeldt in ieder geval: a. de aard van het burgerluchtverkeer waarvoor de vergunning geldt; b. de termijn waarvoor de vergunning wordt verleend; c. de voor het burgermedegebruik geldende grenswaarden, wat betreft de geluidbelasting eventueel in de vorm van een maximum aantal vliegtuigbewegingen per jaar waarvoor de vergunning geldt. 4 Aan de vergunning kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het verlenen, wijzigen, overdragen en intrekken van de vergunning, alsmede omtrent de aan de behandeling van de aanvraag verbonden kosten. 6 Een vergunning wordt niet verleend voor burgerluchtvaart van commerciële aard op een luchthaven waar reeds burgermedegebruik plaatsvindt door tussenkomst van een burgerexploitant. 7 Een vergunning kan in ieder geval door Onze Minister van Defensie worden ingetrokken of gewijzigd wanneer: a. een of meer redenen waarom de vergunning is verleend, zijn vervallen, b. een of meer van de aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften niet worden nageleefd, c. na de verlening zodanige feiten of omstandigheden bekend zijn geworden dat, indien deze ten tijde van de verlening bekend waren geweest, de vergunning niet of niet in die vorm zou zijn verleend, of d. van een voor onbepaalde tijd verleende vergunning gedurende twee achtereenvolgende jaren geen gebruik is gemaakt. 8 Met betrekking tot de intrekking en wijziging, bedoeld in het zevende lid, is het tweede lid van overeenkomstige toepassing. 9 artikel 8.53 Ingeval de vergunning is verleend aan een burgerexploitant, isvan overeenkomstige toepassing. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 10.28 — Artikel 10.28#
Artikel 10.28 1 artikel 10.17, tweede en vierde lid In het luchthavenbesluit voor een militaire luchthaven waar een vergunning voor burgermedegebruik kan worden verleend, worden de in, bedoelde grenswaarden en regels voor het militair luchtverkeer en het burgerluchtverkeer afzonderlijk vastgesteld. Voor het burgerluchtverkeer of een gedeelte daarvan kan de vaststelling van een afzonderlijke grenswaarde voor geluidbelasting geschieden in de vorm van een maximum aantal vliegtuigbewegingen per jaar. 2 Het luchthavenbesluit bevat ten behoeve van het burgerluchtverkeer in ieder geval regels omtrent de tijdstippen waarop van de luchthaven gebruik kan worden gemaakt. 3 Het luchthavenbesluit kan regels bevatten die noodzakelijk zijn met het oog op de geluidbelasting. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 10.29 — Artikel 10.29#
Artikel 10.29 1 De houder van een vergunning voor burgermedegebruik en Onze Minister van Defensie bevorderen het goede verloop van het luchthavenluchtverkeer overeenkomstig de vergunning en het luchthavenbesluit voor zover dit betrekking heeft op het burgerluchtverkeer. Zij treffen daartoe zelf en in onderlinge samenwerking de voorzieningen die redelijkerwijs van hen kunnen worden gevergd om te bewerkstelligen dat de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer een in de vergunning voor het burgermedegebruik opgenomen grenswaarde, daaronder begrepen een voor het burgermedegebruik vastgesteld maximum aantal vliegtuigbewegingen, niet overschrijdt. 2 artikel 8.19 Ingeval de vergunning voor burgermedegebruik is verleend aan een burgerexploitant, isvan overeenkomstige toepassing. 3 Artikel 8.21 is van overeenkomstige toepassing. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 10.30 — Artikel 10.30#
Artikel 10.30 1 Zodra Onze Minister van Defensie ter zake van een vergunning voor burgermedegebruik constateert dat een grenswaarde, daaronder begrepen een vastgesteld maximum aantal vliegtuigbewegingen, ten behoeve van het vergunde burgermedegebruik is overschreden, schrijft hij maatregelen voor die naar zijn oordeel bijdragen aan het terugdringen van de belasting vanwege het verkeer ten behoeve van de burgerluchtvaart. 2 Onze Minister van Defensie trekt de maatregelen in of matigt deze voor zover zij naar zijn oordeel niet langer nodig zijn voor het terugdringen van de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer binnen de grenswaarden, daaronder begrepen het aantal vliegtuigbewegingen voor dat verkeer. 3 Voordat Onze Minister van Defensie een maatregel voorschrijft, stelt hij degene tot wie de maatregel is gericht in de gelegenheid zijn zienswijze kenbaar te maken. 4 artikelen 8.19 8.21 Deenzijn in geval de vergunning voor burgermedegebruik is verleend aan een burgerexploitant, van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de voorgeschreven maatregelen. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 10.31 — Artikel 10.31#
Artikel 10.31 De burgerexploitant is verplicht om in door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in overeenstemming met Onze Minister van Defensie aangewezen gevallen burgerluchthavenluchtverkeer op de luchthaven toe te laten. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 10.32 — Artikel 10.32#
Artikel 10.32 Het is de houder van een vergunning voor burgermedegebruik verboden om zonder of in afwijking van een daarvoor door Onze Minister van Defensie verleende vergunning op de luchthaven bouwwerken of andere opstallen op te richten, te hebben of te wijzigen dan wel bomen, gewassen of planten te hebben. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het hebben van roerende zaken of het verrichten van graafwerk anders dan in verband met de exploitatie of het onderhoud van dat deel van de luchthaven. Aan de vergunning kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 10.33 — Artikel 10.33#
Artikel 10.33 artikelen 10.34 10.35 Een ministeriële regeling op grond van deenwordt vastgesteld door Onze Minister van Defensie in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 10.34 — Artikel 10.34#
Artikel 10.34 1 De houder van de vergunning voor burgermedegebruik draagt zorg voor het registreren van de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer ten behoeve van de burgerluchtvaart zodanig dat een vergelijking mogelijk is met de in het luchthavenbesluit opgenomen grenswaarden voor burgerluchtvaart. Hij verricht de berekeningen die voor die registratie noodzakelijk zijn. Indien voor het burgermedegebruik een maximum aantal vliegtuigbewegingen is vastgesteld, draagt de houder van de vergunning zorg voor het registreren van het aantal vliegtuigbewegingen. 2 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent het registreren en omtrent de berekeningen die daartoe noodzakelijk zijn. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 10.35 — Artikel 10.35#
Artikel 10.35 1 De houder van de vergunning voor burgermedegebruik verstrekt aan Onze Minister van Defensie: a. artikel 10.34, eerste lid de op grond van, door hem geregistreerde gegevens; b. artikel 10.34 gegevens over de inbedoelde berekeningen, voor zover die door hem zijn verricht. 2 artikel 10.29 De houder van de vergunning voor burgermedegebruik verstrekt aan Onze Minister van Defensie gegevens over de ter uitvoering vangetroffen voorzieningen. 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de gegevensverstrekking. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 10.36 — Artikel 10.36#
Artikel 10.36 1 Artikel 8.29 artikel 8.29 is ten aanzien van de veiligheidsaspecten van het luchthavenluchtverkeer ten behoeve van de burgerluchtvaart van overeenkomstige toepassing. Ten aanzien van de milieuaspecten van luchthavenluchtverkeer ten behoeve van de burgerluchtvaart isvan overeenkomstige toepassing met dien verstande dat het in dat artikel bedoelde verslag wordt uitgebracht door Onze Minister van Defensie. 2 artikelen 10.34 10.35 Artikel 8.30, tweede lid Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent het openbaar maken van op grond van deofgeregistreerde of verstrekte gegevens., is van toepassing. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 10.36a — Artikel 10.36a#
Artikel 10.36a Artikel 8a.53a is van toepassing op de burgerexploitant. 2024 77 02-04-2024 13-03-2024 36168 2024 124 10-05-2024 26-04-2024 01-07-2024
Artikel 10.37 — Artikel 10.37#
Artikel 10.37 1 artikel 10.25 De inbedoelde commissie wordt in ieder geval uitgebreid met een vertegenwoordiger van degene aan wie een vergunning voor burgermedegebruik is verleend. 2 artikel 10.25 De inbedoelde commissie kan worden uitgebreid met vertegenwoordigers van rechtspersoonlijkheid bezittende gebruikersorganisaties. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 10.38 — Artikel 10.38#
Artikel 10.38 artikel 10.12 Deze afdeling is van toepassing op militaire luchthavens waarvoor op grond vanvaststelling van een luchthavenbesluit niet is vereist. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 10.39 — Artikel 10.39#
Artikel 10.39 1 Bij regeling van Onze Minister van Defensie kan voor een luchthaven een luchthavenregeling worden vastgesteld. 2 In een luchthavenregeling wordt het luchthavengebied vastgesteld. Een luchthavenregeling kan tevens een grenswaarde voor geluidbelasting in de vorm van een maximum aantal vliegtuigbewegingen per jaar bevatten. 3 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Op de voorbereiding of de wijziging van een luchthavenregeling isvan toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder. 4 In een luchthavenregeling kunnen regels worden gegeven ten aanzien van: a. de aard en de omvang van het gebruik van de luchthaven; b. het toegestane luchthavenluchtverkeer voor zover die regels noodzakelijk zijn met het oog op de veiligheid en de geluidbelasting. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van luchthavens of categorieën luchthavens regels worden gegeven ten aanzien van: a. de aanleg, inrichting en uitrusting; b. het gebruik van de luchthaven, mede met het oog op de veiligheid. 6 Het luchthavengebied wordt vastgesteld met behulp van een kaart waarop de ligging van dit gebied is aangegeven. Deze kaart wordt vervaardigd op een schaal van ten minste 1 op 10 000. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 10.40 — Artikel 10.40#
Artikel 10.40 Onze Minister van Defensie draagt er zorg voor dat het luchthavenluchtverkeer geschiedt overeenkomstig de luchthavenregeling. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 10.41 — Artikel 10.41#
Artikel 10.41 1 artikel 10.39, tweede lid Zodra Onze Minister van Defensie constateert dat de in, bedoelde grenswaarde is overschreden, schrijft hij maatregelen voor die naar zijn oordeel bijdragen aan het terugdringen van de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer binnen de gestelde grenswaarde. 2 Onze Minister van Defensie trekt de maatregelen in of matigt deze voor zover de maatregelen naar zijn oordeel niet langer nodig zijn voor het terugdringen van de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 10.42 — Artikel 10.42#
Artikel 10.42 1 Onze Minister van Defensie kan voor een luchthaven indien ten gevolge van groot onderhoud van een baan of door een bijzonder voorval het normale gebruik van de luchthaven naar zijn oordeel ernstig wordt belemmerd, of in verband met bijzondere redenen van nationale of bondgenootschappelijke aard vrijstelling verlenen van een bepaling in de luchthavenregeling. 2 Een vrijstelling kan slechts worden verleend voor een bepaalde in de vrijstelling vast te stellen termijn van ten hoogste een jaar. 3 Aan de vrijstelling kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden met het oog op de veiligheid of de geluidbelasting. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 10.43 — Artikel 10.43#
Artikel 10.43 Onze Minister van Defensie registreert het feitelijk gebruik van de luchthaven. Bij regeling van Onze Minister van Defensie in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden regels gesteld omtrent de wijze van registratie en openbaarmaking van deze gegevens. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 10.44 — Artikel 10.44#
Artikel 10.44 1 artikel 8.1a, eerste lid Van het in, genoemde verbod kan vrijstelling worden verleend door Onze Minister van Defensie ten behoeve van de militaire luchtvaart. 2 Aan de vrijstelling kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009
Artikel 11.1 — Artikel 11.1#
Artikel 11.1 1 artikelen 8.25d tot en met 8.25h Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet, met uitzondering van de, bepaalde en het bij of krachtens de basisverordening bepaalde, zijn belast: a. artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering titel 6.5 artikelen 10.7 10.8 de inbedoelde ambtenaren, met dien verstande dat dit toezicht zich niet uitstrekt tot het bepaalde bij of krachtensen deenvan deze wet; b. voor zover het betreft de burgerluchtvaart de hiertoe bij besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen ambtenaren; de aanwijzing kan inhouden, dat de betrokken ambtenaar slechts belast is met het toezicht op de naleving van een of enkele in die aanwijzing genoemde hoofdstukken of artikelen gesteld bij of krachtens deze wet; c. titel 6.5 artikelen 10.7 10.8 voor zover het betreft het vervoer van gevaarlijke stoffen als bedoeld inen deenvan deze wet, met luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is, de hiertoe bij besluit van Onze Minister van Defensie aangewezen ambtenaren; de aanwijzing kan inhouden dat de betrokken ambtenaar slechts belast is met het toezicht op de naleving van een of enkele in die aanwijzing genoemde artikelen gesteld bij of krachtens deze wet; d. titel 8A.6 voor zover het betreftde hiertoe bij besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen ambtenaren. 2 artikel 11.15, onderdeel b, onder 1° tot en met 8°, 10° en 11° Met het toezicht op de naleving van hetgeen bepaald is bij of krachtens de verordeningen als bedoeld in, zijn belast de hiertoe bij besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen ambtenaren. De aanwijzing kan inhouden, dat de betrokken ambtenaar slechts belast is met het toezicht op de naleving van een of enkele in die aanwijzing genoemde hoofdstukken of artikelen gesteld bij of krachtens een van de genoemde verordeningen. 3 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan met het oog op de coördinatie van het beleid ten aanzien van het toezicht algemene aanwijzingen geven aan de ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. 4 Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, de onderdelen b tot en met d, of het tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. 2021 271 10-06-2021 02-06-2021 35744 2021 326 09-07-2021 28-06-2021 10-07-2021
Artikel 11.1a — Artikel 11.1a#
Artikel 11.1a 1 Indien een natuurlijke of rechtspersoon voldoet aan de in Bijlage I van de luchtvaartnavigatiedienstenverordening genoemde eisen, verleent Onze Minister van Infrastructuur en Milieu op aanvraag een erkenning om de in artikel 2, tweede lid, van die verordening bedoelde inspecties en onderzoeken uit te voeren. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent: a. de in Bijlage I van de luchtvaartnavigatiedienstenverordening genoemde eisen; b. de aanvraag, verlening en verlenging van een erkenning; c. de vergoeding die de aanvrager is verschuldigd ter zake van de kosten van de handelingen met betrekking tot de aanvraag en verlening van de erkenning; d. het tarief, dat een houder van een erkenning is verschuldigd ter zake van de kosten van toezicht. Onder het toezicht op de naleving van de in het eerste lid bedoelde eisen behoort in ieder geval het periodiek en in voorkomend geval steekproefsgewijs onderzoeken van een houder. 3 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een erkenning geheel of gedeeltelijk schorsen, indien een ernstig vermoeden rijst dat de houder van de erkenning: a. niet voldoet aan de in het eerste lid bedoelde eisen, of b. ter verkrijging van de erkenning onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt. 4 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een erkenning intrekken wegens de in het derde lid genoemde redenen of indien de erkenning gedurende tenminste drie maanden is geschorst. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 11.1b — Artikel 11.1b#
Artikel 11.1b Vervallen 2013 140 18-04-2013 28-03-2013 33476 2014 155 17-04-2014 04-04-2014 18-04-2014
Artikel 11.2 — Artikel 11.2#
Artikel 11.2 1 De toezichthouders kunnen hun bevoegdheid inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden niet uitoefenen op taxi-, start- en landingsbanen van een luchthaven. 2 Indien de toezichthouders toegang verlangen tot militaire terreinen of gebouwen geschiedt zulks eerst na overleg met Onze Minister van Defensie. 3 In geval van onmiddellijke dreiging van gevaar zijn de toezichthouders bevoegd het bedienen of opstijgen van luchtvaartuigen in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde te verbieden of te beletten. 4 Titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing bij uitoefening van de bevoegdheid door toezichthouders buiten het vluchtinformatiegebied Amsterdam. 5 artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene douanewet Voor de werking van dit artikel, met uitzondering van het vierde lid, wordt onder toezichthouders mede begrepen de inspecteur, bedoeld in. 2010 149 07-04-2010 18-03-2010 31857 2010 263 06-07-2010 26-05-2010 07-07-2010
Artikel 11.2a — Artikel 11.2a#
Artikel 11.2a 1 artikel 3.25 Tot het toezicht op de naleving van de verplichtingen, voortvloeiend uit de erkenning, bedoeld invan deze wet en de artikelen 11, 12, 13, 14, 15 en 16 van de basisverordening, behoort in ieder geval: De houder van een erkenning is verplicht aan voor het houden van het toezicht noodzakelijke werkzaamheden medewerking te verlenen. a. het periodiek onderzoeken van het erkende bedrijf; b. het steekproefsgewijs onderzoeken van door het erkende bedrijf vervaardigde ontwerpen, producten of onderdelen. 2 artikel 4.1, tweede lid Tot het toezicht op de naleving van de verplichtingen, voortvloeiend uit de AOC, bedoeld in, van deze wet en artikel 30, eerste lid, onderdeel b, van de basisverordening, behoort in ieder geval: De houder van de AOC is verplicht aan voor het houden van het toezicht noodzakelijke werkzaamheden medewerking te verlenen. a. het periodiek onderzoeken van de houder van de AOC, en b. het uitvoeren van inspectievluchten. 3 De houder van een erkenning of een AOC is gehouden tot betaling, overeenkomstig door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu te stellen regels, van het door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu ter zake van de kosten van toezicht vastgestelde tarief. 2020 455 18-11-2020 04-11-2020 35319 2020 556 24-12-2020 17-12-2020 01-01-2021
Artikel 11.2b — Artikel 11.2b#
Artikel 11.2b 1 artikel 8.25a Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan ten behoeve van het toezicht op de naleving van de verplichting, bedoeld in, een onderzoek instellen bij de exploitant van de luchthaven. 2 artikel 11.1, eerste lid Met het onderzoek zijn belast de krachtens, aangewezen toezichthouders. 3 In afwijking van het tweede lid, kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu het onderzoek laten verrichten door een of meer aangewezen deskundigen. 4 De ingevolge het derde lid aangewezen deskundigen horen gebruikers. 5 Na afloop van het onderzoek wordt daarvan een rapport opgemaakt. 6 Een afschrift van het rapport wordt gezonden aan de exploitant van de luchthaven. 7 De exploitant van de luchthaven wordt gedurende vier weken na de toezending van het rapport, in de gelegenheid gesteld om schriftelijk of mondeling zijn zienswijze daaromtrent naar voren te brengen. Van hetgeen mondeling naar voren is gebracht, wordt een verslag gemaakt. 8 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het in het eerste lid bedoelde onderzoek. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 11.3 — Artikel 11.3#
Artikel 11.3 1 artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten zijn belast de bij of krachtensaangewezen ambtenaren, alsmede de bij besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, respectievelijk Onze Minister van Defensie aangewezen ambtenaren. 2 De opsporingsambtenaren zijn bevoegd het verrichten van werkzaamheden aan boord van luchtvaartuigen of het bedienen of opstijgen van luchtvaartuigen in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde te verbieden of te beletten en voor zover het een burgerluchtvaartuig betreft, het luchtvaartuig, waarmee de overtreding wordt begaan naar een door hen aangewezen plaats over te brengen of te doen overbrengen en aldaar in bewaring te stellen. 3 Artikel 11.7, vierde lid De betrokken ambtenaar maakt van de inbewaringstelling proces-verbaal op, dat hij binnen vierentwintig uur zendt aan de officier van justitie van de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de inbewaringstelling geschiedt. Een afschrift van het proces-verbaal wordt tegelijkertijd uitgereikt of toegezonden aan de gezagvoerder en aan de houder van het betrokken luchtvaartuig., is ten aanzien van de gezagvoerder en de houder van overeenkomstige toepassing. 4 De kosten verbonden aan de uitvoering van het tweede lid kunnen door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden ingevorderd bij dwangbevel. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 11.4 — Artikel 11.4#
Artikel 11.4 1 artikel 2.1 Op eerste vordering van een opsporingsambtenaar is degene, die op grond vanvan deze wet of artikel 21, eerste lid, van de basisverordening in het bezit dient te zijn van een bewijs van bevoegdheid, een bewijs van gelijkstelling of een medische verklaring, verplicht dat bewijs of die verklaring behoorlijk ter inzage af te geven. 2 Op eerste vordering van een opsporingsambtenaar is het lid van het boordpersoneel, dat werkzaamheden verricht of aanstalten maakt werkzaamheden te gaan verrichten, verplicht zijn medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht en daartoe volgens de door de opsporingsambtenaar te geven aanwijzingen ademlucht te blazen in een door die ambtenaar aangewezen apparaat. 2020 455 18-11-2020 04-11-2020 35319 2020 556 24-12-2020 17-12-2020 01-01-2021
Artikel 11.5 — Artikel 11.5#
Artikel 11.5 1 artikel 11.4, tweede lid artikel 2.12, eerste lid Een opsporingsambtenaar kan het lid van het boordpersoneel van wie, uit het in, bedoelde onderzoek of op andere wijze, naar het oordeel van de opsporingsambtenaar gebleken is dat hij onder zodanige invloed van een stof, als bedoeld in, van deze wet, of punt 7.6 van bijlage V bij de basisverordening, verkeert, dat hij onvoldoende in staat is zijn werkzaamheden behoorlijk te verrichten, een vliegverbod opleggen voor de tijd gedurende welke redelijkerwijs verwacht mag worden dat deze toestand zal voortduren, tot ten hoogste vierentwintig uren. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op het lid van het boordpersoneel, dat aanstalten maakt zijn werkzaamheden te gaan verrichten. 2 artikel 2.12, tweede lid In geval van verdenking van overtreding van, kan een opsporingsambtenaar aan het betreffende lid van het boordpersoneel een vliegverbod opleggen tot ten hoogste vierentwintig uren. 3 De opsporingsambtenaar, die een verbod als bedoeld in het eerste of tweede lid oplegt, legt dit vast in een beschikking die het tijdstip van ingang en de duur van het verbod bevat. 4 Het is een lid van het boordpersoneel verboden de werkzaamheden, die hij moet verrichten, te verrichten gedurende de tijd waarvoor een vliegverbod als bedoeld in het eerste of tweede lid, geldt. 2020 455 18-11-2020 04-11-2020 35319 2020 556 24-12-2020 17-12-2020 01-01-2021
Artikel 11.6 — Artikel 11.6#
Artikel 11.6 1 artikel 2.12, eerste lid Bij verdenking dat een lid van het boordpersoneel werkzaamheden heeft verricht in strijd met, van deze wet, punt 7.6 van bijlage V bij de basisverordening, of artikel 2.12, derde lid, van deze wet kan de opsporingsambtenaar hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 2.12, derde lid, onder a. 2 Het lid van het boordpersoneel aan wie het in het eerste lid bedoelde bevel is gegeven, is verplicht ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle door de opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen. 3 De in het tweede lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. 4 artikel 2.12, derde lid, onder b In het geval, bedoeld in het derde lid, dan wel indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, kan de opsporingsambtenaar de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in. Gelijke bevoegdheid heeft de opsporingsambtenaar, indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed van een andere in artikel 2.12, eerste lid, van deze wet of punt 7.6 van bijlage V bij de basisverordening bedoelde stof dan alcoholhoudende drank verkeert. 5 Indien het lid van het boordpersoneel zijn op grond van het vierde lid gevraagde toestemming niet verleent, kan de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren van politie hem bevelen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek. 6 Het lid van het boordpersoneel aan wie is bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen is verplicht aan dit bevel gevolg te geven en zijn medewerking te verlenen; hem wordt door een arts zoveel bloed afgenomen als voor het onderzoek noodzakelijk is. 7 De in het zesde lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat afname van bloed bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. 8 artikel 2.12, eerste lid b De krachtens het zevende lid vrijgestelde personen zijn verplicht mee te werken aan een door de officier van justitie, door een hulpofficier van justitie of door een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren van politie bevolen onderzoek teneinde op andere wijze dan door bloedonderzoek het gebruik van de in, van deze wet of punt 7.6 van bijlage V bij de basisverordening bedoelde stoffen of het in 2.12, derde lid, ondergenoemde gehalte vast te stellen. 9 Indien de verdachte niet in staat is zijn wil kenbaar te maken, kan hem met toestemming van de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen opsporingsambtenaren, door een arts de in het zesde lid bedoelde hoeveelheid bloed worden afgenomen. Een onderzoek van het bloed vindt niet plaats dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld zijn toestemming daartoe te geven. Zo nodig kan hem overeenkomstig het bepaalde in het vijfde lid worden bevolen zijn medewerking te verlenen. De verdachte, aan wie een zodanig bevel is gegeven, is verplicht zijn medewerking te verlenen. Indien de verdachte weigert zijn medewerking te verlenen, wordt het bloedmonster vernietigd. 10 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven omtrent de wijze van uitvoering van artikel 11.4, tweede lid, en van dit artikel. Deze regels kunnen mede betrekking hebben op de mogelijkheid tot het doen verrichten van een tegenonderzoek. Bij regeling van Onze Minister van Justitie worden in de bij die algemene maatregel aangegeven gevallen voorschriften ter uitvoering van die regels vastgesteld. 2020 455 18-11-2020 04-11-2020 35319 2020 556 24-12-2020 17-12-2020 01-01-2021
Artikel 11.7 — Artikel 11.7#
Artikel 11.7 1 Op de eerste vordering van een opsporingsambtenaar is het lid van het boordpersoneel, tegen wie door een van die personen ter zake van overtreding van: verplicht tot afgifte van het hem afgegeven bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling. a. artikel 2.12 , indien bij een onderzoek als bedoeld in het derde lid, onderdeel a respectievelijk onderdeel b, van dat artikel blijkt of bij gebreke van een dergelijk onderzoek een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van het lid van het boordpersoneel hoger is dan tweehonderdzeventig microgram (270 µg) alcohol per liter uitgeademde lucht respectievelijk drievijfde milligram (0,6 mg) alcohol per milliliter bloed, of b. artikel 11.6, tweede, zesde, achtste en negende lid , proces-verbaal wordt opgemaakt, 2 Het ingevorderde bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling wordt, tegelijk met het proces-verbaal, onverwijld opgezonden aan de betrokken officier van justitie. Deze is bevoegd het ingevorderde bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling onder zich te houden, totdat de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of, indien bij die uitspraak het lid van het boordpersoneel de bevoegdheid een luchtvaartuig te bedienen is ontzegd, tot het tijdstip waarop die uitspraak, voor wat betreft de bijkomende straf der ontzegging voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden. In het laatste geval levert de ambtenaar, na het bovenbedoelde tijdstip, het bewijs van bevoegdheid of van gelijkstelling in bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 3 artikel 11.11, tweede lid Indien de officier van justitie binnen tien dagen na de dag van invordering niet gebruik maakt van de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid, geeft hij het ingevorderde bewijs onverwijld terug aan de houder. Teruggave vindt eveneens plaats, indien ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid, dat aan de houder in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke ontzegging van een bevoegdheid als bedoeld in, zal worden opgelegd, dan wel geen onvoorwaardelijke ontzegging van langere duur dan de tijd gedurende welke het bewijs is ingevorderd of ingevorderd geweest, of indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen zes maanden na de dag van invordering is aangevangen. 4 De opsporingsambtenaar, die gebruik maakt van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid, en de officier van justitie, die gebruik maakt van de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid, doen daarvan onverwijld mededeling aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. Indien de officier van justitie het ingevorderde bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling aan de houder teruggeeft, doet hij daarvan op gelijke wijze mededeling. 5 artikel 4 van het Wetboek van Strafvordering In geval van toepassing van het eerste of het tweede lid kan iedere belanghebbende bij klaagschrift daartegen opkomen. Het klaagschrift wordt ingediend bij de griffie van het gerecht in feitelijke aanleg binnen welks rechtsgebied het feit, dat tot toepassing van het eerste of het tweede lid van dit artikel aanleiding heeft gegeven, werd gepleegd dan wel ingevolgegeacht wordt te zijn gepleegd. De rechtbank geeft zo spoedig mogelijk, na de belanghebbende, desverlangd bijgestaan door diens raadsman, te hebben gehoord, althans opgeroepen, zijn met redenen omklede beschikking, welke onverwijld aan de belanghebbende wordt betekend. Tegen de beschikking kan het openbaar ministerie binnen twee weken daarna en de belanghebbende binnen twee weken na de betekening beroep in cassatie instellen. De Hoge Raad beslist zo spoedig mogelijk. 6 artikelen 533, derde tot en met zesde lid 534 tot en met 536 Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor toepassing van het eerste of tweede lid niet is toegelaten, kan de rechter op verzoek van de gewezen verdachte hem een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade, die hij ten gevolge van die toepassing heeft geleden. Onder schade is begrepen het nadeel, dat niet in vermogensschade bestaat. De, enzijn van overeenkomstige toepassing. 2017 82 09-03-2017 22-02-2017 34086 2019 507 24-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 11.8 — Artikel 11.8#
Artikel 11.8 1 artikel 11.7, eerste lid artikel 10.1, tweede lid artikel 11.5, eerste lid hoofdstuk II I III IV van de Wet militaire strafrechtspraak Indien het proces-verbaal, bedoeld in, betreft een lid van het boordpersoneel als bedoeld in, stelt de opsporingsambtenaar onverwijld, voor de afloop van de in, bedoelde periode, de officier van justitie bij het gerecht, bedoeld in, titel,ofdaarvan in kennis. 2 De officier van justitie, bedoeld in het eerste lid, is bevoegd het betrokken lid van het boordpersoneel een vliegverbod op te leggen, totdat de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of, indien bij die uitspraak het lid van het boordpersoneel de bevoegdheid een luchtvaartuig te bedienen is ontzegd, tot het tijdstip waarop die uitspraak, voor wat betreft de bijkomende straf der ontzegging voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden. De betrokken officier van justitie stelt hiervan onverwijld Onze Minister van Defensie in kennis. 3 artikel 11.11, tweede lid Indien de officier van justitie binnen tien dagen na de dag van invordering niet gebruik maakt van de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid, heft hij het vliegverbod op. Opheffing vindt eveneens plaats, indien ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid, dat aan de houder in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke ontzegging van een bevoegdheid, bedoeld in, zal worden opgelegd, dan wel geen onvoorwaardelijke ontzegging van langere duur wordt opgelegd dan de tijd gedurende welke het vliegverbod geldt, of indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen zes maanden na de dag van oplegging van het vliegverbod is aangevangen. De betrokken officier van justitie stelt hiervan onverwijld Onze Minister van Defensie in kennis. 4 hoofdstuk II I III IV van de Wet militaire strafrechtspraak In geval van toepassing van het tweede lid kan iedere belanghebbende bij klaagschrift daartegen in beroep komen. Artikel 11.7, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat het klaagschrift wordt ingediend bij de griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, bedoeld in, titel,ofen de beschikking van de rechtbank eveneens onverwijld aan Onze Minister van Defensie wordt betekend. 5 artikel 11.5, vierde lid Ten aanzien van het vliegverbod, bedoeld in het tweede lid, is, van overeenkomstige toepassing. 1997 255 26-06-1997 26-03-1997 24513 1999 263 29-06-1999 21-06-1999 26336 01-07-1999 1999 235 17-06-1999 29-04-1999 26336 1999 263 29-06-1999 21-06-1999 26336 01-07-1999
Artikel 11.8a — Artikel 11.8a#
Artikel 11.8a artikelen 11.4, tweede lid 11.5, eerste, derde en vierde lid 11.6 11.7 11.8 artikelen 2.1 5.16 10.2 van deze wet De,,,envan deze wet zijn van overeenkomstige toepassing op degene, die luchtverkeersdienstverlening geeft of luchthaveninformatie verschaft als bedoeld in de,ofof de artikelen 48, 49, 51 en 52 van de basisverordening dan wel een grondstation of een mobiel station als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van deze wet bedient, met dien verstande, dat voor de toepassing van artikel 11.5 in plaats van het opleggen van een vliegverbod treedt het verbieden van het geven van luchtverkeersdienstverlening, het verschaffen van luchthaveninformatie of het gebruiken van een grondstation als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid. 2020 455 18-11-2020 04-11-2020 35319 2020 556 24-12-2020 17-12-2020 01-01-2021
Artikel 11.9 — Artikel 11.9#
Artikel 11.9 1 Met een hechtenis van ten hoogste zes maanden of een geldboete van ten hoogste de derde categorie wordt gestraft degene, die a. handelt in strijd met de artikelen 1°. 1.3 ; 2°. 2.1, eerste, tweede en vierde lid 2.3, achtste lid 2.5, tweede lid 2.6, derde lid 2.10, tweede lid 2.11 ,,,,,; 3°. 3.1 3.2 3.5, vierde lid 3.8, tweede lid 3.16, derde lid 3.19, eerste lid 3.19a, eerste en vijfde lid 3.19c, vierde lid 3.19e, tweede, derde en vierde lid 3.19f, vijfde en zevende lid 3.22, eerste en tweede lid 3.25, vierde lid 3.30, tweede lid ,,,,,,,,,,,,; 4°. 4.8 ; 5°. 5.2 5.3 5.4 5.6 tot en met 5.9 5.10, vijfde lid 5.16 ,,,,,; 6°. 6.59 ; 7°. 7.4, eerste en tweede lid ; 8°. 8.1a, eerste tot en met vierde en zesde lid ; 10°. 10.1, tweede en derde lid 10.2 10.13, eerste lid ,,; 11°. 11.2a 11.4 11.7, eerste lid 11.8a artikelen 11.4, tweede lid 11.7 ,,, envoor zover het betreft de, en; b. handelt in strijd met het bepaalde krachtens de artikelen 1°. 1.5 voor zover het bepaalde betrekking heeft op hoofdstuk III van de basisverordening; 2°. 2.1, derde lid 2.3, vijfde lid ,; 3°. 3.7 3.23 3,31 ,,; 4°. 5.5 5.11 5.12, tweede lid ,,; 5°. 8a.50, vijfde lid ; c. artikel 1.6 handelt in strijd met hetgeen bij of krachtens de basisverordening is bepaald voor zover deze voorschriften bij ministeriële regeling als bedoeld inzijn aangewezen als overtreding. 2 De in het eerste lid van dit artikel strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. 3 Handelen in strijd met krachtens deze wet gestelde regels, bedoeld in het eerste lid, onder b, vormt slechts een strafbaar feit voorzover dit in die regels uitdrukkelijk is bepaald. 2020 455 18-11-2020 04-11-2020 35319 2020 556 24-12-2020 17-12-2020 01-01-2021
Artikel 11.10 — Artikel 11.10#
Artikel 11.10 1 Met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van ten hoogste de vierde categorie wordt gestraft degene, die a. handelt in strijd met de artikelen 1°. 1.2a ; 2°. 2.12 ; 3°. 3.8, eerste lid 3.13, derde en vierde lid ,; 4°. 11.5, vierde lid 11.6, tweede, zesde, achtste en negende lid 11.8, vijfde lid 11.8a 11.12 11.14 ,,,voor zover het betreft de artikelen 11.5, 11.6 en 11.8,en; b. artikel 1.6 handelt in strijd met hetgeen bij of krachtens de basisverordening is bepaald, voor zover deze voorschriften bij ministeriële regeling als bedoeld inzijn aangewezen als misdrijf en het gaat om gelijksoortige voorschriften als bedoeld in onderdeel a; c. artikel 1.6 handelt in strijd met hetgeen bij of krachtens de basisverordening is bepaald, voor zover deze voorschriften bij ministeriële regeling als bedoeld inzijn aangewezen als misdrijf en het gaat om andersoortige voorschriften dan bedoeld in onderdeel a. 2 De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven. 3 De ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, vervalt een jaar nadat zij in werking is getreden, dan wel indien binnen die termijn een voorstel tot wijziging van het eerste lid bij de Staten-Generaal is ingediend, op het tijdstip waarop dat voorstel is verworpen of, na tot wet te zijn verheven, in werking is getreden. 2013 140 18-04-2013 28-03-2013 33476 2014 102 14-03-2014 11-02-2014 15-03-2014
Artikel 11.10a — Artikel 11.10a#
Artikel 11.10a 1 artikelen 11.9 11.10 Voor een overtreding of misdrijf waarop in deeneen geldboete van de derde of vierde categorie is gesteld, kan de rechter in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba telkens een geldboete van ten hoogste de derde categorie, onderscheidenlijk de vierde categorie opleggen. 2 artikelen 4.1, eerste en derde lid hoofdstuk 4 Handelen in strijd met de, alsmede als strafbare feiten aangeduide overtredingen van voorschriften krachtenswordt in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba aangemerkt als een overtreding en wordt door de rechter gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste 6 maanden, een taakstraf of een geldboete van de vierde categorie. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2010 389 07-10-2010 30-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van Nederland.
Artikel 11.11 — Artikel 11.11#
Artikel 11.11 1 artikel 11.9, eerste lid Bij veroordeling wegens overtreding van een der in, strafbaar gestelde feiten kan de bevoegdheid voor ten hoogste drie jaren worden ontzegd. a. aan boord van een luchtvaartuig werkzaamheden te verrichten als lid van het boordpersoneel, b. werkzaamheden te verrichten aan een luchtvaartuig, c. luchtverkeersdienstverlening te geven, 2 artikel 11.10, eerste lid Bij veroordeling wegens overtreding van een der in, strafbaar gestelde feiten kan een bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid voor ten hoogste zes jaren worden ontzegd. 3 artikel 11.9, eerste lid artikel 11.10 Indien tijdens het plegen van een der strafbare feiten, genoemd in, of bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen, nog geen drie jaren zijn verlopen na het einde van de tijdsduur waarvoor bij een vroegere onherroepelijke veroordeling wegens een van die strafbare feiten of wegens een der inbedoelde strafbare feiten de betrokkene een bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid is ontzegd, kan hem die bevoegdheid voor ten hoogste zes jaren worden ontzegd. 4 artikel 11.10, eerste lid Indien tijdens het plegen van een der strafbare feiten, genoemd in, nog geen zes jaren zijn verlopen na het einde van de tijdsduur waarvoor bij een vroegere onherroepelijke veroordeling wegens een van die strafbare feiten de betrokkene een bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid is ontzegd, kan hem die bevoegdheid voor ten hoogste twaalf jaren worden ontzegd. 5 Onder vroegere onherroepelijke veroordeling als bedoeld in het derde onderscheidenlijk het vierde lid, wordt mede verstaan een vroegere onherroepelijke veroordeling door een strafrechter in een andere lidstaat van de Europese Unie wegens feiten soortgelijk aan de feiten, bedoeld in het derde onderscheidenlijk het vierde lid. 2010 200 10-06-2010 20-05-2010 32257 2010 201 10-06-2010 01-06-2010 01-07-2010
Artikel 11.12 — Artikel 11.12#
Artikel 11.12 1 artikel 2.5 Het is degene, die weet of redelijkerwijs moet weten, dat een hem afgegeven bewijs van bevoegdheid of een daarop aangetekende bevoegdverklaring krachtensvan deze wet of krachtens de basisverordening is geschorst, verboden gedurende de tijd van schorsing werkzaamheden te verrichten, waartoe het geschorste bewijs of de geschorste bevoegdverklaring de bevoegdheid gaf. 2 artikel 11.7 Het is degene, die weet of redelijkerwijs moet weten, dat een hem afgegeven bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling krachtensis ingevorderd, verboden gedurende de tijd, dat het bewijs is ingevorderd, werkzaamheden te verrichten, waartoe het geschorste bewijs of de geschorste bevoegdverklaring de bevoegdheid gaf. 3 artikel 11.11 Het is degene, die weet of redelijkerwijs moet weten, dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het verrichten van werkzaamheden als bedoeld inis ontzegd, verboden gedurende de tijd, dat hem die bevoegdheid is ontzegd, die werkzaamheden te verrichten. 2013 140 18-04-2013 28-03-2013 33476 2014 102 14-03-2014 11-02-2014 15-03-2014
Artikel 11.13 — Artikel 11.13#
Artikel 11.13 1 artikel 11.11 artikel 2.2 artikel 2.7 Bij de toepassing vangaat de bijkomende straf in en verliest elk aan de veroordeelde ingevolgevan deze wet of de basisverordening afgegeven bewijs van bevoegdheid of ingevolgevan deze wet afgegeven bewijs van gelijkstelling zijn geldigheid voor de duur van de ontzegging, zodra de rechterlijke uitspraak voor wat genoemde bijkomende straf betreft, voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden. De uitspraak is, voor wat de bijkomende straf betreft, niet voor tenuitvoerlegging vatbaar, zolang de termijn, waarvoor hem bij een of meer andere rechterlijke uitspraken die bevoegdheid is ontzegd, nog niet verstreken is. 2 artikel 11.7 artikel 11.8, tweede lid Bij de rechterlijke uitspraak kan worden bepaald, dat de tijd, gedurende welke het bewijs van bevoegdheid van de veroordeelde ingevolgevoor het tijdstip, waarop de uitspraak voor wat betreft de in dit artikel genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingehouden is geweest, dan wel ingevolge, een vliegverbod is opgelegd, op de duur van de in het eerste lid bedoelde bijkomende straf geheel of gedeeltelijk in mindering zal worden gebracht. 3 artikel 6:1:16, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering Voor wat betreft de in het eerste lid bedoelde bijkomende straf isop rechterlijke uitspraken niet van toepassing. 2017 82 09-03-2017 22-02-2017 34086 2019 504 24-12-2019 18-12-2019 35311 2019 507 24-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 11.14 — Artikel 11.14#
Artikel 11.14 1 Het is degene, die een luchtvaartuig bedient, verboden na een ongeval of een landing, waarbij een ander is gedood of letsel of schade aan een ander is toegebracht, zich van de plaats van dat ongeval of die landing te verwijderen, tenzij hij behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn identiteit en van de identiteit van dat luchtvaartuig. 2 artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering Niet strafbaar is degene, die een luchtvaartuig bedient en die zich na een ongeval of landing, bedoeld in het eerste lid, van de plaats van dat ongeval of die landing verwijdert doch binnen twaalf uren na dat ongeval of die landing en voordat hij als verdachte is aangehouden of verhoord, vrijwillig kennis geeft aan een van de inbedoelde ambtenaren en daarbij zijn identiteit en de identiteit van het betrokken luchtvaartuig bekendmaakt. 1997 255 26-06-1997 26-03-1997 24513 1999 263 29-06-1999 21-06-1999 26336 01-07-1999
Artikel 11.14a — Artikel 11.14a#
Artikel 11.14a artikelen 8.25d tot en met 8.25h 8.40c tot en met 8.40h De Autoriteit Consument en Markt is belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deenbepaalde. 2018 76 21-03-2018 14-02-2018 34802 2018 124 30-04-2018 09-04-2018 01-05-2018
Artikel 11.15 — Artikel 11.15#
Artikel 11.15 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van: a. artikelen 8.25d tot en met 8.25h de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen, met uitzondering van verplichtingen als bedoeld in de; b. het bepaalde bij of krachtens de volgende EG verordeningen: 1°. Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 259/91 (PbEU L 46); 2°. de kaderverordening; 3°. de luchtvaartnavigatiedienstenverordening; 4°. de luchtruimverordening; 5°. de interoperabiliteitsverordening; 6°. Hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 2111/2005 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 december 2005 betreffende de vaststelling van een communautaire lijst van luchtvaartmaatschappijen waaraan een exploitatieverbod binnen de Gemeenschap is opgelegd en het informeren van luchtreizigers over de identiteit van de exploiterende luchtvaartmaatschappij en tot intrekking van artikel 9 van richtlijn nr. 2004/36/EG (PbEU L344); 7°. Verordening (EG) nr. 1107/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 juli 2006 inzake de rechten van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit die per luchtvervoer reizen (PbEU L 204); 8°. de prestatie- en heffingsverordening; 9°. de basisverordening; 10°. artikel 21, tweede lid, van de onderzoeksverordening; 11°. de verordening voorvallen; 12°. artikel 7 van de verordening markttoezicht voor zover die verordening van toepassing is op het ontwerp, de productie en het in de handel brengen van luchtvaartuigen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a en b, van die basisverordening wat betreft onbemande luchtvaartuigen, en hun motoren, propellers, onderdelen en apparatuur om het luchtvaartuig van een afstand te bedienen; 13°. Verordening (EU) 2023/2405 , voor zover dit ziet op een overtreding door een Unieluchthavenbeheerder, als bedoeld in artikel 3, onder 2, van deze verordening. 2025 234 16-09-2025 14-07-2025 36649 2025 234 16-09-2025 14-07-2025 36649 17-09-2025
Artikel 11.16 — Artikel 11.16#
Artikel 11.16 1 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van: a. artikel 5.14c 5.14d, eerste lid of; b. artikel 4, zesde, achtste en negende lid, en artikel 13, vierde en vijfde lid, van de verordening voorvallen; c. artikel 8.19 8.20 8.21 8.70, tweede lid 8.77, tweede lid artikel 8.23 ,,,, juncto de artikelen 8.19 tot en met 8.21,, juncto de artikelen 8.19 en 8.21, eerste en derde lid, of van een beperking of voorschrift als bedoeld in, 8.70, tweede lid, juncto artikel 8.23 of 8.77, tweede lid, juncto artikel 8.23; d. artikel 7.5 artikel 8.22 8.70, tweede lid 8.77, tweede lid artikel 8.2 of van een maatregel als bedoeld in,, juncto artikel 8.22 of, juncto; e. het bepaalde bij of krachtens: 1°. Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 259/91 (PbEU L 46); 2°. Hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 2111/2005 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 december 2005 betreffende de vaststelling van een communautaire lijst van luchtvaartmaatschappijen waaraan een exploitatieverbod binnen de Gemeenschap is opgelegd en het informeren van luchtreizigers over de identiteit van de exploiterende luchtvaartmaatschappij en tot intrekking van artikel 9 van richtlijn nr. 2004/36/EG (PbEU L 344); 3°. Verordening (EG) nr. 1107/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 juli 2006 inzake de rechten van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit die per luchtvervoer reizen (PbEU L 204); 4°. artikel 21, tweede lid, van de onderzoeksverordening en 5°. artikel 8a.52 Verordening (EEG) nr. 95/93 , voor zover de nadere regels betrekking hebben op het gebruik van «slots» als bedoeld in artikel 2, onder a, vanvan de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 januari 1993 betreffende gemeenschappelijke regels voor de toewijzing van «slots» op communautaire luchthavens (PbEG 1993, L 14); 6°. Verordening (EU) 2023/2405 artikel 6, derde lid, van. 2 Een bestuurlijke boete en een last onder dwangsom kunnen tezamen worden opgelegd. 3 De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste: a. 500 000 euro bij een overtreding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a; b. 1 000 euro bij een overtreding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, voor zover het betreft de meldplicht, bedoeld in artikel 4, zesde lid, van de verordening voorvallen; c. 100 000 euro bij een overtreding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c; d. 1 000 000 euro bij een overtreding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d; e. 74.000 euro bij een overtreding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, met uitzondering van subonderdeel 5°; f. 2.000 euro bij een overtreding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, voor zover het betreft de meldplicht, bedoeld in artikel 4, achtste en negende lid, en de rapportageplicht bedoeld in artikel 13, vierde en vijfde lid, van de verordening voorvallen; g. 670 000 euro bij een overtreding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 5°; h. artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in, bij een overtreding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 6°. 2025 234 16-09-2025 14-07-2025 36649 2025 234 16-09-2025 14-07-2025 36649 17-09-2025
Artikel 11.16a — Artikel 11.16a#
Artikel 11.16a 1 titel 4.4 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 5.20, eerste lid, onderdeel b artikel 5.21, tweede lid Onverminderdkan de verlener van luchtvaartnavigatiediensten de verdere verlening van luchtvaartnavigatiediensten opschorten, indien de gebruiker van die diensten niet heeft voldaan aan de eis tot het onmiddellijk en volledig betalen van de vergoedingen, bedoeld in, en. 2 De opschorting kan slechts plaatsvinden wanneer een gebruiker gedurende drie maanden zijn openstaande facturen voor de vergoedingen niet heeft betaald of wanneer de achterstallige schuld minimaal 10.000 euro bedraagt. 3 Voor de opschorting van de dienstverlening, stuurt de verlener van luchtvaartnavigatiediensten een aangetekend besluit naar de gebruiker waarin wordt aangegeven dat bij niet-betaling van de vergoedingen binnen 30 dagen de dienstverlening op kosten van de gebruiker zal worden opgeschort. Het besluit bevat de datum en het tijdstip vanaf wanneer geen dienstverlening meer zal worden gegeven. 4 De kosten bedoeld in het derde lid, omvatten in ieder geval: a. parkeerkosten voor het luchtvaartuig die de gebruiker als gevolg van de opschorting aan de betrokken luchthavenexploitant verschuldigd wordt, b. kosten van verleende grondafhandelingsdiensten die de gebruiker als gevolg van de opschorting aan verleners van die diensten verschuldigd wordt. 5 De dienstverlening blijft opgeschort zolang de achterstallige schuld vermeerderd met de in het derde lid bedoelde kosten niet is voldaan. 6 De desbetreffende verlener van luchtvaartnavigatiediensten stelt de volgende instanties onverwijld op de hoogte van het besluit tot opschorting van de dienstverlening: a. overige verleners van luchtvaartnavigatiediensten in de gebieden in en grenzend aan het vluchtinformatiegebied Amsterdam, b. de betrokken luchthavenexploitant, c. de Eurocontrol-organisatie, d. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 7 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan nadere regels stellen voor het opschorten van de verlening van luchtvaartnavigatiediensten. 8 Artikel 5.20, vijfde lid , is van overeenkomstige toepassing op de inning van vergoedingen als bedoeld in het derde lid, met dien verstande dat in onderlinge samenwerking voorzieningen worden getroffen door verleners van luchtvaartnavigatiediensten, exploitanten van luchthavens en verleners van grondafhandelingsdiensten. 9 artikel 5.20, eerste lid, onderdeel a De LVNL kan op verzoek van de Eurocontrol-organisatie, ook de dienstverlening opschorten voor vluchten van gebruikers die een achterstand hebben in de betaling van aan de Eurocontrol-organisatie verschuldigde vergoedingen van kosten als bedoeld in. Het tweede tot en met het zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de achterstallige schuld minimaal 50.000 euro bedraagt. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 11.17 — Artikel 11.17#
Artikel 11.17 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 11.18 — Artikel 11.18#
Artikel 11.18 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 11.19 — Artikel 11.19#
Artikel 11.19 Vervallen 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 11.20 — Artikel 11.20#
Artikel 11.20 Bij niet tijdige betaling van de bestuurlijke boete kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een dwangbevel uitvaardigen. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 11.21 — Artikel 11.21#
Artikel 11.21 artikelen 10.13, tweede of derde lid 10.27 10.32 Onze Minister van Defensie is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen als bedoeld in de,of. 2008 561 23-12-2008 18-12-2008 30452 2009 438 30-10-2009 14-10-2009 01-11-2009 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-11-2009 De wijziging is in werking getreden op 1 juli 2009 (Stb. 2009/266).
Artikel 11.22 — Artikel 11.22#
Artikel 11.22 1 Onze Minister van Defensie kan een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van: a. artikel 10.29, tweede lid artikel 8.19 artikel 10.29, derde lid artikel 8.21 artikel 10.30, vierde lid artikel 8.19 8.21 artikel 10.31 artikel 10.32 juncto,juncto,, junctoonderscheidenlijk,,; b. artikel 10.30 artikel 10.27 een maatregel als bedoeld invoor zover de maatregel zich richt tot de houder van de medegebruikvergunning verleend op grond van. 2 artikelen 11.16, tweede en derde lid 11.20 artikel 11.20 De, enzijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de toepassing vanOnze Minister van Defensie de plaats inneemt van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel 4.22 van Stb. 2020/172 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 11.22a — Artikel 11.22a#
Artikel 11.22a Vervallen 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel 4.22 van Stb. 2020/172 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 11.22b — Artikel 11.22b#
Artikel 11.22b Vervallen 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel 4.22 van Stb. 2020/172 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 11.23 — Artikel 11.23#
Artikel 11.23 1 Gedeputeerde staten kunnen een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van: a. artikel 8.44, vijfde lid artikelen 8.19 tot en met 8.21 8.64, zesde lid artikelen 8.46 8a.51, tweede lid , juncto de,, juncto de artikelen 8.19 en 8.21, eerste en derde lid, of van een beperking of voorschrift als bedoeld in de, 8.64, zesde lid, juncto artikel 8.46 of; b. artikelen 8.45 8.64, zesde lid een maatregel als bedoeld in deof, juncto artikel 8.45. 2 artikelen 11.16, tweede en derde lid 11.20 De, enzijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 11.20 gedeputeerde staten de plaats innemen van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 2020 172 17-06-2020 12-02-2020 34986 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel 4.22 van Stb. 2020/172 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 11.24 — Artikel 11.24#
Artikel 11.24 artikelen 8.25d tot en met 8.25dh artikel 8.25di, eerste lid 8.25dj 8.25i, vierde en vijfde lid 8.25e, eerste tot en met negende lid 8.25ea, tweede, derde lid of vierde lid, laatste volzin 8.25f, eerste, tweede, vierde of zevende lid artikel 8.25fa, vierde en vijfde lid 8.25g 8.25ga 8.25h, eerste of tweede lid 8.40c, eerste tot en met vierde lid 8.40d 8.40e, eerste tot en met vierde of zesde lid 8.40f 8.40g 8.40h hoofdstuk 7 artikelen 58a van de Mededingingswet Ingeval van overtreding van de, de krachtens, gestelde regels,,,en de krachtens het twaalfde lid gestelde regels,,en de krachtens het achtste lid gestelde regels,en de krachtens het zevende lid gestelde regels,,,,en de krachtens het vijfde lid gestelde regels,,en de krachtens het vijfde lid gestelde regels,,of, is, met uitzondering van devan overeenkomstige toepassing. 2018 76 21-03-2018 14-02-2018 34802 2018 124 30-04-2018 09-04-2018 01-05-2018
Artikel 11.25 — Artikel 11.25#
Artikel 11.25 Naar aanleiding van een onopzettelijke of uit onachtzaamheid begane overtreding van een wettelijk voorschrift stelt de Staat geen rechtsvordering in, indien van deze overtreding uitsluitend kennis is verkregen door een melding als bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de verordening voorvallen, tenzij sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 16, tiende lid, van de verordening voorvallen. 2019 243 09-07-2019 10-04-2019 34979 2019 243 09-07-2019 10-04-2019 34979 10-07-2019
Artikel 11.26 — Artikel 11.26#
Artikel 11.26 Luchtvaartwet Gegevens die bij een intern bedrijfsveiligheidsonderzoek in het kader van een bij of krachtens de Wet Luchtvaart of degecertificeerd veiligheidsmanagementssysteem zijn verkregen, kunnen niet ten behoeve van strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van een melding als bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de verordening voorvallen worden gevorderd dan na machtiging van de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie. 2019 243 09-07-2019 10-04-2019 34979 2019 243 09-07-2019 10-04-2019 34979 10-07-2019
Artikel 11.27 — Artikel 11.27#
Artikel 11.27 artikel 11.16, eerste lid, onderdeel e artikel 11.15, onderdeel b, onder 1°, 6° en 7° Onze Minister van Infrastructuur en Milieu publiceert, voor zover van toepassing, uiterlijk met ingang van één maand na de inwerkingtreding van dit artikel en daarna steeds maandelijks, in de Staatscourant een lijst van instanties ten aanzien waarvan in de daaraan voorafgaande periode een beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete, bedoeld in, of een beschikking tot toepassing van de bestuursdwang, bedoeld in, onherroepelijk is geworden. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 11.28 — Artikel 11.28#
Artikel 11.28 Ingeval bij of krachtens deze wet regels worden gesteld ter uitvoering van het Verdrag van Chicago, kan overtreding van die regels ook als strafbaar feit worden aangemerkt dan wel worden bestraft met een bestuurlijke sanctie indien deze regels in de Engelse taal zijn gesteld en bekend gemaakt. 2019 374 31-10-2019 02-10-2019 35100 2019 431 26-11-2019 13-11-2019 27-11-2019
Artikel 11.28a — Artikel 11.28a#
Artikel 11.28a 1 artikel 1.5 artikel 5:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht De ingevolgeaangewezen toezichthouders, zijn, in afwijking van, ter uitvoering van de verordening markttoezicht in verband met de basisverordening, voor zover het gaat om het ontwerp, de productie en het in de handel brengen van luchtvaartuigen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a en b, van de basisverordening wat betreft onbemande luchtvaartuigen, en hun motoren, propellers, onderdelen en apparatuur om het luchtvaartuig van een afstand te bedienen, bevoegd met medeneming van de benodigde apparatuur een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner ten behoeve van de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 14, vierde lid, onderdelen a, d en e, van de verordening markttoezicht. 2 Artikel 171 van het Wetboek van Strafvordering Voor het uitoefenen van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, is een voorafgaande machtiging vereist van de rechter-commissaris. In het verzoek om afgifte van een machtiging worden de proportionaliteit en subsidiariteit van het verzoek gemotiveerd. De rechter-commissaris kan het openbaar ministerie horen alvorens te beslissen.is van overeenkomstige toepassing. 3 Tegen de beslissing van de rechter-commissaris, bedoeld in het tweede lid, staat voor zover het verzoek om een machtiging niet is toegewezen, voor Onze Minister binnen veertien dagen beroep open bij de rechtbank, sector strafrecht. 4 artikelen 2 3 van de Algemene wet op het binnentreden Deenzijn niet van toepassing. 2023 66 01-03-2023 02-11-2022 36093 2023 125 18-04-2023 03-04-2023 19-04-2023
Artikel 11.28b — Artikel 11.28b#
Artikel 11.28b 1 artikel 11.28a Toezichthouders als bedoeld inzijn bevoegd om, onder verstrekking van onjuiste of onvolledige gegevens met betrekking tot hun identiteit en hoedanigheid, motoren, propellers, onderdelen en apparatuur om luchtvaartuigen van een afstand te bedienen te verkrijgen ten behoeve van het controleren van de kenmerken van deze producten en de verificatie van de documenten en de hieraan gerelateerde handelingen te verrichten voor zover dat voor de vervulling van hun taak noodzakelijk is, ter uitvoering van de verordening markttoezicht en voor zover het gaat om: Artikel 5:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. a. het toezicht op de naleving van de basisverordening, en b. het ontwerp, de productie en het in de handel brengen van luchtvaartuigen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a en b, van die basisverordening wat betreft onbemande luchtvaartuigen, en hun motoren, propellers, onderdelen en apparatuur om het luchtvaartuig van een afstand te bedienen. 2 De toezichthouder die gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, maakt daarvan een schriftelijk verslag op waarin hij vermeldt: a. zijn naam of nummer en hoedanigheid; b. de motivering van de noodzaak tot uitoefening van de bevoegdheid; c. de voorschriften op de naleving waarvan wordt toegezien; d. het adres, waaronder indien van toepassing, het elektronische adres waar de motor, de propeller, het onderdeel of de apparatuur om luchtvaartuigen van een afstand te bedienen is verkregen, en voor zover bekend, de omschrijving van de betrokken marktdeelnemer, bedoeld in artikel 3, onderdeel 13, van de verordening markttoezicht; e. de onjuiste of onvolledige gegevens die zijn verstrekt bij de verkrijging van de motor, de propeller, het onderdeel of de apparatuur om luchtvaartuigen van een afstand te bedienen; f. de wijze waarop en het tijdvak waarin de handelingen hebben plaatsgevonden; g. wat de uitkomst is van het onderzoek van de verkregen motor of propeller, het verkregen onderdeel of de verkregen apparatuur om luchtvaartuigen van een afstand te bedienen. 2023 66 01-03-2023 02-11-2022 36093 2023 125 18-04-2023 03-04-2023 19-04-2023
Artikel 11.28c — Artikel 11.28c#
Artikel 11.28c 1 artikel 11.28b, eerste lid Ter uitvoering van de verordening markttoezicht kan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, indien er geen andere doeltreffende middelen voorhanden zijn om een ernstig risico als bedoeld in artikel 3, onderdeel 20, van de verordening markttoezicht, gevormd door het product of onderdeel, bedoeld in, weg te nemen, een zelfstandige last opleggen aan degene die daartoe in staat is, om inhoud te verwijderen van of de toegang te beperken tot een online interface als bedoeld in artikel 3, onderdeel 15, van de verordening markttoezicht of opdracht te geven tot de duidelijke weergave van een waarschuwing voor eindgebruikers, bedoeld in artikel 3, onderdeel 21, van de verordening markttoezicht wanneer zij zich toegang verschaffen tot een online interface. 2 Indien niet binnen de daarvoor gestelde termijn aan een last als bedoeld in het eerste lid is voldaan, kan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat een zelfstandige last opleggen aan een aanbieder van diensten van de informatiemaatschappij, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 14, van de verordening markttoezicht om alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om de toegang tot een online interface te beperken, onder meer door een daarvoor in aanmerking komende derde te verzoeken dergelijke maatregelen uit te voeren. 3 Degene tot wie een zelfstandige last als bedoeld in het eerste of tweede lid is gericht, handelt overeenkomstig die last. 4 Op grond van het eerste of tweede lid kan geen zelfstandige last worden opgelegd die leidt tot het blokkeren of filteren van internetverkeer. 5 Artikel 171 van het Wetboek van Strafvordering Voor een zelfstandige last als bedoeld in het eerste of tweede lid is voorafgaande machtiging vereist van de rechter-commissaris. In het verzoek om afgifte van een machtiging worden de proportionaliteit en subsidiariteit van het verzoek gemotiveerd. De rechter-commissaris kan het openbaar ministerie horen alvorens te beslissen.is van overeenkomstige toepassing. 6 Tegen de beslissing van de rechter-commissaris, bedoeld in het vijfde lid, staat voor zover het verzoek om een machtiging niet is toegewezen, voor Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, binnen veertien dagen beroep open bij de rechtbank, sector strafrecht. 7 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat maakt de machtiging van de rechter-commissaris gelijktijdig met de zelfstandige last, bedoeld in het eerste of tweede lid, bekend. 2023 66 01-03-2023 02-11-2022 36093 2023 125 18-04-2023 03-04-2023 19-04-2023
Artikel 11.28d — Artikel 11.28d#
Artikel 11.28d Titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 1.5 is van overeenkomstige toepassing voor zover de ingevolgeaangewezen toezichthouders bijstand verlenen aan een markttoezichtautoriteit als bedoeld in artikel 3, onderdeel 4, van de verordening markttoezicht, uit een andere lidstaat van de Europese Unie op grond van artikel 22 of artikel 23 van die verordening. 2023 66 01-03-2023 02-11-2022 36093 2023 125 18-04-2023 03-04-2023 19-04-2023
Artikel 12.1 — Artikel 12.1#
Artikel 12.1 Vervallen 2012 582 23-11-2012 08-11-2012 31898 2012 644 18-12-2012 06-12-2012 01-01-2013 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 12.2 — Artikel 12.2#
Artikel 12.2 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu zendt drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de werking en de doeltreffendheid van de LVNL. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 12.3 — Artikel 12.3#
Artikel 12.3 1 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 2 Luchtverkeersreglement Luchtverkeersreglement Stb. De krachtens het1980 (1980, 786) door of vanwege Onze Minister gegeven nadere regels, alsook de krachtens het1980 door of vanwege Onze Minister gegeven vrijstellingen, ontheffingen en de daaraan verbonden voorschriften blijven nog twee jaar na het in werking treden van deze wet van kracht, tenzij zij op een vroeger tijdstip worden ingetrokken. 3 Stb. De wet van 8 december 1971,719, houdende inning van vergoedingen voor het gebruik van het luchtruim, wordt ingetrokken. 1997 255 26-06-1997 26-03-1997 24513 1999 263 29-06-1999 21-06-1999 26336 01-07-1999
Artikel 12.3a — Artikel 12.3a#
Artikel 12.3a Vervallen 2014 247 03-07-2014 25-06-2014 33622 2014 266 15-07-2014 02-07-2014 01-08-2014
Artikel 12.4 — Artikel 12.4#
Artikel 12.4 De ambtenaren die op het moment van inwerkingtreding van titel 5.3 van deze wet tot het personeel van de directie Luchtverkeersbeveiliging van de Rijksluchtvaartdienst van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu behoren, gaan van rechtswege over in dienst van de LVNL. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is.
Artikel 12.5 — Artikel 12.5#
Artikel 12.5 1 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu bepaalt in overeenstemming met Onze Minister van Financiën welke vermogensbestanddelen van de Staat worden toegerekend aan de LVNL. 2 De in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen gaan op de datum van inwerkingtreding van deze wet onder algemene titel over op de LVNL tegen een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in overeenstemming met Onze Minister van Financiën te bepalen waarde. 3 het eerste lid van dit artikel De inbedoelde overgang van vermogensbestanddelen wordt aangemerkt als storting op geldleningen van de Staat aan de LVNL. De voorwaarden van de geldlening worden door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in overeenstemming met Onze Minister van Financiën vastgesteld, waarbij een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in overeenstemming met onze Minister van Financiën te bepalen deel van het te lenen bedrag achtergesteld zal zijn bij alle andere verplichtingen van de LVNL. 4 het eerste lid van dit artikel Ten aanzien van de inbedoelde vermogensbestanddelen welke in openbare registers te boek zijn gesteld, zal verandering van de tenaamstelling in die registers plaatsvinden. De daartoe nodige opgaven worden door de zorg van Onze Minister van Financiën aan de bewaarders van de desbetreffende registers gedaan. 5 Ter zake van de verkrijging door de LVNL van de vermogensbestanddelen bedoeld in het eerste lid, blijft de heffing van overdrachtsbelasting achterwege. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 12.6 — Artikel 12.6#
Artikel 12.6 artikel 5.31 artikel 5.31, tweede lid onder a, b, c, en d In afwijking van het bepaalde inbenoemt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu de leden van de raad van toezicht, bedoeld inde eerste maal als volgt: a. een lid wordt benoemd op voordracht van Onze Minister van Defensie; b. een lid wordt benoemd uit de kring van de in Nederland werkzame luchtvaartmaatschappijen; c. een lid wordt benoemd uit de kring van de exploitanten van Nederlandse luchthavens; d. een lid, tevens voorzitter, wordt benoemd op voordracht van de vier reeds benoemde leden van de raad van toezicht, voor een periode van drie jaren. 2015 345 08-10-2015 23-09-2015 33802 2015 526 22-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 12.6a — Artikel 12.6a#
Artikel 12.6a 1 artikel 8.25e, eerste lid De eerste mededeling van een voorstel als bedoeld in, zoals dat luidt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van de wet van 22 juni 2016 tot wijziging van de Wet luchtvaart in verband met de evaluatie van de Wet van 29 juni 2006 tot wijziging van de Wet luchtvaart inzake de exploitatie van de luchthaven Schiphol (Stb. 2016, 272), wordt gedaan na het verstrijken van een periode van een jaar na dat tijdstip maar vóór de eerstvolgende datum van 1 oktober gelegen na het verstrijken van deze periode. 2 Het recht zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de in het eerste lid genoemde wet, blijft van toepassing op: a. artikel 8.25d, eerste lid de mededeling van een voorstel dat wordt gedaan met het oog op de vaststelling van tarieven en voorwaarden die gelden gedurende de periode die is gelegen vóór het tijdstip waarop de tarieven en voorwaarden, bedoeld in, zoals dat luidt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van de in het eerste lid genoemde wet, voor de eerste maal in werking treden; b. het voorstel voor tarieven en voorwaarden waarop de in onderdeel a bedoelde mededeling betrekking heeft en de daarop volgende vaststelling van de tarieven en voorwaarden; c. de aanvraag bij de Autoriteit Consument en Markt tot vaststelling of de tarieven en voorwaarden, die tot stand zijn gekomen met toepassing van het in de aanhef bedoelde recht, in strijd zijn met de bij of krachtens deze wet gestelde regels, de behandeling van deze aanvraag en het besluit daarop. 3 artikel 8.25d, eerste lid Bij de vaststelling van de tarieven voor drie jaar, bedoeld in, en bij de vaststelling van de aangepaste tarieven, bedoeld in artikel 8.25d, vierde en vijfde lid, vinden de verrekeningen plaats, bedoeld in artikel 8.25d, tiende en elfde lid, zoals deze leden luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de in het eerste lid, genoemde wet, voor zover deze verrekeningen zijn opgenomen in de financiële verantwoording over een boekjaar waarvoor tarieven gelden die zijn vastgesteld met toepassing van het recht zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan dit tijdstip. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de tijdstippen en de wijze waarop deze verrekeningen plaats hebben. 4 artikel 8.25d, eerste lid De tarieven en voorwaarden die zijn of worden vastgesteld met toepassing van het recht zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de in het eerste lid genoemde wet, behouden hun geldigheid gedurende de periode waarvoor de tarieven en voorwaarden zijn vastgesteld. Indien deze periode nog niet is verstreken op het moment dat de in, zoals dat luidt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van de in het eerste lid, genoemde wet, bedoelde tarieven en voorwaarden met inachtneming van het eerste lid voor de eerste maal in werking treden, dan vervallen die eerder vastgestelde tarieven en voorwaarden op dat moment. 5 Artikel 8.25df is slechts van toepassing op investeringsprojecten of elk afzonderlijk onderdeel daarvan, waarvan de in artikel 8.25df, tweede lid, bedoelde vaststelling van de raming en functionele specificaties plaatsvindt ten minste drie maanden na inwerkingtreding van de in het eerste lid genoemde wet. 6 artikel 8.25g, eerste lid De exploitant van de luchthaven Schiphol legt het toerekeningssysteem voor de jaarlijkse kosten en opbrengsten, bedoeld in, voor de eerste keer aan de Autoriteit Consument en Markt ter goedkeuring voor binnen vier weken na het tijdstip van inwerkingtreding van de in het eerste lid genoemde wet. 7 artikelen 8.25d tot en met 8.25h Voor zover de, zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van de in het eerste lid genoemde wet, op grond van het tweede lid van toepassing blijven, is: a. artikel 11.14a van toepassing op de naleving van deze artikelen, zoals deze toen luidden; en b. artikel 11.24 artikel 12.6a, eerste lid , zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van de in, genoemde wet, van toepassing op de overtreding van deze artikelen, zoals deze toen luidden. 2016 272 14-07-2016 22-06-2016 34197 2017 188 12-05-2017 19-04-2017 01-07-2017
Artikel 12.6b — Artikel 12.6b#
Artikel 12.6b Vervallen 2018 76 21-03-2018 14-02-2018 34802 2018 124 30-04-2018 09-04-2018 01-05-2018
Artikel 12.7 — Artikel 12.7#
Artikel 12.7 De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld. 1997 255 26-06-1997 26-03-1997 24513 1999 263 29-06-1999 21-06-1999 26336 01-07-1999
Artikel 12.8 — Artikel 12.8#
Artikel 12.8 Deze wet wordt aangehaald als: Wet luchtvaart. 1997 255 26-06-1997 26-03-1997 24513 1999 263 29-06-1999 21-06-1999 26336 01-07-1999 1999 235 17-06-1999 29-04-1999 26336 1999 263 29-06-1999 21-06-1999 26336 01-07-1999