Wet van 8 oktober 1992, houdende bepalingen met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
- BWB-id
- BWBR0005682
- Type
- Wet
- Ministerie
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0005682
- ELI
- /eli/nl/wet/1993/wet-op-het-hoger-onderwijs-en-wetenschappelijk-onderzoek
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1993/wet-op-het-hoger-onderwijs-en-wetenschappelijk-onderzoek/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0005682&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0005682&z=2026-06-06&g=2026-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0005682/2026-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1993/wet-op-het-hoger-onderwijs-en-wetenschappelijk-onderzoek
Artikel 1.1 — Artikel 1.1 Begripsbepalingen#
Artikel 1.1 Begripsbepalingen In deze wet wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; b. hoger onderwijs: wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs; c. wetenschappelijk onderwijs: onderwijs dat is gericht op de voorbereiding tot de zelfstandige beoefening van de wetenschap of de beroepsmatige toepassing van wetenschappelijke kennis en dat het inzicht in de samenhang van de wetenschappen bevordert; d. hoger beroepsonderwijs: onderwijs dat is gericht op de overdracht van theoretische kennis en op de ontwikkeling van vaardigheden in nauwe aansluiting op de beroepspraktijk; e. artikel 7.3a initieel onderwijs: hoger onderwijs als bedoeld in; f. vervallen; g. bijlage instelling voor hoger onderwijs: een bekostigde instelling, opgenomen in devan deze wet onder a tot en met i of een rechtspersoon voor hoger onderwijs, tenzij uit deze wet het tegendeel blijkt; h. openbare instelling: een instelling die uitgaat van een publiekrechtelijke rechtspersoon; i. bijzondere instelling: een instelling die uitgaat van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid; j. instellingsbestuur: – van een bekostigde instelling: het college van bestuur, tenzij anders bepaald; – van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die geaccrediteerde opleidingen verzorgt: het orgaan dat als zodanig in de statuten is aangewezen; k. studiejaar: het tijdvak dat aanvangt op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende jaar; l. Wet op het onderwijstoezicht inspectie: de inspectie, bedoeld in de; m. artikel 7.3a opleiding: een associate degree-opleiding, een bacheloropleiding of een masteropleiding als bedoeld inwaarvoor accreditatie is verleend, tenzij uit deze wet het tegendeel blijkt; m1. eenheid van leeruitkomsten: onderwijseenheid waarin een samenhangend geheel van kennis, inzicht en vaardigheden is opgenomen welke een student op een leerwegonafhankelijke wijze kan verwerven en waarvan de beheersing op een leerwegonafhankelijke wijze kan worden aangetoond; n. artikel 7.7, tweede lid duale opleiding: een opleiding als bedoeld in,; o. faculteit der geneeskunde: de faculteit waarin de opleidingen voor het beroep van arts zijn ingesteld; p. accreditatieorgaan: de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie, bedoeld in artikel 1 van het Accreditatieverdrag; q. accreditatie: het keurmerk dat tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van een opleiding door het accreditatieorgaan positief is beoordeeld; q1. artikel 5.2, eerste en tweede lid accreditatiekader: het kader waarin het accreditatieorgaan zijn werkwijze met betrekking tot de taken, genoemd in, vastlegt; q2. artikel 5.8 accreditatie nieuwe opleiding: accreditatie als bedoeld in; q3. artikel 5.11 accreditatie bestaande opleiding: accreditatie als bedoeld in; r. vervallen; r1. vervallen; s. erkenning ITK: de erkenning die tot uitdrukking brengt dat de interne kwaliteitszorg en de inzet tot verbetering van de resultaten van een instelling voor hoger onderwijs, voor zover betrekking hebbend op de kwaliteit van haar opleidingen, positief is beoordeeld; t. visitatiegroep: opleidingen die onderwijsinhoudelijk met elkaar overeenkomen; u. artikel 7.4, eerste lid studiepunt: een studiepunt in de zin van; v. Accreditatieverdrag: het op 3 september 2003 te Den Haag totstandgekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en Vlaamse hoger onderwijs (Trb. 2003, 167); w. artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer artikel 7.31e, derde lid persoonsgebonden nummer: burgerservicenummer als bedoeld in, of het onderwijsnummer, bedoeld in; x2. artikel 4 van de Wet register onderwijsdeelnemers register onderwijsdeelnemers: register onderwijsdeelnemers als bedoeld in; y. college van bestuur: – van een bijzondere instelling: het orgaan van de instelling dat als zodanig in de statuten is aangewezen; – van een openbare instelling: het orgaan van de instelling dat op grond van deze wet terzake bevoegd is; z. graad: de graad Bachelor of Master met of zonder toevoeging, de graad Associate degree of de graad Doctor, Doctor honoris causa of Doctor of Philosophy; aa. rechtspersoon voor hoger onderwijs: een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die initiële opleidingen verzorgt met uitzondering van de Staat of een instelling of een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die postinitiële masteropleidingen verzorgt met uitzondering van de Staat; bb. openbaar lichaam BES: openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba; cc. artikel 7.20, eerste en tweede lid artikel 7.22, tweede en derde lid titel: een titel als bedoeld in(ingenieur, afgekort tot ir., meester, afgekort tot mr., doctorandus, afgekort tot drs., ingenieur, afgekort tot ing., baccalaureus, afgekort tot bc.) of de titel als bedoeld in(doctor, afgekort tot dr.); dd. premaster: artikel 7.30e mogelijkheid om tekortkomingen weg te nemen in verband met het niet voldoen aan de toelatingseisen als bedoeld in; dd1. educatieve module: artikel 7.12, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 deel van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs van 30 studiepunten dat is gericht op de voorbereiding van het geven van onderwijs in een vak, als bedoeld in; ee. Verordening (EU) nr. 1178/2011: Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie van 3 november 2011 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerluchtvaartuigen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU L 311); ff. Verordening (EU) 2015/340: Verordening (EU) 2015/340 van de Commissie van 20 februari 2015 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot vergunningen en certificaten van luchtverkeersleiders overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad, tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 923/2012 van de Commissie en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 805/2011 van de Commissie (PbEU L63). 2024 279 14-10-2024 30-09-2024 36136 2024 345 15-11-2024 09-11-2024 01-01-2025
Artikel 1.1a — Artikel 1.1a Openbare lichamen BES#
Artikel 1.1a Openbare lichamen BES Deze wet is mede van toepassing in de openbare lichamen BES. 2017 97 21-03-2017 08-03-2017 34412 2017 191 17-05-2017 04-05-2017 01-09-2017
Artikel 1.2 — Artikel 1.2 Instellingen en academische ziekenhuizen#
Artikel 1.2 Instellingen en academische ziekenhuizen Deze wet heeft betrekking op de volgende instellingen en academische ziekenhuizen: a. artikel 1.8 de inbedoelde universiteiten, hogescholen, de Open Universiteit en de levensbeschouwelijke universiteiten, b. rechtspersonen voor hoger onderwijs, c. artikel 1.13, eerste lid de in, bedoelde academische ziekenhuizen, en d. de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam en de Koninklijke Bibliotheek te ’s-Gravenhage. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-09-2024
Artikel 1.3 — Artikel 1.3 Instellingen voor hoger onderwijs#
Artikel 1.3 Instellingen voor hoger onderwijs 1 Universiteiten zijn gericht op het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. In elk geval verzorgen zij initiële opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs, verrichten zij wetenschappelijk onderzoek, voorzien zij in de opleiding tot wetenschappelijk onderzoeker of technologisch ontwerper en dragen zij kennis over ten behoeve van de maatschappij. 2 Levensbeschouwelijke universiteiten zijn gericht op het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs voor een levensbeschouwelijk ambt of beroep. Zij verrichten wetenschappelijk onderzoek op levensbeschouwelijk terrein, voorzien in de opleiding tot wetenschappelijk onderzoeker en dragen kennis over ten behoeve van de maatschappij. 3 Hogescholen zijn gericht op het verzorgen van hoger beroepsonderwijs. Zij verrichten ontwerp- en ontwikkelactiviteiten of onderzoek gericht op de beroepspraktijk. Zij verzorgen in elk geval bacheloropleidingen in het hoger beroepsonderwijs, zij verzorgen in voorkomende gevallen associate degree-opleidingen en masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs en zij dragen in elk geval kennis over ten behoeve van de maatschappij. Zij dragen bij aan de ontwikkeling van beroepen waarop het onderwijs is gericht. 4 De Open Universiteit is gericht op het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs, het, in overeenstemming met het profiel van de Open Universiteit, verrichten van wetenschappelijk onderzoek en onderzoek gericht op de beroepspraktijk, alsmede het leveren van een bijdrage aan de vernieuwing van het hoger onderwijs. Zij verzorgt in elk geval initiële opleidingen. Zij verzorgt deze in de vorm van afstandsonderwijs. 5 De instellingen voor hoger onderwijs schenken mede aandacht aan de persoonlijke ontplooiing van hun studenten en de bevordering van hun maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef. De bevordering van maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef houdt ten minste in dat de instellingen, met inbegrip van degenen die hen formeel of informeel vertegenwoordigen, zich onthouden van discriminatoire gedragingen en uitlatingen. De instellingen richten zich in het kader van hun werkzaamheden op het gebied van het onderwijs wat betreft Nederlandstalige studenten mede op de bevordering van de uitdrukkingsvaardigheid in het Nederlands. 2017 390 20-10-2017 04-10-2017 34678 2017 491 20-12-2017 11-12-2017 01-01-2018 2017 97 21-03-2017 08-03-2017 34412 2017 491 20-12-2017 11-12-2017 01-01-2018
Artikel 1.4 — Artikel 1.4 Academische ziekenhuizen#
Artikel 1.4 Academische ziekenhuizen 1 Academische ziekenhuizen zijn werkzaam op het gebied van de patiëntenzorg en staan mede ten dienste van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek aan de universiteiten waaraan zij zijn verbonden. Zij vervullen mede topklinische en topreferentiefuncties in de gezondheidszorg. Voorts verlenen zij medewerking aan de opleiding tot medisch specialist. 2 artikel 185 van de Wet op het primair onderwijs artikel 164 van de Wet op de expertisecentra De academische ziekenhuizen dragen er zorg voor dat er een educatieve voorziening is die het onderwijs aan een leerling die is opgenomen in het academisch ziekenhuis, kan ondersteunen, en die aan personeel van een schoolbegeleidingsdienst als bedoeld ineninformatie verstrekt, die relevant is voor de door dat personeel te verlenen ondersteuning bij het onderwijs. 3 Het ondersteunen van leerlingen, bedoeld in het tweede lid, kan in overeenstemming tussen de educatieve voorziening en de school waarbij de leerling is ingeschreven, mede het geven van onderwijs aan de leerling betreffen. 4 Het academisch ziekenhuis, de rechtspersoon die de educatieve voorziening, bedoeld in het tweede lid, in stand houdt en het personeel van de educatieve voorziening zijn gehouden aan de inspectie, alle gevraagde inlichtingen te geven omtrent de ondersteuning bij het onderwijs, bedoeld in het tweede en het derde lid. 2021 171 07-04-2021 25-02-2021 35605 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 114 16-03-2022 08-03-2022 01-04-2022 Artikel XI van Stb. 2021/171 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 1.5 — Artikel 1.5 Instellingen voor wetenschappelijk onderzoek#
Artikel 1.5 Instellingen voor wetenschappelijk onderzoek 1 De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen is werkzaam op het gebied van het wetenschappelijk onderzoek. In elk geval bevordert zij de uitwisseling van gedachten en informatie tussen haar leden onderling en tussen deze leden en andere wetenschapsbeoefenaren en wetenschappelijke organisaties, adviseert zij Onze Minister desgevraagd of uit eigen beweging over aangelegenheden op het gebied van de wetenschapsbeoefening en bevordert zij de wetenschapsbeoefening door werkzaamheden op dat gebied te verrichten of te doen verrichten. 2 De Koninklijke Bibliotheek is als de nationale bibliotheek werkzaam op het gebied van het bibliotheekwezen en de informatieverzorging, zowel ten behoeve van het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek als ten behoeve van het openbaar bestuur en de uitoefening van beroep of bedrijf. In dat kader draagt zij in elk geval zorg voor de nationale bibliotheekverzameling, bevordert zij de totstandkoming en instandhouding van nationale voorzieningen op het vorengenoemde gebied en bevordert zij de afstemming met de overige wetenschappelijke bibliotheken. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 1.6 — Artikel 1.6 Academische vrijheid#
Artikel 1.6 Academische vrijheid Aan de instellingen voor hoger onderwijs en aan de academische ziekenhuizen wordt de academische vrijheid in acht genomen. 2017 97 21-03-2017 08-03-2017 34412 2017 191 17-05-2017 04-05-2017 01-09-2017
Artikel 1.7 — Artikel 1.7 Richtlijnen ethiek#
Artikel 1.7 Richtlijnen ethiek Het instellingsbestuur stelt richtlijnen vast met betrekking tot de ethische aspecten verbonden aan de werkzaamheden van de instelling. Het stelt die richtlijnen niet vast dan na het advies te hebben ingewonnen van een door hem daartoe ingestelde commissie. Indien ten behoeve van de werkzaamheden van de instelling gebruik wordt gemaakt van dieren dan wel mensen voor proeven, onderscheidenlijk voor demonstraties of proeven, hebben de richtlijnen daar mede betrekking op. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 1.7a — Artikel 1.7a Ruimte voor innovatie#
Artikel 1.7a Ruimte voor innovatie 1 Met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het hoger onderwijs kan bij wijze van experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van: a. titel 2 van hoofdstuk 2 , b. hoofdstuk 5 , c. hoofdstuk 6 , d. hoofdstuk 7 , e. titel 2 van hoofdstuk 9 , f. titel 3 van hoofdstuk 10 , g. paragraaf 4 van hoofdstuk 11 , en h. hoofdstukken 1 tot en met 4 van de Wet NLQF de. 2 In geval van toepassing van het eerste lid worden bij algemene maatregel van bestuur in ieder geval bepaald: De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. a. het doel van het experiment, b. op welke wijze van welke artikelen van de in het eerste lid genoemde hoofdstukken, titels of paragrafen wordt afgeweken, c. de duur van het experiment, en d. op welke wijze en aan de hand van welke criteria de met het experiment beoogde effecten worden geëvalueerd. 3 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van een experiment. 4 Een experiment duurt ten hoogste zes jaar, tenzij een langere duur gezien de bijzondere aard van het experiment noodzakelijk is. Alsdan wordt de duur van het experiment op ten hoogste acht jaar bepaald. Indien, voordat een experiment is afgelopen, een voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling, kan Onze Minister het experiment verlengen tot het tijdstip waarop het wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking treedt. 5 Onze Minister zendt drie maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, evenals een standpunt over de voortzetting van die algemene maatregel van bestuur, anders dan een voortzetting als experiment. 6 Wet voortgezet onderwijs 2020 artikel 1.1.1 artikel 1.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs artikel 8.1.1 van die wet hoofdstuk 7, titel 3, paragraaf 1, van deze wet Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband tussen een instelling voor hoger onderwijs en een school als bedoeld in dedan wel een instelling als bedoeld inof. In geval van een samenwerkingsverband met een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs kan voor die instelling worden afgeweken van, indienvan toepassing wordt verklaard. 2024 223 24-07-2024 26-06-2024 36341 2024 314 28-10-2024 22-10-2024 01-01-2025
Artikel 1.8 — Artikel 1.8 Opsomming bekostigde instellingen voor hoger onderwijs#
Artikel 1.8 Opsomming bekostigde instellingen voor hoger onderwijs 1 bijlage van deze wet onder a tot en met i De bekostigde instellingen voor hoger onderwijs zijn de instellingen, opgenomen in de. 2 bijlage van deze wet onder a, h en j De in deopgenomen instellingen bezitten rechtspersoonlijkheid. 3 bijlage Een wijziging van de statutaire naam van een stichting of vereniging, genoemd in de, is van kracht met ingang van het tijdstip waarop de wijziging schriftelijk aan Onze Minister is medegedeeld. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 1.9 — Artikel 1.9 Bekostiging en graadverlening#
Artikel 1.9 Bekostiging en graadverlening 1 bijlage Ten behoeve van het verzorgen van initieel onderwijs en, voorzover het universiteiten betreft, mede ten behoeve van het verrichten van wetenschappelijk onderzoek hebben de in devan deze wet onder a, c, h en j opgenomen instellingen, onderscheidenlijk rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, waarvan de overige in de bijlage van deze wet opgenomen instellingen uitgaan, aanspraak op bekostiging uit ’s Rijks kas, voorzover aan de aan die instellingen verbonden opleidingen accreditatie is verleend of die opleidingen de toets nieuwe opleiding met positief gevolg hebben ondergaan. Voor de toepassing van dit lid worden de ontwerp- en ontwikkelactiviteiten en onderzoek gericht op de beroepspraktijk, aan hogescholen gerekend tot het daarop betrekking hebbende onderwijs. 2 artikel 7.18 artikelen 7.10a 7.18 Aan de met goed gevolg afgelegde examens van initiële opleidingen, verzorgd door bekostigde instellingen, is een graad verbonden. Degenen aan wie een dergelijke graad is verleend onderscheidenlijk degenen die hebben voldaan aan de vereisten, gesteld in, zijn gerechtigd in de daarvoor in aanmerking komende gevallen de graden, genoemd in deen, in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen. 3 Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste en tweede lid is dat de desbetreffende instelling in acht neemt hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van: a. de kwaliteitszorg, b. de planning en bekostiging, c. het personeel, d. het onderwijsaanbod, de registratie, het onderwijs, de examens en de promoties, e. de vooropleidings-, selectie- of toelatingseisen, f. de studenten en extraneï, g. de rechtsbescherming van studenten en extraneï, en h. het bestuur en de inrichting. 2017 390 20-10-2017 04-10-2017 34678 2017 491 20-12-2017 11-12-2017 01-01-2018
Artikel 1.10 — Artikel 1.10 Aard bepalingen#
Artikel 1.10 Aard bepalingen De bepalingen in deze wet die het openbaar hoger onderwijs regelen, gelden voor het bekostigde bijzonder hoger onderwijs als bekostigingsvoorwaarden, tenzij anders is bepaald. 2011 95 01-03-2011 27-01-2011 32040 2011 388 26-08-2011 08-08-2011 01-10-2011 Abusievelijk is een wijziging geformuleerd die niet kan worden doorgevoerd.
Artikel 1.11 — Artikel 1.11 Aangewezen instellingen voor hoger onderwijs#
Artikel 1.11 Aangewezen instellingen voor hoger onderwijs Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 1.12 — Artikel 1.12 Graadverlening#
Artikel 1.12 Graadverlening 1 artikel 7.10a Aan de met goed gevolg afgelegde examens van initiële opleidingen, verzorgd door rechtspersonen voor hoger onderwijs, is een graad als bedoeld inverbonden. 2 Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste lid is dat de desbetreffende rechtspersoon in acht neemt hetgeen is bepaald in het derde lid, alsmede hetgeen is bepaald bij of krachtens deze wet ten aanzien van: a. de kwaliteitszorg, b. de registratie, het onderwijs en de examens, c. de vooropleidingseisen, d. het gebruik van het persoonsgebonden nummer. 3 artikel 1.18 Het bestuur van de rechtspersoon verstrekt Onze Minister de nodige inlichtingen omtrent de rechtspersoon. Het bestuur van de rechtspersoon doet Onze Minister jaarlijks een verslag toekomen omtrent de werkzaamheden van de rechtspersoon en betrekt daarbij de uitkomsten van kwaliteitsbeoordeling als bedoeld in, alsmede andere gegevens omtrent de kwaliteit van de werkzaamheden van de rechtspersoon. 4 Onder de nodige inlichtingen, bedoeld in het derde lid, eerste volzin, worden in ieder geval begrepen informatie over wijzigingen in de eigendomsverhoudingen, de financiële soliditeit of de bestuursstructuur van de rechtspersoon alsmede alle wijzigingen van de gegevens betreffende de rechtspersoon bij de Kamer van Koophandel. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 1.12a — Artikel 1.12a Graadverlening postinitiële masteropleidingen door rechtspersonen voor hoger onderwijs#
Artikel 1.12a Graadverlening postinitiële masteropleidingen door rechtspersonen voor hoger onderwijs artikel 7.10a Artikel 1.12, tweede, derde en vierde lid Aan de met goed gevolg afgelegde examens van een postinitiële masteropleiding, verzorgd door rechtspersonen voor hoger onderwijs is een mastergraad als bedoeld inverbonden., is van toepassing. 2017 97 21-03-2017 08-03-2017 34412 2017 191 17-05-2017 04-05-2017 01-09-2017
Artikel 1.12b — Artikel 1.12b Graadverlening postinitiële masteropleidingen door bekostigde instellingen#
Artikel 1.12b Graadverlening postinitiële masteropleidingen door bekostigde instellingen artikel 1.8, eerste lid artikel 7.10a Aan de met goed gevolg afgelegde examens van een postinitiële masteropleiding, verzorgd door instellingen als bedoeld in, is een mastergraad als bedoeld inverbonden. 2017 97 21-03-2017 08-03-2017 34412 2017 191 17-05-2017 04-05-2017 01-09-2017
Artikel 1.13 — Artikel 1.13 Academische ziekenhuizen; rechtspersoonlijkheid#
Artikel 1.13 Academische ziekenhuizen; rechtspersoonlijkheid 1 artikel 1.8 onderdeel j van de bijlage Bij elke inbedoelde universiteit die een opleiding voor het beroep van arts verzorgt, is een academisch ziekenhuis. De academische ziekenhuizen zijn opgenomen invan deze wet. 2 onderdeel j, onder 1, van de bijlage De academische ziekenhuizen, opgenomen invan deze wet, bezitten rechtspersoonlijkheid. 3 In afwijking van het eerste lid, is het bijzondere academisch ziekenhuis te Amsterdam verbonden aan zowel de bijzondere als de openbare universiteit te Amsterdam. 2023 226 23-06-2023 07-06-2023 36276 2023 324 04-10-2023 20-09-2023 01-01-2024
Artikel 1.14 — Artikel 1.14 Bekostiging academische ziekenhuizen#
Artikel 1.14 Bekostiging academische ziekenhuizen 1 artikel 2.5 De academische ziekenhuizen hebben ten behoeve van het vervullen van hun in deze wet opgedragen werkzaamheden ten dienste van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek aanspraak op een door Onze Minister te bepalen deel van de rijksbijdrage die op grond vanis vastgesteld voor de universiteiten waaraan zij zijn verbonden. 2 Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste lid is, dat de desbetreffende instelling in acht neemt het bij of krachtens deze wet voor de academische ziekenhuizen bepaalde ten aanzien van: a. de planning en bekostiging, b. het personeel, en c. het bestuur en de inrichting. 2023 226 23-06-2023 07-06-2023 36276 2023 324 04-10-2023 20-09-2023 01-01-2024
Artikel 1.15 — Artikel 1.15 Aard bepalingen#
Artikel 1.15 Aard bepalingen De bepalingen in deze wet die de openbare academische ziekenhuizen regelen, gelden voor de bijzondere academische ziekenhuizen als bekostigingsvoorwaarden, tenzij anders is bepaald. 2023 226 23-06-2023 07-06-2023 36276 2023 324 04-10-2023 20-09-2023 01-01-2024
Artikel 1.16 — Artikel 1.16 Rechtspersoonlijkheid KNAW en KB#
Artikel 1.16 Rechtspersoonlijkheid KNAW en KB De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek bezitten rechtspersoonlijkheid. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 1.16a — Artikel 1.16a Kaderwet zelfstandige bestuursorganen#
Artikel 1.16a Kaderwet zelfstandige bestuursorganen Kaderwet zelfstandige bestuursorganen artikel 15 van die wet Deis van toepassing op de Koninklijke Bibliotheek, met uitzondering van. 2014 470 05-12-2014 19-11-2014 33846 2014 471 05-12-2014 28-11-2014 01-01-2015
Artikel 1.17 — Artikel 1.17 Bekostiging#
Artikel 1.17 Bekostiging 1 artikel 9 van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen heeft aanspraak op een bijdrage uit ’s Rijks kas ten behoeve van het vervullen van haar bij deze wet opgedragen werkzaamheden. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de Koninklijke Bibliotheek, onverminderd haar aanspraak op een bijdrage op grond van. 2 Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste lid is dat de desbetreffende instelling in acht neemt het bij of krachtens deze wet bepaalde ten aanzien van: a. de kwaliteitszorg, b. de planning en bekostiging, c. het personeel, en d. het bestuur en de inrichting. 3 a b De voorwaarden, bedoeld in het tweede lid onder, en ondervoor wat betreft de planning, hebben geen betrekking op de adviestaak van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. 2014 470 05-12-2014 19-11-2014 33846 2014 471 05-12-2014 28-11-2014 01-01-2015
Artikel 1.17a — Artikel 1.17a Kwaliteitszorg instellingen voor wetenschappelijk onderzoek#
Artikel 1.17a Kwaliteitszorg instellingen voor wetenschappelijk onderzoek 1 artikel 1.5 Het instellingsbestuur van een instelling voor wetenschappelijk onderzoek als bedoeld indraagt er zorg voor dat wordt voorzien in een regelmatige beoordeling, mede door onafhankelijke deskundigen, van de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling. Voor zover die beoordeling mede geschiedt door onafhankelijke deskundigen worden de uitkomsten van dat deel van de beoordeling door het instellingsbestuur openbaar gemaakt. 2 Onze Minister ziet toe op de uitvoering van het eerste lid. Hij kan onderzoek laten verrichten naar de kwaliteit van de werkzaamheden van de instellingen. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 1.18 — Artikel 1.18 Algemene kwaliteitszorg#
Artikel 1.18 Algemene kwaliteitszorg Het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs draagt er zorg voor dat, zoveel mogelijk in samenwerking met andere instellingen, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling, mede door onafhankelijke deskundigen, van de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling. De beoordeling geschiedt mede aan de hand van het oordeel van studenten over de kwaliteit van het onderwijs van de instelling. Het deel van de beoordeling dat is uitgevoerd door onafhankelijke deskundigen wordt door het instellingsbestuur openbaar gemaakt. Bij de beoordeling worden de uitkomsten van eerdere beoordelingen betrokken. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 1.19 — Artikel 1.19 Opleidingen in het buitenland#
Artikel 1.19 Opleidingen in het buitenland 1 Voor een opleiding die in het buitenland wordt verzorgd, bestaat geen aanspraak op bekostiging. 2 artikel 1.8, eerste lid artikelen 1.9, derde lid 2.1 4.1 6.1 7.1 8.1 9.1 9.29 10.1 Op het verzorgen van een opleiding in het buitenland is van toepassing hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van het verzorgen van een opleiding door een rechtspersoon voor hoger onderwijs. Daarbij wordt voor de bekostigde instellingen als bedoeld in, afgeweken van de,,,,,,,en. 2017 306 17-07-2017 07-06-2017 34355 2018 151 31-05-2018 26-04-2018 01-06-2018
Artikel 1.19a — Artikel 1.19a Opleidingen in het buitenland; toestemmingsvereiste#
Artikel 1.19a Opleidingen in het buitenland; toestemmingsvereiste 1 Voor het verzorgen van een opleiding in het buitenland is toestemming van Onze Minister vereist. 2 In het belang van de kwaliteit van het hoger onderwijs in Nederland en van de profilering van het Nederlandse hoger onderwijs in het buitenland kan Onze Minister toestemming weigeren of intrekken. 3 Onze Minister weigert de toestemming in ieder geval indien de opleiding niet ook in Nederland wordt verzorgd. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de gronden voor weigering of intrekking van de toestemming nader geregeld en worden nadere voorschriften vastgesteld voor het verzorgen van opleidingen in het buitenland. Daarin worden in ieder geval voorschriften vastgesteld met betrekking tot de aanwending van de rijksbijdrage voor die opleidingen en worden eisen gesteld aan de academische vrijheid aan de opleiding in het land of de landen waar de opleiding wordt verzorgd. Voorts worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften vastgesteld met betrekking tot de wijze waarop de veiligheid en de rechten van studenten en personeel, voor zover zij die rechten ontlenen aan deze wet, worden gewaarborgd. Tevens kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot het indienen van aanvragen om toestemming. 5 De bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen weigeringsgronden hebben in ieder geval betrekking op: a. de wijze waarop de opleiding in Nederland is geaccrediteerd; b. de wijze waarop de kwaliteitszorg van het onderwijs in het land van vestiging zal worden geborgd; c. de financiële positie van de aanvrager en de wijze waarop financiële risico’s zullen worden tegengegaan; d. de maatregelen die door de aanvrager zullen worden getroffen om te voorkomen dat de rijksbijdrage wordt aangewend voor de opleiding in het buitenland; e. de omvang en schaal van het initiatief waarop de aanvraag betrekking heeft, in het bijzonder uit een oogpunt van aantallen studenten; f. de wijze waarop de continuïteit van de opleiding in Nederland is gewaarborgd; g. de veiligheid en de rechten van de bij het onderwijs in het land van vestiging betrokken personen, voor zover zij die rechten ontlenen aan deze wet; h. de aard van de diplomatieke betrekkingen tussen Nederland en het desbetreffende land; i. de wijze waarop in het desbetreffende land rekening wordt gehouden met mensenrechten en sociale verhoudingen; j. indien van toepassing: de wijze waarop de samenwerking met een partnerorganisatie of met partnerorganisaties zal worden vormgegeven; k. de opvattingen van de bevoegde overheidsinstanties in het land van vestiging over de opleiding; l. de wijze waarin is voorzien in het afbouwen van de opleiding in financiële en personele zin en ten opzichte van studenten, indien de opleiding zou worden beëindigd, en m. de wijze waarop de inkomsten die met de opleiding in het buitenland worden gegenereerd, worden herbestemd en de mate waarin die herbestemming in het belang is van de kwaliteit van het hoger onderwijs in Nederland. 6 Onze Minister kan de toestemming onder voorwaarden verlenen en kan aan de toestemming voorschriften verbinden. 7 Onze Minister legt het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vierde en vijfde lid voor aan beide Kamers der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat vier weken na die voorlegging zijn verstreken. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 1.19b — Artikel 1.19b Promoties in het buitenland#
Artikel 1.19b Promoties in het buitenland 1 Een universiteit kan in het buitenland de graad Doctor of de graad Doctor of Philosophy verlenen. 2 artikelen 7.18 7.19 Op de toegang en inrichting van een promotie in het buitenland zijn deenvan toepassing. 3 In het belang van de kwaliteit van het hoger onderwijs in Nederland en van de profilering van het Nederlandse hoger onderwijs in het buitenland kunnen bij algemene maatregel van bestuur met betrekking tot de graadverleningsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, nadere voorschriften worden vastgesteld. 2017 306 17-07-2017 07-06-2017 34355
Artikel 1.20 — Artikel 1.20 Verplichting tot overleg en aangifte inzake seksuele misdrijven#
Artikel 1.20 Verplichting tot overleg en aangifte inzake seksuele misdrijven 1 Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht artikel 6 van de Wet op het onderwijstoezicht Indien het instellingsbestuur op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ten behoeve van zijn instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een seksueel misdrijf als bedoeld injegens een minderjarige student van de instelling, treedt het bevoegd gezag onverwijld in overleg met de vertrouwensinspecteur, bedoeld in. 2 artikel 127 artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, moet worden geconcludeerd dat er sprake is van een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige student van de instelling, doet het instellingsbestuur onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld injuncto, en stelt het instellingsbestuur de vertrouwensinspecteur daarvan onverwijld in kennis. Voordat het instellingsbestuur overgaat tot het doen van aangifte, stelt het de ouders van de betrokken student, onderscheidenlijk de betreffende ten behoeve van de instelling met taken belaste persoon, hiervan op de hoogte. 3 Indien een personeelslid bekend is geworden dat een ten behoeve van de instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige student van de instelling, stelt het personeelslid het instellingsbestuur daarvan onverwijld in kennis. 2024 59 27-03-2024 20-03-2024 36222 2024 61 27-03-2024 25-03-2024 01-07-2024
Artikel 1.21 — Artikel 1.21 Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling#
Artikel 1.21 Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling 1 Het instellingsbestuur stelt voor het personeel een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden. 2 artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in. 3 artikel 1.1 van de Jeugdwet Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in. 4 Het instellingsbestuur bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat. 2014 442 21-11-2014 05-11-2014 33983 2014 443 21-11-2014 14-11-2014 01-01-2015 2014 280 18-07-2014 09-07-2014 33841 2014 281 18-07-2014 09-07-2014 01-01-2015
Artikel 1.22 — Artikel 1.22 Bescherming naam universiteit#
Artikel 1.22 Bescherming naam universiteit 1 bijlage artikel 18.75, derde lid Het voeren van de naam universiteit is voorbehouden aan de instellingen voor hoger onderwijs die zijn opgenomen in devan deze wet onder a, b, h en i, de universiteiten, bedoeld inen de transnationale Universiteit Limburg. Onder het voeren van de naam universiteit wordt tevens verstaan het voeren van deze naam in samenstellingen, alsmede het voeren van de naam universiteit in vertalingen. 2 In afwijking van het eerste lid, mag een instelling voor hoger onderwijs die in Nederland is gevestigd als nevenvestiging van een buitenlandse universiteit, de naam universiteit voeren, indien de instelling: a. haar hoofdvestiging heeft in een land dat behoort tot de Europese Economische Ruimte; b. in het land van hoofdvestiging als universiteit is gevestigd conform de daar geldende onderwijs- en vestigingsregels, daar het recht heeft graden te verlenen, waaronder de graad Doctor of Doctor of Philosophy en ook in Nederland toegang tot promotie biedt; c. op haar website duidelijk kenbaar maakt in welk land de hoofdvestiging is, welke graden op grond van welke opleidingen worden verleend en op grond van welke regeling een graad wordt verleend, met dien verstande dat de instelling deze gegevens, bij afwezigheid van een website, anderszins kenbaar maakt aan aanstaande studenten; en d. op ieder getuigschrift dat wordt verstrekt ten bewijze dat een graad is behaald, de naam van de instelling vermeldt en de regeling op grond waarvan de graad wordt verleend. 3 De bewijslast dat is voldaan aan de voorwaarden van het tweede lid, rust op de instelling. 4 Onze Minister kan besluiten dat nevenvestigingen van buitenlandse instellingen die hun hoofdvestiging buiten de Europese Economische Ruimte hebben, zich hier universiteit mogen noemen indien zij voldoen aan bij ministeriële regeling vast te leggen criteria. Het tweede en derde lid zijn hierop van overeenkomstige toepassing. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-09-2024
Artikel 1.23 — Artikel 1.23 Bescherming naam hogeschool#
Artikel 1.23 Bescherming naam hogeschool 1 bijlage artikel 1.22, eerste lid Het voeren van de naam hogeschool is voorbehouden aan de instellingen voor hoger onderwijs die zijn opgenomen in devan deze wet onder g, en aan rechtspersonen voor hoger onderwijs. Onder het voeren van de naam hogeschool wordt tevens het voeren van deze naam in samenstellingen verstaan, alsmede het voeren van de naam hogeschool in vertalingen. In afwijking van, wordt de naam hogeschool in het Engels aangeduid met «university of applied sciences» dan wel, bij hogescholen die opleiden tot een bepaald beroepsprofiel, «university» met daarachter het vakgebied. 2 In afwijking van het eerste lid, mag een onderwijsinstelling die in Nederland is gevestigd als nevenvestiging van een buitenlandse instelling, de naam hogeschool voeren indien de instelling: a. haar hoofdvestiging heeft in een land dat behoort tot de Europese Economische Ruimte; en b. in het land van hoofdvestiging als instelling voor hoger onderwijs is gevestigd conform de daar geldende onderwijs- en vestigingsregels en daar het recht heeft graden te verlenen; en c. op haar website duidelijk kenbaar maakt in welk land de hoofdvestiging is, welke graden op grond van welke opleidingen worden verleend en op grond van welke regeling een graad wordt verleend, met dien verstande dat de instelling deze gegevens, bij afwezigheid van een website, anderszins kenbaar maakt aan aanstaande studenten; en d. op ieder getuigschrift dat wordt verstrekt ten bewijze dat een graad is behaald, de naam van de instelling vermeldt en de regeling op grond waarvan de graad wordt verleend. 3 De bewijslast dat is voldaan aan de voorwaarden van het tweede lid, rust op de instelling. 4 Onze Minister kan besluiten dat nevenvestigingen van buitenlandse instellingen die hun hoofdvestiging buiten de Europese Economische Ruimte hebben, zich hier hogeschool mogen noemen indien zij voldoen aan bij ministeriële regeling vast te leggen criteria. Het tweede en derde lid zijn hierop van overeenkomstige toepassing. 2017 97 21-03-2017 08-03-2017 34412 2017 191 17-05-2017 04-05-2017 01-06-2017
Artikel 1.24 — Artikel 1.24 Uitzonderingen gebruik naam hogeschool en universiteit#
Artikel 1.24 Uitzonderingen gebruik naam hogeschool en universiteit 1 artikel 1.22, eerste lid In afwijking van, mag de naam universiteit worden gevoerd door: a. de volksuniversiteiten; b. een persoon of rechtspersoon die geen graden verleent, noch in het vooruitzicht stelt en die geen betaling vraagt voor onderwijs of certificaten. 2 artikel 1.23, eerste lid In afwijking van, mag de naam hogeschool worden gevoerd door: a. de volkshogescholen; b. de Evangelische Hogeschool in Amersfoort en de Vrije Hogeschool in Zeist; c. een persoon of rechtspersoon die geen graden verleent, noch in het vooruitzicht stelt en die geen betaling vraagt voor onderwijs of certificaten. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-09-2024
Artikel 1.25 — Artikel 1.25#
Artikel 1.25 artikel 1.2, onderdeel a of onderdeel c Onderzoeksgegevens die louter tot stand zijn gekomen met een wetenschappelijk oogmerk of in het kader van onderzoek gericht op de beroepspraktijk en die geen betrekking hebben op de bestuursvoering van een instelling als bedoeld inalsmede op de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, kunnen beschikbaar worden gesteld voor wetenschappelijk onderzoek. 2021 499 27-10-2021 25-10-2021 33328 2021 500 27-10-2021 25-10-2021 35112 2021 499 27-10-2021 25-10-2021 33328 01-05-2022
Artikel 1.26 — Artikel 1.26 Verzending berichten aan instellingsbestuur#
Artikel 1.26 Verzending berichten aan instellingsbestuur Artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing in het verkeer tussen studenten of ouders en het instellingsbestuur. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026
Artikel 2.1 — Artikel 2.1 Reikwijdte#
Artikel 2.1 Reikwijdte 1 artikel 2.13 titel 5 Dit hoofdstuk, met uitzondering vanen, heeft betrekking op de bekostigde universiteiten en hogescholen, de Open Universiteit, de levensbeschouwelijke universiteiten, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek. 2 artikelen 2.10 2.12 2.13 titel 5 Op de academische ziekenhuizen zijn uitsluitend de,enenvan toepassing. 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 2.2 — Artikel 2.2 Instellingsplan#
Artikel 2.2 Instellingsplan Het instellingsbestuur stelt eenmaal per zes jaren een plan met betrekking tot de instelling vast. Het plan geeft een omschrijving van de inhoud en de specificatie van het voorgenomen beleid van de instelling voor de duur van het plan. In het plan wordt aandacht besteed aan de voornemens in verband met de bevordering van de kwaliteit van het onderwijs en het verbeteren van de inrichting van de opleidingen aan de instelling. Het instellingsbestuur maakt het plan openbaar. 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 2.2a — Artikel 2.2a Procedure en inhoud instellingsplan onderzoekinstellingen#
Artikel 2.2a Procedure en inhoud instellingsplan onderzoekinstellingen 1 artikel 2.2 Het instellingsbestuur van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en het instellingsbestuur van de Koninklijke Bibliotheek stellen in afwijking vaneen instellingsplan vast uiterlijk vier jaar na het tijdstip van vaststelling van het vorige plan en zenden dit na vaststelling onverwijld aan Onze Minister. 2 artikel 16a van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek In het instellingsplan wordt rekening gehouden met het wetenschapsbudget, bedoeld in, de instellingsplannen van universiteiten, verkenningen, rapporten, adviezen en aanbevelingen een en ander voorzover die naar het oordeel van het instellingsbestuur van belang zijn voor de uitvoering van de taken van de instelling. 3 Het instellingsplan omvat in elk geval: a. de doelstellingen van de instelling voor wetenschappelijk onderzoek op middellange termijn, b. de hoofdlijnen van het te voeren beleid en de daarin te stellen prioriteiten, en c. de financiële, personele, materiële en organisatorische voorwaarden die moeten worden vervuld. 4 Onze Minister brengt zijn standpunt over het instellingsplan binnen zes maanden na ontvangst van het plan ter kennis van het instellingsbestuur. Onze Minister doet daarvan en van het instellingsplan afschrift toekomen aan de beide Kamers der Staten-Generaal. 5 Onze Minister kan zijn standpunt over het instellingsplan gedurende de looptijd daarvan wijzigen, indien de vaststelling van een nieuw wetenschapsbudget daartoe aanleiding geeft. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 2.3 — Artikel 2.3 Hoger onderwijs- en onderzoekplan#
Artikel 2.3 Hoger onderwijs- en onderzoekplan 1 Onze Minister stelt mede op grondslag van de gegevens vermeld in de jaarverslagen omtrent het voorgenomen beleid ten aanzien van de werkzaamheden van de instellingen een hoger onderwijs- en onderzoekplan vast. Het plan heeft betrekking op een tijdvak van ten minste vier jaren. 2 Het hoger onderwijs- en onderzoekplan bevat de voornemens ten aanzien van het door Onze Minister te voeren beleid met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. 3 Het hoger onderwijs- en onderzoekplan bevat voorts in ieder geval: a. een overzicht van omstandigheden en gegevens die van belang zijn voor het met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek te voeren beleid, en van de gewenste ontwikkelingen, daaronder mede begrepen wijzigingen ten aanzien van de maatschappelijke behoeften aan hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, b. artikel 6.2, vierde lid algemene voornemens die in de beleidregels, bedoeld in, worden opgenomen, en c. een financiële raming in verband met de bekostiging van de daarvoor in aanmerking komende werkzaamheden van de instellingen. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-09-2024
Artikel 2.4 — Artikel 2.4 Vaststelling hoger onderwijs- en onderzoekplan#
Artikel 2.4 Vaststelling hoger onderwijs- en onderzoekplan 1 Het hoger onderwijs- en onderzoekplan wordt vastgesteld uiterlijk vier jaar na het tijdstip van vaststelling van het vorige hoger onderwijs- en onderzoekplan. Na overleg met de beide Kamers der Staten-Generaal kan het hoger onderwijs- en onderzoekplan uiterlijk zes maanden na het tijdstip, bedoeld in de eerste volzin, worden vastgesteld. 2 Onze Minister biedt uiterlijk zes maanden voorafgaand aan het moment waarop het hoger onderwijs- en onderzoekplan uiterlijk moet zijn vastgesteld, een ontwerp van dat plan aan de beide Kamers der Staten-Generaal aan. 3 Onze Minister maakt het vastgestelde plan bekend in de Staatscourant. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-09-2024
Artikel 2.5 — Artikel 2.5 Rijksbijdrage aan instellingen voor hoger onderwijs#
Artikel 2.5 Rijksbijdrage aan instellingen voor hoger onderwijs 1 artikel 1.9, eerste lid De rijksbijdrage waarop de in, bedoelde aanspraak betrekking heeft, wordt berekend op de grondslag van een algemene berekeningswijze. In afwijking van de eerste volzin kan de rijksbijdrage worden berekend op de grondslag van een bijzondere berekeningswijze, voorzover dit voortvloeit uit de artikelen 5 en 7 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de transnationale Universiteit Limburg (Trb. 2001, 38). 2 Onze Minister kan aan de bekostiging van onderzoek aan universiteiten voorwaarden verbinden, verband houdend met de kwaliteitszorg. 3 De rijksbijdrage wordt jaarlijks door Onze Minister vastgesteld in overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de voor dat begrotingsjaar vastgestelde rijksbegroting. 4 Indien het in het derde lid bedoelde onderdeel van de voor het desbetreffende begrotingsjaar vastgestelde rijksbegroting wordt gewijzigd, wordt de rijksbijdrage door Onze Minister nader vastgesteld. 5 De rijksbijdrage wordt betaald volgens een door Onze Minister te bepalen kasritme. 6 Zolang de rijksbijdrage niet is vastgesteld of nader vastgesteld, wordt daarop door Onze Minister een voorschot verstrekt. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 2.6 — Artikel 2.6 Berekening rijksbijdrage#
Artikel 2.6 Berekening rijksbijdrage 1 artikel 2.5, eerste lid De in, bedoelde algemene berekeningswijze wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld. De algemene berekeningswijze bevat voor alle instellingen of voor groepen van instellingen gelijkelijk geldende maatstaven. Deze maatstaven hebben betrekking op de aard en omvang van de werkzaamheden en op de uitvoering daarvan. 2 artikel 2.5, eerste lid De bijzondere berekeningswijze, bedoeld in, wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld. In die algemene maatregel van bestuur wordt tevens vastgesteld ten aanzien van welk onderwijs dat artikellid toepassing vindt. De bijzondere berekeningswijze bevat maatstaven die in elk geval betrekking hebben op de studieresultaten. 3 Wat betreft de instellingen voor hoger onderwijs, met uitzondering van de Open Universiteit, hebben de maatstaven in elk geval betrekking op het aantal studenten en op de studieresultaten. De maatstaven kunnen verschillen per opleiding of groep van opleidingen. 4 De maatstaven voor bekostiging van het wetenschappelijk onderzoek aan de universiteiten hebben in ieder geval betrekking op de maatschappelijke en wetenschappelijke behoefte aan het onderzoek, waarbij rekening wordt gehouden met het profiel van de instellingen alsmede op de kwaliteit van het onderzoek. 5 Onze Minister legt het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste en tweede lid voor aan beide Kamers der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat vier weken na die voorlegging zijn verstreken. 2024 200 01-07-2024 26-06-2024 36454 2024 217 17-07-2024 05-07-2024 01-01-2025
Artikel 2.6a — Artikel 2.6a Rijksbijdrage aan instellingen voor wetenschappelijk onderzoek#
Artikel 2.6a Rijksbijdrage aan instellingen voor wetenschappelijk onderzoek 1 De inkomsten van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en van de Koninklijke Bibliotheek bestaan uit: a. de bijdrage uit 's Rijks kas, b. inkomsten, die samenhangen met voorzieningen waarvoor de rijksbijdrage is verleend, en c. andere inkomsten. 2 De rijksbijdrage wordt vastgesteld of nader vastgesteld door de vaststelling of nadere vaststelling bij de wet van het hoofdstuk van de rijksbegroting waarop zij is voorgesteld. 3 De rijksbijdrage wordt betaald in zodanige termijnen en tot zodanige bedragen als voor het doen van de betalingen door de instelling nodig is. 4 Zolang de rijksbijdrage niet is vastgesteld of nader vastgesteld, wordt daarop een voorschot betaald overeenkomstig door Onze Minister te stellen regels. 5 Bij vaststelling van de rijksbijdrage blijven inkomsten als bedoeld in het eerste lid, onder c, buiten beschouwing. 6 Onze Minister stelt regels met betrekking tot de bestemming van saldi die voortvloeien uit de inkomsten, bedoeld in het eerste lid, onder a en b. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 2.7 — Artikel 2.7 Mededeling geraamde en bekendmaking vastgestelde rijksbijdrage#
Artikel 2.7 Mededeling geraamde en bekendmaking vastgestelde rijksbijdrage 1 artikel 1.9, eerste lid Onze Minister maakt aan elke instelling, bedoeld in, jaarlijks uiterlijk in oktober bekend welke rijksbijdrage voor het komende begrotingsjaar voorlopig kan worden verwacht. Hij deelt daarbij mede op welke wijze de geraamde rijksbijdrage is berekend. 2 artikel 2.5, derde lid Onze Minister maakt aan elke instelling zo spoedig mogelijk na de in, bedoelde vaststelling bekend, welke rijksbijdrage voor de instelling is vastgesteld. 3 artikel 2.5, vierde lid Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de in, bedoelde nadere vaststelling van de rijksbijdrage. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 2.7a — Artikel 2.7a Rijksbijdrage en private activiteiten#
Artikel 2.7a Rijksbijdrage en private activiteiten Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de besteding van de rijksbijdrage aan private activiteiten ten behoeve van het onderwijs of het onderzoek. 2013 288 12-07-2013 26-06-2013 33187 2013 305 19-07-2013 05-07-2013 01-08-2014
Artikel 2.8 — Artikel 2.8 Begroting#
Artikel 2.8 Begroting 1 artikel 1.13, eerste lid Het instellingsbestuur stelt jaarlijks, voorafgaand aan het desbetreffende begrotingsjaar, voor de instelling een begroting vast. Het begrotingsjaar valt samen met het kalenderjaar. Het bestuur van een in, bedoelde universiteit, neemt bij de vaststelling van de begroting, onderscheidenlijk wijziging van de begroting de vastgestelde rijksbijdrage ten behoeve van het academisch ziekenhuis in acht. De Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen zendt de begroting, alsmede wijzigingen van de begroting, binnen veertien dagen na de vaststelling ter kennis aan Onze Minister. 2 artikel 2.2a De begroting behelst een raming van de inkomsten en uitgaven alsmede van de baten en lasten van de instelling en dient in evenwicht te zijn. In de begroting van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en die van de Koninklijke Bibliotheek is een allocatie van middelen opgenomen die in overeenstemming is met het instellingsplan, bedoeld in. De in de begroting voorziene inkomsten uit de rijksbijdrage sluiten aan op de voor het desbetreffende begrotingsjaar door Onze Minister geraamde, onderscheidenlijk vastgestelde en in voorkomende gevallen nader vastgestelde rijksbijdrage. 3 Het instellingsbestuur draagt zorg voor wijziging van de begroting indien de vastgestelde rijksbijdrage afwijkt van de in de begroting opgenomen geraamde rijksbijdrage, alsmede in geval van een nader vastgestelde rijksbijdrage. 4 Het instellingsbestuur doet de noodzakelijke uitgaven binnen de grenzen van de vastgestelde of gewijzigde begroting. 5 Af- en overschrijving op de uitgaafposten van de begroting kunnen door het instellingsbestuur geschieden in de gevallen, voorzien in de door dat bestuur terzake vast te stellen regels. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-09-2024
Artikel 2.9 — Artikel 2.9 Verslaglegging#
Artikel 2.9 Verslaglegging 1 artikel 392 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek artikel 2.14 artikel 7.50, tweede lid 7.51 tot en met 7.51k Het instellingsbestuur dient jaarlijks voor 1 juli bij Onze Minister een verslag in. Het verslag bestaat uit de jaarrekening met bijbehorende begroting, het bestuursverslag en overige gegevens als bedoeld in, alsmede een verantwoording over de wijze waarop van een branchecode voor goed bestuur is afgeweken, voor zover een zodanige code overeenkomstigis aangewezen. Uit het verslag dient te blijken in hoeverre sprake is van een behoorlijke uitvoering van de werkzaamheden ten behoeve waarvan de rijksbijdrage is verleend en van een doelmatige aanwending van de rijksbijdrage, mede in het licht van het instellingsplan. Van niet doelmatige aanwending van de rijksbijdrage is in ieder geval sprake, voorzover bedragen daaruit worden aangewend voor het uitvoeren van de procedure voor erkenning van verworven competenties of het op enigerlei wijze compenseren van studenten of extraneï voor collegegeld, examengeldcursusgeld, de bijdrage bedoeld in, of voor de vergoeding verschuldigd aan de opleidingsorganisatie, bedoeld in Verordening (EU) nr. 1178/2011, tenzij sprake is van een financiële ondersteuning als bedoeld in de artikelen 7.50, derde lid, of. 2 artikel 1.18 artikel 12.21 In de jaarrekening wordt rekening en verantwoording afgelegd van het financiële beheer van de instelling over het voorafgaande begrotingsjaar. Het bestuursverslag omvat mede het voorgenomen beleid ten aanzien van de werkzaamheden van de instelling, mede in het licht van de uitkomsten van kwaliteitsbeoordeling als bedoeld inen andere gegevens omtrent de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling. Aan het bestuursverslag van een universiteit waaraan een academisch ziekenhuis is verbonden, wordt het inbedoelde document toegevoegd. Toepassing van de voorgaande volzin blijft achterwege indien het document reeds aan een eerder bestuursverslag is toegevoegd en het sindsdien niet is gewijzigd of opnieuw is vastgesteld. 3 Indien uitgaven zijn geschied in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet, dan wel indien werkzaamheden ten behoeve waarvan de rijksbijdrage is verleend, niet behoorlijk zijn uitgevoerd of de rijksbijdrage ondoelmatig is aangewend, kan Onze Minister bepalen, dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de rijksbijdrage. 4 Het resultaat van het verslagjaar wordt verrekend met de algemene reserve van de instelling. 5 De leden van het college van bestuur of het algemeen bestuur van een rechtspersoonlijkheid bezittende openbare instelling zijn persoonlijk aansprakelijk jegens de instelling voor schade ten gevolge van uitgaven die zijn geschied in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet, voorzover Onze Minister heeft bepaald dat de met die uitgaven gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de rijksbijdrage, tenzij blijkt dat zij aan het doen van die uitgaven niet hebben medegewerkt. Indien binnen een door Onze Minister te bepalen termijn geen rechtsvordering van de zijde van de instelling terzake is gesteld, kan Onze Minister daartoe overgaan namens en ten behoeve van de instelling. 6 In afwijking van het eerste lid dient het algemeen bestuur van de Koninklijke Bibliotheek jaarlijks voor 15 maart het verslag in bij Onze Minister. 7 Het instellingsbestuur maakt het verslag openbaar. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven over de wijze en het tijdstip waarop openbaarmaking plaatsvindt. 2023 226 23-06-2023 07-06-2023 36276 2023 324 04-10-2023 20-09-2023 01-01-2024
Artikel 2.9a — Artikel 2.9a Verrekening van vorderingen#
Artikel 2.9a Verrekening van vorderingen Onze Minister is bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens deze wet van of op het bevoegd gezag van een instelling met vorderingen van of op Onze Minister krachtens een andere wet. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009
Artikel 2.10 — Artikel 2.10 Informatieplicht en doelmatigheidscontrole ministeriële accountant#
Artikel 2.10 Informatieplicht en doelmatigheidscontrole ministeriële accountant De accountant die door Onze Minister is belast met het onderzoek van de ministeriële jaarrekening, heeft met het oog op het verrichten van dat onderzoek toegang tot elke instelling. De accountant kan door Onze Minister tevens worden belast met een onderzoek naar de doelmatigheid van het beheer van de instelling. Aan de accountant worden alle inlichtingen verstrekt die hij voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 2.10a — Artikel 2.10a Accountantsprotocol#
Artikel 2.10a Accountantsprotocol Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven omtrent de controle van de jaarrekening, de besteding van de rijksbijdrage en de door de instellingen opgegeven bekostigingsgegevens. 2015 284 14-07-2015 24-06-2015 34146 2015 291 14-07-2015 03-07-2015 01-08-2015
Artikel 2.11 — Artikel 2.11 Bijzondere bepaling associate degree-opleiding#
Artikel 2.11 Bijzondere bepaling associate degree-opleiding artikel 7.8a, tweede lid artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs Indien na goedkeuring van Onze Minister, bedoeld in, een associate degree-opleiding gedeeltelijk wordt uitgevoerd door een instelling als bedoeld in, kan het instellingsbestuur in verband daarmee een deel van de rijksbijdrage overdragen aan die instelling. 2021 263 07-06-2021 07-04-2021 35582 2021 325 09-07-2021 22-06-2021 01-09-2021
Artikel 2.12 — Artikel 2.12 Bijzondere bepaling academische ziekenhuizen#
Artikel 2.12 Bijzondere bepaling academische ziekenhuizen artikel 1.13, eerste lid artikel 2.5 artikel 1.14, eerste lid Het bestuur van een in, bedoelde universiteit betaalt, zodra de inbedoelde betaling van de rijksbijdrage dan wel betaling van een voorschot daarop is ontvangen, aan het met dieuniversiteit verbonden academisch ziekenhuis onverwijld het gedeelte van de rijksbijdrage waarop het academisch ziekenhuis op grond van, aanspraak heeft. 2001 207 10-05-2001 11-04-2001 27265 2001 208 10-05-2001 20-04-2001 11-05-2001
Artikel 2.13 — Artikel 2.13 Buitengebruikstelling gebouwen en terreinen#
Artikel 2.13 Buitengebruikstelling gebouwen en terreinen 1 Het instellingsbestuur dat voornemens is om gebouwen of terreinen ten behoeve waarvan een rijksbijdrage is verleend, blijvend niet meer voor de instelling te gebruiken, doet hiervan onverwijld mededeling aan Onze Minister. 2 afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek Onze Minister kan binnen negentig dagen na ontvangst van de mededeling, bedoeld in het eerste lid, beslissen dat de gebouwen of terreinen worden overgedragen aan het Rijk dan wel ten behoeve van onderwijs of onderzoek aan een andere door hem aan te wijzen rechtspersoon. De overdracht geschiedt door de inschrijving van de desbetreffende beslissing van Onze Minister in de openbare registers, bedoeld in. 3 Het instellingsbestuur kan de gebouwen of terreinen niet verhuren, vervreemden of aan enig beperkt recht onderwerpen tenzij Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, mededeelt van zijn in het tweede lid bedoelde bevoegdheid geen gebruik te maken. 4 Bij de overgang van de eigendom van gebouwen of terreinen ingevolge het tweede lid, vergoedt het Rijk, voorzover deze gebouwen of terreinen door de rechtspersoon uit eigen middelen zijn betaald en hiervoor geen rijksbijdrage werd verstrekt, een door Onze Minister te bepalen bedrag. Onze Minister stelt dit bedrag vast in verhouding tot de waarde in het economisch verkeer van die gebouwen of terreinen. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 2.14 — Artikel 2.14 Inrichting verslag en aanwijzing branchecode#
Artikel 2.14 Inrichting verslag en aanwijzing branchecode Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld voor de inrichting van het verslag en bij algemene maatregel van bestuur kunnen een of meer branchecodes voor goed bestuur worden aangewezen. 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 2.15 — Artikel 2.15 Waarborgfonds hogescholen#
Artikel 2.15 Waarborgfonds hogescholen Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 2.16 — Artikel 2.16 Opheffing instellingen#
Artikel 2.16 Opheffing instellingen 1 artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek Bij de opheffing van een openbare instelling en bij de beëindiging van de bekostiging van een bijzondere instelling, draagt het instellingsbestuur zo spoedig mogelijk na de opheffing dan wel beëindiging van de bekostiging, zorg voor de vaststelling van een eindafrekening. De eindafrekening wordt aan Onze Minister gezonden en gaat vergezeld van een verklaring van een door hem aangewezen accountant als bedoeld in. 2 Tenzij met Onze Minister een andere regeling wordt getroffen, is het instellingsbestuur aan het Rijk een bedrag verschuldigd, indien de eindafrekening een batig saldo bevat. Het bedrag wordt door Onze Minister vastgesteld en mag niet hoger zijn dan het saldo van de eindafrekening. Bij de vaststelling van het bedrag wordt rekening gehouden met door het instellingsbestuur uit de eigen middelen aan investeringen bestede gelden. 3 Bij de opheffing dan wel beëindiging van de bekostiging als bedoeld in het eerste lid, maakt het instellingsbestuur zo spoedig mogelijk aan Onze Minister bekend welke maatregelen het heeft genomen teneinde te waarborgen dat de aan die instelling ingeschreven studenten de opleiding aan een andere instelling kunnen voltooien. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 2.17 — Artikel 2.17 Beheer van de middelen#
Artikel 2.17 Beheer van de middelen 1 Het instellingsbestuur beheert de middelen van de instelling op zodanige wijze dat een behoorlijke exploitatie en het voortbestaan van de instelling zijn verzekerd. 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het door het instellingsbestuur uitzetten van gelden, het aangaan van geldleningen en het aangaan van verbintenissen voor financiële producten. 2015 284 14-07-2015 24-06-2015 34146 2015 291 14-07-2015 03-07-2015 01-08-2015
Artikel 2.18 — Artikel 2.18 Subsidie educatieve voorziening#
Artikel 2.18 Subsidie educatieve voorziening 1 artikel 1.4, tweede lid artikelen 9a van de Wet op het primair onderwijs 18a van de Wet op de expertisecentra 2.46 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 7.1.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs Jaarlijks verstrekt Onze Minister een subsidie aan het academisch ziekenhuis dan wel aan de rechtspersoon die de educatieve voorziening, bedoeld in, in stand houdt, ter tegemoetkoming in de kosten van ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen als bedoeld in de,,en. 2 artikel 2, tweede lid onderdeel g, van de Wet op de expertisecentra De hoogte van de subsidie aan het academisch ziekenhuis dan wel aan het bestuur van de rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand houdt, wordt bepaald op basis van het leerlingenaantal dat het gemiddelde is van de hoogste dagtellingen in de maanden september tot en met april van het schooljaar 1994–1995 van leerlingen van scholen als bedoeld in, zoals dat artikel luidde op 31 juli 1999, die waren opgenomen in het desbetreffende academisch ziekenhuis, en een bedrag per leerling. 3 artikel 2, tweede lid, onderdeel g, van de Wet op de expertisecentra Het bestuur van het academisch ziekenhuis dan wel de rechtspersoon die een educatieve voorziening in stand houdt, ontvangt de subsidie, bedoeld in het tweede lid, onder de voorwaarde dat op de aan deze subsidie gerelateerde formatieplaatsen personeel wordt benoemd, dat op 31 juli 1999 was benoemd aan een of meer van de scholen, bedoeld in, zoals dat artikel luidde op 31 juli 1999, tenzij het bestuur van het academisch ziekenhuis dan wel de rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand houdt aantoont dat met betrekking tot een formatieplaats geen lid van dat personeel beschikbaar was dat de formatieplaats aanvaardde. Deze benoemingsverplichting geldt voor de betrekkingsomvang die voor de desbetreffende personeelsleden gold aan die scholen. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 2.19 — Artikel 2.19 Begroting en verslaglegging#
Artikel 2.19 Begroting en verslaglegging artikel 1.4, tweede lid Met betrekking tot de educatieve voorziening, bedoeld in, stelt het bestuur van een academisch ziekenhuis dan wel het bestuur van de rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand houdt, jaarlijks voor 1 juli een begroting voor het volgende jaar en een jaarverslag over het afgelopen jaar vast en zendt die aan Onze Minister. Onze Minister kan een richtlijn vaststellen voor de inrichting van de begroting en het jaarverslag. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 2.20 — Artikel 2.20 Controle en terugvordering#
Artikel 2.20 Controle en terugvordering 1 artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek Binnen tien maanden na afloop van het kalenderjaar waarover de subsidie is toegekend, legt het bestuur van het academisch ziekenhuis dan wel het bestuur van de rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand houdt, een verklaring van een accountant als bedoeld inover aan Onze Minister, waaruit blijkt in hoeverre de toegekende subsidie is besteed in overeenstemming met de bepalingen van deze wet. 2 Voorzover niet uit de verklaring, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de subsidie is besteed in overeenstemming met de bepalingen van deze wet, vordert Onze Minister het desbetreffende bedrag terug. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 3.1 — Artikel 3.1 Algemeen overleg#
Artikel 3.1 Algemeen overleg 1 Onze Minister pleegt geregeld overleg met een vertegenwoordiging van de instellingsbesturen van de bekostigde universiteiten en hogescholen, de Open Universiteit, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek over aangelegenheden van algemeen beleid met betrekking tot die instellingen. 2 Onze Minister pleegt geregeld overleg met een vertegenwoordiging van de instellingsbesturen van de bekostigde universiteiten waaraan een academisch ziekenhuis is verbonden en van de academische ziekenhuizen over aangelegenheden van algemeen beleid betreffende de academische ziekenhuizen dan wel betreffende de academische ziekenhuizen en de universiteiten gezamenlijk. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 3.2 — Artikel 3.2 Overleg met afzonderlijke instellingen#
Artikel 3.2 Overleg met afzonderlijke instellingen artikelen 2.9, vierde lid 2.13, tweede en vierde lid 7.56, eerste lid, onder b Onze Minister neemt besluiten als bedoeld in de,, en, niet dan na het betrokken instellingsbestuur in de gelegenheid te hebben gesteld met hem te overleggen over zijn desbetreffend voornemen. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 3.3 — Artikel 3.3 Overleg met studentenorganisaties#
Artikel 3.3 Overleg met studentenorganisaties 1 Onze Minister pleegt geregeld overleg met de daarvoor in aanmerking komende belangenorganisaties van studenten over aangelegenheden van algemeen belang voor studenten. 2 Onze Minister treft een regeling ter financiële ondersteuning van de vertegenwoordigers van de in het eerste lid bedoelde belangenorganisaties, in verband met door hen te verrichten werkzaamheden. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 4.1 — Artikel 4.1 Reikwijdte#
Artikel 4.1 Reikwijdte 1 Dit hoofdstuk heeft betrekking op bekostigde universiteiten, hogescholen, de Open Universiteit en de levensbeschouwelijke universiteiten. 2 artikel 4.2, tweede en derde lid Dit hoofdstuk, met uitzondering van, heeft tevens betrekking op de academische ziekenhuizen, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-09-2024
Artikel 4.2 — Artikel 4.2 Personeelsbeleid#
Artikel 4.2 Personeelsbeleid 1 Het instellingsbestuur bepaalt het personeelsbeleid en voert het personeelsbeheer. Het neemt daarbij de bij of krachtens de wet gegeven voorschriften alsmede de eisen van zorgvuldigheid in acht. 2 Het instellingsbestuur van een universiteit, een hogeschool of de Open Universiteit stelt ten behoeve van de leidinggevende functies op het gebied van onderwijs onderscheidenlijk onderzoek van elke van het instellingsbestuur uitgaande instelling, indien daaraan van een ondervertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies op het gebied van onderwijs onderscheidenlijk onderzoek sprake is, eenmaal in de 4 jaar een document inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies vast. 3 Het document bevat streefcijfers, met inbegrip van een bepaald tijdvak waarbinnen deze streefcijfers worden gerealiseerd, aan de hand waarvan door het instellingsbestuur een beleid inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies wordt gevoerd, opdat in deze functies vrouwen en mannen naar evenredigheid werkzaam zullen zijn. Voor de evenredige vertegenwoordiging wordt uitgegaan van de verhouding mannen en vrouwen voor wat betreft het personeel op het gebied van onderwijs en onderzoek dat werkzaam is in het door de instelling verzorgde onderwijs en onderzoek, zoals die blijkt uit de daarover jaarlijks door Onze Minister gepubliceerde cijfers. Het document vermeldt tevens de maatregelen die het instellingsbestuur heeft genomen en zal nemen teneinde de in de eerste volzin bedoelde streefcijfers te realiseren en geeft een overzicht van de beoogde en bereikte resultaten van het beleid inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies gedurende de periode waarvoor het document geldt, onderscheidenlijk de periode waarvoor het vorige document gold. 4 Het instellingsbestuur draagt er zorg voor dat een exemplaar van het document in het gebouw van de instelling ter inzage wordt gelegd op een voor het personeel en de studenten toegankelijke plaats, alsmede dat een exemplaar wordt bewaard bij de administratie van de instelling. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 4.3 — Artikel 4.3 Georganiseerd overleg#
Artikel 4.3 Georganiseerd overleg Vervallen 2005 276 02-06-2005 12-05-2005 27848 2005 396 02-08-2005 16-07-2005 03-08-2005
Artikel 4.4 — Artikel 4.4#
Artikel 4.4 Vervallen 1994 942 21-12-1994 23218 1994 943 22-12-1994 01-01-1995
Artikel 4.5 — Artikel 4.5 Rechtspositieregeling personeel#
Artikel 4.5 Rechtspositieregeling personeel 1 Het instellingsbestuur draagt er zorg voor dat de rechtspositie van het personeel wordt geregeld. 2 Over de door het instellingsbestuur ingevolge het eerste lid te treffen regelingen, alsmede over andere aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van het personeel, wordt door of namens het instellingsbestuur overleg gevoerd met de daarvoor in aanmerking komende verenigingen van werknemers, op een met deze schriftelijk overeengekomen wijze. 2019 395 07-11-2019 27-09-2019 35089 2019 434 28-11-2019 20-11-2019 01-01-2020 Artikel X van Stb. 2019/395 bevat overgangsrecht m.b.t. deze
wijziging
Artikel 4.6 — Artikel 4.6#
Artikel 4.6 Vervallen 1994 942 21-12-1994 23218 1994 943 22-12-1994 01-01-1995
Artikel 4.7 — Artikel 4.7 Commissies van beroep personeel bijzondere instellingen#
Artikel 4.7 Commissies van beroep personeel bijzondere instellingen Vervallen 2014 216 24-06-2014 14-06-2014 33818 2014 274 17-07-2014 10-07-2014 01-07-2015 Artikel XXIf, derde lid, van Stb. 2014/216 bevat overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5.1 — Artikel 5.1 Reikwijdte#
Artikel 5.1 Reikwijdte Dit hoofdstuk heeft betrekking op de instellingen voor hoger onderwijs en op rechtspersonen die door het aanbieden van opleidingen rechtspersoon voor hoger onderwijs willen worden. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5.2 — Artikel 5.2 Instelling en taken accreditatieorgaan#
Artikel 5.2 Instelling en taken accreditatieorgaan 1 Er is een accreditatieorgaan dat is belast met het verlenen van accreditatie en de erkenning ITK, en de overige hem bij of krachtens deze wet opgedragen taken. Het accreditatieorgaan bezit rechtspersoonlijkheid. 2 Activiteiten die het accreditatieorgaan verricht in het kader van het verlenen van accreditatie en de erkenning ITK zijn: a. het indelen van opleidingen in visitatiegroepen op voorstel van de instelling; b. het instellen van een commissie van deskundigen die adviseert over een aanvraag toets nieuwe opleiding of instellingstoets kwaliteitszorg en het aanwijzen van een secretaris daarvan; c. het instemmen met de door instellingsbesturen binnen een visitatiegroep gezamenlijk samengestelde commissie van deskundigen en de daarvoor voorgestelde secretaris; d. het doen van een bindende voordracht aan de instelling voor de samenstelling van een commissie als bedoeld in onderdeel c, indien en voor zover de instellingsbesturen niet komen tot het gezamenlijk samenstellen van een dergelijke commissie; e. artikel 5.20, eerste lid artikel 5.29, eerste lid het op diens verzoek adviseren van Onze Minister over het gebruik van de bevoegdheid, bedoeld in, respectievelijk; en f. het opstellen van een accreditatiekader. 3 Het accreditatieorgaan rapporteert desgevraagd aan Onze Minister over de kwaliteit van opleidingen in het hoger onderwijs met het oog op de vergelijkbaarheid van opleidingen aan de hand van zijn beoordelingen op grond van dit hoofdstuk. Het accreditatieorgaan doet eventueel voorstellen die hij in het belang van de kwaliteit van opleidingen in het hoger onderwijs nodig acht. 4 Bij ministeriële regeling worden de werkzaamheden bepaald die het accreditatieorgaan verricht in verband met het beoordelen van ander onderwijs dan hoger onderwijs of in verband met opdrachten als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het Accreditatieverdrag. 5 Kaderwet zelfstandige bestuursorganen Onverminderd het Accreditatieverdrag is op het accreditatieorgaan devan toepassing. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5.3 — Artikel 5.3 Accreditatiekader#
Artikel 5.3 Accreditatiekader 1 Het accreditatieorgaan neemt in het accreditatiekader in ieder geval een uitwerking op van: a. de wijze van indeling van opleidingen in visitatiegroepen, het wijzigen van die indeling en de aanvraagprocedure voor wijziging van visitatiegroep door het instellingsbestuur; b. artikel 5.14 artikel 5.2, tweede lid de wijze waarop, onverminderd, de onafhankelijkheid en deskundigheid van de commissies, bedoeld in, en hun secretarissen wordt gewaarborgd; c. artikelen 5.7 5.12 5.23 de kwaliteitsaspecten, bedoeld in de,en, waarbij ten minste onderscheid wordt gemaakt tussen het wetenschappelijk onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, tussen associate degree-opleidingen, bacheloropleidingen en masteropleidingen en waarbij rekening wordt gehouden met het verschil in de wijze van beoordeling van opleidingen van instellingen met en zonder een erkenning ITK; d. de aanvraagprocedure voor het verkrijgen van accreditatie en de erkenning ITK, met dien verstande dat de uitwerking van de verzwaarde toets nieuwe opleiding voor de eerste opleiding die wordt verzorgd door een rechtspersoon die geaccrediteerde opleidingen wil verzorgen ten minste inhoudt dat deze plaatsvindt op basis van het volledige curriculum van de opleiding, waarop de aanvraag betrekking heeft, welke ten tijde van de aanvraag ten minste éénmaal recent in Nederland is verzorgd en waaraan studenten zijn afgestudeerd; en e. artikel 5.10, eerste lid, onderdeel d artikel 5.15, zesde lid de voorwaarden voor het verlenen van de oordelen onvoldoende en voldoende aan de kwaliteitsaspecten van een opleiding, bedoeld in, en. 2 artikel 3.3 Alvorens het accreditatiekader vast te stellen of te wijzigen, voert het accreditatieorgaan overleg met vertegenwoordigers van de gezamenlijke instellingen voor hoger onderwijs en andere betrokkenen, waaronder studentenorganisaties als bedoeld inen de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel. 3 Het accreditatiekader of een wijziging daarvan behoeft de goedkeuring van Onze Minister. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. 4 Onze Minister verleent zijn goedkeuring niet dan nadat vier weken zijn verstreken nadat zijn voornemen daartoe aan de beide kamers der Staten-Generaal is voorgelegd. Het besluit omtrent goedkeuring wordt binnen 17 weken na de verzending ter goedkeuring bekendgemaakt aan het accreditatieorgaan. 5 Het accreditatiekader of de wijziging daarvan wordt bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant. 6 Het accreditatieorgaan bespreekt het accreditatiekader met instanties in de Europese landen, in het bijzonder met instanties in de grenslanden. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 5.4 — Artikel 5.4 Voordracht bestuursleden accreditatieorgaan#
Artikel 5.4 Voordracht bestuursleden accreditatieorgaan 1 Voordat Onze Minister een voordracht doet voor bestuursleden als bedoeld in artikel 5 van het Accreditatieverdrag, worden de vertegenwoordigers van de gezamenlijke instellingen voor hoger onderwijs en de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel gehoord. 2 artikel 3.3 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het horen van de gezamenlijke studentenorganisaties, bedoeld in, in verband met de voordracht van twee bestuursleden. 3 De bestuursleden die door Onze Minister worden voorgedragen zijn geen aan Onze Minister ondergeschikte ambtenaren. 4 Voordat het Comité van Ministers, bedoeld in het Accreditatieverdrag, een door Onze Minister voorgedragen bestuurslid schorst of ontslaat, worden de vertegenwoordigers van de gezamenlijke instellingen voor hoger onderwijs en de vakorganisaties, bedoeld in het eerste lid, door Onze Minister gehoord. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5.5 — Artikel 5.5 Financiële middelen#
Artikel 5.5 Financiële middelen 1 Onze Minister stelt jaarlijks aan het accreditatieorgaan ten laste van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap overeenkomstig de artikelen 14 en 15, derde lid, van het Accreditatieverdrag financiële middelen ter beschikking voor de vervulling van zijn taken, voortvloeiend uit artikel 1, eerste en tweede lid, van het Accreditatieverdrag. 2 Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 september van enig kalenderjaar, doch niet dan nadat hij daarover met het accreditatieorgaan heeft overlegd, het bedrag vast dat voor het daaropvolgende kalenderjaar aan het accreditatieorgaan ter beschikking zal worden gesteld en neemt dit bedrag op in het voorstel van wet tot vaststelling van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. 3 Het boekjaar van het accreditatieorgaan valt samen met het kalenderjaar. 4 Zolang de wet tot vaststelling van de begroting, bedoeld in het eerste en tweede lid, niet in werking is getreden, verstrekt Onze Minister met ingang van het kalenderjaar waarop de begroting betrekking heeft, in de vorm van maandelijkse termijnen een voorschot aan het accreditatieorgaan tot een maximum van het bedrag, bedoeld in het tweede lid. 5 Overeenkomstig artikel 15, eerste en tweede lid, van het Accreditatieverdrag stelt Onze Minister, na overleg met het accreditatieorgaan, de tarieven vast die het instellingsbestuur aan het accreditatieorgaan verschuldigd is voor de door hem ten behoeve van het instellingsbestuur verrichte werkzaamheden. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5.6 — Artikel 5.6 Aanvraag toets nieuwe opleiding#
Artikel 5.6 Aanvraag toets nieuwe opleiding 1 Een toets nieuwe opleiding is de toets van een opleiding, zonder accreditatie, op de kwaliteit in het kader van verkrijging van accreditatie. 2 Een toets nieuwe opleiding wordt uitgevoerd op aanvraag van het instellingsbestuur dan wel, indien de aanvraag betrekking heeft op de eerste opleiding die wordt verzorgd door een rechtspersoon die geaccrediteerde opleidingen wil verzorgen, op aanvraag van het op grond van de statuten daartoe bevoegde orgaan van die rechtspersoon. 3 Bij de aanvraag vermeldt het instellingsbestuur tevens de door hem beoogde: a. visitatiegroep waartoe de opleiding kan behoren; b. naam van de opleiding; en c. artikel 7.10a, tweede lid toevoeging aan de graad als bedoeld in, voor zover het een opleiding in het hoger beroepsonderwijs betreft. 4 Een toets nieuwe opleiding is niet vereist indien sprake is van: a. artikel 6.2, eerste lid, onderdeel b het samenvoegen van geaccrediteerde opleidingen, voor zover het accreditatieorgaan in het kader van de aanvraag voor instemming met het verzorgen van de samengevoegde opleiding, bedoeld in, heeft geoordeeld dat de samengevoegde opleiding geen nieuwe opleiding is als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid; b. artikel 6.2, vijfde lid het ongedaan maken van een samenvoeging van geaccrediteerde opleidingen als bedoeld in; c. artikel 7.3c artikel 6.2, eerste lid, onderdeel e het gezamenlijk verzorgen van een opleiding als bedoeld in, voor zover het accreditatieorgaan in het kader van de aanvraag voor instemming met het verzorgen van de gezamenlijke opleiding, bedoeld in, heeft geoordeeld dat de gezamenlijke opleiding geen nieuwe opleiding is als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid; en d. het verzorgen van een nieuwe masteropleiding, die de voortzetting vormt van een bestaande geaccrediteerde postinitiële masteropleiding. 2021 409 31-08-2021 14-07-2021 35725 2021 443 29-09-2021 20-09-2021 01-10-2021
Artikel 5.7 — Artikel 5.7 Beoordeling kwaliteitsaspecten aanvraag toets nieuwe opleiding#
Artikel 5.7 Beoordeling kwaliteitsaspecten aanvraag toets nieuwe opleiding 1 In het kader van een toets nieuwe opleiding wordt de kwaliteit van een opleiding beoordeeld aan de hand van de volgende kwaliteitsaspecten: a. het beoogde eindniveau van de opleiding, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is; b. de inhoud en opzet van het onderwijsprogramma; c. de wijze van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten; d. de kwaliteit van het docententeam; e. de opleidingsspecifieke voorzieningen alsmede de instellingsbrede voorzieningen die van invloed zijn op de kwaliteit van de opleiding, daaronder mede begrepen voldoende studiebegeleiding en voorzieningen die de toegankelijkheid en studeerbaarheid voor studenten met een functiebeperking bevorderen; en f. de vormgeving en effectiviteit van de interne kwaliteitszorg gericht op de systematische verbetering van de opleiding. 2 In het kader van een toets nieuwe opleiding wordt de kwaliteit van een opleiding, waarvan het accreditatieorgaan vast stelt dat daaraan feitelijk al onderwijs wordt verzorgd, beoordeeld aan de hand van de kwaliteitsaspecten, genoemd in de onderdelen a, b en d tot en met f, van het eerste lid alsmede aan de hand van: a. het gerealiseerde niveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is; en b. de deugdelijkheid van de beoordeling, toetsing en examinering van de studenten. 3 artikel 5.2, tweede lid, onderdeel b Het accreditatieorgaan baseert zijn oordeel of een positief besluit op de aanvraag kan worden genomen op een advies van de commissie van deskundigen, bedoeld in. Van de commissie maakt ten minste een student deel uit. 4 Het accreditatieorgaan beoordeelt tevens of: a. de naam van de opleiding voldoende inzicht biedt in de inhoud van de opleiding en aansluit bij hetgeen gebruikelijk is binnen de sector waartoe de opleiding behoort en binnen de beoogde visitatiegroep; en b. artikel 5.6, derde lid, onderdeel c de toevoeging aan de graad, bedoeld in, internationaal herkenbaar is aan de hand van een referentielijst, die bij ministeriële regeling wordt vastgesteld. 5 Het accreditatieorgaan neemt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een besluit. 6 Het instellingsbestuur is het accreditatieorgaan een vergoeding verschuldigd van de kosten van de beoordeling van de aanvraag, waaronder de beoordeling van de opleiding door de commissie van deskundigen. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5.8 — Artikel 5.8 Verlening van accreditatie nieuwe opleiding#
Artikel 5.8 Verlening van accreditatie nieuwe opleiding 1 artikel 5.7, eerste, respectievelijk tweede lid Indien bij de toets nieuwe opleiding de kwaliteit van de opleiding door het accreditatieorgaan op alle kwaliteitsaspecten, genoemd in, positief wordt beoordeeld, wordt aan de opleiding accreditatie nieuwe opleiding verleend voor de duur van zes jaar, met dien verstande dat: a. artikel 6.14 artikel 6.2, zevende lid het instellingsbestuur van een bekostigde instelling de opleiding aanmeldt voor registratie in de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in, rekening houdend met de termijn, genoemd in; b. artikel 6.14 het instellingsbestuur van een niet-bekostigde instelling de opleiding binnen zes maanden aanmeldt voor registratie in de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in; en c. artikel 5.7, tweede lid een opleiding, waaraan bij accreditatieverlening feitelijk nog geen onderwijs wordt verzorgd, drie jaar nadat accreditatie verkregen is, wordt beoordeeld op de kwaliteitsaspecten, genoemd in, en bij die gelegenheid op die aspecten positief wordt beoordeeld. 2 In afwijking van het eerste lid kan de termijn waarvoor accreditatie wordt verleend door het accreditatieorgaan worden bekort in verband met gelijktijdige beoordeling binnen de visitatiegroep waartoe de opleiding gaat behoren. 3 In het besluit tot verlening van accreditatie nieuwe opleiding vermeldt het accreditatieorgaan de datum waarop een aanvraag voor accreditatie bestaande opleiding moet worden ingediend. 4 Onze Minister kan de termijn waarvoor accreditatie is verleend in geval van onvoorziene omstandigheden verlengen. 5 Artikel 5.7, zesde lid artikel 5.10 , enzijn op de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, van overeenkomstige toepassing. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-01-2023
Artikel 5.9 — Artikel 5.9 Weigering accreditatie nieuwe opleiding en verlening accreditatie nieuwe opleiding onder voorwaarden#
Artikel 5.9 Weigering accreditatie nieuwe opleiding en verlening accreditatie nieuwe opleiding onder voorwaarden 1 Accreditatie nieuwe opleiding wordt door het accreditatieorgaan geweigerd indien: a. artikel 5.19 artikel 5.20 uit de aanvraag blijkt dat de opleiding die de instelling verzorgt of voornemens is te verzorgen geheel of in hoofdzaak overeenstemt met een opleiding, verzorgd door dezelfde instelling, waarvoor accreditatie is geweigerd of is ingetrokken als bedoeld inof, minder dan drie jaar voorafgaand aan de aanvraag; of b. artikel 5.7 de kwaliteit van de opleiding negatief wordt beoordeeld op een of meer kwaliteitsaspecten, genoemd in. 2 In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, kan het accreditatieorgaan accreditatie nieuwe opleiding onder voorwaarden verlenen, indien de tekortkomingen op de kwaliteitsaspecten naar zijn oordeel binnen afzienbare tijd kunnen worden weggenomen. 3 Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen accreditatie nieuwe opleiding onder voorwaarden kan worden verleend en welke voorschriften aan accreditatie nieuwe opleiding onder voorwaarden kunnen worden verbonden. De voordracht voor de algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5.10 — Artikel 5.10 Accreditatierapport#
Artikel 5.10 Accreditatierapport 1 Het accreditatieorgaan legt in het accreditatierapport vast: a. het advies van de commissie van deskundigen over de kwaliteitsaspecten; b. zijn bevindingen; c. de te verbeteren kwaliteitsaspecten, voor zover zich naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer van die aspecten tekortkomingen voordoen die binnen afzienbare tijd kunnen worden weggenomen; d. het eindoordeel voldoende of onvoldoende; e. artikel 6.13 het onderdeel van de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in, dat naar zijn oordeel voor de opleiding passend is; f. artikel 5.6, derde lid, onderdelen b en c het oordeel over de naam en de toevoeging aan de graad, bedoeld in; g. de bijzondere kenmerken van de opleiding, voor zover van toepassing. 2 Het accreditatierapport is onderdeel van het besluit op de aanvraag voor een toets nieuwe opleiding. 3 Alvorens een besluit te nemen op de aanvraag stelt het accreditatieorgaan binnen een door hem te bepalen termijn het instellingsbestuur in de gelegenheid zijn zienswijze over het voorgenomen besluit naar voren te brengen. 4 Gelijktijdig met de bekendmaking aan het instellingsbestuur van het besluit op de aanvraag, publiceert het accreditatieorgaan het besluit op een voor ieder kenbare wijze. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-01-2023
Artikel 5.11 — Artikel 5.11 Verkrijging van accreditatie bestaande opleiding#
Artikel 5.11 Verkrijging van accreditatie bestaande opleiding 1 artikel 5.12 artikel 5.13 Accreditatie bestaande opleiding kan worden verkregen door een opleiding waaraan accreditatie nieuwe opleiding is verleend en waarvan de kwaliteit voor het eind van de accreditatietermijn van accreditatie nieuwe opleiding is beoordeeld op de kwaliteitsaspecten, genoemd in, overeenkomstig de procedure genoemd in. 2 Accreditatie bestaande opleiding wordt de eerste keer verleend op aanvraag van het instellingsbestuur, die voor een door het accreditatieorgaan te bepalen datum moet worden ingediend, rekening houdend met de periode waarin visitatie, binnen de visitatiegroep waartoe de opleiding behoort, doorgaans plaatsvindt. 3 Indien van toepassing vermeldt het instellingsbestuur bij de aanvraag tevens de door hem beoogde gewijzigde a. naam van de opleiding; en b. artikel 7.10a, tweede en derde lid toevoeging aan de graad als bedoeld in, voor zover het een opleiding in het hoger beroepsonderwijs betreft. 4 artikel 5.13, vierde lid, onderdelen a en b Het instellingsbestuur verstrekt bij de aanvraag, de delen van het visitatierapport, genoemd in. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5.12 — Artikel 5.12 Beoordeling kwaliteitsaspecten accreditatie bestaande opleiding#
Artikel 5.12 Beoordeling kwaliteitsaspecten accreditatie bestaande opleiding In het kader van een aanvraag voor accreditatie bestaande opleiding wordt de kwaliteit van de opleiding beoordeeld aan de hand van de volgende kwaliteitsaspecten: a. het beoogde eindniveau van de opleiding, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is; b. de inhoud en opzet van het onderwijsprogramma; c. de kwaliteit van het docententeam; d. de opleidingsspecifieke voorzieningen alsmede de instellingsbrede voorzieningen die van invloed zijn op de kwaliteit van de opleiding, daaronder mede begrepen voldoende studiebegeleiding en voorzieningen die de toegankelijkheid en studeerbaarheid voor studenten met een functiebeperking bevorderen; e. de vormgeving en effectiviteit van de interne kwaliteitszorg gericht op de systematische verbetering van de opleiding; f. het gerealiseerde eindniveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is; en g. de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5.13 — Artikel 5.13 Visitatie van opleidingen in het kader van accreditatie bestaande opleiding#
Artikel 5.13 Visitatie van opleidingen in het kader van accreditatie bestaande opleiding 1 artikel 1.18 Onverminderd, draagt het instellingsbestuur er zorg voor dat de kwaliteit van de opleiding ter verkrijging van accreditatie bestaande opleiding wordt gevisiteerd, in samenwerking met andere instellingen binnen de visitatiegroep. Daarbij bevordert het instellingsbestuur een brede inbreng van studenten. 2 artikel 5.2, tweede lid, onderdeel c De visitatie wordt uitgevoerd door de commissie van deskundigen, bedoeld in. 3 De visitatie vindt plaats op basis van een zelfevaluatie van de opleiding door het instellingsbestuur die in beginsel een door studenten aan de opleiding geschreven bijdrage bevat. 4 Van de visitatie wordt door de commissie van deskundigen een rapport opgesteld. Het visitatierapport bevat: a. artikel 5.12 een oordeel over de kwaliteitsaspecten, genoemd in; b. een samenvatting van de beoordeling, alsmede een eindoordeel; c. een bijlage waarin de aanbevelingen voor verdere ontwikkeling van de opleiding zijn opgenomen. 5 artikel 9.31 artikel 9.37 artikel 10.17 artikel 9.30, derde lid artikel 10.16a, derde lid artikel 11.13 artikel 9.18 artikel 10.3c artikel 11.11 Het visitatierapport wordt door het instellingsbestuur binnen een week nadat het dit rapport van de commissie van deskundigen heeft ontvangen, verstrekt aan de universiteitsraad, bedoeld in, dan wel de faculteitsraad, bedoeld in, of de medezeggenschapsraad, bedoeld in, of aan de ondernemingsraad en het orgaan binnen de universiteit of de hogeschool, dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in,, respectievelijkis ingesteld, en aan de opleidingscommissie, bedoeld in,respectievelijk. 6 De bijlage, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, wordt binnen een jaar nadat het accreditatieorgaan het accreditatierapport heeft vastgesteld door het instellingsbestuur openbaar gemaakt. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5.14 — Artikel 5.14 Commissie van deskundigen en instemming#
Artikel 5.14 Commissie van deskundigen en instemming 1 5.2, tweede lid, onderdeel c Het accreditatieorgaan stemt in met de samenstelling van de commissie van deskundigen, bedoeld in, indien de commissie: a. ten minste één student-lid heeft; b. bestaat uit leden die niet verbonden zijn aan de instelling die de opleiding verzorgt; c. haar werkzaamheden aantoonbaar zo inricht dat de beoordeling van de kwaliteit van de opleiding ten behoeve van verkrijging van accreditatie bestaande opleiding apart wordt verricht van de beoordeling van de opleiding ten behoeve van aanbevelingen voor verdere ontwikkeling; en d. voldoet aan de overige waarborgen voor de onafhankelijkheid en voor deskundigheid, die in het accreditatiekader zijn opgenomen. 2 Het instellingsbestuur doet tevens een voorstel voor een secretaris voor de commissie. Het accreditatieorgaan stemt in met de voorgestelde secretaris indien hij voldoet aan de waarborgen voor de onafhankelijkheid en voor deskundigheid die in het accreditatiekader zijn opgenomen. 3 Het instellingsbestuur dient voor een door het accreditatieorgaan te bepalen datum een aanvraag in om de instemming te verkrijgen. 4 Het accreditatieorgaan beslist binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5.15 — Artikel 5.15 Beoordeling aanvraag accreditatie bestaande opleiding#
Artikel 5.15 Beoordeling aanvraag accreditatie bestaande opleiding 1 Het accreditatieorgaan beoordeelt op basis van het door hem ontvangen deel van het visitatierapport of een positief besluit op de aanvraag kan worden genomen. 2 artikel 5.11, derde lid Artikel 5.7, vierde lid In het geval, bedoeld in, alsmede indien er zich anderszins wijzigingen hebben voorgedaan in de opleiding, de sector, de visitatiegroep of de toevoeging aan de graad, beoordeelt het accreditatieorgaan tevens de naam en de toevoeging aan de graad., is van overeenkomstige toepassing. 3 Het accreditatieorgaan beslist binnen drie maanden na de uiterste aanvraagdatum op de aanvraag en verricht de beoordeling van de aanvragen van alle opleidingen binnen een visitatiegroep gezamenlijk en in dezelfde periode. 4 Indien op een aanvraag voor accreditatie bestaande opleiding pas kan worden beslist nadat de termijn van accreditatie nieuwe opleiding is verstreken, wordt de accreditatie nieuwe opleiding stilzwijgend verlengd totdat het besluit op de aanvraag voor accreditatie bestaande opleiding in werking treedt. 5 Het instellingsbestuur is het accreditatieorgaan een vergoeding verschuldigd van de kosten van de beoordeling van de aanvraag met dien verstande dat het instellingsbestuur het accreditatieorgaan geen vergoeding verschuldigd is voor de beoordeling door de commissie van deskundigen. 6 Artikel 5.10 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in het accreditatierapport tevens de visitatiegroep wordt vastgelegd waarin de opleiding wordt ingedeeld. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5.16 — Artikel 5.16 Verlening en behoud van accreditatie bestaande opleiding#
Artikel 5.16 Verlening en behoud van accreditatie bestaande opleiding 1 artikel 5.12 artikelen 5.11 tot en met 5.15 Indien de opleiding door het accreditatieorgaan op alle kwaliteitsaspecten, genoemd inpositief wordt beoordeeld, wordt accreditatie bestaande opleiding verleend, met dien verstande dat de opleiding elke zes jaar wordt herbeoordeeld en de kwaliteit van de opleiding bij die gelegenheid door het accreditatieorgaan telkens positief moet worden beoordeeld. Dezijn op de herbeoordeling van overeenkomstige toepassing. 2 In het besluit tot verlening van accreditatie bestaande opleiding en de bevestiging daarvan, bedoeld in het derde lid, vermeldt het accreditatieorgaan de datum waarop het visitatierapport moet worden overgelegd met het oog op de eerstvolgende herbeoordeling. 3 artikel 5.15, zesde lid Voor zover de opleiding telkens op alle kwaliteitsaspecten door het accreditatieorgaan positief wordt beoordeeld en de opleiding accreditatie bestaande opleiding behoudt, stuurt het accreditatieorgaan het instellingsbestuur daarvan een bevestiging binnen drie maanden na de datum, bedoeld in het tweede lid, waarop het visitatierapport moet worden overgelegd, tenzij Onze Minister uitstel heeft verleend als bedoeld in het vierde lid in welk geval de door Onze Minister bepaalde datum in de plaats treedt van de datum, bedoeld in het tweede lid. Hij stuurt daarbij een besluit met betrekking tot het eindoordeel bedoeld in, en in voorkomend geval met betrekking tot een wijziging in de naam en de toevoeging aan de graad, bedoeld in artikel 5.15, tweede lid. 4 Indien wegens onvoorziene omstandigheden het visitatierapport niet tijdig door het instellingsbestuur kan worden overgelegd, kan Onze Minister besluiten hem daarvan uitstel te verlenen. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5.17 — Artikel 5.17 Weigering accreditatie bestaande opleiding en verlening accreditatie bestaande opleiding onder voorwaarden#
Artikel 5.17 Weigering accreditatie bestaande opleiding en verlening accreditatie bestaande opleiding onder voorwaarden 1 artikel 5.12 Accreditatie bestaande opleiding wordt door het accreditatieorgaan geweigerd indien de kwaliteit van de opleiding negatief wordt beoordeeld op een of meer van de kwaliteitsaspecten, genoemd in. 2 Artikel 5.9, derde lid In afwijking van het eerste lid, kan het accreditatieorgaan accreditatie bestaande opleiding onder voorwaarden verlenen, indien de tekortkomingen op de kwaliteitsaspecten naar zijn oordeel binnen afzienbare tijd kunnen worden weggenomen., is van overeenkomstige toepassing. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5.18 — Artikel 5.18 Behoud accreditatie bestaande opleiding onder voorwaarden#
Artikel 5.18 Behoud accreditatie bestaande opleiding onder voorwaarden artikel 5.16, derde lid artikel 5.12 Artikel 5.9, derde lid Onverminderd, kan het accreditatieorgaan besluiten dat de opleiding accreditatie bestaande opleiding behoudt, ingeval de opleiding bij een herbeoordeling als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, door het accreditatieorgaan op een of meer van de kwaliteitsaspecten genoemd innegatief wordt beoordeeld maar de tekortkomingen naar zijn oordeel binnen afzienbare tijd kunnen worden weggenomen., is van overeenkomstige toepassing. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5.19 — Artikel 5.19 Intrekking van accreditatie#
Artikel 5.19 Intrekking van accreditatie 1 Accreditatie nieuwe opleiding wordt ingetrokken indien: a. artikel 5.8, eerste lid door het instellingsbestuur niet wordt voldaan aan de voorschriften, genoemd in; of b. artikel 5.8, eerste lid, onderdeel c artikel 5.7, tweede lid een opleiding na de beoordeling, bedoeld in, door het accreditatieorgaan negatief wordt beoordeeld op een of beide kwaliteitsaspecten, genoemd in. 2 In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan het accreditatieorgaan besluiten dat de opleiding accreditatie nieuwe opleiding behoudt: a. indien de tekortkomingen naar zijn oordeel binnen afzienbare tijd kunnen worden weggenomen; en b. artikel 5.9, tweede lid voor zover de opleiding niet eerder accreditatie onder voorwaarden is verleend als bedoeld in. Artikel 5.9, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. 3 artikel 5.16, eerste lid Accreditatie bestaande opleiding wordt ingetrokken indien niet wordt voldaan aan de voorschriften, genoemd in, of indien het visitatierapport niet is ingediend op de datum, bedoeld in artikel 5.16, tweede of vierde lid, indien Onze Minister daaraan toepassing heeft gegeven. 4 artikel 5.9, tweede lid artikel 5.17, tweede lid artikel 5.18 Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen accreditatie onder voorwaarden als bedoeld in,, en, wordt ingetrokken. 5 Artikel 5.10 is van overeenkomstige toepassing op het besluit tot intrekken van accreditatie. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5.20 — Artikel 5.20 Tussentijdse intrekking van accreditatie#
Artikel 5.20 Tussentijdse intrekking van accreditatie 1 artikel 5.7, eerste, respectievelijk tweede lid artikel 5.12 artikel 5.23 Onze Minister kan, na advies van het accreditatieorgaan, accreditatie nieuwe opleiding of accreditatie bestaande opleiding tussentijds intrekken, indien de kwaliteit van de opleiding zodanig is gewijzigd dat een beoordeling op de kwaliteitsaspecten, bedoeld in,of, tot een weigering of intrekking van accreditatie zou leiden. 2 artikel 5.14 artikel 5.10 artikelen 5:13 5:16 5:17 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht Voordat het accreditatieorgaan een advies uitbrengt, stelt hij een onderzoek in naar de kwaliteit van de opleiding, voor welk onderzoek hij een commissie van deskundigen als bedoeld ininstelt. Op het onderzoek isvan overeenkomstige toepassing, alsmede de,,en. 2021 135 17-03-2021 03-03-2021 35256 2021 254 02-06-2021 18-05-2021 01-07-2021
Artikel 5.21 — Artikel 5.21 Gevolgen weigering of intrekking van accreditatie#
Artikel 5.21 Gevolgen weigering of intrekking van accreditatie 1 artikel 5.17 artikel 5.19 artikel 5.20 Indien accreditatie bestaande opleiding wordt geweigerd als bedoeld inof accreditatie wordt ingetrokken als bedoeld inen, kan vanaf de datum waarop accreditatie nieuwe opleiding vervalt, dan wel vanaf de datum waarop het besluit tot intrekking van accreditatie in werking treedt: a. artikel 7.10a aan de examens geen graad als bedoeld inmeer worden verbonden; en b. artikel 1.9, eerste lid een bekostigde instelling geen aanspraak meer maken op bekostiging als bedoeld in. 2 De instelling draagt er zorg voor dat studenten, ingeschreven aan de opleiding, de gelegenheid wordt geboden de opleiding te voltooien aan een andere instelling. 3 Voor die studenten, die de opleiding niet aan een andere instelling kunnen voltooien, wordt de opleiding aan de instelling zelf voortgezet voor een termijn van de resterende nominale studieduur van deze studenten, vermeerderd met een jaar, met dien verstande dat deze studenten de opleiding zonder onderbreking blijven volgen. In afwijking van het eerste lid, kan de instelling aan de examens graden verlenen en behoudt een bekostigde instelling aanspraak op bekostiging van de opleiding gedurende die termijn. 4 Het instellingsbestuur deelt het besluit, bedoeld in het eerste lid, binnen zes weken na de bekendmaking ervan mee aan de betrokken studenten en vermeldt daarbij op welke wijze en aan welke instelling zij de opleiding kunnen voltooien. 5 Onze Minister kan een last onder dwangsom opleggen ter hoogte van 500 euro voor iedere dag dat het instellingsbestuur de termijn van zes weken, genoemd in het vierde lid, overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van 50.000 euro. 6 artikel 1.9, eerste lid artikel 7.10a artikel 6.13 In afwijking van het eerste tot en met vierde lid, kan Onze Minister, in het belang van instandhouding van een doelmatig onderwijsaanbod, besluiten dat een bekostigde instelling gedurende een door Onze Minister vast te stellen termijn aanspraak behoudt op bekostiging als bedoeld in, dat aan de examens een graad als bedoeld inblijft verbonden en dat de registratie in de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in, niet wordt beëindigd. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-01-2023
Artikel 5.22 — Artikel 5.22#
Artikel 5.22 Vervallen. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5.23 — Artikel 5.23 Aanvraag en beoordeling instellingstoets kwaliteitszorg#
Artikel 5.23 Aanvraag en beoordeling instellingstoets kwaliteitszorg 1 Een instellingstoets kwaliteitszorg is de toets op de interne kwaliteitszorg en de inzet tot verbetering van de resultaten van een instelling voor hoger onderwijs, voor zover betrekking hebbend op de kwaliteit van haar opleidingen. 2 Een instellingstoets kwaliteitszorg wordt uitgevoerd op aanvraag van het instellingsbestuur. 3 De kwaliteitszorg wordt beoordeeld aan de hand van de volgende kwaliteitsaspecten: a. de visie van de instelling op de kwaliteit van haar onderwijs; b. de vormgeving en de effectiviteit van de interne kwaliteitszorg van een instelling; c. het gevoerde beleid op het gebied van personeel en voorzieningen; en d. de voorzieningen die de toegankelijkheid en studeerbaarheid voor studenten met een functiebeperking bevorderen. 4 artikel 5.2, tweede lid, onderdeel b Het accreditatieorgaan baseert zijn oordeel of een positief besluit op de aanvraag voor de instellingstoets kwaliteitszorg kan worden genomen op een advies van de commissie van deskundigen, bedoeld in. Van de commissie maakt ten minste een student deel uit. 5 Het accreditatieorgaan neemt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een besluit. 6 Het instellingsbestuur is het accreditatieorgaan een vergoeding verschuldigd van de kosten van de beoordeling van de aanvraag, waaronder de beoordeling van de kwaliteitszorg door de commissie van deskundigen. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5.24 — Artikel 5.24 Verlening erkenning ITK#
Artikel 5.24 Verlening erkenning ITK artikel 5.23, derde lid Indien de kwaliteitszorg door het accreditatieorgaan op de aspecten, genoemd in, positief wordt beoordeeld, wordt de erkenning ITK verleend voor de duur van zes jaar. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5.25 — Artikel 5.25 Gevolgen erkenning ITK#
Artikel 5.25 Gevolgen erkenning ITK 1 artikel 5.7, eerste lid In geval van een erkenning ITK wordt in afwijking van, de kwaliteit van een opleiding bij een aanvraag voor een toets nieuwe opleiding beoordeeld aan de hand van de volgende kwaliteitsaspecten: a. het beoogde eindniveau van de opleiding, gelet op hetgeen internationaal gewenst of gangbaar is; b. de inhoud en opzet van het onderwijsprogramma en de kwaliteit van het docententeam; en c. de wijze van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten. 2 artikel 5.7, tweede lid In afwijking van, wordt de kwaliteit van een opleiding, waaraan feitelijk al onderwijs wordt verzorgd, bij een aanvraag voor een toets nieuwe opleiding beoordeeld op de kwaliteitsaspecten, genoemd in het eerste lid, onderdelen a en b, alsmede aan de hand van: a. het gerealiseerde niveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is; en b. de deugdelijkheid van de beoordeling, toetsing en examinering van de studenten. 3 artikel 5.12 artikel 5.16, eerste lid In afwijking vanwordt de kwaliteit van een opleiding bij een aanvraag voor accreditatie bestaande opleiding en bij de herbeoordelingen, bedoeld in, beoordeeld aan de hand van de kwaliteitsaspecten, genoemd in het eerste lid, onderdeel a en b, het kwaliteitsaspect, genoemd in het tweede lid, onderdeel b, alsmede aan de hand van het gerealiseerde eindniveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is. 4 artikel 5.7 artikel 5.12 Het instellingsbestuur kan het accreditatieorgaan verzoeken een of meer opleidingen in afwijking van het eerste tot en met derde lid te beoordelen op de kwaliteitsaspecten, genoemd in, respectievelijk. 5 artikel 5.8, eerste lid In afwijking van, wordt bij het verlenen van accreditatie nieuwe opleiding niet de voorwaarde gesteld tot aanvullende beoordeling als bedoeld in onderdeel c van dat artikellid. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5.26 — Artikel 5.26 Verlenging erkenning ITK#
Artikel 5.26 Verlenging erkenning ITK 1 De erkenning ITK kan bij besluit door het accreditatieorgaan worden verlengd, indien de verlenging ten minste een jaar voor het eind van de termijn van verlening van de erkenning ITK door het instellingsbestuur is aangevraagd. 2 Artikel 5.23 artikel 5.24 enzijn op de aanvraag van overeenkomstige toepassing. 3 Indien op de aanvraag tot verlenging pas kan worden beslist nadat de verleningstermijn van de erkenning ITK is verstreken, wordt het besluit waarbij de erkenning ITK was verleend stilzwijgend verlengd totdat het besluit over verlenging van de erkenning ITK in werking treedt. 4 Indien wegens onvoorziene omstandigheden de aanvraag door het instellingsbestuur niet tijdig kan worden gedaan, kan Onze Minister de erkenning met maximaal twee jaar verlengen. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5.27 — Artikel 5.27 Weigering erkenning ITK en erkenning ITK onder voorwaarden#
Artikel 5.27 Weigering erkenning ITK en erkenning ITK onder voorwaarden 1 De erkenning ITK of verlenging van de erkenning ITK wordt door het accreditatieorgaan geweigerd indien: a. binnen drie jaar voorafgaand aan de aanvraag voor een instellingstoets kwaliteitszorg de erkenning ITK is geweigerd of ingetrokken; of b. artikel 5.23, derde lid de kwaliteitszorg negatief wordt beoordeeld op een of meer kwaliteitsaspecten, genoemd in. 2 Artikel 5.9, derde lid In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan het accreditatieorgaan besluiten de erkenning ITK of de verlenging van de erkenning ITK onder voorwaarden te verlenen, indien de tekortkomingen op de kwaliteitszorg naar zijn oordeel binnen afzienbare tijd kunnen worden weggenomen.is van overeenkomstige toepassing. 3 artikel 5.27, tweede lid Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen een erkenning ITK onder voorwaarden als bedoeld in, wordt ingetrokken. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5.28 — Artikel 5.28 ITK-Rapport#
Artikel 5.28 ITK-Rapport 1 Het accreditatieorgaan legt in het ITK-rapport vast: a. het advies van de commissie van deskundigen over de kwaliteitsaspecten; b. zijn bevindingen; en c. het eindoordeel voldoende of onvoldoende. 2 Het ITK-rapport is onderdeel van het besluit op de aanvraag voor een instellingstoets kwaliteitszorg. 3 Alvorens een besluit te nemen op de aanvraag stelt het accreditatieorgaan binnen een door hem te bepalen termijn het instellingsbestuur in de gelegenheid zijn zienswijze over het voorgenomen besluit naar voren te brengen. 4 Gelijktijdig met de bekendmaking aan de instelling van het besluit op de aanvraag, publiceert het accreditatieorgaan het besluit op een voor ieder kenbare wijze. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5.29 — Artikel 5.29 Intrekking van de erkenning ITK#
Artikel 5.29 Intrekking van de erkenning ITK 1 artikel 5.23, derde lid Onze Minister kan, na advies van het accreditatieorgaan, de erkenning ITK tussentijds intrekken, indien de kwaliteitszorg zodanig is gewijzigd dat een beoordeling op de kwaliteitsaspecten, bedoeld in, tot een weigering van de erkenning ITK zou leiden. 2 artikelen 5.23, zesde lid 5.28 artikelen 5:13 5:16 5:17 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht Voordat het accreditatieorgaan een advies uitbrengt, stelt hij een onderzoek in naar de kwaliteitszorg van de opleidingen. Op het onderzoek zijn de, envan overeenkomstige toepassing, alsmede de,,en. 2021 135 17-03-2021 03-03-2021 35256 2021 254 02-06-2021 18-05-2021 01-07-2021
Artikel 5.30 — Artikel 5.30 Gevolgen weigering verlenging of intrekking van de erkenning ITK#
Artikel 5.30 Gevolgen weigering verlenging of intrekking van de erkenning ITK 1 artikel 5.6 artikel 5.11 artikel 5.25, eerste, respectievelijk tweede lid Aanvragen voor een toets nieuwe opleiding als bedoeld in, dan wel voor accreditatie bestaande opleiding als bedoeld in, ingediend voorafgaand aan het moment dat het besluit tot weigering van verlenging of het besluit tot intrekking van de erkenning ITK onherroepelijk is geworden, worden beoordeeld overeenkomstig, voor zover geen toepassing is gegeven aan het vierde lid. Op een aanvraag voor een toets nieuwe opleiding wordt beslist overeenkomstig artikel 5.25, vijfde lid. 2 artikel 5.16, eerste lid Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op visitatierapporten overgelegd ter voldoening aan het voorschrift, bedoeld in. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5.31 — Artikel 5.31 Wijziging in visitatiegroep, naam of toevoeging graad#
Artikel 5.31 Wijziging in visitatiegroep, naam of toevoeging graad 1 Het accreditatieorgaan kan, al dan niet op aanvraag van het instellingsbestuur, besluiten de opleiding in een andere visitatiegroep in te delen indien dit beter past bij de aard van de opleiding of indien dit vanwege de planning van de werkzaamheden van het accreditatieorgaan redelijk is. Het accreditatieorgaan bepaalt voor welke datum een aanvraag moet worden ingediend. 2 artikel 5.11, derde lid artikel 5.6, tweede lid artikel 5.7, vierde lid Onverminderd, kan de naam van de opleiding of de toevoeging aan de graad als bedoeld in, op aanvraag van het instellingsbestuur, bij besluit door het accreditatieorgaan tussentijds worden gewijzigd. Op de wijziging is, van overeenkomstige toepassing. 3 artikel 5.16, tweede lid In verband met een wijziging van de visitatiegroep kan Onze Minister besluiten de accreditatie nieuwe opleiding maximaal twee jaar te verlengen, dan wel besluiten maximaal twee jaar uitstel te verlenen van de datum, bedoeld in, waarop het visitatierapport moet worden overgelegd. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5.32 — Artikel 5.32 Gevolgen vernietiging van besluiten#
Artikel 5.32 Gevolgen vernietiging van besluiten artikel 22, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen artikel 6.13 Onze Minister kan bij toepassing van de bevoegdheid, bedoeld in, bepalen dat een instelling gedurende een door Onze Minister te bepalen termijn aanspraak behoudt op bekostiging, dat aan de examens een graad blijft verbonden en dat de registratie in de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in, niet wordt beëindigd. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-01-2023
Artikel 5a.1 — Artikel 5a.1 Reikwijdte#
Artikel 5a.1 Reikwijdte Vervallen 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5a.2 — Artikel 5a.2 Instelling en taken accreditatieorgaan#
Artikel 5a.2 Instelling en taken accreditatieorgaan Vervallen 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5a.2a — Artikel 5a.2a Accreditatiekader#
Artikel 5a.2a Accreditatiekader Vervallen 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5a.3 — Artikel 5a.3 Voordracht bestuursleden accreditatieorgaan#
Artikel 5a.3 Voordracht bestuursleden accreditatieorgaan Vervallen 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5a.3a — Artikel 5a.3a Vergaderingen accreditatieorgaan#
Artikel 5a.3a Vergaderingen accreditatieorgaan Vervallen 2010 293 22-07-2010 24-06-2010 32210 2010 862 29-12-2010 21-12-2010 01-01-2011
Artikel 5a.4 — Artikel 5a.4 Bezoldiging of schadeloosstelling#
Artikel 5a.4 Bezoldiging of schadeloosstelling Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 5a.5 — Artikel 5a.5 Personeel#
Artikel 5a.5 Personeel Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 5a.6 — Artikel 5a.6 Begroting#
Artikel 5a.6 Begroting Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 5a.6a — Artikel 5a.6a Inrichting begroting#
Artikel 5a.6a Inrichting begroting Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 5a.6b — Artikel 5a.6b Financiële middelen#
Artikel 5a.6b Financiële middelen Vervallen 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5a.6c — Artikel 5a.6c Voorafgaande instemming#
Artikel 5a.6c Voorafgaande instemming Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 5a.6d — Artikel 5a.6d Egalisatiereserve#
Artikel 5a.6d Egalisatiereserve Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 5a.7 — Artikel 5a.7 Jaarverslag#
Artikel 5a.7 Jaarverslag Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 5a.7a — Artikel 5a.7a Jaarrekening#
Artikel 5a.7a Jaarrekening Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 5a.7b — Artikel 5a.7b Inrichting jaarrekening#
Artikel 5a.7b Inrichting jaarrekening Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 5a.8 — Artikel 5a.8 Uitgebreide beoordelingscriteria voor verlenen van accreditatie#
Artikel 5a.8 Uitgebreide beoordelingscriteria voor verlenen van accreditatie Vervallen 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5a.8a — Artikel 5a.8a Bekendmaking beoordelende instanties#
Artikel 5a.8a Bekendmaking beoordelende instanties Vervallen 2010 293 22-07-2010 24-06-2010 32210 2010 862 29-12-2010 21-12-2010 01-01-2011
Artikel 5a.9 — Artikel 5a.9 Verlenen van accreditatie#
Artikel 5a.9 Verlenen van accreditatie Vervallen 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5a.10 — Artikel 5a.10 Accreditatierapport#
Artikel 5a.10 Accreditatierapport Vervallen 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5a.10a — Artikel 5a.10a Uitgebreide beoordelingscriteria voor verlenen toets nieuwe opleiding#
Artikel 5a.10a Uitgebreide beoordelingscriteria voor verlenen toets nieuwe opleiding Vervallen 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5a.11 — Artikel 5a.11 Toets nieuwe opleiding#
Artikel 5a.11 Toets nieuwe opleiding Vervallen 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5a.12 — Artikel 5a.12 Gevolgen verlies accreditatie#
Artikel 5a.12 Gevolgen verlies accreditatie Vervallen 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5a.12a — Artikel 5a.12a Herstelperiode#
Artikel 5a.12a Herstelperiode Vervallen 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5a.12b — Artikel 5a.12b Intrekken accreditatie en toets nieuwe opleiding#
Artikel 5a.12b Intrekken accreditatie en toets nieuwe opleiding Vervallen 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5a.13 — Artikel 5a.13 Toets nieuw Ad-programma#
Artikel 5a.13 Toets nieuw Ad-programma Vervallen 2017 390 20-10-2017 04-10-2017 34678 2017 491 20-12-2017 11-12-2017 01-01-2018
Artikel 5a.13a — Artikel 5a.13a Instellingstoets kwaliteitszorg#
Artikel 5a.13a Instellingstoets kwaliteitszorg Vervallen 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5a.13b — Artikel 5a.13b Beoordelingscriteria instellingstoets kwaliteitszorg#
Artikel 5a.13b Beoordelingscriteria instellingstoets kwaliteitszorg Vervallen 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5a.13c — Artikel 5a.13c Besluit instellingstoets kwaliteitszorg#
Artikel 5a.13c Besluit instellingstoets kwaliteitszorg Vervallen 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5a.13d — Artikel 5a.13d Beoordeling door accreditatieorgaan#
Artikel 5a.13d Beoordeling door accreditatieorgaan Vervallen 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5a.13e — Artikel 5a.13e Gevolgen besluit instellingstoets kwaliteitszorg#
Artikel 5a.13e Gevolgen besluit instellingstoets kwaliteitszorg Vervallen 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5a.13f — Artikel 5a.13f Beperkte beoordelingscriteria accreditatie bij instellingen met een instellingstoets kwaliteitszorg#
Artikel 5a.13f Beperkte beoordelingscriteria accreditatie bij instellingen met een instellingstoets kwaliteitszorg Vervallen 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5a.13g — Artikel 5a.13g Beperkte beoordelingscriteria toets nieuwe opleiding bij instellingen met een instellingstoets kwaliteitszorg#
Artikel 5a.13g Beperkte beoordelingscriteria toets nieuwe opleiding bij instellingen met een instellingstoets kwaliteitszorg Vervallen 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5a.14 — Artikel 5a.14 Inlichtingen#
Artikel 5a.14 Inlichtingen Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 5a.15 — Artikel 5a.15 Gevolgen vernietiging van besluiten#
Artikel 5a.15 Gevolgen vernietiging van besluiten Vervallen 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 5a.16 — Artikel 5a.16 Taakverwaarlozing#
Artikel 5a.16 Taakverwaarlozing Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 6.1 — Artikel 6.1 Reikwijdte#
Artikel 6.1 Reikwijdte 1 titels 1 3 Deenvan dit hoofdstuk hebben betrekking op bekostigde universiteiten en hogescholen, op de Open Universiteit en op de levensbeschouwelijke universiteiten. 2 Titel 2 titel 3 heeft uitsluitend enheeft tevens betrekking op rechtspersonen voor hoger onderwijs. 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 6.2 — Artikel 6.2 Onderwijsaanbod#
Artikel 6.2 Onderwijsaanbod 1 Het instellingsbestuur legt het voornemen tot: Artikel 7.17, derde lid ter instemming aan Onze Minister voor met het oog op de beoordeling van een doelmatig onderwijsaanbod en de beoordeling van een doelmatige taakverdeling tussen de instellingen, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs., is van overeenkomstige toepassing. a. het verzorgen van een nieuwe opleiding; b. het samenvoegen van bestaande opleidingen; of c. het gezamenlijk verzorgen van een opleiding of afstudeerrichting als bedoeld in artikel 7.3c, 2 artikel 7.3c Onze Minister kan zich bij de beoordeling van het voornemen, bedoeld in het eerste lid, laten bijstaan door een adviescommissie. Bij het samenvoegen van bestaande opleidingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, of bij het gezamenlijk verzorgen van een opleiding als bedoeld inoordeelt het accreditatieorgaan of er sprake is van een nieuwe opleiding. 3 Met inachtneming van de aanvraag kan Onze Minister zijn instemming voor het verzorgen van een nieuwe opleiding beperken tot het verzorgen van een voltijdse, deeltijdse of duale opleiding. Onze Minister kan zijn instemming ook onder andere beperkingen verlenen. 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere eisen worden gesteld aan de aanvraag om instemming. 5 In geval Onze Minister instemt met het samenvoegen van bestaande opleidingen en het accreditatieorgaan heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een nieuwe opleiding: a. dient het instellingsbestuur van de samengevoegde opleiding de aanvraag voor accreditatie bestaande opleiding in, onderscheidenlijk legt het visitatierapport voor het eerst over, op de datum waarop ten behoeve van de opleidingen die worden samengevoegd als eerste de aanvraag accreditatie bestaande opleiding zou moeten worden ingediend, onderscheidenlijk als eerste het visitatierapport zou moeten worden overgelegd; en b. kan Onze Minister desgevraagd bepalen dat het instellingsbestuur uiterlijk bij de aanvang van het zesde studiejaar, nadat de samenvoeging heeft plaatsgevonden, deze ongedaan maakt zonder dat daarvoor instemming als bedoeld in het eerste lid noodzakelijk is. Alsdan legt het instellingsbestuur voor de afzonderlijke opleidingen het visitatierapport over op de datum waarop het instellingsbestuur van de samengevoegde opleiding het visitatierapport zou moeten overleggen. 6 Onze Minister kan het instellingsbestuur maximaal twee jaar uitstel verlenen van de data, bedoeld in het vorige lid. 7 Indien sprake is van het samenvoegen van bestaande opleidingen kan Onze Minister bij het verlenen van de instemming desgevraagd bepalen dat het instellingsbestuur uiterlijk bij de aanvang van het zesde studiejaar nadat de samenvoeging heeft plaatsgevonden deze ongedaan kan maken zonder dat daarvoor instemming als bedoeld in het eerste lid noodzakelijk is. 8 Ingeval van een nieuwe opleiding in een van de openbare lichamen BES wordt bij de beoordeling gelet op de voorzieningen op het gebied van hoger onderwijs in Nederland en Aruba, Curaçao en Sint Maarten. 9 artikel 6.13 De instemming van Onze Minister vervalt, indien de opleiding niet binnen tien maanden nadat de instemming is verleend, is geregistreerd in de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in. 10 Onze Minister stelt beleidsregels vast op grond waarvan hij de aanvragen beoordeelt. Wijzigingen van de beleidsregels worden meegedeeld aan beide Kamers der Staten-Generaal. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-09-2024
Artikel 6.3 — Artikel 6.3 Adviescommissie onderwijsaanbod#
Artikel 6.3 Adviescommissie onderwijsaanbod Vervallen 2002 302 18-06-2002 06-06-2002 27920 2003 368 25-09-2003 22-09-2003 26-09-2003 12-09-2002
Artikel 6.4 — Artikel 6.4 Onthouding rechten ten aanzien van nieuwe opleidingen#
Artikel 6.4 Onthouding rechten ten aanzien van nieuwe opleidingen Vervallen 2002 302 18-06-2002 06-06-2002 27920 2003 368 25-09-2003 22-09-2003 26-09-2003
Artikel 6.5 — Artikel 6.5 Ontneming rechten aan opleidingen#
Artikel 6.5 Ontneming rechten aan opleidingen 1 artikel 1.9, eerste en tweede lid Onze Minister kan besluiten dat aan een opleiding de rechten, genoemd in, worden ontnomen, indien: a. de verzorging van die opleiding, gelet op de spreiding en de mate van verscheidenheid van de voorzieningen in het hoger onderwijs, en het profiel van de instelling die de desbetreffende opleiding verzorgt, in redelijkheid niet of niet meer doelmatig kan worden geacht, of b. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald over de kwaliteitszorg, de registratie, het onderwijs, de examens, de promoties of de vooropleidingseisen of toelatingseisen. 2 Artikel 5.21, eerste, tweede en derde lid Bij een besluit als bedoeld in het eerste lid bepaalt Onze Minister het tijdstip waarop dat besluit van kracht wordt., is van overeenkomstige toepassing. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 6.6 — Artikel 6.6 Procedure ontneming rechten aan opleidingen#
Artikel 6.6 Procedure ontneming rechten aan opleidingen 1 artikel 6.5, eerste lid, onderdeel a Onze Minister neemt een besluit op grond van, uiterlijk acht weken na de datum waarop hij het voornemen tot het ontnemen van rechten aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal bekend heeft gemaakt. Hij zendt gelijktijdig een afschrift van deze bekendmaking aan de instelling die het aangaat. Onze Minister stelt ten minste drie maanden voordat hij het voornemen aan de Tweede Kamer bekendmaakt, de instelling van zijn voornemen tot ontneming van rechten op de hoogte. 2 artikel 6.5, eerste lid, onderdeel b Voordat Onze Minister een besluit neemt op de grond, genoemd in, geeft hij het instellingsbestuur een waarschuwing onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven, bedraagt ten minste drie maanden. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 6.7 — Artikel 6.7 Toestemming voor specifieke selectiecriteria en hoger collegegeld#
Artikel 6.7 Toestemming voor specifieke selectiecriteria en hoger collegegeld 1 artikel 7.45, eerste of vijfde lid Onze Minister kan op aanvraag van het instellingsbestuur toestemming verlenen aspirant-studenten bij de inschrijving voor een opleiding te selecteren volgens door het instellingsbestuur vast te stellen criteria en in samenhang daarmee voor de geselecteerde studenten een collegegeld vast te stellen dat hoger is dan het wettelijk collegegeld, bedoeld in. 2 De toestemming van Onze Minister heeft betrekking op een bepaalde opleiding of op een bepaald programma binnen een opleiding waarvan de studielast en eindtermen gelijk zijn aan die van de opleiding. 3 Onze Minister verleent uitsluitend zijn toestemming, indien: a. de aanvraag kleinschalig en intensief onderwijs betreft, dat is gericht op een bovengemiddeld onderwijsrendement en waarbij de activiteiten binnen en buiten het curriculum met elkaar zijn verbonden; en b. de toestemming geen afbreuk doet aan de kwaliteit of de toegankelijkheid van het hoger onderwijs. 4 artikel 7.45, eerste of vijfde lid Het hogere collegegeld bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste vijf maal het wettelijk collegegeld, bedoeld in. 2021 409 31-08-2021 14-07-2021 35725 2021 443 29-09-2021 20-09-2021 01-10-2021
Artikel 6.7a — Artikel 6.7a Aan toestemming verbonden verplichtingen#
Artikel 6.7a Aan toestemming verbonden verplichtingen 1 artikel 6.7, eerste lid Aan de toestemming, bedoeld in, zijn de volgende verplichtingen voor het instellingsbestuur verbonden: a. het selecteren van aspirant-studenten; b. het vaststellen van een regeling voor de selectiecriteria en -procedure; c. het vaststellen van een regeling voor de criteria en procedure voor dispensatie van betaling van het hogere collegegeld; en d. artikel 6.7c het meewerken aan een eenmalige toetsing aan de praktijk als bedoeld in. 2 artikel 6.7, eerste lid Onze Minister kan andere verplichtingen aan de toestemming, bedoeld in, verbinden. 3 Het instellingsbestuur selecteert de aspirant-studenten uitsluitend op grond van kwalitatieve criteria. Het aantal soorten kwalitatieve selectiecriteria bedraagt ten minste twee. 2021 409 31-08-2021 14-07-2021 35725 2021 443 29-09-2021 20-09-2021 01-10-2021
Artikel 6.7b — Artikel 6.7b Aanvraag voor toestemming en advisering door accreditatieorgaan#
Artikel 6.7b Aanvraag voor toestemming en advisering door accreditatieorgaan 1 artikel 6.7, eerste lid Het instellingsbestuur dient een aanvraag als bedoeld in, in bij het accreditatieorgaan. 2 Na ontvangst van een aanvraag stelt het accreditatieorgaan ten behoeve van de beslissing van Onze Minister, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, een advies op over: a. artikel 6.7, derde lid, onder a het aspect, bedoeld in; en b. artikel 6.7, tweede lid de vraag, of de desbetreffende opleiding of het desbetreffende programma binnen een opleiding als bedoeld in, ondanks de kwalificatie door het instellingsbestuur, moet worden beschouwd als een nieuwe opleiding. 3 Het accreditatieorgaan zendt het advies, bedoeld in het tweede lid, vergezeld van de aanvraag, binnen zes maanden na indiening van de aanvraag aan Onze Minister. 4 Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot het indienen van aanvragen en de daarbij over te leggen gegevens en bescheiden. 5 In het accreditatiekader legt het accreditatieorgaan het advieskader en zijn werkwijze vast. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-09-2024
Artikel 6.7c — Artikel 6.7c Toetsing aan de praktijk#
Artikel 6.7c Toetsing aan de praktijk 1 artikel 6.7, eerste lid Indien Onze Minister aan het instellingsbestuur toestemming als bedoeld in, heeft verleend, laat het instellingsbestuur het aspect, bedoeld in artikel 6.7, derde lid, onder a, van de desbetreffende opleiding of het programma binnen de opleiding, bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, door het accreditatieorgaan zes jaar na de verlening éénmalig toetsen aan de praktijk. 2 artikel 6.7 Bij het verlenen van de toestemming, bedoeld in, kan Onze Minister bepalen dat de toetsing aan de praktijk op een ander tijdstip dan het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt dan wel dat de toetsing achterwege kan blijven, omdat daarvan geen nieuwe inzichten zijn te verwachten. 3 Het accreditatieorgaan zendt zijn bevindingen naar aanleiding van een toetsing aan de praktijk aan Onze Minister. 4 Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de toetsing aan de praktijk, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 6.7d — Artikel 6.7d Intrekking toestemming#
Artikel 6.7d Intrekking toestemming artikel 6.7, eerste lid Onze Minister kan de toestemming, bedoeld in, intrekken, indien: a. artikel 6.7, tweede lid de opleiding dan wel het programma binnen een opleiding, bedoeld in, niet langer voldoet aan het aspect, bedoeld in artikel 6.7, derde lid, onder a; b. artikel 6.7, tweede lid de opleiding of het programma binnen een opleiding, bedoeld in, moet worden beschouwd als een nieuwe opleiding; c. de kwaliteit of de toegankelijkheid van het hoger onderwijs in gevaar komt; of d. artikel 6.7a het instellingsbestuur de verplichtingen, bedoeld in, niet naleeft. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 6.8 — Artikel 6.8 Onthouding rechten aan nieuwe opleidingen#
Artikel 6.8 Onthouding rechten aan nieuwe opleidingen Vervallen 2002 302 18-06-2002 06-06-2002 27920 2003 368 25-09-2003 22-09-2003 26-09-2003
Artikel 6.9 — Artikel 6.9 Verlening rechten verbonden aan een eerste opleiding van een rechtspersoon#
Artikel 6.9 Verlening rechten verbonden aan een eerste opleiding van een rechtspersoon 1 artikel 7.10a Een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die de bevoegdheid wenst te verkrijgen om graden te verlenen als bedoeld in, dient daartoe een verzoek in bij Onze Minister onder overlegging van een verzwaarde toets nieuwe opleiding voor een bacheloropleiding of een masteropleiding. 2 artikelen 1.12, tweede lid 1.12a artikel 12, eerste en vierde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers Naar aanleiding van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, adviseert de inspectie Onze Minister over de continuïteit van de desbetreffende rechtspersoon en de naleving door de desbetreffende rechtspersoon van deenen van de leveringsverplichting, bedoeld in. 3 artikelen 1.12, eerste lid 1.12a artikelen 1.3, vijfde lid artikel 12, eerste en vierde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers Naar aanleiding van het verzoek en mede op grond van het advies beslist Onze Minister of de, ofop de opleiding, verzorgd door de desbetreffende rechtspersoon, van toepassing zijn. Onze Minister wijst het verzoek om graden te mogen verlenen in ieder geval af indien de continuïteit van de desbetreffende rechtspersoon of de naleving van de, en 1.12, tweede lid en derde lid, en van de leveringsverplichting, bedoeld inin onvoldoende mate zijn gewaarborgd. Onze Minister neemt binnen 16 weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, een besluit. 4 artikelen 1.12 1.12a Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de desbetreffende rechtspersoon de opleiding overdraagt aan een andere rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarop deofop het moment van de overdracht niet van toepassing zijn. 5 artikel 6.13 artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel a artikel 5.21, derde lid Indien door de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon geen in de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in, geregistreerde opleidingen meer worden verzorgd, naast een associate degree-opleiding als bedoeld in, niet langer een bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel b, of uitsluitend een opleiding in afbouw als bedoeld in, wordt verzorgd dan wel door de rechtspersoon uitsluitend een opleiding in afbouw als bedoeld in artikel 5.21, derde lid, wordt verzorgd, kan deze rechtspersoon slechts opnieuw graden verlenen na toepassing van het eerste tot en met derde lid. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-01-2023
Artikel 6.10 — Artikel 6.10 Ontneming rechten verbonden aan opleidingen, verzorgd door rechtspersonen voor hoger onderwijs#
Artikel 6.10 Ontneming rechten verbonden aan opleidingen, verzorgd door rechtspersonen voor hoger onderwijs 1 artikel 1.12, eerste lid artikelen 1.3, vijfde lid 1.12, tweede lid artikel 12, eerste en vierde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers Onze Minister kan besluiten dat aan een opleiding of aan alle opleidingen, verzorgd door een rechtspersoon voor hoger onderwijs, de rechten, genoemd in, worden ontnomen, indien de continuïteit van de desbetreffende rechtspersoon of de naleving van de,, of 1.12, derde lid, niet of niet langer is gewaarborgd of aan de leveringsverplichting, bedoeld in, niet of niet meer wordt voldaan. 2 artikel 7.10a artikel 6.13 artikel 1.22, eerste lid artikel 1.23, eerste lid Een besluit op grond van het eerste lid houdt in dat aan de examens van de desbetreffende opleiding of van alle opleidingen geen graad als bedoeld inis verbonden, dat de registratie in de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in, wordt beëindigd en dat de instelling niet meer het recht heeft zich universiteit te noemen, als bedoeld in, dan wel hogeschool als bedoeld in. 3 Artikel 6.5, tweede en derde lid artikel 6.6 , enzijn van overeenkomstige toepassing. 4 Voordat Onze Minister een besluit op grond van het eerste lid neemt, geeft hij het instellingsbestuur een waarschuwing onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven, bedraagt ten minste drie maanden. 5 artikel 7.10a artikel 6.9 Indien Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid heeft genomen ten aanzien van alle opleidingen verzorgd door de desbetreffende rechtspersoon, kan deze rechtspersoon slechts opnieuw graden als bedoeld inverlenen na toepassing van. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-01-2023
Artikel 6.11 — Artikel 6.11 Commissie van advies#
Artikel 6.11 Commissie van advies 1 artikel 1.3, vijfde lid, eerste en tweede volzin artikel 6.9, eerste lid artikel 6.5, eerste lid 6.10, eerste lid 15.1, eerste lid artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht Er is een commissie van advies die tot taak heeft om Onze Minister op diens verzoek advies te geven indien hij, vanwege het door een instelling niet nakomen van de verplichting het maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef van studenten te bevorderen als bedoeld in, overweegt een besluit te nemen om een verzoek als bedoeld in, af te wijzen of een besluit te nemen op grond van,, of, van deze wet dan wel op grond van. 2 Onze Minister neemt geen besluit als bedoeld in het eerste lid dan nadat hij advies heeft gevraagd aan de commissie van advies. 3 artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren De commissie bestaat uit drie leden die voldoen aan de vereisten voor benoembaarheid tot rechterlijk ambtenaar, bedoeld in. De leden worden benoemd en ontslagen door Onze Minister. 4 Over de samenstelling, werkwijze en bezoldiging van de commissie worden regels gesteld bij ministeriële regeling. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-09-2024
Artikel 6.12 — Artikel 6.12 Intrekking aanwijzing instelling#
Artikel 6.12 Intrekking aanwijzing instelling Vervallen 2013 88 08-03-2013 07-02-2013 33336 2013 276 03-07-2013 29-05-2013 04-07-2013
Artikel 6.12a — Artikel 6.12a Begripsbepalingen titel 3#
Artikel 6.12a Begripsbepalingen titel 3 Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 6.13 — Artikel 6.13 De Registratie instellingen en opleidingen#
Artikel 6.13 De Registratie instellingen en opleidingen 1 De Registratie instellingen en opleidingen omvat een systematisch geordende verzameling gegevens met betrekking tot de opleidingen die door de instellingen voor hoger onderwijs verzorgd worden. Onze Minister is belast met de aanleg, het beheer en de bekendmaking van het register en met het verstrekken van informatie uit het register. 2 Vervallen. 3 Bij algemene maatregel van bestuur worden de inrichting en de werking van de Registratie instellingen en opleidingen geregeld. Deze bevat bepalingen omtrent het verstrekken van informatie uit het register. Daarbij kan worden bepaald dat voor het verstrekken van informatie aan anderen dan de besturen van de instellingen waarop deze wet betrekking heeft, een in de algemene maatregel van bestuur vastgestelde vergoeding verschuldigd is. De algemene maatregel van bestuur bevat de indeling van het register in onderdelen en voorzover nodig subonderdelen. De onderdelen betreffen gebieden van onderwijs. De indeling bevat ten minste onderdelen voor de volgende gebieden van onderwijs: onderwijs, landbouw en natuurlijke omgeving, techniek, recht, taal en cultuur, en gezondheidszorg. De indeling bevat voorts voor het onderdeel onderwijs in elk geval het subonderdeel lerarenopleidingen op het gebied van de kunst en voor het onderdeel taal en cultuur in elk geval het subonderdeel opleidingen op het gebied van de kunst. 4 artikel 7.3a De Registratie instellingen en opleidingen bevat van elke opleiding als bedoeld inde volgende gegevens: a. de naam van de opleiding en de instelling die de opleiding verzorgt, gesteld in het Nederlands en desgewenst in het Engels of in een andere internationale taal die gangbaar is, b. of het hoger beroepsonderwijs dan wel wetenschappelijk onderwijs betreft, c. of de opleiding is geaccrediteerd dan wel de toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan alsmede de geldigheidsduur daarvan, d. de indeling in het register, e. artikel 7.3c indien het een gezamenlijke opleiding, een gezamenlijke afstudeerrichting of een gezamenlijk Ad-programma als bedoeld inbetreft: aan welke instellingen de opleiding, de afstudeerrichting of het Ad-programma wordt verzorgd, f. het voltijdse, deeltijdse of duale karakter, g. de studielast waarbij ten aanzien van masteropleidingen is aangegeven of deze is vastgesteld van rechtswege, door het instellingsbestuur of, wat betreft masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs, op zijn verzoek door Onze Minister, h. of aan een bacheloropleiding een propedeutisch examen is verbonden, i. of het een opleiding gericht op een bepaald beroep betreft, waarvoor bij of krachtens de wet vereisten zijn vastgesteld, j. artikel 7.25, vierde lid of toepassing is gegeven aan, k. artikel 7.27 of eisen omtrent het verrichten van werkzaamheden als bedoeld ingesteld worden, l. de gemeente, de gemeenten, het openbaar lichaam BES, de openbare lichamen BES of de plaats in het buitenland waar de opleiding is gevestigd, m. artikel 5.21, tweede lid vastgestelde termijn de door de instelling op grond van, n. artikel 5.21, zesde lid artikel 5.32 de door Onze Minister op grond van, of, vastgestelde termijn, o. artikel 5.9, tweede lid artikel 5.17, tweede lid artikel 5.18 of toepassing is gegeven aan,, respectievelijk, p. het tijdstip waarop voor het eerst inschrijving voor de opleiding mogelijk is, q. indien de opleiding niet langer zal worden verzorgd, het tijdstip waarop de registratie zal worden beëindigd, alsmede het tijdstip waarop voor het eerst inschrijving in de propedeutische fase van de opleiding of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een associate degree-opleiding of een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een studielast van 60 studiepunten, niet meer mogelijk is, r. artikel 5.31, derde lid indien toepassing is gegeven aan, de termijn waarvoor accreditatie nieuwe opleiding wordt verlengd, s. artikel 6.7 of Onze Minister met betrekking tot een opleiding toestemming heeft verleend voor het hanteren van specifieke selectiecriteria, bedoeld in, en in samenhang daarmee voor het vaststellen van een hoger collegegeld als bedoeld in dat artikel, t. artikel 6.7 of binnen de opleiding een programma wordt aangeboden ten aanzien waarvan Onze Minister toestemming heeft verleend voor het hanteren van specifieke selectiecriteria, bedoeld in, en in samenhang daarmee voor het vaststellen van een hoger collegegeld als bedoeld in dat artikel, u. artikel 6.8 of Onze Minister toestemming heeft verleend voor het vaststellen van een hoger collegegeld als bedoeld in, v. artikel 7.9a of binnen de opleiding een versneld traject wordt aangeboden als bedoeld in, w. artikel 7.10a, eerste en tweede lid de graad en de toevoeging ingevolge, x. artikel 7.53, eerste lid of toepassing is gegeven aan, y. Wet NLQF het NLQF-niveau dat is vastgesteld bij of krachtens deen het daarmee corresponderende EQF-niveau. 5 artikel 7.3b De Registratie instellingen en opleidingen bevat van elke opleiding als bedoeld in: a. de naam van de opleiding en de rechtspersoon waarvan de opleiding uitgaat, en b. de gegevens, bedoeld in het vierde lid, onderdelen b tot en met g, m, n, o, q, v, w en y. 6 Onze Minister legt het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde lid, voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat dertig dagen na die voorlegging zijn verstreken. 2024 223 24-07-2024 26-06-2024 36341 2024 153 12-06-2024 22-05-2024 36410VIII 2024 314 28-10-2024 22-10-2024 01-01-2025
Artikel 6.14 — Artikel 6.14 De registratieprocedure#
Artikel 6.14 De registratieprocedure 1 artikel 6.2, vijfde lid, onderdeel b artikel 5.16, derde lid Het instellingsbestuur doet een aanvraag tot registratie van een opleiding waaraan accreditatie is verleend. Indien er sprake is van het ongedaan maken van een samenvoeging als bedoeld in, doet het instellingsbestuur een nieuwe aanvraag tot registratie van de oorspronkelijke opleidingen. Voor zover er sprake is van het behoud van accreditatie bestaande opleiding doet het accreditatieorgaan een melding tot het registreren van de bevestiging, bedoeld in, en het daarbij vermelden van de datum waarop het eerstvolgende visitatierapport moet worden overgelegd. 2 artikel 6.13, vierde lid artikel 5.8, eerste lid artikel 5.16, eerste lid artikel 5.22, tweede lid artikel 6.2, eerste lid 7.5c, eerste lid De aanvraag geschiedt onder vermelding van de gegevens, bedoeld in. Bij de aanvraag voegt het instellingsbestuur het besluit, bedoeld in,, of, en het besluit, bedoeld in. Het instellingsbestuur dat een aanvraag doet voor registratie van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs voegt zo nodig het besluit, bedoeld in, toe. 3 Onze Minister registreert binnen een redelijke termijn de opleiding overeenkomstig de door het instellingsbestuur verstrekte gegevens in de Registratie instellingen en opleidingen. 4 artikel 5.8, eerste lid, onderdelen a en b artikel 6.15 Indien de gegevens niet volledig zijn of de indeling in de Registratie instellingen en opleidingen naar het oordeel van Onze Minister in redelijkheid niet passend kan worden geacht voor de opleiding stelt Onze Minister het instellingsbestuur in de gelegenheid om, binnen een door Onze Minister te bepalen termijn, te voorzien in de ontbrekende gegevens onderscheidenlijk de indeling te herzien. Hij houdt daarbij rekening met de termijn, bedoeld in. Onverminderdweigert Onze Minister registratie in het register uitsluitend, indien Onze Minister de gegevens binnen deze termijn niet of niet volledig heeft ontvangen, indien hij constateert dat de gegevens niet juist zijn, of indien de herziene indeling naar het oordeel van Onze Minister in redelijkheid niet passend geoordeeld kan worden voor de opleiding. 5 Indien Onze Minister constateert dat de gegevens in de Registratie instellingen en opleidingen onvolledig of onjuist zijn of de indeling niet passend is voor de opleiding, kunnen de gegevens of de indeling door Onze Minister aangepast worden. 6 artikel 6.13, vierde en vijfde lid Dit artikel is van overeenkomstige toepassing bij wijziging van de gegevens, bedoeld in. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-01-2023
Artikel 6.15 — Artikel 6.15 Beëindiging registratie#
Artikel 6.15 Beëindiging registratie 1 artikel 7.3a Onze Minister beëindigt de registratie van een opleiding als bedoeld inindien: a. artikel 7.3, zesde lid het instellingsbestuur te kennen heeft gegeven dat de instelling de opleiding beëindigt, na de termijn bedoeld in; b. artikel 5.21, eerste lid accreditatie bestaande opleiding wordt geweigerd of accreditatie wordt ingetrokken, op de datum, bedoeld in, of na de termijn, bedoeld in het derde lid; c. artikel 6.5 artikel 1.9, eerste en tweede lid Onze Minister met toepassing vanheeft besloten dat ten aanzien van de opleiding de rechten, genoemd in, ontnomen worden; of d. artikelen 6.9, vierde lid 6.10 artikel 1.12 Onze Minister met toepassing van de, ofheeft besloten dat ten aanzien van de opleiding de rechten, bedoeld in, ontnomen worden. 2 artikel 6.13, vierde lid, onder l artikel 7.17a Onze Minister wijzigt de registratie van het gegeven, bedoeld in, overeenkomstig het besluit, bedoeld in. 3 artikel 6.13, vierde lid, onderdeel s artikel 6.7d Onze Minister wijzigt de registratie van het gegeven, bedoeld in, overeenkomstig het besluit, bedoeld in. 4 De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, onder a, geschiedt uiterlijk op 28 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het eerste studiejaar waarin de inschrijving voor de propedeutische fase van de bacheloropleiding of, indien die fase niet is ingesteld, de inschrijving voor een opleiding niet meer openstaat. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-09-2024
Artikel 6.16 — Artikel 6.16 Bijzondere bepalingen voortgezette kunstopleidingen en voortgezette opleidingen bouwkunst#
Artikel 6.16 Bijzondere bepalingen voortgezette kunstopleidingen en voortgezette opleidingen bouwkunst Vervallen 2002 303 18-06-2002 06-06-2002 28024 2002 303 18-06-2002 06-06-2002 28024 01-09-2002
Artikel 7.1 — Artikel 7.1 Reikwijdte#
Artikel 7.1 Reikwijdte 1 Dit hoofdstuk heeft betrekking op bekostigde universiteiten en hogescholen, op de Open Universiteit en op de levensbeschouwelijke universiteiten. 2 titels 1 2 van dit hoofdstuk artikelen 7.3a, tweede lid, onder c 7.8b 7.17 7.17a 7.18 7.22 7.25 7.30b, tweede tot en met zesde lid 7.30e Deen, met uitzondering van de,,,,,,,, en, zijn van toepassing op de rechtspersonen voor hoger onderwijs. 3 titel 3 van dit hoofdstuk artikelen 7.39 7.42b 7.52, eerste lid en zesde tot en met achtste Vanzijn de,enlid van toepassing op de rechtspersonen voor hoger onderwijs. 2021 409 31-08-2021 14-07-2021 35725 2021 443 29-09-2021 20-09-2021 01-10-2021 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is.
Artikel 7.2 — Artikel 7.2 Taal#
Artikel 7.2 Taal Het onderwijs wordt gegeven en de examens worden afgenomen in het Nederlands. In afwijking van de eerste volzin kan een andere taal worden gebezigd: a. wanneer het een opleiding met betrekking tot die taal betreft, b. wanneer het onderwijs betreft dat in het kader van een gastcollege door een anderstalige docent gegeven wordt, of c. indien de specifieke aard, de inrichting of de kwaliteit van het onderwijs dan wel de herkomst van de studenten daartoe noodzaakt, overeenkomstig een door het instellingsbestuur vastgestelde gedragscode. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 7.3 — Artikel 7.3 Opleidingen en onderwijseenheden#
Artikel 7.3 Opleidingen en onderwijseenheden 1 Het onderwijs wordt door de instelling aangeboden in de vorm van opleidingen. 2 Een opleiding is een samenhangend geheel van onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van welomschreven doelstellingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden waarover degene die de opleiding voltooit, dient te beschikken. Een onderwijseenheid kan betrekking hebben op de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening en op de beroepsuitoefening in verband met het onderwijs in een duale opleiding, voorzover deze activiteiten onder begeleiding van het instellingsbestuur plaatsvinden. 3 Duale opleidingen, deeltijdse opleidingen, voltijdse opleidingen in het hoger beroepsonderwijs en voltijdse opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs met een substantiële praktijkcomponent ten aanzien waarvan dit bij ministeriële regeling is bepaald, kunnen geheel of gedeeltelijk bestaan uit eenheden van leeruitkomsten. Bij deze ministeriële regeling worden tevens voorschriften van procedurele aard vastgesteld met betrekking tot de toepassing van dit lid. Deze voorschriften bevatten in ieder geval een regeling over de wijze waarop de docenten die verbonden zijn aan de desbetreffende opleiding kunnen instemmen met het gebruik van eenheden van leeruitkomsten. 4 Aan elke opleiding is een examen verbonden. Aan elke onderwijseenheid is een tentamen verbonden. 5 titel 3 van hoofdstuk 6 Elke opleiding wordt op de voet vangeregistreerd in de Registratie instellingen en opleidingen. 6 Het examen, bedoeld in het derde lid, dat met goed gevolg is afgelegd en de met het oog daarop vervaardigde werkstukken worden door het instellingsbestuur gedurende een periode van ten minste zeven jaar bewaard. 7 Indien het instellingsbestuur besluit een opleiding te beëindigen, worden de aan die opleiding ingeschreven studenten in de gelegenheid gesteld hun opleiding zonder onderbreking bij die instelling te vervolgen. Daarbij wordt een termijn in acht genomen die ten hoogste de voor de betrokken studenten resterende, aan de studielast van de opleiding gerelateerde studieduur vermeerderd met een jaar bedraagt. 2024 279 14-10-2024 30-09-2024 36136 2024 345 15-11-2024 09-11-2024 01-01-2025
Artikel 7.3a — Artikel 7.3a Associate degree-, bachelor- en masteropleidingen#
Artikel 7.3a Associate degree-, bachelor- en masteropleidingen 1 Binnen het wetenschappelijk onderwijs worden onderscheiden: a. bacheloropleidingen, en b. masteropleidingen, volgend op de bacheloropleidingen, bedoeld onder a. 2 Binnen het hoger beroepsonderwijs worden onderscheiden: a. associate degree-opleidingen, b. bacheloropleidingen, en c. masteropleidingen volgend op de bacheloropleidingen, bedoeld onder b. 2017 390 20-10-2017 04-10-2017 34678 2017 491 20-12-2017 11-12-2017 01-01-2018
Artikel 7.3b — Artikel 7.3b Postinitiële masteropleidingen#
Artikel 7.3b Postinitiële masteropleidingen Naast de opleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, worden binnen het hoger onderwijs onderscheiden: a. postinitiële masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs, en b. postinitiële masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs. 2002 303 18-06-2002 06-06-2002 28024 2002 303 18-06-2002 06-06-2002 28024 01-09-2002
Artikel 7.3c — Artikel 7.3c Gezamenlijk onderwijs#
Artikel 7.3c Gezamenlijk onderwijs 1 Een instelling voor hoger onderwijs kan gezamenlijk met een of meer Nederlandse of buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs een opleiding of een afstudeerrichting verzorgen. 2 Indien een gezamenlijke opleiding of een gezamenlijke afstudeerrichting uitsluitend door Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs wordt verzorgd, is daaraan een gezamenlijke graad verbonden. 3 Indien een gezamenlijke opleiding of een gezamenlijke afstudeerrichting mede door een buitenlandse instelling voor hoger onderwijs wordt verzorgd, kan daaraan een gezamenlijke graad of kunnen daaraan twee of meer afzonderlijke graden worden verbonden, afhankelijk van het aantal daarbij betrokken instellingen voor hoger onderwijs. 4 Een instelling voor hoger onderwijs kan uitsluitend gezamenlijk met een buitenlandse instelling voor hoger onderwijs een opleiding of een afstudeerrichting verzorgen, indien het instellingsbestuur met betrekking tot dat onderwijs met de buitenlandse instelling voor hoger onderwijs een overeenkomst heeft afgesloten. 5 In de overeenkomst, bedoeld in het vierde lid, maakt het instellingsbestuur in ieder geval afspraken met betrekking tot: a. de inhoud van het gezamenlijke onderwijs; b. de onderscheiden onderwijsactiviteiten van de betrokken instellingen voor hoger onderwijs daarbij; c. de wijze van graadverlening; d. de inschrijving van studenten; en e. de collegegeldverplichtingen voor studenten. 2017 390 20-10-2017 04-10-2017 34678 2017 491 20-12-2017 11-12-2017 01-01-2018
Artikel 7.3d — Artikel 7.3d Naleving wettelijke voorschriften in geval van gezamenlijk onderwijs#
Artikel 7.3d Naleving wettelijke voorschriften in geval van gezamenlijk onderwijs 1 artikelen 5.6 5.11 6.2 6.14 7.5a, onderdeel a 7.5b, eerste lid, onderdeel a 7.5d, onderdeel a 7.8 7.8a 7.8b 7.9 7.9a 7.9b 7.10a 7.11 7.12a 7.13 7.17 7.24 tot en met 7.30d 7.32 7.37 7.42 7.42a 9.18 10.3c 11.11 In geval een Nederlandse instelling voor hoger onderwijs gezamenlijk met een of meer andere Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs een opleiding of een afstudeerrichting verzorgt, zijn die instellingsbesturen gezamenlijk verantwoordelijk voor de naleving van de,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,en. 2 Voor de naleving van andere dan de in het eerste lid bedoelde voorschriften op grond van deze wet die betrekking hebben op een opleiding of een afstudeerrichting leggen de betrokken instellingsbesturen in een overeenkomst vast welk instellingsbestuur daarvoor verantwoordelijk is. 2021 263 07-06-2021 07-04-2021 35582 2021 325 09-07-2021 22-06-2021 01-09-2021
Artikel 7.3e — Artikel 7.3e Bijzonder inschrijvingsregime gezamenlijk onderwijs#
Artikel 7.3e Bijzonder inschrijvingsregime gezamenlijk onderwijs 1 Als een student of een aspirant-student zich voor een gezamenlijke opleiding of een gezamenlijke afstudeerrichting bij een Nederlandse instelling voor hoger onderwijs laat inschrijven, draagt die instelling er zorg voor dat die student ook wordt ingeschreven bij de andere betrokken Nederlandse instelling of instellingen voor hoger onderwijs. 2 In geval van een gezamenlijke opleiding of een gezamenlijke afstudeerrichting met een of meer buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs kan het instellingsbestuur een student of een aspirant-student verplichten zich gedurende die opleiding of die afstudeerrichting onafgebroken bij de Nederlandse instelling of instellingen voor hoger onderwijs in te schrijven. 2017 390 20-10-2017 04-10-2017 34678 2017 491 20-12-2017 11-12-2017 01-01-2018
Artikel 7.3f — Artikel 7.3f Bijzonder collegegeldregime gezamenlijk onderwijs#
Artikel 7.3f Bijzonder collegegeldregime gezamenlijk onderwijs 1 artikel 7.45 Het bestuur van de betrokken Nederlandse instelling voor hoger onderwijs is ten aanzien van studenten die zich hebben ingeschreven bij een gezamenlijke opleiding of een gezamenlijke afstudeerrichting met een buitenlandse instelling, bevoegd het collegegeld op nihil te stellen dan wel lager vast te stellen dan het bedrag van het collegegeld bedoeld in. 2 Artikel 7.46, tweede lid, tweede volzin , is van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van het collegegeld, bedoeld in het eerste lid. 2017 390 20-10-2017 04-10-2017 34678 2017 491 20-12-2017 11-12-2017 01-01-2018
Artikel 7.3g — Artikel 7.3g Uitvoeringsvoorschriften gezamenlijk onderwijs#
Artikel 7.3g Uitvoeringsvoorschriften gezamenlijk onderwijs artikelen 7.3c tot en met 7.3f Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden vastgesteld ter uitvoering van de. 2017 306 17-07-2017 07-06-2017 34355 2017 319 25-08-2017 19-08-2017 01-09-2017
Artikel 7.3h — Artikel 7.3h Opleidingen tot piloot of luchtverkeersleider#
Artikel 7.3h Opleidingen tot piloot of luchtverkeersleider 1 Een instelling voor hoger onderwijs kan in samenwerking met een opleidingsorganisatie als bedoeld in Verordening (EU) nr. 1178/2011 een bacheloropleiding of een afstudeerrichting in het hoger beroepsonderwijs op het gebied van de luchtvaart verzorgen waarvan de opleidingsorganisatie het gedeelte verzorgt dat opleidt tot het beroep van piloot. 2 Een instelling voor hoger onderwijs kan in samenwerking met een opleidingsorganisatie als bedoeld in Verordening (EU) 2015/340 een bacheloropleiding of een afstudeerrichting in het hoger beroepsonderwijs op het gebied van de luchtvaart verzorgen waarvan de opleidingsorganisatie het gedeelte verzorgt dat opleidt tot het beroep van luchtverkeersleider. 3 Een instelling voor hoger onderwijs kan uitsluitend een bacheloropleiding of een afstudeerrichting in samenwerking met een opleidingsorganisatie verzorgen, indien het instellingsbestuur met de opleidingsorganisatie een overeenkomst heeft afgesloten. 4 De overeenkomst bevat in elk geval: a. afspraken over de inhoud van het gedeelte van de bacheloropleiding of afstudeerrichting dat wordt verzorgd door de opleidingsorganisatie; en b. de verplichting voor de opleidingsorganisatie tot: 1°. hoofdstuk 5 het verlenen van medewerking aan activiteiten van het accreditatieorgaan op grond van; en 2°. het laten deelnemen van studenten die hiervoor door het instellingsbestuur zijn geselecteerd aan het gedeelte van de bacheloropleiding of afstudeerrichting dat wordt verzorgd door de opleidingsorganisatie. 5 De propedeutische fase, de afstudeerfase en het afsluitend examen worden in ieder geval verzorgd door de instelling voor hoger onderwijs. 6 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden vastgesteld ter uitvoering van dit artikel. 2021 263 07-06-2021 07-04-2021 35582 2021 325 09-07-2021 22-06-2021 01-09-2021
Artikel 7.3i — Artikel 7.3i Selectie voor een opleiding of afstudeerrichting gericht op het beroep van piloot of luchtverkeersleider#
Artikel 7.3i Selectie voor een opleiding of afstudeerrichting gericht op het beroep van piloot of luchtverkeersleider 1 artikel 7.3h Indien een instellingsbestuur een opleiding of afstudeerrichting als bedoeld inaanbiedt, selecteert het instellingsbestuur daarvoor studenten die naar het oordeel van de opleidingsorganisatie geschikt zijn voor het desbetreffende onderwijs. 2 Het instellingsbestuur stelt regels vast met betrekking tot de selectieprocedure. 2021 263 07-06-2021 07-04-2021 35582 2021 325 09-07-2021 22-06-2021 01-09-2021
Artikel 7.3j — Artikel 7.3j Vrij onderwijsprogramma in het wetenschappelijk onderwijs#
Artikel 7.3j Vrij onderwijsprogramma in het wetenschappelijk onderwijs artikel 7.12b, eerste lid, onderdeel c Een student die is ingeschreven voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs kan, uit onderwijseenheden die door een instelling worden verzorgd, een programma samenstellen waaraan een examen is verbonden. Indien nodig wijst het instellingsbestuur een examencommissie aan die met het verlenen van toestemming als bedoeld in, is belast. 2021 409 31-08-2021 14-07-2021 35725 2021 443 29-09-2021 20-09-2021 01-10-2021
Artikel 7.4 — Artikel 7.4 Studiepunten#
Artikel 7.4 Studiepunten 1 De studielast van elke opleiding en elke onderwijseenheid wordt door het instellingsbestuur uitgedrukt in studiepunten. De studielast voor een studiejaar bedraagt 60 studiepunten. 60 studiepunten is gelijk aan 1.680 uren studie. 2 Een opleiding wordt zodanig ingericht dat een student in staat is het aantal studiepunten te behalen waarop de studielast voor een studiejaar gebaseerd is. 2021 263 07-06-2021 07-04-2021 35582 2021 325 09-07-2021 22-06-2021 01-09-2021
Artikel 7.5 — Artikel 7.5 Reguliere studielast opleidingen#
Artikel 7.5 Reguliere studielast opleidingen 1 artikelen 7.5a tot en met 7.5d Onverminderd debedraagt de studielast van: a. een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs 180 studiepunten; b. een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs 60 studiepunten; c. een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs 240 studiepunten; d. een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs 60 studiepunten; en e. een associate degree-opleiding 120 studiepunten. 2 Met inachtneming van het eerste lid bepaalt het instellingsbestuur de jaarlijkse studielast van deeltijdopleidingen. 2021 263 07-06-2021 07-04-2021 35582 2021 325 09-07-2021 22-06-2021 01-09-2021
Artikel 7.5a — Artikel 7.5a Bijzondere studielast van opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs#
Artikel 7.5a Bijzondere studielast van opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs De studielast van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs: a. tot leraar voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs in vakken van voortgezet onderwijs bedraagt ten minste 60 studiepunten en ten hoogste 120 studiepunten. Het instellingsbestuur bepaalt binnen die bandbreedte de studielast van de opleiding; b. voor het beroep van wijsgeer van een bepaald wetenschapsgebied bedraagt 120 studiepunten; c. voor het beroep van arts, dierenarts, apotheker, tandarts en klinisch technoloog bedraagt 180 studiepunten; en d. geneeskunde, klinisch onderzoeker bedraagt 240 studiepunten. 2021 263 07-06-2021 07-04-2021 35582 2021 325 09-07-2021 22-06-2021 01-09-2021
Artikel 7.5b — Artikel 7.5b Bijzondere studielast van opleidingen in het hoger beroepsonderwijs#
Artikel 7.5b Bijzondere studielast van opleidingen in het hoger beroepsonderwijs 1 De studielast van een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs: a. op het gebied van de kunst bedraagt een door het instellingsbestuur te bepalen studielast van ten minste 60 studiepunten en ten hoogste 120 studiepunten; b. tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in algemene vakken bedraagt 90 studiepunten; c. tot advanced nurse practitioner bedraagt 120 studiepunten; d. tot physician assistant bedraagt 150 studiepunten; en e. op het gebied van de bouwkunst bedraagt 240 studiepunten. 2 artikel 7.9a, eerste lid De studielast van een versneld traject als bedoeld in, bedraagt 180 studiepunten. 2021 263 07-06-2021 07-04-2021 35582 2021 325 09-07-2021 22-06-2021 01-09-2021
Artikel 7.5c — Artikel 7.5c Studielast van door Onze Minister aangewezen opleidingen#
Artikel 7.5c Studielast van door Onze Minister aangewezen opleidingen 1 Onze Minister kan op aanvraag bacheloropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs aanwijzen, waarvan de studielast meer dan 180 studiepunten, maar ten hoogste 240 studiepunten bedraagt. In het besluit op de aanvraag bepaalt Onze Minister de studielast van de opleiding. 2 Onze Minister kan op aanvraag masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs of in het hoger beroepsonderwijs aanwijzen, waarvan de studielast 120 studiepunten bedraagt. 3 Onze Minister kan op aanvraag masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs die mede zijn gericht op een levensbeschouwelijk ambt of beroep aanwijzen, waarvan de studielast 180 studiepunten bedraagt. 4 artikel 7.3c Onze Minister kan op aanvraag een gezamenlijke masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs of in het hoger beroepsonderwijs als bedoeld inaanwijzen, waarvan de studielast 90 studiepunten bedraagt, indien die opleiding wordt verzorgd met een buitenlandse instelling. 5 Onze Minister kan op aanvraag een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs tot leraar voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs in vakken van voortgezet onderwijs aanwijzen, waarvan de studielast ten minste 120 studiepunten en ten hoogste 180 studiepunten bedraagt. Het instellingsbestuur bepaalt binnen die bandbreedte de studielast van de opleiding. 2021 263 07-06-2021 07-04-2021 35582 2021 325 09-07-2021 22-06-2021 01-09-2021
Artikel 7.5d — Artikel 7.5d Door het instellingsbestuur vastgestelde grotere studielast#
Artikel 7.5d Door het instellingsbestuur vastgestelde grotere studielast Het instellingsbestuur kan bepalen dat: a. een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs of in het hoger beroepsonderwijs een grotere studielast heeft dan 60 studiepunten; b. een associate degree-opleiding een grotere studielast heeft dan 120 studiepunten; c. artikel 7.9a artikel 7.5b, tweede lid in bijzondere, door het instellingsbestuur vast te stellen en toe te lichten, gevallen, de studielast van een versneld traject als bedoeld inin afwijking van, 240 studiepunten bedraagt. 2025 280 20-10-2025 01-10-2025 36707 2025 351 13-11-2025 03-11-2025 01-01-2026
Artikel 7.6 — Artikel 7.6 Beroepsvereisten#
Artikel 7.6 Beroepsvereisten 1 Indien een instelling een opleiding aanbiedt, gericht op een bepaald beroep, en bij of krachtens de wet vereisten zijn gesteld ten aanzien van de kennis, het inzicht en de vaardigheden die betrokkenen zich op grond van de opleiding tot dat beroep moeten hebben verworven, draagt het instellingsbestuur er zorg voor dat degenen die deze opleiding volgen, ten minste in de gelegenheid zijn aan die vereisten te voldoen. 2 Tot de in het eerste lid bedoelde vereisten behoren die welke ten aanzien van artsen, verpleegkundigen, verloskundigen, tandartsen, dierenartsen, architecten en apothekers zijn neergelegd in richtlijn nr. 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU L 255). 3 Opleidingen die in het bijzonder zijn gericht op bepaalde beroepen omvatten in elk geval een praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening. 4 artikel 7.12 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Het eerste en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van opleidingen die leiden tot een getuigschrift als bedoeld in. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 7.7 — Artikel 7.7 Voltijdse, deeltijdse en duale inrichting van opleidingen#
Artikel 7.7 Voltijdse, deeltijdse en duale inrichting van opleidingen 1 Opleidingen aan bekostigde instellingen kunnen voltijds, deeltijds of duaal zijn ingericht en worden alsdan aangeduid als voltijdse, deeltijdse onderscheidenlijk duale opleidingen. 2 Een duale opleiding is zodanig ingericht dat het volgen van onderwijs gedurende een of meer perioden wordt afgewisseld met beroepsuitoefening in verband met dat onderwijs. Deze beroepsuitoefening vindt in het wetenschappelijk onderwijs niet plaats gedurende de propedeutische fase van een bacheloropleiding of, indien die fase niet is ingesteld, gedurende de eerste periode in die opleiding met een studielast van 60 studiepunten. Het gedeelte van een duale opleiding dat bestaat uit het volgen van onderwijs, wordt aangeduid als onderwijsdeel. 3 De studielast van het deel van de duale opleiding dat wordt gevormd door de beroepsuitoefening in verband met het onderwijs, bedraagt een door het instellingsbestuur in de onderwijs- en examenregeling te beargumenteren aantal studiepunten. 4 In de onderwijs- en examenregeling wordt voor een duale opleiding aangegeven: a. de minimale studielast van het onderwijsdeel, b. de tijdsduur van de periode of de gezamenlijke tijdsduur van de perioden die ten minste in de beroepsuitoefening wordt doorgebracht, en c. de minimale studielast van het deel van de opleiding dat wordt gevormd door de beroepsuitoefening. 5 De beroepsuitoefening binnen een duale opleiding vindt plaats op basis van een overeenkomst, gesloten door de instelling, de student en het desbetreffend bedrijf of de desbetreffende organisatie. De overeenkomst regelt de rechten en verplichtingen van partijen en omvat met inachtneming van het dienaangaande bij of krachtens deze wet bepaalde ten minste bepalingen over: a. de duur van de overeenkomst en de tijdsduur van de periode of perioden van de beroepsuitoefening, b. de begeleiding van de student, c. artikel 7.13, tweede lid, onder c dat deel van de kwaliteiten, bedoeld in, dat de student tijdens de periode of de perioden van beroepsuitoefening dient te realiseren, en de beoordeling daarvan, en d. de gevallen waarin en de wijze waarop de overeenkomst voortijdig kan worden ontbonden. 6 In afwijking van het tweede lid, kan bij de opleiding in het wetenschappelijk onderwijs beroepsuitoefening plaatsvinden gedurende de propedeutische fase van een bacheloropleiding of, indien die fase niet is ingesteld, gedurende de eerste periode in die opleiding met een studielast van 60 studiepunten, indien de beroepsuitoefening plaatsvindt binnen een eenheid van leeruitkomsten. 2024 279 14-10-2024 30-09-2024 36136 2024 345 15-11-2024 09-11-2024 01-01-2025
Artikel 7.7a — Artikel 7.7a Duale inrichting van opleidingen aan universiteiten#
Artikel 7.7a Duale inrichting van opleidingen aan universiteiten Vervallen 1998 216 16-04-1998 02-04-1998 25370 2003 25 23-01-2003 24-12-2002 25-01-2003
Artikel 7.8 — Artikel 7.8 Propedeutische fase en propedeutisch examen#
Artikel 7.8 Propedeutische fase en propedeutisch examen 1 artikel 7.7, eerste lid Het instellingsbestuur kan in een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs een propedeutische fase instellen. Indien de bacheloropleiding geheel bestaat uit eenheden van leeruitkomsten, kan het instellingsbestuur daarbij onderscheid maken naar de inrichting van die opleiding, bedoeld in. 2 artikel 7.9a, eerste en tweede lid Een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs omvat een propedeutische fase, die voor studenten als bedoeld in, een afwijkende inhoud kan hebben. 3 artikel 7.7, eerste lid Indien een deeltijdse of duale bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs geheel bestaat uit eenheden van leeruitkomsten, kan het instellingsbestuur, in afwijking van het tweede lid, besluiten geen propedeutische fase in te stellen. Het instellingsbestuur kan daarbij onderscheid maken naar de inrichting van die opleiding, bedoeld in. 4 Aan de propedeutische fase is, voorzover in de onderwijs- en examenregeling niet anders is bepaald, een propedeutisch examen verbonden. 5 De studielast van de propedeutische fase waaraan een propedeutisch examen is verbonden, bedraagt 60 studiepunten. De studielast van de propedeutische fase van een duale bacheloropleiding bedraagt 60 studiepunten. 6 artikel 7.8b De propedeutische fase wordt met het oog op de toepassing vanzodanig ingericht dat er sprake is van het verkrijgen van inzicht in de inhoud van de bacheloropleiding met de mogelijkheid van verwijzing en selectie aan het eind van die fase. 2024 279 14-10-2024 30-09-2024 36136 2024 345 15-11-2024 09-11-2024 01-01-2025
Artikel 7.8a — Artikel 7.8a Associate degree-opleidingen#
Artikel 7.8a Associate degree-opleidingen 1 artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs artikel 1.4.1 van die wet Onze Minister kan op aanvraag van een instellingsbestuur goedkeuren dat een deel van een associate degree-opleiding wordt uitgevoerd door een instelling als bedoeld indan wel een andere instelling voor beroepsonderwijs als bedoeld in. 2 Indien Onze Minister goedkeuring als bedoeld in het eerste lid verleent, wordt ten minste de helft van de associate degree-opleiding, waaronder in ieder geval de afstudeerfase en het afsluitend examen, verzorgd door de instelling voor hoger onderwijs. Op verzoek van het instellingsbestuur kan Onze Minister in bijzondere gevallen toestaan dat minder dan de helft van een dergelijke opleiding, met uitzondering van de afstudeerfase en het afsluitend examen, door de instelling voor hoger onderwijs wordt verzorgd. 3 artikel 1.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs artikel 7.34, vierde lid Voor zover de associate degree-opleiding wordt uitgevoerd door een andere instelling voor beroepsonderwijs als bedoeld inis, van overeenkomstige toepassing. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-08-2022
Artikel 7.8b — Artikel 7.8b Studieadvies propedeutische fase#
Artikel 7.8b Studieadvies propedeutische fase 1 Het instellingsbestuur van een bekostigde universiteit, hogeschool of levensbeschouwelijke universiteit brengt iedere student uiterlijk aan het einde van diens eerste jaar van inschrijving voor de propedeutische fase van een voltijdse of duale associate degree-opleiding of bacheloropleiding advies uit over de voortzetting van zijn studie binnen of buiten de associate degree-opleiding of de bacheloropleiding. In geval van een deeltijdse associate degree-opleiding of bacheloropleiding regelt het instellingsbestuur het tijdstip waarop dat advies wordt uitgebracht. 2 Onverminderd het eerste lid kan het instellingsbestuur het advies aan de student uitbrengen zolang deze het propedeutisch examen niet met goed gevolg heeft afgelegd. 3 Aan een advies als bedoeld in het eerste of tweede lid kan het instellingsbestuur ten aanzien van opleidingen die daartoe door het instellingsbestuur zijn aangewezen, binnen het in het tweede lid bedoelde tijdvak, doch niet eerder dan tegen het einde van het eerste jaar van inschrijving, een afwijzing verbinden. Deze afwijzing kan slechts worden gegeven, indien de student naar het oordeel van het instellingsbestuur, met inachtneming van zijn persoonlijke omstandigheden, niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding, doordat zijn studieresultaten niet voldoen aan de vereisten die het bestuur daaromtrent heeft vastgesteld. Het instellingsbestuur kan aan de afwijzing een termijn verbinden. Het instellingsbestuur kan de afwijzing uitstrekken tot opleidingen die met de desbetreffende opleiding het propedeutisch examen gemeen hebben. Het instellingsbestuur kan van de bevoegdheid krachtens dit lid slechts gebruikmaken, indien het in de propedeutische fase van de desbetreffende opleiding zorgt voor zodanige voorzieningen dat de mogelijkheden voor goede studievoortgang zijn gewaarborgd. 4 Voordat het instellingsbestuur tot afwijzing overgaat, geeft het de desbetreffende student een waarschuwing onder bepaling van een redelijke termijn waarbinnen de studieresultaten ten genoegen van dat bestuur moeten zijn verbeterd. Het instellingsbestuur stelt de student alvorens tot een afwijzing over te gaan in de gelegenheid te worden gehoord. 5 Van de student die op grond van het derde lid is afgewezen, wordt de inschrijving voor de desbetreffende opleiding aan de betrokken instelling beëindigd. De student kan niet opnieuw aan die instelling voor die opleiding worden ingeschreven, tenzij het instellingsbestuur toepassing heeft gegeven aan de derde volzin van het derde lid of tenzij de betrokkene op een later tijdstip verzoekt om te worden ingeschreven voor de desbetreffende opleiding en daarbij ten genoegen van het instellingsbestuur aannemelijk maakt dat hij die opleiding met vrucht zal kunnen volgen. 6 Het instellingsbestuur stelt ter uitvoering van de voorgaande leden nadere regels vast. Deze regels hebben in elk geval betrekking op de studieresultaten en de voorzieningen, bedoeld in het derde lid, alsmede op de termijn, bedoeld in het vierde lid. 7 Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke persoonlijke omstandigheden, bedoeld in het derde lid, het instellingsbestuur in zijn beoordeling betrekt. 8 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder «propedeutische fase» mede begrepen de eerste periode in een associate degree-opleiding of een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een studielast van 60 studiepunten. Voor de toepassing van dit artikel worden onder «propedeutisch examen» mede begrepen de tentamens, verbonden aan onderwijseenheden in de eerste periode in een associate degree-opleiding of een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een gezamenlijke studielast van 60 studiepunten. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 7.9 — Artikel 7.9 Verwijzing in postpropedeutische fase#
Artikel 7.9 Verwijzing in postpropedeutische fase 1 Indien een bacheloropleiding na de propedeutische fase meer dan een afstudeerrichting omvat, kan het instellingsbestuur ten aanzien van opleidingen die daartoe door het instellingsbestuur zijn aangewezen, beslissen dat een voor die opleiding ingeschreven student slechts toegang heeft tot een of meer daarbij aan te geven afstudeerrichtingen. Het instellingsbestuur kan van de bevoegdheid krachtens dit lid slechts gebruikmaken, indien de aard en inhoud van de verschillende afstudeerrichtingen van de opleiding zodanig van elkaar verschillen dat toepassing van deze bevoegdheid gerechtvaardigd is. 2 Bij de toepassing van het eerste lid baseert het instellingsbestuur zijn beslissing: Het instellingsbestuur stelt de student alvorens tot een beslissing over te gaan in de gelegenheid te worden gehoord. a. op de studieresultaten van de student, b. op het door de student gevolgde studieprogramma, of c. op een combinatie van a en b. 3 Bij de weging van de studieresultaten, bedoeld in het tweede lid, onder a en c, houdt het instellingsbestuur rekening met de persoonlijke omstandigheden van de student. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke persoonlijke omstandigheden het instellingsbestuur in zijn beoordeling betrekt. 4 Bij de weging van het studieprogramma van de student, bedoeld in het tweede lid, onder b en c, beoordeelt het instellingsbestuur of de door de student gekozen programmaonderdelen van de opleiding voldoende aansluiten op de door de student gewenste afstudeerrichting. 5 Het instellingsbestuur stelt ter uitvoering van dit artikel nadere regels vast. Deze regels hebben in elk geval betrekking op het verschil in afstudeerrichtingen, bedoeld in het eerste lid, op de studieresultaten, bedoeld in het derde lid, en op de aansluiting van programmaonderdelen en de afstudeerrichtingen van de opleiding, bedoeld in het vierde lid. 6 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder «propedeutische fase» mede begrepen de eerste periode in een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een studielast van 60 studiepunten. 2002 303 18-06-2002 06-06-2002 28024 2002 303 18-06-2002 06-06-2002 28024 01-09-2002
Artikel 7.9a — Artikel 7.9a Toelating tot versneld traject gericht op studenten met een VWO-diploma#
Artikel 7.9a Toelating tot versneld traject gericht op studenten met een VWO-diploma 1 artikel 7.24, tweede lid, onder a artikel 7.28, tweede lid Een instellingsbestuur kan binnen een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs een versneld traject aanbieden dat toegankelijk is voor studenten met een diploma als bedoeld indan wel een op grond van, bij ministeriële regeling als ten minste gelijkwaardig aangemerkt onderscheidenlijk naar het oordeel van het instellingsbestuur daaraan tenminste gelijkwaardig diploma. Een student die aan de in de eerste zin bedoelde voorwaarde en de overige voorwaarden voor inschrijving voldoet, wordt voor een versneld traject ingeschreven indien hij daarom verzoekt. 2 Het instellingsbestuur kan besluiten ook een andere student dan degene, bedoeld in het eerste lid, tot het versnelde traject toe te laten indien hij naar het oordeel van het instellingsbestuur blijk heeft gegeven van geschiktheid voor dat traject. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-09-2024
Artikel 7.9b — Artikel 7.9b Selectie voor een speciaal traject gericht op het behalen van een hoger niveau#
Artikel 7.9b Selectie voor een speciaal traject gericht op het behalen van een hoger niveau 1 Indien een instellingsbestuur binnen een opleiding een speciaal traject aanbiedt, dat is gericht op het behalen van een hoger kennisniveau van studenten, kan het instellingsbestuur daarvoor studenten selecteren. 2 Het instellingsbestuur stelt regels vast met betrekking tot de selectie, bedoeld in het eerste lid. 2011 369 26-07-2011 08-07-2011 32253 2011 369 26-07-2011 08-07-2011 32253 27-07-2011
Artikel 7.9ba — Artikel 7.9ba Wet op de studiefinanciering Studievoortgangscontrole, bedoeld in artikel 17fa van de#
Artikel 7.9ba Wet op de studiefinanciering Studievoortgangscontrole, bedoeld in artikel 17fa van de Vervallen 2000 286 13-07-2000 29-06-2000 26873 2000 286 13-07-2000 29-06-2000 26873 01-09-2000
Artikel 7.9bb — Artikel 7.9bb Wet op de studiefinanciering Studievoortgangscontrole, bedoeld in artikel 17fb van de#
Artikel 7.9bb Wet op de studiefinanciering Studievoortgangscontrole, bedoeld in artikel 17fb van de Vervallen 2000 286 13-07-2000 29-06-2000 26873 2000 286 13-07-2000 29-06-2000 26873 01-09-2000
Artikel 7.9c — Artikel 7.9c Ontbreken van gegevens bij studievoortgangscontrole#
Artikel 7.9c Ontbreken van gegevens bij studievoortgangscontrole Vervallen 2013 298 18-07-2013 10-07-2013 33519 2013 311 25-07-2013 18-07-2013 01-09-2013
Artikel 7.9d — Artikel 7.9d Met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen#
Artikel 7.9d Met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen artikel 5.7 van de Wet studiefinanciering 2000 Het instellingsbestuur doet voor het einde van de tweede maand volgend op de maand waarin een student, bedoeld in, het afsluitend examen met goed gevolg heeft afgelegd, daarvan mededeling aan Onze Minister. Het stuurt gelijktijdig met die mededeling bericht van het verzenden daarvan aan de betrokkene. 2009 492 01-12-2009 15-10-2009 31944 2009 493 01-12-2009 11-11-2009 01-01-2010
Artikel 7.9e — Artikel 7.9e artikel 7.31a Aanleveren gegevens vrijstelling op grond van#
Artikel 7.9e artikel 7.31a Aanleveren gegevens vrijstelling op grond van Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 7.9f — Artikel 7.9f Aanleveren gegevens duale opleiding#
Artikel 7.9f Aanleveren gegevens duale opleiding Vervallen 2000 286 13-07-2000 29-06-2000 26873 2000 286 13-07-2000 29-06-2000 26873 01-09-2000
Artikel 7.10 — Artikel 7.10 Examens en tentamens#
Artikel 7.10 Examens en tentamens 1 Elk tentamen omvat een onderzoek naar de kennis, het inzicht en de vaardigheden van de examinandus, alsmede de beoordeling van de uitkomsten van dat onderzoek. 2 Indien de tentamens van de tot een opleiding of propedeutische fase van een bacheloropleiding behorende onderwijseenheden met goed gevolg zijn afgelegd, is het examen afgelegd, voorzover de examencommissie niet heeft bepaald dat het examen tevens omvat een door haar zelf te verrichten onderzoek als bedoeld in het eerste lid. 3 Het instellingsbestuur is verantwoordelijk voor de praktische organisatie van tentamens en examens. 4 artikel 7.51, tweede lid Het instellingsbestuur kan de geldigheidsduur van met goed gevolg afgelegde tentamens beperken, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie die geldigheidsduur in een individueel geval te verlengen. De geldigheidsduur van een met goed gevolg afgelegd tentamen kan uitsluitend worden beperkt, indien de getentamineerde kennis of het getentamineerde inzicht aantoonbaar verouderd is, of indien de getentamineerde vaardigheden aantoonbaar verouderd zijn. Het instellingsbestuur stelt nadere regels vast omtrent de uitvoering van dit lid en over de wijze waarop bij het beperken van de geldigheidsduur in redelijkheid rekening wordt gehouden met bijzondere omstandigheden in de zin van. De geldigheidsduur van met goed gevolg afgelegde tentamens wordt in geval van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 7.51, tweede lid, ten minste verlengd met de duur van de op grond van artikel 7.51, eerste lid, toegekende financiële ondersteuning. 2017 306 17-07-2017 07-06-2017 34355 2017 319 25-08-2017 19-08-2017 01-01-2018
Artikel 7.10a — Artikel 7.10a Verlening van graden#
Artikel 7.10a Verlening van graden 1 artikel 7.3b, onderdeel a Het instellingsbestuur verleent de graad Bachelor aan degene die in het wetenschappelijk onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding heeft afgelegd en de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitende examen van een masteropleiding of een postinitiële masteropleiding als bedoeld in, heeft afgelegd. Afhankelijk van het vakgebied waarin het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een bacheloropleiding, een masteropleiding of postinitiële masteropleiding is afgelegd, wordt aan de verleende graad toegevoegd «of Arts» dan wel «of Science». Bij ministeriële regeling kan voor een opleiding of een groep van opleidingen een andere toevoeging worden vastgesteld. 2 artikel 7.3b, onderdeel b artikel 5.7, vierde lid, onderdeel b Het instellingsbestuur verleent de graad Associate degree, aan degene die in het hoger beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een associate degree-opleiding heeft afgelegd, de graad Bachelor aan degene die in het hoger beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding heeft afgelegd en de graad Master aan degene die in het hoger beroepsonderwijs met goed gevolg een masteropleiding of een postinitiële masteropleiding als bedoeld in, heeft afgelegd. Afhankelijk van het vakgebied waarin het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een bacheloropleiding, een masteropleiding of een postinitiële masteropleiding is afgelegd, wordt aan de verleende graad de toevoeging verbonden die op grond van, met positief resultaat is getoetst. 3 Het instellingsbestuur kan de graad Associate degree en de graad Bachelor of Master en de toevoeging daaraan aanvullen met de vermelding van het vakgebied of het beroepenveld waarop de graad betrekking heeft. 2025 280 20-10-2025 01-10-2025 36707 2025 351 13-11-2025 03-11-2025 01-01-2026
Artikel 7.10b — Artikel 7.10b Verlening van de graad Associate degree#
Artikel 7.10b Verlening van de graad Associate degree Vervallen 2017 390 20-10-2017 04-10-2017 34678 2017 491 20-12-2017 11-12-2017 01-01-2018
Artikel 7.11 — Artikel 7.11 Getuigschriften en verklaringen#
Artikel 7.11 Getuigschriften en verklaringen 1 Ten bewijze dat een tentamen met goed gevolg is afgelegd, wordt door de desbetreffende examinator of examinatoren een daarop betrekking hebbend bewijsstuk uitgereikt. 2 Ten bewijze dat het examen met goed gevolg is afgelegd, wordt door de examencommissie een getuigschrift uitgereikt, nadat het instellingsbestuur heeft verklaard dat aan de procedurele eisen voor de afgifte is voldaan. Per opleiding wordt één getuigschrift uitgereikt. De examencommissie is bevoegd in samenwerking met een of meer Nederlandse of buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs een gezamenlijk getuigschrift uit te reiken. Op het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegde examen worden relevante gegevens vermeld, waaronder in ieder geval: a. artikel 6.13 de naam van de instelling en welke opleiding het betreft, zoals vermeld in het register, bedoeld in, b. welke onderdelen het examen omvatte, c. artikel 7.6, eerste lid in voorkomende gevallen welke bevoegdheid daaraan is verbonden, rekening houdend met, d. welke graad is verleend, in overeenstemming met de opleidingsgegevens in de Registratie instellingen en opleidingen, en e. artikel 5.16, derde lid wanneer aan de opleiding accreditatie nieuwe opleiding dan wel accreditatie bestaande opleiding is verleend of wanneer het behoud van accreditatie bestaande opleiding voor het laatst is bevestigd als bedoeld in, en f. artikel 7.3c indien het getuigschrift een gezamenlijke opleiding of een gezamenlijke afstudeerrichting als bedoeld inbetreft, de naam van de instelling of instellingen die de gezamenlijke opleiding of de gezamenlijke afstudeerrichting mede heeft of hebben verzorgd. 3 Degene die aanspraak heeft op uitreiking van een getuigschrift, kan overeenkomstig door het instellingsbestuur vast te stellen regels de examencommissie verzoeken daartoe nog niet over te gaan. 4 De examencommissie voegt aan een getuigschrift van het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen, een supplement toe. Het supplement heeft tot doel inzicht te verschaffen in de aard en inhoud van de afgeronde opleiding, mede met het oog op internationale herkenbaarheid van opleidingen. Het supplement bevat in elk geval de volgende gegevens: Wet NLQF Het supplement wordt opgesteld in het Nederlands of Engels en voldoet aan het Europese overeengekomen standaardformat en de voorschriften die zijn vastgesteld bij of krachtens de. a. de naam van de opleiding en de instelling die de opleiding verzorgt, b. of het een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs dan wel een opleiding in het hoger beroepsonderwijs betreft, c. een beschrijving van de inhoud van de opleiding, en d. de studielast van de opleiding. 5 artikel 7.10 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Degene die meer dan een tentamen met goed gevolg heeft afgelegd en aan wie geen getuigschrift als bedoeld in het tweede lid kan worden uitgereikt, ontvangt desgevraagd een door de desbetreffende examencommissie af te geven verklaring waarin in elk geval de tentamens zijn vermeld die door hem met goed gevolg zijn afgelegd. In voorkomende gevallen wordt op deze verklaring tevens melding gemaakt van het voldoen aan de bekwaamheidseisen, bedoeld in. 2024 223 24-07-2024 26-06-2024 36341 2024 314 28-10-2024 22-10-2024 01-01-2025
Artikel 7.11a — Artikel 7.11a Vervanging getuigschriften en verklaringen#
Artikel 7.11a Vervanging getuigschriften en verklaringen 1 artikel 7.11, tweede lid artikelen 4, vierde lid 7, eerste lid 28b, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek artikel 12 van de Rijkswet op het Nederlanderschap Aan de bezitter van een getuigschrift als bedoeld in, of aan de bezitter van een verklaring als bedoeld in artikel 7.11, vijfde lid, wordt door een examencommissie van de betreffende instelling voor hoger onderwijs desgevraagd een vervangend getuigschrift of een vervangende verklaring uitgereikt in verband met een naamswijziging van de betrokkene ten gevolge van de toepassing van de,,of. 2 artikel 7.11, tweede lid Het vervangende getuigschrift of de vervangende verklaring bevat geen andere wijzigingen van de oorspronkelijke relevante gegevens, bedoeld in. 3 Het vervangende getuigschrift of de vervangende verklaring wordt verstrekt onder de voorwaarde dat het oorspronkelijke getuigschrift of de oorspronkelijke verklaring bij de betrokken examencommissie wordt ingeleverd. 4 Het vervangende getuigschrift of de vervangende verklaring heeft dezelfde bewijskracht als het oorspronkelijke getuigschrift onderscheidenlijk de oorspronkelijke verklaring. 5 Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de door de aanvrager over te leggen gegevens en de wijze waarop de vervanging door de examencommissie wordt uitgevoerd. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-09-2024
Artikel 7.12 — Artikel 7.12 Examencommissie#
Artikel 7.12 Examencommissie 1 Elke opleiding of groep van opleidingen aan de instelling heeft een examencommissie. 2 artikel 7.10a De examencommissie is het orgaan dat op objectieve en deskundige wijze vaststelt of een student voldoet aan de voorwaarden die de onderwijs- en examenregeling stelt ten aanzien van kennis, inzicht en vaardigheden die nodig zijn voor het verkrijgen van een graad als bedoeld in. 2017 390 20-10-2017 04-10-2017 34678 2017 491 20-12-2017 11-12-2017 01-01-2018
Artikel 7.12a — Artikel 7.12a Benoeming en samenstelling examencommissie#
Artikel 7.12a Benoeming en samenstelling examencommissie 1 Het instellingsbestuur stelt de examencommissie in en benoemt de leden op basis van hun deskundigheid op het terrein van de desbetreffende opleiding of groep van opleidingen. 2 Het instellingsbestuur draagt er zorg voor dat het onafhankelijk en deskundig functioneren van de examencommissie voldoende wordt gewaarborgd. 3 Bij de benoeming van de leden van de examencommissie draagt het instellingsbestuur er zorg voor dat: a. ten minste één lid als docent verbonden is aan de desbetreffende opleiding of aan een van de opleidingen die tot de groep van opleidingen behoort; b. ten minste één lid afkomstig is van buiten de desbetreffende opleiding of een van de opleidingen die tot de groep van opleidingen behoort; c. leden van het instellingsbestuur of personen die anderszins financiële verantwoordelijkheid dragen binnen de instelling niet worden benoemd. 4 Alvorens tot benoeming van een lid over te gaan, hoort het instellingsbestuur de leden van de desbetreffende examencommissie. 2013 558 19-12-2013 04-12-2013 33472 2013 559 20-12-2013 13-12-2013 01-09-2015
Artikel 7.12b — Artikel 7.12b Taken en bevoegdheden examencommissie#
Artikel 7.12b Taken en bevoegdheden examencommissie 1 artikelen 7.11 7.12, tweede lid Naast de taken en bevoegdheden, bedoeld in deen, heeft een examencommissie de volgende taken en bevoegdheden: a. artikel 7.12c het borgen van de kwaliteit van de tentamens en examens onverminderd, b. artikel 7.13 het vaststellen van richtlijnen en aanwijzingen binnen het kader van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in, om de uitslag van tentamens en examens te beoordelen en vast te stellen, c. artikel 7.3j het door de meest daarvoor in aanmerking komende examencommissie verlenen van toestemming aan een student om een door die student samengesteld programma als bedoeld inte volgen, waarvan het examen leidt tot het verkrijgen van een graad, waarbij de examencommissie tevens aangeeft tot welke opleiding van de instelling dat programma wordt geacht te behoren voor de toepassing van deze wet, d. het verlenen van vrijstelling voor het afleggen van één of meer tentamens, en e. het borgen van de kwaliteit van de organisatie en de procedures rondom tentamens en examens. 2 Indien een student of extraneus fraudeert, kan de examencommissie de betrokkene het recht ontnemen één of meer door de examencommissie aan te wijzen tentamens of examens af te leggen, gedurende een door de examencommissie te bepalen termijn van ten hoogste een jaar. Bij ernstige fraude kan het instellingsbestuur op voorstel van de examencommissie de inschrijving voor de opleiding van de betrokkene definitief beëindigen. 3 De examencommissie stelt regels vast over de uitvoering van de taken en bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en d, en het tweede lid, en over de maatregelen die zij in dat verband kan nemen. De examencommissie kan onder door haar te stellen voorwaarden bepalen dat niet ieder tentamen met goed gevolg afgelegd hoeft te zijn om vast te stellen dat het examen met goed gevolg is afgelegd. 4 Indien een student bij de examencommissie een verzoek of een klacht indient waarbij een examinator betrokken is die lid is van de examencommissie, neemt de betrokken examinator geen deel aan de behandeling van het verzoek of de klacht. 5 De examencommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden. De examencommissie verstrekt het verslag aan het instellingsbestuur of de decaan. 2021 263 07-06-2021 07-04-2021 35582 2021 325 09-07-2021 22-06-2021 01-09-2021
Artikel 7.12c — Artikel 7.12c Examinatoren#
Artikel 7.12c Examinatoren 1 Voor het afnemen van tentamens en het vaststellen van de uitslag daarvan wijst de examencommissie examinatoren aan. 2 De examinatoren verstrekken de examencommissie de gevraagde inlichtingen. 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 7.12d — Artikel 7.12d Examencommissie en examinatoren bij opleidingen tot piloot of luchtverkeersleider#
Artikel 7.12d Examencommissie en examinatoren bij opleidingen tot piloot of luchtverkeersleider artikelen 7.12 tot en met 7.12c artikel 7.3h Dezijn op opleidingen als bedoeld invan toepassing voor zover de bijzondere kenmerken van die opleidingen en de inhoud van de overeenkomst, bedoeld in het derde lid van dat artikel, zich daartegen niet verzetten. 2021 263 07-06-2021 07-04-2021 35582 2021 325 09-07-2021 22-06-2021 01-09-2021
Artikel 7.13 — Artikel 7.13 Onderwijs- en examenregeling#
Artikel 7.13 Onderwijs- en examenregeling 1 Het instellingsbestuur stelt voor elke door de instelling aangeboden opleiding of groep van opleidingen een onderwijs- en examenregeling vast. De onderwijs- en examenregeling bevat adequate en heldere informatie over de opleiding of groep van opleidingen. 2 In de onderwijs- en examenregeling worden, onverminderd het overigens in deze wet terzake bepaalde, per opleiding of groep van opleidingen de geldende procedures en rechten en plichten vastgelegd met betrekking tot het onderwijs en de examens. Daaronder worden ten minste begrepen: a. de inhoud van de opleiding en van de daaraan verbonden examens, a1. de wijze waarop het onderwijs in de desbetreffende opleiding wordt geëvalueerd, b. de inhoud van de afstudeerrichtingen binnen een opleiding, c. de kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden die een student zich bij beëindiging van de opleiding moet hebben verworven, d. waar nodig, de inrichting van praktische oefeningen, e. de studielast van de opleiding en van elk van de daarvan deel uitmakende onderwijseenheden, f. de artikelen 7.8b, zesde lid 7.9, vijfde lid de nadere regels, bedoeld in, en, g. artikel 7.5d ten aanzien van welke opleidingen toepassing is gegeven aan, h. het aantal en de volgtijdelijkheid van de tentamens alsmede de momenten waarop deze afgelegd kunnen worden, i. de voltijdse, deeltijdse of duale inrichting van de opleiding, j. waar nodig, de volgorde waarin, de tijdvakken waarbinnen en het aantal malen per studiejaar dat de gelegenheid wordt geboden tot het afleggen van de tentamens en examens, alsmede de wijze waarop inschrijving hiervoor plaatsvindt en de reguliere inschrijfperiode die van toepassing is, k. artikel 7.10, vierde lid de nadere regels bedoeld in, l. of de tentamens mondeling, schriftelijk of op een andere wijze worden afgelegd, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie in bijzondere gevallen anders te bepalen, m. de wijze waarop studenten met een handicap of chronische ziekte redelijkerwijs in de gelegenheid worden gesteld de tentamens af te leggen, n. de openbaarheid van mondeling af te nemen tentamens, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie in bijzondere gevallen anders te bepalen, o. de termijn waarbinnen de uitslag van een tentamen bekend wordt gemaakt alsmede of en op welke wijze van deze termijn kan worden afgeweken, p. de wijze waarop en de termijn gedurende welke degene die een schriftelijk tentamen heeft afgelegd, inzage verkrijgt in zijn beoordeelde werk, q. de wijze waarop en de termijn gedurende welke kennis genomen kan worden van vragen en opdrachten, gesteld of gegeven in het kader van een schriftelijk afgenomen tentamen en van de normen aan de hand waarvan de beoordeling heeft plaatsgevonden, r. de gronden waarop de examencommissie voor eerder met goed gevolg afgelegde tentamens of examens in het hoger onderwijs, dan wel voor buiten het hoger onderwijs opgedane kennis of vaardigheden, vrijstelling kan verlenen van het afleggen van een of meer tentamens, s. waar nodig, dat het met goed gevolg afgelegd hebben van tentamens voorwaarde is voor de toelating tot het afleggen van andere tentamens, t. waar nodig, de verplichting tot het deelnemen aan praktische oefeningen met het oog op de toelating tot het afleggen van het desbetreffende tentamen, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie vrijstelling van die verplichting te verlenen, al dan niet onder oplegging van vervangende eisen, u. de bewaking van studievoortgang en de individuele studiebegeleiding, v. artikel 7.9b artikel 7.3h waar nodig: de wijze waarop de selectie van studenten voor een traject als bedoeld inof voor een opleiding of afstudeerrichting als bedoeld inplaatsvindt, x. de feitelijke vormgeving van het onderwijs, waaronder in ieder geval begrepen het aanbod aan premasters, y. artikel 7.5d, onderdeel c indien van toepassing: de regeling, bedoeld in, en z. artikel 7.14a indien van toepassing, de wijze waarop en de termijn waarbinnen het studieplan, bedoeld in, wordt vastgesteld. 3 In de onderwijs- en examenregeling van de associate degree-opleiding wordt beschreven welke mogelijkheden er zijn voor een aan de instelling afgestudeerde met een graad Associate degree om door te stromen naar een bacheloropleiding. 2025 280 20-10-2025 01-10-2025 36707 2025 351 13-11-2025 03-11-2025 01-01-2026
Artikel 7.14 — Artikel 7.14 Beoordeling onderwijs- en examenregeling#
Artikel 7.14 Beoordeling onderwijs- en examenregeling Het instellingsbestuur draagt zorg voor een regelmatige beoordeling van de onderwijs- en examenregeling en weegt daarbij, ten behoeve van de bewaking en zo nodig bijstelling van de studielast, het tijdsbeslag dat daaruit voor de studenten voortvloeit. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 7.14a — Artikel 7.14a Studieplan bij eenheden van leeruitkomsten#
Artikel 7.14a Studieplan bij eenheden van leeruitkomsten 1 Indien de student een of meerdere eenheden van leeruitkomsten volgt, en voornemens is gebruik te maken van de mogelijkheid tot leerwegonafhankelijke invulling daarvan, stelt het instellingsbestuur in overleg met de student per maximaal 30 studiepunten, of, indien de studielast van een eenheid van leeruitkomsten meer bedraagt, per eenheid van leeruitkomsten, een studieplan vast. 2 In het studieplan is ten minste opgenomen: a. op welke eenheid of eenheden van leeruitkomsten het studieplan van toepassing is; b. de wijze waarop de student de kennis, het inzicht en de vaardigheden van een eenheid van leeruitkomsten voornemens is te gaan verwerven; c. de wijze waarop de student wordt begeleid; en d. de wijze waarop de beheersing van de eenheid of eenheden leeruitkomsten zal worden aangetoond en beoordeeld. 3 artikel 7.7, vijfde lid De overeenkomst, bedoeld in, wordt, indien van toepassing, als bijlage aan het studieplan toegevoegd. 4 Bij het vaststellen van het studieplan wordt rekening gehouden met de uitgangspositie, werksituatie, kenmerken en behoeften van de student. 2024 279 14-10-2024 30-09-2024 36136 2024 345 15-11-2024 09-11-2024 01-01-2025
Artikel 7.15 — Artikel 7.15 Informatieverstrekking aan studenten en aanstaande studenten#
Artikel 7.15 Informatieverstrekking aan studenten en aanstaande studenten 1 Het instellingsbestuur verstrekt zodanige informatie aan studenten en aspirant-studenten over: dat deze studenten en aspirant-studenten in staat zijn de opleidingsmogelijkheden te vergelijken, zich een goed oordeel te vormen over de inhoud en de inrichting van het gevolgde of te volgen onderwijs en de examens en zich goed voor te bereiden op de gestelde eisen. a. de instelling, b. het te volgen onderwijs in algemene zin, c. de differentiatie in het opleidingenaanbod en de beperkingen van de inschrijving als gevolg van de beschikbare capaciteit of in verband met de arbeidsmarktbehoefte, d. de selectie van studenten, e. de opleidingsnamen, en f. de graden die aan de opleidingen zijn verbonden, 2 De vertegenwoordiging van de instellingen en de daarvoor in aanmerking komende belangenorganisaties van studenten maken gezamenlijke afspraken over de specificaties van de informatie, bedoeld in het eerste lid. Indien zij daarin niet slagen, kunnen bij ministeriële regeling die nadere specificaties worden gegeven van inhoud en vorm van de informatie die nodig is voor het vergelijken van opleidingen en het kiezen van een passende opleiding. In de ministeriële regeling kunnen voor verschillende groepen van instellingen verschillende specificaties worden gegeven. 2024 153 12-06-2024 22-05-2024 36410VIII 2024 213 12-07-2024 21-06-2024 01-09-2024
Artikel 7.15a — Artikel 7.15a Studiekeuze-informatie en onderzoek naar studenttevredenheid#
Artikel 7.15a Studiekeuze-informatie en onderzoek naar studenttevredenheid 1 Onze Minister wijst een rechtspersoon aan die op het terrein van het hoger onderwijs tot taak heeft het verzamelen en kosteloos verspreiden van objectieve, betrouwbare en vergelijkbare studiekeuze-informatie en het doen van onderzoek naar studenttevredenheid en -betrokkenheid. 2 De rechtspersoon neemt in verband met zijn taak enquêtes af onder studenten. 3 Onze Minister trekt de aanwijzing in ieder geval in indien de rechtspersoon niet langer: a. zijn taak naar behoren uitoefent; b. Comptabiliteitswet 2016 voldoet aan hetgeen bij of krachtens deis bepaald; c. voldoet aan in de aanwijzing gestelde eisen met betrekking tot toezicht en verantwoording; of d. het overleg, bedoeld in het vierde lid, in voldoende mate pleegt. 4 De rechtspersoon pleegt over de uitoefening van haar taak geregeld overleg met de vertegenwoordiging van de instellingen voor hoger onderwijs en met de daarvoor in aanmerking komende belangenorganisaties van studenten. 5 Ten behoeve van de enquêtes, bedoeld in het tweede lid, worden aan de rechtspersoon gegevens verstrekt door het instellingsbestuur: a. artikel 1.8, eerste lid van een bekostigde instelling, bedoeld in; en b. van een rechtspersoon voor hoger onderwijs, voor zover dit instellingsbestuur met een of meer opleidingen wenst deel te nemen aan de enquêtes. 6 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de gegevens, bedoeld in het vijfde lid, vastgesteld en kunnen regels worden gesteld ter uitvoering van het vijfde lid. 2020 88 17-03-2020 06-03-2020 35310 2024 187 26-06-2024 14-06-2024 27-06-2024
Artikel 7.16 — Artikel 7.16 Erkenning verworven competenties#
Artikel 7.16 Erkenning verworven competenties Het instellingsbestuur kan procedures en criteria voor de erkenning van verworven competenties vaststellen voor degenen die niet zijn ingeschreven. 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 7.17 — Artikel 7.17 Vestigingsplaats opleiding#
Artikel 7.17 Vestigingsplaats opleiding 1 artikel 6.13 Onverminderd het tweede lid wordt een opleiding verzorgd in de gemeente of het openbaar lichaam BES waar die opleiding blijkens de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in, is gevestigd. 2 Het instellingsbestuur kan besluiten een opleiding of een gedeelte daarvan al dan niet voor een bepaalde periode in een of meer andere gemeenten of een of meer openbare lichamen BES te vestigen. Hij legt het in de eerste volzin bedoelde voornemen voor een nevenvestiging dan wel verplaatsing van een opleiding ter instemming voor aan Onze Minister. 3 Voorafgaand aan het nemen van een instemmingsbesluit als bedoeld in het tweede lid stelt Onze Minister de daarvoor in aanmerking komende instellingen in de gelegenheid hun zienswijze te geven op de aanvraag. 4 artikel 6.13 De instemming van Onze Minister vervalt, indien de opleiding niet binnen zes maanden nadat de instemming is verleend, is geregistreerd in de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-01-2023
Artikel 7.17a — Artikel 7.17a Opheffing vestigingsplaats opleiding#
Artikel 7.17a Opheffing vestigingsplaats opleiding 1 Onze Minister kan besluiten dat een opleiding in twee of meer gemeenten, in twee of meer openbare lichamen BES of in een of meer gemeenten en een of meer openbare lichamen BES is gevestigd, niet langer in een bij zijn besluit genoemde gemeente of openbaar lichaam BES is gevestigd, indien de verzorging van de opleiding in die gemeente of dat openbaar lichaam BES, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs, in redelijkheid niet of niet meer doelmatig kan worden geacht. 2 Bij zijn besluit bepaalt Onze Minister tevens het tijdstip met ingang waarvan de opleiding niet langer in de gemeente of het openbaar lichaam BES, bedoeld in het eerste lid, is gevestigd. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 7.18 — Artikel 7.18 Verlening van de graden Doctor of Doctor of Philosophy; toegang en inrichting promotie#
Artikel 7.18 Verlening van de graden Doctor of Doctor of Philosophy; toegang en inrichting promotie 1 Het college voor promoties van een universiteit, de Open Universiteit of een levensbeschouwelijke universiteit is bevoegd de graden Doctor of Doctor of Philosophy te verlenen op grond van promotie. De graden Doctor en Doctor of Philosophy zijn gelijkwaardig. 2 Tot de promotie heeft toegang ieder: a. artikel 7.10a, eerste of tweede lid aan wie op grond van, de graad Master is verleend; en die b. als proeve van bekwaamheid tot het zelfstandig beoefenen van de wetenschap een proefschrift heeft geschreven dan wel een proefontwerp heeft vervaardigd, en c. artikel 7.19 heeft voldaan aan de eisen, gesteld in het inbedoelde promotiereglement. 3 In bijzondere gevallen kan het college voor promoties personen die voldoen aan het tweede lid onder b en c maar niet voldoen aan dat lid onder a, tot de promotie toegang verlenen. 4 artikel 7.19 Voor elke promotie wijst het college voor promoties een promotor aan. Als promotor kunnen worden aangewezen een hoogleraar of, voor zover aan diegene de graad Doctor of Doctor of Philosophy is verleend, een ander personeelslid van een universiteit, een levensbeschouwelijke universiteit of de Open Universiteit dat naar het oordeel van het college voor promoties over voldoende bekwaamheid beschikt om als promotor op te treden. De promotie vindt plaats ten overstaan van dit college of van een commissie, door het college samen te stellen uit hoogleraren en andere personen ten aanzien van wie het heeft geoordeeld dat zij over voldoende bekwaamheid beschikken om in de commissie zitting te hebben, met inachtneming van het inbedoelde promotiereglement. 5 Voor de toepassing van het vierde lid worden de bijzondere hoogleraren bij een openbare universiteit gerekend tot de hoogleraren van die universiteit. 6 Een instelling kan gezamenlijk met een of meer Nederlandse of buitenlandse instellingen de graden Doctor of Doctor of Philosophy verlenen op grond van een promotie. Het eerste tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing. De instellingen kunnen nadere afspraken maken omtrent de uitvoering binnen het bepaalde in het promotiereglement. 2017 390 20-10-2017 04-10-2017 34678 2017 491 20-12-2017 11-12-2017 01-01-2018
Artikel 7.19 — Artikel 7.19 Promotiereglement; eredoctoraat#
Artikel 7.19 Promotiereglement; eredoctoraat 1 Met inachtneming van het daaromtrent bij deze wet bepaalde stelt het college voor promoties het promotiereglement vast. In dat reglement worden geregeld: a. de gang van zaken met betrekking tot de voorbereiding van de promotie en met betrekking tot de promotie zelf, daaronder begrepen de taak en bevoegdheden van ieder die bij de promotie is of kan worden betrokken, b. de voorzieningen betreffende de beslechting van geschillen die zich met betrekking tot de voorbereiding van de promotie en de promotie zelf kunnen voordoen, en c. artikel 7.18, zesde lid indien van toepassing, de gang van zaken met betrekking tot. 2 Het college voor promoties is bevoegd om, op voordracht van het instellingsbestuur, wegens zeer uitstekende verdiensten aan natuurlijke personen de graad Doctor honoris causa te verlenen. 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-07-2010
Artikel 7.19a — Artikel 7.19a Aanduiding graden Bachelor, Master en Associate degree in de naamsvermelding#
Artikel 7.19a Aanduiding graden Bachelor, Master en Associate degree in de naamsvermelding 1 artikel 7.10a Degene aan wie op grond vaneen graad is verleend, is gerechtigd die graad met de toevoeging in zijn eigen naamsvermelding, achter de naam geplaatst, tot uitdrukking te brengen, desgewenst aangevuld met de vermelding, bedoeld in het derde lid van dat artikel. 2 artikel 7.10a De graden en de toevoegingen, bedoeld in, worden als volgt aangeduid: a. Associate degree: Ad, b. Bachelor: B, c. Master: M, d. Bachelor met de toevoeging «of Arts»: BA, e. Bachelor met de toevoeging «of Science»: BSc, f. artikel 7.10a, eerste lid, derde volzin Bachelor of Master met een andere toevoeging als bedoeld in, g. Master met de toevoeging «of Arts»: MA, h. Master met de toevoeging «of Science»: MSc, en i. artikel 7.10a, tweede lid, tweede volzin Bachelor of Master met een toevoeging als bedoeld in. 3 In de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.10a, eerste lid, dan wel in het besluit dat op grond van artikel 5a.2, lid 2a, wordt genomen, wordt met betrekking tot een andere toevoeging aan de graad als bedoeld in artikel 7.10a, eerste en tweede lid, tevens de aanduiding vastgesteld. 2017 390 20-10-2017 04-10-2017 34678 2017 491 20-12-2017 11-12-2017 01-01-2018
Artikel 7.20 — Artikel 7.20 Titels ir., mr., drs., ing. en bc.#
Artikel 7.20 Titels ir., mr., drs., ing. en bc. 1 artikel 7.19a Degene die op grond vangerechtigd is een graad in het wetenschappelijk onderwijs in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is tevens gerechtigd tot het voeren van: a. de titel ingenieur, afgekort tot ir., indien het een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs betreft op het gebied van de landbouw en natuurlijke omgeving of op het gebied van de techniek, b. de titel meester, afgekort tot mr., indien het een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs betreft op het gebied van het recht, of c. de titel doctorandus, afgekort tot drs., indien het een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs betreft waarop de onderdelen a en b niet van toepassing zijn. 2 artikel 7.19a Degene die op grond vangerechtigd is een graad in het hoger beroepsonderwijs in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is tevens gerechtigd tot het voeren van: a. de titel ingenieur, afgekort tot ing., indien het een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs betreft op het gebied van de landbouw en natuurlijke omgeving of op het gebied van de techniek, of b. de titel baccalaureus, afgekort tot bc., indien het een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs betreft waarop onderdeel a niet van toepassing is. 3 De in het eerste en tweede lid genoemde titels worden afgekort voor de naam geplaatst. 4 Het eerste lid is niet van toepassing op masteropleidingen, bedoeld in artikel 7.3b. 5 artikel 7.10a De betrokkene maakt een keuze uit het tot uitdrukking brengen in de eigen naamsvermelding van een graad als bedoeld inen het voeren van een titel als bedoeld in dit artikel. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-09-2024
Artikel 7.20a — Artikel 7.20a De titel kand.#
Artikel 7.20a De titel kand. Vervallen 2002 303 18-06-2002 06-06-2002 28024 2002 303 18-06-2002 06-06-2002 28024 01-09-2002
Artikel 7.21 — Artikel 7.21 Titels Master en Bachelor#
Artikel 7.21 Titels Master en Bachelor Vervallen 2002 303 18-06-2002 06-06-2002 28024 2002 303 18-06-2002 06-06-2002 28024 01-09-2002
Artikel 7.22 — Artikel 7.22 Aanduiding graden Doctor, Doctor of Philosophy of Doctor honoris causa in de naamsvermelding#
Artikel 7.22 Aanduiding graden Doctor, Doctor of Philosophy of Doctor honoris causa in de naamsvermelding 1 artikel 7.18 artikel 7.19, tweede lid Degene aan wie op grond van de promotie, bedoeld in, de graad Doctor of de graad Doctor of Philosophy, dan wel ingevolge, de graad Doctor honoris causa is verleend, is gerechtigd die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen. 2 Degene die op grond van het eerste lid gerechtigd is de in dat lid genoemde graden in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is tevens gerechtigd de titel doctor of Doctor of Philosophy te voeren. 3 De in het eerste lid genoemde graden worden, aangeduid als D of als PhD, in de naamsvermelding achter de naam geplaatst. De in het tweede lid genoemde titels worden, afgekort tot dr., voor de naam of, afgekort tot PhD, achter de naam geplaatst. 4 De betrokkene maakt een keuze uit het tot uitdrukking brengen in de eigen naamsvermelding van de graad, bedoeld in het eerste lid, en het voeren van de titels, bedoeld in het tweede lid. 2017 306 17-07-2017 07-06-2017 34355 2017 319 25-08-2017 19-08-2017 01-09-2017
Artikel 7.22a — Artikel 7.22a Handhaving titels oude stijl#
Artikel 7.22a Handhaving titels oude stijl 1 artikelen 7.20 7.22 Degenen die op grond van deen, zoals die bepalingen op 31 augustus 2002 luidden, gerechtigd waren tot het voeren van een in de desbetreffende bepalingen genoemde titel, blijven gerechtigd die titel te voeren overeenkomstig die artikelen. 2 artikel 7.21 Degenen die op grond van, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, gerechtigd waren tot het voeren van de titel Master of de titel Bachelor, blijven gerechtigd die titel te voeren overeenkomstig dat artikel. 2002 303 18-06-2002 06-06-2002 28024 2002 303 18-06-2002 06-06-2002 28024 01-09-2002
Artikel 7.23 — Artikel 7.23 Het voeren van een graad of titel op grond van een examen in verband met een buiten Nederland geaccrediteerde opleiding#
Artikel 7.23 Het voeren van een graad of titel op grond van een examen in verband met een buiten Nederland geaccrediteerde opleiding 1 Degene aan wie op grond van een examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad is verleend en die gerechtigd is die graad in het desbetreffende land in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is eveneens gerechtigd die graad in Nederland in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen op dezelfde wijze als in het desbetreffende land. 2 Degene aan wie op grond van een examen in Nederland een graad is verleend na het volgen van een opleiding die is geaccrediteerd door een niet in Nederland gevestigde accreditatieorganisatie, is gerechtigd die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen op dezelfde wijze als in het land waar de accreditatieorganisatie is gevestigd. 3 artikel 7.20 Onze Minister kan aan degene aan wie op grond van een examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad is verleend, toestaan om in Nederland in plaats van die graad een van de titels, genoemd in, in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, indien de opleiding op grond waarvan de graad is verleend, naar het oordeel van Onze Minister ten minste gelijkwaardig is aan een overeenkomstige Nederlandse opleiding. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing indien het een graad betreft als bedoeld in het tweede lid. 4 artikel 7.20 Onze Minister kan bij ministeriële regeling opleidingen en examens van niet in Nederland gevestigde instellingen voor hoger onderwijs aanwijzen, waarvan degenen aan wie op grond daarvan een graad is verleend, tevens gerechtigd zijn in plaats van die graad in Nederland een van de titels, genoemd in, te voeren. In de ministeriële regeling wordt bepaald in welke gevallen welke titel mag worden gevoerd. 5 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder «het verlenen van een graad» mede begrepen het verkrijgen van een titel. 2017 97 21-03-2017 08-03-2017 34412 2017 191 17-05-2017 04-05-2017 01-09-2017
Artikel 7.23a — Artikel 7.23a Het voeren van de graad Doctor of de titel doctor op grond van een buitenlandse regeling#
Artikel 7.23a Het voeren van de graad Doctor of de titel doctor op grond van een buitenlandse regeling 1 Degene aan wie door een niet in Nederland gevestigde universiteit de graad Doctor of «Doctor of Philosophy» is verleend op grond van een promotie of de graad Doctor honoris causa wegens zeer uitstekende verdiensten, en die gerechtigd is op grond daarvan die graad in het desbetreffende land in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is eveneens gerechtigd die graad in Nederland in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen op dezelfde wijze als in het desbetreffende land. 2 Degene aan wie aan een universiteit, die in Nederland is gevestigd als nevenvestiging van een buitenlandse universiteit, de graad Doctor of «Doctor of Philosophy» is verleend op grond van een promotie of de graad Doctor honoris causa wegens zeer uitstekende verdiensten, is gerechtigd die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen op dezelfde wijze als in het land waar de hoofdvestiging van de desbetreffende universiteit is. 3 Onze Minister kan toestaan aan degene aan wie aan een niet in Nederland gevestigde universiteit de graad Doctor of «Doctor of Philosophy» is verleend op grond van een promotie of de graad Doctor honoris causa wegens zeer uitstekende verdiensten, om in Nederland in plaats van die graad de titel doctor in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing indien het een graad betreft als bedoeld in het tweede lid. 4 Onze Minister kan bij ministeriële regeling niet in Nederland gevestigde universiteiten aanwijzen, waarvan degene aan wie aan die universiteit de graad Doctor of «Doctor of Philosophy» is verleend, tevens gerechtigd is in plaats van die graad in Nederland de titel doctor te voeren. 5 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder «het verlenen van een graad» mede begrepen het verkrijgen van een titel. 2017 97 21-03-2017 08-03-2017 34412 2017 191 17-05-2017 04-05-2017 01-09-2017
Artikel 7.23b — Artikel 7.23b Begripsbepaling paragraaf 1#
Artikel 7.23b Begripsbepaling paragraaf 1 In deze paragraaf wordt onder «opleiding» verstaan een associate degree-opleiding of een bacheloropleiding. 2017 390 20-10-2017 04-10-2017 34678 2017 491 20-12-2017 11-12-2017 01-01-2018
Artikel 7.24 — Artikel 7.24 Vooropleidingseisen#
Artikel 7.24 Vooropleidingseisen 1 artikel 2.58, tweede lid, onderdeel a 2.80, tweede lid, onderdeel a, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Onverminderd het derde lid geldt voor de inschrijving voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als opleidingseis het bezit van het diploma vwo, bedoeld in, of. 2 Onverminderd het derde en het vierde lid geldt voor de inschrijving voor een opleiding in het hoger beroepsonderwijs als vooropleidingseis het bezit van: a. artikel 2.58, tweede lid, onderdeel a 2.80, tweede lid, onderdeel a, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 het diploma vwo, bedoeld in, of, b. artikel 2.58, tweede lid, onderdeel a 2.80, tweede lid, onderdeel a, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 het diploma havo, bedoeld in, of, c. artikel 7.2.2, eerste lid, onder d, onderscheidenlijk e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs het diploma van een middenkaderopleiding of van een specialistenopleiding als bedoeld in, d. artikel 7.2.2, eerste lid, onder d, onderscheidenlijk e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES het diploma van een middenkaderopleiding of van een specialistenopleiding als bedoeld in, e. artikel 7.2.2, eerste lid, onder c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs het diploma van de bij ministeriële regeling aangewezen vakopleidingen, bedoeld in, of f. artikel 7.2.2, eerste lid, onder c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES het diploma van de bij ministeriële regeling aangewezen vakopleidingen, bedoeld in. 3 artikel 7.3c Voor de inschrijving voor een opleiding of voor een onderwijseenheid, behorend tot een opleiding, aan de Open Universiteit gelden geen vooropleidingseisen, tenzij het een gezamenlijke opleiding betreft als bedoeld in. Indien geen vooropleidingseisen gelden, staat de inschrijving voor een opleiding of voor een onderwijseenheid, behorend tot een opleiding, open voor ieder die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. 4 artikelen 7.25a 7.25b Voor de inschrijving voor een opleiding tot leraar basisonderwijs kunnen bijzondere nadere vooropleidingseisen worden gesteld als bedoeld in deen. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 7.24a — Artikel 7.24a Vooropleidingseisen educatieve module#
Artikel 7.24a Vooropleidingseisen educatieve module 1 Voor de inschrijving voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs met alleen het oogmerk gebruik te maken van de educatieve module geldt als vooropleidingseis, dat: a. aan de betrokkene de graad Bachelor of Master in het wetenschappelijk onderwijs is verleend; of b. de betrokkene blijkens een al dan niet in Nederland afgegeven diploma in het bezit is van de kennis, het inzicht en de vaardigheden op het niveau van een graad Bachelor in het wetenschappelijk onderwijs; en c. de betrokkene voldoet aan de door het instellingsbestuur gestelde eisen. 2 artikelen 7.30d 7.30f Deenzijn van overeenkomstige toepassing. 2023 192 12-06-2023 03-06-2023 36132 2023 249 10-07-2023 30-06-2023 01-09-2023
Artikel 7.25 — Artikel 7.25 Nadere vooropleidingseisen#
Artikel 7.25 Nadere vooropleidingseisen 1 artikel 2.20 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Onverminderd het vierde lid kan bij ministeriële regeling bepaald worden dat een instellingsbestuur de mogelijkheid heeft om voor een bij die regeling aan te wijzen opleiding of groep van opleidingen enkel als studenten en extranei in te schrijven degene van wie het diploma betrekking heeft op een of meer bij die ministeriële regeling aan te wijzen profielen, bedoeld in, waarbij de profielen betrekking hebben op de volgende diploma’s: a. artikel 2.58, tweede lid, onderdeel a 2.80, tweede lid, onderdeel a, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 het diploma vwo, bedoeld in, of; of b. artikel 2.58, tweede lid, onderdeel a 2.80, tweede lid, onderdeel a, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 het diploma havo, bedoeld in, of. 2 Onverminderd het vierde lid kan bij ministeriële regeling tevens bepaald worden dat een instellingsbestuur de mogelijkheid heeft om voor een bij die regeling aan te wijzen opleiding of groep van opleidingen enkel als studenten en extranei in te schrijven degene van wie het examen ter verkrijging van een in het eerste lid bedoeld diploma voor een deel bestaat uit bij die ministeriële regeling aangewezen vakken en andere programmaonderdelen, indien het betreft: a. een diploma dat betrekking heeft op een profiel waarvan het profieldeel niet voor alle kandidaten dezelfde vakken en andere programmaonderdelen omvat; b. een diploma dat betrekking heeft op een ander profiel dan een krachtens het eerste lid aangewezen profiel; of c. in bijzondere gevallen, een opleiding waarop geen enkel profiel zonder meer een goede voorbereiding geeft. 3 Onverminderd het vierde lid kan bij ministeriële regeling bepaald worden dat een instellingsbestuur de mogelijkheid heeft om eisen te stellen om te worden ingeschreven voor een bepaalde opleiding of groep van opleidingen in het hoger beroepsonderwijs in verband met de gewenste aansluiting van het diploma van: a. artikel 7.2.2, eerste lid, onder d, onderscheidenlijk e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs een middenkaderopleiding of een specialistenopleiding als bedoeld in; of b. artikel 7.24, tweede lid, onder e een bij de ministeriële regeling, bedoeld in, aangewezen vakopleiding op een opleiding of een groep van opleidingen in het hoger beroepsonderwijs. 4 Bij de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, kan worden bepaald dat voor een bij die regeling aangewezen opleiding of groep van opleidingen het instellingsbestuur een of meer van de nadere vooropleidingseisen, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, stelt om te kunnen worden ingeschreven. 5 artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs De vertegenwoordigers van de hogescholen en van de instellingen, bedoeld in, kunnen gezamenlijk voorstellen doen over de gewenste invulling van de aansluiting, bedoeld in het derde lid. 6 Indien de nadere vooropleidingseisen, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, van toepassing zijn, kan degene die hier niet aan voldoet toch als student of extraneus worden ingeschreven, onder de voorwaarde dat blijkens een onderzoek wordt voldaan aan inhoudelijk daarmee vergelijkbare eisen. Het instellingsbestuur bepaalt dat aan deze eisen moet zijn voldaan voor de aanvang van de opleiding dan wel uiterlijk bij afronding van de propedeutische fase of, indien die fase niet is ingesteld, bij afronding van de eerste periode in die opleiding met een studielast van 60 studiepunten. De eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling. 7 Artikel 7.24, derde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-09-2024
Artikel 7.25a — Artikel 7.25a Bijzondere nadere vooropleidingseisen opleiding tot leraar basisonderwijs#
Artikel 7.25a Bijzondere nadere vooropleidingseisen opleiding tot leraar basisonderwijs 1 artikel 7.25, tweede en derde lid Voor de opleiding tot leraar basisonderwijs kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur als voorwaarde voor de inschrijving tot die opleiding bijzondere nadere vooropleidingseisen worden gesteld. Indien uitvoering is gegeven aan de eerste volzin, is, niet van toepassing op de opleiding tot leraar basisonderwijs. 2 artikel 9, eerste en tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs De bijzondere nadere vooropleidingseisen, bedoeld in het eerste lid, hebben betrekking op onderdelen of kennisgebieden als bedoeld in. Op basis van die eisen toont de aspirant-student voor de inschrijving bij de opleiding tot leraar basisonderwijs aan, te beschikken over voldoende kennis om te kunnen deelnemen aan die opleiding. 3 artikel 7.24 Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kan worden bepaald met welke vakken die deel hebben uitgemaakt van het examen ter verkrijging van een diploma als bedoeld in, de kennis, bedoeld in het tweede lid, kan worden aangetoond. Bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur wordt het niveau van de kennis vastgesteld dat anders is dan het niveau van het examen, bedoeld in de eerste volzin. 2013 298 18-07-2013 10-07-2013 33519 2013 311 25-07-2013 18-07-2013 01-09-2013
Artikel 7.25b — Artikel 7.25b Toetsing bijzondere nadere vooropleidingseisen opleiding tot leraar basisonderwijs#
Artikel 7.25b Toetsing bijzondere nadere vooropleidingseisen opleiding tot leraar basisonderwijs 1 artikel 7.25a, tweede lid De aspirant-student, bedoeld in, kan aantonen over de kennis, bedoeld in dat artikel, te beschikken door middel van: a. artikel 7.24 het overleggen van een diploma als bedoeld in, en wat betreft de vakken die deel hebben uitgemaakt van het examen ter verkrijging van dat diploma, de bij het diploma behorende cijferlijst of resultatenlijst waaruit blijkt dat hij over de desbetreffende kennis beschikt, of b. artikel 7.4.11, vijfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs artikel 7.4.13, vijfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES in voorkomende gevallen, al dan niet in aanvulling op het overleggen van een diploma als bedoeld in onderdeel a, het overleggen van een of meer certificaten als bedoeld inof, waaruit blijkt dat hij over de desbetreffende kennis beschikt. 2 artikel 7.25a Indien de aspirant-student niet voldoet aan het eerste lid, kan hij aantonen over de kennis, bedoeld in, te beschikken door het met goed gevolg afleggen van een toets. 3 Het instellingsbestuur stelt de aspirant-student in de gelegenheid een toets af te leggen en stelt met betrekking tot de toets regels van procedurele aard vast. 2017 80 09-03-2017 22-02-2017 34607 2017 166 20-04-2017 29-03-2017 01-07-2017
Artikel 7.26 — Artikel 7.26 Aanvullende eisen#
Artikel 7.26 Aanvullende eisen 1 Wet voortgezet onderwijs 2020 Wet educatie en beroepsonderwijs artikel 7.24 Indien de uitoefening van het beroep of de beroepen waarop een opleiding voorbereidt, dan wel de organisatie en de inrichting van het onderwijs, specifieke eisen stelt ten aanzien van kennis of vaardigheden die niet of niet in voldoende mate onderdeel zijn van het voortgezet onderwijs, bedoeld in de, of van het beroepsonderwijs, bedoeld in de, onderscheidenlijk specifieke eisen stelt ten aanzien van de eigenschappen van de student, kunnen bij ministeriële regeling opleidingen worden aangewezen die op daarbij aangegeven gronden eisen kunnen stellen in aanvulling op de eisen, bedoeld in. Het instellingsbestuur stelt een regeling vast voor de selectiecriteria en -procedure. De selectiecriteria kunnen uitsluitend eisen bevatten die direct verband houden met de gronden, bedoeld in de eerste volzin. Dit lid is niet van toepassing op opleidingen op het gebied van de kunst en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst. 2 Bij de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, kunnen tevens voorschriften van procedurele aard worden vastgesteld. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 7.26a — Artikel 7.26a Aanvullende eisen voor opleidingen en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst#
Artikel 7.26a Aanvullende eisen voor opleidingen en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst 1 artikel 7.24 Bij ministeriële regeling kunnen opleidingen op het gebied van de kunst en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst worden aangewezen die in verband met de organisatie en inrichting van het onderwijs dan wel de kennis of vaardigheden van de aanstaande studenten en extraneï specifieke eisen kunnen stellen in aanvulling op de eisen, bedoeld in. Voor de inschrijving voor deze opleidingen geldt als eis het bezit van een bewijs van toelating als bedoeld in het vierde lid. 2 Met betrekking tot de opleidingen waarop het eerste lid van toepassing is, stelt het instellingsbestuur ter uitwerking van de in het eerste lid bedoelde specifieke eisen voor een opleiding criteria vast betreffende selectie en toelating van studenten en extraneï. De selectiecriteria kunnen uitsluitend eisen bevatten die direct verband houden met de gronden, bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid. 3 Voor elke opleiding stelt het instellingsbestuur een commissie in, die is belast met het onderzoek of aanstaande studenten of extraneï voldoen aan de in het eerste lid bedoelde eisen en de in het tweede lid bedoelde criteria. De commissie brengt het instellingsbestuur een gemotiveerd advies uit. 4 Het instellingsbestuur neemt ten aanzien van elke aanstaande student of extraneus een beslissing of deze voldoet aan de in het eerste lid bedoelde eisen en de in het tweede lid bedoelde criteria. Het instellingsbestuur bericht de student of extraneus over de uitslag van het desbetreffende onderzoek en reikt hem, indien het resultaat van het onderzoek daartoe aanleiding geeft, ten bewijze daarvan een bewijs van toelating uit. 5 Bij de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, kunnen tevens voorschriften van procedurele aard worden vastgesteld. 2014 219 24-06-2014 14-05-2014 33840 2014 283 18-07-2014 11-07-2014 19-07-2014
Artikel 7.27 — Artikel 7.27 Eisen werkkring#
Artikel 7.27 Eisen werkkring Het instellingsbestuur kan met het oog op de inschrijving voor een deeltijdse opleiding aan een universiteit of aan een hogeschool eisen omtrent het verrichten van werkzaamheden tijdens het volgen van de opleiding stellen indien de desbetreffende werkzaamheden in de onderwijs- en examenregeling als onderwijseenheden zijn aangemerkt. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 7.28 — Artikel 7.28 Vrijstelling op grond van andere diploma’s#
Artikel 7.28 Vrijstelling op grond van andere diploma’s 1 artikel 7.28, derde en vierde lid artikel 7.24, eerste en tweede lid artikelen 7.26 7.26a 7.27 Onverminderd, is degene aan wie een graad Bachelor of een graad Master is verleend, vrijgesteld van de inbedoelde vooropleidingseisen en is degene aan wie een graad Associate degree is verleend, vrijgesteld van de in artikel 7.24, tweede lid, bedoelde vooropleidingseisen. Van de in de eerste volzin bedoelde vooropleidingseisen is eveneens vrijgesteld degene die toegang heeft tot het wetenschappelijk onderwijs of het hoger beroepsonderwijs in het land van een verdragspartij die het Verdrag inzake de erkenning van kwalificaties betreffende hoger onderwijs in de Europese regio (Trb. 2002, 137) heeft geratificeerd, onverminderd de bevoegdheid van het instellingsbestuur om op grond van artikel IV.1 van het genoemde verdrag een aanzienlijk verschil aan te tonen tussen de algemene eisen betreffende de toegang op het grondgebied van het bedoelde land waar de kwalificatie werd behaald en de algemene eisen bij of krachtens deze wet. Gelijke bevoegdheid bestaat op grond van het tweede lid, derde en vierde volzin, het derde en vierde lid en de,en. 1a artikel 7.24, eerste lid Het instellingsbestuur kan met het oog op de inschrijving voor een bacheloropleiding aan een universiteit van de bezitter van een graad Associate degree of van de bezitter van een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd propedeutisch examen aan een instelling voor hoger onderwijs die niet in het bezit is van een diploma als bedoeld in, dan wel een op grond van het tweede lid bij ministeriële regeling als ten minste gelijkwaardig aangemerkt onderscheidenlijk naar het oordeel van het instellingsbestuur daaraan ten minste gelijkwaardig diploma eisen dat hij aantoont over kennis, inzicht en vaardigheden te beschikken om de bedoelde bacheloropleiding met goed gevolg af te ronden. 2 artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid Het instellingsbestuur verleent vrijstelling van de in, bedoelde vooropleidingseis aan de bezitter van een al dan niet in Nederland afgegeven diploma dat bij ministeriële regeling is aangemerkt als tenminste gelijkwaardig aan het in het desbetreffende lid bedoelde diploma, onverminderd het derde en vierde lid. Het instellingsbestuur kan vrijstelling verlenen van de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseisen aan de bezitter van een al dan niet in Nederland afgegeven diploma dat niet in de in de eerste volzin genoemde ministeriële regeling is opgenomen, indien dat diploma naar het oordeel van het instellingsbestuur tenminste gelijkwaardig is aan het in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde diploma, onverminderd het derde en vierde lid. Indien het een buiten Nederland afgegeven diploma betreft, kan het instellingsbestuur bepalen dat geen examens of onderdelen daarvan worden afgelegd dan nadat ten genoegen van de desbetreffende examencommissie het bewijs is geleverd van voldoende beheersing van de Nederlandse taal voor het met vrucht kunnen volgen van het onderwijs. Het instellingsbestuur kan tevens bepalen dat betrokkene niet wordt ingeschreven zolang het in de voorgaande volzin bedoelde bewijs niet is geleverd. 3 artikel 7.25, eerste tot en met vierde lid artikel 7.25a, eerste lid Indien nadere vooropleidingseisen als bedoeld in, van toepassing zijn, of bijzondere nadere vooropleidingseisen als bedoeld in, zijn vastgesteld kan de bezitter van een diploma als bedoeld in het eerste tot en met tweede lid geen examens afleggen voordat hij op een door het instellingsbestuur te bepalen wijze op grond van een aanvullend onderzoek heeft aangetoond te beschikken over de kennis en vaardigheden waarop de nadere of bijzondere nadere vooropleidingseisen, bedoeld in de artikelen 7.25 onderscheidenlijk 7.25a, betrekking hebben. 4 artikelen 7.25 7.25a Het instellingsbestuur kan bepalen dat de bezitter van een diploma als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid niet kan worden ingeschreven indien dat bestuur van oordeel is dat de eisen, bedoeld in deof, van dien aard zijn dat redelijkerwijs verwacht kan worden dat niet tijdens het eerste jaar van inschrijving voor de opleiding op grond van een aanvullend onderzoek als bedoeld in het derde lid aangetoond kan worden dat betrokkene beschikt over de kennis en vaardigheden waarop die eisen betrekking hebben. Het instellingsbestuur bepaalt op welke wijze betrokkene op grond van een aanvullend onderzoek met het oog op de inschrijving vrijgesteld kan worden van die eisen. 5 De bij het onderzoek, bedoeld in onderscheidenlijk de leden twee tot en met vier, te stellen eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling. 2021 263 07-06-2021 07-04-2021 35582 2021 325 09-07-2021 22-06-2021 01-09-2021
Artikel 7.29 — Artikel 7.29 Vrijstelling op grond van toelatingsonderzoek#
Artikel 7.29 Vrijstelling op grond van toelatingsonderzoek 1 artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid artikel 7.28 Het instellingsbestuur kan personen van eenentwintig jaar en ouder die niet voldoen aan de in, bedoelde vooropleidingseis noch daarvan krachtenszijn vrijgesteld, van die vooropleidingseis vrijstellen, indien zij bij een onderzoek door een door het instellingsbestuur in te stellen commissie hebben blijk gegeven van geschiktheid voor het desbetreffende onderwijs en van voldoende beheersing van de Nederlandse taal voor het met vrucht kunnen volgen van dat onderwijs. 2 De bij het onderzoek te stellen eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling. 3 Het instellingsbestuur kan ten aanzien van een bezitter van een buiten Nederland afgegeven diploma dat in het eigen land toegang geeft tot een opleiding aan een instelling voor hoger onderwijs, afwijken van de in het eerste lid genoemde leeftijdsgrens. Van die leeftijdsgrens kan het instellingsbestuur ook afwijken, indien in bijzondere gevallen geen diploma kan worden overgelegd. 4 Het instellingsbestuur kan ten aanzien van opleidingen op het gebied van de kunst in bijzondere gevallen afwijken van de in het eerste lid genoemde leeftijd. 2002 303 18-06-2002 06-06-2002 28024 2002 303 18-06-2002 06-06-2002 28024 01-09-2004
Artikel 7.30 — Artikel 7.30 Postpropedeutische fase#
Artikel 7.30 Postpropedeutische fase 1 Voor de inschrijving voor een bacheloropleiding na het propedeutisch examen geldt als eis het bezit van een getuigschrift van het met goed gevolg afgelegde propedeutisch examen van die bacheloropleiding of van het met goed gevolg afgelegde propedeutisch examen dat die bacheloropleiding en een of meer andere bacheloropleidingen gemeen hebben. 2 Het instellingsbestuur kan vrijstelling verlenen van de in het eerste lid bedoelde eis aan de bezitter van een al dan niet in Nederland afgegeven diploma, indien dat diploma naar het oordeel van het instellingsbestuur ten minste gelijkwaardig is aan het in het eerste lid bedoelde getuigschrift. Indien het een buiten Nederland afgegeven diploma betreft, kan het instellingsbestuur daarbij bepalen dat geen examens of onderdelen daarvan worden afgelegd dan nadat ten genoegen van de desbetreffende examencommissie het bewijs is geleverd van voldoende beheersing van de Nederlandse taal voor het met vrucht kunnen volgen van het onderwijs. 3 Met inachtneming van het terzake bepaalde in de onderwijs- en examenregeling kan de examencommissie, in afwijking van het eerste lid, aan degene die is ingeschreven, op zijn verzoek, reeds de toegang tot het afleggen van een of meer onderdelen van het afsluitend examen verlenen voordat hij het propedeutisch examen van de desbetreffende bacheloropleiding met goed gevolg heeft afgelegd. 2017 390 20-10-2017 04-10-2017 34678 2017 491 20-12-2017 11-12-2017 01-01-2018
Artikel 7.30a — Artikel 7.30a Toelatingseisen aansluitende masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs#
Artikel 7.30a Toelatingseisen aansluitende masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs Vervallen 2013 298 18-07-2013 10-07-2013 33519 2013 311 25-07-2013 18-07-2013 01-09-2014
Artikel 7.30b — Artikel 7.30b Toelatingseisen masteropleidingen#
Artikel 7.30b Toelatingseisen masteropleidingen 1 Voor de inschrijving voor een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs of voor een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs geldt als toelatingseis: a. het bezit van een graad Bachelor in het wetenschappelijk onderwijs onderscheidenlijk een graad Bachelor in het hoger beroepsonderwijs; of b. het bezit van kennis, inzicht en vaardigheden op het niveau van een graad Bachelor in het wetenschappelijk onderwijs onderscheidenlijk een graad Bachelor in het hoger beroepsonderwijs. 2 Het instellingsbestuur kan naast de eisen, bedoeld in het eerste lid, kwalitatieve toelatingseisen vaststellen. Deze eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling. 3 Het instellingsbestuur laat degenen die aan de gestelde eisen voldoen toe tot een masteropleiding. Indien het instellingsbestuur een maximum aantal voor de opleiding in te schrijven personen heeft vastgesteld, geldt als extra toelatingseis dat dit aantal door de toelating niet wordt overschreden. 4 Het instellingsbestuur maakt tijdig de procedure bekend op grond waarvan de toelating zal plaatsvinden ingeval het aantal aspirant-studenten voor een masteropleiding het maximumaantal, bedoeld in het derde lid, zou overschrijden. Het instellingsbestuur stelt daartoe een reglement vast. 5 Indien er sprake is van kwalitatieve toelatingseisen van studenten bedraagt het aantal soorten daarvan ten minste twee. 6 Indien afgestudeerden van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs zich niet kunnen of dreigen te kunnen inschrijven bij een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs, kan Onze Minister een of meer instellingsbesturen van universiteiten verplichten een of meer masteropleidingen aan te wijzen waaraan bedoelde afgestudeerden zich kunnen inschrijven. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 7.30c — Artikel 7.30c Toelatingseisen voor masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied van onderwijs#
Artikel 7.30c Toelatingseisen voor masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied van onderwijs Voor de inschrijving voor een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs tot leraar voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs in vakken van voortgezet onderwijs gelden als toelatingseisen dat: a. artikel 7.10a aan de betrokkene de graad Master, bedoeld in, is verleend, indien het een opleiding van minder dan 120 studiepunten betreft, en b. de betrokkene voldoet aan de door het instellingsbestuur te stellen eisen. 2021 263 07-06-2021 07-04-2021 35582 2021 325 09-07-2021 22-06-2021 01-09-2021
Artikel 7.30d — Artikel 7.30d Toelatingseisen niet van toepassing a.g.v. Lissabon-afspraken#
Artikel 7.30d Toelatingseisen niet van toepassing a.g.v. Lissabon-afspraken artikel 7.28, eerste lid, tweede volzin Op de personen, bedoeld in, zijn, onverminderd de bevoegdheid van het instellingsbestuur om op grond van artikel IV.1 van het Verdrag inzake de erkenning van kwalificaties betreffende hoger onderwijs in de Europese regio (Trb. 2002, 137) een aanzienlijk verschil aan te tonen tussen de algemene eisen betreffende de toegang op het grondgebied van het bedoelde land waar de kwalificatie werd behaald en de algemene eisen bij of krachtens deze wet, niet van toepassing: a. artikel 7.30b , met uitzondering van de eisen, bedoeld in het tweede lid, en b. artikel 7.30c . 2021 263 07-06-2021 07-04-2021 35582 2021 325 09-07-2021 22-06-2021 01-09-2021
Artikel 7.30e — Artikel 7.30e Premasters#
Artikel 7.30e Premasters artikelen 7.30b 7.30c Indien de betrokkene niet voldoet aan de toelatingseisen, bedoeld in deof, en van hem redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij daaraan binnen een redelijke termijn alsnog kan voldoen, wordt hem de mogelijkheid geboden, de tekortkoming weg te nemen en alsnog aan de toelatingseisen te voldoen. 2021 263 07-06-2021 07-04-2021 35582 2021 325 09-07-2021 22-06-2021 01-09-2021
Artikel 7.30f — Artikel 7.30f Gelijkwaardigheid buitenlandse getuigschriften#
Artikel 7.30f Gelijkwaardigheid buitenlandse getuigschriften 1 artikel 7.11, tweede lid Indien uit verdragen waarbij het Koninkrijk der Nederlanden partij is, voortvloeit dat het niveau zoals dat blijkt uit een buitenlands getuigschrift, gelijkwaardig is aan het niveau zoals dat blijkt uit een van de getuigschriften bedoeld in, is het instellingsbestuur niet bevoegd: a. artikelen 7.28, eerste lid, tweede volzin 7.30d om bij de bezitter van dat buitenlandse getuigschrift een aanzienlijk verschil aan te tonen tussen de algemene eisen betreffende de toegang tot het hoger onderwijs in het land waar het getuigschrift werd behaald en de algemene eisen, als bedoeld in de, en; of b. artikelen 7.28, tweede lid, tweede volzin van de bezitter van dat buitenlands getuigschrift nader bewijs te verlangen voor de vaststelling dat het niveau van het buitenlandse getuigschrift gelijkwaardig is aan het niveau van het desbetreffende Nederlandse getuigschrift, als bedoeld in de. 2 Van de gelijkwaardigheid van de buitenlandse getuigschriften, bedoeld in het eerste lid, wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. 2021 263 07-06-2021 07-04-2021 35582 2021 325 09-07-2021 22-06-2021 01-09-2021
Artikel 7.31 — Artikel 7.31 Begripsbepaling paragraaf 1#
Artikel 7.31 Begripsbepaling paragraaf 1 In deze paragraaf wordt onder «opleiding» verstaan een associatie degree-opleiding of een bacheloropleiding. 2017 390 20-10-2017 04-10-2017 34678 2017 491 20-12-2017 11-12-2017 01-01-2018
Artikel 7.31a — Artikel 7.31a Aanmelding uiterlijk op 1 mei#
Artikel 7.31a Aanmelding uiterlijk op 1 mei 1 artikel 7.31d Uiterlijk op 1 mei voorafgaand aan het desbetreffende studiejaar meldt degene die zich als student wil inschrijven voor de eerste periode van een associate degree-opleiding met een studielast van 60 studiepunten, voor een bepaalde propedeutische fase van een bacheloropleiding aan een bepaalde instelling of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een bacheloropleiding met een studielast van 60 studiepunten, zich aan bij Onze Minister, met inachtneming vanen overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen regels van procedurele aard. 2 De aanmelding geschiedt onder vermelding van de instelling waarbij en de opleiding waarvoor de betrokkene zich wil inschrijven. 3 Indien de betrokkene zich voorafgaand aan het desbetreffende studiejaar voor meer dan een opleiding wil aanmelden, geldt de verplichting, bedoeld in het eerste lid, voor één opleiding. 4 artikelen 7.31c 7.31d Onze Minister levert de aanmeldingsgegevens, bedoeld in dit artikel en deen, aan de instelling of instellingen waarvoor de betrokkene zich heeft aangemeld. 5 artikel 7.8b, vijfde lid Dit artikel is niet van toepassing op een student die zich na 1 mei aanmeldt bij een andere opleiding dan die waarbij hij oorspronkelijk was ingeschreven maar kan aantonen dat de nieuwe aanmelding het gevolg is van een beëindiging van de inschrijving op grond van, op een zodanig tijdstip dat hij zich niet kon aanmelden voor 1 mei, voorafgaand aan het studiejaar waarvoor hij zich wenst in te schrijven. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 7.31b — Artikel 7.31b Rechten en verplichtingen bij aanmelding uiterlijk op 1 mei#
Artikel 7.31b Rechten en verplichtingen bij aanmelding uiterlijk op 1 mei 1 artikel 7.31a, eerste lid Indien de betrokkene zich uiterlijk op 1 mei voor een of meer opleidingen heeft aangemeld op de wijze, bedoeld in, heeft hij het recht deel te nemen aan door de instelling met betrekking tot de desbetreffende opleidingen te organiseren studiekeuzeactiviteiten. Het instellingsbestuur kan besluiten dat de betrokkene verplicht is deel te nemen aan de studiekeuzeactiviteiten. 2 Voor het geval dat het overbruggen van de afstand tussen woon- of verblijfplaats en de plaats waar de studiekeuzeactiviteiten plaatsvinden voor een aspirant-student tot overwegende bezwaren leidt, treft het instellingsbestuur zodanige voorzieningen dat deze aspirant-student kan deelnemen aan de studiekeuzeactiviteiten zonder dat diens fysieke aanwezigheid is vereist. 3 Het instellingsbestuur brengt ten aanzien van elke student die zich heeft aangemeld en die heeft deelgenomen aan de studiekeuzeactiviteiten, een studiekeuzeadvies uit. Bij ministeriële regeling kan een maximum aantal studiekeuzeadviezen worden vastgesteld waarop de betrokkene recht heeft. 4 Indien toepassing is gegeven aan de tweede volzin van het eerste lid en de betrokkene zonder geldige reden niet deelneemt aan de studiekeuzeactiviteiten, bedoeld in dat lid, kan het instellingsbestuur besluiten de inschrijving van de betrokkene te weigeren. 5 Het instellingsbestuur stelt ter uitvoering van het eerste tot en met vierde lid nadere regels vast die in elk geval betrekking hebben op: a. de aard en de inhoud van de studiekeuzeactiviteiten voor de instelling of per opleiding; b. de termijn waarbinnen de studiekeuzeactiviteiten plaatsvinden; c. de termijn waarbinnen en de wijze waarop het studiekeuzeadvies wordt uitgebracht; d. de geldige redenen van verhindering voor het deelnemen aan studiekeuzeactiviteiten; e. de gevolgen van het zonder geldige reden van verhindering niet deelnemen aan studiekeuzeactiviteiten; en f. de voorzieningen, bedoeld in het tweede lid. 6 Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op de inschrijving voor een bacheloropleiding waarvoor een selectieprocedure is ingesteld. 2017 390 20-10-2017 04-10-2017 34678 2017 491 20-12-2017 11-12-2017 01-01-2018 Abusievelijk is op het vijfde lid een wijziging geformuleerd die
niet kan worden doorgevoerd. 2017 306 17-07-2017 07-06-2017 34355 2017 319 25-08-2017 19-08-2017 01-01-2018
Artikel 7.31c — Artikel 7.31c Aanmelding na 1 mei voor een andere opleiding#
Artikel 7.31c Aanmelding na 1 mei voor een andere opleiding 1 artikel 7.31a, eerste lid artikel 7.31b, eerste lid Indien de betrokkene heeft voldaan aan de verplichting, bedoeld in, behorend bij die andere opleiding en zich na 1 mei voor een andere opleiding dan de opleiding, bedoeld in genoemde bepaling, aanmeldt, kan het instellingsbestuur besluiten dat de betrokkene verplicht is deel te nemen aan de studiekeuzeactiviteiten, bedoeld in. 2 artikel 7.31a, vijfde lid Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de student, bedoeld in. 2017 390 20-10-2017 04-10-2017 34678 2017 491 20-12-2017 11-12-2017 01-01-2018
Artikel 7.31d — Artikel 7.31d Aanmelding na 1 mei voor de eerste keer#
Artikel 7.31d Aanmelding na 1 mei voor de eerste keer 1 artikel 7.31a, eerste lid Indien de betrokkene niet heeft voldaan aan de aanmeldingsverplichting, bedoeld in, en zich na 1 mei voor een opleiding aanmeldt, kan het instellingsbestuur besluiten: a. dat de betrokkene de inschrijving voor de desbetreffende opleiding wordt geweigerd, of b. artikel 7.31b, eerste lid dat de betrokkene verplicht is deel te nemen aan de studiekeuzeactiviteiten, bedoeld in. 2 artikel 7.31a, vijfde lid De bevoegdheid de betrokkene de inschrijving te weigeren, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing op een student als bedoeld in. 3 artikel 7.31b, tweede en derde lid Indien de betrokkene op grond van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, verplicht wordt deel te nemen aan de studiekeuzeactiviteiten, is, van toepassing. 4 artikel 7.31b, derde lid Indien het instellingsbestuur op grond van, een negatief studiekeuzeadvies uitbrengt aan de betrokkene, kan het instellingsbestuur besluiten de betrokkene de inschrijving voor de desbetreffende opleiding te weigeren. 5 Artikel 7.31b, vierde, vijfde en zesde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2017 390 20-10-2017 04-10-2017 34678 2017 491 20-12-2017 11-12-2017 01-01-2018 2017 306 17-07-2017 07-06-2017 34355 2017 319 25-08-2017 19-08-2017 01-01-2018
Artikel 7.31e — Artikel 7.31e Te verstrekken persoonsgebonden nummer bij aanmelding#
Artikel 7.31e Te verstrekken persoonsgebonden nummer bij aanmelding 1 Bij de aanmelding, bedoeld in deze paragraaf, legt de betrokkene mede zijn persoonsgebonden nummer over. Indien de student aannemelijk maakt dat hij geen persoonsgebonden nummer kan overleggen, vindt de aanmelding plaats met inachtneming van het derde lid. 2 Het persoonsgebonden nummer wordt overgelegd door middel van een van overheidswege verstrekt document, waarop tevens de gegevens over de geslachtsnaam, de voorletters, de geboortedatum en het geslacht van de betrokkene zijn vermeld. 3 Indien de betrokkene aannemelijk maakt dat hij geen persoonsgebonden nummer kan overleggen, verstrekt Onze Minister binnen acht weken na ontvangst van de aanmelding aan hem zijn onderwijsnummer. Het onderwijsnummer is een door Onze Minister uitgegeven en aan de betrokkene toegekend persoonsgebonden nummer. 4 artikel 7.52, tweede lid Onze Minister verstrekt binnen acht weken na ontvangst van de aanmelding aan het instellingsbestuur van de instelling waaraan de betrokkene zich wil inschrijven, het persoonsgebonden nummer van de betrokkene en de gegevens, bedoeld in, voorzover die door de betrokkene zijn verstrekt. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 7.31f — Artikel 7.31f Aanmelding bij Open Universiteit#
Artikel 7.31f Aanmelding bij Open Universiteit artikelen 7.31a tot en met 7.31d Dezijn niet van toepassing op de Open Universiteit. 2013 298 18-07-2013 10-07-2013 33519 2013 311 25-07-2013 18-07-2013 01-09-2013
Artikel 7.32 — Artikel 7.32 Algemene bepaling inschrijving#
Artikel 7.32 Algemene bepaling inschrijving 1 artikel 7.51e, tweede lid, aanhef en onder d Onverminderd, dient een ieder die wenst gebruik te kunnen maken van onderwijsvoorzieningen, examenvoorzieningen of voorzieningen van andere aard ten behoeve van initieel onderwijs aan een instelling, zich door het instellingsbestuur als student of extraneus te laten inschrijven. 2 In afwijking van het eerste lid is inschrijving voor een duale opleiding dan wel aan de Open Universiteit uitsluitend mogelijk als student. 3 De inschrijving geschiedt voor een opleiding, met dien verstande dat de inschrijving aan de Open Universiteit geschiedt voor een of meer onderwijseenheden. De inschrijving voor een opleiding geschiedt ook indien een student gebruik wil maken van een educatieve module en alleen met dat oogmerk wenst te worden ingeschreven. 4 De inschrijving voor een opleiding geschiedt voor het gehele studiejaar. Indien de inschrijving plaatsvindt in de loop van het studiejaar, geldt zij voor het resterende gedeelte van het studiejaar. 5 De inschrijving als student of extraneus staat slechts open voor degene waarvan de ouders, voogden of verzorgers aantonen, dan wel, indien hij meerderjarig en handelingsbekwaam is, degene die aantoont dat hij: a. de Nederlandse nationaliteit bezit of op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander wordt behandeld, b. vreemdeling is en jonger is dan 18 jaar op de eerste dag waarop de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal inschrijving wordt gewenst, c. artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 vreemdeling is, 18 jaar of ouder is op de eerste dag waarop de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal inschrijving wordt gewenst en op die dag rechtmatig verblijf houdt in de zin van, d. vreemdeling is en buiten Nederland verblijf houdt op de eerste dag waarop de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal de inschrijving wordt gewenst, of e. vreemdeling is, niet meer voldoet aan een van de voorwaarden, genoemd onder b, c of d, en eerder in overeenstemming met een van die onderdelen is ingeschreven voor een opleiding van een instelling, welke opleiding nog steeds wordt gevolgd en nog niet is voltooid. 6 Indien na de inschrijving blijkt dat deze op welke grond dan ook niet in overeenstemming met het vijfde lid heeft plaatsgevonden wordt de inschrijving van de student of extraneus onmiddellijk beëindigd. 7 Het instellingsbestuur kan de inschrijving laten ingaan met ingang van de eerste dag van de maand waarin de inschrijving heeft plaatsgevonden. Bij ministeriële regeling kan de bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin, worden beperkt. 2023 192 12-06-2023 03-06-2023 36132 2023 249 10-07-2023 30-06-2023 01-09-2023
Artikel 7.33 — Artikel 7.33 Procedure inschrijving#
Artikel 7.33 Procedure inschrijving 1 artikel 7.39 Onverminderd, geschiedt de inschrijving overeenkomstig door het instellingsbestuur vast te stellen regels van procedurele aard. 2 Aan degene die is ingeschreven, wordt door het instellingsbestuur een bewijs van inschrijving verstrekt, waarin zijn rechten zijn omschreven. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de in het eerste lid bedoelde regels. 2006 288 27-06-2006 29-05-2006 30404 2009 394 29-09-2009 22-09-2009 01-10-2009 De wijziging is in werking getreden op 28 juni 2006 (Stb. 2006/288).
Artikel 7.34 — Artikel 7.34 Rechten inschrijving als student#
Artikel 7.34 Rechten inschrijving als student 1 De inschrijving als student geeft het recht: a. artikelen 6.7a 7.9, eerste lid 7.30b, eerste lid 7.42a 7.53, derde lid 7.56 7.57h aan het initieel onderwijs van de instelling deel te nemen, behoudens de bevoegdheid van het instellingsbestuur van een universiteit, hogeschool of levensbeschouwelijke universiteit in geval van toepassing van de,,,,,ofanders te beslissen, b. de tentamens af te leggen van de onderwijseenheden behorend tot de opleiding, alsmede de examens af te leggen van die opleiding, c. van toegang tot de bij de instelling behorende inrichtingen en verzamelingen, tenzij naar het oordeel van het instellingsbestuur de aard of het belang van het onderwijs of het onderzoek zich daartegen verzet, d. gebruik te maken van andere ten behoeve van de studenten getroffen voorzieningen, daaronder begrepen, behoudens wat de Open Universiteit betreft, de diensten van een studentendecaan, en e. op studiebegeleiding; het instellingsbestuur besteedt daarbij bijzondere zorg aan de begeleiding van studenten die behoren tot een etnische of culturele minderheid waarvan de deelname aan het hoger onderwijs in betekenende mate achterblijft bij de deelname van Nederlanders die niet behoren tot een dergelijke minderheid. 2 Indien het instellingsbestuur een opleiding beëindigt, bepaalt dat bestuur het tijdstip waarop die beslissing van kracht wordt, zodanig dat de voor de opleiding ingeschreven studenten de opleiding aan dezelfde of aan een andere instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien. 3 Het instellingsbestuur van de Open Universiteit stelt ten aanzien van studenten, woonachtig buiten Nederland, regels vast met betrekking tot de in het eerste lid onder a tot en met d, bedoelde rechten. 4 artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs Een student die een associate degree-opleiding volgt dat voor een deel wordt uitgevoerd door een instelling als bedoeld inheeft gedurende de tijd dat hij de opleiding volgt recht op toegang tot alle relevante onderwijsvoorzieningen van die instelling. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-08-2022
Artikel 7.35 — Artikel 7.35 Rechten inschrijving als auditor#
Artikel 7.35 Rechten inschrijving als auditor Vervallen 1996 226 23-04-1996 28-03-1996 24025 1996 226 23-04-1996 28-03-1996 24025 01-09-1996
Artikel 7.36 — Artikel 7.36 Rechten inschrijving als extraneus#
Artikel 7.36 Rechten inschrijving als extraneus artikel 7.34, eerste lid onder b en c De inschrijving als extraneus geeft uitsluitend de rechten, vermeld in. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 7.37 — Artikel 7.37 Voorwaarden inschrijving#
Artikel 7.37 Voorwaarden inschrijving 1 titel 2 artikel 7.8b, vijfde lid artikelen 7.31a tot en met 7.31d De inschrijving staat open voor degene die voldoet aan de invan dit hoofdstuk gestelde eisen, onverminderd, en de, met dien verstande dat de inschrijving als extraneus uitsluitend openstaat, indien naar het oordeel van het instellingsbestuur de aard of het belang van het onderwijs zich daartegen niet verzet. 2 artikel 7.3h Tot de inschrijving wordt niet overgegaan dan nadat het bewijs is overgelegd dat het verschuldigde collegegeld is of wordt voldaan, het verschuldigde examengeld is voldaan dan wel, in geval van inschrijving aan de Open Universiteit, het verschuldigde collegegeld OU is of wordt voldaan. Voor de inschrijving voor een opleiding tot piloot als bedoeld ingeldt als aanvullende voorwaarde dat degene die daarvoor wenst te worden ingeschreven het bewijs overlegt dat de vergoeding verschuldigd aan de opleidingsorganisatie, bedoeld in Verordening (EU) nr. 1178/2011, door of namens hem is of wordt voldaan. Deze voorwaarde geldt uitsluitend voor de inschrijving voor studiejaren waarin de student onderwijs volgt aan de opleidingsorganisatie. 3 Indien een meerderjarige student of extraneus het collegegeld, het examengeld of het cursusgeld niet zelf voldoet, wordt niet overgegaan tot inschrijving dan nadat door de student of extraneus schriftelijk is verklaard dat hij ermee instemt dat een in die verklaring vermelde derde namens hem het collegegeld, het examengeld of het cursusgeld voldoet. 4 Het bestuur van een bijzondere instelling kan aangeven dat degenen die wensen te worden ingeschreven, geacht worden de grondslag en de doelstellingen van de instelling te respecteren. De inschrijving kan worden geweigerd dan wel ingetrokken indien betrokkene de grondslag en de doelstellingen van de instelling niet respecteert. De weigering dan wel de intrekking van de inschrijving geschiedt schriftelijk en is met redenen omkleed. 5 De inschrijving aan een bijzondere instelling kan worden geweigerd dan wel ingetrokken indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkene van die inschrijving en daaraan verbonden rechten misbruik zal maken door in ernstige mate afbreuk te doen aan de eigen aard van die instelling, dan wel is gebleken dat de betrokkene van die inschrijving en daaraan verbonden rechten zulk een misbruik heeft gemaakt. De weigering dan wel intrekking van de inschrijving geschiedt schriftelijk en is met redenen omkleed. 6 De inschrijving kan niet worden ingetrokken op grond van het vijfde lid, indien voor betrokkene geen gelegenheid bestaat de opleiding aan een andere instelling te volgen. 2021 263 07-06-2021 07-04-2021 35582 2021 325 09-07-2021 22-06-2021 01-09-2021
Artikel 7.37a — Artikel 7.37a Afwijkende voorwaarde voor inschrijving in het studiejaar 2005–2006 en de volgende studiejaren#
Artikel 7.37a Afwijkende voorwaarde voor inschrijving in het studiejaar 2005–2006 en de volgende studiejaren artikel 7.37, eerste lid artikel 6 artikel 8 van de Experimentenwet In afwijking van, staat de inschrijving voor een opleiding die is aangewezen op grond vanofvooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing, eveneens open voor degene die voldoet aan de in die artikelen bedoelde eisen. 2007 198 12-06-2007 16-05-2007 30941 2007 199 12-06-2007 24-05-2007 13-06-2007
Artikel 7.37b — Artikel 7.37b Aanvullende voorwaarde voor inschrijving in het studiejaar 2005–2006 en de volgende studiejaren#
Artikel 7.37b Aanvullende voorwaarde voor inschrijving in het studiejaar 2005–2006 en de volgende studiejaren artikel 7.37, eerste lid artikel 7 van de Experimentenwet vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing dat artikel In afwijking van, staat de inschrijving voor een opleiding die is aangewezen op grond van, in voorkomende gevallen in verband met het deelnemen aan een experimenteel programma, slechts open voor degene die tevens voldoet aan de inbedoelde eisen. 2007 198 12-06-2007 16-05-2007 30941 2007 199 12-06-2007 24-05-2007 13-06-2007
Artikel 7.37c — Artikel 7.37c Tijdelijke afwijkende voorwaarde voor inschrijving in verband met COVID-19#
Artikel 7.37c Tijdelijke afwijkende voorwaarde voor inschrijving in verband met COVID-19 Vervallen 2021 322 02-07-2021 23-06-2021 35836 2021 322 02-07-2021 23-06-2021 35836 01-09-2021
Artikel 7.37d — Artikel 7.37d Tijdelijke afwijkende voorwaarde voor inschrijving voor het studiejaar 2021–2022 in verband met COVID-19#
Artikel 7.37d Tijdelijke afwijkende voorwaarde voor inschrijving voor het studiejaar 2021–2022 in verband met COVID-19 Vervallen 2021 322 02-07-2021 23-06-2021 35836 2021 322 02-07-2021 23-06-2021 35836 01-09-2022
Artikel 7.37e — Artikel 7.37e Tijdelijke afwijkende voorwaarde voor inschrijving voor het studiejaar 2022–2023 in verband met COVID-19#
Artikel 7.37e Tijdelijke afwijkende voorwaarde voor inschrijving voor het studiejaar 2022–2023 in verband met COVID-19 Vervallen 2022 272 01-07-2022 22-06-2022 36095 2022 272 01-07-2022 22-06-2022 36095 01-09-2023
Artikel 7.38 — Artikel 7.38 Te verstrekken persoonsgebonden nummer bij aanmelding#
Artikel 7.38 Te verstrekken persoonsgebonden nummer bij aanmelding Vervallen 2013 298 18-07-2013 10-07-2013 33519 2013 311 25-07-2013 18-07-2013 01-09-2013
Artikel 7.39 — Artikel 7.39 Te verstrekken persoonsgebonden nummer bij inschrijving#
Artikel 7.39 Te verstrekken persoonsgebonden nummer bij inschrijving 1 Bij de inschrijving legt de student of extraneus tevens zijn persoonsgebonden nummer over door middel van een van overheidswege verstrekt document, waarop tevens de geslachtsnaam, de voorletters, de geboortedatum en het geslacht van de betrokkene zijn vermeld. Indien de student of extraneus aannemelijk maakt dat hij geen persoonsgebonden nummer kan overleggen, vindt de inschrijving plaats met inachtneming van het tweede lid. 2 Indien de student of extraneus aannemelijk maakt dat hij geen persoonsgebonden nummer kan overleggen, meldt het instellingsbestuur binnen twee weken aan Onze Minister de beschikbare gegevens van de student of extraneus, bedoeld in het eerste lid, alsmede zijn adres en woonplaats. 3 Onze Minister verstrekt binnen acht weken na ontvangst van de melding, bedoeld in het tweede lid, aan het instellingsbestuur het burgerservicenummer van de student of extraneus, dan wel, indien is gebleken dat hem niet van overheidswege een burgerservicenummer is verstrekt, het onderwijsnummer van de student of extraneus. 4 Het instellingsbestuur neemt het persoonsgebonden nummer van de student of extraneus op in de administratie van de instelling. 5 Indien aan een student of extraneus een onderwijsnummer is toegekend en het instellingsbestuur daarna de beschikking krijgt over zijn burgerservicenummer, neemt het instellingsbestuur dit burgerservicenummer terstond als persoonsgebonden nummer op in de administratie van de instelling in de plaats van het onderwijsnummer. Het instellingsbestuur meldt deze wijziging binnen twee weken aan Onze Minister onder opgave van het burgerservicenummer en het onderwijsnummer van de student of extraneus. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 7.40 — Artikel 7.40 Berekening verbruikte inschrijvingsduur#
Artikel 7.40 Berekening verbruikte inschrijvingsduur Vervallen 1996 226 23-04-1996 28-03-1996 24025 1996 226 23-04-1996 28-03-1996 24025 01-09-1996
Artikel 7.41 — Artikel 7.41 Inschrijvingsduur opleidingen artikel 7.4, vierde lid, eerste en derde volzin, en vijfde lid, eerste en derde volzin#
Artikel 7.41 Inschrijvingsduur opleidingen artikel 7.4, vierde lid, eerste en derde volzin, en vijfde lid, eerste en derde volzin Vervallen 1996 226 23-04-1996 28-03-1996 24025 1996 226 23-04-1996 28-03-1996 24025 01-09-1996
Artikel 7.42 — Artikel 7.42 Beëindiging inschrijving#
Artikel 7.42 Beëindiging inschrijving 1 Het instellingsbestuur beëindigt op verzoek van degene die is ingeschreven voor een opleiding diens inschrijving met ingang van de volgende maand. 2 Indien degene die is ingeschreven voor een opleiding zijn wettelijk collegegeld, instellingscollegegeld, collegegeld OU of examengeld na aanmaning niet heeft voldaan, kan het instellingsbestuur de inschrijving, met ingang van de tweede maand volgend op de aanmaning beëindigen. 3 artikel 7.8b, vijfde lid artikel 7.12b artikel 7.37, vierde of vijfde lid artikel 7.42a artikel 7.42b artikel 7.57h, eerste of tweede lid Indien een inschrijving wordt beëindigd in een geval als bedoeld in,,,,of, beëindigt het instellingsbestuur de inschrijving met ingang van de volgende maand. 4 Het instellingsbestuur stelt regels van procedurele aard vast met betrekking tot de toepassing van dit artikel. 5 Het instellingsbestuur informeert de betrokkene en Onze Minister over de beëindiging van de inschrijving. 2021 263 07-06-2021 07-04-2021 35582 2021 325 09-07-2021 22-06-2021 01-09-2021
Artikel 7.42a — Artikel 7.42a Gedragingen student in relatie tot toekomstige beroepsuitoefening#
Artikel 7.42a Gedragingen student in relatie tot toekomstige beroepsuitoefening 1 Het instellingsbestuur kan in bijzondere gevallen na advies van de examencommissie, de decaan of een met de decaan vergelijkbaar orgaan binnen de instelling en na zorgvuldige afweging van de betrokken belangen de inschrijving van een student voor een opleiding beëindigen dan wel weigeren, als die student door zijn gedragingen of uitlatingen blijk heeft gegeven van ongeschiktheid voor de uitoefening van een of meer beroepen waartoe de door hem gevolgde opleiding hem opleidt, dan wel voor de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening. 2 Het instellingsbestuur dan wel het instellingsbestuur van een andere instelling die een zelfde of verwante opleiding verzorgt, kan besluiten de student niet opnieuw of niet voor die opleiding in te schrijven. 3 Indien de student, bedoeld in het eerste lid, is ingeschreven voor een andere opleiding en daarbinnen het onderwijs volgt van een afstudeerrichting die overeenkomt met of gelet op de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening verwant is aan de opleiding waarvoor de inschrijving met toepassing van het eerste lid is beëindigd, kan het instellingsbestuur na advies van de examencommissie, de decaan of een met de decaan vergelijkbaar orgaan binnen de instelling en na zorgvuldige afweging van de betrokken belangen besluiten dat de student die afstudeerrichting of andere onderdelen van die opleiding niet mag volgen. 4 Artikel 7.42, vierde en vijfde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 7.42b — Artikel 7.42b Beëindiging inschrijving bij opleiding tot piloot of luchtverkeersleider#
Artikel 7.42b Beëindiging inschrijving bij opleiding tot piloot of luchtverkeersleider 1 artikel 7.3h Van de student die een bacheloropleiding of afstudeerrichting als bedoeld involgt en van wie gedurende de opleiding of afstudeerrichting blijkt dat hij niet langer voldoet aan de eisen van medische geschiktheid voor het beroep van piloot of luchtverkeersleider, beëindigt het instellingsbestuur de inschrijving voor de desbetreffende opleiding of beslist het instellingsbestuur dat de student de desbetreffende afstudeerrichting niet meer kan volgen. 2 Artikel 7.42, vierde en vijfde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2021 263 07-06-2021 07-04-2021 35582 2021 325 09-07-2021 22-06-2021 01-09-2021
Artikel 7.43 — Artikel 7.43 Collegegeldverplichting#
Artikel 7.43 Collegegeldverplichting 1 artikelen 7.45 7.45a artikel 7.46 artikel 7.45b Een student is voor elk studiejaar dat hij door het instellingsbestuur voor een opleiding is ingeschreven, aan de desbetreffende instelling volledig, gedeeltelijk of verlaagd wettelijk collegegeld als bedoeld in deenof instellingscollegegeld als bedoeld inverschuldigd. Een student die door het instellingsbestuur van de Open Universiteit voor een onderwijseenheid is ingeschreven, is het collegegeld OU, bedoeld in, verschuldigd. 2 artikelen 7.47a 7.48, eerste en tweede lid artikel 7.42, tweede lid Met uitzondering van de gevallen, bedoeld in deen, is, van toepassing. 2018 225 27-07-2018 11-07-2018 34911 2018 227 27-07-2018 11-07-2018 01-09-2018
Artikel 7.44 — Artikel 7.44 Examengeldverplichting#
Artikel 7.44 Examengeldverplichting 1 Een extraneus is voor elk studiejaar dat hij door het instellingsbestuur voor een opleiding is ingeschreven, aan de desbetreffende instelling examengeld verschuldigd. 2 Het instellingsbestuur stelt de hoogte van het examengeld vast. 3 Artikel 7.42, tweede lid , is van overeenkomstige toepassing. 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 7.45 — Artikel 7.45 Hoogte wettelijk collegegeld#
Artikel 7.45 Hoogte wettelijk collegegeld 1 De hoogte van het volledig wettelijk collegegeld wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. 2 De hoogte van het gedeeltelijk wettelijk collegegeld wordt door het instellingsbestuur vastgesteld en is gelegen tussen een minimum- en een maximumbedrag. Deze bedragen worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld. 3 Het gedeeltelijk wettelijk collegegeld bedraagt niet meer dan het volledig wettelijk collegegeld of, indien dat op een student van toepassing is, niet meer dan het verlaagd wettelijk collegegeld. 4 Het instellingsbestuur informeert Onze Minister over de hoogte van het bedrag dat het instellingsbestuur op grond van het tweede lid heeft vastgesteld. 5 artikel 7.45a, vijfde lid Indien op grond van, groepen studenten zijn aangewezen die verlaagd wettelijk collegegeld verschuldigd zijn, wordt de hoogte van het verlaagd wettelijk collegegeld bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld, waarbij onderscheid kan worden gemaakt naar opleiding, leerjaar, de wijze waarop een opleiding is ingericht en instroomcohort. 6 De bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde bedragen, bedoeld in het eerste, tweede en vijfde lid, worden jaarlijks volgens de consumentenprijsindex geïndexeerd, op de wijze bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald. Bij algemene maatregel van bestuur wordt tevens bepaald wat onder de consumentenprijsindex wordt verstaan. 2023 186 08-06-2023 06-06-2023 36229 2023 188 08-06-2023 06-06-2023 01-09-2023
Artikel 7.45Aa — Artikel 7.45Aa Bedragen volledig en gedeeltelijk wettelijk collegegeld 2021–2022 in verband met COVID-19#
Artikel 7.45Aa Bedragen volledig en gedeeltelijk wettelijk collegegeld 2021–2022 in verband met COVID-19 Vervallen 2021 322 02-07-2021 23-06-2021 35836 2021 322 02-07-2021 23-06-2021 35836 01-09-2022
Artikel 7.45a — Artikel 7.45a Aanspraak op wettelijk collegegeld#
Artikel 7.45a Aanspraak op wettelijk collegegeld 1 artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000 artikel 7.10a Het wettelijk collegegeld is verschuldigd door een student die tot één van de groepen van personen, bedoeld inbehoort of die de Surinaamse nationaliteit bezit. Voor een inschrijving aan een associate degree-opleiding geldt als aanvullende voorwaarde, dat de student blijkens het register onderwijsdeelnemers sedert 1 september 1991 niet eerder bij een bekostigde instelling in verband met het volgen van initieel onderwijs een graad Associate degree, een graad Bachelor of een graad Master als bedoeld inheeft behaald. Voor een inschrijving aan een bacheloropleiding geldt als aanvullende voorwaarde, dat de student blijkens het register onderwijsdeelnemers sedert 1 september 1991 niet eerder bij een bekostigde instelling in verband met het volgen van initieel onderwijs een graad Bachelor als bedoeld in artikel 7.10a heeft behaald. Voor een inschrijving aan een masteropleiding geldt als aanvullende voorwaarde, dat de student blijkens het register onderwijsdeelnemers sedert 1 september 1991 niet eerder bij een bekostigde instelling in verband met het volgen van initieel onderwijs een graad Master als bedoeld in artikel 7.10a heeft behaald. 2 Bij algemene maatregel van bestuur kan de categorie studenten, bedoeld in het eerste lid, worden uitgebreid. 3 artikel 7.45, eerste lid Een student als bedoeld in het eerste en tweede lid, die is ingeschreven voor een voltijdse opleiding is het volledig wettelijk collegegeld, bedoeld in, verschuldigd. 4 artikel 7.45, tweede lid Een student als bedoeld in het eerste en tweede lid, die is ingeschreven voor een deeltijdse of duale opleiding, is het gedeeltelijk wettelijk collegegeld, bedoeld in, verschuldigd. 5 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen groepen studenten worden aangewezen die verlaagd wettelijk collegegeld verschuldigd zijn, waarbij onderscheid kan worden gemaakt naar opleiding, leerjaar, de wijze waarop een opleiding is ingericht en het instroomcohort. 6 Indien een student als bedoeld in het eerste en tweede lid meer dan één opleiding volgt en de opleiding waarvoor hij het eerst is ingeschreven met goed gevolg afrondt, is deze student het wettelijk collegegeld verschuldigd voor het resterende deel van het studiejaar. Het verschuldigde bedrag wordt in dat geval berekend naar rato van het aantal resterende maanden van het desbetreffende studiejaar. 7 artikel 7.10a Voor de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, wordt met een student die een bachelorgraad als bedoeld inheeft behaald gelijkgesteld: a. een student die met goed gevolg het afsluitend examen heeft afgelegd van een hogere beroepsopleiding met een studielast van 168 studiepunten, volgens de wet zoals die luidde op 31 augustus 2002, en b. artikel 7.8 een student die met goed gevolg het kandidaatsexamen heeft afgelegd van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2002. 8 artikel 7.10a Voor de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, wordt met een student die een bachelor- en mastergraad als bedoeld inheeft behaald, gelijkgesteld: a. artikel 7.3 een student die met goed gevolg het afsluitend examen heeft afgelegd van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2002; en b. artikel 18.15 een student die op grond vanmet goed gevolg het afsluitend examen heeft afgelegd van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs. 9 Voor de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, wordt een student die voor inwerkingtreding van de Wet invoering associate degree-opleiding met goed gevolg het afsluitend examen heeft afgelegd van een Ad-programma gelijkgesteld met een student die een graad Associate degree heeft behaald. 2023 186 08-06-2023 06-06-2023 36229 2023 188 08-06-2023 06-06-2023 01-09-2023
Artikel 7.45b — Artikel 7.45b Collegegeld OU#
Artikel 7.45b Collegegeld OU 1 artikel 7.45a, eerste en tweede lid artikel 7.45, eerste lid Een student als bedoeld in, die is ingeschreven voor een onderwijseenheid bij de Open Universiteit, is collegegeld OU verschuldigd ter hoogte van ten minste één zestigste deel en ten hoogste één dertigste deel van het volledig wettelijk collegegeld, bedoeld in, vermenigvuldigd met het aantal studiepunten dat een onderwijseenheid groot is. 2 In afwijking van het eerste lid, kan bij algemene maatregel van bestuur voor de in het eerste lid bedoelde studenten een verlaagd collegegeld OU worden vastgesteld. De artikelen 7.45, zesde lid, en 7.45a, vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. 3 artikel 7.45a, eerste en tweede lid artikel 7.45, eerste lid Een student die is ingeschreven voor een onderwijseenheid bij de Open Universiteit en die niet voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in, is collegegeld OU verschuldigd ter hoogte van ten minste één dertigste deel van het volledig wettelijk collegegeld, bedoeld in, vermenigvuldigd met het aantal studiepunten dat een onderwijseenheid groot is. 4 De hoogte van het collegegeld OU wordt door het instellingsbestuur van de Open Universiteit vastgesteld. Voor de categorie studenten, bedoeld in het derde lid, kan het instellingsbestuur van de Open Universiteit per onderwijseenheid of groep van onderwijseenheden of per groep of groepen studenten een verschillend collegegeld OU vaststellen. 5 artikel 7.45a, eerste en tweede lid Indien een student als bedoeld in het derde lid gedurende een studiejaar alsnog voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in, is hij voor het resterende deel van het studiejaar op zijn verzoek het collegegeld OU, bedoeld in het eerste of tweede lid, verschuldigd, en betaalt het instellingsbestuur OU hem het hogere collegegeld OU, dat de student voor het restant van het studiejaar heeft betaald, terug. 6 Het instellingsbestuur van de Open Universiteit stelt regels vast met betrekking tot de toepassing van dit artikel. 2023 186 08-06-2023 06-06-2023 36229 2023 188 08-06-2023 06-06-2023 01-09-2023
Artikel 7.46 — Artikel 7.46 Instellingscollegegeld#
Artikel 7.46 Instellingscollegegeld 1 artikel 7.45a, eerste, tweede en zesde lid Een student die niet voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in, en niet is ingeschreven voor een onderwijseenheid bij de Open Universiteit, is het instellingscollegegeld verschuldigd. 2 De hoogte van het instellingscollegegeld wordt door het instellingsbestuur vastgesteld. Het instellingsbestuur kan per opleiding of groep van opleidingen of per groep of groepen studenten een verschillend instellingscollegegeld vaststellen. 3 artikel 7.3f artikel 7.45, eerste lid Onverminderd, bedraagt het instellingscollegegeld ten minste het volledig wettelijk collegegeld, bedoeld in. 4 artikel 7.45a, eerste, tweede en zesde lid Indien de student, bedoeld in het eerste lid, gedurende een studiejaar alsnog voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in, is hij voor het resterende deel van het studiejaar op zijn verzoek het wettelijk collegegeld verschuldigd en betaalt het instellingsbestuur hem het hogere instellingscollegegeld, dat de student voor het restant van het studiejaar heeft betaald, terug. 5 Het instellingsbestuur stelt regels vast met betrekking tot de toepassing van dit artikel. 2018 225 27-07-2018 11-07-2018 34911 2018 227 27-07-2018 11-07-2018 01-09-2018
Artikel 7.47 — Artikel 7.47 Voldoening collegegeld#
Artikel 7.47 Voldoening collegegeld 1 Het collegegeld wordt door of namens de student voldaan door: a. betaling ineens, b. betaling in vijf termijnen, op verzoek van degene die zich tot betaling heeft verbonden, dan wel c. betaling in een ander aantal termijnen overeenkomstig een door het instellingsbestuur en degene die zich tot betaling heeft verbonden te treffen betalingsregeling. 2 Indien er sprake is van betaling in termijnen kunnen door het instellingsbestuur administratiekosten in rekening worden gebracht tot een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld bedrag. 2014 219 24-06-2014 14-05-2014 33840 2014 283 18-07-2014 11-07-2014 01-09-2014
Artikel 7.47a — Artikel 7.47a Vrijstelling wettelijk collegegeld in verband met bestuursfunctie#
Artikel 7.47a Vrijstelling wettelijk collegegeld in verband met bestuursfunctie Indien een student bij een instelling is ingeschreven voor een opleiding kan het instellingsbestuur eenmalig en voor een periode van één studiejaar die student vrijstellen van het betalen van wettelijk collegegeld, indien die student voltijds: mits de student gedurende die periode geen onderwijs volgt of examens of tentamens aflegt aan de instelling of een andere bekostigde instelling, en het onder a bedoelde lidmaatschap of de onder b bedoelde activiteiten niet commercieel van aard zijn. a. artikel 9.30, derde lid 10.16a, derde lid het lidmaatschap bekleedt van het bestuur van een studentenorganisatie van enige omvang met volledige rechtsbevoegdheid, de universiteitsraad, het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in, of, de medezeggenschapsraad, of de studentenraad, of b. activiteiten op bestuurlijk of maatschappelijk gebied ontplooit die naar het oordeel van het instellingsbestuur mede in het belang zijn van de instelling of van het onderwijs bij die instelling, 2016 273 14-07-2016 15-06-2016 34251 2016 327 14-09-2016 25-08-2016 01-01-2017
Artikel 7.48 — Artikel 7.48 Vermindering, vrijstelling en terugbetaling collegegeld#
Artikel 7.48 Vermindering, vrijstelling en terugbetaling collegegeld 1 artikel 7.45a artikel 7.45, eerste lid Indien een student als bedoeld inbij een instelling is ingeschreven voor een opleiding en aan dezelfde of een andere bekostigde instelling met uitzondering van de Open Universiteit een tweede inschrijving wenst, is hij voor de laatstbedoelde inschrijving vrijgesteld van het betalen van collegegeld. Indien het betaalde dan wel te betalen bedrag voor de eerste inschrijving lager is dan het volledig wettelijk collegegeld, bedoeld in, is het verschil verschuldigd. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een student die aanspraak maakt op wettelijk collegegeld op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 7.45a, tweede lid, voor een andere inschrijving niet wordt vrijgesteld van het betalen van collegegeld als bedoeld in dit lid. 2 Les- en cursusgeldwet artikel 7.45, eerste of vijfde lid Degene die voor het volgen van uit de openbare kas bekostigd onderwijs les- of cursusgeld verschuldigd is op grond van de, en die in plaats daarvan, dan wel daarnaast in hetzelfde studiejaar wenst te worden ingeschreven en daarvoor het wettelijk collegegeld, bedoeld in, is verschuldigd, is voor de inschrijving voor een opleiding aan een bekostigde instelling met uitzondering van de Open Universiteit een collegegeld verschuldigd, dat het verschil bedraagt tussen de reeds voldane bijdrage en het bedoelde wettelijk collegegeld. Indien hij een collegegeld verschuldigd is dat lager is dan het reeds voldane bedrag wordt hij van het betalen van collegegeld vrijgesteld. 3 Een student is slechts een gedeelte van het door hem verschuldigde wettelijk collegegeld verschuldigd, indien de student zich gedurende het studiejaar inschrijft. In dat geval wordt het verschuldigde bedrag berekend naar rato van het aantal resterende maanden van het desbetreffende studiejaar. 4 artikel 7.47, onderdeel b De student heeft aanspraak op terugbetaling van een twaalfde gedeelte van het door hem verschuldigde wettelijk collegegeld voor elke maand dat het studiejaar na beëindiging van zijn inschrijving duurt, tenzij een betalingsregeling als bedoeld in, is getroffen. Indien een student in de loop van het studiejaar overlijdt, wordt voor elke daaropvolgende maand van het studiejaar na diens overlijden, een twaalfde gedeelte van het betaalde wettelijk collegegeld terugbetaald. Bij beëindiging van de inschrijving met ingang van juli of augustus heeft de student geen aanspraak op beëindiging van betaling van de termijnen, bedoeld in artikel 7.47, onderdeel b, en op terugbetaling van het voor die maanden betaalde collegegeld, tenzij het instellingsbestuur dat anders heeft geregeld. Dit lid is niet van toepassing op de Open Universiteit. 5 artikelen 7.3f 7.47a artikel 2.9, eerste lid Vermindering of vrijstelling van het wettelijk collegegeld in andere gevallen dan bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, deofwordt aangemerkt als niet doelmatige aanwending van de rijksbijdrage, bedoeld in. 6 artikel 7.45b, eerste of tweede lid artikel 8, eerste tot en met zesde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Het instellingsbestuur van de Open Universiteit stelt een regeling vast waarin een voorziening in de vorm van een verlaging van het collegegeld OU wordt getroffen, voor studenten als bedoeld in, van wie het toetsingsinkomen, bedoeld in, minder dan 110% van het belastbaar minimumloon bedraagt. In de regeling stelt het instellingsbestuur vast welke aanvraagbescheiden moeten worden ingediend. De hoogte van de verlaging, bedoeld in de eerste volzin, is in elk geval afhankelijk van het inkomen van de betrokkene. 7 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de verplichting tot betaling van het verschil, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, buiten toepassing blijft indien een student voor een van diens inschrijvingen verlaagd wettelijk collegegeld verschuldigd is en voorts voldoet aan de daarbij te stellen voorwaarden. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2018 313 18-09-2018 27-08-2018 19-09-2018
Artikel 7.49 — Artikel 7.49 Collegegeld voor bepaalde voltijdse opleidingen vanaf het studiejaar 2005–2006#
Artikel 7.49 Collegegeld voor bepaalde voltijdse opleidingen vanaf het studiejaar 2005–2006 1 artikel 7.45, eerste lid artikel 7.45, eerste lid artikel 9 van de Experimentenwet vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing Het instellingsbestuur stelt in afwijking van, voor een opleiding die of voor een experimenteel programma dat is aangewezen op grond van, een collegegeld vast. Het collegegeld bedraagt ten hoogste vijf keer het volledig wettelijk collegegeld, bedoeld in. 2 Het instellingsbestuur draagt tijdig voor de aanvang van het studiejaar zorg voor openbaarmaking van het op grond van het eerste lid vastgestelde bedrag. 3 artikel 7.45, eerste lid Indien het eerste lid voor een opleiding toepassing heeft gevonden, komt het overeenkomstig het eerste lid vastgestelde collegegeld in de plaats van het collegegeld, genoemd in. 4 Artikel 7.45, zesde lid , is van overeenkomstige toepassing. 5 Artikel 7.47 is van toepassing. 2018 225 27-07-2018 11-07-2018 34911 2018 227 27-07-2018 11-07-2018 01-09-2018
Artikel 7.49a — Artikel 7.49a Vergoeding voor premasters en educatieve modules#
Artikel 7.49a Vergoeding voor premasters en educatieve modules 1 Het instellingsbestuur kan voor het aanbieden van een premaster en een educatieve module een vergoeding vragen. 2 artikel 7.45, eerste lid artikel 7.45b, eerste lid Een student die gebruik maakt van een premaster of een educatieve module, terwijl hij een opleiding volgt waarvoor hij wettelijk collegegeld, bedoeld in, of collegegeld OU, bedoeld in, verschuldigd is, wordt vrijgesteld van het betalen van een vergoeding voor de premaster onderscheidenlijk de educatieve module. 3 artikel 7.32, derde lid Een student die gebruik maakt van een premaster of een educatieve module en, in afwijking van, alleen met dat oogmerk is ingeschreven voor een opleiding, betaalt gedurende de periode van de premaster of de educatieve module in plaats van collegegeld een vergoeding voor de premaster onderscheidenlijk de educatieve module. 2023 192 12-06-2023 03-06-2023 36132 2023 249 10-07-2023 30-06-2023 01-09-2023
Artikel 7.49b — Artikel 7.49b Hoogte van de vergoeding voor premasters en educatieve modules#
Artikel 7.49b Hoogte van de vergoeding voor premasters en educatieve modules 1 Artikel 7.4, eerste en tweede lid , is op de berekening van de studielast van een premaster of een educatieve module van overeenkomstige toepassing. 2 artikel 7.45, eerste lid artikel 7.45b, eerste lid De vergoeding voor een premaster met een studielast van 60 studiepunten of meer bedraagt maximaal het volledige wettelijk collegegeld, bedoeld in, of, in geval van doorstroming naar een masteropleiding bij de Open Universiteit, maximaal het collegegeld OU, bedoeld in. 3 artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000 artikel 7.45, eerste lid artikel 7.45b, eerste lid In afwijking van het tweede lid, bedraagt de vergoeding voor studenten die niet tot één van de groepen van personen, bedoeld inbehoren, noch de Surinaamse nationaliteit bezitten, voor een premaster met een studielast van 60 studiepunten of meer minimaal de hoogte van het volledige wettelijk collegegeld, bedoeld in, of, in geval van doorstroming naar een masteropleiding bij de Open Universiteit, minimaal het collegegeld OU, bedoeld in. 4 artikel 7.45, eerste lid artikel 7.45b, eerste lid De vergoeding voor een premaster of een educatieve module van minder dan 60 studiepunten bedraagt maximaal een proportioneel deel van het wettelijk collegegeld, bedoeld in, of, in geval van doorstroming naar een masteropleiding bij de Open Universiteit, maximaal een proportioneel deel van het collegegeld OU, bedoeld in. 5 artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000 artikel 7.45, eerste lid artikel 7.45b, eerste lid In afwijking van het vierde lid, bedraagt de vergoeding voor studenten die niet tot één van de groepen van personen, bedoeld inbehoren, noch de Surinaamse nationaliteit bezitten, voor een premaster of een educatieve module met een studielast van minder dan 60 studiepunten minimaal een proportioneel deel van het volledige wettelijk collegegeld, bedoeld in, of, in geval van doorstroming naar een masteropleiding bij de Open Universiteit, minimaal het proportionele deel van het collegegeld OU, bedoeld in. 6 Artikel 7.47 is van overeenkomstige toepassing op het voldoen van de vergoeding voor een premaster en de vergoeding voor een educatieve module. 2023 192 12-06-2023 03-06-2023 36132 2023 249 10-07-2023 30-06-2023 01-09-2023
Artikel 7.50 — Artikel 7.50 Andere bijdragen#
Artikel 7.50 Andere bijdragen 1 artikelen 7.43 tot en met 7.49b Bij ministeriele regeling kan worden bepaald dat het instellingsbestuur een andere bijdrage dan bedoeld in debij een aspirant-student of student in rekening kan brengen voor kosten die: a. verband houden met de inschrijving; b. voortvloeien uit de bijzondere aard van de opleiding; c. artikel 7.13, tweede lid, onder j verband houden met de inschrijving voor een tentamen na de reguliere inschrijfperiode van dit tentamen, bedoeld in; of d. artikel 7.11a, eerste lid direct verband houden met het verstrekken van een vervangend getuigschrift of een vervangende verklaring als bedoeld in. 2 Bij ministeriele regeling wordt vastgesteld op welke kostensoorten het eerste lid betrekking heeft en kan worden vastgesteld welk bedrag ten hoogste in rekening kan worden gebracht en voor welke kostensoorten het instellingsbestuur een kosteloos alternatief biedt. 3 artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000 Het instellingsbestuur treft voorzieningen voor de financiële ondersteuning van degenen die tot één van de groepen van personen, bedoeld inbehoren dan wel de Surinaamse nationaliteit bezitten, en voor wie de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a tot en met b, een onoverkomelijke belemmering vormt. 4 Indien het instellingsbestuur een bijdrage, als bedoeld in het eerste lid, in rekening brengt stelt hij regels vast over de bijdrage en over de financiële ondersteuning, bedoeld in het derde lid. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-09-2024
Artikel 7.50a — Artikel 7.50a Voordracht algemene maatregel van bestuur#
Artikel 7.50a Voordracht algemene maatregel van bestuur artikel 7.45, vijfde lid 7.45a, vijfde lid 7.45b, tweede lid 7.48, zevende lid De voordracht voor een krachtens,,, of, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 2018 225 27-07-2018 11-07-2018 34911 2018 227 27-07-2018 11-07-2018 02-09-2018
Artikel 7.51 — Artikel 7.51 Financiële ondersteuning in verband met bijzondere omstandigheden#
Artikel 7.51 Financiële ondersteuning in verband met bijzondere omstandigheden 1 Het bestuur van een bekostigde instelling voor hoger onderwijs treft voorzieningen voor de financiële ondersteuning van een bij die instelling ingeschreven student die in verband met de aanwezigheid van een bijzondere omstandigheid studievertraging heeft opgelopen of naar verwachting zal oplopen. 2 De bijzondere omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, zijn: a. artikel 9.17 artikel 9.30, derde lid 10.16a, derde lid het lidmaatschap van het bestuur van een studentenorganisatie van enige omvang met volledige rechtsbevoegdheid, een opleidingscommissie, het bestuur van een opleiding als bedoeld in, de universiteitsraad, de faculteitsraad, het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in, of, de medezeggenschapsraad, de deelraad of de studentenraad, b. activiteiten op bestuurlijk of maatschappelijk gebied die naar het oordeel van het instellingsbestuur mede in het belang zijn van de instelling of van het onderwijs dat de student volgt, c. ziekte of zwangerschap en bevalling, d. een handicap of chronische ziekte, e. bijzondere familieomstandigheden, f. een onvoldoende studeerbare opleiding, g. overige door het instellingsbestuur vastgestelde bijzondere omstandigheden waarin een student verkeert, h. andere dan de in de onderdelen a tot en met g bedoelde omstandigheden die, indien een daarop gebaseerd verzoek om financiële ondersteuning door het instellingsbestuur niet zou worden gehonoreerd, zouden leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. 2014 219 24-06-2014 14-05-2014 33840 2014 283 18-07-2014 11-07-2014 19-07-2014
Artikel 7.51a — Artikel 7.51a Financiële ondersteuning in verband met een grotere studielast#
Artikel 7.51a Financiële ondersteuning in verband met een grotere studielast 1 artikel 7.5d, onderdeel a Het instellingsbestuur treft voorzieningen voor de financiële ondersteuning van een student die aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor een opleiding waarvoor het instellingsbestuur een grotere studielast heeft vastgesteld op grond van. 2 artikel 7.5, eerste lid, onderdelen b en d De duur van de financiële ondersteuning bedraagt de periode die overeenstemt met de studielast die uitgaat boven het toepasselijke aantal studiepunten, bedoeld in. 2021 263 07-06-2021 07-04-2021 35582 2021 325 09-07-2021 22-06-2021 01-09-2021
Artikel 7.51b — Artikel 7.51b Financiële ondersteuning in verband met niet opnieuw verlenen accreditatie#
Artikel 7.51b Financiële ondersteuning in verband met niet opnieuw verlenen accreditatie artikel 5.17, eerste lid artikel 5.19 artikel 5.20 Het instellingsbestuur treft voorzieningen voor de financiële ondersteuning van een student die aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor een opleiding die accreditatie bestaande opleiding is geweigerd als bedoeld in, of waarvan accreditatie is ingetrokken als bedoeld inenwaardoor de student niet langer aanspraak op studiefinanciering maakt. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 7.51c — Artikel 7.51c Voorwaarden voor financiële ondersteuning#
Artikel 7.51c Voorwaarden voor financiële ondersteuning artikelen 7.51 tot en met 7.51b Een student komt voor de financiële ondersteuning, bedoeld in de, uitsluitend in aanmerking, indien: a. de student voor de desbetreffende opleiding wettelijk collegegeld is verschuldigd; en b. Wet studiefinanciering 2000 de student voor die opleiding aanspraak heeft of aanspraak heeft gehad op de prestatiebeurs hoger onderwijs als bedoeld in de. 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-09-2015
Artikel 7.51d — Artikel 7.51d Financiële ondersteuning in verband met internationalisering#
Artikel 7.51d Financiële ondersteuning in verband met internationalisering 1 artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000 Het instellingsbestuur kan voorzieningen treffen voor de financiële ondersteuning van een student die aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor een opleiding waarvoor aan hem nog geen graad is verleend, en noch tot een van de groepen van personen, bedoeld inbehoort, noch de Surinaamse nationaliteit bezit. 2 Het instellingsbestuur kan voorzieningen treffen voor de financiële ondersteuning van een student die buiten Nederland hoger onderwijs wenst te volgen. 2017 306 17-07-2017 07-06-2017 34355 2017 319 25-08-2017 19-08-2017 01-09-2017
Artikel 7.51e — Artikel 7.51e Financiële ondersteuning voor niet-ingeschreven studenten#
Artikel 7.51e Financiële ondersteuning voor niet-ingeschreven studenten 1 artikel 5.2 van de Wet studiefinanciering 2000 Het instellingsbestuur kan voorzieningen treffen voor de financiële ondersteuning van een persoon die niet aan de desbetreffende instelling is ingeschreven, maar die, indien hij ingeschreven zou staan aan een instelling, aanspraak zou hebben op een vorm van studiefinanciering als bedoeld in. 2 De financiële ondersteuning, bedoeld in het eerste lid a. heeft de vorm van een overeenkomst, b. wordt slechts getroffen voor de periode van een jaar, c. wordt slechts getroffen voor een persoon die naar het oordeel van het instellingsbestuur activiteiten uitvoert op bestuurlijk of maatschappelijk gebied die mede in het belang zijn van de instelling en niet commercieel van aard zijn, en d. bevat in elk geval een regeling op grond waarvan de persoon voor wie de voorziening wordt getroffen toegang heeft tot de voorzieningen van de instelling, niet zijnde het onderwijs. 2014 219 24-06-2014 14-05-2014 33840 2014 283 18-07-2014 11-07-2014 19-07-2014
Artikel 7.51f — Artikel 7.51f Hoogte van de financiële ondersteuning#
Artikel 7.51f Hoogte van de financiële ondersteuning artikelen 7.51 tot en met 7.51e hoofdstuk 3 van de Wet studiefinanciering 2000 De financiële ondersteuning, bedoeld in de, is niet hoger dan de studiefinanciering die betrokkene geniet uit hoofde van, dan wel zou hebben genoten, indien hij daarop aanspraak zou maken of zou hebben mogen maken. 2014 219 24-06-2014 14-05-2014 33840 2014 283 18-07-2014 11-07-2014 19-07-2014
Artikel 7.51g — Artikel 7.51g Voorziening voor aanvullende ondersteuning#
Artikel 7.51g Voorziening voor aanvullende ondersteuning artikelen 7.51 tot en met 7.51e hoofdstuk 3 van de Wet studiefinanciering 2000 In aanvulling op de voorzieningen, bedoeld in de, kan een voorziening voor financiële ondersteuning worden getroffen, die samen met de financiële ondersteuning ingevolge de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 7.51 tot en met 7.51e, hoger is dan de studiefinanciering die betrokkene geniet uit hoofde van, dan wel zou hebben genoten, indien hij daarop aanspraak zou maken of zou hebben mogen maken. Deze aanvulling wordt verstrekt onder de benaming: voorziening voor aanvullende ondersteuning. 2014 219 24-06-2014 14-05-2014 33840 2014 283 18-07-2014 11-07-2014 19-07-2014
Artikel 7.51h — Artikel 7.51h Instellingsregels#
Artikel 7.51h Instellingsregels 1 artikelen 7.51 tot en met 7.51d Het instellingsbestuur stelt regels van procedurele aard vast met betrekking tot de toepassing van de, waartoe in ieder geval behoren regels over de aanvang, de duur en de hoogte van de financiële ondersteuning. 2 Het instellingsbestuur kan aan de toekenning van financiële ondersteuning de verplichting verbinden dat de student feitelijk studerend is. 2014 219 24-06-2014 14-05-2014 33840 2014 283 18-07-2014 11-07-2014 19-07-2014
Artikel 7.51i — Artikel 7.51i Informatieplicht en administratieve vastlegging#
Artikel 7.51i Informatieplicht en administratieve vastlegging Het instellingsbestuur stelt de student schriftelijk op de hoogte van de financiële ondersteuning, bedoeld in deze paragraaf, waarbij het bedrag van de aanvullende ondersteuning afzonderlijk wordt vermeld. Voorts legt het instellingsbestuur de aan de student verstrekte financiële ondersteuning vast in zijn administratie, onder vermelding van het burgerservicenummer van de student en de hoogte van het toegekende bedrag, waarbij de hoogte van de aanvullende ondersteuning afzonderlijk wordt vermeld. 2014 219 24-06-2014 14-05-2014 33840 2014 283 18-07-2014 11-07-2014 19-07-2014
Artikel 7.51j — Artikel 7.51j Open Universiteit#
Artikel 7.51j Open Universiteit Deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing op een student die aan de Open Universiteit is ingeschreven voor een onderwijseenheid. 2014 219 24-06-2014 14-05-2014 33840 2014 283 18-07-2014 11-07-2014 19-07-2014
Artikel 7.51k — Artikel 7.51k Financiële ondersteuning bijzondere activiteiten door Onze Minister#
Artikel 7.51k Financiële ondersteuning bijzondere activiteiten door Onze Minister 1 artikel 1.2.1, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs Onze Minister treft voorzieningen voor de financiële ondersteuning van een student die bestuurslid is van een politieke jongerenorganisatie van enige omvang die uitgaat van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid of van een landelijke organisatie van enige omvang die voor het hoger onderwijs of het beroepsonderwijs, bedoeld in, relevante activiteiten ontplooit en die daartoe daadwerkelijke activiteiten ontplooit. 2 Bij ministeriële regeling worden de voorwaarden gesteld waaronder deze financiële ondersteuning plaatsvindt. 3 artikelen 7.51g en 7.51i Dezijn van overeenkomstige toepassing. 2025 280 20-10-2025 01-10-2025 36707 2025 351 13-11-2025 03-11-2025 01-01-2026
Artikel 7.52 — Artikel 7.52 Gebruik van persoonsgebonden nummer door instellingsbestuur#
Artikel 7.52 Gebruik van persoonsgebonden nummer door instellingsbestuur 1 Het instellingsbestuur kan het persoonsgebonden nummer van een student of extraneus gebruiken in het verkeer met de student of extraneus op wie het nummer betrekking heeft. 2 Vervallen. 3 Vervallen. 4 artikel 12, eerste lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers Het instellingsbestuur kan het persoonsgebonden nummer van een student of extraneus, al dan niet tezamen met een of meer van de gegevens, bedoeld in, gebruiken in het verkeer met Onze Minister ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging van de instelling. 5 Vervallen. 6 Het instellingsbestuur gebruikt het persoonsgebonden nummer van een student of extraneus in het verkeer met een andere instelling of een instelling voor ander onderwijs ten behoeve van de in- en uitschrijving van die student of extraneus. 7 Het instellingsbestuur gebruikt het persoonsgebonden nummer van een student aan een opleiding in het kader van de uitvoering van subsidieregelingen van het Europees Sociaal Fonds. 8 artikel 107, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 artikel 1 van die wet Het instellingsbestuur van een universiteit of hogeschool verstrekt geen persoonsgebonden nummer van een student of extraneus ter uitvoering van, anders dan ter nakoming van verplichtingen als referent in de zin van. 9 Het instellingsbestuur kan het persoonsgebonden nummer van een student of extraneus eenmalig gebruiken ten behoeve van het genereren van een pseudoniem voor deze student of extraneus met het oog op het bieden van voorzieningen in het kader van het onderwijs en de begeleiding van studenten of extraneï. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het pseudoniem wordt bewaard in de systemen waarin de studenten en extraneï zijn geregistreerd. 10 Het bevoegd gezag kan het pseudoniem, bedoeld in het negende lid, gebruiken voor het genereren van een ander pseudoniem voor een student of extraneus in het kader van de toegang tot en het gebruik van digitale leermiddelen of het digitaal afnemen van tentamens en examens, waarbij het bevoegd gezag er zorg voor draagt dat dit andere pseudoniem wordt bewaard in de systemen waarin de studenten en extraneï zijn geregistreerd. Dit andere pseudoniem wordt uitsluitend verstrekt aan een leverancier die een digitaal product of een digitale dienst aanbiedt bestaande uit leerstof of toetsen en de daarmee samenhangende digitale diensten. 11 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere gevallen worden aangewezen dan het geval, bedoeld in het tiende lid, waarvoor het bevoegd gezag op basis van het pseudoniem, bedoeld in het negende lid, een ander pseudoniem kan genereren. Daarbij worden in ieder geval de categorieën van ontvangers van dit andere pseudoniem aangewezen. 12 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de voorwaarden waaronder de pseudoniemen, bedoeld in het negende tot en met het elfde lid, kunnen worden gegenereerd en gebruikt. Deze voorwaarden betreffen in ieder geval de duur en de beveiliging, waaronder de gescheiden opslag van de pseudoniemen. 2019 119 20-03-2019 20-02-2019 34878 2020 166 17-06-2020 05-06-2020 01-07-2020
Artikel 7.52a — Artikel 7.52a Verwerking van gegevens door Onze Minister#
Artikel 7.52a Verwerking van gegevens door Onze Minister Vervallen 2019 119 20-03-2019 20-02-2019 34878 2020 166 17-06-2020 05-06-2020 01-07-2020
Artikel 7.52b — Artikel 7.52b Gebruik gegevens uit basisregister onderwijs door Minister en inspectie#
Artikel 7.52b Gebruik gegevens uit basisregister onderwijs door Minister en inspectie Vervallen 2019 119 20-03-2019 20-02-2019 34878 2020 166 17-06-2020 05-06-2020 01-07-2020
Artikel 7.52c — Artikel 7.52c Begripsbepalingen paragraaf 4#
Artikel 7.52c Begripsbepalingen paragraaf 4 In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. opleiding: een associate degree-opleiding of een bacheloropleiding of een programma binnen een associate degree-opleiding of een bacheloropleiding waarvan de studielast en de kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden die een student bij de beëindiging van de opleiding moet hebben verworven, gelijk zijn aan die van de opleiding, en b. propedeutische fase: de propedeutische fase of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een opleiding met een studielast van 60 studiepunten. 2024 153 12-06-2024 22-05-2024 36410VIII 2024 213 12-07-2024 21-06-2024 01-09-2024
Artikel 7.53 — Artikel 7.53 Beperking inschrijving op grond van beschikbare onderwijscapaciteit#
Artikel 7.53 Beperking inschrijving op grond van beschikbare onderwijscapaciteit 1 Het instellingsbestuur kan per opleiding in verband met de beschikbare onderwijscapaciteit het maximum aantal studenten vaststellen dat voor de eerste maal kan worden ingeschreven voor de propedeutische fase van de desbetreffende opleiding. De vaststelling geschiedt voor een studiejaar. Indien in een opleiding geen propedeutische fase is ingesteld, wordt onder «propedeutische fase» mede verstaan de fase in een bacheloropleiding die samenvalt met de eerste periode in een opleiding met een studielast van 60 punten. 2 Het instellingsbestuur selecteert de aspirant-studenten in verband met de beschikbare onderwijscapaciteit uitsluitend op grond van: a. ten minste twee kwalitatieve selectiecriteria; b. ongewogen loting; of c. een combinatie van ten minste twee kwalitatieve selectiecriteria en loting, waarbij: 1°. een deel van de aspirant-studenten toegelaten wordt op basis van selectie op grond van ten minste twee kwalitatieve selectiecriteria en de overige aspirant-studenten worden toegelaten op basis van ongewogen loting of de wijze van loting als bedoeld in subonderdeel 2°; of 2°. alle aspirant-studenten op basis van loting worden toegelaten, waarbij gewicht wordt toegekend aan ten minste twee kwalitatieve selectiecriteria. 2a Bij de toepassing van het tweede lid, onderdeel c, subonderdeel 1°, kan het instellingsbestuur de overige aspirant-studenten die op basis van selectie op grond van de kwalitatieve selectiecriteria niet zijn toegelaten, uitsluiten van de ongewogen loting of de wijze van loting als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, subonderdeel 2° op basis van de kwalitatieve selectiecriteria. 3 Het instellingsbestuur maakt tijdig de selectieprocedure en, indien van toepassing, de kwalitatieve selectiecriteria of de wijze van loting bekend op grond waarvan de toelating zal plaatsvinden indien het aantal aspirant-studenten het maximum aantal, bedoeld in het eerste lid, zou overschrijden. Het instellingsbestuur stelt daartoe een reglement vast. Bij het vaststellen van het reglement houdt het instellingsbestuur rekening met de belangen van aspirant-studenten afkomstig uit de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba onderscheidenlijk Aruba, Curaçao en Sint Maarten. 4 Het instellingsbestuur schrijft niet meer studenten in dan het maximum aantal dat het instellingsbestuur in verband met de beschikbare capaciteit heeft vastgesteld. 5 artikel 7.56 Indien ten aanzien van een opleiding een ministeriële regeling als bedoeld inis vastgesteld, blijft dit artikel buiten toepassing. 6 Voor 1 december van het kalenderjaar voorafgaande aan het studiejaar waarvoor de eerste vaststelling geschiedt, doet het instellingsbestuur hiervan mededeling aan Onze Minister. 7 Bij ministeriële regeling kunnen in ieder geval voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot: a. de aanmeldingsdatum voor selectie; b. artikel 1.2, onder a indien een opleiding door meer dan één instelling als bedoeld in, wordt verzorgd, het aantal selectieprocedures van een bepaalde opleiding waaraan een aspirant-student in hetzelfde studiejaar kan deelnemen; c. de loting; en d. de wijze waarop twee kwalitatieve selectiecriteria en loting gecombineerd kunnen worden. 2025 280 20-10-2025 01-10-2025 36707 2025 351 13-11-2025 03-11-2025 01-01-2026
Artikel 7.54 — Artikel 7.54 Beperking inschrijving voor de postpropedeutische fase#
Artikel 7.54 Beperking inschrijving voor de postpropedeutische fase 1 Het instellingsbestuur kan, indien het van oordeel is dat de onderwijscapaciteit, die voor de postpropedeutische fase van een opleiding, waarvoor een beperking van de eerste inschrijving is vastgesteld, niet toereikend is voor een onbeperkte inschrijving, besluiten inschrijving voor de postpropedeutische fase van die opleiding te weigeren aan hen, die niet reeds ingeschreven zijn geweest aan die aan de instelling verbonden opleiding. 2 In dit artikel wordt, indien in een opleiding geen propedeutische fase is ingesteld, onder «postpropedeutische fase» mede verstaan de fase in een bacheloropleiding die volgt op de eerste periode in een opleiding met een studielast van 60 studiepunten. 2002 303 18-06-2002 06-06-2002 28024 2002 303 18-06-2002 06-06-2002 28024 01-09-2002
Artikel 7.54a — Artikel 7.54a#
Artikel 7.54a Door vernummering vervallen. 1999 170 20-04-1999 03-04-1999 25947 1999 170 20-04-1999 03-04-1999 25947 21-04-1999
Artikel 7.55 — Artikel 7.55 Beperking inschrijving OU op grond van beschikbare organisatorische en technische capaciteit#
Artikel 7.55 Beperking inschrijving OU op grond van beschikbare organisatorische en technische capaciteit Het instellingsbestuur van de Open Universiteit kan de inschrijvingsmogelijkheid voor een bepaalde opleiding of onderwijseenheid opschorten voorzover en voor zolang de organisatorische en technische capaciteit voor het verzorgen van deze opleiding of onderwijseenheid daartoe naar zijn oordeel noodzaakt. Met inachtneming van de in de eerste volzin bedoelde beperkingen geschiedt de inschrijving in de volgorde van aanmelding voor de desbetreffende opleiding of onderwijseenheid, volgens door het instellingsbestuur vast te stellen regels van procedurele aard. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 7.56 — Artikel 7.56 Beperking inschrijving universiteiten en hogescholen op grond van de behoefte van de arbeidsmarkt#
Artikel 7.56 Beperking inschrijving universiteiten en hogescholen op grond van de behoefte van de arbeidsmarkt 1 Indien het aanbod van afgestudeerden van een bepaalde opleiding de behoefte daaraan op de arbeidsmarkt in aanmerkelijke mate overtreft of dreigt te overtreffen en in andere situaties waarin dit in verband met beheersing van de arbeidsmarkt wenselijk wordt geacht, kan bij ministeriële regeling het aantal personen worden vastgesteld dat voor de twee studiejaren na vaststelling van de ministeriële regeling ten hoogste voor de eerste maal kan worden ingeschreven voor het eerste studiejaar van de desbetreffende opleiding aan alle universiteiten of hogescholen waaraan deze is verbonden waarbij een verdeling kan worden gemaakt van dat aantal over elk van de bedoelde instellingen. 2 Artikel 7.53, tweede lid, derde lid, vijfde lid en zevende lid , is van overeenkomstige toepassing. 3 Een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk vastgesteld op 1 mei van het jaar voorafgaand aan het studiejaar waarin deze regeling voor het eerst van toepassing is. 2013 298 18-07-2013 10-07-2013 33519 2013 311 25-07-2013 18-07-2013 01-09-2013
Artikel 7.56a — Artikel 7.56a Beperking inschrijving opleidingen en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst op grond van de behoefte van de arbeidsmarkt#
Artikel 7.56a Beperking inschrijving opleidingen en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst op grond van de behoefte van de arbeidsmarkt Vervallen 2002 493 03-10-2002 12-09-2002 28067 2002 559 21-11-2002 05-11-2002 01-12-2002
Artikel 7.57 — Artikel 7.57 Identificatie opleidingen#
Artikel 7.57 Identificatie opleidingen artikel 7.56 Voor de toepassing van deze paragraaf gelden door universiteiten onderscheidenlijk hogescholen verzorgde opleidingen met dezelfde naam als dezelfde opleidingen. Voor de toepassing vangelden bovendien door universiteiten of hogescholen verzorgde groepen van verwante opleidingen als dezelfde opleidingen. 2013 298 18-07-2013 10-07-2013 33519 2013 311 25-07-2013 18-07-2013 01-09-2013
Artikel 7.57a — Artikel 7.57a Algemeen#
Artikel 7.57a Algemeen Vervallen 2013 298 18-07-2013 10-07-2013 33519 2016 321 08-09-2016 23-08-2016 01-10-2016
Artikel 7.57b — Artikel 7.57b Voorbereiding afgifte bewijzen van toelating#
Artikel 7.57b Voorbereiding afgifte bewijzen van toelating Vervallen 2013 298 18-07-2013 10-07-2013 33519 2016 321 08-09-2016 23-08-2016 01-10-2016
Artikel 7.57c — Artikel 7.57c Afgifte bewijzen van toelating#
Artikel 7.57c Afgifte bewijzen van toelating Vervallen 2013 298 18-07-2013 10-07-2013 33519 2016 321 08-09-2016 23-08-2016 01-10-2016
Artikel 7.57d — Artikel 7.57d Afgifte bewijzen van toelating voor dezelfde opleiding aan meer dan een universiteit#
Artikel 7.57d Afgifte bewijzen van toelating voor dezelfde opleiding aan meer dan een universiteit Vervallen 2013 298 18-07-2013 10-07-2013 33519 2016 321 08-09-2016 23-08-2016 01-10-2016
Artikel 7.57e — Artikel 7.57e Selectie door instellingen#
Artikel 7.57e Selectie door instellingen Vervallen 2013 298 18-07-2013 10-07-2013 33519 2016 321 08-09-2016 23-08-2016 01-10-2016
Artikel 7.57f — Artikel 7.57f Beperkingen van deelname aan de selectieprocedure#
Artikel 7.57f Beperkingen van deelname aan de selectieprocedure Vervallen 2013 298 18-07-2013 10-07-2013 33519 2016 321 08-09-2016 23-08-2016 01-10-2016
Artikel 7.57g — Artikel 7.57g Afwijkende bezwaar- en reactietermijnen#
Artikel 7.57g Afwijkende bezwaar- en reactietermijnen Vervallen 2013 298 18-07-2013 10-07-2013 33519 2016 321 08-09-2016 23-08-2016 01-10-2016
Artikel 7.57h — Artikel 7.57h Huisregels en ordemaatregelen#
Artikel 7.57h Huisregels en ordemaatregelen 1 Het instellingsbestuur kan voorschriften geven en maatregelen nemen met betrekking tot de goede gang van zaken in de gebouwen en terreinen van de instelling. Die maatregelen kunnen inhouden dat aan degene die de bedoelde voorschriften heeft overtreden, de toegang tot die gebouwen en terreinen geheel of gedeeltelijk voor de tijd van ten hoogste een jaar wordt ontzegd, of de inschrijving gedurende eenzelfde periode wordt beëindigd. 2 Als de persoon die de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, overtreedt, ernstige overlast binnen de gebouwen en terreinen van de instelling heeft veroorzaakt en deze overlast ook na aanmaning door of vanwege het instellingsbestuur niet heeft gestaakt, kan het instellingsbestuur die student de toegang tot de instelling definitief ontzeggen of zijn inschrijving beëindigen. 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 7.57i — Artikel 7.57i Ondersteuning ter bevordering van goede doorstroming naar een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs#
Artikel 7.57i Ondersteuning ter bevordering van goede doorstroming naar een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs Vervallen 2021 263 07-06-2021 07-04-2021 35582 2021 325 09-07-2021 22-06-2021 01-09-2021
Artikel 7.58 — Artikel 7.58 Afgifte getuigschrift#
Artikel 7.58 Afgifte getuigschrift Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 7.59 — Artikel 7.59 Studentenstatuut#
Artikel 7.59 Studentenstatuut 1 Het instellingsbestuur stelt het studentenstatuut vast en maakt dit bekend. 2 Het instellingsbestuur verstrekt aan iedere student bij de eerste inschrijving voor een opleiding het studentenstatuut. Indien noodzakelijk verstrekt het instellingsbestuur ook bij inschrijving voor een volgend studiejaar het studentenstatuut. 3 Het studentenstatuut omvat een opleidingsspecifiek deel en een instellingsspecifiek deel. 4 Het opleidingsspecifiek deel bevat in elk geval: a. een beschrijving van de studieopbouw en de ondersteunende faciliteiten die de student door de instelling worden aangeboden, waaronder in ieder geval worden begrepen: 1°. informatie over de opzet, organisatie en uitvoering van het onderwijs, 2°. de studentenvoorzieningen, en 3°. de faciliteiten betreffende de studiebegeleiding, b. artikel 7.13, eerste lid de vastgestelde onderwijs- en examenregeling, bedoeld in, en c. b een beschrijving van procedures die in aanvulling op de procedures, bedoeld in het vijfde lid onderten 2°, op de opleiding van toepassing zijn. 5 Het instellingsspecifiek deel bevat in elk geval: a. een beschrijving van de rechten en verplichtingen van de studenten, voortvloeiende uit het bepaalde bij of krachtens de wet, en b. een overzicht van de regelingen die beogen de rechten van studenten te beschermen, waarin worden opgenomen: 1°. titel 4 een beschrijving van de procedures voor de behandeling van klachten en geschillen, bedoeld in, alsmede van de procedures voor de behandeling van geschillen inzake medezeggenschap, alsmede van de beroepsrechten die kunnen worden ontleend aan deze wet en andere wettelijke regelingen, en 2°. een beschrijving van aanvullende procedures ter bescherming van de rechten van studenten die door het instellingsbestuur worden getroffen. 2021 409 31-08-2021 14-07-2021 35725 2021 443 29-09-2021 20-09-2021 01-10-2021
Artikel 7.59bis — Artikel 7.59bis Loopbaanbegeleiding gedurende de inschrijving en na diplomering voor studenten met een handicap of chronische ziekte#
Artikel 7.59bis Loopbaanbegeleiding gedurende de inschrijving en na diplomering voor studenten met een handicap of chronische ziekte 1 Loopbaanbegeleiding als bedoeld in dit artikel en de daarop berustende bepalingen omvat advisering en ondersteuning bij de overstap naar de arbeidsmarkt en wordt gerekend tot het initieel onderwijs dat wordt verzorgd of dat voorafgaand aan de loopbaanbegeleiding werd verzorgd. 2 artikel 7.11 Het instellingsbestuur kan loopbaanbegeleiding aanbieden tijdens de opleiding aan de student of degene met een handicap of chronische ziekte aan wie een getuigschrift als bedoeld inis uitgereikt, tot een jaar na uitreiking van dit getuigschrift. 3 Het instellingsbestuur stelt beleid vast met betrekking tot de loopbaanbegeleiding. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van het beleid, bedoeld in het derde lid, en de invulling van de loopbaanbegeleiding. 2025 210 27-08-2025 14-07-2025 36667 2025 407 05-12-2025 27-11-2025 01-01-2026
Artikel 7.59a — Artikel 7.59a Toegankelijke faciliteit#
Artikel 7.59a Toegankelijke faciliteit 1 paragraaf 2 Het instellingsbestuur richt een toegankelijke en eenduidige faciliteit in. Het instellingsbestuur stelt een nadere regeling vast met betrekking tot deze paragraaf en, die een onderdeel vormt van het bestuurs- en beheersreglement. 2 artikel 7.59b paragraaf 2 artikel 6:4, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht Een betrokkene dient een klacht als bedoeld indan wel beroep of bezwaar als bedoeld invan deze titel vanwege een schriftelijke beslissing van een orgaan van een instelling inhoudende een rechtshandeling op grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen dan wel vanwege het ontbreken van een dergelijke beslissing in bij de faciliteit. Indien het een beroep of bezwaar van een betrokkene aan een openbare instelling betreft, isniet van toepassing. 3 paragrafen 2 tot en met 4 In deze paragraaf en dewordt onder «betrokkene» verstaan: een student, een aanstaande student, een voormalige student, een extraneus, een aanstaande extraneus of een voormalige extraneus. 4 paragraaf 2 De termijn voor het schriftelijk indienen van een beroep of bezwaar als bedoeld inbedraagt zes weken. 5 artikel 6:15, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht De faciliteit bevestigt de ontvangst van een binnengekomen klacht, beroep of bezwaar schriftelijk aan de betrokkene en zendt deze, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk door aan het bevoegde orgaan. Indien het een openbare instelling betreft, isniet van toepassing. 6 artikel 6:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht De datum van ontvangst, bedoeld in het vijfde lid, is bepalend voor de vraag of een klacht, beroep of bezwaar tijdig is ingediend. Indien het een openbare instelling betreft, isniet van toepassing. 7 Indien de faciliteit een klacht, beroep of bezwaar aan een onbevoegd orgaan heeft gezonden, zendt dit orgaan het desbetreffende stuk zo spoedig mogelijk terug naar de faciliteit. Het bevoegde orgaan behandelt een klacht, beroep of bezwaar dat door een betrokkene rechtstreeks is ingediend bij dit orgaan slechts na tussenkomst van de faciliteit. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-01-2023
Artikel 7.59b — Artikel 7.59b Klachten#
Artikel 7.59b Klachten titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht Het instellingsbestuur behandelt een klacht van een betrokkene, wat een bijzondere instelling betreft met overeenkomstige toepassing van. 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 7.60 — Artikel 7.60 College van beroep voor de examens#
Artikel 7.60 College van beroep voor de examens 1 Elke instelling voor hoger onderwijs heeft een college van beroep voor de examens. 2 Het college van beroep heeft drie of vijf leden. Het aantal plaatsvervangende leden is niet groter dan het aantal leden. Het college houdt voltallig zitting. 3 Het college kan besluiten kamers in te stellen. Indien het college daartoe besluit, bestaat het college uit ten minste zes en ten hoogste vijftien leden. Het aantal plaatsvervangende leden is niet groter dan het aantal leden. Elke kamer heeft drie of vijf leden. Zij houdt voltallig zitting. 4 De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of voorzitters en de overige leden en de eventuele plaatsvervangende leden worden door het instellingsbestuur benoemd voor een termijn van ten minste drie en ten hoogste vijf jaar of, voorzover het studenten betreft, voor een termijn van ten minste een en ten hoogste twee jaar. De leden en plaatsvervangende leden maken geen deel uit van het instellingsbestuur of van de inspectie. Buiten de voorzitter bestaat het college voor tenminste de helft uit docenten, onderscheidenlijk leden van de wetenschappelijke staf. 5 artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren De voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter of voorzitters moeten voldoen aan de vereisten voor benoembaarheid tot rechterlijk ambtenaar, bedoeld in. 6 Op eigen verzoek wordt aan de leden en plaatsvervangende leden van het college van beroep ontslag verleend. Bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar wordt hun ontslag verleend met ingang van de eerstvolgende maand. Zij worden ontslagen indien zij uit hoofde van ziekte of gebreken ongeschikt zijn hun functie te vervullen alsmede indien zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf zijn veroordeeld. Alvorens het ontslag op grond van het in de derde volzin bepaalde wordt verleend, wordt de betrokkene van het voornemen tot ontslag in kennis gesteld en wordt hem de gelegenheid geboden zich terzake te doen horen. 2009 8 13-01-2009 11-12-2008 31227 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 7.61 — Artikel 7.61 Bevoegdheid college van beroep voor de examens#
Artikel 7.61 Bevoegdheid college van beroep voor de examens 1 Het college van beroep voor de examens is bevoegd ten aanzien van de volgende beslissingen: a. artikelen 7.8b, derde en vijfde lid 7.9, eerste lid beslissingen als bedoeld in de, en, b. artikel 7.9d beslissingen inzake het met goed gevolg hebben afgelegd van het afsluitend examen, bedoeld in, c. titel 2 beslissingen, niet zijnde besluiten van algemene strekking, genomen op grond van het bepaalde bij of krachtensvan dit hoofdstuk, met het oog op de toelating tot examens, d. artikelen 7.25, zesde lid 7.28, vierde lid beslissingen, genomen op grond van het aanvullend onderzoek, bedoeld in de, en, e. beslissingen van examencommissies en examinatoren, f. artikel 7.29, eerste lid beslissingen van commissies als bedoeld in, en g. artikel 7.30b beslissingen, genomen op grond vanmet het oog op de toelating tot de in dat artikel bedoelde opleidingen. 2 hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht Het beroep kan, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van, worden ingesteld terzake dat een beslissing in strijd is met het recht. 3 afdeling 7.3 van de Algemene wet bestuursrecht Alvorens het beroep in behandeling te nemen zendt het college van beroep het beroepschrift aan het orgaan waartegen het beroep is gericht, met uitnodiging om in overleg met betrokkenen na te gaan of een minnelijke schikking van het geschil mogelijk is, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van. Ingeval het beroep is gericht tegen een beslissing van een examinator, geschiedt de in de voorgaande volzin bedoelde toezending aan de desbetreffende examencommissie. Indien de examinator tegen wie het beroep is gericht, lid is van de examencommissie, neemt hij geen deel aan de beraadslaging. Het desbetreffende orgaan deelt binnen drie weken aan het college van beroep, onder overlegging van de daarop betrekking hebbende stukken, mede tot welke uitkomst het beraad heeft geleid. Is een minnelijke schikking niet mogelijk gebleken, dan wordt het beroepschrift door het college in behandeling genomen. 4 artikel 7:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht Het college van beroep beslist binnen tien weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van. 5 artikel 7:25 van de Algemene wet bestuursrecht Indien het college van beroep het beroep gegrond acht, vernietigt het de beslissing geheel of gedeeltelijk. Het college is niet bevoegd in de plaats van de geheel of gedeeltelijk vernietigde beslissing een nieuwe beslissing te nemen, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van. Het kan bepalen dat opnieuw of, indien de beslissing is geweigerd, alsnog in de zaak wordt beslist, dan wel dat het tentamen, het examen, het toelatingsonderzoek, het aanvullend onderzoek of enig onderdeel daarvan opnieuw wordt afgenomen onder door het college van beroep te stellen voorwaarden. Het orgaan waarvan de beslissing is vernietigd, voorziet voorzover nodig opnieuw in de zaak met inachtneming van de uitspraak van het college van beroep. Het college kan daarvoor in zijn uitspraak een termijn stellen. 6 artikel 7.66, tweede lid artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht Indien onverwijlde spoed dat vereist kan de voorzitter van het college van beroep een voorlopige voorziening treffen op verzoek van de indiener van het beroepschrift, onverminderd het bepaalde in, en. De voorzitter beslist op dit verzoek na het desbetreffende orgaan dan wel de desbetreffende examinator te hebben gehoord, althans te hebben opgeroepen. 2021 263 07-06-2021 07-04-2021 35582 2021 325 09-07-2021 22-06-2021 01-09-2021
Artikel 7.62 — Artikel 7.62 Reglement van orde#
Artikel 7.62 Reglement van orde 1 Het college van beroep voor de examens stelt een reglement van orde vast, waarin nadere regels worden gesteld ten aanzien van: a. de omvang en samenstelling van het college van beroep; b. indien nodig, de splitsing in kamers, alsmede de verdeling van de werkzaamheden over de verschillende kamers; c. de zittingstermijn van de leden en eventuele plaatsvervangende leden van het college van beroep; d. de wijze waarop het lidmaatschap of plaatsvervangend lidmaatschap van het college van beroep eindigt; e. artikel 7.61, derde lid de in, bedoelde procedure en de gevallen waarin deze procedure achterwege kan worden gelaten; f. de wijze waarop in het secretariaat van het college van beroep wordt voorzien; en g. de wijze waarop de voorzitter wordt vervangen. 2 Het reglement van orde alsmede wijzigingen daarvan, behoeven de instemming van het instellingsbestuur. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-09-2024
Artikel 7.63 — Artikel 7.63 Inlichtingenplicht#
Artikel 7.63 Inlichtingenplicht De organen en personeelsleden alsmede de examinatoren van de instelling verstrekken aan het college van beroep voor de examens de gegevens die dit college voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt. 2005 276 02-06-2005 12-05-2005 27848 2005 396 02-08-2005 16-07-2005 03-08-2005
Artikel 7.63a — Artikel 7.63a Bevoegdheid en samenstelling geschillenadviescommissie#
Artikel 7.63a Bevoegdheid en samenstelling geschillenadviescommissie 1 artikel 7:13, eerste tot en met zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht Elke instelling voor hoger onderwijs heeft een geschillenadviescommissie. Op een geschillenadviescommissie isvan overeenkomstige toepassing. De leden van de geschillenadviescommissie zijn functioneel onafhankelijk. 2 artikel 7.61 De geschillenadviescommissie brengt aan het instellingsbestuur advies uit over bezwaren met betrekking tot schriftelijke beslissingen van organen van de instelling inhoudende een rechtshandeling op grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen dan wel met betrekking tot het ontbreken van een dergelijke beslissing. De vorige volzin is niet van toepassing op beslissingen als bedoeld in. 3 De geschillenadviescommissie gaat na of een minnelijke schikking tussen partijen mogelijk is. 4 artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht Indien sprake is van onverwijlde spoed kan de voorzitter van de geschillenadviescommissie desgevraagd bepalen dat de geschillenadviescommissie zo spoedig mogelijk advies uitbrengt aan het instellingsbestuur. De voorzitter bepaalt binnen een week na ontvangst van het bezwaar of sprake is van onverwijlde spoed en brengt de betrokkene en het instellingsbestuur hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte. Het instellingsbestuur neemt dan, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van, binnen vier weken na ontvangst van het bezwaar door de faciliteit een beslissing. 5 artikel 7.59b artikelen 7.59b 7.63b Het instellingsbestuur kan een commissie belasten met de behandeling van en advisering over zowel bezwaren als bedoeld in het tweede lid als klachten als bedoeld in, onverminderd het bepaalde bij of krachtens dit artikel en deen. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-01-2023
Artikel 7.63b — Artikel 7.63b Beslissing op bezwaren#
Artikel 7.63b Beslissing op bezwaren artikel 7.63a, vierde lid artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht Het instellingsbestuur beslist na ontvangst van het bezwaar binnen 10 weken, onverminderd de beslissingen op grond van de procedure, bedoeld in. Wat de openbare instellingen betreft beslist het instellingsbestuur in afwijking van. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-01-2023
Artikel 7.64 — Artikel 7.64 Beroep op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State#
Artikel 7.64 Beroep op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 1 Algemene wet bestuursrecht artikel 1:3 van die wet Een schriftelijke beslissing van een orgaan van een instelling voor hoger onderwijs inhoudende een rechtshandeling die jegens een betrokkene is genomen op grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen, wordt voor de toepassing van de bepalingen van demet betrekking tot besluiten aangemerkt als een besluit als bedoeld in. Het beroep kan worden ingesteld door de betrokkene. 2 artikel 7.68 Tegen een beslissing van een college van beroep bijzonder onderwijs als bedoeld inkan geen beroep worden ingesteld. 3 De organen van de instelling verstrekken aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de gegevens die zij voor de uitvoering van haar taak nodig oordeelt. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-01-2023
Artikel 7.65 — Artikel 7.65 Rechtspositie leden van het college van beroep voor het hoger onderwijs#
Artikel 7.65 Rechtspositie leden van het college van beroep voor het hoger onderwijs Vervallen 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-01-2023
Artikel 7.66 — Artikel 7.66 Bevoegdheid en procedure college van beroep voor het hoger onderwijs#
Artikel 7.66 Bevoegdheid en procedure college van beroep voor het hoger onderwijs Vervallen 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-01-2023
Artikel 7.67 — Artikel 7.67 Griffierecht#
Artikel 7.67 Griffierecht Vervallen 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-01-2023
Artikel 7.68 — Artikel 7.68 College van beroep bijzonder onderwijs#
Artikel 7.68 College van beroep bijzonder onderwijs 1 artikel 7.64, eerste lid In afwijking van, kan het bestuur van een bijzondere instelling in een regeling bepalen dat de instelling in verband met de levensbeschouwelijke aard van de instelling, al dan niet in samenwerking met besturen van een of meer andere bijzondere instellingen voor hoger onderwijs met een levensbeschouwelijke aard, een college van beroep bijzonder onderwijs instelt voor de behandeling van beroepen ingesteld door een betrokkene tegen een beslissing van een orgaan van een instelling voor hoger onderwijs die jegens hem op grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen is genomen. 2 artikel 7.62, eerste lid artikelen 7.60, vierde lid, eerste en tweede volzin, vijfde en zesde lid 7.61, tweede, vierde, vijfde, en zesde lid 7.63 De regeling bevat een uitwerking van de onderwerpen, genoemd in, alsmede de rechtsgang bij het college waarbij de,envan overeenkomstige toepassing zijn. 3 artikelen 7.59a tot en met 7.64 artikel 1.9, derde lid, onder g De regeling alsmede wijzigingen daarvan worden vastgesteld met in achtneming van de. De regeling alsmede de wijzigingen daarvan worden geacht te voldoen aan de in, bedoelde voorwaarde, indien Onze Minister niet binnen drie maanden heeft verklaard van oordeel te zijn, dat het bestuur bij de vaststelling van de rechtsgang de artikelen 7.59a tot en met 7.64 niet in acht heeft genomen en daartoe in redelijkheid geen beroep heeft kunnen doen op de eigen levensbeschouwelijke aard van de bijzondere instelling die zich tegen inachtneming daarvan zou verzetten, of dat onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Binnen drie maanden wordt het bezwaar ondervangen. 4 De werking van het besluit van Onze Minister, bedoeld in het derde lid, wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken, of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-01-2023
Artikel 7a.1 — Artikel 7a.1 Begripsbepaling#
Artikel 7a.1 Begripsbepaling In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. artikel 7a.2 instelling: een instelling als bedoeld in, en b. artikel 175 van de Wet op het primair onderwijs artikel 135 van de Wet primair onderwijs BES artikel 155 van de Wet op de expertisecentra artikel 7.31 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 bekwaamheidsonderzoek: het onderzoek, bedoeld in,,, of. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 7a.2 — Artikel 7a.2 Reikwijdte#
Artikel 7a.2 Reikwijdte artikel 6.9 artikel 176 van de Wet op het primair onderwijs artikel 136 van de Wet primair onderwijs BES artikel 156 van de Wet op de expertisecentra artikel 7.32 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde en ingevolgeaangewezen instellingen voor hoger onderwijs die voldoen aan,,, of. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 7a.3 — Artikel 7a.3 WPO WPO BES WEC WVO WVO BES Getuigschrift bekwaamheidsonderzoek,,,en#
Artikel 7a.3 WPO WPO BES WEC WVO WVO BES Getuigschrift bekwaamheidsonderzoek,,,en artikel 7.6, eerste lid Ten bewijze dat het bekwaamheidsonderzoek met goed gevolg is afgesloten, wordt door de examencommissie van een instelling die daarvoor het meest in aanmerking komt een getuigschrift bekwaamheidsonderzoek uitgereikt. Op het getuigschrift wordt vermeld, welke onderdelen het bekwaamheidsonderzoek omvatte en, in een voorkomend geval, welke bevoegdheid daaraan is verbonden, rekening houdend met. 2010 350 01-09-2010 17-05-2010 31959 2011 33 16-02-2011 03-02-2011 32419 2011 34 07-03-2011 03-02-2011 17-02-2011 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 7a.4 — Artikel 7a.4 Getuigschrift pedagogisch-didactische scholing WEB#
Artikel 7a.4 Getuigschrift pedagogisch-didactische scholing WEB Ten bewijze dat de scholing, bedoeld in artikel 4.2.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, ertoe heeft geleid dat betrokkene voldoet aan de in artikel 4.2.3, derde lid, onder a, van die wet bedoelde bekwaamheidseisen, wordt door de examencommissie van een instelling die daarvoor het meest in aanmerking komt een getuigschrift pedagogisch-didactische scholing uitgereikt. Op het getuigschrift wordt vermeld, welke onderdelen het onderzoek dat tot het getuigschrift leidde, omvatte. 2004 344 20-07-2004 30-06-2004 28088 2005 672 22-12-2005 05-12-2005 01-08-2006
Artikel 7a.5 — Artikel 7a.5 Titulatuur#
Artikel 7a.5 Titulatuur 1 Degene die met goed gevolg het bekwaamheidsonderzoek heeft afgesloten, is gerechtigd tot het voeren van: a. de titel doctorandus, afgekort tot drs., indien het betreft een bekwaamheidsonderzoek waarin kennis, inzicht en vaardigheden op het niveau van wetenschappelijk onderwijs zijn getoetst; of b. de titel baccalaureus, afgekort tot bc., indien het betreft een bekwaamheidsonderzoek waarin kennis, inzicht en vaardigheden op het niveau van hoger beroepsonderwijs zijn getoetst. 2 De in het eerste lid genoemde titels worden afgekort voor de naam geplaatst. 3 Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs Tot het voeren van een in het eerste lid genoemde titel is eveneens gerechtigd degene aan wie op grond van devanaf 1 september 2002 het getuigschrift van een met goed gevolg afgesloten bekwaamheidsonderzoek is uitgereikt. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-09-2024
Artikel 8.1 — Artikel 8.1 Samenwerking bekostigde instellingen voor hoger onderwijs#
Artikel 8.1 Samenwerking bekostigde instellingen voor hoger onderwijs 1 bijlage van deze wet in onderdeel a tot en met i Met het oog op de samenwerking tussen twee of meer, in deopgenomen instellingen kunnen de besturen van die instellingen een gemeenschappelijke regeling sluiten. 2 De regeling omvat bepalingen omtrent wijziging, opheffing, toetreding en uittreding. 3 Bij de regeling kan een samenwerkingsinstituut worden ingesteld. De regeling omvat bepalingen omtrent de inrichting en het bestuur van het instituut, en omtrent het verstrekken van inlichtingen door het instituut aan de besturen van de deelnemende instellingen. 4 De regeling kan voorzien in de overdracht van bepaalde bevoegdheden van organen van de deelnemende instellingen aan organen van een andere deelnemende instelling of aan organen van het samenwerkingsinstituut. 5 Op de besluiten van het samenwerkingsinstituut, genomen krachtens enige door het bestuur van een openbare instelling overgedragen bevoegdheid zijn de wettelijke bepalingen omtrent schorsing en vernietiging van besluiten van dat bestuur krachtens de overgedragen bevoegdheid van overeenkomstige toepassing. 2014 219 24-06-2014 14-05-2014 33840 2014 283 18-07-2014 11-07-2014 19-07-2014
Artikel 9.1 — Artikel 9.1 Reikwijdte#
Artikel 9.1 Reikwijdte Deze titel heeft betrekking op de openbare universiteiten. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 9.2 — Artikel 9.2 Algemene bevoegdheden college van bestuur#
Artikel 9.2 Algemene bevoegdheden college van bestuur 1 Het college van bestuur is belast met het bestuur van de universiteit in haar geheel en met het beheer daarvan, onverminderd de bevoegdheden van de raad van toezicht volgens dit hoofdstuk. 2 Het college van bestuur oefent de taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens de wet aan het instellingsbestuur zijn opgedragen, voorzover in dit hoofdstuk niet anders is bepaald. 3 De voorzitter van het college van bestuur vertegenwoordigt de universiteit in en buiten rechte. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 9.3 — Artikel 9.3 Samenstelling college van bestuur; rechtspositie leden#
Artikel 9.3 Samenstelling college van bestuur; rechtspositie leden 1 Het college van bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, waaronder de rector magnificus van de universiteit. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen. 2 De benoeming van de leden van het college van bestuur geschiedt op basis van vooraf openbaar gemaakte profielen. 3 Voor het benoemen van een lid van het college van bestuur stelt de raad van toezicht een sollicitatiecommissie in waarvan in elk geval deel uitmaken: artikel 9.30, derde lid, tweede volzin Titel 2 Alvorens tot benoeming of ontslag van een lid van het college van bestuur over te gaan, hoort de raad van toezicht vertrouwelijk de universiteitsraad of de ondernemingsraad en het orgaan binnen de universiteit dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in, is ingesteld, over het voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag.van dit hoofdstuk is niet van toepassing. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming. a. een lid van of namens het deel van de universiteitsraad dat uit en door het personeel is gekozen, of een lid van of namens de ondernemingsraad, en b. artikel 9.30, derde lid een lid van of namens het deel van de universiteitsraad dat uit en door de studenten is gekozen, of een lid van of namens het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in. 4 De voorzitter van het college van bestuur wordt uit de leden door de raad van toezicht benoemd. 5 In het bestuurs- en beheersreglement worden nadere regels gegeven omtrent de wijze van voordracht en benoeming van de rector magnificus. 6 Een lid van het college van bestuur kan om gewichtige redenen tussentijds worden ontslagen. 7 Een lid van het college van bestuur kan niet tevens zijn: a. lid van de raad van toezicht van de desbetreffende universiteit, b. decaan van een faculteit of lid van het bestuur daarvan, tenzij een universiteit slechts een faculteit omvat, c. artikel 9.17 lid van het bestuur van een opleiding, voorzover dat met toepassing vanis ingesteld, of d. lid van de raad van toezicht of van het college van bestuur van een andere universiteit. 2019 395 07-11-2019 27-09-2019 35089 2019 434 28-11-2019 20-11-2019 01-01-2020 Artikel X van Stb. 2019/395 bevat overgangsrecht m.b.t. deze
wijziging
Artikel 9.4 — Artikel 9.4 Bestuurs- en beheersreglement#
Artikel 9.4 Bestuurs- en beheersreglement Het college van bestuur stelt een bestuurs- en beheersreglement ter regeling van het bestuur, het beheer en de inrichting van de universiteit vast. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 9.5 — Artikel 9.5 Richtlijnen aan decanen#
Artikel 9.5 Richtlijnen aan decanen de artikelen 9.14, derde lid 9.15, eerste lid Het college van bestuur kan richtlijnen vaststellen met het oog op de organisatie en coördinatie van de uitoefening van de in, en, bedoelde bevoegdheden. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 9.6 — Artikel 9.6 Verantwoordings- en inlichtingenplicht college van bestuur#
Artikel 9.6 Verantwoordings- en inlichtingenplicht college van bestuur 1 Het college van bestuur is verantwoording verschuldigd aan de raad van toezicht. 2 Het college van bestuur verstrekt de raad van toezicht de gevraagde inlichtingen betreffende zijn besluiten en andere handelingen. 3 Het college van bestuur verstrekt Onze Minister de gevraagde inlichtingen omtrent de universiteit. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 9.7 — Artikel 9.7 Samenstelling raad van toezicht#
Artikel 9.7 Samenstelling raad van toezicht 1 De raad van toezicht bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden. 2 artikel 9.30, derde lid, tweede volzin artikel 9.30, derde lid, tweede volzin De voorzitter en de andere leden worden door Onze Minister benoemd, geschorst en ontslagen. Een van de leden wordt benoemd op voordracht van de universiteitsraad dan wel de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in, is ingesteld. De voordracht bevat ten minste twee namen. Indien de voorgedragen kandidaten niet door Onze Minister worden benoemd, wordt een nieuwe voordracht gedaan. Onze Minister kan gemotiveerd afwijken van de tweede voordracht. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen. Onze Minister benoemt een lid dat in het bijzonder het vertrouwen geniet van de universiteitsraad, dan wel het vertrouwen geniet van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in, is ingesteld, gezamenlijk. De benoeming geschiedt voor een periode van ten hoogste vier jaren. 3 Een lid kan om gewichtige redenen tussentijds worden ontslagen. 4 De samenstelling, taken en bevoegdheden van de raad van toezicht zijn zodanig dat de raad een deugdelijk en onafhankelijk toezicht kan uitoefenen. De leden van de raad van toezicht hebben geen directe belangen bij de universiteit. De leden van de raad zijn niet tevens werkzaam bij een ministerie dan wel lid van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal. Zij hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. De benoeming van de leden van de raad geschiedt op basis van vooraf openbaar gemaakte profielen. 5 Het college van bestuur voorziet in de functioneel onafhankelijke administratieve ondersteuning van de raad van toezicht. De raad van toezicht heeft instemmingsrecht ten aanzien van de benoeming en het ontslag van de secretaris van de raad. 6 De leden van het college van bestuur wonen de vergaderingen van de raad van toezicht bij, tenzij de raad anders beslist. Zij hebben daarin een adviserende stem. 7 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld omtrent tegemoetkomingen aan de leden van de raad van toezicht. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 9.8 — Artikel 9.8 Taken raad van toezicht#
Artikel 9.8 Taken raad van toezicht 1 artikel 1.3, eerste lid De raad van toezicht houdt, met het oog op de taken van de universiteit, bedoeld in, toezicht op de uitvoering van werkzaamheden en de uitoefening van bevoegdheden door het college van bestuur en staat dit college met raad ter zijde. De raad van toezicht is in elk geval belast met: a. het benoemen, schorsen, ontslaan en vaststellen van de beloning van de leden van het college van bestuur; b. het goedkeuren van het bestuurs- en beheersreglement; c. het goedkeuren van de begroting, de jaarrekening, het bestuursverslag en het instellingsplan; d. artikel 8.1 indien van toepassing, het goedkeuren van de gemeenschappelijke regeling, bedoeld in; e. artikel 2.9 het toezien op de naleving door het college van bestuur van wettelijke verplichtingen en de omgang met de branchecode, bedoeld in; f. artikelen 2.5 2.6 het toezien op de rechtmatige verwerving en op de doelmatige en rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen verkregen op grond van deen; g. artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek het aanwijzen van een accountant als bedoeld indie verslag uitbrengt aan de raad; h. artikel 1.18 het toezien op de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig, en i. het jaarlijks afleggen van verantwoording over de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld onder a tot en met h, in het bestuursverslag van de universiteit. 2 artikel 9.30, derde lid, tweede volzin De raad van toezicht pleegt ten minste twee keer per jaar overleg met de universiteitsraad dan wel de ondernemingsraad en het orgaan binnen de instelling dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in, is ingesteld. 2015 349 09-10-2015 30-09-2015 34176 2015 351 19-10-2015 13-10-2015 01-11-2015 De in de Uitvoeringswet richtlijn jaarrekening (Stb. 2015/349)
vervatte voorschriften zijn van toepassing op jaarrekeningen,
bestuursverslagen en verslagen als bedoeld in artikel 392a die
worden opgesteld over de boekjaren die aanvangen op of na 1 januari
2016. De voorschriften van de Uitvoeringswet richtlijn jaarrekening
(Stb. 2015/349) kunnen worden toegepast op jaarrekeningen,
bestuursverslagen en verslagen als bedoeld in artikel 392a die
worden opgesteld over boekjaren die zijn aangevangen voor 1 januari 2016.
Artikel 9.9 — Artikel 9.9 Verantwoordings- en inlichtingenplicht raad van toezicht#
Artikel 9.9 Verantwoordings- en inlichtingenplicht raad van toezicht 1 De raad van toezicht is verantwoording verschuldigd aan Onze Minister. 2 De raad van toezicht verstrekt Onze Minister de gevraagde inlichtingen betreffende zijn handelen. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 9.9a — Artikel 9.9a Aanwijzing#
Artikel 9.9a Aanwijzing 1 Onze Minister kan de raad van toezicht een aanwijzing tot het nemen van een of meer maatregelen geven, indien sprake is van wanbeheer. 2 Onder wanbeheer wordt verstaan: a. financieel wanbeleid; b. artikel 1.18 het in ernstige mate of langdurig nalaten om, in ieder geval in strijd met, maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en de goede voortgang van het onderwijs, waaronder de deugdelijke afsluiting daarvan; c. het door een bestuurder of toezichthouder ongerechtvaardigd verrijken van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, zichzelf of een derde; d. het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen waardoor financieel voordeel wordt behaald ten gunste van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, zichzelf of een derde; e. het in ernstige mate verwaarlozen van de zorg voor wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de omgang met betrokkenen binnen de instelling, waaronder in ieder geval wordt verstaan intimidatie of bedreiging van personeel of studenten door een bestuurder of toezichthouder. 3 Onze Minister motiveert in de aanwijzing waarom het doel van de aanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt. 4 De aanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd. 5 artikel 12a van de Wet op het onderwijstoezicht artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht Voordat Onze Minister een aanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld inverricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in, waaruit volgt dat sprake is van wanbeheer als bedoeld in het tweede lid. 6 Indien het onderzoek, bedoeld in het vijfde lid, mede de kwaliteit van het onderwijs betreft, betrekt de inspectie het accreditatieorgaan bij haar onderzoek. 2025 280 20-10-2025 01-10-2025 36707 2025 351 13-11-2025 03-11-2025 01-01-2026
Artikel 9.9b — Artikel 9.9b Spoedaanwijzing#
Artikel 9.9b Spoedaanwijzing 1 Onze Minister kan de raad van toezicht een spoedaanwijzing tot het nemen van een of meer voorlopige maatregelen geven, indien: a. artikel 1.8 een of meer organen van een instelling als bedoeld intekortschieten in de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet; b. artikel 9.9a, tweede lid uit dat tekortschieten of mede uit dat tekortschieten een wezenlijk vermoeden van wanbeheer als bedoeld in, volgt; en c. dat is vereist in verband met onverwijlde spoed. 2 Onze Minister motiveert in de spoedaanwijzing waarom het doel van de spoedaanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt. 3 De spoedaanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd. 4 De spoedaanwijzing bepaalt de duur waarvoor zij geldt. Deze geldigheidsduur bedraagt ten hoogste zes maanden. Onze Minister kan de geldigheidsduur eenmalig verlengen met ten hoogste zes maanden. Op een verlengingsbesluit is het eerste lid van overeenkomstige toepassing. 5 artikel 12a van de Wet op het onderwijstoezicht artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht Voordat Onze Minister een spoedaanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld inverricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in, waaruit volgt dat is voldaan aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid. 6 Onze Minister informeert de beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld nadat toepassing is gegeven aan het eerste lid. 2023 212 21-06-2023 07-06-2023 35920 2023 213 21-06-2023 19-06-2023 01-08-2023
Artikel 9.10 — Artikel 9.10 College voor promoties#
Artikel 9.10 College voor promoties 1 Aan een universiteit is een college voor promoties verbonden. Het college voor promoties bestaat uit hoogleraren. 2 artikel 7.19, tweede lid Het college voor promoties hoort het college van bestuur over het verlenen van de graad, bedoeld in. 3 In het bestuurs- en beheersreglement worden de taak, de samenstelling en de wijze van benoeming van het college voor promoties nader geregeld. 2002 303 18-06-2002 06-06-2002 28024 2002 303 18-06-2002 06-06-2002 28024 01-09-2002
Artikel 9.11 — Artikel 9.11 Faculteiten en opleidingen#
Artikel 9.11 Faculteiten en opleidingen In het bestuurs- en beheersreglement wordt bepaald welke faculteiten of faculteit een universiteit omvat. Tevens wordt in dat reglement vermeld welke opleidingen in die faculteiten of faculteit zijn ingesteld. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 9.12 — Artikel 9.12 Faculteit; decaan#
Artikel 9.12 Faculteit; decaan 1 De verzorging van het onderwijs en de beoefening van de wetenschap geschieden in de faculteit. Aan het hoofd van de faculteit staat de decaan van de faculteit. 2 titel 2 artikel 9.13, vierde en zesde lid In afwijking van het eerste lid kan in het bestuurs- en beheersreglement worden bepaald dat aan het hoofd van de faculteit een bestuur staat, bestaande uit de decaan van de faculteit, tevens voorzitter, en een of meer andere leden. Indien de eerste volzin toepassing heeft gevonden, wordt in deze titel en inmet uitzondering van, onder decaan tevens verstaan het bestuur van de faculteit. Indien aan het hoofd van de faculteit een meerhoofdig bestuur staat, wordt een student van de desbetreffende faculteit in de gelegenheid gesteld de vergaderingen van dit bestuur bij te wonen in welke vergaderingen deze student een adviserende stem heeft. In het bestuurs- en beheersreglement wordt bepaald, op welke wijze de in de vorige volzin bedoelde student wordt aangewezen. 3 Indien een universiteit slechts een faculteit omvat: a. is de rector magnificus tevens decaan, b. staat aan het hoofd van de faculteit een bestuur, c. titel 2 artikel 9.13, vierde en zesde lid wordt in deze titel en inmet uitzondering van, onder decaan tevens verstaan het bestuur van de faculteit, en d. worden de taken en bevoegdheden van het bestuur van de faculteit uitgeoefend door het college van bestuur. 4 Een lid van het bestuur van de faculteit kan niet tevens lid zijn van de faculteitsraad van die faculteit. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 9.13 — Artikel 9.13 Benoeming en ontslag decaan#
Artikel 9.13 Benoeming en ontslag decaan 1 De decaan wordt benoemd, geschorst en ontslagen door het college van bestuur. De benoeming geschiedt voor een door het college van bestuur te bepalen termijn. 2 Titel 2 Alvorens tot benoeming of ontslag van de decaan over te gaan, hoort het college van bestuur vertrouwelijk de faculteitsraad van de desbetreffende faculteit over het voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag.van dit hoofdstuk is niet van toepassing. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming. 3 De decaan kan om gewichtige redenen worden geschorst of tussentijds worden ontslagen. 4 De decaan bezit de hoedanigheid van hoogleraar. 5 artikel 9.12, tweede lid Indien aan het hoofd van de faculteit een bestuur als bedoeld in, staat, zijn het eerste, tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing. 6 Dit artikel is niet van toepassing, indien de rector magnificus tevens decaan is. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 9.14 — Artikel 9.14 Taken en bevoegdheden decaan algemeen; faculteitsreglement#
Artikel 9.14 Taken en bevoegdheden decaan algemeen; faculteitsreglement 1 De decaan is belast met de algemene leiding van de faculteit. De decaan is voorts belast met het bestuur en de inrichting van de faculteit voor het onderwijs en de wetenschapsbeoefening. 2 De decaan werkt mede aan het bestuur van de universiteit door onder meer het plegen van overleg met het college van bestuur terzake van de voorbereiding van het instellingsplan en de begroting. 3 artikel 9.5 Onverminderdstelt de decaan ter nadere regeling van het bestuur en de inrichting van de faculteit het faculteitsreglement vast. 4 Het faculteitsreglement behoeft de goedkeuring van het college van bestuur. De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. 5 Indien binnen een door het college van bestuur te bepalen termijn het faculteitsreglement niet of niet volledig is vastgesteld, stelt het college van bestuur het reglement of het ontbrekende gedeelte daarvan vast. 2001 207 10-05-2001 11-04-2001 27265 2001 208 10-05-2001 20-04-2001 11-05-2001
Artikel 9.15 — Artikel 9.15 Overige taken en bevoegdheden decaan#
Artikel 9.15 Overige taken en bevoegdheden decaan 1 artikel 9.5 De decaan is, onverminderd, voorts belast met: a. artikel 7.13 het vaststellen van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in, alsmede de regelmatige beoordeling daarvan, b. het vaststellen van algemene richtlijnen voor de wetenschapsbeoefening, c. het vaststellen van het jaarlijks onderzoekprogramma van de faculteit, d. het houden van toezicht op de uitvoering van de onderwijs- en examenregeling en op het jaarlijks onderzoekprogramma, alsmede het uitbrengen van regelmatig verslag hieromtrent aan het college van bestuur, e. artikel 7.29, eerste lid het instellen van de examencommissies en de commissie, bedoeld in, alsmede de benoeming van de leden van die commissies, f. artikelen 7.8b 7.9 artikelen 7.8b, derde lid 7.9, eerste lid de uitvoering van deen, met uitzondering van de aanwijzing van opleidingen, bedoeld in de, en, g. artikelen 7.25, vierde lid 7.28, tweede tot en met vierde lid 7.29, eerste lid het vaststellen van nadere regels omtrent de wijze waarop vrijstelling als bedoeld in de,, en, kan worden verkregen, h. artikelen 7.24a 7.30c de uitvoering van deen, i. het sluiten van een gemeenschappelijke regeling ten behoeve van een of meer opleidingen met een of meer decanen van andere faculteiten, j. artikelen 6.7a 7.9b de uitvoering van deen, en k. het vaststellen van de procedures en criteria met betrekking tot erkenning van verworven competenties. 2 artikel 7.19, tweede lid De decaan oefent het recht tot voordracht, bedoeld in, uit. 3 In het bestuurs- en beheersreglement worden regels gesteld omtrent de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onder i. 2023 192 12-06-2023 03-06-2023 36132 2023 249 10-07-2023 30-06-2023 01-09-2023
Artikel 9.16 — Artikel 9.16 Verantwoordings- en inlichtingenplicht decaan#
Artikel 9.16 Verantwoordings- en inlichtingenplicht decaan De decaan is verantwoording verschuldigd aan het college van bestuur. Hij verstrekt het college de gevraagde inlichtingen omtrent de faculteit. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 9.17 — Artikel 9.17 Bestuur opleidingen#
Artikel 9.17 Bestuur opleidingen 1 De decaan voorziet in een meerhoofdig bestuur van elke opleiding die in de faculteit is ingesteld. In afwijking van de eerste volzin kan volstaan worden met een opleidingsdirecteur. 2 Indien in een meerhoofdig bestuur wordt voorzien, maakt daarvan een student deel uit. 3 In het faculteitsreglement worden nadere regels gesteld omtrent het bestuur van de opleidingen. 4 Een lid van het bestuur van de opleiding kan niet tevens lid zijn van de opleidingscommissie van die opleiding. 5 Voor de toepassing van dit artikel kan onder opleiding mede worden begrepen een bacheloropleiding en een of meer daarop aansluitende masteropleidingen. 2002 303 18-06-2002 06-06-2002 28024 2002 303 18-06-2002 06-06-2002 28024 01-09-2002
Artikel 9.18 — Artikel 9.18 Opleidingscommissies#
Artikel 9.18 Opleidingscommissies 1 Voor elke opleiding of groep van opleidingen wordt een opleidingscommissie ingesteld. De commissie heeft tot taak te adviseren over het bevorderen en waarborgen van de kwaliteit van de opleiding. De commissie heeft voorts: De commissie zendt de adviezen en voorstellen, bedoeld onder d, ter kennisneming aan de faculteitsraad. a. artikel 7.13, tweede lid, onder a1, b, c, d, e, g, v en z instemmingsrecht ten aanzien van de onderwerpen in de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in, b. als taak het jaarlijks beoordelen van de wijze van uitvoeren van de onderwijs- en examenregeling, c. artikel 7.13 adviesrecht ten aanzien van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in, met uitzondering van de onderwerpen ten aanzien waarvan de commissie op grond van onderdeel a instemmingsrecht heeft, d. artikel 9.17, eerste lid als taak het desgevraagd of uit eigen beweging advies uitbrengen of voorstellen doen aan het bestuur van de opleiding, bedoeld in, en de decaan over alle aangelegenheden betreffende het onderwijs in de desbetreffende opleiding, en e. artikel 5.13, vierde lid als taak het bespreken van het visitatierapport, bedoeld in. 2 artikel 9.35, aanhef en onderdelen b, c en d Op een advies als bedoeld in het eerste lid, zijn, van overeenkomstige toepassing. 3 Indien de commissie een voorstel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, doet aan het bestuur van de opleiding of de decaan, reageert het bestuur onderscheidenlijk de decaan binnen twee maanden na ontvangst op het voorstel. 4 Artikel 9.31, derde tot en met het achtste lid , zijn van overeenkomstige toepassing op de opleidingscommissie. In overleg tussen het bestuur van de opleiding onderscheidenlijk de decaan en de faculteitsraad kan, na overleg met de opleidingscommissie, in het faculteitsreglement een andere wijze van samenstelling van de opleidingscommissie worden vastgelegd dan verkiezing. Jaarlijks wordt vastgesteld of het wenselijk is de andere wijze van samenstelling te handhaven. 5 De opleidingscommissie is bevoegd het bestuur van de opleiding onderscheidenlijk de decaan ten minste twee maal per jaar uit te nodigen om het voorgenomen beleid te bespreken aan de hand van een door haar opgestelde agenda. 6 artikel 9.37 Indien een faculteit slechts een opleiding omvat, kan het faculteitsreglement bepalen dat de taken en bevoegdheden van de opleidingscommissie worden uitgeoefend door de faculteitsraad, bedoeld in. 2024 279 14-10-2024 30-09-2024 36136 2024 345 15-11-2024 09-11-2024 01-01-2025
Artikel 9.19 — Artikel 9.19 Verantwoordelijkheden en rechten hoogleraren#
Artikel 9.19 Verantwoordelijkheden en rechten hoogleraren 1 Tot het personeel van de universiteit behoren in elk geval de hoogleraren. In het benoemingsbesluit wordt vermeld het wetenschapsgebied waarop de hoogleraar zijn onderwijs- en onderzoektaken uitoefent. 2 artikel 9.17 De hoogleraren zijn bij uitstek verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het hun toegewezen wetenschapsgebied en voor de inhoud van het te geven onderwijs op dat gebied, onverminderd de bevoegdheid van het bestuur van de opleiding, bedoeld in. 3 Eervol ontslagen hoogleraren behouden nog gedurende vijf jaren na hun ontslag het recht als promotor op te treden. 4 De hoogleraren zijn gerechtigd de titel professor te voeren. De oud-hoogleraren aan wie om gezondheidsredenen, wegens vrijwillig vervroegd uittreden dan wel bij of na het bereiken van de voor de openbare dienst geldende functionele leeftijdsgrens eervol ontslag als hoogleraar is verleend, zijn eveneens gerechtigd deze titel te voeren. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 9.20 — Artikel 9.20 Onderzoekinstituten en onderzoekscholen binnen een faculteit#
Artikel 9.20 Onderzoekinstituten en onderzoekscholen binnen een faculteit 1 In het faculteitsreglement kunnen binnen de faculteit onderzoekinstituten en onderzoekscholen worden ingesteld. De decaan regelt het bestuur en de inrichting van deze onderzoekinstituten en onderzoekscholen. 2 In het faculteitsreglement worden regels gesteld omtrent het bestuur en beheer van onderzoekinstituten en onderzoekscholen. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 9.21 — Artikel 9.21 Onderzoekinstituten en onderzoekscholen tussen twee of meer faculteiten binnen een universiteit#
Artikel 9.21 Onderzoekinstituten en onderzoekscholen tussen twee of meer faculteiten binnen een universiteit 1 artikel 9.20 In het bestuurs- en beheersreglement kunnen binnen de universiteit onderzoekinstituten en onderzoekscholen worden ingesteld waaropniet van toepassing is. Het college van bestuur regelt het bestuur, beheer en de inrichting van deze onderzoekinstituten en onderzoekscholen. 2 In het bestuurs- en beheersreglement kan een faculteit worden aangewezen waarvan de decaan de bevoegdheden uitoefent die bij of krachtens deze wet met betrekking tot een onderzoekinstituut of onderzoekschool aan het college van bestuur zijn toegekend. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 9.22 — Artikel 9.22 Interne verzelfstandiging van onderzoekinstituten en onderzoekscholen#
Artikel 9.22 Interne verzelfstandiging van onderzoekinstituten en onderzoekscholen 1 artikel 9.20 In het faculteitsreglement kan worden bepaald dat het bestuur van een onderzoekinstituut of onderzoekschool als bedoeld ingedurende een tijdvak van ten hoogste vijf jaar met beheerstaken wordt belast. 2 artikel 9.21 In het bestuurs- en beheersreglement kan door het college van bestuur worden bepaald dat het bestuur van een onderzoekinstituut of onderzoekschool als bedoeld ingedurende een tijdvak van ten hoogste vijf jaar met beheerstaken wordt belast. Het besluit van het college van bestuur behoeft de instemming van de decanen van de desbetreffende faculteiten. 3 Indien het tweede lid toepassing heeft gevonden, stelt het college van bestuur jaarlijks de financiële middelen ter beschikking aan het bestuur van het onderzoekinstituut of de onderzoekschool. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 9.23 — Artikel 9.23 Onderzoekinstituten en onderzoekscholen tussen twee of meer universiteiten#
Artikel 9.23 Onderzoekinstituten en onderzoekscholen tussen twee of meer universiteiten 1 artikel 8.1 Een onderzoekinstituut of onderzoekschool tussen twee of meer universiteiten wordt in overeenstemming met de decanen van de betrokken faculteiten ingesteld bij gemeenschappelijke regeling als bedoeld in. Daarin kan de bepaling worden opgenomen dat het bestuur van het onderzoekinstituut of de onderzoekschool met beheerstaken wordt belast. 2 Indien het eerste lid toepassing heeft gevonden, stellen de colleges van bestuur jaarlijks de financiële middelen ter beschikking aan het bestuur van het onderzoekinstituut of de onderzoekschool. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 9.24 — Artikel 9.24 Schorsing en vernietiging besluiten decaan en examencommissies#
Artikel 9.24 Schorsing en vernietiging besluiten decaan en examencommissies 1 artikel 10:44, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht De besluiten van de decaan kunnen door het college van bestuur worden vernietigd. In geval van schorsing kan, in afwijking van, deze schorsing niet langer dan vier maanden duren. 2 artikel 9.15, eerste lid onderdeel e Het eerste lid is niet van toepassing op een besluit van de decaan betreffende de benoeming van leden van de commissies, bedoeld in. 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 9.25 — Artikel 9.25 Gevolgen schorsing en vernietiging#
Artikel 9.25 Gevolgen schorsing en vernietiging Vervallen 2001 207 10-05-2001 11-04-2001 27265 2001 208 10-05-2001 20-04-2001 11-05-2001
Artikel 9.26 — Artikel 9.26 Voorziening na schorsing of vernietiging; termijn#
Artikel 9.26 Voorziening na schorsing of vernietiging; termijn Vervallen 2001 207 10-05-2001 11-04-2001 27265 2001 208 10-05-2001 20-04-2001 11-05-2001
Artikel 9.27 — Artikel 9.27 Voorziening bij verwaarlozing bestuur faculteit of deel daarvan#
Artikel 9.27 Voorziening bij verwaarlozing bestuur faculteit of deel daarvan 1 paragrafen 2 3 paragraaf 2 van titel 2 Ingeval van verwaarlozing of in strijd met de wet functioneren van het bestuur van een faculteit of een deel daarvan treft het college van bestuur, zo nodig met afwijking van deenvan deze titel en, voor een door het college van bestuur te bepalen tijdvak van ten hoogste één jaar de voorzieningen die het noodzakelijk oordeelt. Het college doet hiervan onverwijld mededeling aan de raad van toezicht. 2 De voorzieningen vervallen, indien zij niet binnen drie weken na de ontvangst van de mededeling van het college van bestuur door de raad van toezicht zijn bekrachtigd. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 9.28 — Artikel 9.28 Collectief recht van beklag voor studenten#
Artikel 9.28 Collectief recht van beklag voor studenten Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 9.29 — Artikel 9.29 Reikwijdte#
Artikel 9.29 Reikwijdte Deze titel heeft betrekking op de openbare universiteiten. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 9.30 — Artikel 9.30 Keuze uit medezeggenschapsstelsels#
Artikel 9.30 Keuze uit medezeggenschapsstelsels 1 Het college van bestuur besluit: a. Wet op de ondernemingsraden hoofdstuk VII B dat demet uitzondering vanvan toepassing is op de universiteit; of b. dat de onder a bedoelde wet niet van toepassing is op de universiteit. 2 Een besluit als bedoeld in het eerste lid kan telkens opnieuw worden genomen, doch niet eerder dan nadat vijf jaren zijn verstreken sedert het van kracht worden van het vorige besluit terzake. 3 paragrafen 1 2 4 tot en met 6 paragrafen 1 2 4 5 Het besluit, bedoeld in het eerste lid aanhef en onderdeel a, stelt de,envan deze titel buiten werking voor de desbetreffende universiteit. Dit besluit gaat gepaard aan de vaststelling door het college van bestuur van een medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten binnen de universiteit en haar faculteiten, die ten minste gelijkwaardig is aan het bepaalde in de,,envan deze titel. 4 paragrafen 1 tot en met 6 Ten gevolge van het besluit, bedoeld in het eerste lid aanhef en onderdeel b, zijn devan deze titel van toepassing op de desbetreffende universiteit. 5 In het geval dat het eerste lid aanhef en onderdeel a toepassing heeft gevonden, behoeft het college van bestuur de voorafgaande instemming van de ondernemingsraad voor het door het college van bestuur te nemen besluit met betrekking tot de keuze uit de medezeggenschapsstelsels, bedoeld in het eerste lid, alsmede voor vaststelling van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in het derde lid. 6 De in de medezeggenschapsregeling vast te stellen medezeggenschapsstructuren sluiten zo veel mogelijk aan bij de organisatiestructuur, besluitvormingsprocedures en verantwoordelijkheidsverdelingen binnen de instelling. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-09-2024
Artikel 9.30a — Artikel 9.30a Instemmingsbevoegdheid gezamenlijke vergadering personeel/studenten#
Artikel 9.30a Instemmingsbevoegdheid gezamenlijke vergadering personeel/studenten 1 artikel 9.30, eerste lid onderdeel a artikel 9.30, derde lid tweede volzin Indien een besluit als bedoeld in, is genomen, is er aan een universiteit een gezamenlijke vergadering verbonden. Van deze vergadering maken deel uit de leden van de ondernemingsraad en de leden van het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in. 2 Het college van bestuur behoeft de voorafgaande instemming van de gezamenlijke vergadering voor elk door het college van bestuur te nemen besluit met betrekking tot de vaststelling of wijziging van: a. artikel 2.2 het instellingsplan, bedoeld in, b. artikel 1.18 artikel 2.9, tweede lid, tweede volzin de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstigalsmede het voorgenomen beleid in het licht van de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling, bedoeld in, en c. artikel 9.4 het bestuurs- en beheersreglement, bedoeld in. 3 Artikel 9.36, tweede lid Het college van bestuur behoeft eveneens de voorafgaande instemming van de gezamenlijke vergadering over de hoofdlijnen van de jaarlijkse begroting, waarbij in ieder geval aandacht wordt besteed aan de beoogde verdeling van de middelen over de beleidsterreinen onderwijs, onderzoek, huisvesting en beheer, investeringen en personeel., is van overeenkomstige toepassing. 4 Artikel 9.34, tweede lid en derde lid aanhef en onderdelen f, g en j1 Het college van bestuur stelt, met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens deze wet, een reglement voor de gezamenlijke vergadering vast., is van overeenkomstige toepassing. In het reglement kunnen worden geregeld de aangelegenheden waarover de gezamenlijke vergadering, onverminderd het tweede lid, instemmingsrecht heeft. In het reglement wordt, indien de aantallen leden van de ondernemingsraad en het orgaan, bedoeld in het eerste lid, niet gelijk zijn, tevens geregeld de wijze waarop voor beide geledingen wordt voorzien in gelijke invloed op de besluitvorming binnen de gezamenlijke vergadering. 5 De gezamenlijke vergadering is bevoegd het college van bestuur ten minste twee maal per jaar uit te nodigen om het voorgenomen beleid te bespreken aan de hand van een door haar opgestelde agenda. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 9.31 — Artikel 9.31 Universiteitsraad#
Artikel 9.31 Universiteitsraad 1 Aan een universiteit is een universiteitsraad verbonden. 2 Het aantal leden van de raad bedraagt ten hoogste vierentwintig leden. 3 De raad bestaat voor de helft uit leden die door en uit het personeel worden gekozen, en voor de helft uit leden die door en uit de studenten worden gekozen. 4 Zij die deel uitmaken van het college van bestuur of de raad van toezicht dan wel belast zijn met de functie van decaan van een faculteit, kunnen niet tevens lid zijn van de raad. 5 Kandidaten voor de verkiezingen van het deel van de raad dat uit en door het personeel wordt gekozen, kunnen worden gesteld door personeelsleden en door organisaties van personeel. 6 De verkiezing van de leden van de raad geschiedt bij geheime schriftelijke stemming. Stemming voor een geleding van de raad vindt slechts plaats, indien het aantal kandidaat-leden van een geleding groter is dan het aantal zetels ten behoeve van die geleding. 7 artikel 9.47 De raad stelt een reglement op voor de zaken van huishoudelijke aard en regelt tevens de wijze waarop door het college van bestuur beschikbaar gestelde middelen voor die raad en de eventuele faculteitsraden en commissies als bedoeld inworden verdeeld. 8 De raad kiest al dan niet uit zijn midden een voorzitter en een of meer plaatsvervangende voorzitters. De voorzitter, of bij diens verhindering een plaatsvervangende voorzitter, vertegenwoordigt de raad in rechte. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 9.32 — Artikel 9.32 Algemene bevoegdheden en taken universiteitsraad en raadsleden#
Artikel 9.32 Algemene bevoegdheden en taken universiteitsraad en raadsleden 1 Het college van bestuur stelt de universiteitsraad ten minste twee maal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de universiteit met hem te bespreken. Het college van bestuur en de raad komen met elkaar bijeen, indien daarom onder opgave van redenen wordt verzocht door het college van bestuur, de raad, het deel van de raad dat uit en door het personeel is gekozen, of het deel van de raad dat uit en door de studenten is gekozen. 2 De raad is bevoegd over alle aangelegenheden de universiteit betreffende aan het college van bestuur voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken. Het college van bestuur brengt op de voorstellen, bedoeld in de eerste volzin, binnen drie maanden een schriftelijke, met redenen omklede reactie uit aan de raad in de vorm van een voorstel. Alvorens over te gaan tot het uitbrengen van de in de vorige volzin bedoelde reactie, stelt het college van bestuur de raad ten minste eenmaal in de gelegenheid met hem overleg te plegen over zijn voorstel. 2a De raad is voorts bevoegd het college van bestuur ten minste twee maal per jaar uit te nodigen om het voorgenomen beleid te bespreken aan de hand van een door hem opgestelde agenda. 3 De raad bevordert naar vermogen openheid, openbaarheid en onderling overleg in de universiteit. 4 artikel 9.34 artikel 10, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet College voor de rechten van de mens artikel 21, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek De raad waakt voorts in de universiteit in het algemeen tegen discriminatie op welke grond dan ook en bevordert in het bijzonder de gelijke behandeling van mannen en vrouwen alsmede de inschakeling van personen met een handicap of chronische ziekte en personen met een migratieachtergrond. Het reglement voor de raad, bedoeld in, bepaalt of de raad een overeenkomstige bevoegdheid bezit als bedoeld in. In dat geval isvan overeenkomstige toepassing voor wat betreft het onderscheid, bedoeld in die wet of in. 5 Het college van bestuur verstrekt de raad aan het begin van het studiejaar schriftelijk de basisgegevens met betrekking tot de samenstelling van het college van bestuur, de raad van toezicht, de organisatie binnen de universiteit en de hoofdpunten van het reeds vastgestelde beleid. Het college van bestuur stelt de raad ten minste eenmaal per jaar schriftelijk in kennis van het door hem in het afgelopen jaar gevoerde beleid en van de beleidsvoornemens voor het komende jaar ten aanzien van de universiteit op financieel, organisatorisch en onderwijskundig gebied. Het college van bestuur stelt de raad onverwijld in kennis van voornemens met betrekking tot de aangelegenheden, beschreven in het instellingsplan. 6 Onverminderd het vijfde lid, verschaft het college van bestuur de raad, ongevraagd, tijdig alle inlichtingen die deze voor de vervulling van zijn taak naar redelijkheid en billijkheid nodig kan hebben en, gevraagd, tijdig alle inlichtingen die deze voor de vervulling van zijn taak naar redelijkheid en billijkheid nodig acht. Daaronder worden in ieder geval begrepen ten minste eenmaal per jaar gegevens over de hoogte en inhoud van de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken per groep van de in de instelling werkzame personen, de leden van het college van bestuur, en de raad van toezicht. 7 Indien bij een bepaalde vergadering of een onderdeel daarvan een bij uitstek persoonlijk belang van een van de leden van de raad in het geding is, kan de raad bepalen dat het betrokken lid aan die vergadering of dat onderdeel daarvan niet deelneemt. De raad bepaalt dan tevens dat de behandeling van de desbetreffende aangelegenheid in een besloten vergadering plaats heeft. 8 artikel 9.47 De raad doet jaarlijks schriftelijk verslag van zijn werkzaamheden en draagt er zorg voor dat alle bij de universiteit betrokkenen van het verslag kennis kunnen nemen. De raad draagt er zorg voor dat de agenda’s en verslagen van de vergaderingen van de raad worden toegezonden aan het college van bestuur, aan de faculteitsraden en aan de eventuele commissies, bedoeld in, en ter inzage worden gelegd op een algemeen toegankelijke plaats op de universiteit ten behoeve van belangstellenden. De raad stelt de in de vorige volzin bedoelde commissies ten minste eenmaal per jaar in de gelegenheid om over aangelegenheden die de desbetreffende commissie in het bijzonder aangaan, met hem overleg te voeren. 9 Het college van bestuur draagt er jegens de raad zorg voor dat de leden van de raad niet uit hoofde van hun lidmaatschap daarvan worden benadeeld in hun positie met betrekking tot de universiteit. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van kandidaat-leden en voormalige leden. 10 De beëindiging anders dan op eigen verzoek van de betrekking van een aan de universiteit werkzame persoon mag geen verband houden met de kandidaatstelling voor het lidmaatschap, het lidmaatschap of het voormalig lidmaatschap van de betrokkene van de raad. Een beëindiging van de betrekking in strijd met het in dit lid bepaalde is nietig. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-09-2024
Artikel 9.32a — Artikel 9.32a Onder de aandacht brengen instemmings- of adviesbevoegdheid#
Artikel 9.32a Onder de aandacht brengen instemmings- of adviesbevoegdheid Indien het college van bestuur een voorstel voor advies of instemming voorlegt aan de universiteitsraad, wijst het college de universiteitsraad uitdrukkelijk op haar instemmings- of adviesbevoegdheid. 2023 212 21-06-2023 07-06-2023 35920 2023 213 21-06-2023 19-06-2023 01-08-2023
Artikel 9.33 — Artikel 9.33 Instemmingsbevoegdheid universiteitsraad#
Artikel 9.33 Instemmingsbevoegdheid universiteitsraad 1 Het college van bestuur behoeft de voorafgaande instemming van de universiteitsraad voor elk door het college van bestuur te nemen besluit met betrekking tot ten minste de vaststelling of wijziging van: a. artikel 2.2 het instellingsplan, bedoeld in, b. artikel 1.18 artikel 2.9, tweede lid tweede volzin de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig, alsmede het voorgenomen beleid in het licht van de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling, bedoeld in, c. artikel 7.59 het studentenstatuut, bedoeld in, d. artikel 9.4 het bestuurs- en beheersreglement, bedoeld in, e. regels op het gebied van de arbeidsomstandigheden, f. artikel 9.30, eerste lid de keuze uit medezeggenschapsstelsels, bedoeld in, en g. artikelen 7.51 tot en met 7.51g artikel 7.51h het beleid van het instellingsbestuur bij de toepassing van deen de regels, bedoeld in. 2 artikel 2.8 Het college van bestuur behoeft eveneens de voorafgaande instemming van de universiteitsraad over de hoofdlijnen van de jaarlijkse begroting, bedoeld in. Het instemmingsrecht wordt niet uitgeoefend indien het een onderdeel van de begroting betreft dat inhoudelijk is geregeld in een bij of krachtens de wet gegeven voorschrift. 3 artikel 1.19a, eerste lid Het college van bestuur behoeft eveneens de voorafgaande instemming van de universiteitsraad met het besluit een opleiding in het buitenland te verzorgen als bedoeld in. 4 artikel 7.50, eerste lid, onder c Het college van bestuur behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de universiteitsraad dat uit en door de studenten is gekozen, voor elk door het college van bestuur te nemen besluit met betrekking tot de regels die het instellingsbestuur vaststelt met betrekking tot de vergoeding, bedoeld in. 2021 263 07-06-2021 07-04-2021 35582 2021 325 09-07-2021 22-06-2021 01-09-2021
Artikel 9.33a — Artikel 9.33a Adviesbevoegdheid universiteitsraad; adviesbevoegdheid studentengeleding#
Artikel 9.33a Adviesbevoegdheid universiteitsraad; adviesbevoegdheid studentengeleding 1 Het college van bestuur vraagt voorafgaand advies van de universiteitsraad voor elk door het college van bestuur te nemen besluit in ieder geval met betrekking tot: a. aangelegenheden die het voortbestaan en de goede gang van zaken binnen de universiteit betreffen, b. artikel 6.7, eerste lid artikel 6.8, eerste lid de begroting, waaruit onder meer de hoogte van het instellingscollegegeld en die van het collegegeld, bedoeld in, onderscheidenlijk, dienen te blijken. 2 Het college van bestuur vraagt voorafgaand advies van het deel van de universiteitsraad dat uit en door de studenten is gekozen, voor elk door het college van bestuur te nemen besluit in ieder geval met betrekking tot: a. artikel 9.36, tweede lid het algemeen personeels- en benoemingsbeleid, tenzij, van toepassing is, b. artikel 7.46 artikel 6.7, eerste lid het beleid ten aanzien van het instellingscollegegeld, bedoeld inen het collegegeld, bedoeld in, c. artikel 7.48, vierde lid de regeling van het instellingsbestuur ten aanzien van terugbetaling van wettelijk collegegeld, bedoeld in, d. artikel 6.7a, eerste lid, onder b artikel 7.26 7.26a 7.53, derde lid artikel 7.30b, tweede lid de regeling die het instellingsbestuur vaststelt voor de selectiecriteria en de selectieprocedure bedoeld in, onderscheidenlijk,en, en voor zover het de selectieprocedure betreft, e. artikel 6.7a, eerste lid, onder c de regeling die het instellingsbestuur vaststelt voor de criteria en de procedure voor dispensatie van betaling van het hogere collegegeld, bedoeld in, en f. artikel 7.9b, eerste lid de regels die het instellingsbestuur vaststelt met betrekking tot de selectie, bedoeld in, g. artikel 7.31b, vijfde lid de regels die het instellingsbestuur vaststelt met betrekking tot de studiekeuzeadviezen en studiekeuzeactiviteiten, bedoeld in. 3 De aanhef van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op: a. artikel 9.8, eerste lid, onder a een voorgenomen besluit van de raad van toezicht als bedoeld in, met betrekking tot het benoemen of ontslaan van de leden van het college van bestuur; b. artikel 9.3, derde lid 9.7, vierde lid een voorgenomen besluit van de raad van toezicht als bedoeld in, en, met betrekking tot de profielen voor de benoeming van de leden van het college van bestuur onderscheidenlijk de raad van toezicht. 2017 306 17-07-2017 07-06-2017 34355 2017 319 25-08-2017 19-08-2017 01-09-2017
Artikel 9.34 — Artikel 9.34 Reglement universiteitsraad#
Artikel 9.34 Reglement universiteitsraad 1 Het college van bestuur stelt, met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens deze titel, een reglement voor de universiteitsraad vast. 2 Het college van bestuur legt het reglement, daaronder elke wijziging ervan mede begrepen, als voorstel aan de raad voor en stelt het niet vast dan voorzover het voorstel de instemming van twee derden van het aantal leden van de raad heeft verworven. 3 In het reglement worden ten minste geregeld: a. artikel 9.33 de aangelegenheden waarover de raad, onverminderd, instemmingsrecht heeft, b. artikel 9.33a de aangelegenheden waarover de raad, onverminderd, adviesrecht heeft, c. het aantal leden van de raad, d. de wijze en organisatie van de verkiezingen van de leden van de raad, e. de zittingsduur van de leden van de raad, f. de wijze waarop het college van bestuur informatie verschaft aan de raad, g. de termijnen binnen welke tot instemming of onthouding van instemming dient te worden besloten, en de termijnen binnen welke advies dient te worden uitgebracht, h. de bevoegdheden die door de faculteitsraden worden uitgeoefend, i. Arbeidsomstandighedenwet artikel 16 van die wet de toekenning aan het deel van de raad dat uit en door het personeel is gekozen, van de bevoegdheden inzake de arbeidsomstandigheden die krachtens deen de algemene maatregel van bestuur op grond vanaan de medezeggenschapsraad zijn toegekend, j. artikel 10, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet College voor de rechten van de mens artikel 21, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen de toekenning aan de raad van een overeenkomstige bevoegdheid als bedoeld in, waarbij danvan overeenkomstige toepassing is, j1. artikel 9.32, lid 2a de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de bevoegdheid die in, aan de raad is toegekend waaronder de minimale termijn waarop het college van bestuur kan worden uitgenodigd, k. artikel 9.33 onderdeel e de toekenning aan de raad of het deel van de raad dat uit en door het personeel is gekozen, van de bevoegdheden inzake de arbeidsomstandigheden in de universiteit voorzover deze niet betreffen te nemen besluiten van het college van bestuur, bedoeld in, en l. artikel 9.39 welke van de geschillen tussen het college van bestuur en de raad, waarvoor deze wet niet in een geschillenregeling voorziet, worden voorgelegd aan de commissie voor geschillen, bedoeld in, wie het geschil aanhangig kan maken en of daarbij de commissie om bemiddeling dan wel een oordeel wordt verzocht, voorzover de commissie voor geschillen in haar reglement daarvoor de mogelijkheid biedt. 4 In het reglement kan, indien dit bevorderlijk is voor een goede toepassing van deze titel, worden bepaald dat een of meer groepen van personen die anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst dan wel anders dan op grond van een inschrijving als student of extraneus aan de universiteit zijn verbonden, worden aangemerkt als personeelsleden onderscheidenlijk studenten. 2019 395 07-11-2019 27-09-2019 35089 2019 434 28-11-2019 20-11-2019 01-01-2020
Artikel 9.35 — Artikel 9.35 Advies#
Artikel 9.35 Advies artikel 9.33a artikel 9.34, derde lid onderdeel b Indien een te nemen besluit op grond vanof het reglement van de universiteitsraad, krachtens, vooraf voor advies dient te worden voorgelegd aan de raad, draagt het college van bestuur onderscheidenlijk de raad van toezicht er zorg voor dat: a. advies wordt gevraagd op een zodanig tijdstip dat het advies van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming, b. de raad in de gelegenheid wordt gesteld met hem overleg te voeren voordat advies wordt uitgebracht, c. de raad zo spoedig mogelijk schriftelijk in kennis wordt gesteld van de wijze waarop aan het uitgebrachte advies gevolg wordt gegeven, en d. de raad, indien het college van bestuur onderscheidenlijk de raad van toezicht het advies niet of niet geheel wil volgen, in de gelegenheid wordt gesteld nader overleg met hem te voeren alvorens het besluit definitief wordt genomen. 2016 273 14-07-2016 15-06-2016 34251 2016 327 14-09-2016 25-08-2016 01-01-2017
Artikel 9.36 — Artikel 9.36 Bijzondere bevoegdheden#
Artikel 9.36 Bijzondere bevoegdheden 1 Het college van bestuur behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de universiteitsraad dat uit en door het personeel is gekozen, voor elk door het college van bestuur te nemen besluit met betrekking tot aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel in de universiteit. 2 Het instemmingsrecht in aangelegenheden als bedoeld in het eerste lid wordt niet uitgeoefend, voorzover de desbetreffende aangelegenheid voor de universiteit reeds inhoudelijk is geregeld in een bij of krachtens de wet gegeven voorschrift of een collectieve arbeidsovereenkomst. Het instemmingsrecht wordt evenmin uitgeoefend, voorzover de medezeggenschap met betrekking tot de desbetreffende aangelegenheid reeds op andere wijze is uitgeoefend. 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 9.37 — Artikel 9.37 Faculteitsraad#
Artikel 9.37 Faculteitsraad 1 Indien een universiteit meer dan een faculteit omvat, is aan elke faculteit een faculteitsraad verbonden. 2 De faculteitsraad oefent tegenover de decaan van de faculteit het instemmingsrecht en het adviesrecht uit die toekomen aan de universiteitsraad, voorzover het aangelegenheden betreft die de faculteit in het bijzonder aangaan en de desbetreffende bevoegdheden tevens aan de decaan zijn toegekend. 3 Artikel 9.31, tweede tot en met zesde lid , is van overeenkomstige toepassing. 4 Indien een universiteit slechts een faculteit omvat, worden de taken en bevoegdheden van de faculteitsraad uitgeoefend door de universiteitsraad. 5 artikel 9.50 De personeelsgeleding van de faculteitsraad oefent tegenover de decaan van de faculteit de rechten uit, bedoeld in, voorzover het aangelegenheden betreft die de faculteit in het bijzonder aangaan en de desbetreffende bevoegdheden tevens aan de decaan zijn toegekend. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 9.38 — Artikel 9.38 Instemmingsbevoegdheid faculteitsraad#
Artikel 9.38 Instemmingsbevoegdheid faculteitsraad De decaan behoeft de voorafgaande instemming van de faculteitsraad voor elk door hem te nemen besluit met betrekking tot ten minste de vaststelling of wijziging van: a. artikel 9.14 het faculteitsreglement, bedoeld in, en b. artikel 7.13 artikelen 7.28, vierde en vijfde lid 7.30b, tweede lid de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in, met uitzondering van de onderwerpen genoemd in het tweede lid, onder a tot en met g, v en z, en met uitzondering van de eisen, bedoeld in de, en. 2024 279 14-10-2024 30-09-2024 36136 2024 345 15-11-2024 09-11-2024 01-01-2025
Artikel 9.38a — Artikel 9.38a Algemene bevoegdheden en taken faculteitsraad en leden#
Artikel 9.38a Algemene bevoegdheden en taken faculteitsraad en leden Artikel 9.32, eerste, tweede, vijfde, zesde, zevende en achtste lid , is van overeenkomstige toepassing. 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 9.38b — Artikel 9.38b Faculteitsreglement#
Artikel 9.38b Faculteitsreglement artikel 9.34, derde lid onderdelen c, d en e In het faculteitsreglement worden ten minste geregeld de onderwerpen, genoemd in. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 9.38c — Artikel 9.38c Begripsbepaling#
Artikel 9.38c Begripsbepaling artikel 9.46 In deze paragraaf enwordt onder medezeggenschapsorgaan verstaan: a. de gezamenlijke vergadering, b. de ondernemingsraad, c. artikel 9.30, derde lid, tweede volzin het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in, d. de universiteitsraad, e. de faculteitsraad, f. artikel 9.50 de dienstraad, bedoeld in, g. geledingen van de organen onder a tot en met f, h. de opleidingscommissie. 2016 273 14-07-2016 15-06-2016 34251 2016 327 14-09-2016 25-08-2016 01-01-2017
Artikel 9.39 — Artikel 9.39 Geschillencommissie medezeggenschap#
Artikel 9.39 Geschillencommissie medezeggenschap 1 Er is een geschillencommissie medezeggenschap hoger onderwijs die bestaat uit drie leden, onder wie een voorzitter, en drie plaatsvervangende leden. 2 Onze Minister benoemt de leden en plaatsvervangende leden voor vier jaar. Zij zijn een keer herbenoembaar. 3 Voor de benoeming, bedoeld in het tweede lid, dragen de gezamenlijke instellingen en vertegenwoordigers van de medezeggenschapsorganen elk een lid en een plaatsvervangend lid voor. Die twee leden dragen een derde lid, tevens voorzitter, en diens plaatsvervanger voor. 4 De leden functioneren zonder last of ruggespraak. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 9.40 — Artikel 9.40 Bevoegdheden en procedure geschillencommissie medezeggenschap#
Artikel 9.40 Bevoegdheden en procedure geschillencommissie medezeggenschap 1 artikel 9.39 De geschillencommissie, bedoeld in, neemt kennis van geschillen tussen een medezeggenschapsorgaan en het college van bestuur of de decaan over: a. artikel 9.34 de totstandkoming, wijziging of toepassing van het medezeggenschapsreglement, bedoeld in, en b. artikelen 9.18 9.30a 9.32 9.33 9.33a, eerste, tweede en derde lid, onder b 9.34 9.35 9.36 9.38 9.38a geschillen die voortvloeien uit de,,,,,,,,en. 2 artikel 9.30, derde lid, tweede volzin Indien er een geschil is tussen het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in, de universiteitsraad, de faculteitsraad of de opleidingscommissie en degene die of het orgaan dat beslissingsbevoegdheid heeft, onderzoekt het college van bestuur of een minnelijke schikking tussen partijen mogelijk is. Indien het college van bestuur het orgaan is dat de beslissingsbevoegdheid heeft, onderzoekt de raad van toezicht of een minnelijke schikking mogelijk is. Indien dit niet mogelijk blijkt, legt het medezeggenschapsorgaan, bedoeld in de eerste volzin, of degene die of het desbetreffende orgaan dat beslissingsbevoegdheid heeft het geschil voor aan de geschillencommissie. 3 Indien het geschil betrekking heeft op het niet of niet geheel volgen van het advies van een medezeggenschapsorgaan, wordt de uitvoering van de beslissing opgeschort met vier weken, tenzij het desbetreffende orgaan geen bedenkingen heeft tegen onmiddellijke uitvoering van de beslissing. 4 De geschillencommissie is bevoegd een minnelijke schikking tussen partijen tot stand te brengen. Indien geen minnelijke schikking wordt bereikt, beslecht de geschillencommissie een aan haar voorgelegd geschil door een bindende uitspraak te doen, waarbij zij toetst of: a. artikel 9.34 het college van bestuur of de decaan zich heeft gehouden aan de eisen van de wet en het reglement, bedoeld in, b. het college van bestuur of de decaan bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het voorstel of de beslissing heeft kunnen komen, en c. het college van bestuur of de decaan onzorgvuldig heeft gehandeld ten opzichte van het desbetreffende medezeggenschapsorgaan. 5 Indien het college van bestuur of de decaan voor de voorgenomen beslissing geen instemming van het medezeggenschapsorgaan heeft gekregen, kan het de geschillencommissie, in afwijking van het vierde lid, toestemming vragen om de beslissing te nemen. De geschillencommissie geeft slechts toestemming, indien de beslissing van het medezeggenschapsorgaan om geen instemming te geven onredelijk is of indien de voorgenomen beslissing van het college van bestuur of de decaan gevergd wordt door zwaarwegende organisatorische, economische of sociale redenen. Voor zover het gaat om een geschil over de hoofdlijnen van de begroting en de geschillencommissie niet voor 1 januari van het jaar waarop de begroting betrekking heeft, aan het college van bestuur toestemming heeft gegeven een beslissing te nemen, kan het college van bestuur totdat de geschillencommissie een besluit over het verlenen van toestemming heeft genomen, voor het doen van uitgaven in dat jaar beschikken over ten hoogste vier twaalfde gedeelten van de bedragen die in de overeenkomstige begrotingsonderdelen van het voorafgaande jaar waren opgenomen. 6 artikelen 9.30a, tweede en derde lid 9.33, eerste lid, onder a, b of d, en tweede lid Indien het gaat om besluiten als bedoeld in de, of, beoordeelt de geschillencommissie in afwijking van het vijfde lid, tweede volzin, of het college van bestuur of een ander orgaan bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 9.41 — Artikel 9.41 Geschil instemmingsbevoegdheid#
Artikel 9.41 Geschil instemmingsbevoegdheid Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 9.42 — Artikel 9.42 Geschil inhoud reglement voor de universiteitsraad#
Artikel 9.42 Geschil inhoud reglement voor de universiteitsraad Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 9.43 — Artikel 9.43 Geschil adviesbevoegdheid#
Artikel 9.43 Geschil adviesbevoegdheid Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 9.44 — Artikel 9.44 Geschil interpretatie#
Artikel 9.44 Geschil interpretatie Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 9.45 — Artikel 9.45 Nadere geschillen#
Artikel 9.45 Nadere geschillen Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 9.46 — Artikel 9.46 Procesbevoegdheid medezeggenschapsorganen#
Artikel 9.46 Procesbevoegdheid medezeggenschapsorganen 1 Van een uitspraak van de geschillencommissie staat beroep open bij de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam. 2 Een medezeggenschapsorgaan kan in rechte optreden, als het beroep strekt tot naleving door het college van bestuur of de decaan van de verplichtingen tegenover het medezeggenschapsorgaan. 3 Het beroep wordt ingediend bij beroepschrift binnen een maand na de datum van de uitspraak van de geschillencommissie. De wederpartij wordt van het beroep in kennis gesteld. 4 Een beroep kan uitsluitend worden ingesteld op de grond dat de geschillencommissie een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de wet. 5 Van een uitspraak van de ondernemingskamer kan geen cassatie worden ingesteld. 6 artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering In afwijking vankan het medezeggenschapsorgaan niet in de proceskosten worden veroordeeld. 7 Indien een medezeggenschapsorgaan dan wel het college van bestuur beroep heeft ingesteld tegen een uitspraak van de geschillencommissie over een geschil betreffende het instemmingsrecht op de hoofdlijnen van de begroting en de ondernemingskamer op 1 januari van het jaar, waarop de begroting betrekking heeft, nog geen uitspraak heeft gedaan, kan het college van bestuur, totdat de ondernemingskamer uitspraak heeft gedaan of als de uitspraak van de ondernemingskamer leidt tot het opstellen van een nieuwe begroting, totdat een nieuwe begroting is vastgesteld, voor het doen van uitgaven beschikken over de bedragen die daarvoor zijn geraamd in de begroting waarover de ondernemingskamer oordeelt of heeft geoordeeld. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-09-2022
Artikel 9.47 — Artikel 9.47 Commissies#
Artikel 9.47 Commissies 1 Het college van bestuur stelt het personeel en de studenten in de gelegenheid om desgewenst onderscheidenlijk een personeelscommissie dan wel afzonderlijke commissies voor onderscheiden personeelscategorieën of -groeperingen, en een studentencommissie in te stellen. Een dergelijke commissie is bevoegd desgevraagd of eigener beweging advies uit te brengen aan de universiteitsraad over die aangelegenheden die de desbetreffende commissie in het bijzonder aangaan. 2 Artikel 9.32, tweede lid derde volzin Op verzoek van een commissie stelt de universiteitsraad het college van bestuur in kennis van een schriftelijk advies als bedoeld in het eerste lid., is ten aanzien van een dergelijk schriftelijk advies van overeenkomstige toepassing. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 9.48 — Artikel 9.48 Voorzieningen en scholing#
Artikel 9.48 Voorzieningen en scholing 1 Het college van bestuur staat de universiteitsraad het gebruik toe van de voorzieningen waarover het kan beschikken, en die de raad voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft waaronder in ieder geval worden verstaan ambtelijke, financiële en juridische ondersteuning en scholing. 2 Het college van bestuur stelt de leden van de universiteitsraad een scholingsbudget ter beschikking, dat wordt vastgesteld door het college van bestuur en de raad gezamenlijk. Het personeel van de universiteit wordt in de gelegenheid gesteld deze scholing in werktijd en met behoud van salaris te ontvangen. 3 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de faculteitsraden en opleidingscommissies met dien verstande dat de decaan in de plaats treedt van het college van bestuur. 2016 273 14-07-2016 15-06-2016 34251 2016 327 14-09-2016 25-08-2016 01-01-2017
Artikel 9.49 — Artikel 9.49 Medezeggenschapsraad onderzoekinstituten en onderzoekscholen#
Artikel 9.49 Medezeggenschapsraad onderzoekinstituten en onderzoekscholen artikel 9.23 De paragrafen 1 tot en met 4 van deze titel zijn van overeenkomstige toepassing op de onderzoekinstituten en onderzoekscholen waarvan ingevolgehet bestuur is belast met de beheerstaken. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 9.50 — Artikel 9.50 Dienstraad t.b.v. centrale diensten#
Artikel 9.50 Dienstraad t.b.v. centrale diensten 1 Indien in het bestuurs- en beheersreglement wordt bepaald dat er bij een universiteit centrale diensten zijn, worden door het college van bestuur, met inachtneming van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften, een of meer dienstraden ingesteld ten behoeve van het personeel dat bij die diensten werkzaam is. 2 Het college van bestuur voorziet er in dat een dienstraad tijdig in de gelegenheid wordt gesteld advies aan het hoofd van de desbetreffende dienst uit te brengen en overleg te voeren over voorgenomen maatregelen met betrekking tot: a. de wijze waarop de arbeids- en dienstvoorwaarden bij een centrale dienst worden toegepast, b. de wijze waarop het algemeen personeelsbeleid bij een centrale dienst wordt uitgevoerd, c. aangelegenheden op het gebied van de arbeidsomstandigheden in verband met de arbeid in een centrale dienst, d. de organisatie en werkwijze binnen een centrale dienst, en e. de technische en economische dienstuitvoering bij een centrale dienst. 3 De dienstraad is bevoegd het hoofd van de desbetreffende dienst voorstellen te doen met betrekking tot de in het tweede lid genoemde aangelegenheden. 4 Het hoofd van de desbetreffende dienst behoeft de voorafgaande instemming van de dienstraad voor elke maatregel die hij bevoegd is te treffen en waarover de dienstraad op grond van het tweede lid heeft geadviseerd. 5 Het college van bestuur stelt, in overeenstemming met de dienstraad, een reglement vast in verband met de uitoefening van de rechten, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid. Het reglement bevat in elk geval een geschillenregeling. 2000 595 28-12-2000 13-12-2000 27091 2000 595 28-12-2000 13-12-2000 27091 29-12-2000
Artikel 9.50a — Artikel 9.50a Afwijking van een of meer onderdelen van titel 1 of titel 2#
Artikel 9.50a Afwijking van een of meer onderdelen van titel 1 of titel 2 1 titel 1 titel 2 titel 1 titel 2 Op verzoek van de raad van toezicht kan Onze Minister onder door hem te stellen voorwaarden toestaan dat, al dan niet voor een bepaald tijdvak, wordt afgeweken van een of meer onderdelen vanof. Het college van bestuur toont aan in geval van afwijking vandat is voorzien in een doelmatige bestuursorganisatie, dan wel toont aan in geval van afwijking vandat is voorzien in een doelmatige vorm van medezeggenschap voor personeel en studenten. 2 Indien het eerste lid toepassing heeft gevonden, wordt de afwijkende regeling in het bestuurs- en beheersreglement opgenomen. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 9.51 — Artikel 9.51 Structuurregeling bijzondere universiteiten, inlichtingenplicht#
Artikel 9.51 Structuurregeling bijzondere universiteiten, inlichtingenplicht 1 bijlage De besturen van de verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid of stichtingen, waarvan de in devan deze wet onder b en i opgenomen universiteiten uitgaan, zijn verplicht elke wijziging van de statuten van de vereniging of stichting zo spoedig mogelijk ter kennis van Onze Minister te brengen. 2 titels 1 2 artikelen 9.8 tot en met 9.9b artikel 2.9 Het college van bestuur stelt regelen vast inzake het college van bestuur en de inrichting van en de medezeggenschap binnen hun universiteit. Bij de vaststelling van die regelen alsmede bij wijziging daarvan worden deenvan dit hoofdstuk in acht genomen voorzover de eigen aard van de bijzondere universiteit zich daartegen naar het oordeel van het college van bestuur niet verzet. In die regelen wordt bepaald welke faculteit of faculteiten de universiteit omvat. Het college van bestuur brengt die regelen alsmede wijzigingen daarvan zo spoedig mogelijk ter kennis van Onze Minister. Indien dat naar het oordeel van het college van bestuur wenselijk is op grond van de eigen aard van de bijzondere universiteit, kan de universiteit een functionele scheiding aanbrengen tussen het toezicht en het bestuur. In dat geval zijn devan overeenkomstige toepassing. In de statuten wordt vermeld op welke wijze de functionele scheiding wordt gewaarborgd. Het college van bestuur vermeldt jaarlijks in het bestuursverslag bedoeld inde redenen voor een eventuele afwijking. 3 artikel 1.9, derde lid, onder h titels 1 2 De regelen alsmede de wijzigingen daarvan, bedoeld in het tweede lid, worden geacht te voldoen aan de in, bedoelde voorwaarde, indien Onze Minister niet binnen drie maanden na de ontvangst van de mededeling aan het het college van bestuur heeft verklaard van oordeel te zijn, dat het het college van bestuur bij de vaststelling van de regelen of de wijziging daarvan op door hem aan te wijzen punten deenvan dit hoofdstuk niet in acht heeft genomen en daartoe in redelijkheid geen beroep heeft kunnen doen op de eigen aard van de bijzondere universiteit die zich tegen inachtneming daarvan zou verzetten, of dat onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Binnen drie maanden wordt het bezwaar ondervangen. 4 De werking van het besluit van Onze Minister, bedoeld in het derde lid, wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. 5 Het college van bestuur verstrekt aan Onze Minister de nodige inlichtingen omtrent de universiteit. 6 artikel 16.16 Onverminderd het in dit artikel bepaalde behoeft een besluit tot fusie, als bedoeld in, van het college van bestuur, voorafgaande instemming van de universiteitsraad. 7 artikel 16.16a, vierde lid Het college van bestuur stelt de universiteitsraad in de gelegenheid om tijdig voorafgaand aan het verzoek om instemming, bedoeld in het zesde lid, kennis te nemen van de opgestelde fusie-effectrapportage, bedoeld in. 2023 212 21-06-2023 07-06-2023 35920 2023 213 21-06-2023 19-06-2023 01-08-2023
Artikel 9.52 — Artikel 9.52 Kerkelijke hoogleraren#
Artikel 9.52 Kerkelijke hoogleraren Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 9.53 — Artikel 9.53 Bevoegdverklaring tot vestiging bijzondere leerstoel#
Artikel 9.53 Bevoegdverklaring tot vestiging bijzondere leerstoel artikel 9.10 Het college van bestuur van een openbare universiteit kan, na raadpleging van het college voor promoties, bedoeld in, een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid bevoegd verklaren bij die universiteit een bijzondere leerstoel te vestigen. Het besluit vermeldt de faculteit waarbij en het wetenschapsgebied waarin door de bijzonder hoogleraar onderwijs zal worden gegeven. 2014 219 24-06-2014 14-05-2014 33840 2014 283 18-07-2014 11-07-2014 19-07-2014
Artikel 9.54 — Artikel 9.54 Indiening verzoek bevoegdverklaring#
Artikel 9.54 Indiening verzoek bevoegdverklaring 1 De bevoegdverklaring geschiedt op een daartoe strekkend verzoek van het bestuur van de rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid. In het bestuurs- en beheersreglement wordt bepaald op welke wijze een verzoek dient te worden ingericht en welke bescheiden bij het verzoek dienen te worden overgelegd. 2 Het in het voorgaande lid bedoelde bestuur geeft het college van bestuur de nodige inlichtingen omtrent de door het eerstbedoelde bestuur gevestigde leerstoel. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 9.55 — Artikel 9.55 Vereisten bijzonder hoogleraarschap#
Artikel 9.55 Vereisten bijzonder hoogleraarschap 1 artikel 1.22, eerste lid Om als bijzonder hoogleraar onderwijs te kunnen geven wordt vereist dat aan betrokkene de graad Doctor is verleend door een universiteit als bedoeld indat betrokkene in het bezit is van een doctoraat, verkregen aan een zodanige instelling, dan wel dat betrokkene in het bezit is van een bewijs dat de aanstelling door het college van bestuur is bekrachtigd. 2 De bekrachtiging wordt geacht te zijn verleend, indien binnen acht weken na de ontvangst der aanvraag daarop geen beslissing is genomen. Door het college van bestuur kan deze termijn tot ten hoogste vier maanden worden verlengd. De bekrachtiging kan slechts bij een met redenen omkleed besluit worden geweigerd. 3 Het bestuur van de rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid geeft van elke aanstelling van een hoogleraar binnen vier weken kennis aan het college van bestuur. 2017 97 21-03-2017 08-03-2017 34412 2017 191 17-05-2017 04-05-2017 01-09-2017 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is.
Artikel 9.56 — Artikel 9.56 Toegankelijkheid onderwijs bijzonder hoogleraar#
Artikel 9.56 Toegankelijkheid onderwijs bijzonder hoogleraar Het onderwijs, gegeven door een bijzonder hoogleraar, is te allen tijde voor hen, die gerechtigd zijn het onderwijs aan de universiteiten bij te wonen, toegankelijk. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 9.57 — Artikel 9.57 Bevoegdheden en ontslag bijzonder hoogleraar#
Artikel 9.57 Bevoegdheden en ontslag bijzonder hoogleraar 1 De bijzonder hoogleraar kan, onder door het college van bestuur te stellen voorwaarden, gebruikmaken van de collegelokalen, inrichtingen, verzamelingen en hulpmiddelen voor het onderwijs. 2 De bijzonder hoogleraar heeft toegang met raadgevende stem tot de vergaderingen van de examencommissies van de faculteit waarbij hij is aangesteld. 3 Met het einde van de maand, waarin een bijzonder hoogleraar de voor de openbare dienst geldende functionele leeftijdsgrens heeft bereikt, wordt hem eervol ontslag verleend. 4 artikel 9.19, derde en vierde lid Op de bijzonder hoogleraar is, van toepassing. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 9.58 — Artikel 9.58 Intrekking bevoegdverklaring vestiging bijzondere leerstoel#
Artikel 9.58 Intrekking bevoegdverklaring vestiging bijzondere leerstoel artikel 9.53 artikel 9.10 De inbedoelde bevoegdverklaring wordt door het college van bestuur, na raadpleging van het college voor promoties, bedoeld in, ingetrokken: a. indien het bij of krachtens deze paragraaf bepaalde niet langer wordt nagekomen; b. indien de bijzonder hoogleraar het onderwijs veronachtzaamt dan wel zonder goede grond dit onderwijs gedurende een vol jaar heeft onderbroken; c. indien het belang van het wetenschappelijk onderwijs zich ten gevolge van wijzigingen in de omstandigheden met de bevoegdverklaring niet langer verdraagt. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 9.59 — Artikel 9.59 Bijzondere leerstoel bij faculteit die het onderwijs in opleidingen in de godgeleerdheid verzorgt#
Artikel 9.59 Bijzondere leerstoel bij faculteit die het onderwijs in opleidingen in de godgeleerdheid verzorgt Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 9.60 — Artikel 9.60 Samenstelling wetenschappelijk personeel#
Artikel 9.60 Samenstelling wetenschappelijk personeel Vervallen 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 19-03-1997
Artikel 9.61 — Artikel 9.61 Verantwoordelijkheden en rechten hoogleraren#
Artikel 9.61 Verantwoordelijkheden en rechten hoogleraren Vervallen 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 19-03-1997
Artikel 9.62 — Artikel 9.62 Schorsing en vernietiging besluiten bestuursorganen universiteit#
Artikel 9.62 Schorsing en vernietiging besluiten bestuursorganen universiteit Vervallen 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 19-03-1997
Artikel 9.63 — Artikel 9.63 Schorsing en vernietiging promotiereglement#
Artikel 9.63 Schorsing en vernietiging promotiereglement Vervallen 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 19-03-1997
Artikel 9.64 — Artikel 9.64 Schorsing en vernietiging besluiten bestuursorganen faculteit#
Artikel 9.64 Schorsing en vernietiging besluiten bestuursorganen faculteit Vervallen 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 19-03-1997
Artikel 9.65 — Artikel 9.65 Schorsing en vernietiging besluiten examencommissies#
Artikel 9.65 Schorsing en vernietiging besluiten examencommissies Vervallen 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 19-03-1997
Artikel 9.66 — Artikel 9.66 Schorsing en vernietiging besluiten besturen vakgroep, werkgroep en onderzoekinstituut#
Artikel 9.66 Schorsing en vernietiging besluiten besturen vakgroep, werkgroep en onderzoekinstituut Vervallen 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 19-03-1997
Artikel 9.67 — Artikel 9.67 Gevolgen schorsing en vernietiging#
Artikel 9.67 Gevolgen schorsing en vernietiging Vervallen 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 19-03-1997
Artikel 9.68 — Artikel 9.68 Voorziening na schorsing en vernietiging, termijn#
Artikel 9.68 Voorziening na schorsing en vernietiging, termijn Vervallen 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 19-03-1997
Artikel 9.69 — Artikel 9.69 Voorziening bij verwaarlozing bestuur universiteit of deel daarvan#
Artikel 9.69 Voorziening bij verwaarlozing bestuur universiteit of deel daarvan Vervallen 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 19-03-1997
Artikel 9.70 — Artikel 9.70 Voorziening bij verwaarlozing bestuur faculteit of deel daarvan#
Artikel 9.70 Voorziening bij verwaarlozing bestuur faculteit of deel daarvan Vervallen 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 19-03-1997
Artikel 9.71 — Artikel 9.71 Besluiten faculteitsbestuur, vakgroepsbestuur en bestuur onderzoekinstituut, beroep bij en aantasting door college van bestuur#
Artikel 9.71 Besluiten faculteitsbestuur, vakgroepsbestuur en bestuur onderzoekinstituut, beroep bij en aantasting door college van bestuur Vervallen 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 19-03-1997
Artikel 9.72 — Artikel 9.72 Aanvullende voorzieningen inzake beslechting van geschillen#
Artikel 9.72 Aanvullende voorzieningen inzake beslechting van geschillen Vervallen 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 19-03-1997
Artikel 9.73 — Artikel 9.73 Deelneming aan bestuursorganen#
Artikel 9.73 Deelneming aan bestuursorganen Vervallen 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 19-03-1997
Artikel 9.74 — Artikel 9.74 Rechtspositie en financiële regelingen leden bestuursorganen, commissies en colleges#
Artikel 9.74 Rechtspositie en financiële regelingen leden bestuursorganen, commissies en colleges Vervallen 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 19-03-1997
Artikel 9.75 — Artikel 9.75 Bijzondere bepalingen voor universiteiten met niet meer dan een faculteit#
Artikel 9.75 Bijzondere bepalingen voor universiteiten met niet meer dan een faculteit Vervallen 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 19-03-1997
Artikel 9.76 — Artikel 9.76#
Artikel 9.76 Vervallen 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 19-03-1997
Artikel 9.77 — Artikel 9.77 Studentenvoorzieningen bijzondere universiteiten#
Artikel 9.77 Studentenvoorzieningen bijzondere universiteiten Vervallen 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 19-03-1997
Artikel 9.78 — Artikel 9.78#
Artikel 9.78 Vervallen 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 19-03-1997
Artikel 9.79 — Artikel 9.79#
Artikel 9.79 Vervallen 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 19-03-1997
Artikel 9.80 — Artikel 9.80#
Artikel 9.80 Vervallen 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 19-03-1997
Artikel 9.81 — Artikel 9.81#
Artikel 9.81 Vervallen 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 19-03-1997
Artikel 9.82 — Artikel 9.82#
Artikel 9.82 Vervallen 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 19-03-1997
Artikel 9.83 — Artikel 9.83 Bevoegdheden en ontslag bijzonder hoogleraar#
Artikel 9.83 Bevoegdheden en ontslag bijzonder hoogleraar Vervallen 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 19-03-1997
Artikel 9.84 — Artikel 9.84 Intrekking bevoegdverklaring vestiging bijzondere leerstoel#
Artikel 9.84 Intrekking bevoegdverklaring vestiging bijzondere leerstoel Vervallen 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 19-03-1997
Artikel 9.85 — Artikel 9.85 Bijzondere leerstoel bij faculteit die het onderwijs in opleidingen in de godgeleerdheid verzorgt#
Artikel 9.85 Bijzondere leerstoel bij faculteit die het onderwijs in opleidingen in de godgeleerdheid verzorgt Vervallen 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 19-03-1997
Artikel 10.1 — Artikel 10.1 Reikwijdte#
Artikel 10.1 Reikwijdte bijlage Dit hoofdstuk heeft betrekking op de in devan deze wet opgenomen hogescholen. 2005 276 02-06-2005 12-05-2005 27848 2005 396 02-08-2005 16-07-2005 03-08-2005
Artikel 10.2 — Artikel 10.2 College van bestuur#
Artikel 10.2 College van bestuur 1 Het college van bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, onder wie de voorzitter. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen. 2 Een lid van het college van bestuur kan niet tegelijk lid zijn van het college van bestuur van een andere hogeschool. 3 Artikel 9.3, tweede en derde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2016 273 14-07-2016 15-06-2016 34251 2016 327 14-09-2016 25-08-2016 01-01-2017
Artikel 10.3 — Artikel 10.3 Delegatie taken en bevoegdheden#
Artikel 10.3 Delegatie taken en bevoegdheden artikel 10.3a Het college van bestuur van een hogeschool kan hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden overdragen aan het bestuur van een faculteit of het bestuur van een andere organisatorische eenheid als bedoeld in. 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 10.3a — Artikel 10.3a Faculteiten en andere organisatorische eenheden#
Artikel 10.3a Faculteiten en andere organisatorische eenheden Het college van bestuur kan in het bestuurs- en beheersreglement een of meer faculteiten of andere organisatorische eenheden instellen. 2025 280 20-10-2025 01-10-2025 36707 2025 351 13-11-2025 03-11-2025 01-01-2026
Artikel 10.3b — Artikel 10.3b Bestuurs- en beheersreglement#
Artikel 10.3b Bestuurs- en beheersreglement 1 Het college van bestuur stelt een bestuurs- en beheersreglement vast ter regeling van het bestuur, het beheer en de inrichting van de hogeschool. 2 artikel 7.13 In het bestuurs- en beheersreglement worden regels vastgesteld omtrent de totstandkoming van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in. Deze regels betreffen in elk geval de aanwijzing van het orgaan dat de onderwijs- en examenregeling vaststelt. 3 Indien de hogeschool faculteiten of andere organisatorische eenheden omvat, bevat het bestuurs- en beheersreglement bovendien: a. welke faculteiten of eenheden er zijn en welke opleidingen daarin zijn ingesteld, b. welke bevoegdheden het college van bestuur heeft overgedragen aan het faculteitsbestuur of het bestuur van de desbetreffende eenheid, c. de samenstelling en werkwijze van het faculteitsbestuur of het bestuur van de desbetreffende eenheid, en d. de verhouding van het faculteitsbestuur of het bestuur van de desbetreffende eenheid tot het college van bestuur. 4 Indien de hogeschool een faculteit of andere organisatorische eenheden omvat en aan het hoofd van deze faculteit of organisatorische eenheid een meerhoofdig bestuur staat, wordt een student van de desbetreffende faculteit of organisatorische eenheid in de gelegenheid gesteld de vergaderingen van dit bestuur bij te wonen in welke vergaderingen deze student een adviserende stem heeft. In het bestuurs- en beheersreglement wordt bepaald, op welke wijze de in de vorige volzin bedoelde student wordt aangewezen. 2016 273 14-07-2016 15-06-2016 34251 2016 327 14-09-2016 25-08-2016 01-09-2017
Artikel 10.3c — Artikel 10.3c Opleidingscommissies#
Artikel 10.3c Opleidingscommissies 1 Voor elke opleiding of groep van opleidingen wordt een opleidingscommissie ingesteld. De commissie heeft tot taak te adviseren over het bevorderen en waarborgen van de kwaliteit van de opleiding. De commissie heeft voorts: De commissie zendt de adviezen en voorstellen, bedoeld onder d, ter kennisneming aan de medezeggenschapsraad of de daarvoor in aanmerking komende deelraad. a. artikel 7.13, tweede lid, onder a1, b, c, d, e, g, v en z instemmingsrecht ten aanzien van de onderwerpen in de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in, b. als taak het jaarlijks beoordelen van de wijze van uitvoeren van de onderwijs- en examenregeling, c. artikel 7.13 adviesrecht ten aanzien van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in, met uitzondering van de onderwerpen ten aanzien waarvan de commissie op grond van onderdeel a instemmingsrecht heeft, d. artikel 10.25 als taak het desgevraagd of uit eigen beweging advies uitbrengen aan de deelraad, bedoeld in, en het faculteitsbestuur of het bestuur van de desbetreffende organisatorische eenheid dan wel, indien de hogeschool geen faculteiten omvat, aan het instellingsbestuur, over alle andere aangelegenheden betreffende het onderwijs in de desbetreffende opleiding, e. artikel 5.13, vierde lid als taak het bespreken van het visitatierapport, bedoeld in. 2 artikel 10.23, aanhef en onderdelen b, c en d Op een advies als bedoeld in het eerste lid, zijn, van overeenkomstige toepassing. 3 artikel 10.3a Indien de commissie een voorstel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, doet aan het bestuur van de faculteit of het bestuur van een andere organisatorische eenheid als bedoeld indan wel indien de hogeschool geen faculteiten bevat, het instellingsbestuur, reageert het bestuur binnen twee maanden na ontvangst op het voorstel. 4 Artikel 10.17, derde tot en met achtste lid , zijn van overeenkomstige toepassing op de opleidingscommissie. In overleg tussen het faculteitsbestuur of het bestuur van de desbetreffende organisatorische eenheid dan wel, indien de hogeschool geen faculteiten omvat, het instellingsbestuur en de deelraad kan, na overleg met de opleidingscommissie, in het bestuurs- en beheersreglement een andere wijze van samenstelling van de opleidingscommissie worden vastgelegd dan verkiezing. Jaarlijks wordt vastgesteld of het wenselijk is de andere wijze van samenstelling te handhaven. 5 De opleidingscommissie is bevoegd het bestuur van de opleiding ten minste twee maal per jaar uit te nodigen om het voorgenomen beleid te bespreken aan de hand van een door haar opgestelde agenda. 6 artikel 10.25 Indien een faculteit slechts een opleiding omvat, kan het faculteitsreglement bepalen dat de taken en bevoegdheden van de opleidingscommissie worden uitgeoefend door de deelraad, bedoeld in. 2024 279 14-10-2024 30-09-2024 36136 2024 345 15-11-2024 09-11-2024 01-01-2025
Artikel 10.3d — Artikel 10.3d Scheiding bestuur en toezicht#
Artikel 10.3d Scheiding bestuur en toezicht 1 Een hogeschool heeft een raad van toezicht. 2 artikel 1.3, tweede lid De raad van toezicht houdt, met het oog op de taken van de hogeschool, bedoeld in, toezicht op de uitvoering van werkzaamheden en de uitoefening van bevoegdheden door het college van bestuur en staat dit college met raad ter zijde. De raad van toezicht is in elk geval belast met: a. het benoemen, schorsen, ontslaan en vaststellen van de beloning van de leden van het college van bestuur; b. het goedkeuren van het bestuurs- en beheersreglement; c. het goedkeuren van de begroting, de jaarrekening, het bestuursverslag, het instellingsplan; d. artikel 8.1 indien van toepassing, het goedkeuren van de gemeenschappelijke regeling, bedoeld in; e. artikel 2.9 het toezien op de naleving door het college van bestuur van wettelijke verplichtingen en de omgang met de branchecode, bedoeld in; f. artikelen 2.5 2.6 het toezien op de rechtmatige verwerving en op de doelmatige en rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen van de hogeschool verkregen op grond van deen; g. artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek het aanwijzen van een accountant als bedoeld indie verslag uitbrengt aan de raad; h. artikel 1.18 het toezien op de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig, en i. het jaarlijks afleggen van verantwoording over de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld onder a tot en met h, in het bestuursverslag van de hogeschool. 3 Het college van bestuur voorziet de raad van toezicht van een functioneel onafhankelijke administratieve ondersteuning. De raad van toezicht heeft instemmingsrecht ten aanzien van de benoeming en het ontslag van de secretaris van de raad. 4 artikel 10.16a, derde lid, tweede volzin De samenstelling, taken en bevoegdheden van de raad van toezicht zijn zodanig dat de raad een deugdelijk en onafhankelijk toezicht kan uitoefenen. De leden van de raad van toezicht hebben geen directe belangen bij de hogeschool. Zij hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. De benoeming van de leden van de raad geschiedt op basis van vooraf openbaar gemaakte profielen. Een van de leden wordt benoemd op voordracht van de medezeggenschapsraad, dan wel de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in, is ingesteld. De voordracht bevat ten minste twee namen. 5 artikel 10.16a, derde lid, tweede volzin De raad van toezicht pleegt ten minste twee keer per jaar overleg met de medezeggenschapsraad dan wel de ondernemingsraad en het orgaan binnen de instelling dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in, is ingesteld. 6 Indien dat naar het oordeel van het college van bestuur wenselijk is op grond van de levensbeschouwelijke aard van de hogeschool, kan de hogeschool in afwijking van het eerste lid een functionele scheiding tussen het bestuur en het toezicht aanbrengen. 7 artikel 2.9 Indien de hogeschool een functionele scheiding aanbrengt, zijn het tweede tot en met vijfde lid van overeenkomstige toepassing. In de statuten wordt vermeld op welke wijze de functionele scheiding wordt gewaarborgd. Het college van bestuur vermeldt jaarlijks in het bestuursverslag, bedoeld in, de redenen voor eventuele afwijking. 2016 273 14-07-2016 15-06-2016 34251 2016 327 14-09-2016 25-08-2016 01-01-2017
Artikel 10.3e — Artikel 10.3e Aanwijzing#
Artikel 10.3e Aanwijzing 1 Onze Minister kan de raad van toezicht een aanwijzing tot het nemen van een of meer maatregelen geven, indien sprake is van wanbeheer. 2 Onder wanbeheer wordt verstaan: a. financieel wanbeleid; b. artikel 1.18 het in ernstige mate of langdurig nalaten om, in ieder geval in strijd met, maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en de goede voortgang van het onderwijs, waaronder de deugdelijke afsluiting daarvan; c. het door een bestuurder of toezichthouder ongerechtvaardigd verrijken van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, zichzelf of een derde; d. het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen waardoor financieel voordeel wordt behaald ten gunste van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, zichzelf of een derde; e. het in ernstige mate verwaarlozen van de zorg voor wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de omgang met betrokkenen binnen de instelling, waaronder in ieder geval wordt verstaan intimidatie of bedreiging van personeel of studenten door een bestuurder of toezichthouder. 3 Onze Minister motiveert in de aanwijzing waarom het doel van de aanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt. 4 De aanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd. 5 artikel 12a van de Wet op het onderwijstoezicht artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht Voordat Onze Minister een aanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld inverricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in, waaruit volgt dat sprake is van wanbeheer als bedoeld in het tweede lid. 6 Indien het onderzoek, bedoeld in het vierde lid, mede de kwaliteit van het onderwijs betreft, betrekt de inspectie het accreditatieorgaan bij haar onderzoek. 7 artikel 10.3d, zesde lid Indien de hogeschool een functionele scheiding als bedoeld in, heeft aangebracht, zijn het eerste tot en met het vijfde lid van overeenkomstige toepassing. 2023 212 21-06-2023 07-06-2023 35920 2023 213 21-06-2023 19-06-2023 01-08-2023
Artikel 10.3e1 — Artikel 10.3e1 Spoedaanwijzing#
Artikel 10.3e1 Spoedaanwijzing 1 Onze Minister kan de raad van toezicht een spoedaanwijzing tot het nemen van een of meer voorlopige maatregelen geven, indien: a. artikel 1.8 een of meer organen van een instelling als bedoeld intekortschieten in de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet; b. artikel 10.3e, tweede lid uit dat tekortschieten of mede uit dat tekortschieten een wezenlijk vermoeden van wanbeheer als bedoeld in, volgt; en c. dat is vereist in verband met onverwijlde spoed. 2 Onze Minister motiveert in de spoedaanwijzing waarom het doel van de spoedaanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt. 3 De spoedaanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd. 4 De spoedaanwijzing bepaalt de duur waarvoor zij geldt. Deze geldigheidsduur bedraagt ten hoogste zes maanden. Onze Minister kan de geldingsduur eenmalig verlengen met ten hoogste zes maanden. Op een verlengingsbesluit is het eerste lid van overeenkomstige toepassing. 5 artikel 12a van de Wet op het onderwijstoezicht artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht Voordat Onze Minister een spoedaanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld inverricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in, waaruit volgt dat is voldaan aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid. 6 Onze Minister informeert de beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld nadat toepassing is gegeven aan het eerste lid. 2023 212 21-06-2023 07-06-2023 35920 2023 213 21-06-2023 19-06-2023 01-08-2023
Artikel 10.3f — Artikel 10.3f Verantwoordelijkheden en rechten lectoren#
Artikel 10.3f Verantwoordelijkheden en rechten lectoren 1 Tot het personeel van de hogeschool behoren in elk geval de lectoren. In het benoemingsbesluit wordt vermeld het vakgebied waarin de lector zijn onderwijs- en onderzoektaken uitoefent. 2 De lectoren zijn verantwoordelijk voor het praktijkgericht onderzoek en voor de bevordering van de verwevenheid daarvan met het onderwijs op het hun toegewezen vakgebied. 3 De lectoren zijn gerechtigd de titel lector te voeren. 2017 97 21-03-2017 08-03-2017 34412 2017 191 17-05-2017 04-05-2017 01-09-2017
Artikel 10.4 — Artikel 10.4 Huisregels en ordemaatregelen#
Artikel 10.4 Huisregels en ordemaatregelen Vervallen 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 1997 117 18-03-1997 27-02-1997 24646 19-03-1997
Artikel 10.5 — Artikel 10.5 Geschillenregeling#
Artikel 10.5 Geschillenregeling Het instellingsbestuur van een hogeschool treft voorzieningen betreffende de beslechting van geschillen over beslissingen van organen van de hogeschool die niet reeds krachtens deze wet vatbaar zijn voor beroep. 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 10.6 — Artikel 10.6 Inlichtingenplicht#
Artikel 10.6 Inlichtingenplicht Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 10.7 — Artikel 10.7 Schorsing en ontslag personeelslid tevens gemeenteraadslid#
Artikel 10.7 Schorsing en ontslag personeelslid tevens gemeenteraadslid Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 10.8 — Artikel 10.8 Bestuur bijzondere hogeschool#
Artikel 10.8 Bestuur bijzondere hogeschool 1 Een bijzondere hogeschool wordt in stand gehouden door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich blijkens de statuten het geven van onderwijs in de zin van deze wet ten doel stelt zonder daarbij het maken van winst te beogen. 2 Het bestuur van de rechtspersoon zendt elke wijziging van de statuten of reglementen binnen vier weken na vaststelling aan Onze Minister. 3 Het college van bestuur verstrekt Onze Minister de nodige inlichtingen omtrent de hogeschool. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 10.8a — Artikel 10.8a Afwijking bestuursreglement#
Artikel 10.8a Afwijking bestuursreglement Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 10.9 — Artikel 10.9 Bestuursorganen#
Artikel 10.9 Bestuursorganen Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 10.10 — Artikel 10.10 College van bestuur#
Artikel 10.10 College van bestuur Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 10.11 — Artikel 10.11 Bestuursraad#
Artikel 10.11 Bestuursraad Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 10.12 — Artikel 10.12 Bestuursreglement#
Artikel 10.12 Bestuursreglement Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 10.13 — Artikel 10.13 Van overeenkomstige toepassingverklaring afwijkende bevoegdheidsverdeling en geschillenregeling#
Artikel 10.13 Van overeenkomstige toepassingverklaring afwijkende bevoegdheidsverdeling en geschillenregeling Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 10.14 — Artikel 10.14 Schorsing en vernietiging besluiten van bestuursorganen#
Artikel 10.14 Schorsing en vernietiging besluiten van bestuursorganen Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 10.15 — Artikel 10.15 Voorzieningen na schorsing en vernietiging#
Artikel 10.15 Voorzieningen na schorsing en vernietiging Vervallen 2001 207 10-05-2001 11-04-2001 27265 2001 208 10-05-2001 20-04-2001 11-05-2001
Artikel 10.16 — Artikel 10.16 Voorziening bij verwaarlozing van het bestuur#
Artikel 10.16 Voorziening bij verwaarlozing van het bestuur Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 10.16a — Artikel 10.16a Keuze uit medezeggenschapsstelsels#
Artikel 10.16a Keuze uit medezeggenschapsstelsels 1 Het college van bestuur besluit: a. Wet op de ondernemingsraden hoofdstuk VII B dat demet uitzondering vanvan toepassing is op de hogeschool; of b. dat de onder a bedoelde wet niet van toepassing is op de hogeschool. 2 Een besluit als bedoeld in het eerste lid, kan telkens opnieuw worden genomen, doch niet eerder dan nadat vijf jaren zijn verstreken sedert het van kracht worden van het vorige besluit terzake. 3 artikelen 10.17 tot en met 10.25 Het besluit, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, stelt debuiten werking voor de desbetreffende hogeschool. Dit besluit gaat gepaard met de vaststelling door het college van bestuur van een medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten binnen de hogeschool, die ten minste gelijkwaardig is aan het bepaalde in de artikelen 10.17 tot en met 10.25. 4 Ten gevolge van het besluit, bedoeld in het eerste lid aanhef en onderdeel b, is deze titel van toepassing op de desbetreffende hogeschool. 5 In het geval dat het eerste lid, aanhef en onderdeel a, toepassing heeft gevonden, behoeft het college van bestuur de voorafgaande instemming van de ondernemingsraad voor het door het college van bestuur te nemen besluit met betrekking tot de keuze uit de medezeggenschapsstelsels, bedoeld in het eerste lid, alsmede voor vaststelling van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in het derde lid. 6 De in de medezeggenschapsregeling vast te stellen medezeggenschapsstructuren sluiten zo veel mogelijk aan bij de organisatiestructuur, besluitvormingsprocedures en verantwoordelijkheidsverdelingen binnen de instelling. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-09-2024
Artikel 10.16b — Artikel 10.16b Instemmingsbevoegdheid gezamenlijke vergadering personeel/studenten#
Artikel 10.16b Instemmingsbevoegdheid gezamenlijke vergadering personeel/studenten 1 artikel 10.16a, eerste lid, aanhef en onderdeel a Indien een besluit als bedoeld in, is genomen, is er aan een hogeschool een gezamenlijke vergadering verbonden. Van deze vergadering maken deel uit de leden van de ondernemingsraad en de leden van het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 10.16a, derde lid, tweede volzin. 2 Het college van bestuur behoeft de voorafgaande instemming van de gezamenlijke vergadering voor elk door hem te nemen besluit met betrekking tot de vaststelling of wijziging van: a. artikel 2.2 het instellingsplan, bedoeld in, b. artikel 1.18 artikel 2.9, tweede lid, tweede volzin de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstigalsmede het voorgenomen beleid in het licht van de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling, bedoeld in, c. artikel 10.3b het bestuurs- en beheersreglement, bedoeld in, en d. artikel 7.13 de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in, met uitzondering van het tweede lid, onderdelen a tot en met g, v en z, en het derde lid, van dat artikel. 3 Artikel 9.36, tweede lid Het college van bestuur behoeft eveneens de voorafgaande instemming van de gezamenlijke vergadering over de hoofdlijnen van de jaarlijkse begroting, waarbij in ieder geval aandacht wordt besteed aan de beoogde verdeling van de middelen over de beleidsterreinen onderwijs, onderzoek, huisvesting en beheer, investeringen en personeel., is van overeenkomstige toepassing. 4 artikelen 10.21, tweede lid 10.22, aanhef en onderdelen f, g en j1 Het college van bestuur stelt, met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens deze wet, een reglement voor de gezamenlijke vergadering vast. De, en, zijn van overeenkomstige toepassing. In het reglement kunnen worden geregeld de aangelegenheden waarover de gezamenlijke vergadering, onverminderd het tweede en derde lid, instemmingsrecht heeft. In het reglement wordt, indien de aantallen leden van de ondernemingsraad en het orgaan, bedoeld in het eerste lid, niet gelijk zijn, tevens geregeld de wijze waarop voor beide geledingen wordt voorzien in gelijke invloed op de besluitvorming binnen de gezamenlijke vergadering. 5 De gezamenlijke vergadering is bevoegd het college van bestuur ten minste twee maal per jaar uit te nodigen om het voorgenomen beleid te bespreken aan de hand van een door haar opgestelde agenda. 6 artikel 16.16 Het college van bestuur behoeft eveneens voorafgaande instemming van de gezamenlijke vergadering voor een besluit tot fusie als bedoeld in. 7 artikel 16.16a, zesde lid Het college van bestuur stelt de gezamenlijke vergadering in de gelegenheid om tijdig voorafgaand aan het verzoek om instemming, bedoeld in het zesde lid, kennis te nemen van de opgestelde fusie-effectrapportage, bedoeld in. 2024 279 14-10-2024 30-09-2024 36136 2024 345 15-11-2024 09-11-2024 01-01-2025
Artikel 10.17 — Artikel 10.17 Medezeggenschapsraad#
Artikel 10.17 Medezeggenschapsraad 1 artikel 10.25 Aan elke hogeschool is een medezeggenschapsraad verbonden. Indien een hogeschool één of meer faculteiten of andere organisatorische eenheden omvat is aan elke faculteit en aan elk van de desbetreffende eenheden een deelraad als bedoeld in, verbonden. 2 Het aantal leden van de raad bedraagt aan een hogeschool met minder dan 750 studenten ten hoogste tien leden, met 750 tot 1250 studenten ten hoogste veertien leden en met 1250 of meer studenten ten hoogste vierentwintig leden. 3 De raad bestaat voor de helft uit leden die uit en door het personeel worden gekozen, en voor de helft uit leden die uit en door de studenten worden gekozen. 4 Zij die deel uitmaken van het instellingsbestuur, het college van bestuur, de raad van toezicht dan wel het bestuur van een faculteit of een andere organisatorische eenheid, kunnen niet tevens lid zijn van de raad. 5 Kandidaten voor de verkiezingen van het deel van de raad dat uit en door het personeel wordt gekozen, kunnen worden gesteld door personeelsleden en door organisaties van personeel. 6 De verkiezing van de leden van de raad geschiedt bij geheime schriftelijke stemming. Stemming voor een geleding van de raad vindt slechts plaats, indien het aantal kandidaat-leden van een geleding groter is dan het aantal zetels ten behoeve van die geleding. 7 artikel 10.34 De raad stelt een reglement op voor de zaken van huishoudelijke aard en regelt tevens de wijze waarop door het instellingsbestuur betaalde bedragen ten behoeve van de raad en de eventuele deelraden en commissies als bedoeld in, worden verdeeld. 8 artikel 10.25 artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs Voor de toepassing van het eerste lid kan het Ad-programma worden beschouwd als een organisatorische eenheid waaraan een deelraad als bedoeld inis verbonden. Indien een deel van het Ad-programma wordt uitgevoerd door een instelling als bedoeld inwordt het personeel van die instelling voor de toepassing van het derde en het vijfde lid beschouwd als personeel van de hogeschool. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-09-2024
Artikel 10.18 — Artikel 10.18 Voorzitter medezeggenschapsraad#
Artikel 10.18 Voorzitter medezeggenschapsraad Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 10.19 — Artikel 10.19 Algemene bevoegdheden en taken medezeggenschapsraad en raadsleden#
Artikel 10.19 Algemene bevoegdheden en taken medezeggenschapsraad en raadsleden 1 Het college van bestuur stelt de medezeggenschapsraad ten minste twee maal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de hogeschool met hem te bespreken. Het college van bestuur en de raad komen met elkaar bijeen, indien daarom onder opgave van redenen wordt verzocht door het college van bestuur, de raad of het deel van de raad dat uit en door het personeel of uit en door de studenten is gekozen. 2 De raad is bevoegd over alle aangelegenheden, de hogeschool betreffende, aan het college van bestuur voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken. Het college van bestuur brengt op de voorstellen, bedoeld in de eerste volzin, binnen drie maanden een schriftelijke, met redenen omklede reactie uit aan de raad in de vorm van een voorstel. Alvorens over te gaan tot het uitbrengen van de in de vorige volzin bedoelde reactie, stelt het college van bestuur de raad ten minste eenmaal in de gelegenheid met hem overleg te plegen over zijn voorstel. 2a De raad is voorts bevoegd het college van bestuur ten minste twee maal per jaar uit te nodigen om het voorgenomen beleid te bespreken aan de hand van een door hem opgestelde agenda. 3 De raad bevordert naar vermogen openheid, openbaarheid en onderling overleg in de hogeschool. 4 artikel 10, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet College voor de rechten van de mens artikel 21, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek De raad waakt voorts in de hogeschool in het algemeen tegen discriminatie op welke grond dan ook en bevordert in het bijzonder de gelijke behandeling van mannen en vrouwen alsmede de inschakeling van personen met een handicap of chronische ziekte en personen met een migratieachtergrond. Het medezeggenschapsreglement bepaalt of de raad een overeenkomstige bevoegdheid bezit als bedoeld in. In dat geval isvan overeenkomstige toepassing voor wat betreft het onderscheid, bedoeld in die wet of in. 5 artikel 10.20, onder a Het college van bestuur verstrekt de raad aan het begin van het studiejaar schriftelijk de basisgegevens met betrekking tot de samenstelling van het college van bestuur dan wel de centrale directie, de organisatie binnen de hogeschool, de taakverdeling tussen college van bestuur en centrale directie en de hoofdpunten van het reeds vastgestelde beleid. Het college van bestuur stelt de raad ten minste eenmaal per jaar schriftelijk in kennis van het door hem in het afgelopen jaar gevoerde beleid en van de beleidsvoornemens voor het komende jaar ten aanzien van de hogeschool op financieel, organisatorisch en onderwijskundig gebied. Het college van bestuur stelt de medezeggenschapsraad onverwijld in kennis van voornemens met betrekking tot de aangelegenheden, beschreven in het plan, bedoeld in. 6 Onverminderd het vijfde lid, verschaft het college van bestuur de raad, ongevraagd, tijdig alle inlichtingen die deze voor de vervulling van zijn taak naar redelijkheid en billijkheid nodig kan hebben en, gevraagd, tijdig alle inlichtingen die deze voor de vervulling van zijn taak naar redelijkheid en billijkheid nodig acht. Daartoe worden in ieder geval begrepen ten minste eenmaal per jaar gegevens over de hoogte en inhoud van de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken per groep van de in de instelling werkzame personen, de leden van het college van bestuur, en de raad van toezicht. 7 Indien bij een bepaalde vergadering of een onderdeel daarvan een bij uitstek persoonlijk belang van een van de leden van de raad in het geding is, kan de raad bepalen dat het betrokken lid aan die vergadering of dat onderdeel daarvan, niet deelneemt. De raad bepaalt dan tevens dat de behandeling van de desbetreffende aangelegenheid in een besloten vergadering plaatsheeft. 8 De raad doet jaarlijks schriftelijk verslag van zijn werkzaamheden en draagt er zorg voor dat alle bij de hogeschool betrokkenen van het verslag kennis kunnen nemen. De raad draagt er zorg voor dat de agenda’s en verslagen van de vergaderingen van de raad worden toegezonden aan het college van bestuur, aan de deelraden, aan de eventuele commissies en aan de eventuele gemeenschappelijke medezeggenschapsraad en ter inzage worden gelegd op een algemeen toegankelijke plaats op de hogeschool ten behoeve van belangstellenden. De raad stelt de in de vorige volzin bedoelde commissies ten minste eenmaal per jaar in de gelegenheid om over aangelegenheden die de desbetreffende commissie in het bijzonder aangaan, met hem overleg te voeren. 9 Het college van bestuur draagt er jegens de medezeggenschapsraad zorg voor dat de leden van de raad niet uit hoofde van hun lidmaatschap van de raad worden benadeeld in hun positie met betrekking tot de hogeschool. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van kandidaat-leden en voormalige leden. 10 De beëindiging anders dan op eigen verzoek van de betrekking van een aan de hogeschool werkzame persoon mag geen verband houden met de kandidaatstelling voor het lidmaatschap, het lidmaatschap of het voormalig lidmaatschap van de betrokkene van de raad. Een beëindiging van de betrekking in strijd met het in dit lid bepaalde is nietig. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-09-2024
Artikel 10.19a — Artikel 10.19a Onder de aandacht brengen instemmings- of adviesbevoegdheid#
Artikel 10.19a Onder de aandacht brengen instemmings- of adviesbevoegdheid Indien het college van bestuur een voorstel voor advies of instemming voorlegt aan de medezeggenschapsraad, wijst het college de medezeggenschapsraad uitdrukkelijk op haar instemmings- of adviesbevoegdheid. 2023 212 21-06-2023 07-06-2023 35920 2023 213 21-06-2023 19-06-2023 01-08-2023
Artikel 10.20 — Artikel 10.20 Instemmingsbevoegdheid medezeggenschapsraad#
Artikel 10.20 Instemmingsbevoegdheid medezeggenschapsraad 1 Het college van bestuur behoeft de voorafgaande instemming van de medezeggenschapsraad voor elke door het college van bestuur te nemen beslissing met betrekking tot ten minste de vaststelling of wijziging van: a. het instellingsplan, b. artikel 1.18 artikel 2.9, tweede lid, tweede volzin de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig, alsmede het voorgenomen beleid in het licht van de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling, bedoeld in, c. het studentenstatuut, d. het bestuurs- en beheersreglement, e. artikel 7.13 de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in, met uitzondering van de onderwerpen genoemd in het tweede lid, onder a tot en met g, v en z, alsmede het derde lid, f. regels op het gebied van de arbeidsomstandigheden, g. artikel 10.16a, eerste lid de keuze uit medezeggenschapsstelsels, bedoeld in, h. artikelen 7.51 tot en met 7.51g artikel 7.51h het beleid van het instellingsbestuur bij de toepassing van deen de regels, bedoeld in, en i. artikel 16.16 een besluit tot fusie als bedoeld in. 2 artikel 16.16a, vierde lid Het college van bestuur stelt de medezeggenschapsraad in de gelegenheid tijdig voorafgaand aan het verzoek om instemming met een besluit tot fusie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, kennis te nemen van de opgestelde fusie-effectrapportage bedoeld in. 3 Artikel 9.36, tweede lid Het college van bestuur behoeft eveneens de voorafgaande instemming van de medezeggenschapsraad over de hoofdlijnen van de jaarlijkse begroting, waarbij in ieder geval aandacht wordt besteed aan de beoogde verdeling van de middelen over de beleidsterreinen onderwijs, onderzoek, huisvesting en beheer, investeringen en personeel., is van overeenkomstige toepassing. 4 artikel 1.19a, eerste lid Het college van bestuur behoeft eveneens de voorafgaande instemming van de medezeggenschapsraad met het besluit een opleiding in het buitenland te verzorgen als bedoeld in. 5 artikel 7.50, eerste lid, onder c Het college van bestuur behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de studenten is gekozen, voor elk door het college van bestuur te nemen besluit met betrekking tot de regels die het instellingsbestuur vaststelt met betrekking tot de vergoeding, bedoeld in. 2025 280 20-10-2025 01-10-2025 36707 2025 351 13-11-2025 03-11-2025 01-01-2026
Artikel 10.20a — Artikel 10.20a Adviesbevoegdheid medezeggenschapsraad; adviesbevoegdheid studenten#
Artikel 10.20a Adviesbevoegdheid medezeggenschapsraad; adviesbevoegdheid studenten 1 artikel 10.20 Het college van bestuur vraagt, onverminderd het bepaalde in, voorafgaand advies aan de medezeggenschapsraad voor elk door het college van bestuur te nemen besluit in ieder geval met betrekking tot: a. artikel 16.16, eerste lid aangelegenheden die de doelstellingen, het voortbestaan en de goede gang van zaken binnen de hogeschool betreffen, waaronder begrepen een institutionele fusie als bedoeld in, en een bestuurlijke fusie als bedoeld in artikel 16.16, tweede lid, b. artikel 6.7, eerste lid artikel 6.8, eerste lid de begroting, waaruit onder meer de hoogte van het instellingscollegegeld en die van het collegegeld, bedoeld in, onderscheidenlijk, dienen te blijken. 2 Het college van bestuur vraagt voorafgaand advies van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de studenten is gekozen, voor elk door het college van bestuur te nemen besluit in ieder geval met betrekking tot: a. artikel 10.24, tweede lid het algemeen personeels- en benoemingsbeleid, tenzij, van toepassing is, b. artikel 7.46 artikel 6.7, eerste lid het beleid ten aanzien van het instellingscollegegeld, bedoeld inen het collegegeld, bedoeld in, c. artikel 7.48, vierde lid de regeling van het instellingsbestuur ten aanzien van terugbetaling van wettelijk collegegeld, bedoeld in, d. artikel 6.7a, eerste lid, onder b artikel 7.26 7.26a 7.53, derde lid artikel 7.30b, tweede lid artikel 7.3i de regeling die het instellingsbestuur vaststelt voor de selectiecriteria en de selectieprocedure bedoeld in, onderscheidenlijk,en, en voor zover het de selectieprocedure betreft, en, e. artikel 6.7a, eerste lid, onder c de regeling die het instellingsbestuur vaststelt voor de criteria en de procedure voor dispensatie van betaling van het hogere collegegeld, bedoeld in, en f. artikel 7.9b, eerste lid de regels die het instellingsbestuur vaststelt met betrekking tot de selectie, bedoeld in, g. artikel 7.31b, vijfde lid de regels die het instellingsbestuur vaststelt met betrekking tot de studiekeuzeadviezen en studiekeuzeactiviteiten, bedoeld in. 3 De aanhef van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een voorgenomen besluit van de raad van toezicht: a. artikel 10.3d, vierde lid ten aanzien van de profielen, bedoeld in, b. artikel 10.2, derde lid artikel 9.3, tweede lid ten aanzien van de profielen, bedoeld in, juncto, en c. artikel 10.3d, tweede lid, onder a als bedoeld in, met betrekking tot het benoemen of ontslaan van de leden van het college van bestuur. 2021 263 07-06-2021 07-04-2021 35582 2021 325 09-07-2021 22-06-2021 01-09-2021
Artikel 10.21 — Artikel 10.21 Medezeggenschapsreglement#
Artikel 10.21 Medezeggenschapsreglement 1 Het college van bestuur stelt, met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens deze titel, een medezeggenschapsreglement voor de hogeschool vast. 2 Het college van bestuur legt het reglement, daaronder elke wijziging ervan mede begrepen, als voorstel aan de medezeggenschapsraad voor en stelt het niet vast dan voorzover het voorstel de instemming van twee derden van het aantal leden van de raad heeft verworven. 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 10.22 — Artikel 10.22 Inhoud medezeggenschapsreglement#
Artikel 10.22 Inhoud medezeggenschapsreglement In het medezeggenschapsreglement worden ten minste geregeld: a. artikel 10.20 de aangelegenheden waarover de medezeggenschapsraad, onverminderd, instemmingsrecht heeft, b. artikel 10.20a de aangelegenheden waarover de medezeggenschapsraad, onverminderd, adviesrecht heeft, c. het aantal leden van de medezeggenschapsraad, d. de wijze en organisatie van de verkiezingen van de leden van de raad, e. de zittingsduur van de leden van de raad, f. de wijze waarop het instellingsbestuur informatie verschaft aan de raad, g. de termijnen binnen welke tot instemming of onthouding van instemming dient te worden besloten, en de termijnen binnen welke advies dient te worden uitgebracht, h. de bevoegdheden die door de deelraden worden uitgeoefend, i. Arbeidsomstandighedenwet artikel 16 van die wet de toekenning aan het deel van de raad dat uit en door het personeel is gekozen, van de bevoegdheden inzake de arbeidsomstandigheden die krachtens deen de algemene maatregel van bestuur op grond vanaan de medezeggenschapsraad zijn toegekend, j. artikel 10, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet College voor de rechten van de mens artikel 21, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen de toekenning aan de raad van een overeenkomstige bevoegdheid als bedoeld in, waarbij danvan overeenkomstige toepassing is, j1. artikel 10.19, lid 2a de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de bevoegdheid die in, aan de raad is toegekend waaronder de minimale termijn waarop het college van bestuur kan worden uitgenodigd, k. artikel 10.20, onder f de toekenning aan de raad of het deel van de raad dat uit en door het personeel is gekozen, van de bevoegdheden inzake de arbeidsomstandigheden in de hogeschool voorzover deze niet betreffen te nemen beslissingen van het instellingsbestuur, bedoeld in, en l. welke van de geschillen tussen het instellingsbestuur en de raad, waarvoor deze wet niet in een geschillenregeling voorziet, worden voorgelegd aan de commissie voor geschillen waarbij de hogeschool is aangesloten, wie het geschil aanhangig kan maken en of daarbij de commissie om bemiddeling dan wel een oordeel wordt verzocht, voorzover de commissie voor geschillen waarbij de hogeschool is aangesloten, in haar reglement daarvoor de mogelijkheid biedt. 2011 573 06-12-2011 24-11-2011 32467 2012 414 20-09-2012 06-09-2012 01-10-2012
Artikel 10.23 — Artikel 10.23 Advies#
Artikel 10.23 Advies artikel 10.22, onder b Indien een te nemen beslissing op grond van het bepaalde in het medezeggenschapsreglement krachtens, vooraf voor advies dient te worden voorgelegd aan de medezeggenschapsraad, draagt het instellingsbestuur onderscheidenlijk de raad van toezicht er zorg voor dat: a. advies wordt gevraagd op een zodanig tijdstip dat het advies van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming, b. de raad in de gelegenheid wordt gesteld met hem overleg te voeren voordat advies wordt uitgebracht, c. de raad zo spoedig mogelijk schriftelijk in kennis wordt gesteld van de wijze waarop aan het uitgebrachte advies gevolg wordt gegeven, en d. de raad, indien het instellingsbestuur onderscheidenlijk de raad van toezicht het advies niet of niet geheel wil volgen, in de gelegenheid wordt gesteld nader overleg met hem te voeren alvorens de beslissing definitief wordt genomen. 2016 273 14-07-2016 15-06-2016 34251 2016 327 14-09-2016 25-08-2016 01-01-2017
Artikel 10.24 — Artikel 10.24 Bijzondere bevoegdheden#
Artikel 10.24 Bijzondere bevoegdheden 1 Het instellingsbestuur behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel is gekozen, voor elke door het instellingsbestuur te nemen beslissing met betrekking tot aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel in de hogeschool. 2 Het instemmingsrecht in aangelegenheden als bedoeld in het eerste lid wordt niet uitgeoefend voorzover de desbetreffende aangelegenheid voor de hogeschool reeds inhoudelijk is geregeld in een bij of krachtens de wet gegeven voorschrift of bij of krachtens collectieve arbeidsovereenkomst. 3 artikel 10.16a, derde lid, tweede volzin Alvorens tot benoeming of ontslag van een lid van het instellingsbestuur wordt overgegaan, wordt de medezeggenschapsraad, dan wel het orgaan binnen de hogeschool dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in, daartoe is aangewezen, vertrouwelijk gehoord over het voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming. 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 10.25 — Artikel 10.25 Deelraden#
Artikel 10.25 Deelraden 1 Een deelraad oefent tegenover het bestuur van een faculteit of een andere organisatorische eenheid het instemmingsrecht en het adviesrecht uit dat toekomt aan de medezeggenschapsraad, voorzover het aangelegenheden betreft die het desbetreffende deel van de hogeschool in het bijzonder aangaan, en de desbetreffende bevoegdheden tevens aan het bestuur van die faculteit of andere organisatorische eenheid zijn toegekend. 2 Artikel 10.17, tweede tot en met zevende lid , is van overeenkomstige toepassing. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 10.26 — Artikel 10.26 Van overeenkomstige toepassing bepalingen geschillencommissie medezeggenschap#
Artikel 10.26 Van overeenkomstige toepassing bepalingen geschillencommissie medezeggenschap 1 artikel 9.39 De geschillencommissie medezeggenschap, bedoeld in, is bevoegd ten aanzien van geschillen binnen de hogescholen. 2 artikelen 9.39 9.40 9.46 De,enzijn van overeenkomstige toepassing op de hogescholen, met dien verstande dat daarin onder «medezeggenschapsorgaan» wordt verstaan: a. de gezamenlijke vergadering, b. de ondernemingsraad, c. artikel 10.16a, derde lid, tweede volzin het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in, d. de medezeggenschapsraad, e. artikel 10.25 de deelraad, bedoeld in, of f. de opleidingscommissie. 2016 273 14-07-2016 15-06-2016 34251 2016 327 14-09-2016 25-08-2016 01-01-2017
Artikel 10.27 — Artikel 10.27 Competentie commissie voor geschillen#
Artikel 10.27 Competentie commissie voor geschillen Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 10.28 — Artikel 10.28 Geschil instemmingsbevoegdheid#
Artikel 10.28 Geschil instemmingsbevoegdheid Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 10.29 — Artikel 10.29 Geschil inhoud medezeggenschapsreglement#
Artikel 10.29 Geschil inhoud medezeggenschapsreglement Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 10.30 — Artikel 10.30 Geschil adviesbevoegdheid#
Artikel 10.30 Geschil adviesbevoegdheid Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 10.31 — Artikel 10.31 Geschil interpretatie#
Artikel 10.31 Geschil interpretatie Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 10.32 — Artikel 10.32 Nadere geschillen#
Artikel 10.32 Nadere geschillen Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 10.33 — Artikel 10.33 Procesbevoegdheid medezeggenschapsraad#
Artikel 10.33 Procesbevoegdheid medezeggenschapsraad Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 10.34 — Artikel 10.34 Commissies#
Artikel 10.34 Commissies 1 Het instellingsbestuur stelt het personeel en de studenten in de gelegenheid om desgewenst onderscheidenlijk een personeelscommissie dan wel afzonderlijke commissies voor onderscheiden personeelscategorieën of -groeperingen, en een studentencommissie in te stellen. Een dergelijke commissie is bevoegd desgevraagd of eigener beweging advies uit te brengen aan de medezeggenschapsraad over die aangelegenheden die de desbetreffende commissie in het bijzonder aangaan. 2 Artikel 10.19, tweede lid, derde volzin Op verzoek van een commissie stelt de medezeggenschapsraad het instellingsbestuur in kennis van een schriftelijk advies als bedoeld in het eerste lid., is ten aanzien van een dergelijk schriftelijk advies van overeenkomstige toepassing. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 10.35 — Artikel 10.35 Gemeenschappelijke medezeggenschapsraad#
Artikel 10.35 Gemeenschappelijke medezeggenschapsraad Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 10.36 — Artikel 10.36 Gemeenschappelijke commissies#
Artikel 10.36 Gemeenschappelijke commissies Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 10.37 — Artikel 10.37 Afwijking bij bijzondere omstandigheden#
Artikel 10.37 Afwijking bij bijzondere omstandigheden Indien bijzondere omstandigheden een goede toepassing van een of meer onderdelen van deze titel in een hogeschool of in een aantal hogescholen die door dezelfde rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid in stand worden gehouden, in de weg staan, kan Onze Minister op verzoek van het instellingsbestuur toestaan, dat wat betreft een of meer onderdelen op de door hem aangewezen wijze wordt afgeweken van deze titel. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 10.38 — Artikel 10.38 Ontheffing in verband met godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging#
Artikel 10.38 Ontheffing in verband met godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging 1 Op gronden die verband houden met de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, die aan de hogeschool ten grondslag ligt, kan Onze Minister op verzoek van het college van bestuur van een bijzondere hogeschool ontheffing verlenen van de voorschriften van deze titel. Het college van bestuur toont bij zijn verzoek aan dat dit verzoek wordt ondersteund door een meerderheid van twee derden zowel van het personeel van de hogeschool als van de bij de hogeschool betrokken studenten. 2 Onze Minister verklaart de ontheffing vervallen, indien de gronden waarop zij berustte, niet meer aanwezig zijn dan wel indien zij niet meer wordt ondersteund door een meerderheid van twee derden van elk van de in het eerste lid bedoelde categorieën. 3 Het college van bestuur doet elke vijf jaren aan Onze Minister mededeling omtrent de stand van zaken met betrekking tot de gronden van de ontheffing en de ondersteuning ervan. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 10.39 — Artikel 10.39 Voorzieningen en scholing#
Artikel 10.39 Voorzieningen en scholing 1 Het instellingsbestuur staat de medezeggenschapsraad het gebruik toe van de voorzieningen waarover het kan beschikken, en die de raad voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft waaronder in ieder geval worden verstaan ambtelijke, financiële en juridische ondersteuning en scholing. Het instellingsbestuur stelt de medezeggenschapsraad in de gelegenheid zoveel mogelijk tijdens werktijd te vergaderen. 2 Het instellingsbestuur stelt de leden van de medezeggenschapsraad een scholingsbudget ter beschikking, dat wordt vastgesteld door het instellingsbestuur en de raad gezamenlijk. Het personeel van de hogeschool wordt in de gelegenheid gesteld deze scholing in werktijd en met behoud van salaris te ontvangen. 3 Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op deelraden en opleidingscommissies. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2018 313 18-09-2018 27-08-2018 19-09-2018 01-09-2017
Artikel 11.1 — Artikel 11.1 Algemene bevoegdheden van het college van bestuur#
Artikel 11.1 Algemene bevoegdheden van het college van bestuur 1 Het college van bestuur van de Open Universiteit is belast met het bestuur van de Open Universiteit in haar geheel en met het beheer daarvan, onverminderd de bevoegdheden van de raad van toezicht volgens dit hoofdstuk. 2 De voorzitter van het college van bestuur vertegenwoordigt de Open Universiteit in en buiten rechte. 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 11.2 — Artikel 11.2 Samenstelling college van bestuur; rechtspositie leden#
Artikel 11.2 Samenstelling college van bestuur; rechtspositie leden 1 Het college van bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, waaronder de voorzitter. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen. 2 De benoeming van de leden van het college van bestuur geschiedt op basis van vooraf openbaar gemaakte profielen. 3 Voor het benoemen van een lid van het college van bestuur stelt de raad van toezicht een sollicitatiecommissie in waarvan in elk geval deel uitmaken: Wet op de ondernemingsraden hoofdstuk VII B Alvorens tot benoeming of ontslag van een lid van het college van bestuur over te gaan, hoort de raad van toezicht vertrouwelijk de universiteitsraad dan wel, indien het college van bestuur heeft besloten dat demet uitzondering vanvan toepassing is, de gezamenlijke vergadering van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van een door het college van bestuur vastgestelde medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten van de Open Universiteit is ingesteld, over het voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming. a. Wet op de ondernemingsraden hoofdstuk VII B een lid van of namens het deel van de universiteitsraad dat uit en door het personeel is gekozen, of indien het college van bestuur heeft besloten dat demet uitzondering vanvan toepassing is, een lid van of namens de ondernemingsraad, en b. een lid van of namens het deel van de universiteitsraad dat uit en door studenten is gekozen, of een lid van of namens het orgaan dat op grond van een door het college van bestuur vastgestelde medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten van de Open Universiteit is ingesteld. 4 Een lid van het college van bestuur kan om gewichtige redenen tussentijds worden ontslagen. 5 Indien het college van bestuur slechts uit de voorzitter bestaat, regelt de raad van toezicht de vervanging van de voorzitter bij diens afwezigheid of ontstentenis. 6 Een lid van het college van bestuur kan niet tevens zijn: a. lid van de raad van toezicht van de Open Universiteit, b. decaan van een faculteit of lid van het bestuur daarvan, tenzij de Open Universiteit slechts een faculteit zou omvatten, c. lid van het bestuur van een opleiding, indien dat bestuur is ingesteld, of d. lid van de raad van toezicht of van het college van bestuur van een andere universiteit. 7 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de rechtspositie van de voorzitter en de andere leden van het college van bestuur. 2021 263 07-06-2021 07-04-2021 35582 2021 325 09-07-2021 22-06-2021 01-09-2021
Artikel 11.3 — Artikel 11.3 Bestuurs- en beheersreglement; onderwijs- en examenregeling#
Artikel 11.3 Bestuurs- en beheersreglement; onderwijs- en examenregeling 1 Het college van bestuur stelt het bestuurs- en beheersreglement ter regeling van het bestuur, het beheer en de inrichting van de Open Universiteit vast. 2 artikel 7.13 In het reglement worden regels vastgesteld omtrent de totstandkoming van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in. Deze regels betreffen in elk geval de aanwijzing van het orgaan dat de onderwijs- en examenregeling vaststelt. 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 11.4 — Artikel 11.4 Verantwoordings- en inlichtingenplicht van het college van bestuur#
Artikel 11.4 Verantwoordings- en inlichtingenplicht van het college van bestuur 1 Het college van bestuur is verantwoording verschuldigd aan de raad van toezicht. 2 Het college van bestuur verstrekt de raad van toezicht de gevraagde inlichtingen betreffende zijn besluiten en andere handelingen. 3 Het college van bestuur verstrekt Onze Minister de gevraagde inlichtingen omtrent de Open Universiteit. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 11.5 — Artikel 11.5 Samenstelling raad van toezicht; financiële regeling leden#
Artikel 11.5 Samenstelling raad van toezicht; financiële regeling leden 1 De raad van toezicht bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden. 2 Wet op de ondernemingsraden hoofdstuk VII B De voorzitter en de andere leden van de raad van toezicht worden door Onze Minister benoemd, geschorst en ontslagen. Een van de leden wordt benoemd op voordracht van de universiteitsraad dan wel, indien het college van bestuur heeft besloten dat demet uitzondering vanvan toepassing is, de gezamenlijke vergadering van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van een door het college van bestuur vastgestelde medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten van de Open Universiteit is ingesteld. De voordracht bevat ten minste twee namen. Indien de voorgedragen kandidaten niet door Onze Minister worden benoemd, wordt een nieuwe voordracht gedaan. Onze Minister kan gemotiveerd afwijken van de tweede voordracht. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen. Onze Minister benoemt een lid dat in het bijzonder het vertrouwen geniet van de universiteitsraad dan wel, indien het college van bestuur heeft besloten dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is, de gezamenlijke vergadering van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van een door het college van bestuur vastgestelde medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten van de Open Universiteit is ingesteld. De benoeming geschiedt voor een periode van ten hoogste vier jaren. 3 Een lid kan om gewichtige redenen tussentijds worden ontslagen. 4 De samenstelling, taken en bevoegdheden van de raad van toezicht zijn zodanig dat de raad een deugdelijk en onafhankelijk toezicht kan uitoefenen. De leden van de raad van toezicht hebben geen directe belangen bij de open Universiteit. De leden van de raad zijn niet tevens werkzaam bij een ministerie dan wel lid van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal. Zij hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. De benoeming van de leden van de raad geschiedt op basis van vooraf openbaar gemaakte profielen. 5 artikel 9.30, derde lid, tweede volzin De universiteitsraad dan wel de ondernemingsraad en het orgaan binnen de universiteit dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in, is ingesteld, wordt of worden in de gelegenheid gesteld om aan de raad van toezicht advies uit te brengen over de profielen bedoeld in het vierde lid. 6 Het college van bestuur voorziet in de functioneel onafhankelijke administratieve ondersteuning van de raad van toezicht. De raad van toezicht heeft instemmingsrecht ten aanzien van de benoeming en het ontslag van de secretaris van de administratieve ondersteuning. 7 Het college van bestuur woont de vergaderingen van de raad van toezicht bij, tenzij de raad anders beslist. Het college van bestuur heeft daarin een adviserende stem. 8 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld omtrent tegemoetkomingen aan de leden van de raad van toezicht. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 11.6 — Artikel 11.6 Taken raad van toezicht#
Artikel 11.6 Taken raad van toezicht 1 artikel 1.3, vierde lid De raad van toezicht houdt, met het oog op de taken van de Open Universiteit, bedoeld in, toezicht op de uitvoering van werkzaamheden en de uitoefening van bevoegdheden door het college van bestuur en staat dit college met raad ter zijde. De raad van toezicht is in elk geval belast met: a. het benoemen, schorsen, ontslaan en vaststellen van de beloning van de leden van het college van bestuur; b. het goedkeuren van het bestuurs- en beheersreglement; c. het goedkeuren van de begroting, de jaarrekening, het bestuursverslag en het instellingsplan; d. artikel 8.1 indien van toepassing, het goedkeuren van een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in; e. artikel 2.9 het toezien op de naleving door het college van bestuur van wettelijke verplichtingen en de omgang met de branchecode, bedoeld in; f. artikelen 2.5 2.6 het toezien op de rechtmatige verwerving en op de doelmatige en rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen verkregen op grond van deen; g. artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek het aanwijzen van een accountant als bedoeld indie verslag uitbrengt aan de raad; h. artikel 1.18 het toezien op de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig, en i. het jaarlijks afleggen van verantwoording over de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld onder a tot en met h, in het bestuursverslag van de universiteit. 2 artikel 9.30, derde lid, tweede volzin De raad van toezicht pleegt ten minste twee keer per jaar overleg met de medezeggenschapsraad dan wel de ondernemingsraad en het orgaan binnen de instelling dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in, is ingesteld. 2015 349 09-10-2015 30-09-2015 34176 2015 351 19-10-2015 13-10-2015 01-11-2015 De in de Uitvoeringswet richtlijn jaarrekening (Stb. 2015/349)
vervatte voorschriften zijn van toepassing op jaarrekeningen,
bestuursverslagen en verslagen als bedoeld in artikel 392a die
worden opgesteld over de boekjaren die aanvangen op of na 1 januari
2016. De voorschriften van de Uitvoeringswet richtlijn jaarrekening
(Stb. 2015/349) kunnen worden toegepast op jaarrekeningen,
bestuursverslagen en verslagen als bedoeld in artikel 392a die
worden opgesteld over boekjaren die zijn aangevangen voor 1 januari 2016.
Artikel 11.7 — Artikel 11.7 Verantwoordings- en inlichtingenplicht van de raad van toezicht#
Artikel 11.7 Verantwoordings- en inlichtingenplicht van de raad van toezicht 1 De raad van toezicht is verantwoording verschuldigd aan Onze Minister. 2 De raad van toezicht verschaft Onze Minister de gevraagde inlichtingen betreffende zijn handelen. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 11.7a — Artikel 11.7a Aanwijzing#
Artikel 11.7a Aanwijzing 1 Onze Minister kan de raad van toezicht een aanwijzing tot het nemen van een of meer maatregelen geven, indien sprake is van wanbeheer. 2 Onder wanbeheer wordt verstaan: a. financieel wanbeleid; b. artikel 1.18 het in ernstige mate of langdurig nalaten om, in ieder geval in strijd met, maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en de goede voortgang van het onderwijs, waaronder de deugdelijke afsluiting daarvan; c. het door een bestuurder of toezichthouder ongerechtvaardigd verrijken van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, zichzelf of een derde; d. het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen waardoor financieel voordeel wordt behaald ten gunste van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, zichzelf of een derde; e. het in ernstige mate verwaarlozen van de zorg voor wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de omgang met betrokkenen binnen de instelling, waaronder in ieder geval wordt verstaan intimidatie of bedreiging van personeel of studenten door een bestuurder of toezichthouder. 3 Onze Minister motiveert in de aanwijzing waarom het doel van de aanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt. 4 De aanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd. 5 artikel 12a van de Wet op het onderwijstoezicht artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht Voordat Onze Minister een aanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld inverricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in, waaruit volgt dat sprake is van wanbeheer als bedoeld in het tweede lid. 6 Indien het onderzoek, bedoeld in het vierde lid, mede de kwaliteit van het onderwijs betreft, betrekt de inspectie het accreditatieorgaan bij haar onderzoek. 2023 212 21-06-2023 07-06-2023 35920 2023 213 21-06-2023 19-06-2023 01-08-2023
Artikel 11.7b — Artikel 11.7b Spoedaanwijzing#
Artikel 11.7b Spoedaanwijzing 1 Onze Minister kan de raad van toezicht een spoedaanwijzing tot het nemen van een of meer voorlopige maatregelen geven, indien: a. artikel 1.8 een of meer organen van een instelling als bedoeld intekortschieten in de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet; b. artikel 11.7a, tweede lid uit dat tekortschieten of mede uit dat tekortschieten een wezenlijk vermoeden van wanbeheer als bedoeld in, volgt; en c. dat is vereist in verband met onverwijlde spoed. 2 Onze Minister motiveert in de spoedaanwijzing waarom het doel van de spoedaanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt. 3 De spoedaanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd. 4 De spoedaanwijzing bepaalt de duur waarvoor zij geldt. Deze geldigheidsduur bedraagt ten hoogste zes maanden. Onze Minister kan de geldingsduur eenmalig verlengen met ten hoogste zes maanden. Op een verlengingsbesluit is het eerste lid van overeenkomstige toepassing. 5 artikel 12a van de Wet op het onderwijstoezicht artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht Voordat Onze Minister een spoedaanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld inverricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in, waaruit volgt dat is voldaan aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid. 6 Onze Minister informeert de beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld nadat toepassing is gegeven aan het eerste lid. 2023 212 21-06-2023 07-06-2023 35920 2023 213 21-06-2023 19-06-2023 01-08-2023
Artikel 11.8 — Artikel 11.8 Opleidingen Open Universiteit#
Artikel 11.8 Opleidingen Open Universiteit In het bestuurs- en beheersreglement wordt geregeld welke opleidingen door de Open Universiteit worden verzorgd. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 11.9 — Artikel 11.9 Verantwoordelijkheden en rechten hoogleraren#
Artikel 11.9 Verantwoordelijkheden en rechten hoogleraren 1 Tot het personeel van de Open Universiteit behoren in elk geval de hoogleraren. In het benoemingsbesluit wordt vermeld het wetenschapsgebied waarop de hoogleraar zijn onderwijs- en onderzoektaken uitoefent. 2 De hoogleraren zijn bij uitstek verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het hun toegewezen wetenschapsgebied en voor de inhoud van het te geven onderwijs op dat gebied, onverminderd de bevoegdheid van het college van bestuur terzake van de onderwijs- en examenregeling. 3 Eervol ontslagen hoogleraren behouden nog gedurende vijf jaren na hun ontslag het recht als promotor op te treden. 4 De hoogleraren zijn gerechtigd de titel professor te voeren. De oud-hoogleraren aan wie om gezondheidsredenen, wegens vrijwillig vervroegd uittreden dan wel bij of na het bereiken van de voor de openbare dienst geldende functionele leeftijdsgrens eervol ontslag als hoogleraar is verleend, zijn eveneens gerechtigd deze titel te voeren. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 11.10 — Artikel 11.10 College voor promoties#
Artikel 11.10 College voor promoties 1 Aan de Open Universiteit is een college voor promoties verbonden. Het college voor promoties bestaat uit hoogleraren. 2 artikel 7.19, tweede lid Het college voor promoties hoort de raad van toezicht over het verlenen van de graad, bedoeld in. 3 In het bestuurs- en beheersreglement worden de taak, de samenstelling en de wijze van benoeming van het college voor promoties nader geregeld. 2002 303 18-06-2002 06-06-2002 28024 2002 303 18-06-2002 06-06-2002 28024 01-09-2002
Artikel 11.11 — Artikel 11.11 Opleidingscommissies#
Artikel 11.11 Opleidingscommissies 1 artikel 7.13, tweede lid, onder a1, b, c, d, e, g, v en z artikel 5.13, vierde lid artikel 11.3, tweede lid Wet op de ondernemingsraden hoofdstuk VII B Voor elke opleiding of groep van opleidingen wordt door het college van bestuur een opleidingscommissie ingesteld. De commissie heeft tot taak te adviseren over het bevorderen en waarborgen van de kwaliteit van de opleiding. De commissie heeft voorts instemmingsrecht ten aanzien van de onderwerpen in de onderwijs- en examenregeling, bedoeld inen adviesrecht ten aanzien van de vaststelling of wijziging van de overige onderdelen. Zij beoordeelt jaarlijks de wijze van uitvoering van die regeling en brengt advies uit over de regeling. De commissie bespreekt het visitatierapport, bedoeld in. De commissie brengt bovendien desgevraagd of uit eigen beweging advies uit aan het orgaan, bedoeld in, over alle aangelegenheden die betrekking hebben op of van invloed zijn op het onderwijs in de desbetreffende opleiding of groep van opleidingen. De commissie zendt haar adviezen ter kennisneming aan de universiteitsraad dan wel, indien het college van bestuur heeft besloten dat demet uitzondering vanvan toepassing is, de gezamenlijke vergadering van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van een door het college van bestuur vastgestelde medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten van de Open Universiteit is ingesteld. 2 artikel 9.35, aanhef en onderdelen b, c en d Op een advies, bedoeld in het eerste lid, is, van overeenkomstige toepassing. 3 Artikel 9.18, derde tot en met zesde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2024 279 14-10-2024 30-09-2024 36136 2024 345 15-11-2024 09-11-2024 01-01-2025
Artikel 11.12 — Artikel 11.12 Bijzondere leerstoel Open Universiteit#
Artikel 11.12 Bijzondere leerstoel Open Universiteit artikelen 9.53 tot en met 9.58 Dezijn van overeenkomstige toepassing op de Open Universiteit. 2014 219 24-06-2014 14-05-2014 33840 2014 283 18-07-2014 11-07-2014 19-07-2014
Artikel 11.13 — Artikel 11.13 Regeling medezeggenschap OU#
Artikel 11.13 Regeling medezeggenschap OU 1 artikelen 9.30 tot en met 9.36 9.48 Op de medezeggenschap zijn deenvan overeenkomstige toepassing met dien verstande dat onder instellingscollegegeld wordt verstaan collegegeld OU. 2 Wet op de ondernemingsraden hoofdstuk VII B artikel 7.13 artikel 7.30b, tweede volzin Het college van bestuur behoeft voorts de voorafgaande instemming van de universiteitsraad dan wel, indien het college van bestuur heeft besloten dat demet uitzondering vanvan toepassing is, de gezamenlijke vergadering van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van een door het college van bestuur vastgestelde medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten van de Open Universiteit is ingesteld, voor elk door hem te nemen besluit met betrekking tot ten minste de vaststelling of wijziging van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in, met uitzondering van de onderwerpen, genoemd in het tweede lid, onder a tot en met g, v en z, met uitzondering van de aanwijzing, bedoeld in het derde lid, en met uitzondering van de eisen,. 3 Wet op de ondernemingsraden artikel 9.30, vierde lid, paragraaf 2 van titel 2 van hoofdstuk 9 Indien het college van bestuur besluit dat deniet van toepassing is op de Open Universiteit is in afwijking vanniet van toepassing. 4 Het aantal leden van de universiteitsraad van de Open Universiteit bedraagt ten hoogste achttien. 2024 279 14-10-2024 30-09-2024 36136 2024 345 15-11-2024 09-11-2024 01-01-2025
Artikel 11.14 — Artikel 11.14 Reglement voor de studentenraad#
Artikel 11.14 Reglement voor de studentenraad Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 862 29-12-2010 21-12-2010 01-01-2011
Artikel 11.15 — Artikel 11.15 Adviesbevoegdheid#
Artikel 11.15 Adviesbevoegdheid Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 862 29-12-2010 21-12-2010 01-01-2011
Artikel 11.16 — Artikel 11.16 Van overeenkomstige toepassing bepalingen geschillencommissie medezeggenschap#
Artikel 11.16 Van overeenkomstige toepassing bepalingen geschillencommissie medezeggenschap 1 artikel 9.39 De geschillencommissie medezeggenschap, bedoeld in, is bevoegd ten aanzien van geschillen binnen de Open Universiteit. 2 Hoofdstuk 9, titel 2, paragraaf 3 artikel 9.46 enzijn van overeenkomstige toepassing op de Open Universiteit. 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 11.17 — Artikel 11.17 College van hoogleraren#
Artikel 11.17 College van hoogleraren Vervallen 1997 284 10-07-1997 25-06-1997 25161 1997 284 10-07-1997 25-06-1997 25161 11-07-1997
Artikel 11.18 — Artikel 11.18 Geschillenregeling onderwijsaanbod#
Artikel 11.18 Geschillenregeling onderwijsaanbod Vervallen 1997 284 10-07-1997 25-06-1997 25161 1997 284 10-07-1997 25-06-1997 25161 11-07-1997
Artikel 11.19 — Artikel 11.19 Personeelsraad; samenstelling en bevoegdheden#
Artikel 11.19 Personeelsraad; samenstelling en bevoegdheden Vervallen 1997 284 10-07-1997 25-06-1997 25161 1997 284 10-07-1997 25-06-1997 25161 11-07-1997
Artikel 11.20 — Artikel 11.20 Personeelsraad; overige voorschriften#
Artikel 11.20 Personeelsraad; overige voorschriften Vervallen 1997 284 10-07-1997 25-06-1997 25161 1997 284 10-07-1997 25-06-1997 25161 11-07-1997
Artikel 11.21 — Artikel 11.21 Reglement voor de personeelsraad#
Artikel 11.21 Reglement voor de personeelsraad Vervallen 1997 284 10-07-1997 25-06-1997 25161 1997 284 10-07-1997 25-06-1997 25161 11-07-1997
Artikel 11.22 — Artikel 11.22 Geschillenregeling personeelsraad#
Artikel 11.22 Geschillenregeling personeelsraad Vervallen 1997 284 10-07-1997 25-06-1997 25161 1997 284 10-07-1997 25-06-1997 25161 11-07-1997
Artikel 11.23 — Artikel 11.23 Studentenraad#
Artikel 11.23 Studentenraad Vervallen 1997 284 10-07-1997 25-06-1997 25161 1997 284 10-07-1997 25-06-1997 25161 11-07-1997
Artikel 11.24 — Artikel 11.24 Schorsing en vernietiging besluiten college van bestuur en bestuursraad#
Artikel 11.24 Schorsing en vernietiging besluiten college van bestuur en bestuursraad Vervallen 1997 284 10-07-1997 25-06-1997 25161 1997 284 10-07-1997 25-06-1997 25161 11-07-1997
Artikel 11.25 — Artikel 11.25 Schorsing en vernietiging besluiten college van hoogleraren#
Artikel 11.25 Schorsing en vernietiging besluiten college van hoogleraren Vervallen 1997 284 10-07-1997 25-06-1997 25161 1997 284 10-07-1997 25-06-1997 25161 11-07-1997
Artikel 11.26 — Artikel 11.26 Schorsing en vernietiging besluiten examencommissies#
Artikel 11.26 Schorsing en vernietiging besluiten examencommissies Vervallen 1997 284 10-07-1997 25-06-1997 25161 1997 284 10-07-1997 25-06-1997 25161 11-07-1997
Artikel 11.27 — Artikel 11.27 Gevolgen schorsing en vernietiging#
Artikel 11.27 Gevolgen schorsing en vernietiging Vervallen 1997 284 10-07-1997 25-06-1997 25161 1997 284 10-07-1997 25-06-1997 25161 11-07-1997
Artikel 11.28 — Artikel 11.28 Voorziening na schorsing en vernietiging; termijn#
Artikel 11.28 Voorziening na schorsing en vernietiging; termijn Vervallen 1997 284 10-07-1997 25-06-1997 25161 1997 284 10-07-1997 25-06-1997 25161 11-07-1997
Artikel 11.29 — Artikel 11.29 Voorziening bij verwaarlozing bestuur#
Artikel 11.29 Voorziening bij verwaarlozing bestuur Vervallen 1997 284 10-07-1997 25-06-1997 25161 1997 284 10-07-1997 25-06-1997 25161 11-07-1997
Artikel 11.30 — Artikel 11.30 Aanvullende voorzieningen inzake beslechting van geschillen#
Artikel 11.30 Aanvullende voorzieningen inzake beslechting van geschillen Vervallen 1997 284 10-07-1997 25-06-1997 25161 1997 284 10-07-1997 25-06-1997 25161 11-07-1997
Artikel 12.1 — Artikel 12.1 Toepassingsbereik hoofdstuk 12#
Artikel 12.1 Toepassingsbereik hoofdstuk 12 1 titel 1, paragraaf 3 titel 1, paragraaf 2 Dit hoofdstuk is, met uitzondering van, van toepassing op de openbare academische ziekenhuizen en, met uitzondering van, van toepassing op de bijzondere academische ziekenhuizen. 2 titels 2 tot en met 4 van dit hoofdstuk artikel 1.13, derde lid Dezijn van overeenkomstige toepassing op de samenwerking tussen het academisch ziekenhuis en de universiteiten, genoemd in. 2023 226 23-06-2023 07-06-2023 36276 2023 324 04-10-2023 20-09-2023 01-01-2024
Artikel 12.2 — Artikel 12.2 Algemene bepalingen#
Artikel 12.2 Algemene bepalingen 1 Bij het bestuur en de inrichting van het academisch ziekenhuis wordt voorzover de belangen van de patiënten dat toelaten, rekening gehouden met de belangen van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek bij de universiteit. 2 In het bijzonder worden hoogleraren van de faculteit der geneeskunde, wier vakgebied hen daarvoor in aanmerking doet komen, alsmede de andere leden van het wetenschappelijk personeel die op het desbetreffende vakgebied werkzaam zijn, in de gelegenheid gesteld tot het geven van wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en het doen van wetenschappelijk geneeskundig onderzoek. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 12.3 — Artikel 12.3 Bestuursorganen academisch ziekenhuis, afbakening bevoegdheden raad van bestuur en raad van toezicht#
Artikel 12.3 Bestuursorganen academisch ziekenhuis, afbakening bevoegdheden raad van bestuur en raad van toezicht 1 De bestuursorganen van het academisch ziekenhuis zijn de raad van bestuur en de raad van toezicht. 2 Aan de raad van bestuur behoort de bevoegdheid tot regeling en bestuur van de zaken van het academisch ziekenhuis in zijn geheel, voorzover deze niet bij of krachtens deze wet aan de raad van toezicht is opgedragen. 3 De raad van bestuur oefent de taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens de wet aan het instellingsbestuur zijn opgedragen, voorzover bij of krachtens dit hoofdstuk niet anders is bepaald. 4 artikel 1.14, eerste lid Tegen een beslissing op grond van, houdende vaststelling van het deel van de rijksbijdrage voor de universiteit waarop het academisch ziekenhuis aanspraak heeft, kan beroep worden ingesteld door het college van bestuur van de universiteit waaraan het academisch ziekenhuis is verbonden in overeenstemming met de raad van bestuur. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 12.4 — Artikel 12.4 Raad van bestuur, omvang, samenstelling, benoeming en ontslag leden#
Artikel 12.4 Raad van bestuur, omvang, samenstelling, benoeming en ontslag leden 1 De raad van bestuur bestaat uit een voorzitter en twee andere leden. In bijzondere gevallen kan Onze Minister bepalen dat de raad van bestuur uit een voorzitter en drie andere leden bestaat. In gevallen waarin toepassing is gegeven aan de tweede volzin, geeft de stem van de voorzitter de doorslag indien in de raad van bestuur de stemmen staken. 2 De voorzitter en de andere leden worden door de raad van toezicht benoemd en ontslagen. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 12.5 — Artikel 12.5 Rechtspositie leden raad van bestuur#
Artikel 12.5 Rechtspositie leden raad van bestuur Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de rechtspositie van de voorzitter en de andere leden van de raad van bestuur. 2005 276 02-06-2005 12-05-2005 27848 2005 396 02-08-2005 16-07-2005 03-08-2005
Artikel 12.6 — Artikel 12.6 Taken raad van bestuur#
Artikel 12.6 Taken raad van bestuur 1 Onverminderd hetgeen overigens bij of krachtens deze wet is bepaald, is de raad van bestuur belast met: a. artikel 12.7 het vaststellen van het bestuursreglement, bedoeld in, b. het vaststellen van de begroting, c. het vaststellen van het bestuursverslag, en d. het vaststellen van de jaarrekening. 2 De raad van bestuur doet ten behoeve van het academisch ziekenhuis de noodzakelijke uitgaven binnen de grenzen van de begroting. 2015 349 09-10-2015 30-09-2015 34176 2015 351 19-10-2015 13-10-2015 01-11-2015 De in de Uitvoeringswet richtlijn jaarrekening (Stb. 2015/349)
vervatte voorschriften zijn van toepassing op jaarrekeningen,
bestuursverslagen en verslagen als bedoeld in artikel 392a die
worden opgesteld over de boekjaren die aanvangen op of na 1 januari
2016. De voorschriften van de Uitvoeringswet richtlijn jaarrekening
(Stb. 2015/349) kunnen worden toegepast op jaarrekeningen,
bestuursverslagen en verslagen als bedoeld in artikel 392a die
worden opgesteld over boekjaren die zijn aangevangen voor 1 januari 2016.
Artikel 12.7 — Artikel 12.7 Bestuursreglement#
Artikel 12.7 Bestuursreglement Het bestuursreglement bevat een nadere regeling van het bestuur en de inrichting van het academisch ziekenhuis. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 12.8 — Artikel 12.8 Verantwoordingsplicht raad van bestuur#
Artikel 12.8 Verantwoordingsplicht raad van bestuur De raad van bestuur is verantwoording verschuldigd aan de raad van toezicht. De raad van bestuur verstrekt de raad van toezicht de gevraagde inlichtingen betreffende het academisch ziekenhuis. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 12.9 — Artikel 12.9 Vertegenwoordiging academisch ziekenhuis#
Artikel 12.9 Vertegenwoordiging academisch ziekenhuis 1 De voorzitter van de raad van bestuur vertegenwoordigt het academisch ziekenhuis in en buiten rechte. 2 De raad van bestuur wijst uit zijn midden een vice-voorzitter aan, die bij afwezigheid of ontstentenis van de voorzitter deze vervangt. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 12.10 — Artikel 12.10 Raad van toezicht, omvang en samenstelling, benoeming en ontslag, financiële regeling leden#
Artikel 12.10 Raad van toezicht, omvang en samenstelling, benoeming en ontslag, financiële regeling leden 1 De raad van toezicht bestaat uit vijf of zeven leden. Het aantal leden wordt door Onze Minister na overleg met de raad van toezicht bepaald. 2 De voorzitter en de andere leden worden door Onze Minister benoemd, geschorst en ontslagen. De benoeming geschiedt voor een termijn van ten hoogste vier jaren, de raad van toezicht gehoord. 3 De leden kunnen tussentijds, ook op eigen verzoek, worden ontslagen, de raad van toezicht gehoord. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld omtrent tegemoetkomingen aan de leden van de raad van toezicht. 5 De raad van toezicht wijst uit zijn midden een vice-voorzitter aan, die bij afwezigheid of ontstentenis van de voorzitter deze vervangt. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 12.11 — Artikel 12.11 Deelneming aan vergaderingen raad van toezicht#
Artikel 12.11 Deelneming aan vergaderingen raad van toezicht De raad van toezicht nodigt de raad van bestuur uit om de vergadering van de raad van toezicht geheel of gedeeltelijk bij te wonen, tenzij de raad van toezicht in een bepaald geval bij met redenen omkleed besluit anders beslist. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 12.12 — Artikel 12.12 Taken raad van toezicht#
Artikel 12.12 Taken raad van toezicht 1 Onverminderd het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde is de raad van toezicht belast met het houden van een voortdurend toezicht op al wat het academisch ziekenhuis aangaat, daaronder begrepen het toezicht op de naleving van de op het academisch ziekenhuis betrekking hebbende wetten alsmede van de krachtens die wetten uitgevaardigde regelingen, richtlijnen, aanwijzingen en reglementen. 2 Het bestuursreglement, de begroting, de jaarrekening en het bestuursverslag behoeven de goedkeuring dan wel de instemming van de raad van toezicht. De goedkeuring dan wel de instemming wordt verleend of onthouden in zijn geheel dan wel met betrekking tot een of meer onderdelen. Indien binnen vier weken na ontvangst van een besluit als bedoeld in de eerste volzin, door de raad van toezicht niet anders is beslist is het besluit goedgekeurd dan wel wordt daarmee ingestemd. De raad van toezicht kan deze termijn verlengen tot ten hoogste acht weken. De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. 3 Indien binnen een door de raad van toezicht te bepalen termijn het bestuursreglement niet of niet volledig is vastgesteld, kan de raad van toezicht het bestuursreglement of het ontbrekende gedeelte daarvan vaststellen. 2015 349 09-10-2015 30-09-2015 34176 2015 351 19-10-2015 13-10-2015 01-11-2015 De in de Uitvoeringswet richtlijn jaarrekening (Stb. 2015/349)
vervatte voorschriften zijn van toepassing op jaarrekeningen,
bestuursverslagen en verslagen als bedoeld in artikel 392a die
worden opgesteld over de boekjaren die aanvangen op of na 1 januari
2016. De voorschriften van de Uitvoeringswet richtlijn jaarrekening
(Stb. 2015/349) kunnen worden toegepast op jaarrekeningen,
bestuursverslagen en verslagen als bedoeld in artikel 392a die
worden opgesteld over boekjaren die zijn aangevangen voor 1 januari 2016.
Artikel 12.13 — Artikel 12.13 Verantwoordingsplicht raad van toezicht#
Artikel 12.13 Verantwoordingsplicht raad van toezicht De raad van toezicht is verantwoording verschuldigd aan Onze Minister. Hij verstrekt Onze Minister de gevraagde inlichtingen betreffende zijn handelingen. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 12.14 — Artikel 12.14 Medezeggenschapsraad en dienstcommissies#
Artikel 12.14 Medezeggenschapsraad en dienstcommissies Vervallen 1994 942 21-12-1994 23218 1997 368 28-08-1997 20-08-1997 01-09-1997 Treedt in werking op 1 september 1997 voor wat betreft
universiteiten, OU, KNAW, KB en Nederlandse organisatie voor
wetenschappelijk onderzoek. Treedt in werking op 26 november
1997 voor de overige categorieën (Stb. 1997/545).
Artikel 12.15 — Artikel 12.15 Afdelingen en andere onderdelen#
Artikel 12.15 Afdelingen en andere onderdelen De raad van bestuur beslist, na overleg met het college van bestuur van de universiteit waaraan het ziekenhuis is verbonden, welke afdelingen en andere onderdelen het academisch ziekenhuis omvat. 2020 181 19-06-2020 10-06-2020 34768 2021 344 14-07-2021 07-07-2021 01-01-2022
Artikel 12.16 — Artikel 12.16 Afdelingshoofden, hoogleraren en ander wetenschappelijk personeel#
Artikel 12.16 Afdelingshoofden, hoogleraren en ander wetenschappelijk personeel 1 Onverminderd de verantwoordelijkheid van de raad van bestuur berust de verantwoordelijkheid voor de geneeskundige behandeling en verzorging der patiënten bij de hoofden van de desbetreffende afdelingen. Zij nemen daarbij de organisatorische en financiële kaders als aangegeven door de raad van bestuur in acht. 2 De afdelingshoofden worden als zodanig benoemd en ontslagen door de raad van bestuur. Tot afdelingshoofd wordt, in het algemeen, slechts benoemd een hoogleraar van de faculteit der geneeskunde, wiens vakgebied hem daarvoor in aanmerking doet komen. 3 artikel 12.2, tweede lid De in, bedoelde hoogleraren, niet zijnde afdelingshoofd, en andere leden van het wetenschappelijk personeel waarvan de functie meebrengt dat zij mede worden belast met patiëntenzorg behoeven tevens een aanstelling bij het academisch ziekenhuis. 4 De benoeming en het ontslag van de in het tweede en derde lid bedoelde personen aan de universiteit behoeven de instemming van de raad van bestuur. De benoeming en het ontslag van de in het tweede en derde lid bedoelde personen aan het academisch ziekenhuis behoeven de instemming van het college van bestuur. 5 De raad van bestuur stelt in overeenstemming met het college van bestuur voor de in het tweede en derde lid bedoelde personen een instructie vast. In de instructie, bedoeld in de eerste volzin, wordt ten aanzien van de in het tweede en derde lid bedoelde personen, in ieder geval bepaald: a. de wijze waarop de wederzijdse bevoegdheden van de raad van bestuur en het college van bestuur ten aanzien van die personen worden uitgeoefend; b. of het rechtspositieregime dat geldt voor het personeel van de universiteit dan wel het rechtspositieregime dat geldt voor het personeel van het academisch ziekenhuis van toepassing is. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 12.17 — Artikel 12.17 Stafconvent, taak en samenstelling#
Artikel 12.17 Stafconvent, taak en samenstelling 1 Er is een stafconvent, dat overeenkomstig in het bestuursreglement te stellen regelen medewerkt aan het bestuur van het academisch ziekenhuis. 2 De samenstelling van het stafconvent wordt vastgesteld in het bestuursreglement met dien verstande, dat de afdelingshoofden in elk geval zitting hebben in dit convent. 3 De leden van het stafconvent kiezen uit hun midden een voorzitter en een secretaris overeenkomstig in het bestuursreglement te stellen regelen. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 12.18 — Artikel 12.18 Structuurregeling, inlichtingenplicht, jaarverslag bijzonder academisch ziekenhuis#
Artikel 12.18 Structuurregeling, inlichtingenplicht, jaarverslag bijzonder academisch ziekenhuis 1 paragraaf 2 De besturen van de rechtspersonen, waarvan de bijzondere academisch ziekenhuizen uitgaan, stellen regelen vast inzake het bestuur en de inrichting van die academisch ziekenhuizen, in afstemming met de besturen van de rechtspersonen, waarvan de universiteiten uitgaan, waaraan deze academische ziekenhuizen zijn verbonden. Bij de vaststelling van de regelen inzake het bestuur en de inrichting van het academisch ziekenhuis wordtin acht genomen voorzover de eigen aard van het bijzonder academisch ziekenhuis zich daartegen naar het oordeel van het bestuur niet verzet. Zij brengen die regelen alsmede wijzigingen daarvan zo spoedig mogelijk ter kennis van Onze Minister. 2 artikel 1.14, tweede lid, onder c paragraaf 2 De regelen alsmede de wijzigingen daarvan, bedoeld in het eerste lid, voldoen aan de in, bedoelde voorwaarde, indien Onze Minister niet binnen drie maanden na de ontvangst van de mededeling bij een aan het betrokken bestuur gericht aangetekend schrijven heeft verklaard van oordeel te zijn, dat het betrokken bestuur bij de vaststelling van de regelen of de wijziging daarvan op door hem aan te wijzen puntenniet in acht heeft genomen en daartoe in redelijkheid geen beroep heeft kunnen doen op de eigen aard van het bijzonder academisch ziekenhuis die zich tegen inachtneming daarvan zou verzetten, of dat onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. 3 De in het eerste lid bedoelde besturen geven aan Onze Minister de nodige inlichtingen omtrent het academisch ziekenhuis. 4 De werking van het besluit van Onze Minister, bedoeld in het tweede lid, wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. 2023 226 23-06-2023 07-06-2023 36276 2023 324 04-10-2023 20-09-2023 01-01-2024
Artikel 12.19 — Artikel 12.19 Oprichting en taak gemeenschappelijk beleidsorgaan#
Artikel 12.19 Oprichting en taak gemeenschappelijk beleidsorgaan 1 De universiteit en het daaraan verbonden academisch ziekenhuis richten gezamenlijk een gemeenschappelijk beleidsorgaan op. 2 Het gemeenschappelijk beleidsorgaan heeft tot taak een doelmatige samenwerking op het terrein van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek tussen de universiteit en het academisch ziekenhuis te bevorderen. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 12.20 — Artikel 12.20 Gemeenschappelijke regeling#
Artikel 12.20 Gemeenschappelijke regeling 1 De oprichting van een gemeenschappelijk beleidsorgaan geschiedt bij een gemeenschappelijke regeling, die wordt getroffen door het college van bestuur en de raad van bestuur, na overleg met de universiteitsraad of ondernemingsraad, onderscheidenlijk de raad van toezicht. De gemeenschappelijke regeling wordt door het college van bestuur en de raad van toezicht gezamenlijk aan Onze Minister gezonden. 2 Onder het treffen van een gemeenschappelijke regeling wordt mede verstaan het wijzigen van die regeling. 3 De gemeenschappelijke regeling voorziet in de samenstelling, de bevoegdheden, de taken en de werkwijze van het gemeenschappelijk beleidsorgaan met inachtneming van het in deze wet bepaalde. 4 In de gemeenschappelijke regeling wordt bepaald op welke wijze geschillen omtrent de uitvoering of toepassing daarvan worden beslist. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 12.21 — Artikel 12.21 Bijzondere taak gemeenschappelijk beleidsorgaan#
Artikel 12.21 Bijzondere taak gemeenschappelijk beleidsorgaan Een universiteit en het daaraan verbonden academisch ziekenhuis voeren overleg over de onderlinge afstemming van hun werkzaamheden op het gebied van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek. Het gemeenschappelijk beleidsorgaan stelt het document vast, waarin de resultaten van dit overleg zijn vastgelegd. Voorzover de universiteit en het academisch ziekenhuis niet binnen redelijke tijd tot overeenstemming hebben kunnen komen, stelt het gemeenschappelijk beleidsorgaan zelf de onderlinge afstemming van werkzaamheden, bedoeld in de eerste volzin, vast. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 12.22 — Artikel 12.22 Het gemeenschappelijk uitvoeringsorgaan#
Artikel 12.22 Het gemeenschappelijk uitvoeringsorgaan artikel 12.21 Het college van bestuur en de raad van bestuur kunnen bij overeenkomst een gemeenschappelijk uitvoeringsorgaan instellen voor de uitvoering van het document, bedoeld in. Daartoe voorziet de overeenkomst in de overdracht van bevoegdheden van het college van bestuur en van de raad van bestuur aan het gemeenschappelijk uitvoeringsorgaan. De besluiten van het gemeenschappelijk uitvoeringsorgaan, genomen krachtens enige door het college van bestuur overgedragen bevoegdheid kunnen bij koninklijk besluit worden vernietigd. 2001 207 10-05-2001 11-04-2001 27265 2001 208 10-05-2001 20-04-2001 11-05-2001
Artikel 12.23 — Artikel 12.23 Overleg bestuur faculteit der geneeskunde en raad van bestuur#
Artikel 12.23 Overleg bestuur faculteit der geneeskunde en raad van bestuur Het bestuur van de faculteit der geneeskunde en de raad van bestuur stellen bij gezamenlijk besluit vast op welke wijze zij periodiek overleg voeren over aangelegenheden betreffende het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek. Het in de eerste volzin bedoelde besluit regelt de samenstelling en de inrichting van het overleg. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 13.1 — Artikel 13.1 Het algemeen bestuur en de algemene vergadering#
Artikel 13.1 Het algemeen bestuur en de algemene vergadering 1 De bevoegdheid tot regeling en bestuur van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen berust bij het algemeen bestuur, voorzover die bevoegdheid niet bij of krachtens deze wet aan andere organen van de academie is opgedragen. Het algemeen bestuur oefent de taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens deze wet aan het instellingsbestuur zijn opgedragen, voorzover bij of krachtens dit hoofdstuk niet anders is bepaald. 2 artikel 13.2 De leden van de academie vormen de algemene vergadering. De wijze waarop de leden van de academie worden benoemd, wordt geregeld in het reglement, bedoeld in. 3 De leden van het algemeen bestuur worden gekozen door en uit de algemene vergadering. 4 Het algemeen bestuur is verantwoording verschuldigd aan de algemene vergadering. Het verstrekt de algemene vergadering en Onze Minister de gevraagde inlichtingen. 5 Onze Minister kan aan een of meer leden van het algemeen bestuur een bezoldiging of toelage toekennen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld betreffende de rechtspositie van de leden van het algemeen bestuur aan wie een bezoldiging is toegekend. 6 De voorzitter van het algemeen bestuur vertegenwoordigt de academie in en buiten rechte. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 13.2 — Artikel 13.2 Het reglement#
Artikel 13.2 Het reglement 1 Ten behoeve van de nadere regeling van het bestuur en de inrichting van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen stelt de algemene vergadering met inachtneming van het daaromtrent bij of krachtens deze wet bepaalde een reglement vast. 2 Het reglement regelt in elk geval de wijze van benoeming, schorsing en ontslag van de leden van het algemeen bestuur alsmede hun vervanging bij afwezigheid of ontstentenis. 3 Het algemeen bestuur zendt het reglement en elke wijziging daarvan ter kennis aan Onze Minister. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 13.3 — Artikel 13.3 Het algemeen bestuur#
Artikel 13.3 Het algemeen bestuur 1 De bevoegdheid tot regeling en bestuur van de Koninklijke Bibliotheek berust bij het algemeen bestuur voorzover die bevoegdheid niet bij of krachtens deze wet aan de bibliothecaris is opgedragen. Het algemeen bestuur oefent de taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens de wet aan het instellingsbestuur zijn opgedragen, voorzover bij of krachtens dit hoofdstuk niet anders is bepaald. 2 Het algemeen bestuur bestaat uit een voorzitter, tevens lid, en ten hoogste vier andere leden. Het aantal leden wordt door Onze Minister bepaald. 3 De leden van het algemeen bestuur worden door Onze Minister benoemd, geschorst en ontslagen. De benoeming geschiedt voor een door Onze Minister te bepalen termijn. 4 De leden van het algemeen bestuur kunnen door Onze Minister, de overige leden van het algemeen bestuur gehoord, worden geschorst en tussentijds ontslagen. 5 Onze Minister kan aan een of meer leden van het algemeen bestuur een bezoldiging of toelage toekennen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld betreffen de rechtspositie van de leden van het algemeen bestuur aan wie een bezoldiging is toegekend. 6 De voorzitter van het algemeen bestuur vertegenwoordigt de bibliotheek in en buiten rechte. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 13.4 — Artikel 13.4 Verantwoordingsplicht algemeen bestuur#
Artikel 13.4 Verantwoordingsplicht algemeen bestuur Vervallen 2014 470 05-12-2014 19-11-2014 33846 2014 471 05-12-2014 28-11-2014 01-01-2015
Artikel 13.5 — Artikel 13.5 Bibliothecaris#
Artikel 13.5 Bibliothecaris 1 Binnen het kader van het door het algemeen bestuur vastgestelde beleid berust de leiding van de Koninklijke Bibliotheek bij de bibliothecaris. 2 De bibliothecaris heeft tot taak het beleid van het algemeen bestuur voor te bereiden en ten uitvoer te leggen. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 13.6 — Artikel 13.6 Reglement#
Artikel 13.6 Reglement 1 Ten behoeve van de nadere regeling van het bestuur en de inrichting van de Koninklijke Bibliotheek stelt het algemeen bestuur met inachtneming van het daaromtrent bij of krachtens deze wet bepaalde een reglement vast. 2 Het reglement regelt in elk geval de vervanging van de leden van het algemeen bestuur bij afwezigheid of ontstentenis. 2014 470 05-12-2014 19-11-2014 33846 2014 471 05-12-2014 28-11-2014 01-01-2015
Artikel 13.7 — Artikel 13.7 Dienstcommissies#
Artikel 13.7 Dienstcommissies Vervallen 1995 231 04-05-1995 13-04-1995 23551 1996 315 25-06-1996 14-06-1996 26-06-1996 01-11-1995 Werkt terug tot en met 1 november 1995.
Artikel 13.8 — Artikel 13.8 Openbaarheid#
Artikel 13.8 Openbaarheid 1 Het algemeen bestuur verschaft desgevraagd alsmede uit eigen beweging informatie over de instelling aan belanghebbenden en belangstellenden. Het reglement regelt in welke gevallen het verschaffen van informatie achterwege blijft. 2 Het algemeen bestuur stelt regels vast voor het berekenen van tarieven bij het op verzoek verschaffen van informatie. 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 2000 11 18-01-2000 10-01-2000 01-01-2000
Artikel 13.9 — Artikel 13.9 Schorsing en vernietiging van besluiten#
Artikel 13.9 Schorsing en vernietiging van besluiten 1 artikel 13.2 De besluiten van het algemeen bestuur kunnen bij koninklijk besluit worden vernietigd. Het bepaalde in de eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op het besluit van de algemene vergadering van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen tot vaststelling of wijziging van het inbedoelde reglement. 2 Het besluit tot schorsing of vernietiging wordt in het Staatsblad geplaatst. 3 artikel 22 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen Het eerste lid is niet van toepassing op bestuursrechtelijke besluiten van het algemeen bestuur van de Koninklijke Bibliotheek. Hierop isvan toepassing. 2014 470 05-12-2014 19-11-2014 33846 2014 471 05-12-2014 28-11-2014 01-01-2015
Artikel 13.10 — Artikel 13.10 Taakverwaarlozingsregeling#
Artikel 13.10 Taakverwaarlozingsregeling 1 Indien het algemeen bestuur naar het oordeel van Onze Minister zijn taak ernstig verwaarloost, kan Onze Minister de noodzakelijke voorzieningen treffen. 2 De voorzieningen worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet eerder getroffen dan nadat het algemeen bestuur in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen termijn alsnog zijn taak naar behoren uit te voeren. 3 Onze Minister stelt de beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld in kennis van door hem getroffen voorzieningen als bedoeld in het eerste lid. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 13.11 — Artikel 13.11 Voorziening na schorsing en vernietiging#
Artikel 13.11 Voorziening na schorsing en vernietiging Vervallen 2001 207 10-05-2001 11-04-2001 27265 2001 208 10-05-2001 20-04-2001 11-05-2001
Artikel 14.1 — Artikel 14.1 Beroep op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State#
Artikel 14.1 Beroep op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 14.2 — Artikel 14.2 Intreden gevolgen van toekenning van rechten na beroep#
Artikel 14.2 Intreden gevolgen van toekenning van rechten na beroep 1 artikelen 6.14, vierde lid, tweede volzin 7.17 Indien de uitspraak op een beroep tegen een beschikking als bedoeld in deen, strekt tot registratie of goedkeuring, treden de gevolgen daarvan in met ingang van het studiejaar dat aanvangt na het kalenderjaar waarin de uitspraak is gedaan. 2 Indien tegen de uitspraak hoger beroep openstaat, wordt de werking van de uitspraak, bedoeld in het eerste lid, opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken of, indien hoger beroep is ingesteld, op het hoger beroep is beslist. 2005 32 27-01-2005 23-12-2004 28925 2005 72 22-02-2005 08-02-2005 01-03-2005
Artikel 15.1 — Artikel 15.1 Inhouding bekostiging#
Artikel 15.1 Inhouding bekostiging 1 Onze Minister kan de rijksbijdrage, een voorschot daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk inhouden dan wel opschorten, indien: a. artikel 1.4 1.5 1.8 een of meer organen van een instelling als bedoeld in,ofin strijd handelen met het bepaalde bij of krachtens deze wet; b. artikel 9.9a 9.51, tweede lid, zesde volzin 10.3e 11.7a artikel 9.9b 10.3e1 11.7b de raad van toezicht een aanwijzing als bedoeld in,,ofof een spoedaanwijzing als bedoeld in,ofniet opvolgt; of c. artikel 9.51, achtste lid het bestuur een aanwijzing als bedoeld in, niet opvolgt. 2 artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien het instellingsbestuur, het personeel van een instelling of het accreditatieorgaan in strijd handelt met. 3 Onze Minister kent de rijksbijdrage wederom toe, indien blijkt dat de reden voor de toepassing van het eerste of tweede lid is vervallen. 2023 212 21-06-2023 07-06-2023 35920 2023 213 21-06-2023 19-06-2023 01-08-2023
Artikel 15.2 — Artikel 15.2 Schadevergoeding niet-gerechtigde deelname onderwijs#
Artikel 15.2 Schadevergoeding niet-gerechtigde deelname onderwijs bijlage Degene die niet is ingeschreven en gebruikmaakt van onderwijs- of examenvoorzieningen ten behoeve van onderwijs van een in devan deze wet opgenomen instelling, is deswege aan die instelling een schadevergoeding verschuldigd, die door het instellingsbestuur wordt vastgesteld: a. artikel 7.46, tweede lid met toepassing van, indien het deelname aan een voltijdse opleiding betreft, of b. artikel 7.45, tweede lid met toepassing van, indien het deelname aan een deeltijdse of duale opleiding betreft. 2013 70 27-02-2013 28-01-2013 33452 2013 70 27-02-2013 28-01-2013 33452 28-02-2013
Artikel 15.3 — Artikel 15.3 Geldboete niet-gerechtigde deelname onderwijs#
Artikel 15.3 Geldboete niet-gerechtigde deelname onderwijs bijlage Degene die niet is ingeschreven en gebruikt maakt van onderwijs- of examenvoorzieningen ten behoeve van initieel onderwijs van een in devan deze wet opgenomen instelling, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie. 2005 276 02-06-2005 12-05-2005 27848 2005 396 02-08-2005 16-07-2005 03-08-2005
Artikel 15.4 — Artikel 15.4 Geldboete niet-nakoming identificatieplicht#
Artikel 15.4 Geldboete niet-nakoming identificatieplicht 1 bijlage Degene die aan onderwijs- of examenvoorzieningen ten behoeve van initieel onderwijs aan een in devan deze wet opgenomen instelling deelneemt, is verplicht bij die gelegenheid of onmiddellijk daarna op eerste vordering van of vanwege het instellingsbestuur aan dat bestuur dan wel aan een door dat bestuur aangewezen persoon of personen zijn naam en adres bekend te maken en het bewijs waaruit blijkt dat hij gerechtigd is daaraan deel te nemen, behoorlijk ter inzage te geven. 2 Degene die in strijd handelt met het eerste lid, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie. 2005 276 02-06-2005 12-05-2005 27848 2005 396 02-08-2005 16-07-2005 03-08-2005
Artikel 15.5 — Artikel 15.5 Geldboete ten onrechte afgegeven getuigschriften#
Artikel 15.5 Geldboete ten onrechte afgegeven getuigschriften Degene die aan een in de bijlage van deze wet genoemde instelling meewerkt aan het afgeven van een getuigschrift zonder dat ten aanzien van degene die het desbetreffende examen of onderzoek met goed gevolg heeft afgelegd onderscheidenlijk heeft ondergaan, door het instellingsbestuur is verklaard dat het getuigschrift kan worden afgegeven, wordt gestraft met geldboete van de derde categorie. 2004 344 20-07-2004 30-06-2004 28088 2005 672 22-12-2005 05-12-2005 01-08-2006
Artikel 15.6 — Artikel 15.6 Karakter strafbare feiten#
Artikel 15.6 Karakter strafbare feiten artikelen 15.3 15.4 15.5 De in de,enstrafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. 2017 97 21-03-2017 08-03-2017 34412 2017 191 17-05-2017 04-05-2017 01-09-2017 Voorheen art. 15.7.
Artikel 15.7 — Artikel 15.7 Niet-gerechtigde verlening graden en titels#
Artikel 15.7 Niet-gerechtigde verlening graden en titels 1 Het is verboden graden te verlenen of in het vooruitzicht te stellen, tenzij: a. aan de opleiding accreditatie is verleend, of b. artikel 5.21, derde of zesde lid artikel 5.32 toepassing is gegeven aan, of, of c. de graad wordt verleend op grond van een buitenlandse wettelijke regeling en zowel bij het aantrekken van studenten als bij de graadverlening kenbaar is gemaakt tot welke graad de opleiding leidt en op grond van welke buitenlandse regeling de graad wordt verleend, of d. artikel 7.18, eerste of zesde lid artikel 1.22, tweede lid de graad wordt verleend op grond van, of de uitzondering, bedoeld in, van toepassing is. 2 artikelen 7.20 7.22, tweede lid 7a.5 Het is verboden titels, genoemd in de,, en, te verlenen of in het vooruitzicht te stellen. 3 Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen aan degene die in strijd met het eerste of tweede lid handelt. 2025 280 20-10-2025 01-10-2025 36707 2025 351 13-11-2025 03-11-2025 01-01-2026
Artikel 15.8 — Artikel 15.8 Niet-gerechtigd voeren naam universiteit of hogeschool of niet voldoen aan informatieplicht#
Artikel 15.8 Niet-gerechtigd voeren naam universiteit of hogeschool of niet voldoen aan informatieplicht artikel 1.22 1.23 1.24 7.15 Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon die handelt in strijd met,,of. 2017 97 21-03-2017 08-03-2017 34412 2017 191 17-05-2017 04-05-2017 01-06-2017
Artikel 15.9 — Artikel 15.9 Hoogte bestuurlijke boete#
Artikel 15.9 Hoogte bestuurlijke boete artikel 15.7 artikel 15.8 artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES De bestuurlijke boete die op grond vanenkan worden opgelegd, bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in, respectievelijkof, indien dat meer is, ten hoogste 10% van de omzet van de onderneming, onderscheidenlijk, indien de overtreding door een ondernemersvereniging is begaan, van de gezamenlijke omzet van de ondernemingen die van de vereniging deel uitmaken, in het boekjaar voorafgaande aan de beschikking waarin de bestuurlijke boete wordt opgelegd. 2017 97 21-03-2017 08-03-2017 34412 2017 191 17-05-2017 04-05-2017 01-06-2017
Artikel 16.1 — Artikel 16.1 Tijdelijk karakter bepalingen van hoofdstuk 16#
Artikel 16.1 Tijdelijk karakter bepalingen van hoofdstuk 16 16.2 tot en met 16.6 16.8 16.9 De artikelen,envervallen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen verschillend kan worden gesteld. 2011 95 01-03-2011 27-01-2011 32040 2011 388 26-08-2011 08-08-2011 01-10-2011
Artikel 16.2 — Artikel 16.2 Handhaving onderwijsbevoegdheid voormalig ingenieursexamen technische hogeschool Delft#
Artikel 16.2 Handhaving onderwijsbevoegdheid voormalig ingenieursexamen technische hogeschool Delft Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 16.3 — Artikel 16.3 Handhaving bewijzen van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding#
Artikel 16.3 Handhaving bewijzen van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding Naast de bewijzen van voldoende didactische voorbereiding die voor 1 augustus 1993 aan een hogeschool of voor 1 september 1993 aan een universiteit zijn verkregen, alsmede de verklaringen van voldoende didactische voorbereiding die op grond van artikel 54, vierde lid, of artikel 110a, vierde lid, van de Wet op het hoger beroepsonderwijs zijn verkregen, gelden als zodanig de op 31 juli 1986 bestaande bewijzen van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding. 2005 276 02-06-2005 12-05-2005 27848 2005 696 27-12-2005 09-12-2005 01-01-2006 Treedt in werking met ingang van de tweede dag na het tijdstip waarop de Reparatiewet OCW 2005 in werking treedt.
Artikel 16.4 — Artikel 16.4 Handhaving rechtspositieregelingen leden bestuursorganen#
Artikel 16.4 Handhaving rechtspositieregelingen leden bestuursorganen artikelen 13.1 13.3 Tot het tijdstip van inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in deen, blijven de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende regels ten aanzien van de desbetreffende leden van bestuursorganen van toepassing. 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 16.5 — Artikel 16.5 Aanvullende en afwijkende vooropleidingseisen initiële lerarenopleidingen#
Artikel 16.5 Aanvullende en afwijkende vooropleidingseisen initiële lerarenopleidingen Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 16.6 — Artikel 16.6 Afwijkende vooropleidingseisen hogere kaderopleiding pedagogiek#
Artikel 16.6 Afwijkende vooropleidingseisen hogere kaderopleiding pedagogiek Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 16.7 — Artikel 16.7 Voorbereidende perioden voor opleidingen muziek en dans#
Artikel 16.7 Voorbereidende perioden voor opleidingen muziek en dans Vervallen 2005 697 29-12-2005 17-11-2005 30239 2005 696 27-12-2005 09-12-2005 01-01-2006 De wijziging is in werking getreden op 30 december 2005, Stb. 2005/697. 2005 276 02-06-2005 12-05-2005 27848 2005 696 27-12-2005 09-12-2005 01-01-2006 Treedt in werking met ingang van de tweede dag na het tijdstip waarop de Reparatiewet OCW 2005 in werking treedt.
Artikel 16.8 — Artikel 16.8 Eindtermen voor de opleiding tot leraar basisonderwijs#
Artikel 16.8 Eindtermen voor de opleiding tot leraar basisonderwijs Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 16.9 — Artikel 16.9 Verticale onderwijsgemeenschap beroepsonderwijs-hbo#
Artikel 16.9 Verticale onderwijsgemeenschap beroepsonderwijs-hbo Vervallen 2021 548 15-11-2021 11-11-2021 35606 2021 590 03-12-2021 26-11-2021 01-01-2022
Artikel 16.10 — Artikel 16.10 Overgangsrecht aangewezen onderwijs#
Artikel 16.10 Overgangsrecht aangewezen onderwijs Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 16.11 — Artikel 16.11 Getuigschriften#
Artikel 16.11 Getuigschriften 1 Degenen die een getuigschrift hebben verkregen van een met goed gevolg afgelegd doctoraal examen of propedeutisch examen als bedoeld in de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, afsluitend examen of propedeutisch examen als bedoeld in de Wet op het hoger beroepsonderwijs of examen van een diplomaprogramma als bedoeld in de Wet op de Open Universiteit, worden geacht dat getuigschrift te hebben verkregen op grond van deze wet. 2 Experimentenwet onderwijs artikel D.10 van de Invoeringswet W.H.B.O. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op opleidingen op het gebied van het hoger onderwijs die in het tijdvak 1970 tot en met 1998 zijn bekostigd op grond van de, alsmede op de getuigschriften en examens, bedoeld in 2005 276 02-06-2005 12-05-2005 27848 2005 696 27-12-2005 09-12-2005 01-01-2006 Treedt in werking met ingang van de tweede dag na het tijdstip waarop de Reparatiewet OCW 2005 in werking treedt.
Artikel 16.12 — Artikel 16.12 Titel doctor#
Artikel 16.12 Titel doctor 1 artikel 7.22, eerste lid Degenen die op grond van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs of de Wet op de Open Universiteit gerechtigd zijn de titel doctor te voeren, worden geacht dat recht te hebben verkregen op grond van, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde. 2 Artikel 7.22, derde lid Het doctoraat in de godgeleerdheid of in de wijsbegeerte, verkregen aan een Nederlandse kerkelijke instelling van wetenschappelijk onderwijs, welke reeds op 1 januari 1960 dit doctoraat verleende, geeft het recht tot het voeren van de titel doctor., zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, is van toepassing. 2005 276 02-06-2005 12-05-2005 27848 2005 696 27-12-2005 09-12-2005 01-01-2006 01-09-2002 Treedt in werking met ingang van de tweede dag na het tijdstip waarop de Reparatiewet OCW 2005 in werking treedt.
Artikel 16.13 — Artikel 16.13 Overige titulatuur#
Artikel 16.13 Overige titulatuur 1 Invoeringswet W.H.B.O. artikel 7.20, eerste lid Degenen die op grond van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, de Wet op het hoger beroepsonderwijs, deof de Wet op de Open Universiteit gerechtigd zijn een of meer van de in die wetten geregelde titels te voeren, worden geacht dat recht te hebben verkregen op grond van, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde. 2 artikel 16.11, tweede lid Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de opleidingen, bedoeld in, doch uitsluitend voorzover krachtens de Experimentenwet onderwijs het recht tot het voeren van de titel ingenieur, afgekort tot ing., of de titel baccalaureus is verleend. 3 Artikel 7.20, eerste lid, aanhef en onder a , zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, is van overeenkomstige toepassing op degene die in het tijdvak 5 mei 1945 tot en met 31 december 1948 het diploma van vliegtuigbouwkundig ingenieur heeft verkregen aan de Technische Hogeschool te Delft. 4 artikel 7.20, eerste lid, aanhef en onder c artikel 7.20, eerste lid, onder d In afwijking van, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, is degene die in het studiejaar 1992–1993 was ingeschreven voor de in het Academisch Statuut bedoelde internationaal-juridische, juridisch bestuurswetenschappelijke of juridisch politiekwetenschappelijke studierichting en die in het studiejaar 1993–1994 of het studiejaar 1994–1995 die opleiding heeft afgerond door met goed gevolg het afsluitend examen af te leggen, gerechtigd tot het voeren van de in, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, bedoelde titel, mits de examencommissie op zijn verzoek op het desbetreffende getuigschrift een aantekening heeft geplaatst. 2005 276 02-06-2005 12-05-2005 27848 2005 696 27-12-2005 09-12-2005 01-01-2006 01-09-2002 Treedt in werking met ingang van de tweede dag na het tijdstip waarop de Reparatiewet OCW 2005 in werking treedt.
Artikel 16.14 — Artikel 16.14 Doctoraten Internationaal Instituut voor Sociale Studiën#
Artikel 16.14 Doctoraten Internationaal Instituut voor Sociale Studiën 1 artikel 7.10a, eerste of tweede lid Aan het Internationaal Instituut voor Sociale Studiën te ’s-Gravenhage kan het doctoraat worden verkregen op grond van de promotie. Tot de promotie heeft toegang ieder die met goed gevolg het afsluitend examen verbonden aan een opleiding in het derde lid, heeft afgelegd, dan wel aan wie op grond van, de graad Master is verleend, onverminderd het tweede lid. 2 artikelen 1.12, vijfde lid 1.18, eerste en tweede volzin 7.18, tweede lid, aanhef en onder b en c, derde, vierde en vijfde lid 7.19 7.22 bijlage De,,,enzijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van het college voor promoties een of meer hoogleraren van een in devan deze wet onder a of b opgenomen universiteit deel uitmaken. 3 Onze Minister besluit op grond van welke opleidingen, verzorgd door het Internationaal Instituut voor Sociale Studiën, toegang tot de promotie kan worden verkregen. Het besluit wordt niet genomen dan nadat ten genoegen van Onze Minister door het instellingsbestuur het bewijs is geleverd van voldoende kwaliteit van de desbetreffende onderwijsactiviteiten alsmede het bewijs dat wordt voldaan aan het tweede lid. 4 Onze Minister kan een besluit als bedoeld in het derde lid intrekken, indien gebleken is dat de kwaliteit van de desbetreffende onderwijsactiviteiten gedurende een reeks van jaren onvoldoende is geweest dan wel niet of niet meer voldaan wordt aan het tweede lid. 5 Indien Onze Minister voornemens is toepassing te geven aan het vierde lid, geeft hij een waarschuwing aan het instellingsbestuur, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande kan plaatsvinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven, bedraagt ten minste drie maanden. Bij zijn besluit tot intrekking bepaalt Onze Minister het tijdstip waarop de intrekking van kracht wordt, zodanig dat degenen die de voorbereiding van de promotie reeds ter hand hebben genomen, binnen redelijke termijn het doctoraat kunnen verkrijgen. 6 De werking van het besluit van Onze Minister, bedoeld in het vierde lid, wordt opgeschort, totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 16.15 — Artikel 16.15 Bestuursoverdracht openbare hogeschool#
Artikel 16.15 Bestuursoverdracht openbare hogeschool Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 16.16 — Artikel 16.16 Bestuurlijke, institutionele fusie en reikwijdte#
Artikel 16.16 Bestuurlijke, institutionele fusie en reikwijdte 1 artikel 10.8, eerste lid De rechtspersoon die een bijzondere hogeschool in stand houdt, kan de instandhouding daarvan overdragen aan een andere rechtspersoon die een bijzondere hogeschool in stand houdt en die voldoet aanof kan fuseren met een rechtspersoon die een andere bijzondere hogeschool in stand houdt. De overdracht van de instandhouding alsmede de fusie bedoeld in de eerste volzin wordt aangemerkt als bestuurlijke fusie. 2 Een rechtspersoon die twee of meer hogescholen in stand houdt, kan deze samenvoegen tot een hogeschool. Deze samenvoeging wordt aangemerkt als institutionele fusie. 3 boek 3 van het Burgerlijk Wetboek De overdracht, bedoeld in het eerste lid, geschiedt bij notariële akte. Bij die akte verbindt de overdragende rechtspersoon zich tevens de rechten ten aanzien van de gebouwen, terreinen en roerende zaken over te dragen. Die akte geldt tevens als akte van levering bedoeld in. In de akte wordt tevens bepaald dat het lichaam waaraan of de rechtspersoon aan wie wordt overgedragen, het personeel in gelijke betrekkingen aan de instelling benoemt met ingang van de datum van overdracht. 4 Door overdracht met inachtneming van het eerste en derde lid treedt het verkrijgende lichaam op of de verkrijgende rechtspersoon in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen van zijn rechtsvoorganger, onverminderd hetgeen verder voor de overgang daarvan naar burgerlijk recht is vereist. 5 artikelen 16.16 tot en met 16.16c De, met uitzondering van artikel 16.16, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de rechtspersonen die bijzondere universiteiten in stand houden. 2019 395 07-11-2019 27-09-2019 35089 2019 434 28-11-2019 20-11-2019 01-01-2020
Artikel 16.16a — Artikel 16.16a Fusievoorwaarden#
Artikel 16.16a Fusievoorwaarden 1 Wet educatie en beroepsonderwijs Wet voortgezet onderwijs 2020 Een institutionele dan wel bestuurlijke fusie wordt niet tot stand gebracht dan nadat daarvoor goedkeuring is verleend door Onze Minister. De eerste volzin geldt eveneens indien daarbij is betrokken een bestuursoverdracht van rechtspersonen die een instelling als bedoeld in dein stand houden, of een school als bedoeld in deaan een rechtspersoon die een instelling in stand houdt. 2 De rechtspersoon dan wel de rechtspersonen dan wel de instellingen dienen gezamenlijk een aanvraag in bij Onze Minister voor het verkrijgen van de goedkeuring bedoeld in het eerste lid. De aanvraag gaat vergezeld van: a. een fusie-effectrapportage opgesteld door de betrokken rechtspersoon dan wel rechtspersonen dan wel door de betrokken instellingen, en b. een schriftelijke verklaring van instemming van de medezeggenschapsraden, dan wel voor zover het betreft een bijzondere universiteit de universiteitsraden, over de voorgenomen fusie die is voorafgegaan door de kennisname van de fusie-effectrapportage door de medezeggenschapsraden respectievelijk de universiteitsraden. 3 artikel 1.8, derde lid De schriftelijke verklaring van instemming, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, maakt onderdeel uit van de mededeling, bedoeld in. 4 De fusie-effectrapportage bevat ten minste een weergave van: a. de motieven voor de fusie, b. de alternatieven voor de fusie, c. het tijdsbestek waarbinnen de fusie zal worden gerealiseerd, d. de te bereiken doelen, e. de effecten van de fusie op de keuzevrijheid, in het bijzonder de effecten van de fusie op de spreiding van voorzieningen en de diversiteit van het onderwijsaanbod in het hoger beroepsonderwijs, f. de kosten en baten van de fusie, g. de gevolgen van de fusie voor het personeel en de studenten, waaronder begrepen de gevolgen voor de dienstverlening en de voorzieningen en de eventuele gevolgen voor andere belanghebbende partijen, h. de wijze waarop over de fusie wordt gecommuniceerd, en i. de wijze waarop de fusie wordt geëvalueerd. 5 Bij ministeriële regeling wordt een modelformulier voor de fusie-effectrapportage vastgesteld. 2021 57 10-02-2021 27-01-2021 35611 2021 599 09-12-2021 29-11-2021 01-08-2022
Artikel 16.16b — Artikel 16.16b Toets#
Artikel 16.16b Toets 1 Onze Minister kan goedkeuring onthouden indien als gevolg van de fusie, de daadwerkelijke variatie van het onderwijsaanbod, zowel in het opzicht van de spreiding van voorzieningen als de diversiteit van het opleidingenaanbod in het hoger onderwijs, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het onderwijs op significante wijze wordt belemmerd. 2 Onze Minister verleent zijn goedkeuring aan een institutionele fusie indien dit noodzakelijk is voor de voortzetting van de uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen van een of meer betrokken hogescholen. 3 artikel 6.2, tweede lid Onze Minister laat zich ten aanzien van de goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, adviseren door de adviescommissie, bedoeld in. 4 Onze Minister stelt beleidsregels vast omtrent de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid. 2011 95 01-03-2011 27-01-2011 32040 2011 388 26-08-2011 08-08-2011 01-10-2011
Artikel 16.16c — Artikel 16.16c Toetstermijn en verlenging#
Artikel 16.16c Toetstermijn en verlenging 1 artikel 16.16b Onze Minister besluit binnen 13 weken op een aanvraag als bedoeld in. 2 De termijn bedoeld in het eerste lid kan ten hoogste met 13 weken worden verlengd. Van deze verlenging wordt binnen de 13 weken bedoeld in het eerste lid, mededeling gedaan aan de aanvrager. 3 paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht Op het besluit bedoeld in het eerste lid isvan toepassing. 2011 95 01-03-2011 27-01-2011 32040 2011 388 26-08-2011 08-08-2011 01-10-2011
Artikel 16.17 — Artikel 16.17 Omzetting, splitsing en verplaatsing hogeschool#
Artikel 16.17 Omzetting, splitsing en verplaatsing hogeschool Onze Minister kan goedkeuren dat een bekostigde hogeschool wordt gesplitst of een andere plaats van vestiging krijgt. Onze Minister kan aan zijn goedkeuring voorwaarden verbinden. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 16.18 — Artikel 16.18 Splitsing rechtspersoon waarvan een bijzondere hogeschool uitgaat#
Artikel 16.18 Splitsing rechtspersoon waarvan een bijzondere hogeschool uitgaat artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek artikel 16.16, tweede en derde lid Bij een splitsing als bedoeld invan een rechtspersoon die een bijzondere hogeschool in stand houdt, wordt in de splitsingsakte bepaald dat de voortbestaande, splitsende rechtspersoon de hogeschool in stand zal houden of op welke verkrijgende rechtspersoon de instandhouding van de hogeschool overgaat. In het laatste geval is, van overeenkomstige toepassing. 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 16.19 — Artikel 16.19 Wijziging bijlage van de wet van rechtswege#
Artikel 16.19 Wijziging bijlage van de wet van rechtswege 1 artikel 16.16 bijlage In geval van een fusie als bedoeld inworden het lichaam dat of de rechtspersoon die de desbetreffende instelling na de fusie, bedoeld in artikel 16.16, in stand houdt, geacht met onmiddellijke ingang te zijn opgenomen in de bijlage van deze wet en wordt het lichaam of de rechtspersoon waardoor de fusie, bedoeld in artikel 16.16, is verricht, geacht vanaf dat tijdstip niet langer in devan deze wet te zijn opgenomen. 2 artikel 16.17 In geval van omzetting, splitsing of verplaatsing van een hogeschool, in overeenstemming met, dan wel in geval van samenvoeging van twee of meer hogescholen worden de daaruit voortkomende hogescholen geacht met onmiddellijke ingang te zijn opgenomen in de bijlage van deze wet en worden de hogescholen waaruit zij voortkomen, geacht vanaf dat tijdstip niet langer in de bijlage te zijn opgenomen. 3 artikel 16.18 In geval van splitsing van een rechtspersoon en overgang van de instandhouding van een hogeschool als bedoeld inwordt de rechtspersoon die de hogeschool na de splitsing in stand houdt, geacht met onmiddellijke ingang te zijn opgenomen in de bijlage van deze wet en wordt de rechtspersoon die de hogeschool voor de splitsing in stand hield, geacht vanaf dat tijdstip niet langer in die bijlage te zijn opgenomen. 4 In geval van opheffing van een openbare hogeschool of verlies van de aanspraak op bekostiging van een bijzondere hogeschool wordt deze hogeschool geacht met onmiddellijke ingang niet langer in de bijlage van deze wet te zijn opgenomen. 2011 497 04-11-2011 29-09-2011 32587 2012 503 24-10-2012 04-10-2012 01-11-2012
Artikel 16.20 — Artikel 16.20 Overgangsrecht aanvang studiejaar hoger beroepsonderwijs#
Artikel 16.20 Overgangsrecht aanvang studiejaar hoger beroepsonderwijs Vervallen 2005 697 29-12-2005 17-11-2005 30239 2005 696 27-12-2005 09-12-2005 01-01-2006 De wijziging is in werking getreden op 30 december 2005, Stb. 2005/697. 2005 276 02-06-2005 12-05-2005 27848 2005 696 27-12-2005 09-12-2005 01-01-2006 Treedt in werking met ingang van de tweede dag na het tijdstip waarop de Reparatiewet OCW 2005 in werking treedt.
Artikel 16.21 — Artikel 16.21 Bijdrage uit ’s Rijks kas ten behoeve van aangewezen theologische en levensbeschouwelijke universiteiten en seminaria#
Artikel 16.21 Bijdrage uit ’s Rijks kas ten behoeve van aangewezen theologische en levensbeschouwelijke universiteiten en seminaria Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 16.22 — Artikel 16.22 Bijdrage uit ’s Rijks kas ten behoeve van leerstoelen vanwege de Nederlandse Hervormde Kerk aan openbare universiteiten#
Artikel 16.22 Bijdrage uit ’s Rijks kas ten behoeve van leerstoelen vanwege de Nederlandse Hervormde Kerk aan openbare universiteiten Vervallen 2007 254 17-07-2007 14-06-2007 30971 2007 263 19-07-2007 02-07-2007 20-07-2007
Artikel 17.1 — Artikel 17.1 artikel 7.4 Van toepassingverklaring«oude stijl»#
Artikel 17.1 artikel 7.4 Van toepassingverklaring«oude stijl» Vervallen 2005 276 02-06-2005 12-05-2005 27848 2005 276 02-06-2005 12-05-2005 27848 01-09-2005
Artikel 17.2 — Artikel 17.2 artikel 7.43 Afwijking#
Artikel 17.2 artikel 7.43 Afwijking Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 17.3 — Artikel 17.3 artikel 7.51 Afwijking#
Artikel 17.3 artikel 7.51 Afwijking Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 17.4 — Artikel 17.4 Wet privatisering Abp Overgangsbepaling#
Artikel 17.4 Wet privatisering Abp Overgangsbepaling artikel 2 van de Wet privatisering ABP Personeel van niet bekostigde ingevolge deze wet aangewezen hogescholen dat op grond van artikel B2, eerste lid, onder b, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals deze bepaling luidde bij inwerkingtreding van deze wet, de ambtenarenstatus verworven heeft, is onder dezelfde voorwaarden met ingang van 1 januari 1996 overheidswerknemer in de zin vanen behoudt voor zolang dat dienstverband voortduurt die status. 2005 276 02-06-2005 12-05-2005 27848 2005 396 02-08-2005 16-07-2005 03-08-2005
Artikel 17.5 — Artikel 17.5 Afwijking vooropleidingseisen universiteit of hogeschool#
Artikel 17.5 Afwijking vooropleidingseisen universiteit of hogeschool Vervallen 2005 276 02-06-2005 12-05-2005 27848 2005 276 02-06-2005 12-05-2005 27848 01-09-2005
Artikel 17.6 — Artikel 17.6 artikel 7.3 Afwijkingen«oude stijl»#
Artikel 17.6 artikel 7.3 Afwijkingen«oude stijl» Vervallen 2005 276 02-06-2005 12-05-2005 27848 2005 276 02-06-2005 12-05-2005 27848 01-09-2006
Artikel 17.7 — Artikel 17.7 artikel 7.4 Afwijking«oude stijl»#
Artikel 17.7 artikel 7.4 Afwijking«oude stijl» Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 17.8 — Artikel 17.8 Overgangsbepaling personeel ziekenhuisscholen#
Artikel 17.8 Overgangsbepaling personeel ziekenhuisscholen Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 17.9 — Artikel 17.9 Evaluatie nieuwe selectiebepalingen en vervallen hardheidsclausule#
Artikel 17.9 Evaluatie nieuwe selectiebepalingen en vervallen hardheidsclausule Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 17.10 — Artikel 17.10 Aanvullende afstudeersteun voor tempobeursstudenten#
Artikel 17.10 Aanvullende afstudeersteun voor tempobeursstudenten Vervallen 2015 50 10-02-2015 21-01-2015 34035 2015 51 04-03-2015 30-01-2015 01-09-2015
Artikel 18.1 — Artikel 18.1 Overgangsrecht begroting accreditatieorgaan#
Artikel 18.1 Overgangsrecht begroting accreditatieorgaan Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.2 — Artikel 18.2 Aanpassing Registratie instellingen en opleidingen#
Artikel 18.2 Aanpassing Registratie instellingen en opleidingen 1 artikel 1.18 Het instellingsbestuur meldt uiterlijk 30 dagen na de dag van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 302) aan Onze Minister, wanneer de beoordeling, bedoeld in, van een opleiding voor het laatst heeft plaatsgevonden. 2 artikelen 18.27 tot en met 18.30 artikel 6.13 Onze Minister maakt de uit devoortvloeiende wijzigingen in de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in, bekend binnen vier maanden na de dag van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 302). Van deze bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-01-2023
Artikel 18.3 — Artikel 18.3 Overgangsrecht onderzoek op grond van artikel 1.18, tweede lid#
Artikel 18.3 Overgangsrecht onderzoek op grond van artikel 1.18, tweede lid Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.4 — Artikel 18.4 Bezwaar en beroep#
Artikel 18.4 Bezwaar en beroep Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.5 — Artikel 18.5 Evaluatie accreditatie in het hoger onderwijs#
Artikel 18.5 Evaluatie accreditatie in het hoger onderwijs Vervallen 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 18.6 — Artikel 18.6 Beëindiging mogelijkheid tot instelling van nieuwe ongedeelde opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs#
Artikel 18.6 Beëindiging mogelijkheid tot instelling van nieuwe ongedeelde opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.7 — Artikel 18.7 Instelling van bachelor- en masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs#
Artikel 18.7 Instelling van bachelor- en masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.8 — Artikel 18.8 Instelling van brede bacheloropleidingen#
Artikel 18.8 Instelling van brede bacheloropleidingen Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.9 — Artikel 18.9 Instelling van masteropleidingen tot leraar periode voorbereidend hoger onderwijs#
Artikel 18.9 Instelling van masteropleidingen tot leraar periode voorbereidend hoger onderwijs Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.10 — Artikel 18.10 Instemmingsbevoegdheid invoeringsdatum bachelor-masterstructuur#
Artikel 18.10 Instemmingsbevoegdheid invoeringsdatum bachelor-masterstructuur Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.11 — Artikel 18.11 Registratieprocedure voor het studiejaar 2002–2003; bekendmaking van het CROHO invoering bachelor-masterstructuur#
Artikel 18.11 Registratieprocedure voor het studiejaar 2002–2003; bekendmaking van het CROHO invoering bachelor-masterstructuur Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.12 — Artikel 18.12 Registratieprocedure voor het studiejaar 2003–2004; bekendmaking van wijzigingen in het CROHO 2003–2004#
Artikel 18.12 Registratieprocedure voor het studiejaar 2003–2004; bekendmaking van wijzigingen in het CROHO 2003–2004 Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.13 — Artikel 18.13 Registratieprocedure voor het studiejaar 2004–2005 en latere studiejaren#
Artikel 18.13 Registratieprocedure voor het studiejaar 2004–2005 en latere studiejaren Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.14 — Artikel 18.14 Opleidingen in afbouw#
Artikel 18.14 Opleidingen in afbouw Vervallen 2013 88 08-03-2013 07-02-2013 33336 2013 276 03-07-2013 29-05-2013 04-07-2013
Artikel 18.15 — Artikel 18.15 Voortzetting van bestaande ongedeelde opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs#
Artikel 18.15 Voortzetting van bestaande ongedeelde opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs artikel 7.3 Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip kunnen aan een bekostigde of aangewezen universiteit of aan de Open Universiteit opleidingen als bedoeld in, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde, worden verzorgd, voorzover die opleidingen op 31 augustus 2002 aan die instelling zijn verbonden. Het tijdstip, vastgesteld bij het in de eerste volzin bedoelde koninklijk besluit, is 1 september van enig jaar. Het koninklijk besluit wordt vastgesteld en bekendgemaakt voor 1 september van het jaar dat voorafgaat aan het tijdstip, vastgesteld bij dat besluit. 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.16 — Artikel 18.16 Voortzetting van bestaande universitaire lerarenopleidingen#
Artikel 18.16 Voortzetting van bestaande universitaire lerarenopleidingen Vervallen 2007 254 17-07-2007 14-06-2007 30971 2007 263 19-07-2007 02-07-2007 01-09-2007
Artikel 18.17 — Artikel 18.17 Gevolgen beëindiging van de ongedeelde opleidingenstructuur#
Artikel 18.17 Gevolgen beëindiging van de ongedeelde opleidingenstructuur Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.18 — Artikel 18.18 Toepasselijke voorschriften; aanvullende voorschriften#
Artikel 18.18 Toepasselijke voorschriften; aanvullende voorschriften Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.19 — Artikel 18.19 Omzetting van rechtswege van bacheloropleidingen in het hoger beroepsonderwijs#
Artikel 18.19 Omzetting van rechtswege van bacheloropleidingen in het hoger beroepsonderwijs 1 De opleidingen in het hoger beroepsonderwijs waarvan de studielast op 31 augustus 2002 168 studiepunten bedroeg, zijn met ingang van 1 september 2002 bacheloropleidingen als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onder a. 2 Onder de opleidingen, bedoeld in het eerste lid, worden mede begrepen de opleidingen die zijn ingesteld en geregistreerd in de Registratie instellingen en opleidingen dan wel tijdig voor registratie in dat register zijn aangemeld. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-01-2023
Artikel 18.20 — Artikel 18.20 Voortzetting van bestaande voortgezette opleidingen in het hoger beroepsonderwijs#
Artikel 18.20 Voortzetting van bestaande voortgezette opleidingen in het hoger beroepsonderwijs 1 artikel 7.4, vierde en vijfde lid Artikel 18.15, tweede en derde volzin Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip kunnen aan een bekostigde hogeschool opleidingen in het hoger beroepsonderwijs als bedoeld in, zoals die artikelleden op 31 augustus 2002 luidden, worden verzorgd, voorzover die opleidingen op 31 augustus 2002 aan die hogeschool zijn verbonden., is van toepassing. 2 Met ingang van het tijdstip, vastgesteld bij het in het eerste lid bedoelde koninklijk besluit, worden geen studenten of extraneï voor de eerste maal voor de propedeutische fase van een opleiding als bedoeld in dit artikel ingeschreven. 3 Het in het eerste lid bedoelde tijdstip kan voor de onderscheiden opleidingen verschillend worden bepaald. 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.21 — Artikel 18.21 Gevolgen beëindiging van opleidingen; toepasselijke voorschriften#
Artikel 18.21 Gevolgen beëindiging van opleidingen; toepasselijke voorschriften Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.22 — Artikel 18.22 Registratieprocedure; bekendmaking van wijzigingen in het CROHO 2002–2003#
Artikel 18.22 Registratieprocedure; bekendmaking van wijzigingen in het CROHO 2002–2003 Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.23 — Artikel 18.23 Invoering studiepunten «nieuwe stijl» voor bachelor- en masteropleidingen en gehandhaafde opleidingen#
Artikel 18.23 Invoering studiepunten «nieuwe stijl» voor bachelor- en masteropleidingen en gehandhaafde opleidingen Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.24 — Artikel 18.24 Wijziging onderwijs- en examenregeling#
Artikel 18.24 Wijziging onderwijs- en examenregeling Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.25 — Artikel 18.25 Omrekenfactor voor omzetting studiepunten; afronding#
Artikel 18.25 Omrekenfactor voor omzetting studiepunten; afronding Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.26 — Artikel 18.26 Omzetting studiepunten#
Artikel 18.26 Omzetting studiepunten Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.27 — Artikel 18.27 Overgangsrecht accreditatieplicht voor bachelor- en masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs#
Artikel 18.27 Overgangsrecht accreditatieplicht voor bachelor- en masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.28 — Artikel 18.28 Overgangsrecht accreditatieplicht voor ongedeelde opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs#
Artikel 18.28 Overgangsrecht accreditatieplicht voor ongedeelde opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.29 — Artikel 18.29 Overgangsrecht accreditatieplicht voor bacheloropleidingen in het hoger beroepsonderwijs#
Artikel 18.29 Overgangsrecht accreditatieplicht voor bacheloropleidingen in het hoger beroepsonderwijs 1 artikel 7.3a, tweede lid, onder a artikel 1.18 Aan de bacheloropleidingen, bedoeld in, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in de Registratie instellingen en opleidingen, en waarvan de beoordeling, bedoeld in, heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2000, is accreditatie verbonden tot en met 31 december 2005. 2 artikel 7.3a, tweede lid, onder a artikel 1.18 Aan de opleidingen, bedoeld in, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in de Registratie instellingen en opleidingen, is accreditatie verbonden tot en met 31 december van het zesde jaar na de laatste beoordeling, bedoeld in, indien die beoordeling heeft plaatsgevonden: a. na 31 december 1999 en voor 1 januari 2004, of b. na 1 januari 2004 en de instelling aantoont dat op 1 december 2001 de start van die beoordeling was gepland op een datum die eerder is dan de eerste plaatsing van de accreditatiekaders in de Staatscourant. 3 artikel 7.3a, tweede lid, onder a Aan de opleidingen, bedoeld in, die een voortzetting vormen van opleidingen die blijkens de Registratie instellingen en opleidingen zijn gestart of zullen starten met ingang van enig studiejaar, in de periode van de studiejaren vanaf 2000–2001 tot en met 2003–2004, is accreditatie verbonden tot en met 31 december van het kalenderjaar zes jaar na de start van de opleiding. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-01-2023
Artikel 18.30 — Artikel 18.30 Overgangsrecht accreditatieplicht voor voortgezette opleidingen in het hoger beroepsonderwijs#
Artikel 18.30 Overgangsrecht accreditatieplicht voor voortgezette opleidingen in het hoger beroepsonderwijs 1 artikel 1.18 Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 18.20, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in de Registratie instellingen en opleidingen, en waarvan de beoordeling, bedoeld in, heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2000, is accreditatie verbonden tot en met 31 december 2005. 2 artikel 1.18 Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 18.20, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in de Registratie instellingen en opleidingen, is accreditatie verbonden tot en met 31 december van het zesde jaar na de laatste beoordeling, bedoeld in, indien die beoordeling heeft plaatsgevonden: a. na 31 december 1999 en voor 1 januari 2004, of b. na 1 januari 2004 en de instelling aantoont dat op 1 december 2001 de start van die beoordeling was gepland op een datum die eerder is dan de eerste plaatsing van de accreditatiekaders in de Staatscourant. 3 Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 18.20, die een voortzetting vormen van opleidingen die blijkens de Registratie instellingen en opleidingen zijn gestart of zullen starten met ingang van enig studiejaar, in de periode van de studiejaren vanaf 2000–2001 tot en met 2003–2004, is accreditatie verbonden tot en met 31 december van het kalenderjaar zes jaar na de start van de opleiding. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-01-2023
Artikel 18.31 — Artikel 18.31 Overgangsrecht bevoegdheden minister voor opleidingen waaraan accreditatie ingevolge de wet is verbonden#
Artikel 18.31 Overgangsrecht bevoegdheden minister voor opleidingen waaraan accreditatie ingevolge de wet is verbonden artikelen 6.5 6.6, eerste lid 6.10 Op opleidingen waaraan op grond van de artikelen 18.27, 18.28, 18.29 of 18.30, accreditatie is verbonden, zijn van overeenkomstige toepassing de, met uitzondering van het eerste lid, onderdelen b en c,, en, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel b, zoals die artikelen van toepassing waren op 25 september 2003. 2005 32 27-01-2005 23-12-2004 28925 2005 72 22-02-2005 08-02-2005 01-03-2005 Voorheen art. 17a.15a.
Artikel 18.32 — Artikel 18.32 Overgansrecht accreditatieplicht voor internationale opleidingen#
Artikel 18.32 Overgansrecht accreditatieplicht voor internationale opleidingen Vervallen 2007 254 17-07-2007 14-06-2007 30971 2007 263 19-07-2007 02-07-2007 01-01-2008
Artikel 18.32a — Artikel 18.32a Bevoegdheid Onze Minister eenmalig accreditatietermijn te verlengen#
Artikel 18.32a Bevoegdheid Onze Minister eenmalig accreditatietermijn te verlengen artikel 5a.9, zesde lid 5a.13f artikelen 7.3a, eerste lid en tweede lid 7.3b In afwijking vanenkan Onze Minister eenmalig besluiten de termijn van accreditatie voor door hem aangewezen bachelor- en masteropleidingen, bedoeld in deen, te verlengen voor de duur van maximaal twee jaar. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 18.32 ab — Artikel 18.32 ab Overgangsrecht bevoegdheden Minister voor opleidingen waarbij de vervaldatum van het accreditatiebesluit bepaald is#
Artikel 18.32 ab Overgangsrecht bevoegdheden Minister voor opleidingen waarbij de vervaldatum van het accreditatiebesluit bepaald is Onze Minister kan besluiten de vervaldatum van het besluit tot verlening van accreditatie eenmalig te wijzigen. 2013 558 19-12-2013 04-12-2013 33472 2013 559 20-12-2013 13-12-2013 01-01-2014
Artikel 18.32 ac — Artikel 18.32 ac Overgangsrecht bevoegdheden Minister voor opleidingen waarbij de vervaldatum van tno bepaald is#
Artikel 18.32 ac Overgangsrecht bevoegdheden Minister voor opleidingen waarbij de vervaldatum van tno bepaald is Onze Minister kan besluiten de vervaldatum van het besluit tot verlening van de toets nieuwe opleiding eenmalig te wijzigen. 2013 558 19-12-2013 04-12-2013 33472 2013 559 20-12-2013 13-12-2013 01-01-2014
Artikel 18.32b — Artikel 18.32b Aanvraag besluit tot deelname invoeringsregime instellingstoets kwaliteitszorg#
Artikel 18.32b Aanvraag besluit tot deelname invoeringsregime instellingstoets kwaliteitszorg 1 artikel 5a.13a artikel 18.32c Gedurende drie jaar na inwerkingtreding van de Wet van 24 juni 2010 (Stb. 293) wordt een aanvraag om instellingstoets kwaliteitszorg ingediend, in afwijking van, op grond van dit artikel en. 2 artikel 18.32c Binnen twee maanden na inwerkingtreding van de Wet van 24 juni 2010 (Stb. 293) dient een instellingsbestuur een aanvraag in bij het accreditatieorgaan, indien zij in aanmerking wil komen voor een besluit tot deelname aan het invoeringsregime als bedoeld in. 3 artikel 5a.8 Het accreditatieorgaan neemt een positief besluit op de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, als het instellingsbestuur voor ten minste de helft van het aangeboden aantal opleidingen een besluit om accreditatie op grond vanheeft. 4 Artikel 18.32c Indien blijkt dat alle instellingsbesturen die deelnemen aan het invoeringsregime een aanvraag om instellingstoets kwaliteitszorg hebben gedaan en er capaciteit bij het accreditatieorgaan is voor nieuwe aanvragen om instellingstoets kwaliteitszorg die onbenut blijft gedurende deze drie jaar, kan het accreditatieorgaan de aanvragen in behandeling nemen, indien een instellingsbestuur heeft laten blijken belangstelling te hebben voor het indienen van een aanvraag.is op deze aanvragen niet van toepassing. 2010 293 22-07-2010 24-06-2010 32210 2010 862 29-12-2010 21-12-2010 01-01-2011
Artikel 18.32c — Artikel 18.32c Invoeringsregime ten behoeve van de introductie van de instellingstoets kwaliteitszorg#
Artikel 18.32c Invoeringsregime ten behoeve van de introductie van de instellingstoets kwaliteitszorg 1 artikel 5a.13e, eerste lid artikel 5a.13f 5a.13g Het besluit tot deelname aan het invoeringsregime houdt in dat in afwijking van, de aanvragen om accreditatie en toets nieuwe opleiding worden ingediend en beoordeeld op grond vanen. 2 Aan het besluit tot deelname aan het invoeringsregime is de verplichting voor het instellingsbestuur verbonden op een door het accreditatieorgaan te bepalen tijdstip een aanvraag om instellingstoets kwaliteitszorg in te dienen. Het tijdstip is niet gelegen na drie jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 24 juni 2010 (Stb. 293). 3 artikel 5a.9, zevende lid artikel 5a.11, zesde lid, onder a Een besluit tot het verlenen van accreditatie of toets nieuwe opleiding in het kader van het invoeringsregime vervalt in afwijking van, onderscheidenlijk, na vier jaar. 4 Indien het accreditatieorgaan besluit een instellingstoets kwaliteitszorg te verlenen, dan wordt de duur van de accreditatie of toets nieuwe opleiding, bedoeld in het derde lid, verlengd tot zes jaar. 5 artikel 5a.8, tweede lid, onderdelen d tot en met f artikel 5a.10a, tweede lid, onderdelen d tot en met f artikel 5a.12, eerste tot en met vijfde lid artikel 5a.12a Indien het accreditatieorgaan besluit geen instellingstoets kwaliteitszorg te verlenen dan wel indien het instellingsbestuur niet voldoet aan de verplichting, bedoeld in het tweede lid, is het instellingsbestuur verplicht binnen een jaar na de datum waarop het accreditatieorgaan het besluit heeft genomen dat geen instellingstoets kwaliteitszorg wordt verleend of binnen een jaar na het door het accreditatieorgaan bepaalde tijdstip, bedoeld in het tweede lid, waarop het instellingsbestuur aan de daar genoemde verplichting had moeten voldoen, een aanvraag om toetsing van de aspecten van, of, bij het accreditatieorgaan in te dienen voor de aanvragen tot het verlenen van accreditatie of een toets nieuwe opleiding die zijn ingediend en beoordeeld volgens het invoeringsregime. Het accreditatieorgaan besluit binnen drie maanden op de aanvraag en indien het accreditatieorgaan positief besluit op de aanvraag, bedoeld in de eerste volzin, wordt de duur van de accreditatie of toets nieuwe opleiding verlengd tot zes jaar. Bij een negatief besluit van het accreditatieorgaan zijn, envan overeenkomstige toepassing. 6 In afwijking van het derde lid wordt het besluit tot het verlenen van accreditatie of toets nieuwe opleiding verlengd tot aan het einde van het studiejaar of, indien nodig, tot aan het einde van het daarop volgende studiejaar, indien het accreditatieorgaan niet over de aanvraag op grond van het tweede of vijfde lid heeft besloten. 2013 298 18-07-2013 10-07-2013 33519 2013 311 25-07-2013 18-07-2013 01-09-2013
Artikel 18.33 — Artikel 18.33 Afwijzing na bindend studieadvies#
Artikel 18.33 Afwijzing na bindend studieadvies Voor de toepassing van artikel 7.8b, vijfde lid, tweede volzin, wordt onder bacheloropleiding mede begrepen de daarmee overeenkomende opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 18.14 of artikel 18.15. 2005 32 27-01-2005 23-12-2004 28925 2005 72 22-02-2005 08-02-2005 01-03-2005 Voorheen art. 17a.16.
Artikel 18.34 — Artikel 18.34 Overgangsrecht graadverlening aan afgestudeerden van internationale opleidingen#
Artikel 18.34 Overgangsrecht graadverlening aan afgestudeerden van internationale opleidingen Vervallen 2007 254 17-07-2007 14-06-2007 30971 2007 263 19-07-2007 02-07-2007 20-07-2007
Artikel 18.35 — Artikel 18.35 Overgangsrecht graadverlening aan afgestudeerden van universitaire lerarenopleidingen#
Artikel 18.35 Overgangsrecht graadverlening aan afgestudeerden van universitaire lerarenopleidingen Vervallen 2007 254 17-07-2007 14-06-2007 30971 2007 263 19-07-2007 02-07-2007 01-09-2007
Artikel 18.36 — Artikel 18.36 Eerste onderwijs- en examenregeling bachelor- en masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs#
Artikel 18.36 Eerste onderwijs- en examenregeling bachelor- en masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.37 — Artikel 18.37 Toegang tot de promotie voor bezitters van een getuigschrift «oude stijl»#
Artikel 18.37 Toegang tot de promotie voor bezitters van een getuigschrift «oude stijl» Degene die op of voor 31 augustus 2002 voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 7.18, tweede lid, onder a, zoals die bepaling luidde op 31 augustus 2002, wordt gelijkgesteld aan degene die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 7.18, tweede lid, onder a. 2005 32 27-01-2005 23-12-2004 28925 2005 72 22-02-2005 08-02-2005 01-03-2005 Voorheen art. 17a.18.
Artikel 18.38 — Artikel 18.38 Vrijstelling op grond van een kandidaatsgetuigschrift#
Artikel 18.38 Vrijstelling op grond van een kandidaatsgetuigschrift artikel 7.24, eerste of tweede lid De bezitter van een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd kandidaats- of afsluitend examen aan een instelling voor hoger onderwijs is vrijgesteld van de vooropleidingseisen, bedoeld in, onverminderd het derde lid van dat artikel. 2005 697 29-12-2005 17-11-2005 30239 2005 697 29-12-2005 17-11-2005 30239 30-12-2005
Artikel 18.39 — Artikel 18.39 Handhaving van de titel kandidaat#
Artikel 18.39 Handhaving van de titel kandidaat 1 Degenen die op grond van artikel 7.20a, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, gerechtigd waren tot het voeren van de titel kandidaat, blijven gerechtigd die titel te voeren overeenkomstig dat artikel. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op degenen die na 31 augustus 2002 met goed gevolg het kandidaatsexamen van een opleiding als bedoeld in artikel 18.14 of van een opleiding als bedoeld in artikel 18.15 hebben afgelegd. 2005 32 27-01-2005 23-12-2004 28925 2005 72 22-02-2005 08-02-2005 01-03-2005 Voorheen art. 17a.20.
Artikel 18.40 — Artikel 18.40 Handhaving titel Bachelor voor afgestudeerden hbo «nieuwe stijl»#
Artikel 18.40 Handhaving titel Bachelor voor afgestudeerden hbo «nieuwe stijl» artikel 7.21, tweede en derde lid Degene die voorafgaand aan het studiejaar 2002–2003 een aanvang heeft gemaakt met een opleiding in het hoger beroepsonderwijs en aan wie na 31 augustus 2002 doch voor 1 september 2006 op grond van het met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs de graad Bachelor is verleend, is tevens gerechtigd tot het voeren van de titel Bachelor overeenkomstig, zoals die bepalingen op 31 augustus 2002 luidden. 2005 32 27-01-2005 23-12-2004 28925 2005 72 22-02-2005 08-02-2005 01-03-2005 Voorheen art. 17a.20a.
Artikel 18.41 — Artikel 18.41 Aanmelding voor opleidingen «oude stijl»#
Artikel 18.41 Aanmelding voor opleidingen «oude stijl» Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.42 — Artikel 18.42 Beperking inschrijving voor opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs#
Artikel 18.42 Beperking inschrijving voor opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.43 — Artikel 18.43 Opleidingscommissie#
Artikel 18.43 Opleidingscommissie Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.44 — Artikel 18.44 Bezwaar en beroep#
Artikel 18.44 Bezwaar en beroep Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.45 — Artikel 18.45 Evaluatie#
Artikel 18.45 Evaluatie Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.46 — Artikel 18.46 Overgangsbepaling bezwaar en beroep#
Artikel 18.46 Overgangsbepaling bezwaar en beroep Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.47 — Artikel 18.47 Overgangsrecht aanvragen adviescommissie onderwijsaanbod#
Artikel 18.47 Overgangsrecht aanvragen adviescommissie onderwijsaanbod Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.48 — Artikel 18.48 Eerste toepassing artikel 2.2a op het instellingsplan van de KNAW en de KB#
Artikel 18.48 Eerste toepassing artikel 2.2a op het instellingsplan van de KNAW en de KB Artikel 2.2a wordt voor het eerst toegepast op het instellingsplan dat het instellingsbestuur van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen onderscheidenlijk het instellingsbestuur van de Koninklijke Bibliotheek vaststelt in het jaar 2006. 2005 32 27-01-2005 23-12-2004 28925 2005 72 22-02-2005 08-02-2005 01-03-2005 Voorheen art. 17d.1.
Artikel 18.49 — Artikel 18.49 Overgangsregeling geschillen#
Artikel 18.49 Overgangsregeling geschillen artikel 16.26, vierde lid Op geschillen betreffende de vaststelling van de rijksbijdrage op grond van, die tijdig aanhangig zijn of worden gemaakt, blijven de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende voorschriften van toepassing. 2005 32 27-01-2005 23-12-2004 28925 2005 72 22-02-2005 08-02-2005 01-03-2005 Voorheen art. 17d.2.
Artikel 18.50 — Artikel 18.50 Aanmelding en registratie bacheloropleiding klinische technologie in het CROHO 2003–2004#
Artikel 18.50 Aanmelding en registratie bacheloropleiding klinische technologie in het CROHO 2003–2004 Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.51 — Artikel 18.51 Accreditatie van rechtswege#
Artikel 18.51 Accreditatie van rechtswege Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.52 — Artikel 18.52 Beperking eerste inschrijving studiejaar 2003–2004 voor de bacheloropleiding klinische technologie o.g.v. de beschikbare onderwijscapaciteit#
Artikel 18.52 Beperking eerste inschrijving studiejaar 2003–2004 voor de bacheloropleiding klinische technologie o.g.v. de beschikbare onderwijscapaciteit Vervallen 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.53 — Artikel 18.53 Overgangsrecht vestigingsplaats opleiding#
Artikel 18.53 Overgangsrecht vestigingsplaats opleiding 1 artikel 6.13 De gemeente waar een in de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in, opgenomen opleiding op de dag voor de datum van inwerkingtreding van de wet van 24 juni 2004 (Stb. 321) blijkens dat register wordt verzorgd, is de gemeente waar die opleiding op de datum van inwerkingtreding van die wet is gevestigd. 2 artikel 7.17, tweede lid Indien ten aanzien van een opleiding toepassing is gegeven aan, zoals die bepaling luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van de wet van 24 juni 2004 (Stb. 321), is de desbetreffende gemeente eveneens een gemeente waar die opleiding is gevestigd, voorzover die gemeente op die dag in de Registratie instellingen en opleidingen is vermeld. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-01-2023
Artikel 18.54 — Artikel 18.54 Overgangsbepaling verzoek om toestemming#
Artikel 18.54 Overgangsbepaling verzoek om toestemming artikel 7.17, tweede lid Op de verzoeken om toestemming als bedoeld in, zoals die bepaling luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, die voor dat tijdstip zijn ingediend, blijven de op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende voorschriften van toepassing. 2005 32 27-01-2005 23-12-2004 28925 2005 72 22-02-2005 08-02-2005 01-03-2005 Voorheen art. 17f.2.
Artikel 18.62 — Artikel 18.62 Overgangsrecht CRIHO#
Artikel 18.62 Overgangsrecht CRIHO Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2019/119. artikel 7.52 Onze Minister neemt de gegevens die zijn opgenomen in het Centraal register inschrijving hoger onderwijs op in het basisregister onderwijs, voor zover het gegevens betreft als bedoeld in. Onze Minister vervangt daarbij de nummers die in het Centraal register aan de studenten zijn toegekend door een persoonsgebonden nummer. 2019 119 20-03-2019 20-02-2019 34878 2020 166 17-06-2020 05-06-2020 01-07-2020
Artikel 18.63 — Artikel 18.63 Tijdelijkheid Ad-programma#
Artikel 18.63 Tijdelijkheid Ad-programma artikel 7.11, vierde lid artikel 7.10b, eerste lid Personen die een voor 1 september 2007 op grond van, afgegeven verklaring betreffende een Ad-programma overleggen aan het instellingsbestuur van de instelling waar die verklaring is afgegeven, ontvangen een desbetreffend getuigschrift en een desbetreffend diplomasupplement als bedoeld in het genoemde artikel, indien Onze Minister bij besluit met het Ad-programma heeft ingestemd. Tevens verleent het instellingsbestuur op grond van, de graad Associate degree aan degenen die met goed gevolg het examen hebben afgelegd van een Ad-programma met een studielast van ten minste 120 studiepunten. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 18.64 — Artikel 18.64 Voortzetting van bestaande universitaire lerarenopleidingen#
Artikel 18.64 Voortzetting van bestaande universitaire lerarenopleidingen 1 artikel 7.4, vierde lid artikel 7.30c Universitaire eerstegraads lerarenopleidingen als bedoeld in, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, worden, voorzover die opleidingen op 31 augustus 2002 aan de desbetreffende bekostigde of aangewezen universiteit zijn verbonden, aangemerkt als de masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in. 2 artikel 6.13 Onder de opleidingen, bedoeld in het eerste lid, worden mede begrepen de opleidingen die zijn ingesteld en geregistreerd in de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in, dan wel tijdig voor registratie in dat register zijn aangemeld. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-01-2023
Artikel 18.65 — Artikel 18.65 Accreditatie en registratie van de opleidingen verzorgd door de Theologische Faculteit Tilburg#
Artikel 18.65 Accreditatie en registratie van de opleidingen verzorgd door de Theologische Faculteit Tilburg 1 artikel 16.21, eerste lid, onderdeel a, onder 1° Aan de opleidingen die tot 1 januari 2006 werden verzorgd door de instelling, bedoeld in, en met ingang van die datum worden verzorgd door de bijzondere universiteit te Tilburg, blijft de verleende accreditatie verbonden. 2 Onze Minister draagt zorg voor de wijziging van de registratie van de opleidingen, bedoeld in het eerste lid, in de Registratie instellingen en opleidingen. Daarbij wordt vastgelegd dat die opleidingen in Tilburg worden verzorgd. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-01-2023
Artikel 18.66 — Artikel 18.66 Accreditatie en registratie van de opleidingen verzorgd door de Katholieke Theologische Universiteit te Utrecht#
Artikel 18.66 Accreditatie en registratie van de opleidingen verzorgd door de Katholieke Theologische Universiteit te Utrecht 1 artikel 16.21, eerste lid, onderdeel a, onder 2° Aan de opleidingen die tot 1 juli 2006 werden verzorgd door de instelling, bedoeld in, en met ingang van die datum worden verzorgd door de bijzondere universiteit te Tilburg, blijft de verleende accreditatie verbonden. 2 Onze Minister draagt zorg voor de wijziging van de registratie van de opleidingen, bedoeld in het eerste lid, in de Registratie instellingen en opleidingen. Daarbij wordt vastgelegd dat die opleidingen in Utrecht worden verzorgd. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-01-2023
Artikel 18.67 — Artikel 18.67 Levensbeschouwelijke universiteiten#
Artikel 18.67 Levensbeschouwelijke universiteiten Titel 3 van hoofdstuk 7 hoofdstuk 9 artikel 1.3, tweede lid enworden van toepassing op het instellingsbestuur van een levensbeschouwelijke universiteit als bedoeld in, en de betrokken studenten zes maanden na de inwerkingtreding van de artikelen van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) die zien op de opheffing van de uitzonderingspositie van de levensbeschouwelijke universiteiten. 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.68 — Artikel 18.68 Gevolgen verlies accreditatie#
Artikel 18.68 Gevolgen verlies accreditatie artikel 5a.12, eerste of vijfde lid Indien op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) voor een opleiding toepassing is gegeven aan, zoals die bepaling op die dag luidde, geldt voor die opleiding de redelijke termijn zoals die door de instelling is vastgesteld. 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.69 — Artikel 18.69 Herstelperiode accreditatie#
Artikel 18.69 Herstelperiode accreditatie artikel 5a.12a Indien op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AI, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) voor een opleiding toepassing is gegeven aanzoals die bepaling op die dag luidde, geldt voor die opleiding de herstelperiode, bedoeld in artikel 5a.12a, zoals die bepaling op die dag luidde. 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 30-04-2010
Artikel 18.70 — Artikel 18.70 Leden examencommissie en examinatoren#
Artikel 18.70 Leden examencommissie en examinatoren 1 artikel 7.12 De leden van de examencommissie, bedoeld in, zoals die bepaling luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), worden aangemerkt als de leden van de examencommissie, bedoeld in artikel 7.12, zoals die bepaling luidt na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119). 2 artikel 7.12, derde lid artikel 7.12c De examinatoren, bedoeld in, zoals die bepaling luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), worden aangemerkt als de examinatoren, bedoeld in, zoals die bepaling luidt na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119). 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.71 — Artikel 18.71 Overgangsrecht CRIHO en Open Universiteit#
Artikel 18.71 Overgangsrecht CRIHO en Open Universiteit artikel 7.52 Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip gelden de verplichtingen op grond vanzoals dat luidt na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BX, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) niet voor de Open Universiteit. 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.72 — Artikel 18.72 Afhandeling klachten van studenten#
Artikel 18.72 Afhandeling klachten van studenten artikel 9.28 artikel 7.59b Klachten van studenten die zijn ingediend op grond vanzoals die bepaling luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CQ, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) worden na inwerkingtreding van dat artikel aangemerkt als klachten ingediend op grond vanzoals luidend na inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119). 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.73 — Artikel 18.73 College van beroep voor het hoger onderwijs#
Artikel 18.73 College van beroep voor het hoger onderwijs 1 artikel 7.64 De leden van het college van beroep voor het hoger onderwijs, bedoeld inzoals die bepaling luidde voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), worden aangemerkt als leden van het college van beroep voor het hoger onderwijs, bedoeld in artikel 7.64 zoals die bepaling luidt na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119). 2 artikel 7.65, eerste lid Voor de zittende leden van het college van beroep voor het hoger onderwijs blijven bij de toepassing van, zoals die bepaling luidt na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), de benoemingstermijnen, bedoeld in artikel 7.65, eerste lid, zoals die bepaling luidde voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), van kracht. 3 Over beroepen die zijn ingesteld bij het college van beroep voor het hoger onderwijs oordeelt het college van beroep met inachtneming van de voorschriften van de artikelen waarop het beroep ziet zoals die golden voor de inwerkingtreding van de verschillende onderdelen van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119). 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.74 — Artikel 18.74 Colleges van beroep bijzonder onderwijs#
Artikel 18.74 Colleges van beroep bijzonder onderwijs 1 artikel 7.68 De colleges van beroep bijzonder onderwijs, zoals die bestonden op grond vanzoals die bepaling luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CI, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), blijven in stand tot ten hoogste een jaar na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CI, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119). De behandeling van beroepen vindt plaats overeenkomstig artikel 7.68 zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CI, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119). 2 artikel 7.64 Na ten hoogste een jaar na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CI, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) wordt de behandeling van de geschillen door een college van beroep bijzonder onderwijs dat niet is ingesteld door een instellingsbestuur van een bijzondere instelling met een levensbeschouwelijke aard of instellingsbesturen van bijzondere instellingen met een levensbeschouwelijke aard overgedragen aan het college van beroep voor het hoger onderwijs, bedoeld in. 3 Het instellingsbestuur of de instellingsbesturen verleent respectievelijk verlenen eervol ontslag aan de leden en plaatsvervangende leden van het college van beroep bijzonder onderwijs, bedoeld in het eerste lid. 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.75 — Artikel 18.75 Instellingen voor hoger onderwijs#
Artikel 18.75 Instellingen voor hoger onderwijs 1 artikel 6.9 Aanvragen om een besluit tot aanwijzing op grond van, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AP, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) waarop nog niet onherroepelijk is beslist, worden behandeld als aanvragen op grond van artikel 6.9 zoals dat artikel luidt na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AP, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119). 2 artikel 6.9 artikel 1.1, onder aa De hogescholen die krachtens, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AP, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), waren aangewezen, worden met ingang van de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AP, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) aangemerkt als rechtspersonen voor hoger onderwijs als bedoeld in. 3 artikel 1.2, onderdeel b artikel 6.9 artikelen 7.18 7.19 De universiteiten als bedoeld in, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) blijven universiteiten aangewezen op grond van, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AP, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119). De artikelen die bij of krachtens de wet gelden voor de rechtspersonen voor hoger onderwijs zijn op die universiteiten van toepassing, evenals deen. 4 artikel 1.12, tweede, derde of vierde lid Artikel 6.10, vierde lid Onze Minister trekt de aanwijzing bedoeld in het derde lid in, indien de instelling geen in de Registratie instellingen en opleidingen geregistreerde opleiding verzorgt of niet wordt voldaan aan., is van overeenkomstige toepassing. 5 artikel 1.12a artikel 1.1, onder aa De instellingen die geaccrediteerd postinitieel onderwijs verzorgen als bedoeld in, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel L van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119),worden met ingang van de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel L, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) beschouwd als rechtspersonen voor hoger onderwijs als bedoeld in. 6 artikel 1.12a artikel 1.1, sub aa Indien een instelling op grond van, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel L van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) tevens postinitiële masteropleidingen verzorgt of een aanvraag voor een toets nieuwe opleiding voor een postinitiële masteropleiding heeft ingediend bij het accreditatieorgaan voor 1 september 2010, kan deze instelling overeenkomstig, zoals dit artikel luidt na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel L van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) deze opleidingen als rechtspersoon voor hoger onderwijs verzorgen, bedoeld in het vierde lid of kan de instelling deze opleidingen in een afzonderlijke privaatrechtelijke rechtspersoon onderbrengen die rechtspersoon voor hoger onderwijs is. 2022 116 21-03-2022 23-02-2022 35946 2022 117 22-03-2022 11-03-2022 01-01-2023
Artikel 18.76 — Artikel 18.76 Toepassing vervallen bepalingen waarborgfonds hogescholen#
Artikel 18.76 Toepassing vervallen bepalingen waarborgfonds hogescholen Artikel 2.15 zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel X, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), blijft tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip van toepassing, met dien verstande dat het vierde lid uitsluitend geldt voor de borging van de lopende leningen die hogescholen zijn aangegaan met het oog op de overdracht van het economisch claimrecht als bedoeld in de wet van 11 november 1993, Stb. 629, houdende wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met decentralisatie van huisvestings- en bestedingsbeslissingen en regeling van de overname van het economisch claimrecht. 2010 119 18-03-2010 04-02-2010 31821 2010 168 29-04-2010 26-04-2010 01-09-2010
Artikel 18.77 — Artikel 18.77#
Artikel 18.77 Vervallen 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 18.78 — Artikel 18.78 Vaststelling bedragen volledig wettelijk collegegeld 2011–2012#
Artikel 18.78 Vaststelling bedragen volledig wettelijk collegegeld 2011–2012 1 artikel 7.45, tweede lid In afwijking van, zoals dat luidde op 1 september 2011, wordt voor het studiejaar 2011–2012 het bedrag van het volledig wettelijk collegegeld bij wet vastgesteld. 2 Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het basistarief voor het studiejaar 2011–2012 1713 euro. 3 Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het verhoogde tarief voor het studiejaar 2011–2012 1713 euro. 2018 225 27-07-2018 11-07-2018 34911 2018 227 27-07-2018 11-07-2018 01-09-2018
Artikel 18.79 — Artikel 18.79 Vaststelling bedragen gedeeltelijk wettelijk collegegeld 2011–2012#
Artikel 18.79 Vaststelling bedragen gedeeltelijk wettelijk collegegeld 2011–2012 1 artikel 7.45, derde lid In afwijking van, zoals dat luidde op 1 september 2011, wordt voor het studiejaar 2011–2012 het bedrag van het minimum- en maximumbedrag van het gedeeltelijk wettelijk collegegeld bij wet vastgesteld. 2 Het minimumbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het basistarief voor het studiejaar 2011–2012 961 euro. 3 Het maximumbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het basistarief voor het studiejaar 2011–2012 1713 euro. 4 Het minimumbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het verhoogde tarief voor het studiejaar 2011–2012 961 euro. 5 Het maximumbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het verhoogde tarief voor het studiejaar 2011–2012 1713 euro. 2018 225 27-07-2018 11-07-2018 34911 2018 227 27-07-2018 11-07-2018 01-09-2018
Artikel 18.80 — Artikel 18.80 Vaststelling peildatum#
Artikel 18.80 Vaststelling peildatum Vervallen 2013 70 27-02-2013 28-01-2013 33452 2013 70 27-02-2013 28-01-2013 33452 28-02-2013
Artikel 18.81 — Artikel 18.81 Vaststelling bedragen volledig wettelijk collegegeld volgens basistarief en verhoogd tarief 2012–2013#
Artikel 18.81 Vaststelling bedragen volledig wettelijk collegegeld volgens basistarief en verhoogd tarief 2012–2013 1 artikel 7.45, tweede lid In afwijking van, zoals dat luidde op 1 september 2011, wordt voor het studiejaar 2012–2013 het bedrag van het volledig wettelijk collegegeld bij wet vastgesteld. 2 Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het basistarief voor het studiejaar 2012–2013 1771 euro. 3 Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het verhoogde tarief voor het studiejaar 2012–2013 1771 euro. 2018 225 27-07-2018 11-07-2018 34911 2018 227 27-07-2018 11-07-2018 01-09-2018
Artikel 18.82 — Artikel 18.82 Vaststelling bedragen gedeeltelijk wettelijk collegegeld volgens basistarief en verhoogd tarief 2012–2013#
Artikel 18.82 Vaststelling bedragen gedeeltelijk wettelijk collegegeld volgens basistarief en verhoogd tarief 2012–2013 1 artikel 7.45, derde lid In afwijking van, zoals dat luidde op 1 september 2011, wordt voor het studiejaar 2012–2013 het minimum- en maximumbedrag van het gedeeltelijk wettelijk collegegeld bij wet vastgesteld. 2 Het minimumbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het basistarief voor het studiejaar 2012–2013 1003 euro. 3 Het maximumbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het basistarief voor het studiejaar 2012–2013 1771 euro. 4 Het minimumbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het verhoogde tarief voor het studiejaar 2012–2013 1003 euro. 5 Het maximumbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het verhoogde tarief voor het studiejaar 2012–2013 1771 euro. 2018 225 27-07-2018 11-07-2018 34911 2018 227 27-07-2018 11-07-2018 01-09-2018
Artikel 18.83 — Artikel 18.83 Vaststelling bedrag van het wettelijk collegegeld na inwerkingtreding van de Wet van 28 januari 2013 (Stb. 70)#
Artikel 18.83 Vaststelling bedrag van het wettelijk collegegeld na inwerkingtreding van de Wet van 28 januari 2013 (Stb. 70) 1 artikel 7.45, eerste lid In afwijking van, wordt voor het studiejaar 2012–2013 het bedrag van het volledig wettelijk collegegeld bij wet vastgesteld. Het volledig wettelijk collegegeld bedraagt voor het studiejaar 2012–2013 euro 1771. 2 artikel 7.45, tweede lid, tweede volzin In afwijking van, wordt voor het studiejaar 2012–2013 het minimum- en maximumbedrag van het gedeeltelijk wettelijk collegegeld bij wet vastgesteld. Voor het studiejaar 2012–2013 bedraagt het gedeeltelijk wettelijk collegegeld minimaal euro 1003 en maximaal euro 1771. 2018 225 27-07-2018 11-07-2018 34911 2018 227 27-07-2018 11-07-2018 01-09-2018
Artikel 18.84 — Artikel 18.84 Studentenondersteuningsfonds voor langstudeerders#
Artikel 18.84 Studentenondersteuningsfonds voor langstudeerders artikel 7.51, eerste lid, onderdeel f, of vierde lid, tweede volzin artikel 7.45, eerste lid, tweede volzin Het instellingsbestuur dat voorzieningen heeft getroffen voor studenten op grond van, stelt regels vast met betrekking tot de afhandeling van de wederzijdse financiële verplichtingen ten aanzien van de opslag, bedoeld in, van de wet zoals deze luidde op 1 september 2011. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 154 12-06-2024 06-06-2024 01-09-2024
Artikel 18.85 — Artikel 18.85 Overgangsbepaling recht op inschrijving#
Artikel 18.85 Overgangsbepaling recht op inschrijving artikel I, onderdeel AW, onderscheidenlijk onderdeel AX, van de Wet van 10 juli 2013 artikelen 7.57c 7.57d Aspirant-studenten die op het moment van inwerkingtreding van(Stb. 2013, 298) beschikken over een bewijs van toelating als bedoeld in deen, zoals die artikelen luidden op de dag voordat het desbetreffende onderdeel in werking treedt, behouden hun recht op inschrijving voor de propedeutische fase van de desbetreffende opleiding. 2013 298 18-07-2013 10-07-2013 33519 2013 311 25-07-2013 18-07-2013 01-09-2013
Artikel 18.86 — Artikel 18.86 Overgangsbepaling selectie door instellingen bij opleidingen met een toelatingsbeperking#
Artikel 18.86 Overgangsbepaling selectie door instellingen bij opleidingen met een toelatingsbeperking Wijzigt deze wet. 2013 298 18-07-2013 10-07-2013 33519 2013 311 25-07-2013 18-07-2013 01-09-2013
Artikel 18.87 — Artikel 18.87 Overgangsbepaling Ad-programma’s.#
Artikel 18.87 Overgangsbepaling Ad-programma’s. 1 Op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet invoering associate degree-opleiding wordt een Ad-programma dat door een instelling wordt verzorgd van rechtswege omgezet in een associate degree-opleiding tenzij het instellingsbestuur besluit het Ad-programma met ingang van dat moment te beëindigen. 2 artikel 7.8a Studenten die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet invoering associate degree-opleiding zijn ingeschreven bij een bacheloropleiding en een Ad-programma worden met ingang van dat moment geacht te zijn ingeschreven bij de associate degree-opleiding, met dien verstande dat de inschrijving voor de toepassing van de Wet studiefinanciering 2000 een inschrijving blijft aan een associate degree-programma als bedoeld in, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet invoering associate degree-opleiding. 3 artikel 7.3, zesde lid Indien het bevoegd gezag van de instelling besluit het Ad-programma te beëindigen op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet invoering associate degree-opleiding is, van overeenkomstige toepassing. 4 Artikel 7.8a, vijfde lid , zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet associate degree-opleiding, blijft van toepassing voor een persoon die voor dat tijdstip de graad Associate degree heeft behaald tot en met het tweede studiejaar volgend op de inwerkingtreding van die wet. 2017 390 20-10-2017 04-10-2017 34678 2017 491 20-12-2017 11-12-2017 01-01-2018
Artikel 18.88 — Artikel 18.88 Overgangsbepaling accreditatie associate degree-opleidingen#
Artikel 18.88 Overgangsbepaling accreditatie associate degree-opleidingen Een aanvraag voor een toets nieuw Ad-programma die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet invoering associate degree-opleiding in behandeling is bij het accreditatieorgaan wordt beschouwd als een aanvraag voor een toets nieuwe opleiding voor een associate degree-opleiding. 2017 390 20-10-2017 04-10-2017 34678 2017 491 20-12-2017 11-12-2017 01-01-2018
Artikel 18.89 — Artikel 18.89 Overgangsbepaling visitatie#
Artikel 18.89 Overgangsbepaling visitatie artikel 5.13 artikel 9.18 artikel 5a.2, tweede lid artikel 1.18 Wet accreditatie op maat In afwijking vanen, worden visitaties die op het tijdstip van inwerkingtreding van dezijn gestart, door een commissie van deskundigen, van wie het accreditatieorgaan heeft ingestemd met de samenstelling overeenkomstig, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat, afgerond overeenkomstig, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 18.90 — Artikel 18.90 Overgangsbepaling werkzaamheden commissie van deskundigen#
Artikel 18.90 Overgangsbepaling werkzaamheden commissie van deskundigen artikel 5.14, eerste lid, onderdeel c artikel 5a.2, tweede lid artikel 1.18 Wet accreditatie op maat In afwijking van, richt de commissie van deskundigen, van wie het accreditatieorgaan heeft ingestemd met de samenstelling overeenkomstig, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van de, zijn werkzaamheden in overeenkomstig, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 18.91 — Artikel 18.91 Overgangsbepaling lopende besluiten toets nieuwe opleiding, accreditatiebesluiten en besluiten toets nieuw Ad-programma#
Artikel 18.91 Overgangsbepaling lopende besluiten toets nieuwe opleiding, accreditatiebesluiten en besluiten toets nieuw Ad-programma 1 artikel 5a.11 artikel 5a.13g artikel 5a.9 artikel 5a.13f artikel 5a.13 artikel 5.8 artikel 5.16 artikel 5.22 Wet accreditatie op maat Een lopend besluit toets nieuwe opleiding, genomen op grond vanof, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de, onderscheidenlijk een lopend accreditatiebesluit, genomen op grond vanof, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat, onderscheidenlijk een lopend besluit toets nieuw Ad-programma, genomen op grond van, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat, wordt op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat omgezet in een accreditatie nieuwe opleiding als bedoeld inonderscheidenlijk een accreditatie bestaande opleiding als bedoeld inonderscheidenlijk een toets nieuw Ad-programma als bedoeld in. 2 artikel 5a.12a artikel 5a.9 artikel 5a.13f hoofdstuk 5a Wet accreditatie op maat Voor opleidingen waarvoor, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de, is toegepast of waarvoor het visitatieproces voor een accreditatiebesluit op grond vanof, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat, op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat gaande is, blijftzoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat van kracht tot het moment waarop het accreditatieorgaan een nieuw besluit heeft genomen. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 18.92 — Artikel 18.92 Overgangsbepaling beoordelingen aanvragen instellingstoets kwaliteitszorg en opleidingen van een instelling met een instellingstoets kwaliteitszorg#
Artikel 18.92 Overgangsbepaling beoordelingen aanvragen instellingstoets kwaliteitszorg en opleidingen van een instelling met een instellingstoets kwaliteitszorg artikel 5.23, derde lid artikel 5a.13b, tweede lid Wet accreditatie op maat In afwijking van, worden aanvragen voor een instellingstoets kwaliteitszorg, ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van de, beoordeeld overeenkomstig de kwaliteitsaspecten, genoemd in, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat. 2018 209 05-07-2018 15-06-2018 34735 2019 28 31-01-2019 22-01-2019 01-02-2019
Artikel 18.95 — Artikel 18.95 Overgangsbepaling instellingscollegegeld#
Artikel 18.95 Overgangsbepaling instellingscollegegeld 1 artikel 7.46, vierde lid Op een student als bedoeld in, die een opleiding, waarvoor hij stond ingeschreven in het studiejaar waarin artikel V van de Wet taal en toegankelijkheid in werking trad en waarvoor hij instellingscollegegeld was verschuldigd, onafgebroken voortzet, blijft artikel 7.46, zoals dit luidde onmiddellijk voor inwerkingtreding van artikel V van de Wet taal en toegankelijkheid, van toepassing. 2 artikel 7.45b Op een student als bedoeld in artikel 7.46a, vierde lid, die in het studiejaar waarin artikel V van de Wet taal en toegankelijkheid in werking trad, stond ingeschreven voor een of meer onderwijseenheden van een opleiding waarvoor hij instellingscollegegeld was verschuldigd, en die ook na dit studiejaar onderwijseenheden van deze opleiding volgt, blijftzoals dit luidde onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel V van de Wet taal en toegankelijkheid van toepassing, mits dit onderwijs wordt gevolgd in aaneengesloten studiejaren. 2021 263 07-06-2021 07-04-2021 35582 2021 325 09-07-2021 22-06-2021 01-09-2021
Artikel 18.96 — Artikel 18.96 Overgangsbepaling instellingscollegegeld premaster#
Artikel 18.96 Overgangsbepaling instellingscollegegeld premaster 1 artikel 7.57i Op een student die, voor het studiejaar waarin artikel I, onderdeel BB, van de Wet tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met een verbeterde regeling voor diverse onderwerpen op het terrein van het hoger onderwijs en de studiefinanciering (Variawet hoger onderwijs) (Stb. 2021, 263) in werking trad, een vergoeding was verschuldigd voor ondersteuning als bedoeld in, zoals dit artikel luidde onmiddellijk voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BB, van voornoemde wet, en onafgebroken gebruik blijft maken van deze ondersteuning, blijft artikel 7.57i zoals dit luidde onmiddellijk voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BB, van voornoemde wet, van toepassing. 2 artikel 7.49b, derde of vijfde lid Op een student die, voor het studiejaar waarin artikel I, onderdeel W, van de Wet tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met een verbeterde regeling voor diverse onderwerpen op het terrein van het hoger onderwijs en de studiefinanciering (Variawet hoger onderwijs) (Stb. 2021, 263) in werking trad, een vergoeding was verschuldigd voor ondersteuning als bedoeld in, zoals deze leden luidde onmiddellijk voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel W, van voornoemde wet, en onafgebroken gebruik blijft maken van deze ondersteuning, blijft artikel 7.49b, derde of vijfde lid, zoals deze leden luidden onmiddellijk voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel W, van voornoemde wet, van toepassing. 2021 263 07-06-2021 07-04-2021 35582 2021 325 09-07-2021 22-06-2021 01-09-2021
Artikel 18.97 — Artikel 18.97 Beëindiging benoeming leden college van beroep voor het hoger onderwijs#
Artikel 18.97 Beëindiging benoeming leden college van beroep voor het hoger onderwijs De benoemingen van degenen die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel benoemd zijn als lid of plaatsvervangend lid van het college van beroep voor het hoger onderwijs worden van rechtswege beëindigd. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-01-2023
Artikel 18.98 — Artikel 18.98 Overdracht aanhangige zaken college van beroep voor het hoger onderwijs aan Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State#
Artikel 18.98 Overdracht aanhangige zaken college van beroep voor het hoger onderwijs aan Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 1 Ten aanzien van de behandeling van beroep dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel aanhangig is bij het college van beroep voor het hoger onderwijs, treedt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de plaats van het college van beroep voor het hoger onderwijs. De bij het college van beroep voor het hoger onderwijs aanhangige zaken worden van rechtswege, in de stand waarin zij zich bevinden, overgedragen aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 2 artikel 8:55 8:81 8:88 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de behandeling van onderscheidenlijk verzet, een verzoek om voorlopige voorziening, een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade of een verzoek om herziening als bedoeld in onderscheidenlijk,,of, dat voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel is gedaan bij het college van beroep voor het hoger onderwijs. 3 artikelen 8:55 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht Voor de toepassing van deenten aanzien van uitspraken die voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel zijn gedaan door het college van beroep voor het hoger onderwijs, treedt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de plaats van het college van beroep voor het hoger onderwijs. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-01-2023
Artikel 18.99 — Artikel 18.99 Overdracht archiefbescheiden college van beroep voor het hoger onderwijs#
Artikel 18.99 Overdracht archiefbescheiden college van beroep voor het hoger onderwijs artikel 18.98, eerste lid, tweede volzin Onverminderd, worden de archiefbescheiden van het college van beroep voor het hoger onderwijs overgedragen aan Onze Minister. 2022 134 04-04-2022 23-02-2022 35625 2022 264 28-06-2022 16-06-2022 01-01-2023
Artikel 18.100 — Artikel 18.100 Overgangsbepaling inschrijving educatieve module#
Artikel 18.100 Overgangsbepaling inschrijving educatieve module artikel 27, derde lid, van het Besluit experimenten flexibel hoger onderwijs Degene die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van de Wet tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet voortgezet onderwijs 2020 houdende de verankering van het experiment educatieve module en enkele andere aangelegen wijzigingen op het gebied van de lerarenopleiding (Stb. 2023, 192) is ingeschreven bij een educatieve module op grond vanwordt van rechtswege ingeschreven voor een opleiding waartoe deze educatieve module behoort, met dien verstande dat in afwijking van artikel 7.49a en 7.49b de verschuldigdheid en de hoogte van een vergoeding worden bepaald aan de hand van artikel 27, derde lid, van het Besluit experimenten flexibel hoger onderwijs, zoals dat luidde onmiddellijk voor inwerkingtreding van artikel I van voornoemde wet. 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 2024 109 30-04-2024 18-04-2024 36478 01-05-2024 01-01-2024
Artikel 18.101 — Artikel 18.101 Overgangsbepaling experiment leeruitkomsten#
Artikel 18.101 Overgangsbepaling experiment leeruitkomsten 1 Wet leeruitkomsten hoger onderwijs Het accreditatieorgaan besluit in het kader van de eerste herbeoordeling na inwerkingtreding van dedat een bestaande deeltijdse of duale bacheloropleiding op basis van eenheden van leeruitkomsten waarbij het onderwijsaanbod beperkt is tot de afsluitende fase van de opleiding accreditatie bestaande opleiding behoudt of accreditatie bestaande opleiding onder voorwaarden behoudt voor een termijn van zes jaar, indien: a. Besluit experimenten flexibel hoger onderwijs voor deze opleiding eerder accreditatie bestaande opleiding is verleend op grond van het; en b. artikel 5.12 de opleiding op alle kwaliteitsaspecten, genoemd in, positief wordt beoordeeld onderscheidenlijk op een of meer van deze aspecten negatief wordt beoordeeld maar de tekortkomingen naar zijn oordeel binnen afzienbare tijd kunnen worden weggenomen. 2 artikel 5.6 Een toets nieuwe opleiding als bedoeld inis niet vereist indien de opleiding, bedoeld in het eerste lid, binnen de in het eerste lid genoemde termijn wordt voortgezet als opleiding met een volledig curriculum. 2024 279 14-10-2024 30-09-2024 36136 2024 345 15-11-2024 09-11-2024 01-01-2025
Artikel 19.1 — Artikel 19.1 Evaluatie#
Artikel 19.1 Evaluatie Onze Minister brengt vijf jaren na de inwerkingtreding van deze wet verslag uit over de werking ervan aan de beide kamers der Staten-Generaal. 2020 76 04-03-2020 12-02-2020 35320 2020 98 23-03-2020 16-03-2020 01-04-2020
Artikel 19.1a — Artikel 19.1a Evaluatie in verband met het pseudonimiseren van het persoonsgebonden nummer van een onderwijsdeelnemer#
Artikel 19.1a Evaluatie in verband met het pseudonimiseren van het persoonsgebonden nummer van een onderwijsdeelnemer inwerkingtreding artikel 7.52, negende tot en met twaalfde lid Onze Minister zendt binnen vijf jaar na devan de Wet van 29 november 2017 tot wijziging van diverse onderwijswetten in verband met het pseudonimiseren van het persoonsgebonden nummer van een onderwijsdeelnemer ten behoeve van het bieden van voorzieningen in het kader van het onderwijs en de begeleiding van onderwijsdeelnemers (Stb. 508) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en effecten van, in de praktijk. 2017 508 22-12-2017 29-11-2017 34741 2018 11 01-02-2018 22-01-2018 01-02-2018
Artikel 19.2 — Artikel 19.2 Inwerkingtreding#
Artikel 19.2 Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld. 2005 32 27-01-2005 23-12-2004 28925 2005 72 22-02-2005 08-02-2005 01-03-2005 Voorheen art. 16.85.
Artikel 19.3 — Artikel 19.3 Citeertitel#
Artikel 19.3 Citeertitel Deze wet kan worden aangehaald als "Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek". 2005 32 27-01-2005 23-12-2004 28925 2005 72 22-02-2005 08-02-2005 01-03-2005 Voorheen art. 16.86.
Artikel 1.8#
artikel 1.8, eerste lid
Artikel 1.13#
artikel 1.13, eerste lid