Wet van 4 juni 1992, houdende algemene regels van bestuursrecht (Algemene wet bestuursrecht)
- BWB-id
- BWBR0005537
- Type
- Wet
- Ministerie
- Veiligheid en Justitie
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0005537
- ELI
- /eli/nl/wet/1994/algemene-wet-bestuursrecht
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/wet/1994/algemene-wet-bestuursrecht/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0005537&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0005537&z=2026-06-01&g=2026-01-01
- wetten.overheid.nl identifier
- https://wetten.overheid.nl/id/BWBR0005537/2026-01-01/0
- LiDO (BWB-resource)
- http://linkeddata.overheid.nl/terms/bwb/id/BWBR0005537
Absolute ELI: /eli/nl/wet/1994/algemene-wet-bestuursrecht
Artikel 1:1 — Artikel 1:1#
Artikel 1:1 1 Onder bestuursorgaan wordt verstaan: a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed. 2 De volgende organen, personen en colleges worden niet als bestuursorgaan aangemerkt: a. de wetgevende macht; b. de kamers en de verenigde vergadering der Staten-Generaal; c. onafhankelijke, bij de wet ingestelde organen die met rechtspraak zijn belast, alsmede de Raad voor de rechtspraak en het College van afgevaardigden; d. de Raad van State en zijn afdelingen; e. de Algemene Rekenkamer; f. artikel 9, eerste lid, van de Wet Nationale ombudsman artikel 9:17, onderdeel b de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsmannen als bedoeld in, en ombudsmannen en ombudscommissies als bedoeld in; g. b f b f de voorzitters, leden, griffiers en secretarissen van de in de onderdelentot en metbedoelde organen, de procureur-generaal, de plaatsvervangend procureur-generaal en de advocaten-generaal bij de Hoge Raad, de besturen van de in onderdeel c bedoelde organen alsmede de voorzitters van die besturen, alsmede de commissies uit het midden van de in de onderdelentot en metbedoelde organen; h. artikel 97 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en haar afdelingen, bedoeld in; i. artikel 32 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 de toetsingscommissie inzet bevoegdheden, bedoeld in. 3 artikel 3 van de Ambtenarenwet 2017 Een ingevolge het tweede lid uitgezonderd orgaan, persoon of college wordt wel als bestuursorgaan aangemerkt voor zover het orgaan, de persoon of het college besluiten neemt of handelingen verricht ten aanzien van een persoon met betrekking tot diens inbedoelde hoedanigheid, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden, met uitzondering van een voor het leven benoemde ambtenaar werkzaam bij de Raad van State en zijn afdelingen en de Algemene Rekenkamer. 4 De vermogensrechtelijke gevolgen van een handeling van een bestuursorgaan treffen de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort. 2017 123 28-03-2017 09-03-2017 32550 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 1:2 — Artikel 1:2#
Artikel 1:2 1 Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. 2 Ten aanzien van bestuursorganen worden de hun toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd. 3 Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 1:3 — Artikel 1:3#
Artikel 1:3 1 Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. 2 Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan. 3 Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen. 4 Onder beleidsregel wordt verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 1:4 — Artikel 1:4#
Artikel 1:4 1 Onder bestuursrechter wordt verstaan: een onafhankelijk, bij de wet ingesteld orgaan dat met bestuursrechtspraak is belast. 2 Onder hogerberoepsrechter wordt verstaan: een bestuursrechter die in hoger beroep oordeelt. 3 hoofdstuk 8 Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften hoofdstuk VIII Een tot de rechterlijke macht behorend gerecht wordt als bestuursrechter aangemerkt voor zoverof de- met uitzondering van- van toepassing of van overeenkomstige toepassing is. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 1:5 — Artikel 1:5#
Artikel 1:5 1 Onder het maken van bezwaar wordt verstaan: het gebruik maken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid, voorziening tegen een besluit te vragen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen. 2 Onder het instellen van administratief beroep wordt verstaan: het gebruik maken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid, voorziening tegen een besluit te vragen bij een ander bestuursorgaan dan hetwelk het besluit heeft genomen. 3 Onder het instellen van beroep wordt verstaan: het instellen van administratief beroep, dan wel van beroep bij een bestuursrechter. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 1:6 — Artikel 1:6#
Artikel 1:6 hoofdstukken 2 tot en met 8 10 Deenvan deze wet zijn niet van toepassing op: a. de opsporing en vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen; b. Vreemdelingenwet 2000 de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende maatregelen op grond van de; c. de tenuitvoerlegging van andere vrijheidsbenemende maatregelen in een inrichting die in hoofdzaak bestemd is voor de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen; d. Wet militair tuchtrecht besluiten en handelingen ter uitvoering van de; e. Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding besluiten en handelingen ter uitvoering van de. 1999 214 01-06-1999 12-05-1999 25837 2020 193 23-06-2020 29-05-2020 24-06-2020 Treedt tevens in werking voor de beleidsterreinen die worden
bestreken door de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 1:7 — Artikel 1:7#
Artikel 1:7 1 Indien door een bestuursorgaan ingevolge enig wettelijk voorschrift advies moet worden gevraagd of extern overleg moet worden gevoerd inzake een besluit alvorens een zodanig besluit kan worden genomen, geldt dat voorschrift niet indien het voorgenomen besluit uitsluitend strekt tot uitvoering van een bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Europese Commissie. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op het horen van de Raad van State. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 1:8 — Artikel 1:8#
Artikel 1:8 1 Indien door een bestuursorgaan ingevolge enig wettelijk voorschrift van het ontwerp van een besluit kennis moet worden gegeven alvorens een zodanig besluit kan worden genomen, geldt dat voorschrift niet indien het voorgenomen besluit uitsluitend strekt tot uitvoering van een bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Europese Commissie. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op de overlegging van het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling aan de Staten-Generaal, indien: a. bij de wet is bepaald dat door of namens een der Kamers der Staten-Generaal of door een aantal leden daarvan de wens te kennen kan worden gegeven dat het onderwerp of de inwerkingtreding van die algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling bij de wet wordt geregeld, of b. artikel 21.6, vierde lid, van de Wet milieubeheer van toepassing is. 2023 376 27-10-2023 16-10-2023 36367 2023 470 15-12-2023 13-12-2023 01-01-2024
Artikel 1:9 — Artikel 1:9#
Artikel 1:9 Deze titel is van overeenkomstige toepassing op voorstellen van wet. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 2:1 — Artikel 2:1#
Artikel 2:1 1 Een bestuursorgaan draagt zorg voor passende ondersteuning bij het verkeer met dat bestuursorgaan. 2 Een ieder kan zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. 3 Het bestuursorgaan kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2023 368 25-10-2023 16-10-2023 01-01-2024
Artikel 2:2 — Artikel 2:2#
Artikel 2:2 1 Het bestuursorgaan kan bijstand of vertegenwoordiging door een persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaan, weigeren. 2 De belanghebbende en de in het eerste lid bedoelde persoon worden van de weigering onverwijld schriftelijk in kennis gesteld. 3 Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van advocaten. 2008 100 08-04-2008 20-03-2008 30815 2008 274 15-07-2008 03-07-2008 01-09-2008
Artikel 2:3 — Artikel 2:3#
Artikel 2:3 1 Het bestuursorgaan zendt een bericht tot behandeling waarvan kennelijk een ander bestuursorgaan bevoegd is, onverwijld door naar dat orgaan, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender. 2 Het bestuursorgaan zendt een bericht dat niet voor hem bestemd is en dat ook niet wordt doorgezonden, zo spoedig mogelijk terug aan de afzender. 3 Voor een elektronisch ontvangen bericht gelden het eerste en tweede lid slechts indien het bestuursorgaan uit het bericht, gelet op de wijze waarop het is verzonden, zonder nadere bewerking kan afleiden aan wie het bericht moet worden door- of teruggezonden. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026
Artikel 2:4 — Artikel 2:4#
Artikel 2:4 1 Het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid. 2 Het bestuursorgaan waakt ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 2:5 — Artikel 2:5#
Artikel 2:5 1 Een ieder die is betrokken bij de uitvoering van de taak van een bestuursorgaan en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit. 2 Het eerste lid is mede van toepassing op instellingen en daartoe behorende of daarvoor werkzame personen die door een bestuursorgaan worden betrokken bij de uitvoering van zijn taak, en op instellingen en daartoe behorende of daarvoor werkzame personen die een bij of krachtens de wet toegekende taak uitoefenen. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 2:6 — Artikel 2:6#
Artikel 2:6 1 Bestuursorganen en onder hun verantwoordelijkheid werkzame personen gebruiken de Nederlandse taal, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. 2 In afwijking van het eerste lid kan een andere taal worden gebruikt indien het gebruik daarvan doelmatiger is en de belangen van derden daardoor niet onevenredig worden geschaad. 1995 302 15-06-1995 04-05-1995 23543 1995 303 15-06-1995 29-05-1995 01-07-1995
Artikel 2:7 — Artikel 2:7#
Artikel 2:7 1 In het verkeer met een bestuursorgaan kan een bericht langs elektronische weg worden verzonden, tenzij een vormvoorschrift zich daartegen verzet. 2 In het verkeer met een bestuursorgaan wordt het gebruik van de elektronische weg niet voorgeschreven voor een bericht dat tot een of meer geadresseerden is gericht. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026 Artikel XV van Stb. 2025/445 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2:8 — Artikel 2:8#
Artikel 2:8 Een bestuursorgaan kan een bericht dat tot een of meer geadresseerden is gericht, slechts elektronisch verzenden voor zover de geadresseerde uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026 Artikel XV van Stb. 2025/445 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2:9 — Artikel 2:9#
Artikel 2:9 Indien een bestuursorgaan een bericht elektronisch verzendt, geschiedt dit op een voldoende betrouwbare en vertrouwelijke manier, gelet op de aard en de inhoud van het bericht en het doel waarvoor het wordt gebruikt. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026 Artikel XV van Stb. 2025/445 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2:10 — Artikel 2:10#
Artikel 2:10 1 Indien een bestuursorgaan een bericht elektronisch verzendt door het bericht te plaatsen in een systeem voor gegevensverwerking waarin de geadresseerde toegang heeft tot het bericht, wordt aan de geadresseerde binnen 48 uur elektronisch meegedeeld dat voor hem een bericht van het bestuursorgaan toegankelijk is geworden, tenzij de geadresseerde heeft laten weten een dergelijke kennisgeving niet te willen ontvangen. 2 Dit lid is nog niet in werking getreden. 3 artikel 5, eerste lid, onderdeel f, van de Wet digitale overheid Indien het bestuursorgaan gebruikmaakt van zowel een voorziening voor elektronisch berichtenverkeer en informatieverschaffing als bedoeld inals een andere voorziening, kan worden volstaan met kennisgeving van het toegankelijk worden van het bericht in de eerste voorziening. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 391 10-12-2024 23-10-2024 36481 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026 Artikel XV van Stb. 2025/445 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2:11 — Artikel 2:11#
Artikel 2:11 1 Indien een bestuursorgaan een elektronisch bericht niet met succes kan bezorgen bij de geadresseerde, wordt het bericht nogmaals of op een andere wijze verzonden. 2 artikel 2:10 Indien een bestuursorgaan een inbedoelde kennisgeving niet met succes kan bezorgen bij de geadresseerde, wordt de kennisgeving nogmaals verzonden of spant het bestuursorgaan zich in om geadresseerde langs andere weg te informeren over het niet kunnen bezorgen van de kennisgeving en van de maatregelen die hij kan nemen om kennisgevingen te ontvangen. 3 De tweede verzending van een bericht als bedoeld in het eerste lid geldt als tijdstip waarop het bericht is verzonden. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026 Artikel XV van Stb. 2025/445 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2:12 — Artikel 2:12#
Artikel 2:12 Een door een bestuursorgaan verzonden elektronisch bericht wordt gewijzigd of ingetrokken door de verzending van een nieuw bericht waarin de wijziging of intrekking wordt vermeld. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026 Artikel XV van Stb. 2025/445 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2:13 — Artikel 2:13#
Artikel 2:13 1 Een ieder kan een bericht dat deel uitmaakt van een procedure over een besluit of een klacht of een ander krachtens wettelijk voorschrift voorgeschreven bericht elektronisch aan een bestuursorgaan zenden. 2 Bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan wordt voor ieder type bericht als bedoeld in het eerste lid, gelet op de aard en de inhoud van het type bericht en het doel waarvoor het wordt gebruikt, een voldoende betrouwbare en vertrouwelijke wijze van verzenden aangewezen. 3 Bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan kunnen nadere eisen worden gesteld, mits die eisen de mogelijkheid van elektronische verzending niet onevenredig belemmeren. 4 Bij tijdelijke regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan worden bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is op in die tijdelijke regeling aangewezen berichten aan in die tijdelijke regeling aangewezen bestuursorganen voor een in die tijdelijke regeling bepaalde periode. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026 Artikel XV van Stb. 2025/445 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2:14 — Artikel 2:14#
Artikel 2:14 artikel 2:13, eerste lid Een ander bericht dan een bericht als bedoeld in, kan elektronisch aan een bestuursorgaan worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend. Het bestuursorgaan kan nadere eisen stellen. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026 Artikel XV van Stb. 2025/445 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2:15 — Artikel 2:15#
Artikel 2:15 1 Een bestuursorgaan kan elektronisch verschafte gegevens en bescheiden weigeren voor zover de aanvaarding daarvan tot een onevenredige belasting voor het bestuursorgaan zou leiden. 2 Een bestuursorgaan kan een elektronisch verzonden bericht weigeren voor zover de betrouwbaarheid of vertrouwelijkheid van het bericht onvoldoende is gewaarborgd, gelet op de aard en de inhoud van het bericht en het doel waarvoor het wordt gebruikt. 3 Het bestuursorgaan deelt een weigering op grond van dit artikel zo spoedig mogelijk aan de afzender mee. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026 Artikel XV van Stb. 2025/445 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2:16 — Artikel 2:16#
Artikel 2:16 1 artikel 2:13, eerste lid Indien een bericht als bedoeld in, niet is verzonden op de voor dat bericht aangewezen wijze, kan een bestuursorgaan ermee volstaan de afzender te wijzen op de juiste wijze van verzending, tenzij: a. het bestuursorgaan het bericht zonder nadere bewerking kan behandelen als ware het op de juiste wijze ingediend; b. het bericht een bezwaarschrift of een administratief beroepschrift betreft; of c. voor het type bericht geen wijze van verzending is aangewezen. 2 artikel 2:13, eerste lid Een bestuursorgaan is niet gehouden op een bericht als bedoeld in het eerste lid te reageren, indien het bericht is verzonden op een wijze die niet voor enig bericht als bedoeld in, is aangewezen. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026 Artikel XV van Stb. 2025/445 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2:17 — Artikel 2:17#
Artikel 2:17 1 artikel 2:13, eerste lid Een bestuursorgaan bevestigt de ontvangst van een elektronisch bericht als bedoeld in, dat is verzonden overeenkomstig het tweede lid van dat artikel en met inachtneming van de nadere eisen, gesteld krachtens het derde lid van dat artikel, tenzij: a. het bestuursorgaan en de verzender gebruikmaken van hetzelfde systeem voor gegevensverwerking en de verzender in dat systeem kan zien dat het bericht voor het bestuursorgaan beschikbaar is; of b. van de verzender geen elektronisch adres beschikbaar is. 2 artikel 2:13, eerste lid Indien een bericht als bedoeld in, aan een bestuursorgaan wordt verzonden door de rechtstreekse invoer van gegevens in een systeem voor gegevensverwerking van het bestuursorgaan, stelt het bestuursorgaan de ingevoerde gegevens aan de verzender ter beschikking op een voldoende betrouwbare en vertrouwelijke manier. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026 Artikel XV van Stb. 2025/445 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2:18 — Artikel 2:18#
Artikel 2:18 1 Aan het vereiste van ondertekening is voldaan door een elektronische handtekening, indien de methode die daarbij voor ondertekening is gebruikt, voldoende betrouwbaar is, gelet op de aard en inhoud van het elektronische bericht en het doel waarvoor het is gebruikt. 2 Verordening (EU) nr. 910/2014 Indien de veiligheid en de betrouwbaarheid van het elektronische bericht en het doel waarvoor het wordt gebruikt dit noodzakelijk maken, kan bij wettelijk voorschrift het gebruik worden voorgeschreven van een bepaald type elektronische handtekening als bedoeld in artikel 3, onder 10, vanvan het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 (PbEU 2014, L 257). Daarbij kunnen aanvullende eisen worden gesteld, tenzij het gaat om een geavanceerde elektronische handtekening als bedoeld in artikel 3, onder 11, of een gekwalificeerde elektronische handtekening als bedoeld in artikel 3, onder 12, van die verordening. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026 Artikel XV van Stb. 2025/445 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2:19 — Artikel 2:19#
Artikel 2:19 Als tijdstip waarop een bericht door een bestuursorgaan elektronisch is verzonden, geldt: a. het tijdstip waarop het bericht een systeem voor gegevensverwerking bereikt waarvoor het bestuursorgaan of een ander bestuursorgaan geen verantwoordelijkheid draagt; b. indien het bestuursorgaan gebruikmaakt van een systeem voor gegevensverwerking waarin de geadresseerde toegang heeft tot het bericht: het tijdstip waarop het bericht toegankelijk wordt voor de geadresseerde; c. artikel 5, eerste lid, onder f, van de Wet digitale overheid indien het bestuursorgaan gebruikmaakt van zowel een voorziening voor elektronisch berichtenverkeer en informatieverschaffing als bedoeld inals een andere voorziening: het tijdstip waarop het bericht toegankelijk is geworden via de eerstgenoemde voorziening. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 391 10-12-2024 23-10-2024 36481 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026 Artikel XV van Stb. 2025/445 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2:20 — Artikel 2:20#
Artikel 2:20 Als tijdstip waarop een bericht door een bestuursorgaan elektronisch is ontvangen, geldt het tijdstip waarop het bericht zijn systeem voor gegevensverwerking of een ander daartoe aangewezen systeem heeft bereikt of het tijdstip waarop het bericht op andere wijze elektronisch toegankelijk wordt voor het bestuursorgaan. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026 Artikel XV van Stb. 2025/445 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2:21 — Artikel 2:21#
Artikel 2:21 1 Het bestuursorgaan kan een wettelijke termijn voor de indiening van een bericht verlengen wegens een verminderde elektronische bereikbaarheid van het bestuursorgaan. 2 Het bestuursorgaan doet van de in het eerste lid bedoelde verlenging zo spoedig mogelijk mededeling op een zodanige wijze dat degenen die gebruikmaken van de desbetreffende wijze van elektronische verzending hiervan tijdig kennis kunnen nemen. 3 artikel 2:13, tweede lid Indien voor de indiening van een bericht bij een bestuursorgaan een termijn is gesteld, en het bestuursorgaan in een periode voorafgaand aan het einde van die termijn enige tijd niet bereikbaar is via de met toepassing van, voor dat bericht aangewezen wijze van elektronische verzending, wordt de verzender de overschrijding van die termijn niet tegengeworpen indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de verzender in verzuim is geweest. De verzender wordt in ieder geval niet geoordeeld in verzuim te zijn geweest voor de duur van de in de vorige zin bedoelde periode. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de verschoonbaarheid van termijnoverschrijdingen wegens verminderde elektronische bereikbaarheid van het bestuursorgaan. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026 Artikel XV van Stb. 2025/445 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2:22 — Artikel 2:22#
Artikel 2:22 1 artikel 2:10 Indien een kennisgeving als bedoeld inniet is verzonden, wordt de overschrijding van een termijn die is aangevangen met de verzending van het bericht waarop deze kennisgeving betrekking heeft, niet aan de geadresseerde tegengeworpen, tenzij de geadresseerde heeft laten weten deze kennisgeving niet te willen ontvangen. 2 artikel 2:10 De overschrijding van een termijn wordt de geadresseerde evenmin tegengeworpen indien hij de kennisgeving, bedoeld in, niet heeft ontvangen en redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026 Artikel XV van Stb. 2025/445 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2:23 — Artikel 2:23#
Artikel 2:23 artikel 2:13, eerste lid artikel 2:16, eerste lid Indien de indiening van een bericht als bedoeld in, aan een termijn is gebonden en de verzender redelijkerwijs kon menen dat hij het bericht kon indienen zoals hij heeft gedaan, wordt deze termijn verlengd met het tijdsverloop tussen de ontvangst van het bericht en de in, bedoelde reactie, doch met ten minste één werkdag. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026 Artikel XV van Stb. 2025/445 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2:24 — Artikel 2:24#
Artikel 2:24 artikel 2:16, eerste lid, onder a Indien een bericht met toepassing van, wordt behandeld, vangt een bij wettelijk voorschrift bepaalde behandeltermijn aan op het tijdstip van interne doorgeleiding, mits het bestuursorgaan de afzender onverwijld mededeling doet van de doorgeleiding en het tijdstip waarop de termijn aanvangt. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026 Artikel XV van Stb. 2025/445 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2:25 — Artikel 2:25#
Artikel 2:25 Indien het bestuursorgaan gebruikmaakt van een systeem voor gegevensverwerking waarin de geadresseerde toegang heeft tot het bericht, rust op het bestuursorgaan de bewijslast inzake de ontvangst van aan het bestuursorgaan gezonden berichten en de verzending van aan de geadresseerde gezonden berichten, alsmede inzake gegevens over de kennisneming van deze berichten door de geadresseerde. De afzender of de geadresseerde wordt desgevraagd afschrift van deze gegevens verstrekt. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026 Artikel XV van Stb. 2025/445 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2:26 — Artikel 2:26#
Artikel 2:26 1 Bij algemene maatregel van bestuur kan tijdelijk worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens deze afdeling, voor zover dat nodig is wegens nieuwe technische ontwikkelingen. Indien daarbij wordt afgeweken van in deze afdeling geboden waarborgen, wordt een gelijkwaardig alternatief opgenomen. 2 Bij toepassing van het eerste lid wordt in ieder geval geregeld van welke bepaling of bepalingen, door welke bestuursorganen of belanghebbenden, op welke wijze en gedurende welke periode wordt afgeweken. 3 De voordracht voor de algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 4 Onze Minister zendt ten minste twaalf maanden voor het einde van de werkingsduur van de algemene maatregel van bestuur aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de toepassing van de nieuwe ontwikkelingen in relatie tot elektronisch bestuurlijk verkeer, alsmede een standpunt inzake de voortzetting anders dan bij algemene maatregel van bestuur. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026 Artikel XV van Stb. 2025/445 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2:27 — Artikel 2:27#
Artikel 2:27 artikel 5, eerste lid, onder f, van de Wet digitale overheid Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen regels worden gesteld over het bewaren en vernietigen van berichten die zijn verzonden via een voorziening voor elektronisch berichtenverkeer en informatieverschaffing als bedoeld in, waaronder regels inzake de termijn waarbinnen berichten ten minste en ten hoogste worden bewaard. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 391 10-12-2024 23-10-2024 36481 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026 Artikel XV van Stb. 2025/445 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 3:1 — Artikel 3:1#
Artikel 3:1 1 Op besluiten, inhoudende algemeen verbindende voorschriften: a. afdeling 3.2 isslechts van toepassing, voor zover de aard van de besluiten zich daartegen niet verzet; b. afdelingen 3.6 3.7 zijn deenniet van toepassing. 2 afdelingen 3.2 tot en met 3.4 Op andere handelingen van bestuursorganen dan besluiten zijn devan overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de handelingen zich daartegen niet verzet. 2006 24 31-01-2006 22-12-2005 30171 2006 24 31-01-2006 22-12-2005 30171 01-02-2006
Artikel 3:2 — Artikel 3:2#
Artikel 3:2 Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 3:3 — Artikel 3:3#
Artikel 3:3 Het bestuursorgaan gebruikt de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 3:4 — Artikel 3:4#
Artikel 3:4 1 Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. 2 De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 3:5 — Artikel 3:5#
Artikel 3:5 1 In deze afdeling wordt verstaan onder adviseur: een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. 2 Deze afdeling is niet van toepassing op het horen van de Raad van State. 1995 355 25-07-1995 10-07-1995 23983 1995 355 25-07-1995 10-07-1995 23983 26-07-1995
Artikel 3:6 — Artikel 3:6#
Artikel 3:6 1 Indien aan de adviseur niet reeds bij wettelijk voorschrift een termijn is gesteld, kan het bestuursorgaan aangeven binnen welke termijn een advies wordt verwacht. Deze termijn mag niet zodanig kort zijn, dat de adviseur zijn taak niet naar behoren kan vervullen. 2 Indien het advies niet tijdig wordt uitgebracht staat het enkele ontbreken daarvan niet in de weg aan het nemen van het besluit. 1995 355 25-07-1995 10-07-1995 23983 1995 355 25-07-1995 10-07-1995 23983 26-07-1995
Artikel 3:7 — Artikel 3:7#
Artikel 3:7 1 Het bestuursorgaan waaraan advies wordt uitgebracht, stelt aan de adviseur, al dan niet op verzoek, de gegevens ter beschikking die nodig zijn voor een goede vervulling van diens taak. 2 Artikel 5.1 van de Wet open overheid is van overeenkomstige toepassing. 2021 499 27-10-2021 25-10-2021 33328 2021 500 27-10-2021 25-10-2021 35112 2021 499 27-10-2021 25-10-2021 33328 01-05-2022
Artikel 3:8 — Artikel 3:8#
Artikel 3:8 In of bij het besluit wordt de adviseur vermeld die advies heeft uitgebracht. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 3:9 — Artikel 3:9#
Artikel 3:9 Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 3:9a — Artikel 3:9a#
Artikel 3:9a Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op voorstellen van wet. 1995 355 25-07-1995 10-07-1995 23983 1995 355 25-07-1995 10-07-1995 23983 26-07-1995
Artikel 3:10 — Artikel 3:10#
Artikel 3:10 1 Deze afdeling is van toepassing op de voorbereiding van besluiten indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald. 2 Tenzij bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan anders is bepaald, is deze afdeling niet van toepassing op de voorbereiding van een besluit inhoudende de afwijzing van een aanvraag tot intrekking of wijziging van een besluit. 3 Afdeling 4.1.1 is mede van toepassing op andere besluiten dan beschikkingen, indien deze op aanvraag worden genomen en voorbereid overeenkomstig deze afdeling. 4 paragraaf 4.1.3.3 Indien deze afdeling van toepassing is op de voorbereiding van een besluit is. niet van toepassing. 2011 201 03-05-2011 07-04-2011 32614 2011 201 03-05-2011 07-04-2011 32614 01-01-2012
Artikel 3:11 — Artikel 3:11#
Artikel 3:11 1 artikel 12 van de Bekendmakingswet Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage, met uitzondering van stukken waarvoor bij wettelijk voorschrift mededeling op de inbepaalde wijze is voorgeschreven. 2 Artikel 5.1 van de Wet open overheid is van overeenkomstige toepassing. Indien op grond daarvan bepaalde stukken niet ter inzage worden gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan. 3 artikel 3:16, eerste lid De stukken liggen ter inzage gedurende de in, bedoelde termijn. 2021 499 27-10-2021 25-10-2021 33328 2021 500 27-10-2021 25-10-2021 35112 2021 499 27-10-2021 25-10-2021 33328 01-05-2022
Artikel 3:12 — Artikel 3:12#
Artikel 3:12 1 artikel 12 van de Bekendmakingswet Voorafgaand aan de terinzagelegging geeft het bestuursorgaan in het invoor het bestuursorgaan aangewezen publicatieblad op de in dat artikel bepaalde wijze kennis van het ontwerp. 2 In de kennisgeving wordt vermeld: a. wie in de gelegenheid worden gesteld om zienswijzen naar voren te brengen; b. op welke wijze dit kan geschieden; c. artikel 3:18, tweede lid indien toepassing is gegeven aan: de termijn waarbinnen het besluit zal worden genomen. 2020 262 17-07-2020 01-07-2020 35218 2021 176 09-04-2021 01-04-2021 01-07-2021
Artikel 3:13 — Artikel 3:13#
Artikel 3:13 1 Indien het besluit tot een of meer belanghebbenden zal zijn gericht, zendt het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging het ontwerp toe aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. 2 Artikel 3:12, tweede lid , is van overeenkomstige toepassing. 2020 262 17-07-2020 01-07-2020 35218 2021 176 09-04-2021 01-04-2021 01-07-2021
Artikel 3:14 — Artikel 3:14#
Artikel 3:14 1 Het bestuursorgaan vult de ter inzage gelegde stukken aan met nieuwe relevante stukken en gegevens. 2 Artikel 3:11, tweede tot en met derde lid , is van toepassing. 2020 262 17-07-2020 01-07-2020 35218 2021 176 09-04-2021 01-04-2021 01-07-2021
Artikel 3:15 — Artikel 3:15#
Artikel 3:15 1 Belanghebbenden kunnen bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen. 2 Bij wettelijk voorschrift of door het bestuursorgaan kan worden bepaald dat ook aan anderen de gelegenheid moet worden geboden hun zienswijze naar voren te brengen. 3 Indien het een besluit op aanvraag betreft, stelt het bestuursorgaan de aanvrager zo nodig in de gelegenheid te reageren op de naar voren gebrachte zienswijzen. 4 Indien het een besluit tot wijziging of intrekking van een besluit betreft, stelt het bestuursorgaan degene tot wie het te wijzigen of in te trekken besluit is gericht zo nodig in de gelegenheid te reageren op de naar voren gebrachte zienswijzen. 2002 54 12-02-2002 24-01-2002 27023 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 3:16 — Artikel 3:16#
Artikel 3:16 1 afdeling 3.3 De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen en het uitbrengen van adviezen als bedoeld in, bedraagt zes weken, tenzij bij wettelijk voorschrift een langere termijn is bepaald. 2 De termijn vangt aan met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage is gelegd en daarvan kennis is gegeven. 3 artikelen 6:9 6:10 6:15 Op schriftelijk naar voren gebrachte zienswijzen zijn de,envan overeenkomstige toepassing. 2020 262 17-07-2020 01-07-2020 35218 2021 176 09-04-2021 01-04-2021 01-07-2021
Artikel 3:17 — Artikel 3:17#
Artikel 3:17 artikel 3:15 Van hetgeen overeenkomstigmondeling naar voren is gebracht, wordt een verslag gemaakt. 2002 54 12-02-2002 24-01-2002 27023 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 3:18 — Artikel 3:18#
Artikel 3:18 1 Indien het een besluit op aanvraag betreft, neemt het bestuursorgaan het besluit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag. 2 Indien de aanvraag een zeer ingewikkeld of omstreden onderwerp betreft, kan het bestuursorgaan, alvorens een ontwerp ter inzage te leggen, binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag de in het eerste lid bedoelde termijn met een redelijke termijn verlengen. Voordat het bestuursorgaan een besluit tot verlenging neemt, stelt het de aanvrager in de gelegenheid zijn zienswijze daarover naar voren te brengen. 3 In afwijking van het eerste lid neemt het bestuursorgaan het besluit uiterlijk twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerp, indien het een besluit betreft: a. inzake intrekking van een besluit; b. inzake wijziging van een besluit en de aanvraag is gedaan door een ander dan degene tot wie het te wijzigen besluit is gericht. 4 artikel 3:12, eerste lid Indien geen zienswijzen naar voren zijn gebracht, doet het bestuursorgaan daarvan zo spoedig mogelijk nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken, mededeling op de wijze, bedoeld in. In afwijking van het eerste of derde lid neemt het bestuursorgaan het besluit in dat geval binnen vier weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken. 2020 262 17-07-2020 01-07-2020 35218 2021 176 09-04-2021 01-04-2021 01-07-2021
Artikel 3:19 — Artikel 3:19#
Artikel 3:19 1 Indien er sprake is van besluiten die nodig zijn om een bepaalde activiteit te mogen verrichten of besluiten die strekken tot het vaststellen van een financiële aanspraak met het oog op die activiteit, bevordert het bestuursorgaan dat een aanvrager in kennis wordt gesteld van andere op aanvraag te nemen besluiten waarvan het bestuursorgaan redelijkerwijs kan aannemen dat deze nodig zijn voor de door de aanvrager te verrichten activiteit. 2 Bij de kennisgeving wordt per besluit in ieder geval vermeld: a. naam en adres van het bestuursorgaan, bevoegd tot het nemen van het besluit; b. krachtens welk wettelijk voorschrift het besluit wordt genomen. 2021 135 17-03-2021 03-03-2021 35256 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3:20 — Artikel 3:20#
Artikel 3:20 Deze afdeling is van toepassing op besluiten ten aanzien waarvan dat is bepaald: a. bij wettelijk voorschrift; of b. bij besluit van de tot het nemen van die besluiten bevoegde bestuursorganen (coördinatiebesluit). 2021 135 17-03-2021 03-03-2021 35256 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3:21 — Artikel 3:21#
Artikel 3:21 1 artikel 3:20, onderdeel a Bij of krachtens het wettelijk voorschrift, bedoeld in, of in het coördinatiebesluit wordt een coördinerend bestuursorgaan aangewezen. 2 Indien het in een coördinatiebesluit als coördinerend bestuursorgaan aan te wijzen bestuursorgaan niet bevoegd is tot het nemen van een of meer van de te coördineren besluiten, behoeft de aanwijzing de instemming van dat bestuursorgaan. 3 Indien redelijkerwijs niet valt te verwachten dat toepassing van deze afdeling op een besluit de voortgang van de besluitvorming over de te coördineren besluiten in betekenende mate zal versnellen of dat aan deze toepassing anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden, kan het coördinerend bestuursorgaan besluiten deze afdeling ten aanzien van dat besluit niet, niet verder of later toe te passen. 2021 135 17-03-2021 03-03-2021 35256 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel 5.1 van Stb. 2021/135 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 3:22 — Artikel 3:22#
Artikel 3:22 1 Het coördinerend bestuursorgaan bevordert een doelmatige en samenhangende voorbereiding van besluiten, waarbij de bestuursorganen bij de beoordeling van de aanvragen in ieder geval rekening houden met de onderlinge samenhang tussen de aanvragen en tussen de te nemen besluiten. 2 De bevoegde bestuursorganen verlenen de medewerking die voor het welslagen van de coördinatie nodig is. 2021 135 17-03-2021 03-03-2021 35256 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel 5.1 van Stb. 2021/135 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 3:23 — Artikel 3:23#
Artikel 3:23 1 De besluiten worden zoveel mogelijk gelijktijdig aangevraagd bij het coördinerend bestuursorgaan, met dien verstande dat de laatste aanvraag niet later wordt ingediend dan zes weken na ontvangst van de eerste aanvraag. Het coördinerend bestuursorgaan kan bepalen dat voor het indienen van de aanvragen een andere termijn geldt. 2 Het coördinerend bestuursorgaan zendt terstond na ontvangst van de aanvragen een afschrift daarvan aan de bevoegde bestuursorganen. 3 Indien een aanvraag later dan de termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend, wordt die aanvraag niet betrokken bij de gecoördineerde voorbereiding van de andere besluiten, tenzij het coördinerend bestuursorgaan anders bepaalt. 4 Bij wettelijk voorschrift kan worden bepaald dat de aanvraag om een besluit niet wordt behandeld indien niet tevens de aanvraag om een ander besluit is ingediend. 5 Het coördinerend bestuursorgaan is mede bevoegd tot het indienen van een aanvraag bij het bevoegde bestuursorgaan, indien het besluit waarop de aanvraag betrekking heeft, strekt tot uitvoering van een besluit dat door het coördinerend bestuursorgaan is genomen. De aanvraag kan mede namens een van de andere betrokken bestuursorganen worden ingediend. 2021 135 17-03-2021 03-03-2021 35256 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel 5.1 van Stb. 2021/135 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 3:24 — Artikel 3:24#
Artikel 3:24 artikel 3:23, vierde lid Onverminderd, vangt de termijn voor het nemen van de besluiten, bedoeld in artikel 3:23, eerste lid, aan met ingang van de dag waarop de laatste aanvraag is ontvangen. 2021 135 17-03-2021 03-03-2021 35256 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel 5.1 van Stb. 2021/135 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 3:25 — Artikel 3:25#
Artikel 3:25 1 afdeling 3.4 Indien op de voorbereiding van een van de besluitenvan toepassing is, is die afdeling van toepassing op alle besluiten, met inachtneming van het volgende: a. artikelen 3:11 3:14 3:44 de ingevolge de,en, eerste lid, onderdeel a, vereiste terinzageleggingen geschiedt in ieder geval ten kantore van het coördinerend bestuursorgaan; b. het coördinerend bestuursorgaan draagt er zorg voor dat de gelegenheid tot het mondeling naar voren brengen van zienswijzen wordt gegeven met betrekking tot alle ontwerpbesluiten gezamenlijk; c. zienswijzen worden bij het coördinerend bestuursorgaan naar voren gebracht; d. indien over een ontwerpbesluit zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder geldt dit eveneens met betrekking tot de andere ontwerpbesluiten; e. indien een ontwerpbesluit strekt tot uitvoering van een ander besluit dat geen onderdeel uitmaakt van de coördinatie, kunnen zienswijzen geen betrekking hebben op dat andere besluit; f. het in de gelegenheid stellen te reageren op naar voren gebrachte zienswijzen geschiedt door het coördinerend bestuursorgaan; g. afdeling 3.6 de ingevolge die afdeling envereiste mededelingen, kennisgevingen en toezendingen geschieden door het coördinerend bestuursorgaan; h. artikel 3:18 in afwijking vanworden de besluiten genomen binnen een door het coördinerend bestuursorgaan te bepalen termijn, doch uiterlijk binnen de termijn die geldt voor het besluit met de langste beslistermijn; i. artikel 6:8, vierde lid de dag van terinzagelegging van de besluiten door het coördinerend bestuursorgaan is bepalend voor de aanvang van de beroepstermijn ingevolge. 2 afdeling 3.4 Indienniet van toepassing is, geschiedt de voorbereiding met toepassing of overeenkomstige toepassing van de onderdelen b tot en met h van het eerste lid. 2021 135 17-03-2021 03-03-2021 35256 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel 5.1 van Stb. 2021/135 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. 2020 262 17-07-2020 01-07-2020 35218 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3:26 — Artikel 3:26#
Artikel 3:26 1 De bevoegde bestuursorganen zenden de door hen genomen besluiten zo spoedig mogelijk toe aan het coördinerend bestuursorgaan. 2 afdeling 3.4 Het coördinerend bestuursorgaan maakt de besluiten gelijktijdig bekend en legt deze, indien tevens terinzagelegging wettelijk is voorgeschreven op grond van, gelijktijdig ter inzage. 2021 135 17-03-2021 03-03-2021 35256 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel 5.1 van Stb. 2021/135 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 3:27 — Artikel 3:27#
Artikel 3:27 1 artikel 6:4 Indien tegen een van de besluiten bezwaar kan worden gemaakt of administratief beroep kan worden ingesteld, geschiedt dit in afwijking vandoor het indienen van het bezwaar- of beroepschrift bij het coördinerend bestuursorgaan. Het coördinerend bestuursorgaan zendt terstond na ontvangst van het bezwaar- of beroepschrift een afschrift daarvan aan het bevoegde bestuursorgaan. 2 Het coördinerend bestuursorgaan draagt er zorg voor dat de gelegenheid tot het gebruik maken van het recht te worden gehoord wordt gegeven met betrekking tot alle bestreden besluiten gezamenlijk. 3 artikel 7:12, derde lid artikel 7:26, vierde lid De bevoegde bestuursorganen zenden de door hen genomen beslissingen op het bezwaar of beroep zo spoedig mogelijk toe aan het coördinerend bestuursorgaan. Het coördinerend bestuursorgaan maakt de beslissingen gelijktijdig bekend en doet de ingevolge, of, vereiste mededelingen. 4 artikel 7:1a, vierde lid Een beslissing op een verzoek in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter, bedoeld in, wordt genomen door het coördinerend bestuursorgaan. Onverminderd artikel 7:1a, tweede lid, wijst het coördinerend bestuursorgaan het verzoek in ieder geval af indien tegen een van de andere besluiten een bezwaarschrift is ingediend waarin eenzelfde verzoek ontbreekt. 2021 135 17-03-2021 03-03-2021 35256 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel 5.1 van Stb. 2021/135 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 3:28 — Artikel 3:28#
Artikel 3:28 Voor de mogelijkheid van beroep bij de bestuursrechter worden besluiten die zijn voorbereid met toepassing van deze afdeling aangemerkt als één besluit. 2021 135 17-03-2021 03-03-2021 35256 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel 5.1 van Stb. 2021/135 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 3:29 — Artikel 3:29#
Artikel 3:29 1 Tenzij het tweede lid van toepassing is, staat tegen besluiten die zijn voorbereid met toepassing van deze afdeling beroep open bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waar het coördinerend bestuursorgaan zijn zetel heeft. 2 Tegen besluiten die zijn voorbereid met toepassing van deze afdeling staat beroep open bij: a. de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, indien tegen een of meer van de besluiten beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling; b. het College van Beroep voor het bedrijfsleven, indien tegen een of meer van de besluiten beroep kan worden ingesteld bij het College en onderdeel a niet van toepassing is; c. de Centrale Raad van Beroep, indien tegen een of meer van de besluiten beroep kan worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep en de onderdelen a en b niet van toepassing zijn. 3 Indien inzake één van de besluiten die met toepassing van deze afdeling gecoördineerd zijn voorbereid hoger beroep kan worden ingesteld bij: a. de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, staat inzake alle besluiten hoger beroep open bij de Afdeling; b. het College van Beroep voor het bedrijfsleven en onderdeel a niet van toepassing is, staat inzake alle besluiten hoger beroep open bij het College; c. de Centrale Raad van Beroep en de onderdelen a en b niet van toepassing zijn, staat inzake alle besluiten hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. 4 Artikel 8:13, tweede en derde lid De ingevolge het eerste lid bevoegde rechtbank of de ingevolge het tweede of derde lid bevoegde bestuursrechter kan de behandeling van de beroepen dan wel hoger beroepen verwijzen naar een rechtbank onderscheidenlijk een andere bestuursrechter die voor de behandeling ervan meer geschikt wordt geacht., is van overeenkomstige toepassing. 2021 135 17-03-2021 03-03-2021 35256 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel 5.1 van Stb. 2021/135 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 3:30 — Artikel 3:30#
Artikel 3:30 Vervallen 2002 54 12-02-2002 24-01-2002 27023 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 3:31 — Artikel 3:31#
Artikel 3:31 Vervallen 2002 54 12-02-2002 24-01-2002 27023 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 3:32 — Artikel 3:32#
Artikel 3:32 Vervallen 2002 54 12-02-2002 24-01-2002 27023 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 3:33 — Artikel 3:33#
Artikel 3:33 Vervallen 2002 54 12-02-2002 24-01-2002 27023 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 3:40 — Artikel 3:40#
Artikel 3:40 Een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 3:41 — Artikel 3:41#
Artikel 3:41 1 De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. 2 Indien de bekendmaking van het besluit niet kan geschieden op de wijze als voorzien in het eerste lid, geschiedt zij op een andere geschikte wijze. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 3:42 — Artikel 3:42#
Artikel 3:42 artikelen 5 6 van de Bekendmakingswet De bekendmaking van besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt op de in deonderscheidenlijkbepaalde wijze. 2020 262 17-07-2020 01-07-2020 35218 2021 176 09-04-2021 01-04-2021 01-07-2021
Artikel 3:43 — Artikel 3:43#
Artikel 3:43 1 artikel 3:5 Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking wordt van het besluit mededeling gedaan aan degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben gebracht. Aan een adviseur als bedoeld inwordt in ieder geval mededeling gedaan indien van het advies wordt afgeweken. 2 Bij de mededeling van een besluit wordt tevens vermeld wanneer en hoe de bekendmaking ervan heeft plaatsgevonden. 2002 54 12-02-2002 24-01-2002 27023 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 3:44 — Artikel 3:44#
Artikel 3:44 1 afdeling 3.4 Indien bij de voorbereiding van een besluit dat tot een of meer belanghebbenden is gericht toepassing is gegeven aan, wordt kennisgegeven van de terinzagelegging van het besluit en van de op de zaak betrekking hebbende stukken: a. artikelen 3:11 3:12, eerste lid met overeenkomstige toepassing van deen, met dien verstande dat de stukken ter inzage liggen totdat de beroepstermijn is verstreken, en b. door toezending van een exemplaar van het besluit aan degenen die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht. 2 afdeling 3.4 Indien bij de voorbereiding van een besluit dat niet tot een of meer belanghebbenden is gericht toepassing is gegeven aan, wordt gelijktijdig met de bekendmaking van het besluit kennisgegeven van de terinzagelegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het eerste lid, onderdelen a en b, is van overeenkomstige toepassing. 3 afdeling 3.4 artikel 3:43, eerste lid Indien bij de voorbereiding van het besluit toepassing is gegeven aan, kan het bestuursorgaan in afwijking van: a. indien de omvang van het besluit daartoe aanleiding geeft, volstaan met een ieder van de daar bedoelde personen de strekking van het besluit mee te delen; b. indien een zienswijze door meer dan vijf personen naar voren is gebracht bij hetzelfde geschrift, volstaan met toezending van een exemplaar aan de vijf personen wier namen en adressen als eerste in dat geschrift zijn vermeld; c. indien een zienswijze naar voren is gebracht door meer dan vijf personen bij hetzelfde geschrift en de omvang van het besluit daartoe aanleiding geeft, volstaan met het meedelen aan de vijf personen wier namen en adressen als eerste in dat geschrift zijn vermeld, van de strekking van het besluit; d. indien toezending zou moeten geschieden aan meer dan 250 personen, die toezending achterwege laten. 2020 262 17-07-2020 01-07-2020 35218 2021 176 09-04-2021 01-04-2021 01-07-2021
Artikel 3:45 — Artikel 3:45#
Artikel 3:45 1 Indien tegen een besluit bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld, wordt daarvan bij de bekendmaking en bij de mededeling van het besluit melding gemaakt. 2 Hierbij wordt vermeld door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 3:46 — Artikel 3:46#
Artikel 3:46 Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 3:47 — Artikel 3:47#
Artikel 3:47 1 De motivering wordt vermeld bij de bekendmaking van het besluit. 2 Daarbij wordt zo mogelijk vermeld krachtens welk wettelijk voorschrift het besluit wordt genomen. 3 Indien de motivering in verband met de vereiste spoed niet aanstonds bij de bekendmaking van het besluit kan worden vermeld, verstrekt het bestuursorgaan deze binnen een week na de bekendmaking. 4 artikelen 3:41 tot en met 3:43 In dat geval zijn devan overeenkomstige toepassing. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 3:48 — Artikel 3:48#
Artikel 3:48 1 De vermelding van de motivering kan achterwege blijven indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat. 2 Verzoekt een belanghebbende binnen een redelijke termijn om de motivering, dan wordt deze zo spoedig mogelijk verstrekt. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 3:49 — Artikel 3:49#
Artikel 3:49 Ter motivering van een besluit of een onderdeel daarvan kan worden volstaan met een verwijzing naar een met het oog daarop uitgebracht advies, indien het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 3:50 — Artikel 3:50#
Artikel 3:50 Indien het bestuursorgaan een besluit neemt dat afwijkt van een met het oog daarop krachtens wettelijk voorschrift uitgebracht advies, wordt zulks met de redenen voor de afwijking in de motivering vermeld. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:1 — Artikel 4:1#
Artikel 4:1 Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, wordt de aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 4:2 — Artikel 4:2#
Artikel 4:2 1 De aanvraag wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de naam en het adres van de aanvrager; b. de dagtekening; c. een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd. 2 De aanvrager verschaft voorts de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 4:3 — Artikel 4:3#
Artikel 4:3 1 De aanvrager kan weigeren gegevens en bescheiden te verschaffen voor zover het belang daarvan voor de beslissing van het bestuursorgaan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, met inbegrip van de bescherming van medische en psychologische onderzoeksresultaten, of tegen het belang van de bescherming van bedrijfs- en fabricagegegevens. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op bij wettelijk voorschrift aangewezen gegevens en bescheiden waarvan is bepaald dat deze dienen te worden overgelegd. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 4:3a — Artikel 4:3a#
Artikel 4:3a Vervallen 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026
Artikel 4:4 — Artikel 4:4#
Artikel 4:4 1 Het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen, kan voor het indienen van aanvragen en het verstrekken van gegevens een formulier vaststellen, voor zover daarin niet is voorzien bij wettelijk voorschrift. 2 In het formulier worden geen gegevens gevraagd die voor de te nemen beschikking niet noodzakelijk zijn, tenzij wordt vermeld dat de verstrekking van die gegevens niet verplicht is. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2025
Artikel 4:5 — Artikel 4:5#
Artikel 4:5 1 Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien: mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. a. de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of b. artikel 2:15 de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van, of c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, 2 Indien de aanvraag of een van de daarbij behorende gegevens of bescheiden in een vreemde taal is gesteld en een vertaling daarvan voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag met een vertaling aan te vullen. 3 Indien de aanvraag of een van de daarbij behorende gegevens of bescheiden omvangrijk of ingewikkeld is en een samenvatting voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag met een samenvatting aan te vullen. 4 Een besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. 5 artikel 2:16, eerste lid, aanhef Het bestuursorgaan kan afzien van het bieden van de gelegenheid het verzuim te herstellen, indien het toepassing geeft aan. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026
Artikel 4:6 — Artikel 4:6#
Artikel 4:6 1 Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. 2 artikel 4:5 Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aande aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 4:7 — Artikel 4:7#
Artikel 4:7 1 Voordat een bestuursorgaan een aanvraag tot het geven van een beschikking geheel of gedeeltelijk afwijst, stelt het de aanvrager in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien: a. de afwijzing zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de aanvrager betreffen, en b. die gegevens afwijken van gegevens die de aanvrager ter zake zelf heeft verstrekt. 2 Het eerste lid geldt niet indien sprake is van een afwijking van de aanvraag die slechts van geringe betekenis voor de aanvrager kan zijn. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 4:8 — Artikel 4:8#
Artikel 4:8 1 Voordat een bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, stelt het die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien: a. de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en b. die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt. 2 Het eerste lid geldt niet indien de belanghebbende niet heeft voldaan aan een wettelijke verplichting gegevens te verstrekken. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 4:9 — Artikel 4:9#
Artikel 4:9 artikelen 4:7 4:8 Bij toepassing van deenkan de belanghebbende naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren brengen. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 4:10 — Artikel 4:10#
Artikel 4:10 Vervallen 2002 54 12-02-2002 24-01-2002 27023 2005 320 28-06-2005 22-06-2005 01-07-2005
Artikel 4:11 — Artikel 4:11#
Artikel 4:11 artikelen 4:7 4:8 Het bestuursorgaan kan toepassing van deenachterwege laten voor zover: a. de vereiste spoed zich daartegen verzet; b. de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan, of c. het met de beschikking beoogde doel slechts kan worden bereikt indien de belanghebbende daarvan niet reeds tevoren in kennis is gesteld. 2002 53 12-02-2002 24-01-2002 26523 2002 53 12-02-2002 24-01-2002 26523 01-04-2002
Artikel 4:12 — Artikel 4:12#
Artikel 4:12 1 artikelen 4:7 4:8 Het bestuursorgaan kan toepassing van deenvoorts achterwege laten bij een beschikking die strekt tot het vaststellen van een financiële verplichting of aanspraak indien: a. tegen die beschikking bezwaar kan worden gemaakt of administratief beroep kan worden ingesteld, en b. de nadelige gevolgen na bezwaar of administratief beroep volledig ongedaan kunnen worden gemaakt. 2 Het eerste lid geldt niet bij een beschikking die strekt tot: a. artikel 4:35 artikel 4:51 het op grond vanof met toepassing vanweigeren van een subsidie; b. artikel 4:46, tweede lid het op grond van, lager vaststellen van een subsidie, of c. het intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen van een subsidieverlening of een subsidievaststelling. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:13 — Artikel 4:13#
Artikel 4:13 1 Een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. 2 artikel 4:14, derde lid De in het eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in, heeft gedaan. 2009 383 30-09-2009 28-08-2009 29934 2009 383 30-09-2009 28-08-2009 29934 01-10-2009
Artikel 4:14 — Artikel 4:14#
Artikel 4:14 1 Indien een beschikking niet binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn kan worden gegeven, deelt het bestuursorgaan dit aan de aanvrager mede en noemt het daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien het bestuursorgaan na het verstrijken van de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn niet langer bevoegd is. 3 Indien, bij het ontbreken van een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, deelt het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mede en noemt het daarbij een redelijke termijn binnen welke de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. 2009 383 30-09-2009 28-08-2009 29934 2009 383 30-09-2009 28-08-2009 29934 01-10-2009
Artikel 4:15 — Artikel 4:15#
Artikel 4:15 1 De termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan: a. artikel 4:5 de aanvrager krachtensuitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken, of b. de aanvrager mededeelt dat voor de beschikking op de aanvraag redelijkerwijs noodzakelijke informatie aan een buitenlandse instantie is gevraagd, tot de dag waarop deze informatie is ontvangen of verder uitstel niet meer redelijk is. 2 De termijn voor het geven van een beschikking wordt voorts opgeschort: a. gedurende de termijn waarvoor de aanvrager schriftelijk met uitstel heeft ingestemd, b. zolang de vertraging aan de aanvrager kan worden toegerekend, of c. zolang het bestuursorgaan door overmacht niet in staat is een beschikking te geven. 3 In geval van overmacht deelt het bestuursorgaan zo spoedig mogelijk aan de aanvrager mede dat de beslistermijn is opgeschort, alsmede binnen welke termijn de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. 4 Indien de opschorting eindigt, doet het bestuursorgaan daarvan in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, of het tweede lid, onderdelen b en c, zo spoedig mogelijk mededeling aan de aanvrager, onder vermelding van de termijn binnen welke de beschikking alsnog moet worden gegeven. 2009 383 30-09-2009 28-08-2009 29934 2009 383 30-09-2009 28-08-2009 29934 01-10-2009 2009 384 30-09-2009 18-06-2009 31751 2009 383 30-09-2009 28-08-2009 29934 01-10-2009
Artikel 4:16 — Artikel 4:16#
Artikel 4:16 Vervallen 2009 383 30-09-2009 28-08-2009 29934 2009 383 30-09-2009 28-08-2009 29934 01-10-2009 2009 384 30-09-2009 18-06-2009 31751 2009 383 30-09-2009 28-08-2009 29934 2009 383 30-09-2009 28-08-2009 29934 01-10-2009 Artikel IIB van Stb. 2009/383 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Artikel XVI van Stb. 2008/565 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:17 — Artikel 4:17#
Artikel 4:17 1 Algemene termijnenwet Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Deis op laatstgenoemde termijn niet van toepassing. 2 De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag. 3 De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. 4 Beroep tegen het niet tijdig geven van de beschikking schort de dwangsom niet op. 5 Geen dwangsom is verschuldigd indien: a. het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld, b. de aanvrager geen belanghebbende is, of c. de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is. 6 Indien er meer dan één aanvrager is, is de dwangsom aan ieder van de aanvragers voor een gelijk deel verschuldigd. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026
Artikel 4:18 — Artikel 4:18#
Artikel 4:18 Het bestuursorgaan stelt de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was. 2009 383 30-09-2009 28-08-2009 29934 2009 383 30-09-2009 28-08-2009 29934 01-10-2009 Artikel IIB van Stb. 2009/383 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Artikel XVI van Stb. 2008/565 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 383 30-09-2009 28-08-2009 29934 01-10-2009
Artikel 4:19 — Artikel 4:19#
Artikel 4:19 1 Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking op de aanvraag heeft mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. 2 De bestuursrechter kan de beslissing op het beroep of hoger beroep inzake de beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is. 3 In beroep of hoger beroep legt de belanghebbende zo mogelijk een afschrift over van de beschikking die hij betwist. 4 Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een verzoek om voorlopige voorziening. 2025 124 14-05-2025 23-04-2025 36638 2025 155 12-06-2025 28-05-2025 01-07-2025
Artikel 4:20 — Artikel 4:20#
Artikel 4:20 artikel 4:18 Het bestuursorgaan kan onverschuldigd betaalde dwangsommen terugvorderen voor zover na de dag waarop de beschikking, bedoeld inis vastgesteld, nog geen vijf jaren zijn verstreken. 2009 383 30-09-2009 28-08-2009 29934 2009 383 30-09-2009 28-08-2009 29934 01-10-2009 Artikel IIB van Stb. 2009/383 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Artikel XVI van Stb. 2008/565 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 383 30-09-2009 28-08-2009 29934 01-10-2009
Artikel 4:20a — Artikel 4:20a#
Artikel 4:20a 1 Deze paragraaf is van toepassing indien dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. 2 Paragraaf 4.1.3.2 is niet van toepassing indien deze paragraaf van toepassing is. 2009 503 04-12-2009 12-11-2009 31579 2009 505 04-12-2009 26-11-2009 28-12-2009
Artikel 4:20b — Artikel 4:20b#
Artikel 4:20b 1 Indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist, is de gevraagde beschikking van rechtswege gegeven. 2 De verlening van rechtswege geldt als een beschikking. 3 artikel 3:40 In afwijking vantreedt de beschikking in werking op de derde dag na afloop van de beslistermijn. 2009 503 04-12-2009 12-11-2009 31579 2009 505 04-12-2009 26-11-2009 28-12-2009
Artikel 4:20c — Artikel 4:20c#
Artikel 4:20c 1 Het bestuursorgaan maakt de beschikking bekend binnen twee weken nadat zij van rechtswege is gegeven. 2 Bij de bekendmaking en mededeling van de beschikking wordt vermeld dat de beschikking van rechtswege is gegeven. 2009 503 04-12-2009 12-11-2009 31579 2009 505 04-12-2009 26-11-2009 28-12-2009
Artikel 4:20d — Artikel 4:20d#
Artikel 4:20d 1 artikel 4:20c Indien het bestuursorgaan de beschikking niet overeenkomstigbinnen twee weken heeft bekendgemaakt, verbeurt het na een daarop volgende ingebrekestelling door de aanvrager een dwangsom vanaf de dag dat twee weken zijn verstreken sinds die ingebrekestelling. 2 artikel 4:17, eerste en tweede lid De dwangsom wordt berekend overeenkomstig. 3 artikelen 4:17, vijfde lid, onder a en b 4:18 tot en met 4:20 De, enzijn van overeenkomstige toepassing. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026
Artikel 4:20e — Artikel 4:20e#
Artikel 4:20e Indien in een wettelijk voorschrift of een beleidsregel is bepaald dat in een beschikking steeds bepaalde voorschriften worden opgenomen, dan maken deze ook deel uit van de beschikking van rechtswege. 2009 503 04-12-2009 12-11-2009 31579 2009 505 04-12-2009 26-11-2009 28-12-2009
Artikel 4:20f — Artikel 4:20f#
Artikel 4:20f 1 Het bestuursorgaan kan aan de beschikking van rechtswege alsnog voorschriften verbinden of de beschikking intrekken voor zover dit nodig is om ernstige gevolgen voor het algemeen belang te voorkomen. 2 Een beschikking als bedoeld in het eerste lid kan slechts worden genomen binnen zes weken na de bekendmaking van de beschikking van rechtswege. 3 Het bestuursorgaan vergoedt de schade die door de wijziging of intrekking bedoeld in het eerste lid wordt veroorzaakt. 2009 503 04-12-2009 12-11-2009 31579 2009 505 04-12-2009 26-11-2009 28-12-2009
Artikel 4:21 — Artikel 4:21#
Artikel 4:21 1 Onder subsidie wordt verstaan: de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten. 2 Deze titel is niet van toepassing op aanspraken of verplichtingen die voortvloeien uit een wettelijk voorschrift inzake: a. belastingen, b. Wet financiering sociale verzekeringen de heffing van een premie dan wel een premievervangende belasting ingevolge de, of c. Zorgverzekeringswet de heffing van een inkomensafhankelijke bijdrage dan wel een bijdragevervangende belasting ingevolge de. 3 Deze titel is niet van toepassing op de aanspraak op financiële middelen die wordt verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift dat uitsluitend voorziet in verstrekking aan rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld. 4 Deze titel is van overeenkomstige toepassing op de bekostiging van het onderwijs en onderzoek. 2006 644 19-12-2006 30-11-2006 30831 2006 701 22-12-2006 11-12-2006 01-01-2007 01-01-2006
Artikel 4:22 — Artikel 4:22#
Artikel 4:22 Onder subsidieplafond wordt verstaan: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:23 — Artikel 4:23#
Artikel 4:23 1 Een bestuursorgaan verstrekt slechts subsidie op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt. 2 Indien een zodanig wettelijk voorschrift is opgenomen in een niet op een wet berustende algemene maatregel van bestuur, vervalt dat voorschrift vier jaren nadat het in werking is getreden, tenzij voor dat tijdstip een voorstel van wet bij de Staten-Generaal is ingediend waarin de subsidie wordt geregeld. 3 Het eerste lid is niet van toepassing: a. in afwachting van de totstandkoming van een wettelijk voorschrift gedurende ten hoogste een jaar of totdat een binnen dat jaar bij de Staten-Generaal ingediend wetsvoorstel is verworpen of tot wet is verheven en in werking is getreden; b. indien de subsidie rechtstreeks op grond van een door de Raad van de Europese Unie, het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of de Europese Commissie vastgesteld programma wordt verstrekt; c. indien de begroting de subsidie-ontvanger en het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, vermeldt, of d. in incidentele gevallen, mits de subsidie voor ten hoogste vier jaren wordt verstrekt. 4 a d Het bestuursorgaan publiceert jaarlijks een verslag van de verstrekking van subsidies met toepassing van het derde lid, onderdelenen. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:24 — Artikel 4:24#
Artikel 4:24 Indien een subsidie op een wettelijk voorschrift berust, wordt ten minste eenmaal in de vijf jaren een verslag gepubliceerd over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:25 — Artikel 4:25#
Artikel 4:25 1 Een subsidieplafond kan slechts bij of krachtens wettelijk voorschrift worden vastgesteld. 2 Een subsidie wordt geweigerd voor zover door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden. 3 Indien niet tijdig, dan wel in bezwaar of beroep of ter uitvoering van een rechterlijke uitspraak omtrent verstrekking wordt beslist, geldt de verplichting van het tweede lid slechts voor zover zij ook gold op het tijdstip, waarop de beslissing in eerste aanleg werd genomen of had moeten worden genomen. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:26 — Artikel 4:26#
Artikel 4:26 1 Bij of krachtens wettelijk voorschrift wordt bepaald hoe het beschikbare bedrag wordt verdeeld. 2 Bij de bekendmaking van het subsidieplafond wordt de wijze van verdeling vermeld. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:27 — Artikel 4:27#
Artikel 4:27 1 Het subsidieplafond wordt bekendgemaakt voor de aanvang van het tijdvak waarvoor het is vastgesteld. 2 Indien het subsidieplafond of een verlaging daarvan later wordt bekendgemaakt, heeft deze bekendmaking geen gevolgen voor voordien ingediende aanvragen. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:28 — Artikel 4:28#
Artikel 4:28 Artikel 4:27, tweede lid , is niet van toepassing, indien: a. de aanvragen voor het tijdvak waarvoor het subsidieplafond is vastgesteld ingevolge wettelijk voorschrift moeten worden ingediend op een tijdstip waarop de begroting nog niet is vastgesteld of goedgekeurd; b. het een verlaging betreft die voortvloeit uit de vaststelling of goedkeuring van de begroting, en c. bij de bekendmaking van het subsidieplafond is gewezen op de mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende aanvragen. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:29 — Artikel 4:29#
Artikel 4:29 Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald kan voorafgaand aan een subsidievaststelling een beschikking omtrent subsidieverlening worden gegeven, indien een aanvraag daartoe is ingediend voor de afloop van de activiteit of het tijdvak waarvoor de subsidie wordt gevraagd. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:30 — Artikel 4:30#
Artikel 4:30 1 De beschikking tot subsidieverlening bevat een omschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend. 2 De omschrijving kan later worden uitgewerkt, voor zover de beschikking tot subsidieverlening dit vermeldt. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:31 — Artikel 4:31#
Artikel 4:31 1 De beschikking tot subsidieverlening vermeldt het bedrag van de subsidie, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald. 2 Indien de beschikking tot subsidieverlening het bedrag van de subsidie niet vermeldt, vermeldt zij het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:32 — Artikel 4:32#
Artikel 4:32 Een subsidie in de vorm van een periodieke aanspraak op financiële middelen wordt verleend voor een bepaald tijdvak, dat in de beschikking tot subsidieverlening wordt vermeld. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:33 — Artikel 4:33#
Artikel 4:33 Een subsidie kan niet worden verleend onder de voorwaarde dat uitsluitend het bestuursorgaan of uitsluitend de subsidie-ontvanger een bepaalde handeling verricht, tenzij het betreft de voorwaarde dat: a. de subsidie-ontvanger medewerkt aan de totstandkoming van een overeenkomst ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening, of b. de subsidie-ontvanger aantoont dat een gebeurtenis, niet zijnde een handeling van het bestuursorgaan of van de subsidie-ontvanger, heeft plaatsgevonden. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:34 — Artikel 4:34#
Artikel 4:34 1 Voor zover een subsidie wordt verleend ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, kan zij worden verleend onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld. 2 De voorwaarde kan niet worden gesteld, voor zover zulks voortvloeit uit het wettelijk voorschrift waarop de subsidie berust. 3 De voorwaarde vervalt, indien het bestuursorgaan daarop niet binnen vier weken na de vaststelling of goedkeuring van de begroting een beroep heeft gedaan. 4 artikel 4:50 Het beroep op de voorwaarde geschiedt bij een subsidie voor een activiteit die door het bestuursorgaan ook in het voorafgaande begrotingsjaar werd gesubsidieerd door een intrekking wegens veranderde omstandigheden overeenkomstig. 5 artikel 4:48, eerste lid In andere gevallen geschiedt het beroep op de voorwaarde door een intrekking overeenkomstig. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:35 — Artikel 4:35#
Artikel 4:35 1 De subsidieverlening kan in ieder geval worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat: a. de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden; b. de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen; c. de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn. 2 De subsidieverlening kan voorts in ieder geval worden geweigerd indien de aanvrager: a. in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of b. failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend. 3 De subsidieverlening wordt voorts geweigerd indien de verstrekking van subsidie naar het oordeel van het bestuursorgaan niet verenigbaar is met het bepaalde in de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. 2018 75 16-03-2018 21-02-2018 34753 2018 99 12-04-2018 26-03-2018 01-07-2018
Artikel 4:36 — Artikel 4:36#
Artikel 4:36 1 Ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening kan een overeenkomst worden gesloten. 2 Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de subsidie zich daartegen verzet, kan in de overeenkomst worden bepaald dat de subsidie-ontvanger verplicht is de activiteiten te verrichten waarvoor de subsidie is verleend. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:37 — Artikel 4:37#
Artikel 4:37 1 Het bestuursorgaan kan de subsidie-ontvanger verplichtingen opleggen met betrekking tot: a. aard en omvang van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend; b. de administratie van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten; c. het vóór de subsidievaststelling verstrekken van gegevens en bescheiden die nodig zijn voor een beslissing omtrent de subsidie; d. de te verzekeren risico’s; e. het stellen van zekerheid voor verleende voorschotten; f. het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn; g. het beperken of wegnemen van de nadelige gevolgen van de subsidie voor derden; h. artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek het uitoefenen van controle door een accountant als bedoeld inop het door het bestuursorgaan gevoerde financiële beheer en de financiële verantwoording daarover. 2 c artikelen 4:3 4:4 Indien een verplichting als bedoeld in het eerste lid, onderdeel, wordt opgelegd, zijn deenvan overeenkomstige toepassing. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 4:38 — Artikel 4:38#
Artikel 4:38 1 Het bestuursorgaan kan de subsidie-ontvanger ook andere verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. 2 Indien de subsidie op een wettelijk voorschrift berust, worden de verplichtingen opgelegd bij wettelijk voorschrift of krachtens wettelijk voorschrift bij de subsidieverlening. 3 Indien de subsidie niet op een wettelijk voorschrift berust, kunnen de verplichtingen worden opgelegd bij de subsidieverlening. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:39 — Artikel 4:39#
Artikel 4:39 1 Verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie kunnen slechts aan de subsidie worden verbonden voor zover dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. 2 Verplichtingen als bedoeld in het eerste lid kunnen slechts betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:40 — Artikel 4:40#
Artikel 4:40 De verplichtingen kunnen na de subsidieverlening worden uitgewerkt, voor zover de beschikking tot subsidieverlening dit vermeldt. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:41 — Artikel 4:41#
Artikel 4:41 1 In de gevallen, genoemd in het tweede lid, is de subsidie-ontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een vergoeding verschuldigd aan het bestuursorgaan, mits: a. dit bij wettelijk voorschrift of, indien de subsidie niet op een wettelijk voorschrift berust, bij de subsidieverlening is bepaald, en b. daarbij is aangegeven hoe de hoogte van de vergoeding wordt bepaald. 2 De vergoeding is slechts verschuldigd indien: a. de subsidie-ontvanger voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen vervreemdt of bezwaart of de bestemming daarvan wijzigt; b. de subsidie-ontvanger een schadevergoeding ontvangt voor verlies of beschadiging van voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen; c. de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd; d. de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of de subsidie wordt beëindigd, of e. de rechtspersoon die de subsidie ontving wordt ontbonden. 3 De vergoeding wordt vastgesteld binnen een jaar nadat het bestuursorgaan op de hoogte is gekomen of kon zijn van de gebeurtenis die het recht op vergoeding deed ontstaan, doch in ieder geval binnen vijf jaren na de bekendmaking van de laatste beschikking tot subsidievaststelling. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:42 — Artikel 4:42#
Artikel 4:42 afdeling 4.2.7 De beschikking tot subsidievaststelling stelt het bedrag van de subsidie vast en geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde bedrag overeenkomstig. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:43 — Artikel 4:43#
Artikel 4:43 1 Indien geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven, bevat de beschikking tot subsidievaststelling een aanduiding van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt. 2 artikelen 4:32 4:35, tweede en derde lid 4:38 4:39 De,,enzijn van overeenkomstige toepassing. 2018 75 16-03-2018 21-02-2018 34753 2018 99 12-04-2018 26-03-2018 01-07-2018
Artikel 4:44 — Artikel 4:44#
Artikel 4:44 1 Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, dient de subsidie-ontvanger na afloop van de activiteiten of het tijdvak waarvoor de subsidie is verleend een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in, tenzij: a. a artikel 4:47, onderdeel de subsidie met toepassing van, ambtshalve wordt vastgesteld; b. bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald dat de aanvraag wordt ingediend telkens na afloop van een gedeelte van het tijdvak waarvoor de subsidie is verleend, of c. artikel 4:36, eerste lid de vaststelling van de subsidie bij een overeenkomst als bedoeld in, anders is geregeld. 2 Indien bij wettelijk voorschrift geen termijn is bepaald, wordt de aanvraag tot vaststelling ingediend binnen een bij de subsidieverlening te bepalen termijn. 3 Indien voor de indiening van de aanvraag tot vaststelling geen termijn is bepaald of de aanvraag na afloop van de daarvoor bepaalde termijn niet is ingediend kan het bestuursorgaan de subsidie-ontvanger een termijn stellen binnen welke de aanvraag moet zijn ingediend. 4 Indien na afloop van deze termijn geen aanvraag is ingediend, kan de subsidie ambtshalve worden vastgesteld. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:45 — Artikel 4:45#
Artikel 4:45 1 Bij de aanvraag tot subsidievaststelling toont de aanvrager aan dat de activiteiten hebben plaatsgevonden overeenkomstig de aan de subsidie verbonden verplichtingen, tenzij de subsidie voor de aanvang van de activiteiten wordt vastgesteld. 2 Bij de aanvraag tot subsidievaststelling legt de aanvrager rekening en verantwoording af omtrent de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:46 — Artikel 4:46#
Artikel 4:46 1 Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast. 2 De subsidie kan lager worden vastgesteld indien: a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden; b. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen; c. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten. 3 Voor zover het bedrag van de subsidie afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, worden kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij de vaststelling van de subsidie niet in aanmerking genomen. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:47 — Artikel 4:47#
Artikel 4:47 Het bestuursorgaan kan de subsidie geheel of gedeeltelijk ambtshalve vaststellen, indien: a. bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening een termijn is bepaald binnen welke de subsidie ambtshalve wordt vastgesteld; b. artikel 4:44, vierde lid toepassing wordt gegeven aan, of c. de beschikking tot subsidieverlening of de beschikking tot subsidievaststelling wordt ingetrokken of ten nadele van de ontvanger wordt gewijzigd. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:48 — Artikel 4:48#
Artikel 4:48 1 Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan het bestuursorgaan de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen, indien: a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden; b. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen; c. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid; d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten, of e. artikel 4:34, vijfde lid met toepassing van, een beroep wordt gedaan op de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld. 2 De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:49 — Artikel 4:49#
Artikel 4:49 1 Het bestuursorgaan kan de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen: a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld; b. indien de subsidievaststelling onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten, of c. indien de subsidie-ontvanger na de subsidievaststelling niet heeft voldaan aan aan de subsidie verbonden verplichtingen. 2 De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is vastgesteld, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald. 3 c De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van de ontvanger worden gewijzigd indien vijf jaren zijn verstreken sedert de dag waarop zij is bekendgemaakt dan wel, in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel, sedert de dag waarop de handeling in strijd met de verplichting is verricht of de dag waarop aan de verplichting had moeten zijn voldaan. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:50 — Artikel 4:50#
Artikel 4:50 1 Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan het bestuursorgaan de subsidieverlening met inachtneming van een redelijke termijn intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen: a. voor zover de subsidieverlening onjuist is; b. voor zover veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten, of c. in andere bij wettelijk voorschrift geregelde gevallen. 2 a b Bij intrekking of wijziging op grond van het eerste lid, onderdeelof, vergoedt het bestuursorgaan de schade die de subsidie-ontvanger lijdt doordat hij in vertrouwen op de subsidie anders heeft gehandeld dan hij zonder subsidie zou hebben gedaan. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:51 — Artikel 4:51#
Artikel 4:51 1 Indien aan een subsidie-ontvanger voor drie of meer achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde voortdurende activiteiten, geschiedt gehele of gedeeltelijke weigering van de subsidie voor een daarop aansluitend tijdvak op de grond, dat veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten, slechts met inachtneming van een redelijke termijn. 2 artikel 4:25, tweede lid Voor zover aan het einde van het tijdvak waarvoor subsidie is verleend sedert de bekendmaking van het voornemen tot weigering voor een daarop aansluitend tijdvak nog geen redelijke termijn is verstreken, wordt de subsidie voor het resterende deel van die termijn verleend, zo nodig in afwijking van. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:52 — Artikel 4:52#
Artikel 4:52 1 Het subsidiebedrag wordt overeenkomstig de subsidievaststelling betaald. 2 artikel 4:87, eerste lid Indien de subsidie niet op een wettelijk voorschrift berust, kan bij de subsidieverlening, of, indien geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven, bij de subsidievaststelling een van, afwijkende termijn voor de betaling van het subsidiebedrag worden vastgesteld. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:53 — Artikel 4:53#
Artikel 4:53 1 Het subsidiebedrag kan in gedeelten worden betaald, mits bij wettelijk voorschrift is bepaald hoe de gedeelten worden berekend en op welke tijdstippen zij worden betaald. 2 Indien de subsidie niet op een wettelijk voorschrift berust, kan het subsidiebedrag in gedeelten worden betaald, mits bij de subsidieverlening, of indien geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven, bij de subsidievaststelling, is bepaald hoe de gedeelten worden berekend en op welke tijdstippen zij worden betaald. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:54 — Artikel 4:54#
Artikel 4:54 Vervallen 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:55 — Artikel 4:55#
Artikel 4:55 Vervallen 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:56 — Artikel 4:56#
Artikel 4:56 artikel 4:48 4:49 De verplichting tot betaling van een subsidiebedrag of een voorschot wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het bestuursorgaan aan de subsidie-ontvanger schriftelijk kennis geeft van het ernstige vermoeden dat er grond bestaat om toepassing te geven aanof, tot en met de dag waarop de beschikking omtrent de intrekking of wijziging is bekendgemaakt of de dag waarop sedert de kennisgeving van het ernstige vermoeden dertien weken zijn verstreken. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:57 — Artikel 4:57#
Artikel 4:57 1 Het bestuursorgaan kan onverschuldigd betaalde subsidiebedragen terugvorderen. 2 Het bestuursorgaan kan het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel invorderen. 3 Het bestuursorgaan kan het terug te vorderen bedrag verrekenen met een aan dezelfde subsidie-ontvanger voor dezelfde activiteiten verstrekte subsidie voor een ander tijdvak. 4 artikel 4:49, eerste lid, onderdeel c Terugvordering van een subsidiebedrag of een voorschot vindt niet plaats voor zover na de dag waarop de subsidie is vastgesteld, dan wel de handeling, bedoeld in, heeft plaatsgevonden, vijf jaren zijn verstreken. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:58 — Artikel 4:58#
Artikel 4:58 1 Deze afdeling is van toepassing op per boekjaar verstrekte subsidies, indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald. 2 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat deze afdeling van toepassing is op daarbij aangewezen subsidies. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:59 — Artikel 4:59#
Artikel 4:59 1 Het bestuursorgaan dat met toepassing van deze afdeling een subsidie verleent kan een of meer toezichthouders aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de naleving van de aan de ontvanger van die subsidie opgelegde verplichtingen. 2 artikelen 5:18 5:19 De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, vermeld in deen. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:60 — Artikel 4:60#
Artikel 4:60 Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, wordt de aanvraag van de subsidie uiterlijk dertien weken voor de aanvang van het boekjaar ingediend. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:61 — Artikel 4:61#
Artikel 4:61 1 De aanvraag van de subsidie gaat in ieder geval vergezeld van: a. een activiteitenplan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte is, en b. een begroting, tenzij deze voor de berekening van het bedrag van de subsidie niet van belang is. 2 artikel 4:72 Indien de aanvrager beschikt over een egalisatiereserve als bedoeld in, vermeldt de aanvraag de omvang daarvan. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:62 — Artikel 4:62#
Artikel 4:62 Het activiteitenplan behelst een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd en de daarmee nagestreefde doelstellingen en vermeldt per activiteit de daarvoor benodigde personele en materiële middelen. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:63 — Artikel 4:63#
Artikel 4:63 1 De begroting behelst een overzicht van de voor het boekjaar geraamde inkomsten en uitgaven van de aanvrager, voor zover deze betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd. 2 De begrotingsposten worden ieder afzonderlijk van een toelichting voorzien. 3 Tenzij voor de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft nog niet eerder subsidie werd verstrekt, behelst de begroting een vergelijking met de begroting van het lopende boekjaar en de gerealiseerde inkomsten en uitgaven van het jaar, voorafgaand aan het lopende boekjaar. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:64 — Artikel 4:64#
Artikel 4:64 1 Tenzij de aanvraag wordt ingediend door een krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon, gaat deze, indien voor het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar geen subsidie werd aangevraagd, voorts vergezeld van: a. een afschrift van de oprichtingsakte van de rechtspersoon dan wel van de statuten zoals deze laatstelijk zijn gewijzigd, en b. artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek de laatst opgemaakte jaarrekening als bedoeld indan wel de balans en de staat van baten en lasten en de toelichting daarop of, indien deze bescheiden ontbreken, een verslag over de financiële positie van de aanvrager op het moment van de aanvraag. 2 artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde bescheiden dan wel het verslag over de financiële positie zijn voorzien van een van een accountant als bedoeld inafkomstige schriftelijke verklaring omtrent de getrouwheid onderscheidenlijk een mededeling, inhoudende dat van onjuistheden niet is gebleken. 3 Bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan kan vrijstelling of ontheffing worden verleend van het in het tweede lid bepaalde. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:65 — Artikel 4:65#
Artikel 4:65 Voor zover de aanvrager voor dezelfde begrote uitgaven tevens subsidie heeft aangevraagd bij een of meer andere bestuursorganen, doet hij daarvan mededeling in de aanvraag, onder vermelding van de stand van zaken met betrekking tot de beoordeling van die aanvraag of aanvragen. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:66 — Artikel 4:66#
Artikel 4:66 De subsidie wordt slechts verleend aan een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:67 — Artikel 4:67#
Artikel 4:67 1 De subsidie wordt voor een boekjaar of voor een bepaald aantal boekjaren verleend. 2 Indien de subsidie voor twee of meer boekjaren wordt verleend, wordt aan de subsidie de verplichting verbonden tot het periodiek aan het bestuursorgaan verstrekken van de gegevens die voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn. 3 De beschikking tot subsidieverlening vermeldt welke gegevens de subsidie-ontvanger krachtens het tweede lid moet verstrekken, alsmede op welke tijdstippen de gegevens moeten worden verstrekt. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:68 — Artikel 4:68#
Artikel 4:68 Tenzij bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening anders is bepaald, stelt de subsidie-ontvanger het boekjaar gelijk aan het kalenderjaar. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:69 — Artikel 4:69#
Artikel 4:69 1 De subsidie-ontvanger voert een zodanig ingerichte administratie, dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de betalingen en de ontvangsten kunnen worden nagegaan. 2 De administratie en de daartoe behorende bescheiden worden gedurende zeven jaren bewaard. 1998 184 07-04-1998 26-03-1998 25753 1998 184 07-04-1998 26-03-1998 25753 01-06-1998
Artikel 4:70 — Artikel 4:70#
Artikel 4:70 Indien gedurende het boekjaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke uitgaven en inkomsten en de begrote uitgaven en inkomsten doet de subsidie-ontvanger daarvan onverwijld mededeling aan het bestuursorgaan onder vermelding van de oorzaak van de verschillen. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:71 — Artikel 4:71#
Artikel 4:71 1 Indien dit bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald, behoeft de subsidie-ontvanger de toestemming van het bestuursorgaan voor: a. het oprichten van dan wel deelnemen in een rechtspersoon; b. het wijzigen van de statuten; c. het in eigendom verwerven, het vervreemden of het bezwaren van registergoederen, indien zij mede zijn verworven door middel van de subsidiegelden, dan wel de lasten daarvoor mede worden bekostigd uit de subsidiegelden; d. het aangaan en beëindigen van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding of bezwaring van registergoederen of tot huur, verhuur of pacht daarvan, indien deze goederen geheel of gedeeltelijk zijn verworven door middel van de subsidie dan wel de uitgaven daarvoor mede zijn bekostigd uit de subsidie; e. het aangaan van kredietovereenkomsten en van overeenkomsten van geldlening; f. het aangaan van overeenkomsten waarbij de subsidie-ontvanger zich verbindt tot zekerheidsstelling met inbegrip van zekerheidsstelling voor schulden van derden of waarbij hij zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt of zich voor een derde sterk maakt; g. het vormen van fondsen en reserveringen; h. het vaststellen of wijzigen van tarieven voor door de subsidie-ontvanger in de gewone uitoefening van zijn gesubsidieerde activiteiten te verrichten prestaties; i. het ontbinden van de rechtspersoon; j. het doen van aangifte tot zijn faillissement of het aanvragen van zijn surséance van betaling. 2 Het bestuursorgaan beslist binnen vier weken omtrent de toestemming. 3 De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste vier weken worden verdaagd. 4 Paragraaf 4.1.3.3 is van toepassing. 2009 503 04-12-2009 12-11-2009 31579 2009 505 04-12-2009 26-11-2009 28-12-2009
Artikel 4:72 — Artikel 4:72#
Artikel 4:72 1 Indien dit bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald, vormt de ontvanger een egalisatiereserve. 2 Het verschil tussen de vastgestelde subsidie en de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend komt ten gunste onderscheidenlijk ten laste van de egalisatiereserve. 3 De egalisatiereserve wordt zo hoog rentend en zo veilig als redelijkerwijs mogelijk is belegd. 4 De van de egalisatiereserve genoten rente wordt aan de egalisatiereserve toegevoegd. 5 artikel 4:41, tweede lid, onderdelen c, d en e In de gevallen bedoeld in, is de subsidie-ontvanger ter zake van de egalisatiereserve vergoedingsplichtig naar evenredigheid van de mate waarin de subsidie aan de egalisatiereserve heeft bijgedragen. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:73 — Artikel 4:73#
Artikel 4:73 De subsidie wordt per boekjaar vastgesteld. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:74 — Artikel 4:74#
Artikel 4:74 artikel 4:67, tweede lid De subsidie-ontvanger dient binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de subsidie met toepassing van, voor twee of meer boekjaren is verleend. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:75 — Artikel 4:75#
Artikel 4:75 1 De aanvraag tot vaststelling gaat in ieder geval vergezeld van een financieel verslag en een activiteitenverslag. 2 artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek artikel 4:45, tweede lid Indien de subsidie-ontvanger ingevolge wettelijk voorschrift verplicht is tot het opstellen van een jaarrekening als bedoeld in, of indien dit bij de subsidieverlening is bepaald, legt hij in plaats van het financieel verslag de jaarrekening over, onverminderd. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:76 — Artikel 4:76#
Artikel 4:76 1 Indien de subsidie-ontvanger zijn inkomsten geheel ontleent aan de subsidie omvat het financiële verslag de balans en de exploitatierekening met de toelichting en zijn het tweede tot en met vijfde lid van toepassing. 2 Het financiële verslag geeft volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd, een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent: a. het vermogen en het exploitatiesaldo, en b. voor zover de aard van het financiële verslag dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van de subsidie-ontvanger. 3 De balans met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte en de samenstelling in actief- en passiefposten van het vermogen op het einde van het boekjaar weer. 4 De exploitatierekening met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte van het exploitatiesaldo van het boekjaar weer. 5 Het financiële verslag sluit aan op de begroting waarvoor subsidie is verleend en behelst een vergelijking met de gerealiseerde inkomsten en uitgaven van het jaar, voorafgaand aan het boekjaar. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:77 — Artikel 4:77#
Artikel 4:77 artikel 4:76 Indien de subsidie-ontvanger zijn inkomsten in overwegende mate ontleent aan de subsidie kan bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening worden bepaald datvan overeenkomstige toepassing is. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:78 — Artikel 4:78#
Artikel 4:78 1 artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek De subsidie-ontvanger geeft opdracht tot onderzoek van het financiële verslag aan een accountant als bedoeld in. 2 De accountant onderzoekt of het financiële verslag voldoet aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften en of het activiteitenverslag, voor zover hij dat verslag kan beoordelen, met het financiële verslag verenigbaar is. 3 De accountant geeft de uitslag van zijn onderzoek weer in een schriftelijke verklaring omtrent de getrouwheid van het financiële verslag. 4 De aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat vergezeld van de in het derde lid bedoelde verklaring. 5 Bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening kan vrijstelling of ontheffing worden verleend van het eerste tot en met het vierde lid. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:79 — Artikel 4:79#
Artikel 4:79 1 artikel 4:78, eerste lid Bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening kan worden bepaald dat de in, bedoelde opdracht tevens strekt tot onderzoek van de naleving van aan de subsidie verbonden verplichtingen. 2 Bij toepassing van het eerste lid gaat de opdracht vergezeld van een bij of krachtens wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening vast te stellen aanwijzing over de reikwijdte en de intensiteit van de controle. 3 Bij toepassing van het eerste lid, gaat het financiële verslag tevens vergezeld van een schriftelijke verklaring van de accountant over de naleving door de subsidie-ontvanger van de aan de subsidie verbonden verplichtingen. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:80 — Artikel 4:80#
Artikel 4:80 Het activiteitenverslag beschrijft de aard en omvang van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend en bevat een vergelijking tussen de nagestreefde en de gerealiseerde doelstellingen en een toelichting op de verschillen. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:81 — Artikel 4:81#
Artikel 4:81 1 Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid. 2 In andere gevallen kan een bestuursorgaan slechts beleidsregels vaststellen, voor zover dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:82 — Artikel 4:82#
Artikel 4:82 Ter motivering van een besluit kan slechts worden volstaan met een verwijzing naar een vaste gedragslijn voor zover deze is neergelegd in een beleidsregel. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:83 — Artikel 4:83#
Artikel 4:83 Bij de bekendmaking van het besluit, inhoudende een beleidsregel, wordt zo mogelijk het wettelijk voorschrift vermeld waaruit de bevoegdheid waarop het besluit, inhoudende een beleidsregel, betrekking heeft voortvloeit. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:84 — Artikel 4:84#
Artikel 4:84 Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4:85 — Artikel 4:85#
Artikel 4:85 1 Deze titel is van toepassing op geldschulden die voortvloeien uit: a. een wettelijk voorschrift dat een verplichting tot betaling uitsluitend aan of door een bestuursorgaan regelt, of b. een besluit dat vatbaar is voor bezwaar of beroep. 2 Deze titel is niet van toepassing op verplichtingen tot betaling van een geldsom voor het in behandeling nemen van een aanvraag. 3 Deze titel is niet van toepassing op verplichtingen tot betaling die bij uitspraak van de bestuursrechter zijn opgelegd. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:86 — Artikel 4:86#
Artikel 4:86 1 De verplichting tot betaling van een geldsom wordt bij beschikking vastgesteld. 2 De beschikking vermeldt in ieder geval: a. de te betalen geldsom; b. de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:87 — Artikel 4:87#
Artikel 4:87 1 De betaling geschiedt binnen zes weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt. 2 Bij of krachtens wettelijk voorschrift kan een andere termijn voor de betaling worden vastgesteld. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:88 — Artikel 4:88#
Artikel 4:88 1 Bij wettelijk voorschrift kan worden bepaald dat een geldsom moet worden betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld. 2 In dat geval wordt tevens bepaald binnen welke termijn de betaling moet plaatsvinden. 3 Indien de belanghebbende binnen redelijke termijn daarom verzoekt wordt de op het bestuursorgaan rustende verplichting tot betaling zo spoedig mogelijk alsnog bij beschikking vastgesteld. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:89 — Artikel 4:89#
Artikel 4:89 1 Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, geschiedt betaling door bijschrijving op een daartoe door de schuldeiser bestemde bankrekening. 2 Betaling geschiedt in euro, tenzij bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan anders is bepaald. 3 Betaling door bijschrijving op een bankrekening geschiedt op het tijdstip waarop de rekening van de schuldeiser wordt gecrediteerd. 4 Bij wettelijk voorschrift kan worden bepaald dat betaling aan een ander dan de schuldeiser geschiedt. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:90 — Artikel 4:90#
Artikel 4:90 1 Indien girale betaling naar het oordeel van het bestuursorgaan bezwaarlijk is, kan het betaling in andere vorm ontvangen of verrichten. 2 De schuldeiser is verplicht voor iedere contante betaling een kwitantie af te geven, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:91 — Artikel 4:91#
Artikel 4:91 1 De kosten van betaling komen ten laste van de schuldenaar. 2 Indien een bestuursorgaan betaalt aan een schuldeiser buiten de Europese Unie, kunnen de daaraan verbonden kosten op het te betalen bedrag in mindering worden gebracht, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:92 — Artikel 4:92#
Artikel 4:92 1 Betaling ter voldoening van een bepaalde geldschuld strekt in de eerste plaats tot mindering van de kosten, vervolgens tot mindering van de verschenen rente en ten slotte tot mindering van de hoofdsom en de lopende rente. 2 Indien een schuldenaar verschillende geldschulden heeft bij dezelfde schuldeiser, kan de schuldenaar bij de betaling de geldschuld aanwijzen waaraan de betaling moet worden toegerekend. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:93 — Artikel 4:93#
Artikel 4:93 1 Verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering geschiedt slechts voor zover in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien. 2 Verrekening geschiedt onder vermelding van de vordering waarmee de geldschuld is verrekend alsmede de hoogte van het bedrag van de verrekening. 3 artikel 129, eerste en tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek De verrekening werkt terug overeenkomstig. 4 De schuldenaar is niet bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn. 5 Uitstel van betaling staat aan verrekening niet in de weg. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:94 — Artikel 4:94#
Artikel 4:94 1 Het bestuursorgaan kan de wederpartij uitstel van betaling verlenen. 2 Gedurende het uitstel kan het bestuursorgaan niet aanmanen of invorderen. 3 De beschikking tot uitstel van betaling vermeldt de termijn waarvoor het uitstel geldt. 4 Het bestuursorgaan kan aan de beschikking tot uitstel van betaling voorschriften verbinden. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:94a — Artikel 4:94a#
Artikel 4:94a Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, kan een bestuursorgaan een geldschuld geheel of gedeeltelijk kwijtschelden indien de nadelige gevolgen van de invordering onevenredig zijn in verhouding tot de met de invordering te dienen doelen. 2020 500 09-12-2020 18-11-2020 35477 2021 68 16-02-2021 02-02-2021 01-04-2021 Artikel II van Stb. 2020/500 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:95 — Artikel 4:95#
Artikel 4:95 1 Het bestuursorgaan kan vooruitlopend op de vaststelling van een verplichting tot betaling van een geldsom een voorschot verlenen indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een verplichting tot betaling zal worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. 2 artikel 4:86, tweede lid, onderdeel a In de beschikking tot verlening van een voorschot kan, in afwijking van, worden volstaan met de vermelding van de wijze waarop het bedrag van het voorschot wordt bepaald. 3 artikel 4:87, eerste lid Bij de beschikking tot verlening van een voorschot kan een van, afwijkende termijn voor de betaling van het voorschot worden vastgesteld. 4 Betaalde voorschotten worden verrekend met de te betalen geldsom. Onverschuldigd betaalde voorschotten kunnen worden teruggevorderd. 5 Het bestuursorgaan kan het terug te vorderen voorschot bij dwangbevel invorderen voor zover deze bevoegdheid ook ten aanzien van de terugvordering van de hoofdsom is toegekend. 6 Het bestuursorgaan kan aan de beschikking tot verlening van een voorschot voorschriften verbinden. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:96 — Artikel 4:96#
Artikel 4:96 1 Het bestuursorgaan kan de beschikking tot uitstel van betaling onderscheidenlijk tot verlening van een voorschot intrekken of wijzigen: a. indien de voorschriften niet worden nageleefd; b. indien de wederpartij onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking zou hebben geleid, of c. voor zover veranderde omstandigheden zich verzetten tegen voortduring van het uitstel onderscheidenlijk tegen de verlening van het voorschot. 2 De verplichting tot betaling van een voorschot wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het bestuursorgaan aan de wederpartij schriftelijk kennis geeft van het ernstige vermoeden dat er grond bestaat om toepassing te geven aan het eerste lid, aanhef en onder a of b, tot en met de dag waarop de beschikking omtrent intrekking of wijziging is bekendgemaakt of de dag waarop sedert de kennisgeving van het ernstige vermoeden dertien weken zijn verstreken. 2020 500 09-12-2020 18-11-2020 35477 2021 68 16-02-2021 02-02-2021 01-04-2021 Artikel II van Stb. 2020/500 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:97 — Artikel 4:97#
Artikel 4:97 De schuldenaar is in verzuim indien hij niet binnen de voorgeschreven termijn heeft betaald. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:98 — Artikel 4:98#
Artikel 4:98 1 artikelen 119, eerste en tweede lid 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek Het verzuim heeft de verschuldigdheid van wettelijke rente tot gevolg overeenkomstig de, en. 2 Wettelijke rente is niet verschuldigd indien het bedrag ervan bij enige of laatste betaling minder bedraagt dan € 20, dan wel, indien het bestuursorgaan de schuldenaar is, € 10. 3 artikel 125 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek Indien na het intreden van het verzuim de koers van het geld waarin de geldschuld moet worden betaald zich heeft gewijzigd, isvan overeenkomstige toepassing. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:99 — Artikel 4:99#
Artikel 4:99 Het bestuursorgaan stelt het bedrag van de verschuldigde wettelijke rente bij beschikking vast. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:100 — Artikel 4:100#
Artikel 4:100 Indien het bestuursorgaan de beschikking tot betaling van een door hem verschuldigde geldsom niet tijdig geeft, is het wettelijke rente verschuldigd vanaf het tijdstip waarop het in verzuim zou zijn geweest indien de beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn gegeven. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:101 — Artikel 4:101#
Artikel 4:101 Voor zover het bestuursorgaan uitstel van betaling heeft verleend of de rechter de verplichting tot betaling heeft geschorst, is de schuldenaar over de termijn van uitstel of schorsing wettelijke rente verschuldigd, tenzij bij het uitstel of de schorsing anders is bepaald. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:102 — Artikel 4:102#
Artikel 4:102 1 Indien een betaling aan het bestuursorgaan is geschied op grond van een beschikking die in bezwaar of in beroep is gewijzigd of vernietigd, is het bestuursorgaan over de termijn tussen de betaling en de terugbetaling wettelijke rente verschuldigd over het te veel betaalde bedrag. 2 Indien een afwijzende beschikking tot betaling door het bestuursorgaan als gevolg van bezwaar of beroep wordt vervangen door een beschikking tot betaling, is het bestuursorgaan wettelijke rente verschuldigd vanaf het tijdstip waarop het in verzuim zou zijn geweest indien de beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn gegeven. 3 Wettelijke rente is niet verschuldigd voor zover de belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, dan wel aan de belanghebbende is toe te rekenen dat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt. 4 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing indien het bestuursorgaan de beschikking tot betaling met terugwerkende kracht wijzigt of intrekt. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:103 — Artikel 4:103#
Artikel 4:103 Deze afdeling is niet van toepassing indien bij de wet een andere regeling omtrent verzuim en de gevolgen daarvan is getroffen. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:104 — Artikel 4:104#
Artikel 4:104 1 De rechtsvordering tot betaling van een geldsom verjaart vijf jaren nadat de voorgeschreven betalingstermijn is verstreken. 2 Na voltooiing van de verjaring kan het bestuursorgaan zijn bevoegdheden tot aanmaning en verrekening en tot uitvaardiging en tenuitvoerlegging van een dwangbevel niet meer uitoefenen. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:105 — Artikel 4:105#
Artikel 4:105 1 artikel 316, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek Artikel 316, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek De verjaring wordt gestuit door een daad van rechtsvervolging overeenkomstig.is van overeenkomstige toepassing. 2 Erkenning van het recht op betaling stuit de verjaring van de rechtsvordering tegen hem die het recht erkent. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:106 — Artikel 4:106#
Artikel 4:106 artikel 4:112 Het bestuursorgaan kan de verjaring ook stuiten door een aanmaning als bedoeld in, een beschikking tot verrekening of een dwangbevel dan wel door een daad van tenuitvoerlegging van een dwangbevel. 2014 540 22-12-2014 26-11-2014 33771 2014 541 22-12-2014 15-12-2014 01-01-2015
Artikel 4:107 — Artikel 4:107#
Artikel 4:107 De schuldeiser van het bestuursorgaan kan de verjaring ook stuiten door een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling waarin hij zich ondubbelzinnig zijn recht op betaling voorbehoudt. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:108 — Artikel 4:108#
Artikel 4:108 artikel 4:93 Indien de schuldeiser van het bestuursorgaan een recht tot verrekening als bedoeld inheeft, eindigt dit recht niet door verjaring van de rechtsvordering. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:109 — Artikel 4:109#
Artikel 4:109 artikelen 4:107 4:108 Indien de schuldeiser van het bestuursorgaan zelf een bestuursorgaan is, zijn deenniet van toepassing. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:110 — Artikel 4:110#
Artikel 4:110 1 Door stuiting van de verjaring begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de volgende dag. 2 De nieuwe termijn is gelijk aan de oorspronkelijke, doch niet langer dan vijf jaren. 3 artikel 324 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek Wordt de verjaring echter gestuit door het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd, dan isvan overeenkomstige toepassing. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:111 — Artikel 4:111#
Artikel 4:111 1 De verjaringstermijn van de rechtsvordering tot betaling aan een bestuursorgaan wordt verlengd met de tijd gedurende welke de schuldenaar na de aanvang van die termijn uitstel van betaling heeft. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien: a. de schuldenaar in surseance van betaling verkeert; b. de schuldenaar in staat van faillissement verkeert; c. ten aanzien van de schuldenaar de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is; d. de tenuitvoerlegging van een dwangbevel is geschorst ingevolge een lopend rechtsgeding, met dien verstande dat de termijn waarmee de verjaringstermijn wordt verlengd een aanvang neemt op de dag waarop het rechtsgeding door het instellen van een vordering bij de burgerlijke rechter aanhangig wordt gemaakt. 2016 290 21-07-2016 13-07-2016 34212 2017 174 04-05-2017 01-05-2017 01-09-2017 Artikel CIX van Stb. 2016/290 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:112 — Artikel 4:112#
Artikel 4:112 1 Het bestuursorgaan maant de schuldenaar die in verzuim is schriftelijk aan tot betaling binnen twee weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de aanmaning is toegezonden. 2 Bij wettelijk voorschrift kan een andere termijn worden vastgesteld. 3 De aanmaning vermeldt dat bij niet tijdige betaling deze kan worden afgedwongen door op kosten van de schuldenaar uit te voeren invorderingsmaatregelen. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:113 — Artikel 4:113#
Artikel 4:113 1 Per 1 januari 2015: € 500 Per 1 januari 2015: € 500 Het bestuursorgaan kan voor de aanmaning een vergoeding in rekening brengen. De vergoeding bedraagt € 9 indien de schuld minder dan € 454bedraagt en € 20 indien de schuld € 454of meer bedraagt. 2 De aanmaning vermeldt de vergoeding die in rekening wordt gebracht. 2024 38002 22-11-2024 08-11-2024 5868220 2024 38002 22-11-2024 08-11-2024 5868220 01-01-2025 Artikel IV van Stcrt. 2024/38002 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:114 — Artikel 4:114#
Artikel 4:114 artikel 4:85 Onder dwangbevel wordt verstaan: een schriftelijk bevel van een bestuursorgaan dat ertoe strekt de betaling van een geldsom als bedoeld inaf te dwingen. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:115 — Artikel 4:115#
Artikel 4:115 De bevoegdheid tot uitvaardiging van een dwangbevel bestaat slechts indien zij bij de wet is toegekend. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:116 — Artikel 4:116#
Artikel 4:116 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Een dwangbevel levert een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van hetkan worden tenuitvoergelegd. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:117 — Artikel 4:117#
Artikel 4:117 1 artikel 4:112 Een dwangbevel wordt slechts uitgevaardigd wanneer binnen de overeenkomstiggestelde aanmaningstermijn niet volledig is betaald. 2 Bij de wet kan evenwel worden bepaald dat het dwangbevel zo nodig zonder aanmaning en voor het verstrijken van bij wettelijk voorschrift gestelde of eerder gegunde betalings- of aanmaningstermijnen kan worden uitgevaardigd of tenuitvoergelegd. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:118 — Artikel 4:118#
Artikel 4:118 Artikel 4:8 is niet van toepassing op de aanmaning en het dwangbevel. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:119 — Artikel 4:119#
Artikel 4:119 1 Bij het dwangbevel kunnen tevens de aanmaningsvergoeding, de wettelijke rente en de kosten van het dwangbevel worden ingevorderd. 2 Het dwangbevel kan betrekking hebben op verschillende verplichtingen tot betaling van een geldsom door de schuldenaar aan het bestuursorgaan. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:120 — Artikel 4:120#
Artikel 4:120 1 De betekening en de tenuitvoerlegging van het dwangbevel geschieden op kosten van degene tegen wie het is uitgevaardigd. 2 artikel 434a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering De gerechtelijke kosten worden berekend met toepassing van de op grond vanvastgestelde tarieven. De buitengerechtelijke kosten worden berekend met toepassing van bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen tarieven. 3 De kosten zijn ook verschuldigd indien het dwangbevel door betaling van verschuldigde bedragen niet of niet volledig ten uitvoer is gelegd. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:121 — Artikel 4:121#
Artikel 4:121 Indien een dwangbevel dat is uitgevaardigd voor een gedeelte van een verplichting tot betaling van een geldsom ten uitvoer wordt gelegd door beslaglegging, kunnen bij datzelfde dwangbevel alle tot het tijdstip van beslaglegging vervallen termijnen van die verplichting worden ingevorderd, mits het op dat tijdstip invorderbare bedrag uit het dwangbevel is op te maken. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:122 — Artikel 4:122#
Artikel 4:122 1 Het dwangbevel vermeldt in ieder geval: a. aan het hoofd het woord «dwangbevel»; b. het bedrag van de invorderbare hoofdsom; c. de beschikking of het wettelijk voorschrift waaruit de geldschuld voortvloeit; d. de kosten van het dwangbevel, en e. dat het op kosten van de schuldenaar ten uitvoer kan worden gelegd. 2 Het dwangbevel vermeldt, indien van toepassing: a. het bedrag van de aanmaningsvergoeding, en b. de ingangsdatum van de wettelijke rente. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:123 — Artikel 4:123#
Artikel 4:123 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikelen 3:41 tot en met 3:45 De bekendmaking van een dwangbevel geschiedt door middel van de betekening van een exploot als bedoeld in het. Dezijn niet van toepassing. 2 artikelen 438 438a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Het exploot vermeldt in ieder geval de rechtbank waarbij tegen het dwangbevel en de tenuitvoerlegging ervan overeenkomstig deenkan worden opgekomen. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:124 — Artikel 4:124#
Artikel 4:124 Het bestuursorgaan beschikt ten aanzien van de invordering ook over de bevoegdheden die een schuldeiser op grond van het privaatrecht heeft. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:125 — Artikel 4:125#
Artikel 4:125 1 Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking waarbij de verplichting tot betaling van een geldsom is vastgesteld, heeft mede betrekking op een bijkomende beschikking van hetzelfde bestuursorgaan omtrent verrekening, uitstel van betaling, verlening van een voorschot, vaststelling van de rente of gehele of gedeeltelijke kwijtschelding, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. 2 Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen een bijkomende beschikking heeft mede betrekking op een latere bijkomende beschikking met betrekking tot dezelfde geldschuld, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. 3 De bestuursrechter kan de beslissing op het beroep of hoger beroep inzake de bijkomende beschikking echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is. 4 In beroep of hoger beroep legt de belanghebbende zo mogelijk een afschrift over van de bijkomende beschikking die hij betwist. 5 Het eerste tot en met het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een verzoek om voorlopige voorziening. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4:126 — Artikel 4:126#
Artikel 4:126 1 Indien een bestuursorgaan in de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak schade veroorzaakt die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico en die een benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft, kent het bestuursorgaan de benadeelde desgevraagd een vergoeding toe. 2 Schade blijft in elk geval voor rekening van de aanvrager voor zover: a. hij het risico van het ontstaan van de schade heeft aanvaard; b. hij de schade had kunnen beperken door binnen redelijke grenzen maatregelen te nemen, die tot voorkoming of vermindering van de schade hadden kunnen leiden; c. de schade anderszins het gevolg is van een omstandigheid die aan de aanvrager kan worden toegerekend of d. de vergoeding van de schade anderszins is verzekerd. 3 Indien een schadeveroorzakende gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid tevens voordeel voor de benadeelde heeft opgeleverd, wordt dit bij de vaststelling van de te vergoeden schade in aanmerking genomen. 4 Het bestuursorgaan kan een vergoeding toekennen in andere vorm dan betaling van een geldsom. 2013 50 15-02-2013 31-01-2013 32621 2023 336 12-10-2023 06-10-2023 01-01-2024 Artikelen IV en V van Stb. 2013/50 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Blijft tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip buiten toepassing voor de vergoeding van schade waarvoor bij wet of beleidsregel een andere regeling is getroffen.
Artikel 4:127 — Artikel 4:127#
Artikel 4:127 De aanvraag bevat mede: a. een aanduiding van de schadeveroorzakende gebeurtenis; b. een opgave van de aard van de geleden of te lijden schade en, voor zover redelijkerwijs mogelijk, het bedrag van de schade en een specificatie daarvan. 2013 50 15-02-2013 31-01-2013 32621 2023 336 12-10-2023 06-10-2023 01-01-2024 Artikelen IV en V van Stb. 2013/50 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Blijft tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip buiten toepassing voor de vergoeding van schade waarvoor bij wet of beleidsregel een andere regeling is getroffen.
Artikel 4:128 — Artikel 4:128#
Artikel 4:128 1 Bij wettelijk voorschrift kan worden bepaald dat van de aanvrager een recht van ten hoogste € 500 kan worden geheven voor het in behandeling nemen van de aanvraag. 2 Het in het eerste lid bedoelde wettelijk voorschrift kan voor bestuursorganen van de centrale overheid bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld. 2013 50 15-02-2013 31-01-2013 32621 2023 336 12-10-2023 06-10-2023 01-01-2024 Artikelen IV en V van Stb. 2013/50 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Blijft tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip buiten toepassing voor de vergoeding van schade waarvoor bij wet of beleidsregel een andere regeling is getroffen.
Artikel 4:129 — Artikel 4:129#
Artikel 4:129 artikel 4:126 Indien het bestuursorgaan een vergoeding als bedoeld intoekent, vergoedt het tevens: a. redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade; b. redelijke kosten ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand of andere deskundige bijstand bij de vaststelling van de schade; c. indien voor de indiening van de aanvraag een recht is geheven, het betaalde recht; d. de wettelijke rente vanaf de ontvangst van de aanvraag, of indien de schade op een later tijdstip ontstaat, vanaf dat tijdstip. 2013 50 15-02-2013 31-01-2013 32621 2023 336 12-10-2023 06-10-2023 01-01-2024 Artikelen IV en V van Stb. 2013/50 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Blijft tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip buiten toepassing voor de vergoeding van schade waarvoor bij wet of beleidsregel een andere regeling is getroffen.
Artikel 4:130 — Artikel 4:130#
Artikel 4:130 1 Het bestuursorgaan beslist binnen acht weken of – indien een adviescommissie is ingesteld waarvan de voorzitter, dan wel het enig lid, geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan – binnen zes maanden na de ontvangst van de aanvraag, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift een andere termijn is bepaald. 2 Het bestuursorgaan kan de beslissing eenmaal voor ten hoogste acht weken of – indien een adviescommissie als bedoeld in het eerste lid is ingeschakeld – zes maanden verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan. 3 Indien de schade mede is veroorzaakt door een besluit waartegen beroep kan worden ingesteld, kan het bestuursorgaan de beslissing aanhouden totdat het besluit onherroepelijk is geworden. 2013 50 15-02-2013 31-01-2013 32621 2023 336 12-10-2023 06-10-2023 01-01-2024 Artikelen IV en V van Stb. 2013/50 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Blijft tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip buiten toepassing voor de vergoeding van schade waarvoor bij wet of beleidsregel een andere regeling is getroffen.
Artikel 4:131 — Artikel 4:131#
Artikel 4:131 1 Het bestuursorgaan kan de aanvraag afwijzen indien op het tijdstip van de aanvraag vijf jaren zijn verstreken na aanvang van de dag na die waarop de benadeelde bekend is geworden zowel met de schade als met het voor de schadeveroorzakende gebeurtenis verantwoordelijke bestuursorgaan, en in ieder geval na verloop van twintig jaren nadat de schade is veroorzaakt. 2 Indien een aanvraag betrekking heeft op schade veroorzaakt door een besluit waartegen beroep kan worden ingesteld, vangt de termijn van vijf jaren niet aan voordat dit besluit onherroepelijk is geworden. 2013 50 15-02-2013 31-01-2013 32621 2023 336 12-10-2023 06-10-2023 01-01-2024 Artikelen IV en V van Stb. 2013/50 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Blijft tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip buiten toepassing voor de vergoeding van schade waarvoor bij wet of beleidsregel een andere regeling is getroffen.
Artikel 5:1 — Artikel 5:1#
Artikel 5:1 1 In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. 2 Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt. 3 Artikel 51, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht Overtredingen kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen.is van overeenkomstige toepassing. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:2 — Artikel 5:2#
Artikel 5:2 1 In deze wet wordt verstaan onder: a. bestuurlijke sanctie: een door een bestuursorgaan wegens een overtreding opgelegde verplichting of onthouden aanspraak; b. herstelsanctie: een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding; c. bestraffende sanctie: een bestuurlijke sanctie voor zover deze beoogt de overtreder leed toe te voegen. 2 Geen bestuurlijke sanctie is de enkele last tot het verrichten van bepaalde handelingen. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:3 — Artikel 5:3#
Artikel 5:3 artikelen 5:4 tot en met 5:10 Dezijn van toepassing op: a. in dit hoofdstuk geregelde bestuurlijke sancties, en b. bij wettelijk voorschrift aangewezen andere bestuurlijke sancties. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:4 — Artikel 5:4#
Artikel 5:4 1 De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie bestaat slechts voor zover zij bij of krachtens de wet is verleend. 2 Een bestuurlijke sanctie wordt slechts opgelegd indien de overtreding en de sanctie bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift zijn omschreven. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:5 — Artikel 5:5#
Artikel 5:5 Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke sanctie op voor zover voor de overtreding een rechtvaardigingsgrond bestond. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:6 — Artikel 5:6#
Artikel 5:6 Het bestuursorgaan legt geen herstelsanctie op zolang een andere wegens dezelfde overtreding opgelegde herstelsanctie van kracht is. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:7 — Artikel 5:7#
Artikel 5:7 Een herstelsanctie kan worden opgelegd zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:8 — Artikel 5:8#
Artikel 5:8 Indien twee of meer voorschriften zijn overtreden, kan voor de overtreding van elk afzonderlijk voorschrift een bestuurlijke sanctie worden opgelegd. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:9 — Artikel 5:9#
Artikel 5:9 De beschikking tot oplegging van een bestuurlijke sanctie vermeldt: a. de overtreding alsmede het overtreden voorschrift; b. zo nodig een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip waarop de overtreding is geconstateerd. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:10 — Artikel 5:10#
Artikel 5:10 1 Voor zover een bestuurlijke sanctie verplicht tot betaling van een geldsom, komt deze geldsom toe aan het bestuursorgaan dat de sanctie heeft opgelegd, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. 2 Het bestuursorgaan kan de geldsom invorderen bij dwangbevel. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:10a — Artikel 5:10a#
Artikel 5:10a 1 Degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie, is niet verplicht ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te leggen. 2 Voor het verhoor wordt aan de betrokkene medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:11 — Artikel 5:11#
Artikel 5:11 Onder toezichthouder wordt verstaan: een persoon, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 5:12 — Artikel 5:12#
Artikel 5:12 1 Bij de uitoefening van zijn taak draagt een toezichthouder een legitimatiebewijs bij zich, dat is uitgegeven door het bestuursorgaan onder verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is. 2 Een toezichthouder toont zijn legitimatiebewijs desgevraagd aanstonds. 3 Het legitimatiebewijs bevat een foto van de toezichthouder en vermeldt in ieder geval diens naam en hoedanigheid. Het model van het legitimatiebewijs wordt vastgesteld bij regeling van Onze Minister van Justitie en Veiligheid. 2025 124 14-05-2025 23-04-2025 36638 2025 155 12-06-2025 28-05-2025 01-07-2025
Artikel 5:13 — Artikel 5:13#
Artikel 5:13 Een toezichthouder maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 5:14 — Artikel 5:14#
Artikel 5:14 Bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan dat de toezichthouder als zodanig aanwijst, kunnen de aan de toezichthouder toekomende bevoegdheden worden beperkt. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 5:15 — Artikel 5:15#
Artikel 5:15 1 Een toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner. 2 Zo nodig verschaft hij zich toegang met behulp van de sterke arm. 3 Hij is bevoegd zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hem zijn aangewezen. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 5:16 — Artikel 5:16#
Artikel 5:16 Een toezichthouder is bevoegd inlichtingen te vorderen. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 5:16a — Artikel 5:16a#
Artikel 5:16a artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht Een toezichthouder is bevoegd van personen inzage te vorderen van een identiteitsbewijs als bedoeld in. 2004 300 06-07-2004 24-06-2004 29218 2004 583 18-11-2004 09-11-2004 01-01-2005
Artikel 5:17 — Artikel 5:17#
Artikel 5:17 1 Een toezichthouder is bevoegd inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden. 2 Hij is bevoegd van de gegevens en bescheiden kopieën te maken. 3 Indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan geschieden, is hij bevoegd de gegevens en bescheiden voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 5:18 — Artikel 5:18#
Artikel 5:18 1 Een toezichthouder is bevoegd zaken te onderzoeken, aan opneming te onderwerpen en daarvan monsters te nemen. 2 Hij is bevoegd daartoe verpakkingen te openen. 3 De toezichthouder neemt op verzoek van de belanghebbende indien mogelijk een tweede monster, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald. 4 Indien het onderzoek, de opneming of de monsterneming niet ter plaatse kan geschieden, is hij bevoegd de zaken voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs. 5 De genomen monsters worden voor zover mogelijk teruggegeven. 6 De belanghebbende wordt op zijn verzoek zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de resultaten van het onderzoek, de opneming of de monsterneming. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 5:19 — Artikel 5:19#
Artikel 5:19 1 Een toezichthouder is bevoegd vervoermiddelen te onderzoeken met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft. 2 Hij is bevoegd vervoermiddelen waarmee naar zijn redelijk oordeel zaken worden vervoerd met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft, op hun lading te onderzoeken. 3 Hij is bevoegd van de bestuurder van een vervoermiddel inzage te vorderen van de wettelijk voorgeschreven bescheiden met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft. 4 Hij is bevoegd met het oog op de uitoefening van deze bevoegdheden van de bestuurder van een voertuig of van de schipper van een vaartuig te vorderen dat deze zijn vervoermiddel stilhoudt en naar een door hem aangewezen plaats overbrengt. 5 Bij regeling van Onze Minister van Justitie en Veiligheid wordt bepaald op welke wijze de vordering tot stilhouden wordt gedaan. 2025 124 14-05-2025 23-04-2025 36638 2025 155 12-06-2025 28-05-2025 01-07-2025
Artikel 5:20 — Artikel 5:20#
Artikel 5:20 1 Een ieder is verplicht aan een toezichthouder binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. 2 Zij die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het verlenen van medewerking weigeren, voor zover dit uit hun geheimhoudingsplicht voortvloeit. 3 Het bestuursorgaan onder verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is, is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het eerste lid. 4 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak Regeling verlaagd griffierecht Indien de gevorderde medewerking strekt ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens een regeling die is genoemd in hoofdstuk 2, 3 of 4 van de bij deze wet behorendeof in de bij deze wet behorende, wordt de last onder bestuursdwang voor de toepassing van de twee laatstgenoemde regelingen aangemerkt als een besluit, genomen op grond van de eerstbedoelde regeling. 2021 135 17-03-2021 03-03-2021 35256 2021 254 02-06-2021 18-05-2021 01-07-2021 Artikel 5.2 van Stb. 2021/135 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:21 — Artikel 5:21#
Artikel 5:21 Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende: a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:22 — Artikel 5:22#
Artikel 5:22 Vervallen 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:23 — Artikel 5:23#
Artikel 5:23 Deze afdeling is niet van toepassing op optreden ter onmiddellijke handhaving van de openbare orde. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:24 — Artikel 5:24#
Artikel 5:24 1 De last onder bestuursdwang omschrijft de te nemen herstelmaatregelen. 2 De last onder bestuursdwang vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd. 3 De last onder bestuursdwang wordt bekendgemaakt aan de overtreder, aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak waarop de last betrekking heeft en aan de aanvrager. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:25 — Artikel 5:25#
Artikel 5:25 1 De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen. 2 De last vermeldt in hoeverre de kosten van bestuursdwang ten laste van de overtreder zullen worden gebracht. 3 Tot de kosten van bestuursdwang behoren de kosten van voorbereiding van bestuursdwang, voor zover deze zijn gemaakt na het verstrijken van de termijn waarbinnen de last had moeten worden uitgevoerd. 4 De kosten van voorbereiding van bestuursdwang zijn ook verschuldigd, voor zover als gevolg van het alsnog uitvoeren van de last geen bestuursdwang is toegepast. 5 artikel 5:27, zesde lid Tot de kosten van bestuursdwang behoren tevens de kosten van vergoeding van schade ingevolge. 6 Het bestuursorgaan stelt de hoogte van de verschuldigde kosten vast binnen vijf jaar nadat de bestuursdwang is toegepast. 2020 500 09-12-2020 18-11-2020 35477 2021 68 16-02-2021 02-02-2021 01-04-2021 Artikel II van Stb. 2020/500 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:26 — Artikel 5:26#
Artikel 5:26 Vervallen 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:27 — Artikel 5:27#
Artikel 5:27 1 Om bestuursdwang toe te passen, hebben door het bestuursorgaan aangewezen personen toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. 2 artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden Voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is het bestuursorgaan dat bestuursdwang toepast bevoegd tot het geven van een machtiging als bedoeld in. 3 Een plaats die niet bij de overtreding is betrokken, wordt niet betreden dan nadat het bestuursorgaan dit de rechthebbende ten minste achtenveertig uren tevoren schriftelijk heeft aangezegd. 4 Het derde lid geldt niet, indien tijdige aanzegging wegens de vereiste spoed niet mogelijk is. De aanzegging geschiedt dan zo spoedig mogelijk. 5 De aanzegging omschrijft de wijze waarop het betreden zal plaatsvinden. 6 artikel 5:25, vijfde lid Het bestuursorgaan vergoedt de schade die door het betreden van een plaats als bedoeld in het derde lid wordt veroorzaakt, voor zover deze redelijkerwijs niet ten laste van de rechthebbende behoort te komen, onverminderd het recht tot verhaal van deze schade op de overtreder ingevolge. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:28 — Artikel 5:28#
Artikel 5:28 Het bestuursorgaan dat bestuursdwang toepast, is bevoegd tot het verzegelen van gebouwen, terreinen en hetgeen zich daarin of daarop bevindt. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:29 — Artikel 5:29#
Artikel 5:29 1 Voor zover de toepassing van bestuursdwang dit vergt, kan het bestuursorgaan zaken meevoeren en opslaan. 2 Het bestuursorgaan doet van het meevoeren en opslaan proces-verbaal opmaken. Een afschrift van het proces-verbaal wordt verstrekt aan degene die de zaken onder zijn beheer had. 3 Het bestuursorgaan draagt zorg voor de bewaring van de opgeslagen zaken en geeft deze zaken terug aan de rechthebbende. 4 artikel 5:25 Het bestuursorgaan kan de teruggave opschorten totdat de ingevolgeverschuldigde kosten zijn voldaan. 5 Indien de rechthebbende niet tevens de overtreder is, kan het bestuursorgaan de teruggave opschorten totdat de kosten van bewaring zijn voldaan. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:30 — Artikel 5:30#
Artikel 5:30 1 Indien een meegevoerde en opgeslagen zaak niet binnen dertien weken nadat zij is meegevoerd, kan worden teruggegeven, kan het bestuursorgaan de zaak verkopen. 2 artikel 5:25 Het bestuursorgaan kan de zaak eerder verkopen, zodra de ingevolgeverschuldigde kosten, vermeerderd met de voor de verkoop geraamde kosten, in verhouding tot de waarde van de zaak onevenredig hoog worden. 3 Verkoop vindt evenwel niet plaats binnen twee weken na de verstrekking van het afschrift van het proces-verbaal van meevoeren en opslaan, tenzij het gevaarlijke stoffen of eerder aan bederf onderhevige stoffen betreft. 4 artikel 5:25 Gedurende drie jaren na het tijdstip van verkoop heeft degene die op dat tijdstip eigenaar was, recht op de opbrengst van de zaak onder aftrek van de ingevolgeverschuldigde kosten en de kosten van de verkoop. Na het verstrijken van deze termijn vervalt een batig saldo aan het bestuursorgaan. 5 Indien naar het oordeel van het bestuursorgaan verkoop niet mogelijk is, kan het de zaak om niet aan een derde in eigendom overdragen of laten vernietigen. Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:31 — Artikel 5:31#
Artikel 5:31 1 Artikel 5:24, eerste en derde lid Een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last., is op dit besluit van overeenkomstige toepassing. 2 Indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, kan terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:31a — Artikel 5:31a#
Artikel 5:31a 1 De aanvrager van een last onder bestuursdwang, dan wel een andere belanghebbende die door de overtreding wordt benadeeld, kan het bestuursorgaan verzoeken bestuursdwang toe te passen. 2 artikel 5:24, tweede lid Het verzoek kan worden gedaan na afloop van de termijn, bedoeld in. 3 Het bestuursorgaan beslist binnen vier weken op het verzoek. De beslissing is een beschikking. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:31b — Artikel 5:31b#
Artikel 5:31b De beschikking omtrent de toepassing vervalt, voor zover de last onder bestuursdwang wordt ingetrokken of vernietigd. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:31c — Artikel 5:31c#
Artikel 5:31c 1 Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder bestuursdwang heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot toepassing van bestuursdwang of op een beschikking tot vaststelling van de kosten van de bestuursdwang, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. 2 De bestuursrechter kan de beslissing op het beroep of hoger beroep inzake de beschikking tot toepassing van bestuursdwang of de beschikking tot vaststelling van de kosten echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is. 3 In beroep of hoger beroep legt de belanghebbende zo mogelijk een afschrift over van de beschikking die hij betwist. 4 Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een verzoek om voorlopige voorziening. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:31d — Artikel 5:31d#
Artikel 5:31d Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende: a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:32 — Artikel 5:32#
Artikel 5:32 1 Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen. 2 Voor een last onder dwangsom wordt niet gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen, zich daartegen verzet. 3 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak Regeling verlaagd griffierecht Indien de last onder dwangsom strekt ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens een regeling die is genoemd in hoofdstuk 2, 3 of 4 van de bij deze wet behorendeof in de bij deze wet behorende, wordt de last onder dwangsom voor de toepassing van de twee laatstgenoemde regelingen aangemerkt als een besluit, genomen op grond van de eerstbedoelde regeling. 2021 135 17-03-2021 03-03-2021 35256 2021 254 02-06-2021 18-05-2021 01-07-2021
Artikel 5:32a — Artikel 5:32a#
Artikel 5:32a 1 De last onder dwangsom omschrijft de te nemen herstelmaatregelen. 2 Bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:32b — Artikel 5:32b#
Artikel 5:32b 1 Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. 2 Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. 3 De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:33 — Artikel 5:33#
Artikel 5:33 Een verbeurde dwangsom wordt betaald binnen zes weken nadat zij van rechtswege is verbeurd. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:34 — Artikel 5:34#
Artikel 5:34 1 Het bestuursorgaan dat een last onder dwangsom heeft opgelegd, kan op verzoek van de overtreder de last opheffen, de looptijd ervan opschorten voor een bepaalde termijn of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijk onmogelijkheid voor de overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen. 2 Het bestuursorgaan dat een last onder dwangsom heeft opgelegd, kan op verzoek van de overtreder de last opheffen indien de beschikking een jaar van kracht is geweest zonder dat de dwangsom is verbeurd. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:35 — Artikel 5:35#
Artikel 5:35 1 artikel 4:104, eerste lid In afwijking van, verjaart de rechtsvordering tot betaling van een verbeurde dwangsom door verloop van een jaar na de dag waarop zij is verbeurd. 2 Indien op de dag waarop de rechtsvordering verjaart, bezwaar, beroep of hoger beroep openstaat of aanhangig is tegen de last onder dwangsom, wordt de verjaringstermijn verlengd tot onherroepelijk op het bezwaar, beroep of hoger beroep is beslist. 2020 500 09-12-2020 18-11-2020 35477 2021 68 16-02-2021 02-02-2021 01-04-2021 Artikel II van Stb. 2020/500 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:36 — Artikel 5:36#
Artikel 5:36 Vervallen 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:37 — Artikel 5:37#
Artikel 5:37 1 Alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, beslist het bestuursorgaan bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom. 2 Het bestuursorgaan geeft voorts een beschikking omtrent de invordering van de dwangsom, indien een belanghebbende daarom verzoekt. 3 Het bestuursorgaan beslist binnen vier weken op het verzoek. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:37a — Artikel 5:37a#
Artikel 5:37a 1 Een beschikking tot invordering van een dwangsom stuit de verjaring. 2 artikel 5:37, tweede lid Indien op de dag waarop de rechtsvordering verjaart een verzoek als bedoeld in, aanhangig is, wordt de verjaringstermijn verlengd tot onherroepelijk op het verzoek is beslist. 3 artikel 5:37, tweede lid Indien op de dag waarop de rechtsvordering verjaart bezwaar, beroep of hoger beroep openstaat of aanhangig is tegen de afwijzing van een verzoek als bedoeld in, of tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op een zodanig verzoek, wordt de verjaringstermijn verlengd tot: a. de termijn voor het maken van bezwaar of het instellen van beroep of hoger beroep ongebruikt is verstreken; b. onherroepelijk op het bezwaar, beroep of hoger beroep is beslist; of c. het bestuursorgaan alsnog een beschikking tot invordering van een dwangsom heeft gegeven. 4 Indien op de dag waarop de rechtsvordering verjaart, de beschikking omtrent invordering ingevolge een uitspraak van de voorzieningenrechter is geschorst, wordt de verjaringstermijn verlengd met de duur van de schorsing. 2020 500 09-12-2020 18-11-2020 35477 2021 68 16-02-2021 02-02-2021 01-04-2021 Artikel II van Stb. 2020/500 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:38 — Artikel 5:38#
Artikel 5:38 1 Indien uit een beschikking tot intrekking of wijziging van de last onder dwangsom voortvloeit dat een reeds gegeven beschikking tot invordering van die dwangsom niet in stand kan blijven, vervalt die beschikking. 2 Het bestuursorgaan kan een nieuwe beschikking tot invordering geven die in overeenstemming is met de gewijzigde last onder dwangsom. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:39 — Artikel 5:39#
Artikel 5:39 1 Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. 2 De bestuursrechter kan de beslissing op het beroep of hoger beroep tegen de beschikking tot invordering echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is. 3 In beroep of hoger beroep legt de belanghebbende zo mogelijk een afschrift over van de beschikking die hij betwist. 4 Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een verzoek om voorlopige voorziening. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:40 — Artikel 5:40#
Artikel 5:40 1 Onder bestuurlijke boete wordt verstaan: de bestraffende sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom. 2 Deze titel is niet van toepassing op de intrekking of wijziging van een aanspraak op financiële middelen. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:41 — Artikel 5:41#
Artikel 5:41 Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:42 — Artikel 5:42#
Artikel 5:42 1 Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op indien de overtreder is overleden. 2 Een bestuurlijke boete vervalt indien zij op het tijdstip van het overlijden van de overtreder niet onherroepelijk is. Een onherroepelijke bestuurlijke boete vervalt voor zover zij op dat tijdstip nog niet is betaald. 2025 124 14-05-2025 23-04-2025 36638 2025 155 12-06-2025 28-05-2025 01-07-2025
Artikel 5:43 — Artikel 5:43#
Artikel 5:43 artikel 5:50, tweede lid, aanhef en onderdeel a Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op indien aan de overtreder wegens dezelfde overtreding reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een kennisgeving als bedoeld in, is bekendgemaakt. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:44 — Artikel 5:44#
Artikel 5:44 1 Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd. 2 Indien de gedraging tevens een strafbaar feit is, wordt zij aan de officier van justitie voorgelegd, tenzij bij wettelijk voorschrift is bepaald, dan wel met het openbaar ministerie is overeengekomen, dat daarvan kan worden afgezien. 3 Voor een gedraging die aan de officier van justitie moet worden voorgelegd, legt het bestuursorgaan slechts een bestuurlijke boete op indien: a. de officier van justitie aan het bestuursorgaan heeft medegedeeld ten aanzien van de overtreder van strafvervolging af te zien, of b. het bestuursorgaan niet binnen dertien weken een reactie van de officier van justitie heeft ontvangen. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:45 — Artikel 5:45#
Artikel 5:45 1 artikel 5:53 Indienvan toepassing is, vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vijf jaren nadat de overtreding heeft plaatsgevonden. 2 In de overige gevallen vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete drie jaren nadat de overtreding heeft plaatsgevonden. 3 Indien tegen de bestuurlijke boete bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld, wordt de vervaltermijn opgeschort tot onherroepelijk op het bezwaar of beroep is beslist. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:46 — Artikel 5:46#
Artikel 5:46 1 De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd. 2 Tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. 3 Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. 4 Artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:47 — Artikel 5:47#
Artikel 5:47 artikel 12i van het Wetboek van Strafvordering Een bestuurlijke boete die is opgelegd wegens een gedraging die tevens een strafbaar feit is, vervalt indien het gerechtshof met toepassing vande vervolging van de overtreder voor dat feit beveelt. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 265 30-06-2009 25-06-2009 31124 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:48 — Artikel 5:48#
Artikel 5:48 1 Het bestuursorgaan en de voor de overtreding bevoegde toezichthouder kunnen van de overtreding een rapport opmaken. 2 Het rapport is gedagtekend en vermeldt: a. de naam van de overtreder; b. de overtreding alsmede het overtreden voorschrift; c. zo nodig een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip waarop de overtreding is geconstateerd. 3 Een afschrift van het rapport wordt uiterlijk bij de bekendmaking van de beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete aan de overtreder toegezonden of uitgereikt. 4 artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering Indien van de overtreding een proces-verbaal als bedoeld inis opgemaakt, treedt dit voor de toepassing van deze afdeling in de plaats van het rapport. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:49 — Artikel 5:49#
Artikel 5:49 1 Het bestuursorgaan stelt de overtreder desgevraagd in de gelegenheid de gegevens waarop het opleggen van de bestuurlijke boete, dan wel het voornemen daartoe, berust, in te zien en daarvan afschriften te vervaardigen. 2 Voor zover blijkt dat de verdediging van de overtreder dit redelijkerwijs vergt, draagt het bestuursorgaan er zoveel mogelijk zorg voor dat deze gegevens aan de overtreder worden medegedeeld in een voor deze begrijpelijke taal. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:50 — Artikel 5:50#
Artikel 5:50 1 Indien de overtreder in de gelegenheid wordt gesteld over het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete zijn zienswijze naar voren te brengen, a. wordt het rapport reeds bij de uitnodiging daartoe aan de overtreder toegezonden of uitgereikt; b. zorgt het bestuursorgaan voor bijstand door een tolk, indien blijkt dat de verdediging van de overtreder dit redelijkerwijs vergt. 2 Indien het bestuursorgaan nadat de overtreder zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, beslist dat: wordt dit schriftelijk aan de overtreder medegedeeld. a. voor de overtreding geen bestuurlijke boete zal worden opgelegd, of b. de overtreding alsnog aan de officier van justitie zal worden voorgelegd, 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:51 — Artikel 5:51#
Artikel 5:51 1 Indien van de overtreding een rapport is opgemaakt, beslist het bestuursorgaan omtrent het opleggen van de bestuurlijke boete binnen dertien weken na de dagtekening van het rapport. 2 De beslistermijn wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de gedraging aan het openbaar ministerie is voorgelegd, tot de dag waarop het bestuursorgaan weer bevoegd wordt een bestuurlijke boete op te leggen. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:52 — Artikel 5:52#
Artikel 5:52 De beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete vermeldt: a. de naam van de overtreder; b. het bedrag van de boete. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:53 — Artikel 5:53#
Artikel 5:53 1 Dit artikel is van toepassing indien voor de overtreding een bestuurlijke boete van meer dan € 340 kan worden opgelegd, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. 2 artikel 5:48 In afwijking vanwordt van de overtreding steeds een rapport of proces-verbaal opgemaakt. 3 afdeling 4.1.2 In afwijking vanwordt de overtreder steeds in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5:54 — Artikel 5:54#
Artikel 5:54 Deze titel is van overeenkomstige toepassing op andere bestraffende sancties, voor zover dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 6:1 — Artikel 6:1#
Artikel 6:1 hoofdstukken 6 7 Deenzijn van overeenkomstige toepassing indien is voorzien in de mogelijkheid van bezwaar of beroep tegen andere handelingen van bestuursorganen dan besluiten. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 6:2 — Artikel 6:2#
Artikel 6:2 Voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep worden met een besluit gelijkgesteld: a. de schriftelijke weigering een besluit te nemen, en b. het niet tijdig nemen van een besluit. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 6:3 — Artikel 6:3#
Artikel 6:3 Een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit is niet vatbaar voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 6:4 — Artikel 6:4#
Artikel 6:4 1 Het maken van bezwaar geschiedt door het indienen van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen. 2 Het instellen van administratief beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij het beroepsorgaan. 3 Het instellen van beroep bij een bestuursrechter geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij die rechter. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 6:5 — Artikel 6:5#
Artikel 6:5 1 Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht; d. de gronden van het bezwaar of beroep. 2 Bij het beroepschrift wordt zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft, overgelegd. 3 Indien het bezwaar- of beroepschrift in een vreemde taal is gesteld en een vertaling voor een goede behandeling van het bezwaar of beroep noodzakelijk is, dient de indiener zorg te dragen voor een vertaling. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 6:6 — Artikel 6:6#
Artikel 6:6 Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien: mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. a. artikel 6:5 niet is voldaan aanof aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of b. artikel 2:15 het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van, 2004 214 25-05-2004 29-04-2004 28483 2004 260 24-06-2004 25-05-2004 01-07-2004
Artikel 6:7 — Artikel 6:7#
Artikel 6:7 De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 6:8 — Artikel 6:8#
Artikel 6:8 1 De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. 2 De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen een besluit waartegen alleen door een of meer bepaalde belanghebbenden administratief beroep kon worden ingesteld, vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beroepstermijn ongebruikt is verstreken. 3 De termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen een besluit dat aan goedkeuring is onderworpen, vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit, inhoudende de goedkeuring van dat besluit, op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. 4 afdeling 3.4 artikel 3:44, eerste lid, onderdeel a De termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen een besluit dat tot een of meer belanghebbenden is gericht en dat is voorbereid met toepassing vanvangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit overeenkomstig, ter inzage is gelegd. 2020 262 17-07-2020 01-07-2020 35218 2021 176 09-04-2021 01-04-2021 01-07-2021
Artikel 6:9 — Artikel 6:9#
Artikel 6:9 1 Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. 2 Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 6:10 — Artikel 6:10#
Artikel 6:10 1 Ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening: a. wel reeds tot stand was gekomen, of b. nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. 2 De behandeling van het bezwaar of beroep kan worden aangehouden tot het begin van de termijn. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 6:11 — Artikel 6:11#
Artikel 6:11 Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 6:12 — Artikel 6:12#
Artikel 6:12 1 Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, is het niet aan een termijn gebonden. 2 Het beroepschrift kan worden ingediend zodra: a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. 3 Indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen. 4 Het beroep is niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. 2009 503 04-12-2009 12-11-2009 31579 2009 505 04-12-2009 26-11-2009 28-12-2009
Artikel 6:13 — Artikel 6:13#
Artikel 6:13 artikel 3:15 Geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld innaar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 6:14 — Artikel 6:14#
Artikel 6:14 1 Het orgaan waarbij het bezwaar- of beroepschrift is ingediend, bevestigt de ontvangst daarvan schriftelijk. 2 Het orgaan waarbij het beroepschrift is ingediend, geeft daarvan zo spoedig mogelijk kennis aan het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 6:15 — Artikel 6:15#
Artikel 6:15 1 Indien het bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde bestuursrechter, wordt het, onder vermelding van de datum van ontvangst, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien in plaats van een bezwaarschrift een beroepschrift is ingediend of omgekeerd. 3 Het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan is bepalend voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend, behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. 2016 288 21-07-2016 13-07-2016 34059 2017 174 04-05-2017 01-05-2017 12-06-2017 De artikelen III en IV van Stb. 2016/288 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 6:16 — Artikel 6:16#
Artikel 6:16 Het bezwaar of beroep schorst niet de werking van het besluit waartegen het is gericht, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 6:17 — Artikel 6:17#
Artikel 6:17 Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, stelt het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar of beroep te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval ter beschikking aan de gemachtigde. 2016 288 21-07-2016 13-07-2016 34059 2017 174 04-05-2017 01-05-2017 12-06-2017 De artikelen III en IV van Stb. 2016/288 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 6:18 — Artikel 6:18#
Artikel 6:18 Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 6:19 — Artikel 6:19#
Artikel 6:19 1 Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. 2 Het eerste lid geldt ook indien het bezwaar is gemaakt of het beroep is ingesteld nadat het bestuursorgaan het bestreden besluit heeft ingetrokken, gewijzigd of vervangen. 3 Het bestuursorgaan stelt het nieuwe besluit onverwijld ter beschikking aan het orgaan waarbij het beroep aanhangig is. 4 artikel 6:15, eerste en tweede lid Indien een ander orgaan een bezwaar- of beroepschrift tegen het nieuwe besluit ontvangt, zendt het dit met toepassing van, door. 5 De bestuursrechter kan het beroep tegen het nieuwe besluit echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is. 6 Intrekking of vervanging van het bestreden besluit staat niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft. 2016 288 21-07-2016 13-07-2016 34059 2017 174 04-05-2017 01-05-2017 12-06-2017 De artikelen III en IV van Stb. 2016/288 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 6:20 — Artikel 6:20#
Artikel 6:20 1 Indien het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, blijft het bestuursorgaan verplicht dit besluit te nemen, tenzij de belanghebbende daarbij als gevolg van de beslissing op het beroep geen belang meer heeft. 2 Het bestuursorgaan stelt een besluit als bedoeld in het eerste lid onverwijld ter beschikking aan het orgaan waarbij het beroep aanhangig is. 3 Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. 4 De beslissing op het beroep kan echter worden verwezen naar een ander orgaan waarbij bezwaar of beroep tegen het alsnog genomen besluit aanhangig is, dan wel kan of kon worden gemaakt of ingesteld. 5 Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan alsnog gegrond worden verklaard, indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft. 2016 288 21-07-2016 13-07-2016 34059 2017 174 04-05-2017 01-05-2017 12-06-2017 De artikelen III en IV van Stb. 2016/288 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 6:21 — Artikel 6:21#
Artikel 6:21 1 Het bezwaar of beroep kan schriftelijk worden ingetrokken. 2 Tijdens het horen kan de intrekking ook mondeling geschieden. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 6:22 — Artikel 6:22#
Artikel 6:22 Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 6:23 — Artikel 6:23#
Artikel 6:23 1 Indien beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing op het bezwaar of beroep, wordt daarvan bij de bekendmaking van de beslissing melding gemaakt. 2 Hierbij wordt vermeld door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan beroep kan worden ingesteld. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 6:24 — Artikel 6:24#
Artikel 6:24 artikel 6:12 Deze afdeling is met uitzondering vanvan overeenkomstige toepassing indien hoger beroep, incidenteel hoger beroep, beroep in cassatie of incidenteel beroep in cassatie kan worden ingesteld. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 7:1 — Artikel 7:1#
Artikel 7:1 1 Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij: a. het besluit in bezwaar of in administratief beroep is genomen, b. het besluit aan goedkeuring is onderworpen, c. het besluit een goedkeuring of een weigering daarvan inhoudt, d. afdeling 3.4 het besluit is voorbereid met toepassing van, e. artikel 8:72, vierde lid, onderdeel a afdeling 3.4 het besluit is genomen op basis van een uitspraak waarin de bestuursrechter met toepassing van, heeft bepaald datgeheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijft, f. het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, g. het besluit is genomen op grond van een voorschrift als genoemd in de bij deze wet behorende Regeling rechtstreeks beroep dan wel het besluit anderszins in die regeling is omschreven. 2 Tegen de beslissing op het bezwaar kan beroep worden ingesteld met toepassing van de voorschriften die gelden voor het instellen van beroep tegen het besluit waartegen bezwaar is gemaakt. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is. Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 7:1a — Artikel 7:1a#
Artikel 7:1a 1 artikel 7:1 In het bezwaarschrift kan de indiener het bestuursorgaan verzoeken in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter, zulks in afwijking van. 2 Het bestuursorgaan wijst het verzoek in ieder geval af, indien tegen het besluit een ander bezwaarschrift is ingediend waarin eenzelfde verzoek ontbreekt, tenzij dat andere bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is. 3 Het bestuursorgaan kan instemmen met het verzoek indien de zaak daarvoor geschikt is. 4 artikelen 4:7 4:8 Het bestuursorgaan beslist zo spoedig mogelijk op het verzoek. Een beslissing tot instemming wordt genomen zodra redelijkerwijs kan worden aangenomen dat geen nieuwe bezwaarschriften zullen worden ingediend. Deenzijn niet van toepassing. 5 Indien het bestuursorgaan instemt met het verzoek zendt het het bezwaarschrift, onder vermelding van de datum van ontvangst, onverwijld door aan de bevoegde rechter. 6 artikel 8:41, eerste lid Een na de instemming ontvangen bezwaarschrift wordt eveneens onverwijld doorgezonden aan de bevoegde rechter. Indien dit bezwaarschrift geen verzoek als bedoeld in het eerste lid bevat, wordt, in afwijking van, geen griffierecht geheven. 2016 288 21-07-2016 13-07-2016 34059 2017 174 04-05-2017 01-05-2017 12-06-2017 De artikelen III en IV van Stb. 2016/288 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 7:2 — Artikel 7:2#
Artikel 7:2 1 Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord. 2 Het bestuursorgaan stelt daarvan in ieder geval de indiener van het bezwaarschrift op de hoogte alsmede de belanghebbenden die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 7:3 — Artikel 7:3#
Artikel 7:3 Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien: a. het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, b. het bezwaar kennelijk ongegrond is, c. de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord, d. de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, of e. aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 7:4 — Artikel 7:4#
Artikel 7:4 1 Tot tien dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken indienen. 2 Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage. 3 Bij de oproeping voor het horen worden belanghebbenden gewezen op het eerste lid en wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen. 4 Belanghebbenden kunnen van deze stukken tegen vergoeding van ten hoogste de kosten afschriften verkrijgen. 5 Voor zover de belanghebbenden daarmee instemmen, kan toepassing van het tweede lid achterwege worden gelaten. 6 Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, toepassing van het tweede lid voorts achterwege laten, voor zover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Van de toepassing van deze bepaling wordt mededeling gedaan. 7 Wet open overheid Gewichtige redenen zijn in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge dede verplichting bestaat een verzoek om informatie, vervat in deze stukken, in te willigen. 8 Indien een gewichtige reden is gelegen in de vrees voor schade aan de lichamelijke of geestelijke gezondheid van een belanghebbende, kan inzage van de desbetreffende stukken worden voorbehouden aan een gemachtigde die hetzij advocaat hetzij arts is. 2021 499 27-10-2021 25-10-2021 33328 2021 499 27-10-2021 25-10-2021 33328 01-05-2022
Artikel 7:5 — Artikel 7:5#
Artikel 7:5 1 Tenzij het horen geschiedt door of mede door het bestuursorgaan zelf dan wel de voorzitter of een lid ervan, geschiedt het horen door: a. een persoon die niet bij de voorbereiding van het bestreden besluit betrokken is geweest, of b. meer dan een persoon van wie de meerderheid, onder wie degene die het horen leidt, niet bij de voorbereiding van het besluit betrokken is geweest. 2 Voor zover niet bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, besluit het bestuursorgaan of het horen in het openbaar plaatsvindt. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 7:6 — Artikel 7:6#
Artikel 7:6 1 Belanghebbenden worden in elkaars aanwezigheid gehoord. 2 Ambtshalve of op verzoek kunnen belanghebbenden afzonderlijk worden gehoord, indien aannemelijk is dat gezamenlijk horen een zorgvuldige behandeling zal belemmeren of dat tijdens het horen feiten of omstandigheden bekend zullen worden waarvan geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. 3 Wanneer belanghebbenden afzonderlijk zijn gehoord, wordt ieder van hen op de hoogte gesteld van het verhandelde tijdens het horen buiten zijn aanwezigheid. 4 Artikel 7:4, zesde lid, tweede volzin, zevende en achtste lid Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, toepassing van het derde lid achterwege laten, voor zover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden., is van overeenkomstige toepassing. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 7:7 — Artikel 7:7#
Artikel 7:7 Van het horen wordt een verslag gemaakt. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 7:8 — Artikel 7:8#
Artikel 7:8 Op verzoek van de belanghebbende kunnen door hem meegebrachte getuigen en deskundigen worden gehoord. 2002 55 12-02-2002 24-01-2002 27024 2002 55 12-02-2002 24-01-2002 27024 12-03-2002
Artikel 7:9 — Artikel 7:9#
Artikel 7:9 Wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, wordt dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 7:10 — Artikel 7:10#
Artikel 7:10 1 artikel 7:13 Het bestuursorgaan beslist binnen zes weken of – indien een commissie als bedoeld inis ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. 2 artikel 6:6 De termijn wordt opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld inte herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. 3 Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen. 4 Verder uitstel is mogelijk voor zover: a. alle belanghebbenden daarmee instemmen, b. de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad, of c. dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften. 5 Indien toepassing is gegeven aan het tweede, derde of vierde lid, doet het bestuursorgaan hiervan schriftelijk mededeling aan belanghebbenden. 2009 384 30-09-2009 18-06-2009 31751 2009 384 30-09-2009 18-06-2009 31751 01-10-2009
Artikel 7:11 — Artikel 7:11#
Artikel 7:11 1 Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats. 2 Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 7:12 — Artikel 7:12#
Artikel 7:12 1 artikel 7:3 De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolgevan het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied. 2 De beslissing wordt bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan degenen tot wie zij is gericht. Betreft het een besluit dat niet tot een of meer belanghebbenden is gericht, dan wordt de beslissing tevens bekendgemaakt op dezelfde wijze als waarop dat besluit bekendgemaakt is, tenzij het bestreden besluit in stand wordt gelaten. 3 Zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van de beslissing wordt hiervan mededeling gedaan aan de belanghebbenden die in bezwaar of bij de voorbereiding van het bestreden besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht. 4 artikel 6:23 Bij de mededeling, bedoeld in het derde lid, isvan overeenkomstige toepassing en wordt met het oog op de aanvang van de beroepstermijn zo duidelijk mogelijk aangegeven wanneer de bekendmaking van de beslissing overeenkomstig het tweede lid heeft plaatsgevonden. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 7:13 — Artikel 7:13#
Artikel 7:13 1 Dit artikel is van toepassing indien ten behoeve van de beslissing op het bezwaar een adviescommissie is ingesteld: a. die bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden, b. waarvan de voorzitter geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan en c. die voldoet aan eventueel bij wettelijk voorschrift gestelde andere eisen. 2 Indien een commissie over het bezwaar zal adviseren, deelt het bestuursorgaan dit zo spoedig mogelijk mede aan de indiener van het bezwaarschrift. 3 Het horen geschiedt door de commissie. De commissie kan het horen opdragen aan de voorzitter of een lid dat geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan. 4 artikel 7:4, zesde lid artikel 7:5, tweede lid artikel 7:3 De commissie beslist over de toepassing van, van, en, voor zover bij wettelijk voorschrift niet anders is bepaald, van. 5 Een vertegenwoordiger van het bestuursorgaan wordt voor het horen uitgenodigd en wordt in de gelegenheid gesteld een toelichting op het standpunt van het bestuursorgaan te geven. 6 Het advies van de commissie wordt schriftelijk uitgebracht en bevat een verslag van het horen. 7 Indien de beslissing op het bezwaar afwijkt van het advies van de commissie, wordt in de beslissing de reden voor die afwijking vermeld en wordt het advies met de beslissing meegezonden. 2002 53 12-02-2002 24-01-2002 26523 2002 53 12-02-2002 24-01-2002 26523 01-04-2002
Artikel 7:14 — Artikel 7:14#
Artikel 7:14 artikelen 2:24 3:6, tweede lid afdeling 3.4 artikelen 3:41 tot en met 3:45 afdeling 3.7 artikel 3:49 titel 4.1 artikelen 4:14, eerste lid 4:15, eerste lid, onderdeel b, tweede lid, onderdelen b en c, derde lid en vierde lid paragraaf 4.1.3.2 Deen,, de,, met uitzondering vanen, met uitzondering van de, enen, zijn niet van toepassing op besluiten op grond van deze afdeling. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026
Artikel 7:14a — Artikel 7:14a#
Artikel 7:14a paragraaf 4.1.3.2 Indien door een ander dan de aanvrager bezwaar is gemaakt tegen een besluit op aanvraag, wordt de aanvrager voor de toepassing vangelijkgesteld met de indiener van het bezwaarschrift. 2009 383 30-09-2009 28-08-2009 29934 2009 383 30-09-2009 28-08-2009 29934 01-10-2009
Artikel 7:15 — Artikel 7:15#
Artikel 7:15 1 Voor de behandeling van het bezwaar is geen recht verschuldigd. 2 De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. 3 Het verzoek wordt gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Het bestuursorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op het bezwaar. 4 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. 5 Wet op de rechtsbijstand Indien aan de belanghebbende in verband met het bezwaar een toevoeging is verleend op grond van de, betaalt het bestuursorgaan de toe te kennen vergoeding aan de rechtsbijstandverlener. De rechtsbijstandverlener stelt de belanghebbende zoveel mogelijk schadeloos voor de door deze voldane eigen bijdrage. De rechtsbijstandverlener doet aan de Raad voor rechtsbijstand opgave van een kostenvergoeding door het bestuursorgaan. 2025 124 14-05-2025 23-04-2025 36638 2025 155 12-06-2025 28-05-2025 01-07-2025
Artikel 7:16 — Artikel 7:16#
Artikel 7:16 1 Voordat een beroepsorgaan op het beroep beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord. 2 Het beroepsorgaan stelt daarvan in ieder geval de indiener van het beroepschrift op de hoogte, alsmede het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen en de belanghebbenden die bij de voorbereiding van het besluit of bij de behandeling van het bezwaarschrift hun zienswijze naar voren hebben gebracht. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 7:17 — Artikel 7:17#
Artikel 7:17 Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien: a. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, b. het beroep kennelijk ongegrond is, c. de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord, of d. de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 7:18 — Artikel 7:18#
Artikel 7:18 1 Tot tien dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken indienen. 2 Het beroepsorgaan legt het beroepschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage. 3 Bij de oproeping voor het horen worden belanghebbenden gewezen op het eerste lid en wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen. 4 Belanghebbenden kunnen van deze stukken tegen vergoeding van ten hoogste de kosten afschriften verkrijgen. 5 Voor zover de belanghebbenden daarmee instemmen, kan toepassing van het tweede lid achterwege worden gelaten. 6 Het beroepsorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, toepassing van het tweede lid voorts achterwege laten, voor zover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Van de toepassing van deze bepaling wordt mededeling gedaan. 7 Wet open overheid Gewichtige redenen zijn in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge dede verplichting bestaat een verzoek om informatie, vervat in deze stukken, in te willigen. 8 Indien een gewichtige reden is gelegen in de vrees voor schade aan de lichamelijke of geestelijke gezondheid van een belanghebbende, kan inzage van de desbetreffende stukken worden voorbehouden aan een gemachtigde die hetzij advocaat hetzij arts is. 2021 499 27-10-2021 25-10-2021 33328 2021 499 27-10-2021 25-10-2021 33328 01-05-2022
Artikel 7:19 — Artikel 7:19#
Artikel 7:19 1 Het horen geschiedt door het beroepsorgaan. 2 Bij of krachtens de wet kan het horen worden opgedragen aan een adviescommissie waarin een of meer leden zitting hebben die geen deel uitmaken van en niet werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van het beroepsorgaan. 3 Het horen geschiedt in het openbaar, tenzij het beroepsorgaan op verzoek van een belanghebbende of om gewichtige redenen ambtshalve anders beslist. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 7:20 — Artikel 7:20#
Artikel 7:20 1 Belanghebbenden worden in elkaars aanwezigheid gehoord. 2 Ambtshalve of op verzoek kunnen belanghebbenden afzonderlijk worden gehoord, indien aannemelijk is dat gezamenlijk horen een zorgvuldige behandeling zal belemmeren of dat tijdens het horen feiten of omstandigheden bekend zullen worden waarvan geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. 3 Wanneer belanghebbenden afzonderlijk zijn gehoord, wordt ieder van hen op de hoogte gesteld van het verhandelde tijdens het horen buiten zijn aanwezigheid. 4 Artikel 7:18, zesde lid, tweede volzin, zevende en achtste lid Het beroepsorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, toepassing van het derde lid achterwege laten, voor zover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden., is van overeenkomstige toepassing. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 7:21 — Artikel 7:21#
Artikel 7:21 Van het horen wordt een verslag gemaakt. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 7:22 — Artikel 7:22#
Artikel 7:22 Op verzoek van de belanghebbende kunnen door hem meegebrachte getuigen en deskundigen worden gehoord. 2002 55 12-02-2002 24-01-2002 27024 2002 55 12-02-2002 24-01-2002 27024 12-03-2002
Artikel 7:23 — Artikel 7:23#
Artikel 7:23 Wanneer na het horen aan het beroepsorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het beroep te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, wordt dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 7:24 — Artikel 7:24#
Artikel 7:24 1 Het beroepsorgaan beslist binnen zestien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken. 2 artikel 7:19, tweede lid Indien het beroepsorgaan evenwel behoort tot dezelfde rechtspersoon als het bestuursorgaan tegen welks besluit het beroep is gericht, beslist het binnen zes weken of – indien een commissie als bedoeld in, is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken. 3 artikel 6:6 De termijn wordt opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld inte herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. 4 Het beroepsorgaan kan de beslissing voor ten hoogste tien weken verdagen. 5 In het geval, bedoeld in het tweede lid, kan het beroepsorgaan de beslissing echter voor ten hoogste zes weken verdagen. 6 Verder uitstel is mogelijk voor zover: a. alle belanghebbenden daarmee instemmen, b. de indiener van het beroepschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad, of c. dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften. 7 Indien toepassing is gegeven aan het derde, vierde, vijfde of zesde lid, doet het beroepsorgaan hiervan schriftelijk mededeling aan belanghebbenden. 2009 384 30-09-2009 18-06-2009 31751 2009 384 30-09-2009 18-06-2009 31751 01-10-2009
Artikel 7:25 — Artikel 7:25#
Artikel 7:25 Voor zover het beroepsorgaan het beroep ontvankelijk en gegrond acht, vernietigt het het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 7:26 — Artikel 7:26#
Artikel 7:26 1 artikel 7:17 De beslissing op het beroep dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolgevan het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied. 2 artikel 7:19, tweede lid Indien de beslissing afwijkt van het advies van een commissie als bedoeld in, worden in de beslissing de redenen voor die afwijking vermeld en wordt het advies met de beslissing meegezonden. 3 De beslissing wordt bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan degenen tot wie zij is gericht. Betreft het een besluit dat niet tot een of meer belanghebbenden was gericht, dan wordt de beslissing bekendgemaakt op dezelfde wijze als waarop dat besluit bekendgemaakt is. 4 Zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van de beslissing wordt hiervan mededeling gedaan aan het bestuursorgaan tegen welks besluit het beroep was gericht, aan degenen tot wie het bestreden besluit was gericht en aan de belanghebbenden die in beroep hun zienswijze naar voren hebben gebracht. 5 artikel 6:23 Bij de mededeling, bedoeld in het vierde lid, isvan overeenkomstige toepassing en wordt met het oog op de aanvang van de beroepstermijn zo duidelijk mogelijk aangegeven wanneer de bekendmaking van de beslissing overeenkomstig het derde lid heeft plaatsgevonden. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 7:27 — Artikel 7:27#
Artikel 7:27 artikelen 2:24 3:6, tweede lid afdeling 3.4 artikelen 3:41 tot en met 3:45 afdeling 3.7 artikel 3:49 titel 4.1 artikelen 4:14, eerste lid 4:15, eerste lid, onderdeel b, tweede lid, onderdelen b en c, derde lid en vierde lid paragraaf 4.1.3.2 Deen,, de,, met uitzondering vanen, met uitzondering van de, enen, zijn niet van toepassing op besluiten op grond van deze afdeling. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026
Artikel 7:27a — Artikel 7:27a#
Artikel 7:27a paragraaf 4.1.3.2 Indien het beroep tegen een besluit op aanvraag is ingesteld door een ander dan de aanvrager, wordt de aanvrager voor de toepassing vangelijkgesteld met degene die het beroep heeft ingesteld. 2009 383 30-09-2009 28-08-2009 29934 2009 383 30-09-2009 28-08-2009 29934 01-10-2009
Artikel 7:28 — Artikel 7:28#
Artikel 7:28 1 Voor de behandeling van het beroep is geen recht verschuldigd. 2 De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In dat geval stelt het beroepsorgaan de vergoeding vast die het bestuursorgaan verschuldigd is. 3 Wet op de rechtsbijstand Indien aan de belanghebbende in verband met het beroep een toevoeging is verleend op grond van de, betaalt het bestuursorgaan de toe te kennen vergoeding aan de rechtsbijstandverlener. De rechtsbijstandverlener stelt de belanghebbende zoveel mogelijk schadeloos voor de door deze voldane eigen bijdrage. De rechtsbijstandverlener doet aan de Raad voor rechtsbijstand opgave van een kostenvergoeding door het bestuursorgaan. 4 Het verzoek wordt gedaan voordat het beroepsorgaan op het beroep heeft beslist. Het beroepsorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op het beroep. 5 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. 2025 124 14-05-2025 23-04-2025 36638 2025 155 12-06-2025 28-05-2025 01-07-2025
Artikel 8:1 — Artikel 8:1#
Artikel 8:1 Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:2 — Artikel 8:2#
Artikel 8:2 1 Met een besluit wordt gelijkgesteld: a. artikel 3 van de Ambtenarenwet 2017 een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon met betrekking tot diens inbedoelde hoedanigheid, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn, b. een andere publiekrechtelijke handeling van de Sociaal-Economische Raad. 2 Met een besluit wordt gelijkgesteld de schriftelijke beslissing, inhoudende de weigering van de goedkeuring van: a. een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel of de intrekking of de vaststelling van de inwerkingtreding van een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel, b. een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling. 2017 123 28-03-2017 09-03-2017 32550 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 8:3 — Artikel 8:3#
Artikel 8:3 1 Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit: a. inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel, b. inhoudende de intrekking of de vaststelling van de inwerkingtreding van een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel, c. inhoudende de goedkeuring van een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel of de intrekking of de vaststelling van de inwerkingtreding van een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel. 2 Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:4 — Artikel 8:4#
Artikel 8:4 1 Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit: a. artikel 2:15 inhoudende een weigering op grond van, b. artikel 4:112 inhoudende een aanmaning als bedoeld inof een dwangbevel, c. artikel 7:1a, vierde lid 7:10, tweede, derde of vierde lid 7:24, derde tot en met zesde lid als bedoeld in,, of, d. inhoudende schorsing of vernietiging van een besluit van een ander bestuursorgaan, e. artikel 3:20, onderdeel b 3:21, derde lid 3:25, eerste lid, onderdeel h als bedoeld in,, of, f. inzake vergoeding van schade wegens onrechtmatig bestuurshandelen. 2 hoofdstuk 2 Onverminderdvan de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit: a. op grond van een in enig wettelijk voorschrift voor het geval van buitengewone omstandigheden toegekende bevoegdheid of opgelegde verplichting in deze omstandigheden genomen, b. genomen op grond van een wettelijk voorschrift ter beveiliging van de militaire belangen van het Koninkrijk of zijn bondgenoten, c. genomen op grond van een wettelijk voorschrift inzake de verplichte krijgsdienst, voor zover het keuring, herkeuring, werkelijke dienst, groot verlof of diensteindiging betreft, tenzij het besluit betrekking heeft op verlenging van werkelijke dienst of kostwinnersvergoeding. 3 Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit: a. artikel 3 van de Ambtenarenwet 2017 tot benoeming of aanstelling, tenzij beroep wordt ingesteld door een persoon met betrekking tot diens inbedoelde hoedanigheid, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden, b. inhoudende een beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst, dan wel inhoudende de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of nadere regels voor die examinering of toetsing, c. inhoudende een technische beoordeling van een voertuig of een luchtvaartuig, dan wel een meetmiddel, een onderdeel daarvan of een hulpinrichting daarvoor. 4 Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit: a. inzake de nummering van kandidatenlijsten, het verloop van de stemming, de stemopneming, de vaststelling van de stemwaarden en de vaststelling van de uitslag bij verkiezingen van de leden van vertegenwoordigende organen, de benoemdverklaring in opengevallen plaatsen, alsmede de toelating van nieuwe leden van provinciale staten, van het kiescollege voor de Eerste Kamer voor Nederlanders die geen ingezetenen zijn, van de gemeenteraad en van het algemeen bestuur van een waterschap, alsmede de verlening van tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, b. houdende een ambtshandeling van een gerechtsdeurwaarder of notaris. 2021 135 17-03-2021 03-03-2021 35256 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8:5 — Artikel 8:5#
Artikel 8:5 1 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 1 van de bij deze wet behorende. 2 Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit waartegen administratief beroep kan worden ingesteld of door de belanghebbende kon worden ingesteld. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:6 — Artikel 8:6#
Artikel 8:6 1 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak Het beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank, tenzij een andere bestuursrechter bevoegd is ingevolge hoofdstuk 2 van de bij deze wet behorendedan wel ingevolge een ander wettelijk voorschrift. 2 artikel 8:113, tweede lid Bij elk van de bestuursrechters, genoemd in hoofdstuk 2 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, kan beroep worden ingesteld tegen een besluit waarover die rechter in hoger beroep oordeelt, indien hij toepassing heeft gegeven aan. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:7 — Artikel 8:7#
Artikel 8:7 1 Wet gemeenschappelijke regelingen Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit van een bestuursorgaan van een provincie, een gemeente of een waterschap dan wel tegen een besluit van een gemeenschappelijk orgaan, een bestuur van een bedrijfsvoeringsorganisatie of een bestuursorgaan van een openbaar lichaam dat is ingesteld met toepassing van de, is bevoegd de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel heeft. 2 Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit van een ander bestuursorgaan, is bevoegd de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft. Indien de indiener van het beroepschrift geen woonplaats in Nederland heeft, is bevoegd de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel heeft. 3 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak artikel 4:126 Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit als bedoeld in hoofdstuk 3 van de bij deze wet behorende, is in afwijking van het eerste en tweede lid slechts de door dat hoofdstuk aangewezen rechtbank bevoegd. Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit als bedoeld indat betrekking heeft op schade die is veroorzaakt door een besluit als bedoeld in de eerste zin of door een handeling ter uitvoering van een zodanig besluit, is in afwijking van het eerste en tweede lid eveneens slechts die rechtbank bevoegd. 4 Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien beroep in eerste aanleg kan worden ingesteld bij een gerechtshof. 2021 135 17-03-2021 03-03-2021 35256 2023 336 12-10-2023 06-10-2023 01-01-2024
Artikel 8:8 — Artikel 8:8#
Artikel 8:8 1 artikel 1 van de Wet op de rechterlijke indeling Indien tegen hetzelfde besluit bij meer dan één bevoegde rechtbank beroep is ingesteld, worden de zaken verder behandeld door de bevoegde rechtbank waarbij als eerste beroep is ingesteld. Indien gelijktijdig bij meer dan één bevoegde rechtbank als eerste beroep is ingesteld, worden de zaken verder behandeld door de bevoegde rechtbank die als eerste wordt genoemd in. 2 De andere rechtbank verwijst, onderscheidenlijk de andere rechtbanken verwijzen de daar aanhangig gemaakte zaak of zaken naar de rechtbank die de zaken verder behandelt. De op de zaak of zaken betrekking hebbende stukken worden toegezonden aan de rechtbank die de zaken verder behandelt. 3 Indien tegen hetzelfde besluit bij meer dan één rechtbank beroep is ingesteld, doet het bestuursorgaan daarvan onverwijld mededeling aan die rechtbanken. 4 artikel 7:1a, vijfde of zesde lid Indien het bestuursorgaan ingevolge, twee of meer bezwaarschriften doorzendt, zendt het bestuursorgaan deze door aan de rechtbank die ingevolge de tweede volzin van het eerste lid de zaak zal behandelen. 5 Het eerste tot en met het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien beroep in eerste aanleg kan worden ingesteld bij een gerechtshof. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. 2012 313 13-07-2012 12-07-2012 32891 2012 314 13-07-2012 12-07-2012 01-01-2013
Artikel 8:9 — Artikel 8:9#
Artikel 8:9 artikel 8:7 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Centrale Raad van Beroep, onderscheidenlijk het College van Beroep voor het bedrijfsleven, oordelen in hoogste ressort over geschillen tussen de rechtbanken over de toepassing vanin zaken tot de kennisneming waarvan zij in hoger beroep bevoegd zijn. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013
Artikel 8:10 — Artikel 8:10#
Artikel 8:10 1 De zaken die bij de rechtbank aanhangig worden gemaakt, worden in behandeling genomen door een enkelvoudige kamer. 2 Indien een zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling door één rechter, verwijst zij deze naar een meervoudige kamer. De enkelvoudige kamer kan ook in andere gevallen een zaak naar een meervoudige kamer verwijzen. 3 Indien een zaak naar het oordeel van de meervoudige kamer geschikt is voor verdere behandeling door één rechter, kan zij deze verwijzen naar een enkelvoudige kamer. 4 Verwijzing kan geschieden in elke stand van het geding. Een verwezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 8:10a — Artikel 8:10a#
Artikel 8:10a 1 De zaken die bij een andere bestuursrechter dan de rechtbank aanhangig worden gemaakt, worden in behandeling genomen door een meervoudige kamer. 2 Indien een zaak naar het oordeel van de meervoudige kamer geschikt is voor verdere behandeling door één rechter, kan zij deze verwijzen naar een enkelvoudige kamer. 3 Indien een zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling door één rechter, verwijst zij deze naar een meervoudige kamer. 4 De meervoudige kamer kan een zaak voorts verwijzen naar een grote kamer, indien haar dit met het oog op de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling geraden voorkomt. De eerste volzin geldt niet, indien de zaak aanhangig is bij een gerechtshof. 5 Verwijzing kan geschieden in elke stand van het geding. Een verwezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:11 — Artikel 8:11#
Artikel 8:11 1 artikelen 8:10 8:10a De voorschriften omtrent de behandeling van het beroep zijn van toepassing op de behandeling door elk van de kamers, bedoeld in deen. 2 Degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer heeft tevens de bevoegdheden en de verplichtingen van de voorzitter. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:12 — Artikel 8:12#
Artikel 8:12 De bestuursrechter kan aan een rechter-commissaris opdragen het vooronderzoek of een gedeelte daarvan te verrichten. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:12a — Artikel 8:12a#
Artikel 8:12a 1 De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de president van de Centrale Raad van Beroep en de president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven kunnen in zaken die bij hun college in behandeling zijn bij een meervoudige of grote kamer, een lid van het desbetreffende college verzoeken een conclusie te nemen. 2 Een dergelijk verzoek kan ook worden gericht aan een lid van een van de andere colleges in overeenstemming met de voorzitter onderscheidenlijk de president van dat college. 3 De conclusie wordt schriftelijk genomen, is met redenen omkleed en vermeldt: a. de naam van degene die haar heeft genomen en b. de dag waarop zij is genomen. 4 artikel 8:64 De conclusie wordt uiterlijk zes weken na sluiting van het onderzoek ter zitting ter kennis van het college gebracht en in afschrift aan partijen toegezonden. Aanbehoeft daarbij geen toepassing te worden gegeven. 5 Partijen kunnen binnen twee weken na verzending van het afschrift van de conclusie hun schriftelijk commentaar daarop aan het college doen toekomen. 6 Artikel 8:79, tweede lid , is van overeenkomstige toepassing. 7 Degene die de conclusie heeft genomen, neemt geen deel aan de beraadslagingen over de zaak. 8 De conclusie bindt het college niet. 2020 416 04-11-2020 14-10-2020 35550 2021 281 18-06-2021 10-06-2021 01-07-2021
Artikel 8:12b — Artikel 8:12b#
Artikel 8:12b 1 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven kunnen in zaken die bij hun college in behandeling zijn bij een meervoudige of grote kamer, anderen dan partijen in de gelegenheid stellen binnen een door het college te bepalen termijn schriftelijke opmerkingen te maken. 2 De aankondiging hiervan geschiedt op een door het college te bepalen wijze. 3 Van het voornemen om toepassing te geven aan het eerste lid doet het college mededeling aan partijen. Het college kan partijen in de gelegenheid stellen om hun wensen omtrent dat voornemen binnen een door hem te bepalen termijn schriftelijk aan hem kenbaar te maken. 4 Partijen kunnen binnen vier weken na de dag van verzending aan hen van de schriftelijke opmerkingen schriftelijk hun zienswijze met betrekking tot die opmerkingen naar voren brengen. Het college kan deze termijn verlengen. 5 Het college kan degenen die schriftelijke opmerkingen hebben gemaakt, uitnodigen ter zitting te verschijnen teneinde over hun opmerkingen te worden gehoord. 6 artikel 8:56 Indien het college toepassing geeft aan het vijfde lid, wordt daarvan aan partijen mededeling gedaan in de uitnodiging, bedoeld in. 2020 416 04-11-2020 14-10-2020 35550 2021 281 18-06-2021 10-06-2021 01-07-2021
Artikel 8:13 — Artikel 8:13#
Artikel 8:13 1 De rechtbank kan een bij haar aanhangig gemaakte zaak ter verdere behandeling verwijzen naar de rechtbank waar een andere zaak aanhangig is gemaakt, indien naar haar oordeel behandeling van die zaken door één rechtbank gewenst is. 2 Een verzoek tot verwijzing kan worden gedaan tot de aanvang van het onderzoek ter zitting. 3 Indien de rechtbank waarnaar een zaak is verwezen, instemt met de verwijzing, worden de op de zaak betrekking hebbende stukken aan haar ter beschikking gesteld. 4 Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien beroep in eerste aanleg kan worden ingesteld bij een gerechtshof. 2016 288 21-07-2016 13-07-2016 34059 2017 174 04-05-2017 01-05-2017 12-06-2017 De artikelen III en IV van Stb. 2016/288 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:13a — Artikel 8:13a#
Artikel 8:13a Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:14 — Artikel 8:14#
Artikel 8:14 1 De bestuursrechter kan zaken over hetzelfde of een verwant onderwerp ter behandeling voegen en de behandeling van gevoegde zaken splitsen. 2 Een verzoek daartoe kan worden gedaan tot de sluiting van het onderzoek ter zitting. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:15 — Artikel 8:15#
Artikel 8:15 Op verzoek van een partij kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 8:16 — Artikel 8:16#
Artikel 8:16 1 Het verzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. 2 Het verzoek geschiedt schriftelijk en is gemotiveerd. Na de aanvang van het onderzoek ter zitting onderscheidenlijk na de aanvang van het horen van partijen of getuigen in het vooronderzoek kan het ook mondeling geschieden. 3 Alle feiten of omstandigheden moeten tegelijk worden voorgedragen. 4 Een volgend verzoek om wraking van dezelfde rechter wordt niet in behandeling genomen, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden. 5 Geschiedt het verzoek ter zitting, dan wordt het onderzoek ter zitting geschorst. De rechter wiens wraking is verzocht, onthoudt zich van het verder behandelen van de zaak, waaronder begrepen het nemen van beslissingen, tenzij dit geen uitstel duldt. 2025 333 10-11-2025 29-10-2025 36463 2025 414 09-12-2025 04-12-2025 01-01-2026
Artikel 8:17 — Artikel 8:17#
Artikel 8:17 Een rechter wiens wraking is verzocht, kan in de wraking berusten. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 8:18 — Artikel 8:18#
Artikel 8:18 1 Het verzoek om wraking wordt zo spoedig mogelijk ter zitting behandeld door een meervoudige kamer waarin de rechter wiens wraking is verzocht, geen zitting heeft. 2 De verzoeker en de rechter wiens wraking is verzocht, worden in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. De meervoudige kamer kan ambtshalve of op verzoek van de verzoeker of de rechter wiens wraking is verzocht, bepalen dat zij niet in elkaars aanwezigheid zullen worden gehoord. 3 Indien het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, kan de meervoudige kamer zonder toepassing te geven aan het eerste en tweede lid beslissen het verzoek zonder behandeling ter zitting af te doen. 4 De meervoudige kamer beslist zo spoedig mogelijk. De meervoudige kamer spreekt de beslissing in het openbaar uit. De beslissing is gemotiveerd en wordt onverwijld aan de verzoeker, de andere partijen en de rechter wiens wraking was verzocht medegedeeld. 5 In geval van misbruik kan de meervoudige kamer bepalen dat een volgend verzoek niet in behandeling wordt genomen. Hiervan wordt in de beslissing melding gemaakt. 6 Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open. 2025 333 10-11-2025 29-10-2025 36463 2025 414 09-12-2025 04-12-2025 01-01-2026
Artikel 8:19 — Artikel 8:19#
Artikel 8:19 1 artikel 8:15 Op grond van feiten of omstandigheden als bedoeld inkan elk van de rechters die een zaak behandelen, verzoeken zich te mogen verschonen. 2 Het verzoek geschiedt schriftelijk en is gemotiveerd. Na de aanvang van het onderzoek ter zitting, onderscheidenlijk na de aanvang van het horen van partijen of getuigen in het vooronderzoek kan het ook mondeling geschieden. 3 Geschiedt het verzoek ter zitting, dan wordt het onderzoek ter zitting geschorst. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 8:20 — Artikel 8:20#
Artikel 8:20 1 Het verzoek om verschoning wordt zo spoedig mogelijk behandeld door een meervoudige kamer waarin de rechter die om verschoning heeft verzocht, geen zitting heeft. 2 De meervoudige kamer beslist zo spoedig mogelijk. De beslissing is gemotiveerd en wordt onverwijld aan partijen en de rechter die om verschoning had verzocht medegedeeld. 3 Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open. 2025 333 10-11-2025 29-10-2025 36463 2025 414 09-12-2025 04-12-2025 01-01-2026
Artikel 8:21 — Artikel 8:21#
Artikel 8:21 1 artikel 349 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek Natuurlijke personen, onbekwaam om in rechte te staan, worden in het geding vertegenwoordigd door hun vertegenwoordigers naar burgerlijk recht. De wettelijke vertegenwoordiger behoeft niet de machtiging van de kantonrechter, bedoeld in. 2 De in het eerste lid bedoelde personen kunnen zelf in het geding optreden, indien zij tot redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht. 3 Indien geen wettelijke vertegenwoordiger aanwezig is, of deze niet beschikbaar is en de zaak spoedeisend is, kan de bestuursrechter een voorlopige vertegenwoordiger benoemen. De benoeming vervalt zodra een wettelijke vertegenwoordiger aanwezig is of de wettelijke vertegenwoordiger weer beschikbaar is. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:22 — Artikel 8:22#
Artikel 8:22 1 artikelen 25 27 31 van de Faillissementswet In geval van faillissement of surséance van betaling of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen zijn de,envan overeenkomstige toepassing. 2 artikelen 25, tweede lid 27 De, envinden geen toepassing, indien partijen vóór de faillietverklaring zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:23 — Artikel 8:23#
Artikel 8:23 1 Een bestuursorgaan dat een college is, wordt in het geding vertegenwoordigd door een of meer door het bestuursorgaan aangewezen leden. 2 De Kroon wordt in het geding vertegenwoordigd door Onze Minister wie het aangaat onderscheidenlijk door een of meer van Onze Ministers wie het aangaat. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 8:24 — Artikel 8:24#
Artikel 8:24 1 Partijen kunnen zich laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. 2 De bestuursrechter kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen. 3 Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van advocaten. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:25 — Artikel 8:25#
Artikel 8:25 1 De bestuursrechter kan bijstand of vertegenwoordiging door een persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaan, weigeren. 2 De betrokken partij en de in het eerste lid bedoelde persoon worden onverwijld in kennis gesteld van de weigering en de reden daarvoor. 3 Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van advocaten. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:26 — Artikel 8:26#
Artikel 8:26 1 De bestuursrechter kan tot de sluiting van het onderzoek ter zitting ambtshalve, op verzoek van een partij of op hun eigen verzoek, belanghebbenden in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen. 2 Staatscourant Staatscourant Indien de bestuursrechter vermoedt dat er onbekende belanghebbenden zijn, kan hij in dedoen aankondigen dat een zaak bij hem aanhangig is. Naast de aankondiging in dekan ook een ander middel voor de aankondiging worden gebruikt. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:27 — Artikel 8:27#
Artikel 8:27 1 artikel 8:31 Partijen die door de bestuursrechter zijn opgeroepen om in persoon dan wel in persoon of bij gemachtigde te verschijnen, al dan niet voor het geven van inlichtingen, zijn verplicht te verschijnen en de verlangde inlichtingen te geven. Partijen worden hierop gewezen, alsmede op. 2 Indien het een rechtspersoon betreft of een bestuursorgaan dat een college is, kan de bestuursrechter een of meer bepaalde bestuurders onderscheidenlijk een of meer bepaalde leden oproepen. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:28 — Artikel 8:28#
Artikel 8:28 artikel 8:31 Partijen aan wie door de bestuursrechter is verzocht schriftelijk inlichtingen te geven, zijn verplicht de verlangde inlichtingen te geven. Partijen worden hierop gewezen, alsmede op. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:28a — Artikel 8:28a#
Artikel 8:28a 1 artikelen 8:27 8:28 Indien het beroep is ingesteld tegen een bestuurlijke boete is, in afwijking van deen, de partij aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd, niet verplicht omtrent de overtreding verklaringen af te leggen. 2 Voor de bestuursrechter deze partij verhoort, deelt hij haar mede dat zij niet verplicht is tot antwoorden. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:29 — Artikel 8:29#
Artikel 8:29 1 Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken. 2 Wet open overheid Gewichtige redenen zijn voor een bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge dede verplichting zou bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken, in te willigen. 3 De bestuursrechter beslist of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. 4 Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting. 5 Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer. 6 Wet open overheid Inzake een beroep tegen een besluit op grond van deneemt, in zo verre in afwijking van het eerste en derde lid, uitsluitend de bestuursrechter kennis van de stukken waarvan op grond van de Wet open overheid om openbaarmaking of verstrekking is verzocht. De toestemming, bedoeld in het vijfde lid, is van rechtswege verleend. 2021 499 27-10-2021 25-10-2021 33328 2021 499 27-10-2021 25-10-2021 33328 01-05-2022
Artikel 8:30 — Artikel 8:30#
Artikel 8:30 artikel 8:47, eerste lid artikel 8:31 Partijen zijn verplicht mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in. Partijen worden hierop gewezen, alsmede op. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 8:31 — Artikel 8:31#
Artikel 8:31 artikel 8:47, eerste lid Indien een partij niet voldoet aan de verplichting te verschijnen, inlichtingen te geven, stukken over te leggen of mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in, kan de bestuursrechter daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:32 — Artikel 8:32#
Artikel 8:32 1 De bestuursrechter kan, indien de vrees bestaat dat kennisneming van stukken door een partij haar lichamelijke of geestelijke gezondheid zou schaden, bepalen dat deze kennisneming is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat of arts is dan wel daarvoor van de bestuursrechter bijzondere toestemming heeft gekregen. 2 De bestuursrechter kan, indien kennisneming van stukken door een partij de persoonlijke levenssfeer van een ander onevenredig zou schaden, bepalen dat deze kennisneming is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat of arts is dan wel daarvoor van de bestuursrechter bijzondere toestemming heeft gekregen. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:32a — Artikel 8:32a#
Artikel 8:32a De bestuursrechter kan door partijen verschafte gegevens en bescheiden buiten beschouwing laten indien zij op zijn verzoek niet aangeven ter toelichting of staving van welke stelling de gegevens en bescheiden zijn bedoeld en welk onderdeel daartoe van belang is. 2016 288 21-07-2016 13-07-2016 34059 2017 174 04-05-2017 01-05-2017 12-06-2017 De artikelen III en IV van Stb. 2016/288 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:33 — Artikel 8:33#
Artikel 8:33 1 Ieder die door de bestuursrechter als getuige wordt opgeroepen, is verplicht aan de oproeping gevolg te geven en getuigenis af te leggen. 2 In de oproeping worden vermeld de plaats en het tijdstip waarop de getuige zal worden gehoord, de feiten waarop het horen betrekking zal hebben en de gevolgen die zijn verbonden aan het niet verschijnen. 3 artikelen 165, tweede en derde lid 172 173, eerste lid, eerste volzin, tweede en derde lid 174, eerste lid 175 176, eerste en derde lid 177, eerste lid 178 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering De,,,,,,enzijn van overeenkomstige toepassing 4 De bestuursrechter kan bepalen dat getuigen niet zullen worden gehoord dan na het afleggen van de eed of de belofte. Zij leggen in dat geval de eed of de belofte af dat zij zullen zeggen de gehele waarheid en niets dan de waarheid. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:34 — Artikel 8:34#
Artikel 8:34 1 De deskundige die zijn benoeming heeft aanvaard, is verplicht zijn opdracht onpartijdig en naar beste weten te vervullen. 2 Artikel 165, tweede lid, onderdeel b, en derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing. 2001 581 18-12-2001 06-12-2001 27824 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 8:35 — Artikel 8:35#
Artikel 8:35 1 artikelen 172 178 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering De tolk die zijn benoeming heeft aanvaard en die door de bestuursrechter wordt opgeroepen, is verplicht aan de oproeping gevolg te geven en zijn opdracht onpartijdig en naar beste weten te vervullen. Deenzijn van overeenkomstige toepassing. 2 In de oproeping worden vermeld de plaats en het tijdstip waarop de opdracht moet worden vervuld en de gevolgen die zijn verbonden aan het niet verschijnen. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:36 — Artikel 8:36#
Artikel 8:36 1 artikel 8:47, eerste lid Wet tarieven in strafzaken Aan de door de bestuursrechter opgeroepen getuigen, deskundigen en tolken en de deskundigen die een onderzoek als bedoeld in, hebben ingesteld, wordt ten laste van het Rijk een vergoeding toegekend. Het bij en krachtens debepaalde is van overeenkomstige toepassing. 2 Wet tarieven in strafzaken De partij die een getuige of deskundige heeft meegebracht of opgeroepen, dan wel aan wie een verslag van een deskundige is uitgebracht, is aan deze een vergoeding verschuldigd. Het bij en krachtens debepaalde is van overeenkomstige toepassing. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:36a — Artikel 8:36a#
Artikel 8:36a Dit artikel is in werking getreden in verband met de invoering van digitaal procederen. Zie voor de procedures en gerechten waarvoor digitaal procederen geldt het Overzicht gefaseerde inwerkingtreding op www.rijksoverheid.nl/KEI. 1 Beroep wordt langs elektronische weg ingesteld. 2 Artikel 6:9 Partijen en andere betrokkenen dienen ook de overige stukken langs elektronische weg in, tenzij de bestuursrechter anders bepaalt.is van overeenkomstige toepassing. 3 Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op het indienen van verzoeken en het doen van verzet. 4 artikel 7:1a, vijfde of zesde lid Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien een bestuursorgaan een bezwaarschrift doorzendt op grond van. 5 artikel 8:36f, eerste lid Indien niet is voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit het eerste tot en met derde lid of de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in, stelt de bestuursrechter de desbetreffende partij of andere betrokkene in de gelegenheid dit verzuim te herstellen binnen een door hem te bepalen termijn. Maakt de partij of andere betrokkene van deze gelegenheid geen gebruik, dan kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard dan wel kan de bestuursrechter het stuk buiten beschouwing laten. 6 In afwijking van het vijfde lid kan de bestuursrechter bepalen dat de procedure wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor stukkenwisseling op papier. 7 De bestuursrechter betrekt na afloop van de termijn ingediende stukken als bedoeld in het tweede lid bij zijn beslissing indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. 2016 288 21-07-2016 13-07-2016 34059 2020 99 23-03-2020 06-03-2020 15-04-2020 Treedt in werking voor het beroep in cassatie bij de Hoge Raad
waarop afdeling 4 van hoofdstuk V van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen van toepassing of van overeenkomstige toepassing is.
Artikel 8:36b — Artikel 8:36b#
Artikel 8:36b Dit artikel is in werking getreden in verband met de invoering van digitaal procederen. Zie voor de procedures en gerechten waarvoor digitaal procederen geldt het Overzicht gefaseerde inwerkingtreding op www.rijksoverheid.nl/KEI. 1 De verplichting tot procederen langs elektronische weg geldt niet voor natuurlijke personen en voor verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte, tenzij zij worden vertegenwoordigd door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. 2 artikel 8:36a Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere uitzonderingen worden gemaakt op de verplichting tot stukkenwisseling langs elektronische weg bedoeld in. 3 Indien een partij niet verplicht is langs elektronische weg te procederen en niet langs elektronische weg procedeert, dient zij de stukken in op papier. De griffier stelt stukken en mededelingen op papier, of indien deze partij dit wenst langs elektronische weg, aan hem ter beschikking en stelt de door deze partij ingediende stukken ter beschikking van de overige partijen. 2016 288 21-07-2016 13-07-2016 34059 2020 99 23-03-2020 06-03-2020 15-04-2020 Treedt in werking voor het beroep in cassatie bij de Hoge Raad
waarop afdeling 4 van hoofdstuk V van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen van toepassing of van overeenkomstige toepassing is.
Artikel 8:36c — Artikel 8:36c#
Artikel 8:36c Dit artikel is gewijzigd in verband met de invoering van digitaal procederen. Zie voor de procedures en gerechten waarvoor digitaal procederen geldt het Overzicht gefaseerde inwerkingtreding op www.rijksoverheid.nl/KEI. Voor overige gevallen luidt het artikel als volgt: 1 Als tijdstip waarop een bericht door de bestuursrechter langs elektronische weg is ontvangen, geldt het tijdstip waarop het bericht het digitale systeem voor gegevensverwerking van de bestuursrechter heeft bereikt. Na elke indiening langs elektronische weg ontvangt de indiener een ontvangstbevestiging in het digitale systeem voor gegevensverwerking. 2 Als tijdstip waarop een bericht dat door de bestuursrechter is geplaatst in het in het eerste lid genoemde digitale systeem voor gegevensverwerking door de geadresseerde is ontvangen, geldt het tijdstip waarop de bestuursrechter de geadresseerde hierover een kennisgeving heeft verzonden buiten het digitale systeem voor gegevensverwerking. 3 Als tijdstip waarop een bericht dat door een partij of een andere betrokkene bij de procedure is geplaatst in het in het eerste lid genoemde digitale systeem voor gegevensverwerking door de andere partijen en betrokkenen bij de procedure is ontvangen, geldt het tijdstip waarop de bestuursrechter de betrokkenen hierover een kennisgeving heeft verzonden buiten het digitale systeem voor gegevensverwerking. 4 Indien een partij of andere betrokkene bij de procedure afziet van digitale bereikbaarheid buiten het digitale systeem voor gegevensverwerking als bedoeld in het eerste lid, zodat de kennisgeving bedoeld in het tweede en derde lid niet kan worden gezonden, geldt als tijdstip waarop een bericht als bedoeld in deze leden door hem is ontvangen, het tijdstip waarop het bericht voor hem toegankelijk is geworden in het digitale systeem voor gegevensverwerking. 1 Als tijdstip waarop een bericht door de bestuursrechter langs elektronische weg is ontvangen, geldt het tijdstip waarop het bericht het digitale systeem voor gegevensverwerking van de bestuursrechter heeft bereikt. 2 Als tijdstip waarop een bericht dat door de bestuursrechter is geplaatst in het in het eerste lid genoemde digitale systeem voor gegevensverwerking door de geadresseerde is ontvangen, geldt het tijdstip waarop de bestuursrechter de geadresseerde hierover een kennisgeving heeft verzonden buiten het digitale systeem voor gegevensverwerking. 3 Als tijdstip waarop een bericht dat door een partij of een andere betrokkene bij de procedure is geplaatst in het in het eerste lid genoemde digitale systeem voor gegevensverwerking door de andere partijen en betrokkenen bij de procedure is ontvangen, geldt het tijdstip waarop de bestuursrechter de betrokkenen hierover een kennisgeving heeft verzonden buiten het digitale systeem voor gegevensverwerking. 4 Indien een partij of andere betrokkene bij de procedure afziet van digitale bereikbaarheid buiten het digitale systeem voor gegevensverwerking als bedoeld in het eerste lid, zodat de kennisgeving bedoeld in het tweede en derde lid niet kan worden gezonden, geldt als tijdstip waarop een bericht als bedoeld in deze leden door hem is ontvangen, het tijdstip waarop het bericht voor hem toegankelijk is geworden in het digitale systeem voor gegevensverwerking. Artikel 8:36c. 2016 288 21-07-2016 13-07-2016 34059 2020 99 23-03-2020 06-03-2020 15-04-2020 Treedt in werking voor het beroep in cassatie bij de Hoge Raad
waarop afdeling 4 van hoofdstuk V van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen van toepassing of van overeenkomstige toepassing is.
Artikel 8:36d — Artikel 8:36d#
Artikel 8:36d 1 hoofdstukken 6 8 Waar in deenvoor het verkeer met de bestuursrechter ondertekening is voorgeschreven is aan dit vereiste voldaan indien het stuk is ondertekend met een elektronische handtekening die voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen. 2 Een beroepschrift of verzoekschrift dat langs elektronische weg is ingediend in het digitale systeem voor gegevensverwerking van de bestuursrechter, geldt als ondertekend. 2016 288 21-07-2016 13-07-2016 34059 2017 13 30-01-2017 21-12-2016 34413 2017 174 04-05-2017 01-05-2017 12-06-2017 De artikelen III en IV van Stb. 2016/288 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:36e — Artikel 8:36e#
Artikel 8:36e De bestuursrechter kan bepalen dat een door of namens hem gemaakte beeld- of geluidsopname van een zakelijke samenvatting van: artikel 8:61, tweede lid het proces-verbaal bedoeld in deze artikelen, dan wel de aantekening van het verhandelde ter zitting bedoeld in, vervangt. a. artikel 8:44 het geven van inlichtingen bedoeld in, b. artikel 8:45a, tweede lid het maken van mondelinge opmerkingen bedoeld in, c. artikelen 8:50 8:51 het onderzoek ter plaatse bedoeld in deen, en d. artikel 8:61 de zitting bedoeld in, 2016 288 21-07-2016 13-07-2016 34059 2017 174 04-05-2017 01-05-2017 12-06-2017 De artikelen III en IV van Stb. 2016/288 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:36ea — Artikel 8:36ea#
Artikel 8:36ea artikel 8:36a Voor zover de verplichting tot digitaal procederen als bedoeld inniet geldt, kan de bestuursrechter kenbaar maken dat de elektronische weg openstaat voor het instellen van beroep, het aanwenden van andere rechtsmiddelen of het indienen van een ander stuk in het kader van een procedure. 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026
Artikel 8:36f — Artikel 8:36f#
Artikel 8:36f 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het elektronisch verkeer met de bestuursrechter, het digitale systeem voor gegevensverwerking en de verschoonbaarheid van termijnoverschrijdingen wegens verstoring van het digitale systeem voor gegevensverwerking van de rechterlijke instanties of van de toegang tot dit systeem. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van beeld- en geluidsopnamen. 2016 288 21-07-2016 13-07-2016 34059 2017 174 04-05-2017 01-05-2017 12-06-2017 De artikelen III en IV van Stb. 2016/288 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:36g — Artikel 8:36g#
Artikel 8:36g Dit artikel is in werking getreden in verband met de invoering van digitaal procederen. Zie voor de procedures en gerechten waarvoor digitaal procederen geldt het Overzicht gefaseerde inwerkingtreding op www.rijksoverheid.nl/KEI. artikel 8:36b De verzending van berichten door de griffier geschiedt langs elektronische weg, met uitzondering van de berichtgeving aan een partij als bedoeld in, die te kennen heeft gegeven deze op papier te willen ontvangen. 2016 288 21-07-2016 13-07-2016 34059 2020 99 23-03-2020 06-03-2020 15-04-2020 Treedt in werking voor het beroep in cassatie bij de Hoge Raad
waarop afdeling 4 van hoofdstuk V van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen van toepassing of van overeenkomstige toepassing is.
Artikel 8:37 — Artikel 8:37#
Artikel 8:37 1 artikel 8:36a Oproepingen, de uitnodiging om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, de uitnodiging om te verklaren of van het recht ter zitting te worden gehoord gebruik wordt gemaakt, alsmede de verzending van een afschrift van de uitspraak en van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak aan een geadresseerde voor wie de verplichting tot digitaal procederen als bedoeld inniet geldt en die niet digitaal procedeert, geschieden door de griffier bij aangetekende brief, tenzij de bestuursrechter anders bepaalt. 2 Voor het overige geschiedt de verzending van stukken aan geadresseerden als bedoeld in het eerste lid door de griffier bij gewone brief, tenzij de bestuursrechter anders bepaalt. 3 In een brief wordt de datum van verzending vermeld. 2016 288 21-07-2016 13-07-2016 34059 2017 174 04-05-2017 01-05-2017 12-06-2017 De artikelen III en IV van Stb. 2016/288 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:38 — Artikel 8:38#
Artikel 8:38 1 Indien de griffier een bij aangetekende brief verzonden stuk terug ontvangt en hem blijkt dat de geadresseerde op de dag van verzending of uiterlijk een week daarna in de basisregistratie personen stond ingeschreven op het op het stuk vermelde adres, dan verzendt hij het stuk zo spoedig mogelijk bij gewone brief. 2 In de overige gevallen waarin de griffier een bij aangetekende brief verzonden stuk terug ontvangt, verbetert hij, indien mogelijk, het op het stuk vermelde adres en verzendt hij het stuk opnieuw bij aangetekende brief. 2016 288 21-07-2016 13-07-2016 34059 2017 174 04-05-2017 01-05-2017 12-06-2017 De artikelen III en IV van Stb. 2016/288 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:39 — Artikel 8:39#
Artikel 8:39 1 artikelen 8:29 8:32 Wet open overheid De griffier zendt de op de zaak betrekking hebbende stukken zo spoedig mogelijk aan partijen, voor zover de bestuursrechter niet op grond van deofanders heeft beslist of tenzij het de stukken betreft waarvan op grond van deom openbaarmaking of verstrekking is verzocht. 2 De griffier kan de toezending van zeer omvangrijke stukken of van stukken die bezwaarlijk kunnen worden vermenigvuldigd, achterwege laten. Hij stelt partijen daarvan in kennis en vermeldt daarbij dat deze stukken gedurende een door hem te bepalen termijn van ten minste een week ter griffie ter inzage worden gelegd. 3 Wet tarieven in strafzaken Partijen kunnen afschriften van of uittreksels uit de in het tweede lid bedoelde stukken verkrijgen. Met betrekking tot de kosten is het bij en krachtens debepaalde van overeenkomstige toepassing. 2021 499 27-10-2021 25-10-2021 33328 2021 499 27-10-2021 25-10-2021 33328 01-05-2022
Artikel 8:40 — Artikel 8:40#
Artikel 8:40 Indien het beroepschrift is ingediend door twee of meer personen, kan worden volstaan met verzending van de oproeping, de uitnodiging om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, de op de zaak betrekking hebbende stukken en een afschrift van de uitspraak of van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak aan de persoon die als eerste in het beroepschrift is vermeld. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:40a — Artikel 8:40a#
Artikel 8:40a Vervallen 2023 183 07-06-2023 10-05-2023 35261 2024 321 05-11-2024 22-10-2024 01-01-2026
Artikel 8:41 — Artikel 8:41#
Artikel 8:41 1 Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier een griffierecht geheven. 2 Het griffierecht bedraagt: a. Regeling verlaagd griffierecht € 54 indien door een natuurlijke persoon beroep is ingesteld tegen een besluit als omschreven in de bij deze wet behorende, b. € 200 indien door een natuurlijke persoon beroep is ingesteld tegen een ander besluit, c. € 397 indien anders dan door een natuurlijke persoon beroep is ingesteld. 3 Indien het een beroepschrift tegen twee of meer samenhangende besluiten dan wel van twee of meer indieners tegen hetzelfde besluit betreft, is eenmaal griffierecht verschuldigd. Dit griffierecht is gelijk aan het hoogste van de bedragen die bij toepassing van het tweede lid verschuldigd zouden zijn geweest. 4 De griffier deelt de indiener van het beroepschrift mede welk griffierecht is verschuldigd en wijst hem daarbij op het bepaalde in het vijfde en zesde lid. 5 Het griffierecht dient binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie te zijn gestort. 6 Indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. In afwijking van de eerste zin blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege, indien aannemelijk is dat de indiener van het beroepschrift op de datum waarop het bedrag uiterlijk moet zijn bijgeschreven of gestort, in betalingsonmacht verkeert. 7 Indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, vergoedt het bestuursorgaan aan de indiener het door deze betaalde griffierecht. 8 In andere gevallen kan het bestuursorgaan, indien het beroep wordt ingetrokken, het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoeden. 2025 39855 24-11-2025 14-11-2025 6844486 2025 39855 24-11-2025 14-11-2025 6844486 01-01-2026 Artikel IV, eerste lid, van Stcrt. 2025/39855 bevat overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:41a — Artikel 8:41a#
Artikel 8:41a De bestuursrechter beslecht het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:42 — Artikel 8:42#
Artikel 8:42 1 Binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift aan het bestuursorgaan zendt dit de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter en kan het een verweerschrift indienen. Indien de bestuursrechter om een verweerschrift heeft verzocht, dient het bestuursorgaan binnen vier weken een verweerschrift in. 2 De bestuursrechter kan de in het eerste lid bedoelde termijnen verlengen. 2016 288 21-07-2016 13-07-2016 34059 2017 174 04-05-2017 01-05-2017 12-06-2017 De artikelen III en IV van Stb. 2016/288 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:43 — Artikel 8:43#
Artikel 8:43 1 De bestuursrechter kan de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stellen schriftelijk te repliceren. In dat geval wordt het bestuursorgaan in de gelegenheid gesteld schriftelijk te dupliceren. De bestuursrechter stelt de termijnen voor repliek en dupliek vast. 2 De bestuursrechter stelt andere partijen dan de in het eerste lid bedoelde in de gelegenheid om ten minste eenmaal een schriftelijke uiteenzetting over de zaak te geven. Hij stelt hiervoor een termijn vast. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:44 — Artikel 8:44#
Artikel 8:44 1 De bestuursrechter kan partijen oproepen om in persoon dan wel in persoon of bij gemachtigde te verschijnen om te worden gehoord, al dan niet voor het geven van inlichtingen. Indien niet alle partijen worden opgeroepen, worden de niet opgeroepen partijen in de gelegenheid gesteld het horen bij te wonen en een uiteenzetting over de zaak te geven. 2 Van het geven van inlichtingen wordt door de griffier een proces-verbaal opgemaakt. 3 Het wordt door de voorzitter en de griffier ondertekend. Bij verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in het proces-verbaal vermeld. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:45 — Artikel 8:45#
Artikel 8:45 1 De bestuursrechter kan partijen en anderen verzoeken binnen een door hem te bepalen termijn schriftelijk inlichtingen te geven en onder hen berustende stukken in te zenden. 2 Artikel 8:29 Bestuursorganen zijn, ook als zij geen partij zijn, verplicht aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, te voldoen.is van overeenkomstige toepassing. 3 Artikel 8:29 Werkgevers van partijen zijn, ook als zij geen partij zijn, verplicht aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, te voldoen.is van overeenkomstige toepassing. 4 Van het voornemen van de bestuursrechter tot het vragen van inlichtingen of advies aan de Europese Commissie krachtens artikel 15, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PbEG 2003, L 1) wordt aan partijen mededeling gedaan. De bestuursrechter kan partijen in de gelegenheid stellen om hun wensen omtrent de te vragen inlichtingen of het te vragen advies binnen een door hem te bepalen termijn schriftelijk aan hem kenbaar te maken. 5 artikel 8:29 Op het verstrekken van inlichtingen of advies door de Europese Commissie isvan overeenkomstige toepassing. 6 Partijen kunnen binnen vier weken na de dag van verzending aan hen van de inlichtingen of het advies van de Europese Commissie schriftelijk hun zienswijze met betrekking tot de inlichtingen of het advies naar voren brengen. De bestuursrechter kan deze termijn verlengen. 2013 226 28-06-2013 19-06-2013 33455 2013 258 28-06-2013 25-06-2013 01-07-2013
Artikel 8:45a — Artikel 8:45a#
Artikel 8:45a 1 artikel 8:45, vierde lid De Europese Commissie en de Autoriteit Consument en Markt kunnen, niet optredende als partij, schriftelijke opmerkingen maken krachtens artikel 15, derde lid, eerste alinea, van de in, genoemde verordening indien zij de wens daartoe te kennen hebben gegeven. De bestuursrechter kan daarvoor een termijn vaststellen. 2 Artikel 8:44, tweede en derde lid Met toestemming van de bestuursrechter kunnen de Europese Commissie en de Autoriteit Consument en Markt ook mondelinge opmerkingen maken. De bestuursrechter kan de Europese Commissie en de Autoriteit Consument en Markt voor het maken van mondelinge opmerkingen uitnodigen. Partijen worden in de gelegenheid gesteld daarbij aanwezig te zijn., is van overeenkomstige toepassing. 3 De bestuursrechter doet partijen schriftelijk mededeling van de stukken die hij krachtens artikel 15, derde lid, tweede alinea, van de verordening aan de Europese Commissie of de Autoriteit Consument en Markt verstrekt met het oog op de door hen te maken opmerkingen. 4 Partijen kunnen binnen vier weken na de dag van verzending aan hen van de opmerkingen dan wel van het proces-verbaal van de opmerkingen van de Europese Commissie of de Autoriteit Consument en Markt schriftelijk hun zienswijze met betrekking tot de opmerkingen naar voren brengen. De bestuursrechter kan deze termijn verlengen. 2013 102 21-03-2013 28-02-2013 33186 2013 103 21-03-2013 13-03-2013 01-04-2013
Artikel 8:46 — Artikel 8:46#
Artikel 8:46 1 De bestuursrechter kan getuigen oproepen. 2 De bestuursrechter deelt de namen en woonplaatsen van de getuigen, de plaats en het tijdstip waarop dezen zullen worden gehoord en de feiten waarop het horen betrekking zal hebben, ten minste een week tevoren aan partijen mee. 3 artikelen 179, eerste, tweede en derde lid, eerste volzin 180, eerste tot en met derde en vijfde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering De, enzijn van overeenkomstige toepassing. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:47 — Artikel 8:47#
Artikel 8:47 1 De bestuursrechter kan een deskundige benoemen voor het instellen van een onderzoek. 2 Bij de benoeming worden vermeld de opdracht die moet worden vervuld en de termijn, bedoeld in het vierde lid. 3 Van het voornemen tot het benoemen van een deskundige als bedoeld in het eerste lid wordt aan partijen mededeling gedaan. De bestuursrechter kan partijen in de gelegenheid stellen om hun wensen omtrent het onderzoek binnen een door hem te bepalen termijn schriftelijk aan hem kenbaar te maken. 4 De bestuursrechter stelt een termijn binnen welke de deskundige aan hem een schriftelijk verslag van het onderzoek uitbrengt. 5 Partijen kunnen binnen vier weken na de dag van verzending van het verslag aan hen schriftelijk hun zienswijze met betrekking tot het verslag naar voren brengen. 6 De bestuursrechter kan de in het vijfde lid bedoelde termijn verlengen. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:48 — Artikel 8:48#
Artikel 8:48 1 artikel 8:47, eerste lid De arts die voor het instellen van een onderzoek als bedoeld in, een persoon moet onderzoeken, kan de voor het onderzoek van belang zijnde inlichtingen over deze persoon inwinnen bij de behandelend arts of de behandelende artsen, de verzekeringsarts en de adviserend arts van het bestuursorgaan. 2 Zij verstrekken de gevraagde inlichtingen voor zover daardoor de persoonlijke levenssfeer van de betrokken persoon niet onevenredig wordt geschaad. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 8:49 — Artikel 8:49#
Artikel 8:49 De bestuursrechter kan tolken benoemen. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:50 — Artikel 8:50#
Artikel 8:50 1 De bestuursrechter kan een onderzoek ter plaatse instellen. Hij heeft daarbij toegang tot elke plaats voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is. 2 Bestuursorganen verlenen de medewerking die in het belang van het onderzoek is vereist. 3 Van plaats en tijdstip van het onderzoek wordt aan partijen mededeling gedaan. Zij kunnen bij het onderzoek aanwezig zijn. 4 Van het onderzoek wordt door de griffier een proces-verbaal opgemaakt. 5 Het wordt door de voorzitter en de griffier ondertekend. Bij verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in het proces-verbaal vermeld. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:51 — Artikel 8:51#
Artikel 8:51 1 De bestuursrechter kan aan de griffier opdragen een onderzoek ter plaatse in te stellen. Deze heeft daarbij toegang tot elke plaats voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van de hem opgedragen taak nodig is. De bestuursrechter is bevoegd tot het geven van een machtiging tot binnentreden. 2 Artikel 8:50, tweede en derde lid , is van overeenkomstige toepassing. 3 Van het onderzoek wordt door de griffier een proces-verbaal opgemaakt, dat door hem wordt ondertekend. 2014 540 22-12-2014 26-11-2014 33771 2014 541 22-12-2014 15-12-2014 01-01-2015
Artikel 8:51a — Artikel 8:51a#
Artikel 8:51a 1 De bestuursrechter kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De vorige volzin vindt geen toepassing, indien belanghebbenden die niet als partij aan het geding deelnemen daardoor onevenredig kunnen worden benadeeld. 2 De bestuursrechter bepaalt de termijn waarbinnen het bestuursorgaan het gebrek kan herstellen. Hij kan deze termijn verlengen. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:51b — Artikel 8:51b#
Artikel 8:51b 1 Het bestuursorgaan deelt de bestuursrechter zo spoedig mogelijk mede of het gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen of te laten herstellen. 2 Indien het bestuursorgaan overgaat tot herstel van het gebrek, deelt het de bestuursrechter zo spoedig mogelijk schriftelijk mede op welke wijze het gebrek is hersteld. 3 Partijen kunnen binnen vier weken na verzending van de mededeling bedoeld in het tweede lid, schriftelijk hun zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld, naar voren brengen. De bestuursrechter kan deze termijn verlengen. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:51c — Artikel 8:51c#
Artikel 8:51c De bestuursrechter deelt partijen mede op welke wijze het beroep verder wordt behandeld binnen vier weken na: a. ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan dat het geen gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen of te laten herstellen; b. artikel 8:51a, tweede lid het ongebruikt verstrijken van de termijn bedoeld in; c. ontvangst van de zienswijzen; of d. artikel 8:51b, derde lid het ongebruikt verstrijken van de termijn bedoeld in. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:51d — Artikel 8:51d#
Artikel 8:51d artikelen 8:51a, eerste lid, tweede volzin, en tweede lid 8:51b, tweede en derde lid 8:51c, aanhef en onderdelen b tot en met d Indien de bestuursrechter in hoogste aanleg uitspraak doet, kan hij het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De,, en, zijn van toepassing. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:52 — Artikel 8:52#
Artikel 8:52 1 De bestuursrechter kan, indien de zaak spoedeisend is, bepalen dat deze versneld wordt behandeld. 2 In dat geval kan de bestuursrechter: a. artikel 8:41, vijfde lid de in, bedoelde termijn verkorten, b. artikel 8:42, eerste lid de in, bedoelde termijnen verkorten, c. artikel 8:43, tweede lid , geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten, d. artikel 8:47, derde lid , geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten, e. artikel 8:47, vijfde lid de in, bedoelde termijn verkorten, en f. artikel 8:58, eerste lid de in, bedoelde termijn verkorten. 3 Artikel 8:56 Indien de bestuursrechter bepaalt dat de zaak versneld wordt behandeld, bepaalt hij tevens zo spoedig mogelijk het tijdstip waarop de zitting zal plaatsvinden en doet hij daarvan onverwijld mededeling aan partijen.is niet van toepassing. 2016 288 21-07-2016 13-07-2016 34059 2017 174 04-05-2017 01-05-2017 12-06-2017 De artikelen III en IV van Stb. 2016/288 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:53 — Artikel 8:53#
Artikel 8:53 Blijkt aan de bestuursrechter bij de behandeling dat de zaak niet voldoende spoedeisend is om een versnelde behandeling te rechtvaardigen of dat de zaak een gewone behandeling vordert, dan bepaalt hij dat de zaak verder op de gewone wijze wordt behandeld. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:54 — Artikel 8:54#
Artikel 8:54 1 Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat: a. de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is, b. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, c. het beroep kennelijk ongegrond is, of d. het beroep kennelijk gegrond is. 2 artikel 8:55, eerste lid In de uitspraak na toepassing van het eerste lid worden partijen gewezen op. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:54a — Artikel 8:54a#
Artikel 8:54a 1 Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het bestuursorgaan kennelijk ten onrechte heeft ingestemd met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. 2 Artikel 7:10 In dat geval strekt de uitspraak ertoe dat het bestuursorgaan het beroepschrift als bezwaarschrift behandelt.is van overeenkomstige toepassing. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:55 — Artikel 8:55#
Artikel 8:55 1 artikel 8:54, tweede lid Tegen de uitspraak, bedoeld in, kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan verzet doen bij de bestuursrechter. 2 artikelen 6:4, derde lid 6:5 tot en met 6:9 6:11 6:14 6:15 6:17 6:21 De,,,,,enzijn van overeenkomstige toepassing. 3 artikel 8:54, tweede lid Indien bij wet de werking van een uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken of, indien hoger beroep is ingesteld, op het hoger beroep is beslist, wordt de werking van de uitspraak, bedoeld in, op overeenkomstige wijze opgeschort. 4 Alvorens uitspraak te doen op het verzet, stelt de bestuursrechter de indiener van het verzetschrift die daarom heeft gevraagd, in de gelegenheid op een zitting te worden gehoord, tenzij hij van oordeel is dat het verzet gegrond is. In andere gevallen kan de bestuursrechter de indiener in de gelegenheid stellen op een zitting te worden gehoord. 5 De bestuursrechter kan ook de andere partijen in de gelegenheid stellen op de zitting, bedoeld in het vierde lid, te worden gehoord. 6 Indien de uitspraak waartegen verzet is gedaan, is gedaan door een meervoudige kamer, wordt uitspraak op het verzet gedaan door een meervoudige kamer. Van de kamer die uitspraak doet op het verzet maakt geen deel uit degene die zitting heeft gehad in de kamer die de uitspraak heeft gedaan waartegen verzet is gedaan. 7 De uitspraak strekt tot: a. niet-ontvankelijkverklaring van het verzet, b. ongegrondverklaring van het verzet, of c. gegrondverklaring van het verzet. 8 Indien de bestuursrechter het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart, blijft de uitspraak waartegen verzet was gedaan in stand. 9 Indien de bestuursrechter het verzet gegrond verklaart, vervalt de uitspraak waartegen verzet was gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond. 10 Indien de bestuursrechter het verzet gegrond verklaart, kan hij tevens uitspraak doen op het beroep, mits: a. nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, en b. de partijen in de gelegenheid zijn gesteld op een zitting te worden gehoord en daarbij zijn gewezen op de bevoegdheid om tevens uitspraak te doen op het beroep. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:55a — Artikel 8:55a#
Artikel 8:55a Vervallen 2009 383 30-09-2009 28-08-2009 29934 2009 383 30-09-2009 28-08-2009 29934 01-10-2009 2009 383 30-09-2009 28-08-2009 29934 2009 383 30-09-2009 28-08-2009 29934 01-10-2009 2009 384 30-09-2009 18-06-2009 31751
Artikel 8:55b — Artikel 8:55b#
Artikel 8:55b 1 artikel 6:5 artikel 8:54 Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, doet de bestuursrechter binnen acht weken nadat het beroepschrift is ontvangen en aan de vereisten vanis voldaan, uitspraak met toepassing van, tenzij de bestuursrechter een onderzoek ter zitting nodig acht. 2 Indien de bestuursrechter een onderzoek ter zitting nodig acht, deelt hij dit zo spoedig mogelijk aan partijen mede. 3 artikel 8:52 Indien de bestuursrechter een onderzoek ter zitting nodig acht, behandelt hij het beroep zo mogelijk met toepassing van. In dat geval doet de bestuursrechter zo mogelijk binnen dertien weken uitspraak. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:55c — Artikel 8:55c#
Artikel 8:55c afdeling 4.1.3 artikelen 611c 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Indien het beroep gegrond is, stelt de bestuursrechter desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolgeverbeurde dwangsom vast. Deenzijn van overeenkomstige toepassing. 2013 226 28-06-2013 19-06-2013 33455 2013 258 28-06-2013 25-06-2013 01-07-2013
Artikel 8:55d — Artikel 8:55d#
Artikel 8:55d 1 Indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, bepaalt de bestuursrechter dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. 2 artikelen 611c 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering De bestuursrechter verbindt aan zijn uitspraak een nadere dwangsom voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. Deenzijn van overeenkomstige toepassing. 3 In bijzondere gevallen of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. 2013 226 28-06-2013 19-06-2013 33455 2013 258 28-06-2013 25-06-2013 01-07-2013
Artikel 8:55e — Artikel 8:55e#
Artikel 8:55e 1 artikel 8:54 Indien tegen de met toepassing vangedane uitspraak verzet wordt gedaan, beslist de bestuursrechter daarover binnen zes weken. 2 Artikel 8:55, derde lid , is niet van toepassing. 3 Indien het verzet gegrond is, beslist de bestuursrechter zo spoedig mogelijk op het beroep. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:55f — Artikel 8:55f#
Artikel 8:55f 1 Tegen het niet tijdig bekendmaken van een beschikking van rechtswege kan de belanghebbende beroep bij de bestuursrechter instellen. 2 Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:56 — Artikel 8:56#
Artikel 8:56 Na afloop van het vooronderzoek worden partijen ten minste drie weken tevoren uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:57 — Artikel 8:57#
Artikel 8:57 1 De bestuursrechter kan bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft indien geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, binnen een door hem gestelde redelijke termijn heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht. 2 artikel 8:51a Is het beroep reeds ter zitting behandeld, dan kan de bestuursrechter na toepassing vanbepalen dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft indien: a. het bestuursorgaan heeft medegedeeld dat het geen gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen of te laten herstellen; b. artikel 8:51a, tweede lid de termijn als bedoeld in, ongebruikt is verstreken; c. partijen hun zienswijzen over de wijze waarop het gebrek is hersteld, naar voren hebben gebracht; of d. artikel 8:51b, derde lid de termijn als bedoeld in, ongebruikt is verstreken, tenzij partijen daardoor kunnen worden benadeeld. 3 Als de bestuursrechter bepaalt dat het onderzoek of het nadere onderzoek ter zitting achterwege blijft, sluit hij het onderzoek. 2016 288 21-07-2016 13-07-2016 34059 2017 174 04-05-2017 01-05-2017 12-06-2017 De artikelen III en IV van Stb. 2016/288 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:58 — Artikel 8:58#
Artikel 8:58 1 Tot tien dagen voor de zitting kunnen partijen nadere stukken indienen. 2 artikel 8:56 Op deze bevoegdheid worden partijen in de uitnodiging, bedoeld in, gewezen. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 8:59 — Artikel 8:59#
Artikel 8:59 De bestuursrechter kan een partij oproepen om in persoon dan wel in persoon of bij gemachtigde te verschijnen, al dan niet voor het geven van inlichtingen. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:60 — Artikel 8:60#
Artikel 8:60 1 De bestuursrechter kan getuigen oproepen en deskundigen en tolken benoemen. 2 artikelen 172 178 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering De opgeroepen getuige en de deskundige of de tolk die zijn benoeming heeft aanvaard en door de bestuursrechter wordt opgeroepen, zijn verplicht aan de oproeping gevolg te geven. Deenzijn van overeenkomstige toepassing. In de oproeping van de deskundige worden vermeld de opdracht die moet worden vervuld, de plaats en het tijdstip waarop de opdracht moet worden vervuld en de gevolgen die zijn verbonden aan het niet verschijnen. 3 artikel 8:56 Namen en woonplaatsen van de opgeroepen getuigen en deskundigen en de feiten waarop het horen betrekking zal hebben onderscheidenlijk de opdracht die moet worden vervuld, worden bij de uitnodiging, bedoeld in, aan partijen zoveel mogelijk medegedeeld. 4 artikel 8:56 Partijen kunnen getuigen en deskundigen meebrengen of bij aangetekende brief of deurwaardersexploit oproepen, mits daarvan uiterlijk tien dagen voor de dag van de zitting aan de bestuursrechter en aan de andere partijen mededeling is gedaan, met vermelding van namen en woonplaatsen. Op deze bevoegdheid worden partijen in de uitnodiging, bedoeld in, gewezen. 2016 288 21-07-2016 13-07-2016 34059 2017 174 04-05-2017 01-05-2017 12-06-2017 De artikelen III en IV van Stb. 2016/288 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:60a — Artikel 8:60a#
Artikel 8:60a 1 artikel 8:45a, eerste lid De schriftelijke opmerkingen van de Europese Commissie of de Autoriteit Consument en Markt, bedoeld in, kunnen tot tien dagen voor de zitting worden ingediend. 2 Artikel 8:45a, derde lid Indien de Europese Commissie of de Autoriteit Consument en Markt ter zitting verschijnt voor het maken van mondelinge opmerkingen, wordt dit zoveel mogelijk aan partijen meegedeeld bij de uitnodiging voor de zitting., is van overeenkomstige toepassing. 2013 102 21-03-2013 28-02-2013 33186 2013 103 21-03-2013 13-03-2013 01-04-2013
Artikel 8:61 — Artikel 8:61#
Artikel 8:61 1 De voorzitter heeft de leiding van de zitting. 2 De griffier houdt aantekening van het verhandelde ter zitting. 3 De griffier maakt van de zitting een proces-verbaal op: a. indien de bestuursrechter dit ambtshalve of op verzoek van een partij die daarbij belang heeft, bepaalt, of b. op verzoek van de hogerberoepsrechter of de Hoge Raad. 4 Het bevat de namen van de rechter of de rechters die de zaak behandelt onderscheidenlijk behandelen, die van partijen en van hun vertegenwoordigers of gemachtigden die op de zitting zijn verschenen en van degenen die hen hebben bijgestaan, en die van de getuigen, deskundigen en tolken die op de zitting zijn verschenen. 5 Het houdt een vermelding in van hetgeen op de zitting met betrekking tot de zaak is voorgevallen. 6 Het wordt door de voorzitter en de griffier ondertekend. Bij verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in het proces-verbaal vermeld. 7 Aan het proces-verbaal kunnen overgelegde pleitnotities worden gehecht. 8 De bestuursrechter kan bepalen dat de verklaring van een partij, getuige of deskundige geheel in het proces-verbaal zal worden opgenomen. In dat geval wordt de verklaring onverwijld op schrift gesteld en aan de partij, getuige of deskundige voorgelezen. Deze mag daarin wijzigingen aanbrengen, die op schrift worden gesteld en aan de partij, getuige of deskundige worden voorgelezen. De verklaring wordt door de partij, getuige of deskundige ondertekend. Heeft ondertekening niet plaats, dan wordt de reden daarvan in het proces-verbaal vermeld. 9 artikel 8:36e Nadat de bestuursrechter toepassing heeft gegeven aan, kan de hogerberoepsrechter of de Hoge Raad verzoeken een schriftelijke weergave van de gesproken tekst van de beeld- of geluidsopname op te stellen. 10 De griffier die een proces-verbaal opmaakt stelt dit ter beschikking aan partijen, indien het derde lid, aanhef en onder a, van toepassing is. 2016 288 21-07-2016 13-07-2016 34059 2016 290 21-07-2016 13-07-2016 34212 2017 174 04-05-2017 01-05-2017 12-06-2017 De artikelen III en IV van Stb. 2016/288 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:62 — Artikel 8:62#
Artikel 8:62 1 De zitting is openbaar. 2 De bestuursrechter kan bepalen dat het onderzoek ter zitting geheel of gedeeltelijk zal plaatshebben met gesloten deuren: a. in het belang van de openbare orde of de goede zeden, b. in het belang van de veiligheid van de Staat, c. indien de belangen van minderjarigen of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eisen, of d. indien openbaarheid het belang van een goede rechtspleging ernstig zou schaden. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:63 — Artikel 8:63#
Artikel 8:63 1 artikel 179, tweede en derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Op het horen van getuigen en deskundigen isvan overeenkomstige toepassing. Op het horen van getuigen is artikel 179, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. 2 De bestuursrechter kan afzien van het horen van door een partij meegebrachte of opgeroepen getuigen en deskundigen indien hij van oordeel is dat dit redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. 3 Indien een door een partij opgeroepen getuige of deskundige niet is verschenen, kan de bestuursrechter deze oproepen. In dat geval schorst de bestuursrechter het onderzoek ter zitting. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:64 — Artikel 8:64#
Artikel 8:64 1 De bestuursrechter kan het onderzoek ter zitting schorsen. Hij kan daarbij bepalen dat het vooronderzoek wordt hervat. 2 Indien bij de schorsing geen tijdstip van de nadere zitting is bepaald, bepaalt de bestuursrechter dit zo spoedig mogelijk. De griffier doet zo spoedig mogelijk mededeling aan partijen van het tijdstip van de nadere zitting. 3 In de gevallen waarin schorsing van het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden, wordt de zaak op de nadere zitting hervat in de stand waarin zij zich bevond. 4 De bestuursrechter kan bepalen dat het onderzoek ter zitting opnieuw wordt aangevangen. 5 Artikel 8:57, tweede en derde lid De bestuursrechter kan bepalen dat de nadere zitting achterwege blijft indien geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, binnen een door hem gestelde redelijke termijn heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht., is van toepassing. 2016 288 21-07-2016 13-07-2016 34059 2017 174 04-05-2017 01-05-2017 12-06-2017 De artikelen III en IV van Stb. 2016/288 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:65 — Artikel 8:65#
Artikel 8:65 1 De bestuursrechter sluit het onderzoek ter zitting, wanneer hij van oordeel is dat het is voltooid. 2 Voordat het onderzoek ter zitting wordt gesloten, hebben partijen het recht voor het laatst het woord te voeren. 3 Zodra het onderzoek ter zitting is gesloten, deelt de voorzitter mee wanneer uitspraak zal worden gedaan. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:66 — Artikel 8:66#
Artikel 8:66 1 Tenzij mondeling uitspraak wordt gedaan, doet de bestuursrechter binnen zes weken na de sluiting van het onderzoek schriftelijk uitspraak. 2 In bijzondere omstandigheden kan de bestuursrechter deze termijn met ten hoogste zes weken verlengen. 3 Van deze verlenging wordt aan partijen mededeling gedaan. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:67 — Artikel 8:67#
Artikel 8:67 1 De bestuursrechter kan na de sluiting van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak doen. De uitspraak kan voor ten hoogste een week worden verdaagd onder aanzegging aan partijen van het tijdstip van de uitspraak. 2 De mondelinge uitspraak bestaat uit de beslissing en de gronden van de beslissing. 3 Van de mondelinge uitspraak wordt door de griffier een proces-verbaal opgemaakt. 4 Het wordt door de voorzitter en de griffier ondertekend. Bij verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in het proces-verbaal vermeld. 5 De bestuursrechter spreekt de beslissing, bedoeld in het tweede lid, in het openbaar uit, in tegenwoordigheid van de griffier. Daarbij wordt vermeld door wie, binnen welke termijn en bij welke bestuursrechter welk rechtsmiddel kan worden aangewend. 6 De mededeling, bedoeld in het vijfde lid, tweede volzin, wordt in het proces-verbaal vermeld. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:68 — Artikel 8:68#
Artikel 8:68 1 Indien de bestuursrechter van oordeel is dat het onderzoek niet volledig is geweest, kan hij het heropenen. De bestuursrechter bepaalt daarbij op welke wijze het onderzoek wordt voortgezet. 2 De griffier doet zo spoedig mogelijk mededeling daarvan aan partijen. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:69 — Artikel 8:69#
Artikel 8:69 1 De bestuursrechter doet uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting. 2 De bestuursrechter vult ambtshalve de rechtsgronden aan. 3 De bestuursrechter kan ambtshalve de feiten aanvullen. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:69a — Artikel 8:69a#
Artikel 8:69a De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:70 — Artikel 8:70#
Artikel 8:70 De uitspraak strekt tot: a. onbevoegdverklaring van de bestuursrechter, b. niet-ontvankelijkverklaring van het beroep, c. ongegrondverklaring van het beroep, of d. gegrondverklaring van het beroep. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:71 — Artikel 8:71#
Artikel 8:71 Voor zover uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld, wordt dit in de uitspraak vermeld. De burgerlijke rechter is aan die beslissing gebonden. 1994 1 06-01-1994 29-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 8:72 — Artikel 8:72#
Artikel 8:72 1 Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, vernietigt hij het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk. 2 De vernietiging van een besluit of een gedeelte van een besluit brengt vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan mee. 3 De bestuursrechter kan bepalen dat: a. de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven, of b. zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan. 4 De bestuursrechter kan, indien toepassing van het derde lid niet mogelijk is, het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij: a. bepalen dat wettelijke voorschriften over de voorbereiding van het nieuwe besluit of de andere handeling geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven; b. het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling. 5 De bestuursrechter kan zo nodig een voorlopige voorziening treffen. Daarbij bepaalt hij het tijdstip waarop de voorlopige voorziening vervalt. 6 artikelen 611a, vierde lid 611b tot en met 611d 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering De bestuursrechter kan bepalen dat, indien of zolang het bestuursorgaan niet voldoet aan een uitspraak, het bestuursorgaan aan een door hem aangewezen partij een in de uitspraak vast te stellen dwangsom verbeurt. De,enzijn van overeenkomstige toepassing. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:72a — Artikel 8:72a#
Artikel 8:72a Indien de bestuursrechter een beschikking tot het opleggen van een bestuurlijke boete vernietigt, neemt hij een beslissing omtrent het opleggen van de boete en bepaalt hij dat zijn uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde beschikking. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:73 — Artikel 8:73#
Artikel 8:73 Vervallen 2013 50 15-02-2013 31-01-2013 32621 2013 162 26-04-2013 22-04-2013 01-07-2013 Artikelen IV en V van Stb. 2013/50 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:73a — Artikel 8:73a#
Artikel 8:73a Vervallen 2013 50 15-02-2013 31-01-2013 32621 2013 162 26-04-2013 22-04-2013 01-07-2013 Artikelen IV en V van Stb. 2013/50 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:74 — Artikel 8:74#
Artikel 8:74 1 Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, houdt de uitspraak tevens in dat aan de indiener van het beroepschrift het door hem betaalde griffierecht wordt vergoed door het bestuursorgaan. 2 In de overige gevallen kan de uitspraak inhouden dat het betaalde griffierecht door het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk wordt vergoed. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:75 — Artikel 8:75#
Artikel 8:75 1 artikelen 7:15, tweede tot en met vierde lid 7:28, tweede, vierde en vijfde lid De bestuursrechter is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De, en, zijn van toepassing. Een natuurlijke persoon kan slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. 2 Wet op de rechtsbijstand In geval van een veroordeling in de kosten ten behoeve van een partij aan wie ter zake van het beroep bij de bestuursrechter, het bezwaar of het administratief beroep een toevoeging is verleend krachtens de, wordt het bedrag van de kosten betaald aan de rechtsbijstandverlener. De rechtsbijstandverlener stelt de belanghebbende zoveel mogelijk schadeloos voor de door deze voldane eigen bijdrage. De rechtsbijstandverlener doet aan de Raad voor rechtsbijstand opgave van een kostenvergoeding door het bestuursorgaan. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:75a — Artikel 8:75a#
Artikel 8:75a 1 artikel 8:75 In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing vanin de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. 2 De bestuursrechter stelt de verzoeker zo nodig in de gelegenheid het verzoek schriftelijk toe te lichten en stelt het bestuursorgaan in de gelegenheid een verweerschrift in te dienen. Hij stelt hiervoor termijnen vast. Indien het verzoek mondeling wordt gedaan, kan de bestuursrechter bepalen dat het toelichten van het verzoek en het voeren van verweer onmiddellijk mondeling geschieden. 3 afdelingen 8.2.4 8.2.5 Indien het toelichten van het verzoek en het voeren van verweer mondeling zijn geschied, sluit de bestuursrechter het onderzoek. In de overige gevallen zijn deenvan overeenkomstige toepassing. 2013 50 15-02-2013 31-01-2013 32621 2013 162 26-04-2013 22-04-2013 01-07-2013 Artikelen IV en V van Stb. 2013/50 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:76 — Artikel 8:76#
Artikel 8:76 artikel 8:74 8:75 8:75a 8:82, vierde lid 8:87, derde lid 8:95 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Voor zover een uitspraak strekt tot vergoeding van griffierecht, proceskosten of schade als bedoeld in,,,,, oflevert zij een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van hetkan worden tenuitvoergelegd. 2013 50 15-02-2013 31-01-2013 32621 2013 162 26-04-2013 22-04-2013 01-07-2013 Artikelen IV en V van Stb. 2013/50 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:77 — Artikel 8:77#
Artikel 8:77 1 De schriftelijke uitspraak vermeldt: a. de namen van partijen en van hun vertegenwoordigers of gemachtigden, b. de gronden van de beslissing, c. de beslissing, d. de naam van de rechter of de namen van de rechters die de zaak heeft onderscheidenlijk hebben behandeld, e. de dag waarop de beslissing is uitgesproken, en f. door wie, binnen welke termijn en bij welke bestuursrechter welk rechtsmiddel kan worden aangewend. 2 Indien de uitspraak strekt tot gegrondverklaring van het beroep, wordt in de uitspraak vermeld welke geschreven of ongeschreven rechtsregel of welk algemeen rechtsbeginsel geschonden wordt geoordeeld. 3 De uitspraak wordt ondertekend door de voorzitter en de griffier. Bij verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in de uitspraak vermeld. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:78 — Artikel 8:78#
Artikel 8:78 De uitspraak geschiedt in het openbaar. 2016 288 21-07-2016 13-07-2016 34059 2017 174 04-05-2017 01-05-2017 12-06-2017 De artikelen III en IV van Stb. 2016/288 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:79 — Artikel 8:79#
Artikel 8:79 1 Binnen twee weken na de dagtekening van de uitspraak stelt de griffier kosteloos een afschrift van de uitspraak of van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ter beschikking van partijen. 2 Wet tarieven in strafzaken Anderen dan partijen kunnen afschriften of uittreksels van de uitspraak of van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak verkrijgen. Met betrekking tot de kosten is het bij en krachtens debepaalde van overeenkomstige toepassing. 3 artikel 8:45, vierde lid In afwijking van het tweede lid verstrekt de griffier, indien de uitspraak betrekking heeft op de toepassing van de artikelen 101 of 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, overeenkomstig artikel 15, tweede lid, van de in, genoemde verordening onverwijld en kosteloos een afschrift van de uitspraak of van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak aan de Europese Commissie. De verstrekking geschiedt door tussenkomst van de Raad voor de rechtspraak, tenzij het een uitspraak van de Hoge Raad of van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State betreft. 2016 288 21-07-2016 13-07-2016 34059 2017 174 04-05-2017 01-05-2017 12-06-2017 De artikelen III en IV van Stb. 2016/288 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:80 — Artikel 8:80#
Artikel 8:80 1 Indien de bestuursrechter een besluit dat niet tot een of meer belanghebbenden is gericht, geheel of gedeeltelijk vernietigt, doet het bevoegde bestuursorgaan mededeling van de uitspraak op de voor de bekendmaking van dat besluit voorgeschreven wijze. 2 artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b Het eerste lid is eveneens van toepassing indien de bestuursrechter een ander besluit geheel of gedeeltelijk vernietigt en hij daarbij toepassing geeft aan. 2020 262 17-07-2020 01-07-2020 35218 2021 176 09-04-2021 01-04-2021 01-07-2021
Artikel 8:80a — Artikel 8:80a#
Artikel 8:80a 1 artikel 8:51a Als de bestuursrechtertoepast, doet hij een tussenuitspraak. 2 De tussenuitspraak vermeldt zoveel mogelijk op welke wijze het gebrek kan worden hersteld. 3 artikelen 8:72, vierde lid, tweede volzin, aanhef en onder a 8:77 8:78 8:79 8:119 De,,,enzijn van overeenkomstige toepassing. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:80b — Artikel 8:80b#
Artikel 8:80b 1 De bestuursrechter kan de tussenuitspraak ook doen voordat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen. 2 Artikel 8:67, tweede tot en met vijfde lid De bestuursrechter kan de tussenuitspraak ook mondeling doen., is van overeenkomstige toepassing. 3 De bestuursrechter kan zo nodig een voorlopige voorziening treffen. In dat geval bepaalt hij wanneer de voorlopige voorziening vervalt. 4 De voorlopige voorziening als bedoeld in het derde lid, vervalt in ieder geval zodra: a. het beroep is ingetrokken; of b. artikel 8:66, eerste lid de bestuursrechter uitspraak als bedoeld in, heeft gedaan, tenzij bij die uitspraak een ander tijdstip is bepaald. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:81 — Artikel 8:81#
Artikel 8:81 1 Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2 Indien bij de bestuursrechter beroep is ingesteld, kan een verzoek om voorlopige voorziening worden gedaan door een partij in de hoofdzaak. 3 Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan een verzoek om voorlopige voorziening worden gedaan door de indiener van het bezwaarschrift, onderscheidenlijk door de indiener van het beroepschrift of door de belanghebbende die geen recht heeft tot het instellen van administratief beroep. 4 artikelen 6:4, derde lid 6:5 6:6 6:14 6:15 6:17 6:19 6:21 De,,,,,,enzijn van overeenkomstige toepassing. De indiener van het verzoekschrift die bezwaar heeft gemaakt dan wel beroep heeft ingesteld, legt daarbij een afschrift van het bezwaar- of beroepschrift over. 5 Indien een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan nadat bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld en op dit bezwaar of beroep wordt beslist voordat de zitting heeft plaatsgevonden, wordt de verzoeker in de gelegenheid gesteld beroep bij de bestuursrechter in te stellen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de bestuursrechter. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:82 — Artikel 8:82#
Artikel 8:82 1 Van de verzoeker wordt door de griffier een griffierecht geheven. 2 Het griffierecht is gelijk aan het griffierecht dat de verzoeker ten tijde van de indiening van het verzoek voor de hoofdzaak verschuldigd is of zou zijn. 3 Artikel 8:41, derde tot en met zesde lid , is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn voor de bijschrijving of storting van het griffierecht twee weken bedraagt. De voorzieningenrechter kan een kortere termijn stellen. 4 De griffier betaalt het griffierecht terug indien het verzoek wordt ingetrokken: a. omdat het bestuursorgaan aan de voorzieningenrechter schriftelijk heeft medegedeeld de uitvoering van het bestreden besluit tijdens de procedure over de hoofdzaak op te schorten, of b. omdat de belanghebbende tot wie het bestreden besluit is gericht, aan de voorzieningenrechter schriftelijk heeft medegedeeld de gevraagde voorlopige maatregelen te zullen nemen. 5 De uitspraak kan inhouden dat het betaalde griffierecht door het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk wordt vergoed. 6 In andere gevallen kan het bestuursorgaan het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoeden. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:83 — Artikel 8:83#
Artikel 8:83 1 artikelen 8:45, vierde tot en met zesde lid 8:45a Artikel 8:58 artikelen 8:59 8:60 8:60a, tweede lid 8:61 tot en met 8:65 artikel 8:60, vierde lid, eerste volzin Partijen worden zo spoedig mogelijk uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting te verschijnen. Binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn zendt het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken aan hem. De, enzijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de voorzieningenrechter kan bepalen dat de in deze artikelen bedoelde zienswijzen mondeling ter zitting naar voren worden gebracht.is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat tot één dag voor de zitting nadere stukken kunnen worden ingediend. De,,, enzijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat getuigen en deskundigen kunnen worden meegebracht of opgeroepen zonder dat de in, bedoelde mededeling is gedaan. 2 Indien administratief beroep is ingesteld, wordt het beroepsorgaan eveneens uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Het beroepsorgaan wordt in de gelegenheid gesteld ter zitting een uiteenzetting over de zaak te geven. 3 Indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder toepassing van het eerste lid. 4 Indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, kan de voorzieningenrechter ook in andere gevallen uitspraak doen zonder toepassing van het eerste lid. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:84 — Artikel 8:84#
Artikel 8:84 1 De voorzieningenrechter doet zo spoedig mogelijk schriftelijk of mondeling uitspraak. 2 De uitspraak strekt tot: a. onbevoegdverklaring van de voorzieningenrechter, b. niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek, c. afwijzing van het verzoek, of d. gehele of gedeeltelijke toewijzing van het verzoek. 3 De voorzieningenrechter kan aan de gehele of gedeeltelijke toewijzing van het verzoek de voorwaarde verbinden dat de indiener van het verzoekschrift financiële zekerheid stelt ten behoeve van de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort. 4 De griffier zendt onverwijld een afschrift van de uitspraak of van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak kosteloos aan partijen. 5 artikelen 8:67, tweede tot en met vijfde lid 8:68 8:69 8:72, vierde lid, tweede volzin, aanhef en onder b, en zesde lid 8:75 8:75a 8:76 8:77, eerste en derde lid 8:78 artikel 8:79, tweede en derde lid 8:80 De,,,,,,,,,, enzijn van overeenkomstige toepassing. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Abusievelijk is voor het vijfde lid een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is. Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:85 — Artikel 8:85#
Artikel 8:85 1 De voorzieningenrechter kan in zijn uitspraak bepalen wanneer de voorlopige voorziening vervalt. 2 De voorlopige voorziening vervalt in ieder geval zodra: a. de termijn voor het instellen van beroep bij de bestuursrechter tegen het besluit dat op bezwaar of in administratief beroep is genomen, ongebruikt is verstreken, b. het bezwaar of het beroep is ingetrokken, of c. de bestuursrechter uitspraak heeft gedaan. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013
Artikel 8:86 — Artikel 8:86#
Artikel 8:86 1 artikel 8:83, eerste lid Indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de bestuursrechter is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. 2 Indien de bestuursrechter in eerste en hoogste aanleg uitspraak doet, kan het eerste lid slechts worden toegepast indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven. 3 artikel 8:83, eerste lid Partijen worden in de uitnodiging, bedoeld in, gewezen op de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, en indien de bestuursrechter in eerste en hoogste aanleg uitspraak doet, tevens op de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013
Artikel 8:87 — Artikel 8:87#
Artikel 8:87 1 artikel 8:72, vijfde lid De voorzieningenrechter kan, ook ambtshalve, een voorlopige voorziening opheffen of wijzigen, ook als zij is getroffen met toepassing van. 2 artikelen 8:81, tweede, derde en vierde lid 8:82 tot en met 8:86 De, enzijn van overeenkomstige toepassing. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan een verzoek om opheffing of wijziging eveneens worden gedaan door een belanghebbende die door de voorlopige voorziening rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen, door het bestuursorgaan of door het beroepsorgaan. 3 Indien een verzoek om opheffing of wijziging is gedaan door het bestuursorgaan of het beroepsorgaan en het verzoek geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen, kan de uitspraak inhouden dat het betaalde griffierecht door de griffier aan het bestuursorgaan wordt terugbetaald. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013
Artikel 8:88 — Artikel 8:88#
Artikel 8:88 1 De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van: a. een onrechtmatig besluit; b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit; c. het niet tijdig nemen van een besluit; d. artikel 8:2, eerste lid, onder a een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn. 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien het besluit van beroep bij de bestuursrechter is uitgezonderd. 2013 50 15-02-2013 31-01-2013 32621 2013 162 26-04-2013 22-04-2013 01-07-2013 Artikelen IV en V van Stb. 2013/50 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:89 — Artikel 8:89#
Artikel 8:89 1 Indien de schade wordt veroorzaakt door een besluit waarover de Centrale Raad van Beroep of de Hoge Raad in enige of hoogste aanleg oordeelt, is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd. 2 In de overige gevallen is de bestuursrechter bevoegd voor zover de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25 000 bedraagt met inbegrip van de tot aan de dag van het verzoek verschenen rente, en onverminderd het recht van de belanghebbende om op grond van andere wettelijke bepalingen schadevergoeding te vragen. 3 De bestuursrechter is in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, niet bevoegd indien de belanghebbende het verzoek heeft ingediend nadat hij ter zake van de schade een geding bij de burgerlijke rechter aanhangig heeft gemaakt. 4 Zolang het verzoek van de belanghebbende bij de bestuursrechter aanhangig is, verklaart de burgerlijke rechter een vordering tot vergoeding van de schade niet ontvankelijk. 2025 124 14-05-2025 23-04-2025 36638 2025 155 12-06-2025 28-05-2025 01-07-2025
Artikel 8:90 — Artikel 8:90#
Artikel 8:90 1 Het verzoek wordt schriftelijk ingediend bij de bestuursrechter die bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen het besluit. 2 Ten minste acht weken voor het indienen van het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift vraagt de belanghebbende het betrokken bestuursorgaan schriftelijk om vergoeding van de schade, tenzij dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd. 2013 50 15-02-2013 31-01-2013 32621 2013 162 26-04-2013 22-04-2013 01-07-2013 Artikelen IV en V van Stb. 2013/50 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:91 — Artikel 8:91#
Artikel 8:91 1 Indien het verzoek wordt gedaan gedurende het beroep tegen of het hoger beroep omtrent het schadeveroorzakende besluit, wordt het ingediend bij de bestuursrechter waarbij het beroep of het hoger beroep aanhangig is. 2 artikel 8:90, tweede lid In dat geval is, niet van toepassing. 3 Indien het verzoek wordt gedaan in hoger beroep beslist de hogerberoepsrechter op het verzoek, tenzij hij het verzoek naar de rechtbank verwijst omdat het naar zijn oordeel behandeling door de rechtbank behoeft. 2014 540 22-12-2014 26-11-2014 33771 2014 541 22-12-2014 15-12-2014 01-01-2015
Artikel 8:92 — Artikel 8:92#
Artikel 8:92 1 Het verzoekschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de naam en het adres van de verzoeker; b. de dagtekening; c. een aanduiding van de oorzaak van de schade; d. een opgave van de aard van de geleden of de te lijden schade en, voor zover redelijkerwijs mogelijk, het bedrag van de schade en een specificatie daarvan; e. de gronden van het verzoek. 2 artikel 8:90, tweede lid Bij het verzoekschrift worden zo mogelijk een afschrift van het schadeveroorzakende besluit waarop het verzoekschrift betrekking heeft, en van het verzoek, bedoeld in, overgelegd. 3 Artikel 6:5, derde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2013 50 15-02-2013 31-01-2013 32621 2013 162 26-04-2013 22-04-2013 01-07-2013 Artikelen IV en V van Stb. 2013/50 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:93 — Artikel 8:93#
Artikel 8:93 Artikel 310 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing op verzoeken om schadevergoeding op grond van deze titel. De verjaringstermijn vangt evenwel niet eerder aan dan de dag na die waarop: a. de vernietiging van het schadeveroorzakende besluit onherroepelijk is geworden, of b. het bestuursorgaan de onrechtmatigheid van het besluit heeft erkend. 2013 50 15-02-2013 31-01-2013 32621 2013 162 26-04-2013 22-04-2013 01-07-2013 Artikelen IV en V van Stb. 2013/50 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:94 — Artikel 8:94#
Artikel 8:94 1 artikelen 6:6 6:14 6:15 6:17 6:21 6:24 8:8 tot en met 8:28 8:29 tot en met 8:51 8:52 tot en met 8:55 8:56 tot en met 8:69 8:71 8:74 tot en met 8:80 8:81 tot en met 8:87 hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 26 van die wet Op het verzoek en de behandeling daarvan zijn de,,,,,,,,,,,envan overeenkomstige toepassing, met dien verstande datvan overeenkomstige toepassing is indien de schade is veroorzaakt door een besluit als bedoeld in. 2 artikel 8:91 In afwijking van het eerste lid is bij indiening van het verzoek overeenkomstiggeen griffierecht verschuldigd. 2013 50 15-02-2013 31-01-2013 32621 2013 162 26-04-2013 22-04-2013 01-07-2013 Artikelen IV en V van Stb. 2013/50 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:95 — Artikel 8:95#
Artikel 8:95 Indien de bestuursrechter het verzoek geheel of gedeeltelijk toewijst, veroordeelt hij het bestuursorgaan tot vergoeding van schade. 2013 50 15-02-2013 31-01-2013 32621 2013 162 26-04-2013 22-04-2013 01-07-2013 Artikelen IV en V van Stb. 2013/50 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:104 — Artikel 8:104#
Artikel 8:104 1 Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen hoger beroep instellen tegen: a. artikel 8:66, eerste lid artikel 8:67, eerste lid een uitspraak als bedoeld in, of, van de rechtbank, b. artikel 8:86, eerste lid een uitspraak als bedoeld in, van de voorzieningenrechter van de rechtbank, c. artikel 8:88, eerste lid een uitspraak van de rechtbank op een verzoek als bedoeld in. 2 Geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen: a. artikel 8:54, eerste lid een uitspraak van de rechtbank na toepassing van, b. artikel 8:54a, tweede lid een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in, c. artikel 8:55, zevende lid een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in, d. artikel 8:84, eerste lid een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in, e. artikel 8:75a, eerste lid artikel 8:84, vijfde lid een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in, in verband met, en f. artikel 8:87 een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in. 3 Tegelijkertijd met het hoger beroep tegen de in het eerste lid bedoelde uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegen: a. artikel 8:80a een tussenuitspraak als bedoeld in, of b. een andere beslissing van de rechtbank. 4 artikel 8:72, vijfde lid Geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen de voorlopige voorziening, bedoeld in. 2014 540 22-12-2014 26-11-2014 33771 2014 541 22-12-2014 15-12-2014 01-01-2015
Artikel 8:105 — Artikel 8:105#
Artikel 8:105 1 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak Het hoger beroep wordt ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, tenzij een andere hogerberoepsrechter bevoegd is ingevolge hoofdstuk 4 van de bij deze wet behorendedan wel ingevolge een ander wettelijk voorschrift. 2 artikel 8:104, eerste lid, aanhef en onder c Het hoger beroep, bedoeld in, wordt ingesteld bij de hogerberoepsrechter die ingevolge het eerste lid bevoegd is of zou zijn te oordelen over een uitspraak van de rechtbank omtrent het schadeveroorzakende besluit. 2013 50 15-02-2013 31-01-2013 32621 2013 162 26-04-2013 22-04-2013 01-07-2013 Artikelen IV en V van Stb. 2013/50 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:106 — Artikel 8:106#
Artikel 8:106 1 De werking van een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken of, indien hoger beroep is ingesteld, op het hoger beroep is beslist, indien: a. Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak de uitspraak betreft een besluit als bedoeld in artikel 9 van de bij deze wet behorende, of b. tegen de uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld bij een gerechtshof. 2 Het eerste lid geldt niet indien de uitspraak een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit betreft. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:107 — Artikel 8:107#
Artikel 8:107 1 De griffier van de hogerberoepsrechter doet van het ingestelde hoger beroep zo spoedig mogelijk mededeling aan de griffier van de rechtbank die de uitspraak heeft gedaan. 2 De griffier van de rechtbank stelt de gedingstukken met de aantekeningen van de zitting, voor zover deze op de zaak betrekking hebben, en een afschrift van de uitspraak binnen een week na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde mededeling ter beschikking aan de griffier van de hogerberoepsrechter. 3 artikel 8:36e Op verzoek van de hogerberoepsrechter stelt de griffier van de rechtbank het proces-verbaal van de zitting of de schriftelijke weergave van een inbedoelde beeld- of geluidsopname die het proces-verbaal vervangt, ter beschikking aan de griffier van de hogerberoepsrechter binnen een door de hogerberoepsrechter te bepalen termijn. De griffier van de hogerberoepsrechter stelt dit proces-verbaal of deze schriftelijke weergave ter beschikking aan partijen. 2016 288 21-07-2016 13-07-2016 34059 2016 290 21-07-2016 13-07-2016 34212 2017 174 04-05-2017 01-05-2017 12-06-2017 De artikelen III en IV van Stb. 2016/288 bevatten overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:108 — Artikel 8:108#
Artikel 8:108 1 titels 8.1 tot en met 8.3 artikelen 8:1 tot en met 8:10 8:41, tweede lid 8:74 Voor zover in deze titel niet anders is bepaald, zijn op het hoger beroep devan overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de,, en. 2 artikel 8:104, eerste lid, aanhef en onder c afdelingen 8.2.2a 8.2.4a 8.2.7 artikelen 8:28a 8:70 8:72 Op het hoger beroep, bedoeld in, zijn voorts de,enen de,enniet van toepassing. 3 hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Indien hoger beroep kan worden ingesteld bij een gerechtshof, is voortsvan toepassing. 2014 540 22-12-2014 26-11-2014 33771 2014 541 22-12-2014 15-12-2014 01-01-2015
Artikel 8:109 — Artikel 8:109#
Artikel 8:109 1 Het griffierecht voor het hoger beroep bedraagt: a. Regeling verlaagd griffierecht € 147 indien door een natuurlijke persoon hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak omtrent een besluit als omschreven in de bij deze wet behorende, b. € 297 indien door een natuurlijke persoon hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak omtrent een ander besluit, of c. € 596 als anders dan door een natuurlijke persoon hoger beroep is ingesteld. 2 Indien het bestuursorgaan hoger beroep heeft ingesteld en de aangevallen uitspraak in stand blijft, wordt van het bestuursorgaan een griffierecht geheven dat gelijk is aan het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde bedrag. 2025 39855 24-11-2025 14-11-2025 6844486 2025 39855 24-11-2025 14-11-2025 6844486 01-01-2026 Artikel IV, tweede lid, van Stcrt. 2025/39855 bevat overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:110 — Artikel 8:110#
Artikel 8:110 1 Indien hoger beroep is ingesteld, kan degene die ook hoger beroep had kunnen instellen, incidenteel hoger beroep instellen. De voorschriften omtrent het hoger beroep zijn van toepassing, tenzij in deze titel anders is bepaald. 2 Het incidenteel hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken nadat de hogerberoepsrechter de gronden van het hoger beroep aan de desbetreffende partij heeft verzonden. 3 Binnen vier weken nadat de hogerberoepsrechter de gronden van het incidenteel hoger beroep aan partijen heeft verzonden, kunnen deze partijen schriftelijk hun zienswijze omtrent het incidenteel hoger beroep naar voren brengen. 4 afdeling 8.2.3 De hogerberoepsrechter kan de in het tweede en derde lid genoemde termijnen verlengen of, indien hij het hoger beroep behandelt met overeenkomstige toepassing van, verkorten. 5 Voor het incidenteel hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2013 258 28-06-2013 25-06-2013 01-07-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. 2013 226 28-06-2013 19-06-2013 33455 2013 258 28-06-2013 25-06-2013 01-07-2013
Artikel 8:111 — Artikel 8:111#
Artikel 8:111 1 Niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep heeft geen gevolgen voor de ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep, tenzij die niet-ontvankelijkheid het gevolg is van: a. overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep, b. overschrijding van de termijn voor betaling van het griffierecht, of c. de omstandigheid dat degene die het hoger beroep heeft ingesteld daartoe niet gerechtigd was. 2 Intrekking van het hoger beroep na aanvang van de termijn voor het instellen van incidenteel hoger beroep heeft geen gevolgen voor de ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2013 258 28-06-2013 25-06-2013 01-07-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:112 — Artikel 8:112#
Artikel 8:112 1 Incidenteel hoger beroep kan worden ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep gegrond is. 2 Een voorwaardelijk incidenteel hoger beroep vervalt als het hoger beroep niet-ontvankelijk of ongegrond is, dan wel wordt ingetrokken. In het laatste geval deelt de griffier de indiener mee dat zijn hoger beroep is vervallen. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2013 258 28-06-2013 25-06-2013 01-07-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:113 — Artikel 8:113#
Artikel 8:113 1 De hogerberoepsrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank, hetzij met overneming, hetzij met verbetering van de gronden, of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak, hetgeen de rechtbank zou behoren te doen. 2 Indien de uitspraak van de hogerberoepsrechter ertoe strekt dat het bestuursorgaan een nieuw besluit neemt, kan de uitspraak tevens inhouden dat beroep tegen dat besluit slechts kan worden ingesteld bij de hogerberoepsrechter. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:114 — Artikel 8:114#
Artikel 8:114 1 Indien de hogerberoepsrechter de uitspraak van de rechtbank geheel of gedeeltelijk vernietigt, houdt de uitspraak tevens in dat het bestuursorgaan aan de indiener van het beroepschrift het door hem betaalde griffierecht vergoedt, tenzij de hogerberoepsrechter bepaalt dat het griffierecht door de griffier aan de indiener wordt terugbetaald. 2 In andere gevallen kan de uitspraak inhouden dat het bestuursorgaan of de griffier het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:115 — Artikel 8:115#
Artikel 8:115 1 De hogerberoepsrechter wijst de zaak terug naar de rechtbank die deze in eerste aanleg heeft behandeld, indien: a. de rechtbank haar onbevoegdheid of de niet-ontvankelijkheid van het beroep heeft uitgesproken en de hogerberoepsrechter deze uitspraak vernietigt met bevoegdverklaring van de rechtbank, onderscheidenlijk ontvankelijkverklaring van het beroep, of b. de hogerberoepsrechter om andere redenen van oordeel is dat de zaak opnieuw door de rechtbank moet worden behandeld. 2 De griffier zendt de gedingstukken en een afschrift van de uitspraak zo spoedig mogelijk aan de griffier van de rechtbank. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:116 — Artikel 8:116#
Artikel 8:116 artikel 8:115, eerste lid, onderdeel a In de gevallen, bedoeld in, kan de hogerberoepsrechter de zaak zonder terugwijzing afdoen, indien deze naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:117 — Artikel 8:117#
Artikel 8:117 Indien de uitspraak is gedaan door een andere rechtbank dan de bevoegde, kan de hogerberoepsrechter de uitspraak als bevoegdelijk gedaan aanmerken. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:118 — Artikel 8:118#
Artikel 8:118 1 artikel 8:75 In geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan kan het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing vanin de kosten worden veroordeeld. 2 Indien het hoger beroep mondeling wordt ingetrokken, wordt het verzoek door de partij die daarbij aanwezig is mondeling gedaan, tegelijk met de intrekking van het hoger beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, is het verzoek niet-ontvankelijk. 3 artikelen 6:5 tot en met 6:9 6:11 6:14 6:15 6:17 6:21 Indien het hoger beroep schriftelijk wordt ingetrokken, wordt het verzoek schriftelijk gedaan. In dat geval zijn de,,,,envan overeenkomstige toepassing. 4 Artikel 8:75a, tweede en derde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2013 50 15-02-2013 31-01-2013 32621 2013 162 26-04-2013 22-04-2013 01-07-2013 Artikelen IV en V van Stb. 2013/50 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8:119 — Artikel 8:119#
Artikel 8:119 1 De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 2 Hoofdstuk 6, titel 8.1 afdeling 8.1.1 artikel 8:13 titel 8.2 artikel 8:41, tweede lid titel 8.3 titel 8.5 artikel 8:109 , met uitzondering vanen,, met uitzondering van,en, met uitzondering van, zijn voor zover nodig van overeenkomstige toepassing. 3 Het griffierecht is gelijk aan het griffierecht dat ten tijde van de indiening van het verzoek verschuldigd zou zijn geweest voor het beroep of hoger beroep dat heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd. 4 Indien de uitspraak wordt herzien, betaalt de griffier het griffierecht terug. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Voorheen art. 8:88. Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 9:1 — Artikel 9:1#
Artikel 9:1 1 Een ieder heeft het recht om over de wijze waarop een bestuursorgaan zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem of een ander heeft gedragen, een klacht in te dienen bij dat bestuursorgaan. 2 Een gedraging van een persoon, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan, wordt aangemerkt als een gedraging van dat bestuursorgaan. 1999 214 01-06-1999 12-05-1999 25837 2020 193 23-06-2020 29-05-2020 24-06-2020 Treedt tevens in werking voor de beleidsterreinen die worden
bestreken door de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 9:2 — Artikel 9:2#
Artikel 9:2 Het bestuursorgaan draagt zorg voor een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over zijn gedragingen en over gedragingen van bestuursorganen die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam zijn. 1999 214 01-06-1999 12-05-1999 25837 2020 193 23-06-2020 29-05-2020 24-06-2020 Treedt tevens in werking voor de beleidsterreinen die worden
bestreken door de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 9:3 — Artikel 9:3#
Artikel 9:3 Tegen een besluit inzake de behandeling van een klacht over een gedraging van een bestuursorgaan kan geen beroep worden ingesteld. 1999 214 01-06-1999 12-05-1999 25837 2020 193 23-06-2020 29-05-2020 24-06-2020 Treedt tevens in werking voor de beleidsterreinen die worden
bestreken door de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 9:4 — Artikel 9:4#
Artikel 9:4 1 artikelen 9:5 tot en met 9:12 Indien een schriftelijke klacht betrekking heeft op een gedraging jegens de klager en voldoet aan de vereisten van het tweede lid, zijn devan toepassing. 2 Het klaagschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de gedraging waartegen de klacht is gericht. 3 Artikel 6:5, derde lid , is van overeenkomstige toepassing. 1999 214 01-06-1999 12-05-1999 25837 2020 193 23-06-2020 29-05-2020 24-06-2020 Treedt tevens in werking voor de beleidsterreinen die worden
bestreken door de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 9:5 — Artikel 9:5#
Artikel 9:5 Zodra het bestuursorgaan naar tevredenheid van de klager aan diens klacht tegemoet is gekomen, vervalt de verplichting tot het verder toepassen van deze titel. 1999 214 01-06-1999 12-05-1999 25837 2020 193 23-06-2020 29-05-2020 24-06-2020 Treedt tevens in werking voor de beleidsterreinen die worden
bestreken door de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 9:6 — Artikel 9:6#
Artikel 9:6 Het bestuursorgaan bevestigt de ontvangst van het klaagschrift schriftelijk. 1999 214 01-06-1999 12-05-1999 25837 2020 193 23-06-2020 29-05-2020 24-06-2020 Treedt tevens in werking voor de beleidsterreinen die worden
bestreken door de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 9:7 — Artikel 9:7#
Artikel 9:7 1 De behandeling van de klacht geschiedt door een persoon die niet bij de gedraging waarop de klacht betrekking heeft, betrokken is geweest. 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien de klacht betrekking heeft op een gedraging van het bestuursorgaan zelf dan wel de voorzitter of een lid ervan. 1999 214 01-06-1999 12-05-1999 25837 2020 193 23-06-2020 29-05-2020 24-06-2020 Treedt tevens in werking voor de beleidsterreinen die worden
bestreken door de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 9:8 — Artikel 9:8#
Artikel 9:8 1 Het bestuursorgaan is niet verplicht de klacht te behandelen indien zij betrekking heeft op een gedraging: a. artikelen 9:4 waarover reeds eerder een klacht is ingediend die met inachtneming van deen volgende is behandeld; b. die langer dan een jaar voor indiening van de klacht heeft plaatsgevonden; c. waartegen door de klager bezwaar gemaakt had kunnen worden, d. waartegen door de klager beroep kan worden ingesteld, tenzij die gedraging bestaat uit het niet tijdig nemen van een besluit, of beroep kon worden ingesteld; e. die door het instellen van een procedure aan het oordeel van een andere rechterlijke instantie dan een bestuursrechter onderworpen is, dan wel onderworpen is geweest of, f. zolang ter zake daarvan een opsporingsonderzoek op bevel van de officier van justitie of een vervolging gaande is, dan wel indien de gedraging deel uitmaakt van de opsporing of vervolging van een strafbaar feit en ter zake van dat feit een opsporingsonderzoek op bevel van de officier van justitie of een vervolging gaande is. 2 Het bestuursorgaan is niet verplicht de klacht te behandelen indien het belang van de klager dan wel het gewicht van de gedraging kennelijk onvoldoende is. 3 Artikel 9:12, tweede lid Van het niet in behandeling nemen van de klacht wordt de klager zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van het klaagschrift schriftelijk in kennis gesteld., is van overeenkomstige toepassing. 2025 124 14-05-2025 23-04-2025 36638 2025 155 12-06-2025 28-05-2025 01-07-2025
Artikel 9:9 — Artikel 9:9#
Artikel 9:9 Aan degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft, wordt een afschrift van het klaagschrift alsmede van de daarbij meegezonden stukken toegezonden. 1999 214 01-06-1999 12-05-1999 25837 2020 193 23-06-2020 29-05-2020 24-06-2020 Treedt tevens in werking voor de beleidsterreinen die worden
bestreken door de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 9:10 — Artikel 9:10#
Artikel 9:10 1 Het bestuursorgaan stelt de klager en degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft, in de gelegenheid te worden gehoord. 2 Van het horen van de klager kan worden afgezien indien: a. de klacht kennelijk ongegrond is, b. de klager heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord, of c. de klager niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. 3 Van het horen wordt een verslag gemaakt. 1999 214 01-06-1999 12-05-1999 25837 2020 193 23-06-2020 29-05-2020 24-06-2020 Treedt tevens in werking voor de beleidsterreinen die worden
bestreken door de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 9:11 — Artikel 9:11#
Artikel 9:11 1 afdeling 9.1.3 Het bestuursorgaan handelt de klacht af binnen zes weken of – indienvan toepassing is – binnen tien weken na ontvangst van het klaagschrift. 2 Het bestuursorgaan kan de afhandeling voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de klager en aan degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft. 3 Verder uitstel is mogelijk voor zover de klager daarmee schriftelijk instemt. 1999 214 01-06-1999 12-05-1999 25837 2020 193 23-06-2020 29-05-2020 24-06-2020 Treedt tevens in werking voor de beleidsterreinen die worden
bestreken door de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 9:12 — Artikel 9:12#
Artikel 9:12 1 Het bestuursorgaan stelt de klager schriftelijk en gemotiveerd in kennis van de bevindingen van het onderzoek naar de klacht, zijn oordeel daarover alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 2 Bij de kennisgeving wordt vermeld bij welke ombudsman en binnen welke termijn de klager vervolgens een verzoekschrift kan indienen. 1999 214 01-06-1999 12-05-1999 25837 2020 193 23-06-2020 29-05-2020 24-06-2020 Treedt tevens in werking voor de beleidsterreinen die worden
bestreken door de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 9:12a — Artikel 9:12a#
Artikel 9:12a Het bestuursorgaan draagt zorg voor registratie van de bij hem ingediende schriftelijke klachten. De geregistreerde klachten worden jaarlijks gepubliceerd. 1999 214 01-06-1999 12-05-1999 25837 2020 193 23-06-2020 29-05-2020 24-06-2020 Treedt tevens in werking voor de beleidsterreinen die worden
bestreken door de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 9:13 — Artikel 9:13#
Artikel 9:13 afdeling 9.1.2 De in deze afdeling geregelde procedure voor de behandeling van klachten wordt in aanvulling opgevolgd indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald. 1999 214 01-06-1999 12-05-1999 25837 2020 193 23-06-2020 29-05-2020 24-06-2020 Treedt tevens in werking voor de beleidsterreinen die worden
bestreken door de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 9:14 — Artikel 9:14#
Artikel 9:14 1 Bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan wordt een persoon of commissie belast met de behandeling van en de advisering over klachten. 2 Het bestuursorgaan kan de persoon of commissie slechts in het algemeen instructies geven. 1999 214 01-06-1999 12-05-1999 25837 2020 193 23-06-2020 29-05-2020 24-06-2020 Treedt tevens in werking voor de beleidsterreinen die worden
bestreken door de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 9:15 — Artikel 9:15#
Artikel 9:15 1 artikel 9:6 Bij het bericht van ontvangst, bedoeld in, wordt vermeld dat een persoon of commissie over de klacht zal adviseren. 2 artikel 9:14 Het horen geschiedt door de inbedoelde persoon of commissie. Indien een commissie is ingesteld, kan deze het horen opdragen aan de voorzitter of een lid van de commissie. 3 artikel 9:10, tweede lid De persoon of commissie beslist over de toepassing van. 4 De persoon of commissie zendt een rapport van bevindingen, vergezeld van het advies en eventuele aanbevelingen, aan het bestuursorgaan. Het rapport bevat het verslag van het horen. 1999 214 01-06-1999 12-05-1999 25837 2020 193 23-06-2020 29-05-2020 24-06-2020 Treedt tevens in werking voor de beleidsterreinen die worden
bestreken door de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 9:16 — Artikel 9:16#
Artikel 9:16 artikel 9:12 Indien de conclusies van het bestuursorgaan afwijken van het advies, wordt in de conclusies de reden voor die afwijking vermeld en wordt het advies meegezonden met de kennisgeving, bedoeld in. 1999 214 01-06-1999 12-05-1999 25837 2020 193 23-06-2020 29-05-2020 24-06-2020 Treedt tevens in werking voor de beleidsterreinen die worden
bestreken door de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 9:17 — Artikel 9:17#
Artikel 9:17 Onder ombudsman wordt verstaan: a. de Nationale ombudsman, of b. Gemeentewet Provinciewet Waterschapswet Wet gemeenschappelijke regelingen een ombudsman of ombudscommissie ingesteld krachtens de, de, deof de. 2005 71 22-02-2005 03-02-2005 28747 2005 116 08-03-2005 28-02-2005 15-03-2005
Artikel 9:18 — Artikel 9:18#
Artikel 9:18 1 Een ieder heeft het recht de ombudsman schriftelijk te verzoeken een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop een bestuursorgaan zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem of een ander heeft gedragen. 2 Indien het verzoekschrift bij een onbevoegde ombudsman wordt ingediend, wordt het, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan de bevoegde ombudsman, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de verzoeker. 3 artikel 9:22 9:23 9:24 De ombudsman is verplicht aan een verzoek als bedoeld in het eerste lid gevolg te geven, tenzij,ofvan toepassing is. 2005 71 22-02-2005 03-02-2005 28747 2005 116 08-03-2005 28-02-2005 15-03-2005
Artikel 9:19 — Artikel 9:19#
Artikel 9:19 1 Indien naar het oordeel van de ombudsman ten aanzien van de in het verzoekschrift bedoelde gedraging voor de verzoeker de mogelijkheid van bezwaar, beroep of beklag openstaat, wijst hij de verzoeker zo spoedig mogelijk op deze mogelijkheid en draagt hij het verzoekschrift, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, aan de bevoegde instantie over, tenzij de verzoeker kenbaar heeft gemaakt dat het verzoekschrift aan hem moet worden teruggezonden. 2 Artikel 6:15, derde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2005 71 22-02-2005 03-02-2005 28747 2005 116 08-03-2005 28-02-2005 15-03-2005
Artikel 9:20 — Artikel 9:20#
Artikel 9:20 1 Alvorens het verzoek aan een ombudsman te doen, dient de verzoeker over de gedraging een klacht in bij het betrokken bestuursorgaan, tenzij dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd. 2 Het eerste lid geldt niet indien het verzoek betrekking heeft op de wijze van klachtbehandeling door het betrokken bestuursorgaan. 2005 71 22-02-2005 03-02-2005 28747 2005 116 08-03-2005 28-02-2005 15-03-2005
Artikel 9:21 — Artikel 9:21#
Artikel 9:21 hoofdstuk 2 artikel 2:3, eerste lid Op het verkeer met de ombudsman isvan overeenkomstige toepassing, met uitzondering van. 2005 71 22-02-2005 03-02-2005 28747 2005 116 08-03-2005 28-02-2005 15-03-2005
Artikel 9:22 — Artikel 9:22#
Artikel 9:22 De ombudsman is niet bevoegd een onderzoek in te stellen of voort te zetten indien het verzoek betrekking heeft op: a. een aangelegenheid die behoort tot het algemeen regeringsbeleid, daaronder begrepen het algemeen beleid ter handhaving van de rechtsorde, of tot het algemeen beleid van het betrokken bestuursorgaan; b. een algemeen verbindend voorschrift; c. een gedraging waartegen beklag kan worden gedaan of beroep kan worden ingesteld, tenzij die gedraging bestaat uit het niet tijdig nemen van een besluit, of waartegen een beklag- of beroepsprocedure aanhangig is; d. een gedraging ten aanzien waarvan door een bestuursrechter uitspraak is gedaan; e. een gedraging ten aanzien waarvan een procedure bij een andere rechterlijke instantie dan een bestuursrechter aanhangig is, dan wel beroep openstaat tegen een uitspraak die in een zodanige procedure is gedaan; f. een gedraging waarop de rechterlijke macht toeziet. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013
Artikel 9:23 — Artikel 9:23#
Artikel 9:23 De ombudsman is niet verplicht een onderzoek in te stellen of voort te zetten indien: a. artikel 9:28, eerste en tweede lid het verzoekschrift niet voldoet aan de vereisten, bedoeld in; b. het verzoek kennelijk ongegrond is; c. het belang van de verzoeker bij een onderzoek door de ombudsman dan wel het gewicht van de gedraging kennelijk onvoldoende is; d. de verzoeker een ander is dan degene jegens wie de gedraging heeft plaatsgevonden; e. het verzoek betrekking heeft op een gedraging waartegen bezwaar kan worden gemaakt, tenzij die gedraging bestaat uit het niet tijdig nemen van een besluit, of waartegen een bezwaarprocedure aanhangig is; f. het verzoek betrekking heeft op een gedraging waartegen door de verzoeker bezwaar had kunnen worden gemaakt, beroep had kunnen worden ingesteld of beklag had kunnen worden gedaan; g. het verzoek betrekking heeft op een gedraging ten aanzien waarvan door een andere rechterlijke instantie dan een bestuursrechter uitspraak is gedaan; h. artikel 9:20, eerste lid niet is voldaan aan het vereiste van; i. een verzoek, dezelfde gedraging betreffende, bij hem in behandeling is of – behoudens indien een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid bekend is geworden en zulks tot een ander oordeel over de bedoelde gedraging zou hebben kunnen leiden – door hem is afgedaan; j. ten aanzien van een gedraging van het bestuursorgaan die nauw samenhangt met het onderwerp van het verzoekschrift een procedure aanhangig is bij een rechterlijke instantie, dan wel ingevolge bezwaar, administratief beroep of beklag bij een andere instantie; k. het verzoek betrekking heeft op een gedraging die nauw samenhangt met een onderwerp, dat door het instellen van een procedure aan het oordeel van een andere rechterlijke instantie dan een bestuursrechter onderworpen is; l. na tussenkomst van de ombudsman naar diens oordeel alsnog naar behoren aan de grieven van de verzoeker tegemoet is gekomen; m. het verzoek, dezelfde gedraging betreffende, ingevolge een wettelijk geregelde klachtvoorziening bij een onafhankelijke klachtinstantie niet zijnde een ombudsman in behandeling is of daardoor is afgedaan. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013
Artikel 9:24 — Artikel 9:24#
Artikel 9:24 1 Voorts is de ombudsman niet verplicht een onderzoek in te stellen of voort te zetten, indien het verzoek wordt ingediend later dan een jaar: a. na de kennisgeving door het bestuursorgaan van de bevindingen van het onderzoek, of b. nadat de klachtbehandeling door het bestuursorgaan op andere wijze is geëindigd, dan wel ingevolge wettelijk voorschrift beëindigd had moeten zijn. 2 In afwijking van het eerste lid eindigt de termijn een jaar nadat de gedraging heeft plaatsgevonden, indien redelijkerwijs niet van verzoeker kan worden gevergd dat hij eerst een klacht bij het bestuursorgaan indient. Is de gedraging binnen een jaar nadat zij plaatsvond, aan het oordeel van een andere rechterlijke instantie dan een bestuursrechter onderworpen, of is daartegen bezwaar gemaakt, administratief beroep ingesteld dan wel beklag gedaan, dan eindigt de termijn een jaar na de datum waarop: a. in die procedure een uitspraak is gedaan waartegen geen beroep meer openstaat, of b. de procedure op een andere wijze is geëindigd. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013
Artikel 9:25 — Artikel 9:25#
Artikel 9:25 1 artikel 9:22 9:23 9:24 Indien de ombudsman op grond van,ofgeen onderzoek instelt of dit niet voortzet, deelt hij dit onder vermelding van de redenen zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de verzoeker mede. 2 In het geval dat hij een onderzoek niet voortzet, doet hij de in het eerste lid bedoelde mededeling tevens aan het bestuursorgaan en, in voorkomend geval, aan degene op wiens gedraging het onderzoek betrekking heeft. 2005 71 22-02-2005 03-02-2005 28747 2005 116 08-03-2005 28-02-2005 15-03-2005
Artikel 9:26 — Artikel 9:26#
Artikel 9:26 artikel 9:22 Tenzijvan toepassing is, is de ombudsman bevoegd uit eigen beweging een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop een bestuursorgaan zich in een bepaalde aangelegenheid heeft gedragen. 2005 71 22-02-2005 03-02-2005 28747 2005 116 08-03-2005 28-02-2005 15-03-2005
Artikel 9:27 — Artikel 9:27#
Artikel 9:27 1 De ombudsman beoordeelt of het bestuursorgaan zich in de door hem onderzochte aangelegenheid al dan niet behoorlijk heeft gedragen. 2 Indien ten aanzien van de gedraging waarop het onderzoek van de ombudsman betrekking heeft door een rechterlijke instantie uitspraak is gedaan, neemt de ombudsman de rechtsgronden in acht waarop die uitspraak steunt of mede steunt. 3 De ombudsman kan naar aanleiding van het door hem verrichte onderzoek aan het bestuursorgaan aanbevelingen doen. 2005 71 22-02-2005 03-02-2005 28747 2005 116 08-03-2005 28-02-2005 15-03-2005
Artikel 9:28 — Artikel 9:28#
Artikel 9:28 1 Het verzoekschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de naam en het adres van de verzoeker; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de gedraging waartegen het verzoek is gericht, een aanduiding van degene die zich aldus heeft gedragen en een aanduiding van degene jegens wie de gedraging heeft plaatsgevonden, indien deze niet de verzoeker is; d. de gronden van het verzoek; e. de wijze waarop een klacht bij het bestuursorgaan is ingediend, en zo mogelijk de bevindingen van het onderzoek naar de klacht door het bestuursorgaan, zijn oordeel daarover alsmede de eventuele conclusies die het bestuursorgaan hieraan verbonden heeft. 2 Indien het verzoekschrift in een vreemde taal is gesteld en een vertaling voor een goede behandeling van het verzoek noodzakelijk is, draagt de verzoeker zorg voor een vertaling. 3 artikel 2:15 Indien niet is voldaan aan de in dit artikel gestelde vereisten of indien het verzoekschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van, stelt de ombudsman de verzoeker in de gelegenheid het verzuim binnen een door hem daartoe gestelde termijn te herstellen. 2005 71 22-02-2005 03-02-2005 28747 2005 116 08-03-2005 28-02-2005 15-03-2005 2005 71 22-02-2005 03-02-2005 28747 2005 116 08-03-2005 28-02-2005 15-03-2005
Artikel 9:29 — Artikel 9:29#
Artikel 9:29 Aan de behandeling van het verzoek wordt niet meegewerkt door een persoon die betrokken is geweest bij de gedraging waarop het verzoek betrekking heeft. 2005 71 22-02-2005 03-02-2005 28747 2005 116 08-03-2005 28-02-2005 15-03-2005
Artikel 9:30 — Artikel 9:30#
Artikel 9:30 1 De ombudsman stelt het bestuursorgaan, degene op wiens gedraging het verzoek betrekking heeft, en de verzoeker in de gelegenheid hun standpunt toe te lichten. 2 De ombudsman beslist of de toelichting schriftelijk of mondeling en al dan niet in elkaars tegenwoordigheid wordt gegeven. 2005 71 22-02-2005 03-02-2005 28747 2005 116 08-03-2005 28-02-2005 15-03-2005
Artikel 9:31 — Artikel 9:31#
Artikel 9:31 1 Het bestuursorgaan, onder zijn verantwoordelijkheid werkzame personen – ook na het beëindigen van de werkzaamheden –, getuigen alsmede de verzoeker verstrekken de ombudsman de benodigde inlichtingen en verschijnen op een daartoe strekkende uitnodiging voor hem. Gelijke verplichtingen rusten op ieder college, met dien verstande dat het college bepaalt wie van zijn leden aan de verplichtingen zal voldoen, tenzij de ombudsman één of meer bepaalde leden aanwijst. De ombudsman kan betrokkenen die zijn opgeroepen gelasten om in persoon te verschijnen. 2 Inlichtingen die betrekking hebben op het beleid, gevoerd onder de verantwoordelijkheid van een minister of een ander bestuursorgaan, kan de ombudsman bij de daarbij betrokken personen en colleges slechts inwinnen door tussenkomst van de minister onderscheidenlijk dat bestuursorgaan. Het orgaan door tussenkomst waarvan de inlichtingen worden ingewonnen, kan zich bij het horen van de ambtenaren doen vertegenwoordigen. 3 Binnen een door de ombudsman te bepalen termijn worden ten behoeve van een onderzoek de onder het bestuursorgaan, degene op wiens gedraging het verzoek betrekking heeft, en bij anderen berustende stukken aan hem overgelegd nadat hij hierom schriftelijk heeft verzocht. 4 De ingevolge het eerste lid opgeroepen personen onderscheidenlijk degenen die ingevolge het derde lid verplicht zijn stukken over te leggen kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen onderscheidenlijk het overleggen van stukken weigeren of de ombudsman mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken. 5 De ombudsman beslist of de in het vierde lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. 6 Indien de ombudsman heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting. 2005 71 22-02-2005 03-02-2005 28747 2005 116 08-03-2005 28-02-2005 15-03-2005
Artikel 9:32 — Artikel 9:32#
Artikel 9:32 1 De ombudsman kan ten dienste van het onderzoek deskundigen werkzaamheden opdragen. Hij kan voorts in het belang van het onderzoek deskundigen en tolken oproepen. 2 artikel 9:31, tweede tot en met zesde lid Door de ombudsman opgeroepen deskundigen of tolken verschijnen voor hem, en verlenen onpartijdig en naar beste weten hun diensten als zodanig. Op deskundigen, tevens ambtenaren, is, van overeenkomstige toepassing. 3 De ombudsman kan bepalen dat getuigen niet zullen worden gehoord en tolken niet tot de uitoefening van hun taak zullen worden toegelaten dan na het afleggen van de eed of de belofte. Getuigen leggen in dat geval de eed of de belofte af dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen en tolken dat zij hun plichten als tolk met nauwgezetheid zullen vervullen. 2005 71 22-02-2005 03-02-2005 28747 2005 116 08-03-2005 28-02-2005 15-03-2005
Artikel 9:33 — Artikel 9:33#
Artikel 9:33 1 Wet tarieven in strafzaken Aan de door de ombudsman opgeroepen verzoekers, getuigen, deskundigen en tolken wordt een vergoeding toegekend. Deze vergoeding vindt plaats ten laste van de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort op wiens gedraging het verzoek betrekking heeft, indien het een gemeente, provincie, waterschap of gemeenschappelijke regeling betreft. In overige gevallen vindt de vergoeding plaats ten laste van het Rijk. Het bij en krachtens debepaalde is van overeenkomstige toepassing. 2 De in het eerste lid bedoelde personen die in openbare dienst zijn, ontvangen geen vergoeding indien zij zijn opgeroepen in verband met hun taak als zodanig. 2005 71 22-02-2005 03-02-2005 28747 2005 116 08-03-2005 28-02-2005 15-03-2005
Artikel 9:34 — Artikel 9:34#
Artikel 9:34 1 De ombudsman kan een onderzoek ter plaatse instellen. Hij heeft daarbij toegang tot elke plaats, met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is. 2 Bestuursorganen verlenen de medewerking die in het belang van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, is vereist. 3 Van het onderzoek wordt een proces-verbaal gemaakt. 2005 71 22-02-2005 03-02-2005 28747 2005 116 08-03-2005 28-02-2005 15-03-2005
Artikel 9:35 — Artikel 9:35#
Artikel 9:35 1 De ombudsman deelt, alvorens het onderzoek te beëindigen, zijn bevindingen schriftelijk mee aan: a. het betrokken bestuursorgaan; b. degene op wiens gedraging het verzoek betrekking heeft; c. de verzoeker. 2 De ombudsman geeft hun de gelegenheid zich binnen een door hem te stellen termijn omtrent de bevindingen te uiten. 2005 71 22-02-2005 03-02-2005 28747 2005 116 08-03-2005 28-02-2005 15-03-2005
Artikel 9:36 — Artikel 9:36#
Artikel 9:36 1 artikel 5.1 van de Wet open overheid Wanneer een onderzoek is afgesloten, stelt de ombudsman een rapport op, waarin hij zijn bevindingen en zijn oordeel weergeeft. Hij neemt daarbijin acht. 2 Indien naar het oordeel van de ombudsman de gedraging niet behoorlijk is, vermeldt hij in het rapport welk vereiste van behoorlijkheid geschonden is. 3 De ombudsman zendt zijn rapport aan het betrokken bestuursorgaan, alsmede aan de verzoeker en aan degene op wiens gedraging het verzoek betrekking heeft. 4 artikel 9:27, derde lid Indien de ombudsman aan het bestuursorgaan een aanbeveling doet als bedoeld in, deelt het bestuursorgaan binnen een redelijke termijn aan de ombudsman mee op welke wijze aan de aanbeveling gevolg zal worden gegeven. Indien het bestuursorgaan overweegt de aanbeveling niet op te volgen, deelt het dat met redenen omkleed aan de ombudsman mee. 5 Bij de ombudsman berustende informatie over de klacht en het onderzoek die niet opgenomen in het rapport, is niet openbaar. 2021 499 27-10-2021 25-10-2021 33328 2021 499 27-10-2021 25-10-2021 33328 01-05-2022
Artikel 9:36a — Artikel 9:36a#
Artikel 9:36a Wet open overheid artikel 9:18 Voor zover een aan de ombudsman gericht verzoek op grond van debetrekking heeft op door een bestuursorgaan verstrekte informatie ten behoeve van een onderzoek als bedoeld in, zendt de ombudsman het verzoek ter behandeling door aan het bestuursorgaan. 2021 499 27-10-2021 25-10-2021 33328 2021 499 27-10-2021 25-10-2021 33328 01-05-2022
Artikel 10:1 — Artikel 10:1#
Artikel 10:1 Onder mandaat wordt verstaan: de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:2 — Artikel 10:2#
Artikel 10:2 Een door de gemandateerde binnen de grenzen van zijn bevoegdheid genomen besluit geldt als een besluit van de mandaatgever. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:3 — Artikel 10:3#
Artikel 10:3 1 Een bestuursorgaan kan mandaat verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening verzet. 2 Mandaat wordt in ieder geval niet verleend indien het betreft een bevoegdheid: a. tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften, tenzij bij de verlening van die bevoegdheid in mandaatverlening is voorzien; b. tot het nemen van een besluit ten aanzien waarvan is bepaald dat het met versterkte meerderheid moet worden genomen of waarvan de aard van de voorgeschreven besluitvormingsprocedure zich anderszins tegen de mandaatverlening verzet; c. tot het vernietigen van of tot het onthouden van goedkeuring aan een besluit van een ander bestuursorgaan. 3 artikel 7:1a, eerste lid Mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift of op een verzoek als bedoeld in, wordt niet verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen. 4 artikel 5:53 Indienvan toepassing is, wordt mandaat tot het opleggen van een bestuurlijke boete niet verleend aan degene die van de overtreding een rapport of proces-verbaal heeft opgemaakt. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 10:4 — Artikel 10:4#
Artikel 10:4 1 Indien de gemandateerde niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de mandaatgever, behoeft de mandaatverlening de instemming van de gemandateerde en in het voorkomende geval van degene onder wiens verantwoordelijkheid hij werkt. 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien bij wettelijk voorschrift in de bevoegdheid tot de mandaatverlening is voorzien. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:5 — Artikel 10:5#
Artikel 10:5 1 Een bestuursorgaan kan hetzij een algemeen mandaat hetzij een mandaat voor een bepaald geval verlenen. 2 Een algemeen mandaat wordt schriftelijk verleend. Een mandaat voor een bepaald geval wordt in ieder geval schriftelijk verleend indien de gemandateerde niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de mandaatgever. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:6 — Artikel 10:6#
Artikel 10:6 1 De mandaatgever kan de gemandateerde per geval of in het algemeen instructies geven ter zake van de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid. 2 De gemandateerde verschaft de mandaatgever op diens verzoek inlichtingen over de uitoefening van de bevoegdheid. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:7 — Artikel 10:7#
Artikel 10:7 De mandaatgever blijft bevoegd de gemandateerde bevoegdheid uit te oefenen. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:8 — Artikel 10:8#
Artikel 10:8 1 De mandaatgever kan het mandaat te allen tijde intrekken. 2 Een algemeen mandaat wordt schriftelijk ingetrokken. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:9 — Artikel 10:9#
Artikel 10:9 1 De mandaatgever kan toestaan dat ondermandaat wordt verleend. 2 Op ondermandaat zijn de overige artikelen van deze afdeling van overeenkomstige toepassing. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:10 — Artikel 10:10#
Artikel 10:10 Een krachtens mandaat genomen besluit vermeldt namens welk bestuursorgaan het besluit is genomen. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:11 — Artikel 10:11#
Artikel 10:11 1 Een bestuursorgaan kan bepalen dat door hem genomen besluiten namens hem kunnen worden ondertekend, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich hiertegen verzet. 2 In dat geval moet uit het besluit blijken, dat het door het bestuursorgaan zelf is genomen. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:12 — Artikel 10:12#
Artikel 10:12 Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing indien een bestuursorgaan aan een ander, werkzaam onder zijn verantwoordelijkheid, volmacht verleent tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen, of machtiging verleent tot het verrichten van handelingen die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:13 — Artikel 10:13#
Artikel 10:13 Onder delegatie wordt verstaan: het overdragen door een bestuursorgaan van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten aan een ander die deze onder eigen verantwoordelijkheid uitoefent. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:14 — Artikel 10:14#
Artikel 10:14 Delegatie geschiedt niet aan ondergeschikten. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:15 — Artikel 10:15#
Artikel 10:15 Delegatie geschiedt slechts indien in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:16 — Artikel 10:16#
Artikel 10:16 1 Het bestuursorgaan kan ter zake van de uitoefening van de gedelegeerde bevoegdheid uitsluitend beleidsregels geven. 2 Degene aan wie de bevoegdheid is gedelegeerd, verschaft het bestuursorgaan op diens verzoek inlichtingen over de uitoefening van de bevoegdheid. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:17 — Artikel 10:17#
Artikel 10:17 Het bestuursorgaan kan de gedelegeerde bevoegdheid niet meer zelf uitoefenen. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:18 — Artikel 10:18#
Artikel 10:18 Het bestuursorgaan kan het delegatiebesluit te allen tijde intrekken. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:19 — Artikel 10:19#
Artikel 10:19 Een besluit dat op grond van een gedelegeerde bevoegdheid wordt genomen, vermeldt het delegatiebesluit en de vindplaats daarvan. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:20 — Artikel 10:20#
Artikel 10:20 1 artikel 10:16 Op de overdracht door een bestuursorgaan van een bevoegdheid van een ander bestuursorgaan tot het nemen van besluiten aan een derde is deze afdeling, met uitzondering van, van overeenkomstige toepassing. 2 Bij wettelijk voorschrift of bij het besluit tot overdracht kan worden bepaald dat het bestuursorgaan wiens bevoegdheid is overgedragen beleidsregels over de uitoefening van die bevoegdheid kan geven. 3 Degene aan wie de bevoegdheid is overgedragen, verschaft het overdragende en het oorspronkelijk bevoegde bestuursorgaan op hun verzoek inlichtingen over de uitoefening van de bevoegdheid. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:21 — Artikel 10:21#
Artikel 10:21 artikel 10:19 Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing indien een bestuursorgaan zijn bevoegdheid tot het verrichten van andere handelingen dan besluiten overdraagt aan een ander die deze onder eigen verantwoordelijkheid uitoefent, met dien verstande datvan overeenkomstige toepassing is voor zover de aard van de handeling zich daartegen niet verzet. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 10:22 — Artikel 10:22#
Artikel 10:22 1 Indien een bevoegdheid tot het nemen van besluiten bij wettelijk voorschrift is toegedeeld aan een persoon of college, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan, kan dit bestuursorgaan per geval of in het algemeen instructies geven ter zake van de uitoefening van de toegedeelde bevoegdheid. 2 Degene aan wie de bevoegdheid is toegedeeld, verschaft het bestuursorgaan op diens verzoek inlichtingen over de uitoefening van de bevoegdheid. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 10:23 — Artikel 10:23#
Artikel 10:23 Artikel 10:22 is van overeenkomstige toepassing indien bij wettelijk voorschrift een bevoegdheid tot het verrichten van andere handelingen dan besluiten is toegedeeld aan een persoon of college, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan. 2009 264 30-06-2009 25-06-2009 29702 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 De artikelen III en IV van Stb. 2009/264 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 10:25 — Artikel 10:25#
Artikel 10:25 In deze wet wordt verstaan onder goedkeuring: de voor de inwerkingtreding van een besluit van een bestuursorgaan vereiste toestemming van een ander bestuursorgaan. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:26 — Artikel 10:26#
Artikel 10:26 Besluiten kunnen slechts aan goedkeuring worden onderworpen in bij of krachtens de wet bepaalde gevallen. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:27 — Artikel 10:27#
Artikel 10:27 De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of op een grond, neergelegd in de wet waarin of krachtens welke de goedkeuring is voorgeschreven. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:28 — Artikel 10:28#
Artikel 10:28 Aan een besluit waarover een rechter uitspraak heeft gedaan of waarbij een in kracht van gewijsde gegane uitspraak van de rechter wordt uitgevoerd, kan geen goedkeuring worden onthouden op rechtsgronden welke in strijd zijn met die waarop de uitspraak steunt of mede steunt. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:29 — Artikel 10:29#
Artikel 10:29 1 Een besluit kan alleen dan gedeeltelijk worden goedgekeurd, indien gedeeltelijke inwerkingtreding strookt met aard en inhoud van het besluit. 2 De goedkeuring kan noch voor bepaalde tijd of onder voorwaarden worden verleend, noch worden ingetrokken. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:30 — Artikel 10:30#
Artikel 10:30 1 Gedeeltelijke goedkeuring of onthouding van goedkeuring vindt niet plaats dan nadat aan het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen, gelegenheid tot overleg is geboden. 2 De motivering van het goedkeuringsbesluit verwijst naar hetgeen in het overleg aan de orde is gekomen. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:31 — Artikel 10:31#
Artikel 10:31 1 Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, wordt het besluit omtrent goedkeuring binnen dertien weken na de verzending ter goedkeuring bekend gemaakt aan het bestuursorgaan dat het aan goedkeuring onderworpen besluit heeft genomen. 2 Het nemen van het besluit omtrent goedkeuring kan eenmaal voor ten hoogste dertien weken worden verdaagd. 3 artikel 3:5 In afwijking van het tweede lid kan het nemen van het besluit omtrent goedkeuring eenmaal voor ten hoogste zes maanden worden verdaagd indien inzake dat besluit advies van een adviseur als bedoeld inis vereist. 4 paragraaf 4.1.3.3 Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, isvan overeenkomstige toepassing. 2009 503 04-12-2009 12-11-2009 31579 2009 505 04-12-2009 26-11-2009 28-12-2009
Artikel 10:32 — Artikel 10:32#
Artikel 10:32 1 Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing indien voor het nemen van een besluit door een bestuursorgaan de toestemming van een ander bestuursorgaan is vereist. 2 Bij de toestemming kan een termijn worden gesteld waarbinnen het besluit dient te worden genomen. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:33 — Artikel 10:33#
Artikel 10:33 Deze afdeling is van toepassing indien een bestuursorgaan bevoegd is buiten administratief beroep een besluit van een ander bestuursorgaan te vernietigen. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:34 — Artikel 10:34#
Artikel 10:34 De vernietigingsbevoegdheid kan slechts worden verleend bij de wet. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:35 — Artikel 10:35#
Artikel 10:35 Vernietiging kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:36 — Artikel 10:36#
Artikel 10:36 Een besluit kan alleen dan gedeeltelijk worden vernietigd, indien gedeeltelijke instandhouding strookt met aard en inhoud van het besluit. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:37 — Artikel 10:37#
Artikel 10:37 Een besluit waarover de rechter uitspraak heeft gedaan of waarbij een in kracht van gewijsde gegane uitspraak van de rechter wordt uitgevoerd, kan niet worden vernietigd op rechtsgronden welke in strijd zijn met die waarop de uitspraak steunt of mede steunt. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:38 — Artikel 10:38#
Artikel 10:38 1 Een besluit dat nog goedkeuring behoeft, kan niet worden vernietigd. 2 Een besluit waartegen bezwaar of beroep openstaat of aanhangig is, kan niet worden vernietigd. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:39 — Artikel 10:39#
Artikel 10:39 1 Een besluit tot het verrichten van een privaatrechtelijke rechtshandeling kan niet worden vernietigd, indien dertien weken zijn verstreken nadat het is bekendgemaakt. 2 artikel 10:43 Indien binnen de termijn genoemd in het eerste lid overeenkomstigschorsing heeft plaatsgevonden, blijft vernietiging binnen de duur van de schorsing mogelijk. 3 Indien een besluit als bedoeld in het eerste lid aan goedkeuring is onderworpen, vangt de in het eerste lid genoemde termijn aan nadat het goedkeuringsbesluit is bekendgemaakt. Op het goedkeuringsbesluit zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing. 4 Dit artikel is niet van toepassing indien vernietiging geschiedt wegens strijd met de bij of krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie of het Verdrag betreffende de Europese Unie op Nederland rustende verplichtingen. 2012 245 12-06-2012 24-05-2012 32157 2012 245 12-06-2012 24-05-2012 32157 13-06-2012
Artikel 10:40 — Artikel 10:40#
Artikel 10:40 artikel 10:43 Een besluit dat overeenkomstigis geschorst, kan, nadat de schorsing is geëindigd, niet meer worden vernietigd. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:41 — Artikel 10:41#
Artikel 10:41 1 Vernietiging vindt niet plaats dan nadat aan het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen, gelegenheid tot overleg is geboden. 2 De motivering van het vernietigingsbesluit verwijst naar hetgeen in het overleg aan de orde is gekomen. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:42 — Artikel 10:42#
Artikel 10:42 1 Vernietiging van een besluit strekt zich uit tot alle rechtsgevolgen waarop het was gericht. 2 In het vernietigingsbesluit kan worden bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel of ten dele in stand blijven. 3 Indien een besluit tot het aangaan van een overeenkomst wordt vernietigd, wordt de overeenkomst, zo zij reeds is aangegaan en voor zover bij het vernietigingsbesluit niet anders is bepaald, niet of niet verder uitgevoerd, onverminderd het recht van de wederpartij op schadevergoeding. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:43 — Artikel 10:43#
Artikel 10:43 Hangende het onderzoek of er reden is tot vernietiging over te gaan, kan een besluit door het tot vernietiging bevoegde bestuursorgaan worden geschorst. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 10:44 — Artikel 10:44#
Artikel 10:44 1 Het besluit tot schorsing bepaalt de duur hiervan. 2 De schorsing van een besluit kan eenmaal worden verlengd. 3 De schorsing kan ook na verlenging niet langer duren dan een jaar. 4 Indien bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld tegen het geschorste besluit, duurt de schorsing evenwel voort tot dertien weken nadat op het bezwaar of beroep onherroepelijk is beslist. 5 De schorsing kan worden opgeheven. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht. 1997 510 18-11-1997 06-11-1997 25280 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998
Artikel 10:45 — Artikel 10:45#
Artikel 10:45 artikelen 10:36 10:37 10:38, eerste lid 10:39, eerste en derde lid 10:42, derde lid Op het besluit inzake schorsing zijn de,,,, en, van overeenkomstige toepassing. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 11:1 — Artikel 11:1#
Artikel 11:1 Vervallen 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 11:2 — Artikel 11:2#
Artikel 11:2 1 artikelen 7:15, vierde lid 7:28, vijfde lid 8:75, eerste lid De bedragen, vastgesteld krachtens de,, en, worden jaarlijks met ingang van 1 januari bij regeling van Onze Minister van Justitie en Veiligheid gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft. Daarbij worden de bedragen rekenkundig afgerond op gehele euro’s. 2 De overige bij of krachtens deze wet vastgestelde bedragen kunnen bij regeling van Onze Minister van Justitie en Veiligheid worden gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft. 2025 124 14-05-2025 23-04-2025 36638 2025 155 12-06-2025 28-05-2025 01-07-2025
Artikel 11:3 — Artikel 11:3#
Artikel 11:3 bijlage Bij een wijziging van een bijlage bij deze wet blijft dezoals deze luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van toepassing op het beroep of hoger beroep tegen een besluit dat, onderscheidenlijk een uitspraak die voor dat tijdstip is bekendgemaakt. 2012 682 27-12-2012 20-12-2012 32450 2012 684 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013 Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 11:4 — Artikel 11:4#
Artikel 11:4 Deze wet wordt aangehaald als: Algemene wet bestuursrecht. 1996 333 04-07-1996 20-06-1996 23700 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 de
wijzigingen ook van toepassing zijn op de wetten genoemd in
artikel VI, tweede lid van de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 7:1#
artikel 7:1, eerste lid, onderdeel g
Artikel 8:5#
artikelen 8:5
Artikel 8:6#
8:6
Artikel 8:7#
8:7
Artikel 8:105#
8:105
Artikel 8:106#
8:106
Artikel 8:5#
artikel 8:5
Artikel 1 — Artikel 1 Geen beroep#
Artikel 1 Geen beroep Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan geen beroep worden ingesteld. Archiefwet 1995 : Bekendmakingswet artikel 21 artikel 121 van de Provinciewet :, indien overeenkomstige toepassing is gegeven, voor zover het beroep niet wordt ingesteld door het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur van een waterschap Burgerlijk Wetboek: Energiewet artikelen 6.1, derde lid 6.2, tweede lid : de, en Faillissementswet artikel 285 : Financiële-verhoudingswet artikel 9 : Gemeentewet : Geneesmiddelenwet artikel 17, onderdeel a : Gerechtsdeurwaarderswet artikel 3a, tweede lid : Instellingswet Autoriteit Consument en Markt artikel 12h, eerste lid :, voor zover de aanvraag is afgewezen Invoeringswet Omgevingswet artikel 4.45 : Invorderingswet 1990 artikelen 30 49 62a , met uitzondering van de,en Jeugdwet : Kaderwet zelfstandige bestuursorganen artikel 21a, eerste en tweede lid : Kostenwet invordering rijksbelastingen artikel 7 , met uitzondering van Leegstandwet : Omgevingswet : Participatiewet artikelen 52 81 paragraaf 6.5 : deenen Pensioenwet : de artikelen 150m, tweede lid, 150oa, eerste lid, en 150q, tweede lid, voor zover het beroep niet wordt ingesteld door het pensioenfonds Politiewet 2012 artikelen 18 20 34 35 36, eerste lid 37, eerste lid 39, derde en vijfde lid 52 : de,,,,,,, en Provinciewet : Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (PbEU 2008, L 152): een kennisgeving als bedoeld in artikel 22, vierde lid Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid , met uitzondering van beslissingen ten aanzien van de algemeen secretaris en de medewerkers van het bureau Telecommunicatiewet artikelen 3.5 3.5a 3.5b 3.22 18.9, eerste en tweede lid : de,,,en Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten artikelen 2 4 : deen Tijdelijke wet Groningen : Uitleveringswet Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte artikelen 7, tweede, derde, vijfde, achtste en negende lid 7a, derde lid : de, en Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk bankenafwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2014, L 225): de artikelen 16, 18 en 21, voor zover het betreft een weigering om een besluit te nemen of het niet tijdig nemen van een besluit; Verordening (EU) 2021/23 Verordeningen (EU) nr. 1095/2010 (EU) nr. 648/2012 (EU) nr. 600/2014 (EU) nr. 806/2014 (EU) 2015/2365 Richtlijnen 2002/47/EG 2004/25/EG 2007/36/EG 2014/59 2017/1132 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de,,,en, en de,,,/EU en (EU)(PbEU 2021, L 22): de artikelen 21 tot en met 58, voor zover het betreft een weigering om een besluit te nemen of het niet tijdig nemen van een besluit Waterschapswet artikel 156, eerste lid :, voor zover het betreft de weigering om een vernietiging te bevorderen en het niet tijdig nemen van een besluit tot vernietiging Wegenverkeerswet 1994 artikelen 132c, vijfde lid 132d, tweede lid : de, en Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften Wet bekostiging financieel toezicht 2019 artikelen 6 9 : een besluit omtrent de goedkeuring als bedoeld in deen Wet College voor de rechten van de mens artikelen 14 tot en met 18 , met uitzondering van de Wet gemeenschappelijke regelingen : Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden artikel 108 : Wet luchtvaart : Wet melding collectief ontslag Wet milieubeheer : Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten : Wet op de expertisecentra artikel 123, vierde lid :, zolang de gemeenteraad de aanvulling nog niet heeft bekrachtigd Wet op de rechterlijke organisatie artikelen 46a, eerste lid 62a, eerste lid 100 : de,, en Wet opheffing particuliere banken van leening artikel 2 : Wet op het financieel toezicht : Wet op het primair onderwijs artikel 128, vierde lid :, zolang de gemeenteraad de aanvulling nog niet heeft bekrachtigd Wet publieke gezondheid artikelen 31 35 : deen Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren : Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 artikelen 4, eerste lid 8b, eerste lid 9, eerste lid 16, eerste lid : de,,, en Wet toezicht financiële verslaggeving artikelen 2, eerste lid 3, eerste en tweede lid 4 9 12 30 : de,,,,en Wet van 18 december 2008 tot wijziging van de Wet luchtvaart inzake vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens en de decentralisatie van bevoegdheden voor burgerluchthavens naar het provinciaal bestuur (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens) artikel X (Stb. 2008, 561): Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen artikel 30, tweede lid : Wet verplichte beroepspensioenregeling : de artikelen 145l, tweede lid, 145na, eerste lid, en 145p, tweede lid, voor zover het beroep niet wordt ingesteld door het beroepspensioenfonds Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg artikelen 5:2 13:4 , met uitzondering van deen Wet vervoer gevaarlijke stoffen artikelen 13, eerste lid 14, eerste, tweede en vierde lid : de, en Wet voortgezet onderwijs 2020 artikel 5.23, vierde lid :, zolang de gemeenteraad de aanvulling nog niet heeft bekrachtigd Wet vrachtwagenheffing artikelen 8, tweede lid 9, tweede lid 12, eerste lid : de,, en Wet windenergie op zee artikel 9, eerste lid : Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten artikel 61 , met uitzondering van Zorgverzekeringswet : a. artikel 38 artikel 124 van de Gemeentewet artikel 124a van de Gemeentewet , indien overeenkomstige toepassing is gegeven aanvoor zover het beroep niet wordt ingesteld door het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur van een waterschap, en indien overeenkomstige toepassing is gegeven aanvoor zover het beroep niet wordt ingesteld door gedeputeerde staten b. artikel 38 hoofdstuk XVII van de Gemeentewet , indien overeenkomstige toepassing is gegeven aan, voor zover het betreft de weigering om een besluit tot vernietiging te nemen en het niet tijdig nemen van een besluit tot vernietiging en voor zover het betreft de weigering om een voordracht tot vernietiging te doen a. Boek 1 : 1. artikel 7, eerste en tweede lid 2. titel 14, afdeling 4 b. Boek 2 artikelen 63d, tweede lid 156 266 : de,en, voor zover de aanvraag is toegewezen c. Boek 7 artikel 671a :. a. artikel 49 b. artikel 85, tweede lid , voor zover het betreft de weigering om een besluit tot vernietiging te nemen en het niet tijdig nemen van een besluit tot vernietiging c. artikel 124 , voor zover het beroep niet wordt ingesteld door de raad, het college van burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk de burgemeester d. artikel 124a , voor zover het beroep niet wordt ingesteld door gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning e. artikelen 169, derde lid 180, derde lid 234, tweede lid, onderdeel a de,, en f. artikel 268 , voor zover het betreft de weigering om een besluit tot vernietiging te nemen en het niet tijdig nemen van een besluit tot vernietiging g. artikel 278 , voor zover het betreft de weigering om een voordracht tot vernietiging te doen h. artikelen 278a, vierde lid 281, tweede lid artikel 124 van de Gemeentewet artikel 124a van de Gemeentewet de, en, indien overeenkomstige toepassing is gegeven aanvoor zover het beroep niet wordt ingesteld door de raad, het college van burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk de burgemeester, en indien overeenkomstige toepassing is gegeven aanvoor zover het beroep niet wordt ingesteld door gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning a. artikel 3.5, eerste lid b. artikelen 6.1.5 6.1.6, tweede en derde lid 6.1.12, vijfde lid 6.3.2.1 tot en met 6.3.2.7 6.4.1 de,,,en a. artikel 15, eerste lid , voor zover het betreft een weigering van de vergunning b. artikel 15, zesde lid , voor zover het betreft een afwijzing van het verzoek tot verlenging c. artikel 16, tiende lid, eerste volzin, en elfde lid, eerste volzin a. artikel 2.8 b. artikel 2.13a, eerste lid artikel 2.24 van de Omgevingswet , voor zover het betreft de eerste vaststelling en daarbij toepassing is gegeven aan op grond vangestelde regels over vaststelling van geluidproductieplafonds op basis van de historische geluidproductie, vermeerderd met 1,5 dB c. artikel 2.21, eerste lid artikel 2.21a, eerste lid , in samenhang met, voor zover de geometrische begrenzing van het beperkingengebied niet is beperkt of uitgebreid op grond van artikel 2.21, eerste lid, ten opzichte van de afstand, bedoeld in artikel 2.21a, tweede lid d. artikel 2.36, tweede lid artikel 121 van de Provinciewet , betreffende de toepassing van, voor zover het beroep niet wordt ingesteld door het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur van een waterschap e. artikel 2.39 f. artikel 3.1 g. artikelen 3.4 3.6 tot en met 3.10 3.14 3.15 de,,en, voor zover het niet betreft een daarin opgenomen beschrijving van een activiteit als gevolg waarvan de activiteit is toegestaan h. artikel 4.13a i. artikelen 4.14 tot en met 4.16 de j. artikel 5.16, eerste lid k. artikel 5.44, tweede lid, derde zin l. artikel 5.44b, eerste lid m. artikel 5.47, eerste lid, onder b een voorkeursbeslissing als bedoeld in n. artikel 5.48, derde lid o. artikel 11.3 p. artikel 15.8, derde lid q. artikel 16.77b, onder c r. artikel 22.18 , voor zover het niet betreft een onderdeel van een programma dat voor een locatie de maatregelkeuze bevat a. artikel 49 b. artikel 83, tweede lid , voor zover het betreft de weigering om een besluit tot vernietiging te nemen en het niet tijdig nemen van een besluit tot vernietiging c. artikel 121 , voor zover het beroep niet wordt ingesteld door gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning d. artikelen 167, derde lid 179, derde lid de, en e. artikel 261 , voor zover het betreft de weigering om een besluit tot vernietiging te nemen en het niet tijdig nemen van een besluit tot vernietiging f. artikel 271 , voor zover het betreft de weigering om een voordracht tot vernietiging te doen g. artikelen 271a, vierde lid 274, tweede lid artikel 121 van de Provinciewet de, en, indien overeenkomstige toepassing is gegeven aan, voor zover het beroep niet wordt ingesteld door provinciale staten, gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning a. artikel 13e, eerste lid b. artikel 13g, eerste lid a. artikelen 32b 45a deengelezen in samenhang met artikel 32b, voor zover het beroep niet wordt ingesteld door het bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan b. artikel 32c , voor zover het beroep niet wordt ingesteld door gedeputeerde staten c. artikelen 36, eerste lid 49 artikel 36, eerste lid 50h, eerste lid de,gelezen in samenhang met, en, voor zover het betreft de weigering om een besluit tot vernietiging te nemen en het niet tijdig nemen van een besluit tot vernietiging d. artikelen 39b 49 deengelezen in samenhang met artikel 39b, voor zover het betreft de weigering om een voordracht tot vernietiging te doen e. artikelen 39c, vierde lid 39e, tweede lid artikel 32b artikel 32c artikel 49 deen, indien overeenkomstige toepassing is gegeven aanvoor zover het beroep niet wordt ingesteld door het bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan, en indien overeenkomstige toepassing is gegeven aan, voor zover het beroep niet wordt ingesteld door gedeputeerde staten, engelezen in samenhang met dit onderdeel a. artikel 8.25fa b. artikelen 8.43, eerste lid 8.70, eerste lid 10.15, eerste lid Omgevingswet de,, en, voor zover het betreft een besluit tot wijziging van een luchthavenbesluit die alleen strekt tot aanpassing van dat besluit aan het bepaalde bij of krachtens de a. artikelen 10.3 11a.2, derde lid, onderdelen b en c 11.5 15.51, derde lid de,,, en b. artikel 16.24, eerste lid , met uitzondering van een besluit houdende toewijzing van broeikasgasemissierechten voor een afzonderlijke broeikasgasinstallatie c. artikel 17.15, tweede lid artikel 121 van de Provinciewet , betreffende de toepassing van, voor zover het beroep niet wordt ingesteld door het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur van een waterschap. a. artikel 2, eerste lid , voor zover het betreft de weigering om een aanwijzing te geven b. artikel 3 , voor zover het betreft de weigering om een aanwijzing te geven c. artikel 5 , voor zover het betreft de weigering om een besluit te nemen a. een bindende aanbeveling van een toezichthouder aan de andere toezichthouder b. afdelingen 3A.1.3 3A.1.4 3A.1.5 3A.2.3 3A.2.4 de,,,envoor zover het betreft een weigering om een besluit te nemen of het niet tijdig nemen van een besluit c. artikel 3A:127 d. artikelen 6:1 6:2 deen, voor zover het betreft een weigering om een besluit te nemen of het niet tijdig nemen van een besluit a. hoofdstuk 2 een besluit tot benoeming, plaatsing of aanwijzing als bedoeld in, tenzij het beroep wordt ingesteld door een rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding als zodanig, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden b. hoofdstuk 6A een besluit van de Hoge Raad als bedoeld in c. artikel 46o een vordering als bedoeld in a. artikel 9a b. artikel 18f, eerste lid artikel 18d 18e , in samenhang metof, voor zover een besluit wordt genomen over de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie of de hoogte daarvan
Artikel 8:4#
artikelen 8:4, tweede lid
Artikel 8:6#
8:6
Artikel 2 — Artikel 2 Beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State#
Artikel 2 Beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Archiefwet 1995 artikel 38 :, indien overeenkomstige toepassing is gegeven aan: Bekendmakingswet artikel 21 artikel 121 van de Provinciewet :, indien overeenkomstige toepassing is gegeven, voor zover het beroep wordt ingesteld door het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur van een waterschap Experimentenwet onderwijs artikel 2.1 van de Wet milieubeheer Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331 van de Commissie van 19 december 2018 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10bis van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2019, L 59): voor zover het besluiten betreft van de Nederlandse emissieautoriteit, genoemd in Gemeentewet : Kaderwet dienstplicht artikelen 10, eerste lid 11 13 : de,en Kernenergiewet Kieswet : Mijnbouwwet : Omgevingswet : Participatiewet artikel 76, eerste en tweede lid : Provinciewet : Reconstructiewet concentratiegebieden artikelen 40 tot en met 43 , voor zover het betreft een besluit tot vaststelling, wijziging of uitwerking van het reconstructieplan, alsmede een besluit dat is genomen met toepassing van de Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten artikelen 5 tot en met 10 : de Tijdelijke wet aanwijzing bèta-opleidingen artikel 2, eerste lid : Tijdelijke wet Groningen : artikel 2.1 van de Wet milieubeheer Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2066 van de Commissie van 19 december 2018 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2018, L 334): voor zover het besluiten betreft van de Nederlandse emissieautoriteit, genoemd in artikel 2.1 van de Wet milieubeheer Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2067 van de Commissie van 19 december 2018 inzake de verificatie van gegevens en de accreditatie van verificateurs krachtens Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2018, L 334): voor zover het besluiten betreft van de Nederlandse emissieautoriteit, genoemd in artikel 2.1 van de Wet milieubeheer Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1842 van de Commissie van 31 oktober 2019 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de verdere regelingen voor de aanpassingen van de kosteloze toewijzing van emissierechten als gevolg van veranderingen in het activiteitsniveau betreft (PbEU 2019, L 282): voor zover het besluiten betreft van de Nederlandse emissieautoriteit, genoemd in Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU 2006, L 190) Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2012, L181): artikel 2.1 van de Wet milieubeheer voor zover het besluiten betreft van de Nederlandse emissieautoriteit, genoemd in Uitvoeringswet verordening Europees burgerinitiatief artikel 2, aanhef en onder c : Vreemdelingenwet 2000 artikelen 43 45, vierde lid : deen Waterschapswet : Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels artikel 8, eerste lid afdeling 5.2 van de Omgevingswet :, voor zover het een vergunning betreft voor een tunnel die deel uitmaakt van een projectbesluit als bedoeld in Wet bescherming Antarctica Wet educatie en beroepsonderwijs artikelen 1.4.1 1.4a.1 1.6.1 2.1.2, eerste lid, onderdeel b 2.1.3, tweede lid 2.2.3, eerste en vierde lid 2.5.9 6.1.4 6.1.5 6.1.5a 6.1.5b 6.2.2 6.2.3 6.2.3b 6.3.2 6.3.3 6.4.4 6a.1.2 6a.1.3 11.1 : de,,,,,,,,,,,,,,,,,,en Wet financiering sociale verzekeringen artikel 91 : Wet gemeenschappelijke regelingen : Wet gewetensbezwaren militaire dienst : Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg artikelen 11c, eerste en derde lid 11d, eerste lid : de, en Wet langdurige zorg hoofdstuk 10, § 4 , voor zover het betreft een besluit van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, met uitzondering van Wet luchtvaart artikelen 8.4 8.15 8.25, tweede lid 8.25b 8.25c 8.43, eerste lid 8.64, eerste lid 8.70, eerste en zesde lid 8.77, eerste lid 8a.50a 8a.54 10.15, eerste lid 10.27, eerste lid 10.39 artikel 8:3, eerste lid : de,,,,,,,,,,,,, voor zover het betreft de luchthaven Eindhoven en, ook voor zover het besluit kan worden aangemerkt als algemeen verbindend voorschrift als bedoeld in, van de Algemene wet bestuursrecht. Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 artikel 2.6.8 : Wet milieubeheer , met inbegrip van een besluit dat betrekking heeft op handhaving, doch met uitzondering van: Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten artikelen 2, eerste lid 3 5 : de,en Wet op de expertisecentra : Wet op het financieel toezicht artikelen 6:1 6:2 : deen Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek artikelen 2.9, derde lid 5.8, eerste lid 5.9, eerste en tweede lid 5.16, eerste en derde lid 5.17 5.18 5.19, eerste, tweede en derde lid 5.20, eerste lid 5.26, eerste lid 5.27, eerste en tweede lid 5.29, eerste lid 6.5 6.10 7.64, eerste lid 15.1, eerste lid : de,,,,,,,,,,,,,, en Wet op het primair onderwijs : Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen artikel 9, vijfde lid : Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 artikel 2, eerste lid : Wet toelating zorginstellingen Wet voortgezet onderwijs 2020 : Wet windenergie op zee artikelen 3, eerste lid 11, eerste lid :en Woningwet artikel 19 :, voor zover het betreft de intrekking van een toelating Zorgverzekeringswet artikel 34a : voor zover het betreft een beschikking op grond vanof een besluit van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport of van het Zorginstituut Nederland met uitzondering van een beschikking jegens een persoon die behoort tot het personeel van het Zorginstituut Nederland a. artikel 124 van de Gemeentewet , voor zover het beroep wordt ingesteld door het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur van een waterschap; b. artikel 124a van de Gemeentewet , voor zover het beroep wordt ingesteld door gedeputeerde staten, en c. hoofdstuk XVII van de Gemeentewet a. artikel 85, tweede lid b. artikel 124 , voor zover het beroep wordt ingesteld door de raad, het college van burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk de burgemeester c. artikel 124a , voor zover het beroep wordt ingesteld door gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning d. artikel 125 artikel 20.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer , voor zover het besluit betrekking heeft op de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de in, bedoelde wetten of wettelijke bepalingen e. artikel 268, eerste lid f. artikelen 278a, vierde lid 281, tweede lid artikel 124 van de Gemeentewet artikel 124a van de Gemeentewet de, en, indien overeenkomstige toepassing is gegeven aanvoor zover het beroep wordt ingesteld door de raad, het college van burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk de burgemeester, en indien overeenkomstige toepassing is gegeven aanvoor zover het beroep wordt ingesteld door gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning a. artikelen D 7 G 1 tot en met G 4 I 4 K 8 L 11 M 4 Q 6 S 2 X 4, derde lid X 4a, derde lid X 5, derde lid X 7, vierde lid X 7a, vierde lid X 8, vierde lid de,,,,,,,,,,,, en b. artikel Y 2 artikel D 7 G 1 G 4 I 4 K 8 L 11 M 4 in samenhang met,,,,,of c. artikelen Y 32 Y 33 deen a. afdelingen 5.1.1 5.1.2 5.3 5.4 5.5 een besluit dat van toepassing is op het continentaal plat, met uitzondering van een besluit krachtens de,,,of b. artikel 34 39, eerste lid instemming met een winningsplan krachtens, en instemming met een opslagplan krachtens a. artikel 2.4 b. artikel 2.12a, eerste lid c. artikel 2.13a, eerste lid d. artikel 2.15, tweede lid e. artikel 2.32 , voor zover het betreft de weigering om een ontheffing te verlenen van een regel die is gesteld over een besluit waartegen beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State f. artikelen 2.33 2.34 artikel 16.85 van de Omgevingswet deen, voor zoverniet van toepassing is g. afdeling 5.2 h. afdeling 5.2 een besluit ter uitvoering van een projectbesluit als bedoeld in i. artikel 5.55 een besluit ter uitvoering van een gemeentelijk project van publiek belang waarvoor toepassing is gegeven aan j. artikel 12.7 k. artikel 12.18 l. artikel 16.21 m. artikel 16.72 a. artikel 83, tweede lid b. artikel 121 , voor zover het beroep wordt ingesteld door gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning c. artikel 122 artikel 20.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer , voor zover het besluit betrekking heeft op de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de in, bedoelde wetten of wettelijke bepalingen d. artikel 261, eerste lid e. artikelen 271a, vierde lid 274, tweede lid artikel 121 van de Provinciewet de, en, indien overeenkomstige toepassing is gegeven aan, voor zover het beroep wordt ingesteld door provinciale staten, gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning a. artikel 13i, tweede en zesde lid b. artikel 13j, eerste lid c. artikel 13k, eerste en derde lid a. artikel 5 een besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat inzake de goedkeuring van een besluit als bedoeld in b. artikel 21, eerste lid c. artikel 31, derde lid een besluit van het algemeen bestuur van een waterschap als bedoeld in d. artikel 33, vierde lid een besluit van het algemeen bestuur van een waterschap als bedoeld in e. artikel 61 artikel 20.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer , voor zover het besluit betrekking heeft op de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de in, bedoelde wetten of wettelijke bepalingen f. artikel 156, eerste lid a. artikel 25, achtste lid b. artikelen 32b 45a deengelezen in samenhang met artikel 32b, voor zover het beroep wordt ingesteld door het bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan c. artikel 32c , voor zover het beroep wordt ingesteld door gedeputeerde staten d. artikelen 36, eerste lid 49 50h, eerste lid de,gelezen in samenhang met artikel 36, eerste lid, en e. artikelen 39c, vierde lid 39e, tweede lid artikel 32b artikel 32c artikel 49 deen, indien overeenkomstige toepassing is gegeven aanvoor zover het beroep wordt ingesteld door het bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan, en indien overeenkomstige toepassing is gegeven aan, voor zover het beroep wordt ingesteld door gedeputeerde staten, engelezen in samenhang met dit onderdeel f. artikelen 99, eerste lid 100, eerste lid 103b 103c, eerste lid de,,, en a. hoofdstuk II artikel 4, tweede lid , met uitzondering van b. artikelen 15 16 deen a. artikel 8.40 een besluit dat betrekking heeft op de handhaving van het bepaalde krachtens b. artikel 15.50 c. artikel 17.15, tweede lid artikel 121 van de Provinciewet , indien overeenkomstige toepassing is gegeven aan, voor zover het beroep wordt ingesteld door het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur van een waterschap a. titel IV afdelingen 2 7 : deen, een goedkeuring van rechtswege daaronder begrepen b. artikelen 118 169 deen a. artikel 22, vijfde lid b. titel IV afdelingen 2 8 : deen, een goedkeuring van rechtswege daaronder begrepen c. artikelen 120 190 deen d. artikel 193, tweede lid, tweede volzin , voor zover het betreft een besluit op grond van bepalingen die bij de algemene maatregel van bestuur ingevolge artikel 193, tweede lid, tweede volzin, van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, alsmede een besluit op grond van bepalingen van de algemene maatregel van bestuur die daarmee overeenkomen a. hoofdstukken 4 10 deen b. artikelen 2.95 5.9 5.10 de,en
Artikel 3 — Artikel 3 Beroep bij de Centrale Raad van Beroep#
Artikel 3 Beroep bij de Centrale Raad van Beroep Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Een besluit waarbij de volgende ambtenaren, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden belanghebbende zijn: Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië , voor zover het betreft een besluit op grond van de Algemene oorlogsongevallenregeling Liquidatiewet ongevallenwetten artikel 24, eerste lid : Tijdelijke vergoedingsregeling psychotherapie na-oorlogse generatie Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 a. artikel 1, onderdeel b, van de Wet op de rechterlijke organisatie een rechterlijk ambtenaar als bedoeld inals zodanig b. een lid van de Centrale Raad van Beroep of het College van Beroep voor het bedrijfsleven met rechtspraak belast als zodanig c. een senior-gerechtsauditeur of gerechtsauditeur van de Centrale Raad van Beroep of het College van Beroep voor het bedrijfsleven als zodanig d. een gewezen ambtenaar als bedoeld in onderdeel a, b of c als zodanig
Artikel 4 — Artikel 4 Beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven#
Artikel 4 Beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. artikel 2 van de Wet op de Kamer van Koophandel Een besluit van de Sociaal-Economische Raad of van de Kamer van Koophandel, genoemd in, met uitzondering van: Algemene douanewet : een beschikking ter zake van landbouwrestituties Bankwet 1998 artikel 12, vierde lid :, voor zover het een schorsing of ontheffing van een directeur betreft Burgerlijk Wetboek, Boek 2 , voor zover het besluit is bekendgemaakt voor 1 juli 2011: Energiewet artikel 3.37 3.106, tweede lid 3.108 3.109 3.110 3.112 3.121 artikel 8.3, eerste lid artikelen 3.33, tweede lid, onderdeel e 5.19 5.21 6.1, derde lid 6.2, tweede lid , met inbegrip van een besluit van de Autoriteit Consument en Markt genomen op grond van,,,,,en, voor zover het besluit kan worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift als bedoeld in, van de Algemene wet bestuursrecht, en met uitzondering van een besluit op grond van de,,,, en Gemeentewet artikel 125 Winkeltijdenwet :, voor zover het betreft een besluit dat betrekking heeft op de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de Hamsterwet Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies artikelen 22 23 , met uitzondering van deen Instellingswet Autoriteit Consument en Markt artikel 12w ,, voor zover het betreft de openbaarmaking van een besluit waartegen beroep kan worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven Kaderwet EZK- en LNV-subsidies Landbouwkwaliteitswet Landbouwwet artikelen 13 15 17 tot en met 22 26 : de,,en Loodsenwet artikelen 21, derde lid 27b, vierde lid 27d 27f 27h 27l : de,,,,en Marktverordening voor het wegvervoer Meststoffenwet artikel 51 , met uitzondering van Metrologiewet Noodwet voedselvoorziening artikelen 6 tot en met 10 29 artikel 18 : deen, behoudens in geval van toepassing van Plantgezondheidswet artikel 26 , met uitzondering van Postwet 2009 hoofdstuk 3A artikel 58 :en Prijzennoodwet Prijzenwet Rijkswet nationaliteit zeeschepen Scheepvaartverkeerswet artikelen 14a, tweede lid, eerste volzin 15ba, eerste lid : de, en Spoorwegwet artikel 63, tweede lid hoofdstuk 5 paragraaf 2 artikel 71, tweede lid :,,, en Telecommunicatiewet , voor zover het betreft een besluit van de Autoriteit Consument en Markt, genomen op grond van: Tijdelijke wet Nationaal Groeifonds Uitvoeringswet EU-zeehavenverordening artikel 7 :, voor zover het betreft een besluit van de Autoriteit Consument en Markt Uitvoeringswet verordening Europese coöperatieve vennootschap artikelen 6, eerste lid 9 : het verzet, bedoeld in de, en Uitvoeringswet verordening Europese vennootschap artikelen 5, eerste lid 7 : het verzet, bedoeld in de, en Verordening (EG) nr. 1435/2003 van de Raad van 22 juli 2003 betreffende het statuut voor een Europese Coöperatieve Vennootschap (SCE) (PbEU 2003, L 207): artikel 7, veertiende lid, tweede alinea Verordening (EG) nr. 2157/2001 van de Raad van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap (SE) (PbEG 2001, L 294): artikel 8, veertiende lid, tweede alinea Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk bankenafwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees parlement en de Raad (PbEU 2014, L 225): de artikelen 16, 18 en 21 Richtlijn 2003/71/EG Verordening (EU) nr. 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten en tot intrekking van(PbEU 2017, L 168): de artikelen 20, eerste en vijfde lid, en 23, eerste lid Verordening (EU) 2021/23 Verordeningen (EU) nr. 1095/2010 (EU) nr. 648/2012 (EU) nr. 600/2014 (EU) nr. 806/2014 (EU) 2015/2365 Richtlijnen 2002/47/EG 2004/25/EG 2007/36/EG 2014/59 2017/1132 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de,,,en, en de,,,/EU en (EU)(PbEU 2021, L 22): de artikelen 21 tot en met 58 Verordening (EU) 2022/2065 Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten en tot wijziging van(digitaledienstenverordening) (PbEU 2022, L 277): de artikelen 21, derde en zevende lid, 22, tweede, zesde en zevende lid, 40, achtste en tiende lid Waarborgwet 2019 artikel 38 , met uitzondering van Warmtewet artikel 5, eerste lid artikel 18 , met inbegrip van een op grond van, genomen besluit tot vaststelling van een maximumprijs, en met uitzondering van Wedervergeldingswet zeescheepvaart : Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot Wet dieren artikel 8.7 , met uitzondering van een besluit op grond van Wet geneesmiddelenprijzen artikel 11 , met uitzondering vanen met inbegrip van een besluit tot vaststelling van een maximumprijs Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden artikelen 90 108 , met uitzondering van deen Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntie artikelen 21 22 , met uitzondering van deen Wet inkomstenbelasting 2001 : Wet langdurige zorg artikel 11.4.1 artikel 11.4.2 :en Wet luchtvaart artikelen 8.25ea, vierde lid 8.25f, tweede, vierde en vijfde lid 8.25g, eerste lid 8.40f, vierde lid 8.40g, tweede, vierde en vijfde lid : de,,,, en Wet marktordening gezondheidszorg paragraaf 4 van hoofdstuk 6 , met uitzondering van beschikkingen van de Nederlandse Zorgautoriteit als bedoeld in Wet medewerking verdedigingsvoorbereiding Wet op de architectentitel artikelen 9, eerste lid, onderdeel j 10, eerste lid, onderdeel f 11, eerste lid, onderdeel f 12, eerste lid, onderdeel f artikel 8:3, eerste lid artikel 8:4, derde lid, onderdeel b , met inbegrip van een besluit inzake een aanwijzing als bedoeld in de,,, en, dat kan worden aangemerkt als algemeen verbindend voorschrift als bedoeld in, van de Algemene wet bestuursrecht, tenzij het betreft een besluit als bedoeld in, van de Algemene wet bestuursrecht Wet op het accountantsberoep Wet op het financieel toezicht : Wet personenvervoer 2000 artikelen 56, eerste lid 59, eerste lid 94, eerste lid 96, eerste lid , met uitzondering van de,,, en Wet terugvordering staatssteun artikel 3 : Wet uitvoering Internationaal Energieprogramma Wet verbod pelsdierhouderij Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen artikel 30, eerste lid artikel 26 : een besluit genomen door een van de in, genoemde bestuursorganen, tenzij toepassing of mede toepassing is gegeven aan Wet vervoer over zee Wet voorraadvorming aardolieproducten 2012 artikel 26 , met uitzondering vanen met inbegrip van een besluit van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat dat is genomen op grond van een bilateraal akkoord en betrekking heeft op het niet in Nederland aanhouden van een wettelijke voorraad Wet wegvervoer goederen Wet windenergie op zee artikelen 15, vierde lid 16 17 21, tweede lid 25 :,,,, en Winkeltijdenwet Zaaizaad- en plantgoedwet 2005 Zorgverzekeringswet artikel 122a : a. Wet open overheid een besluit op grond van de b. artikel 3 van de Ambtenarenwet 2017 een besluit ten aanzien van een persoon met betrekking tot diens inbedoelde hoedanigheid c. een besluit op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming a. artikel 64, derde lid , tweede volzin, voor zover het betreft een weigering om de in de eerste volzin bedoelde termijn te verlengen b. artikelen 68, tweede lid 125, tweede lid de, en, voor zover het betreft een weigering van een verklaring c. artikel 156 , voor zover het betreft: 1. een weigering, wijziging of intrekking van een ontheffing 2. een besluit tot verlening van de ontheffing voor zover daaraan voorschriften zijn verbonden dan wel daarbij beperkingen zijn opgelegd d. artikel 175, derde lid , tweede volzin, voor zover het betreft een afwijzing van een verzoek e. artikelen 179, tweede lid 235, tweede lid de, en, voor zover het betreft een weigering van een verklaring f. artikel 266 , voor zover het betreft: 1. een besluit tot weigering, wijziging of intrekking van de ontheffing 2. een besluit tot verlening van de ontheffing voor zover daaraan voorschriften zijn verbonden dan wel daarbij beperkingen zijn opgelegd a. hoofdstuk 6 Wet implementatie Europees regelgevingskader voor de elektronische communicatiesector 2002 , tenzij beroep kon worden ingesteld voor de inwerkingtreding van de b. hoofdstukken 5a 5c 6a 6b 12 de,,,en c. hoofdstuk 15 artikelen 15.2 15.2a 15.4 , met uitzondering van de,en a. een verlening of weigering van een vergunning of een ontheffing b. artikel 7 een intrekking van een vergunning of een ontheffing krachtens c. een oplegging van een heffing a. artikelen 3.31, eerste lid 3.42a, eerste lid de, en, voor zover het betreft een besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat b. artikelen 3.37, eerste lid 3.42, eerste lid de, en, voor zover het betreft een besluit van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat a. artikel 1:26, eerste en tweede lid afdelingen 3A.1.3 3A.1.4 3A.1.5 3A.2.3 3A.2.4 artikelen 5:77, eerste lid 5:81, derde lid , de,,,enen de, en b. artikel 5:76, tweede lid 5:80b, vijfde lid artikel 1:80 een besluit ter zake van het ingevolge, of, bepaalde, met uitzondering van een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in
Artikel 5 — Artikel 5 Beroep bij een gerechtshof#
Artikel 5 Beroep bij een gerechtshof Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan beroep worden ingesteld bij een gerechtshof. Wet financiering sociale verzekeringen artikelen 95 97 : een uitspraak op bezwaar als bedoeld in deen
Artikel 8:7#
artikel 8:7, derde lid
Artikel 6 — Artikel 6 Beroep bij de rechtbank Den Haag#
Artikel 6 Beroep bij de rechtbank Den Haag Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank Den Haag. Besluit van 20 juni 1984, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur regelende de vergoeding van motorrijtuigenbelasting voor oorlogsgetroffenen (Stb. 1984, 364) Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië , met uitzondering van een besluit op grond van de Algemene oorlogsongevallenregeling Garantiewet militairen K.N.I.L. Garantiewet Surinaamse pensioenen Wet ambtenaren defensie de reglementen van de Stichting Maror-gelden Overheid, de Stichting Joods Humanitair Fonds, de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma en de Stichting Het Gebaar Samenloopregeling Indonesische pensioenen 1960 Tijdelijke wet inframarginale elektriciteitsheffing: paragraaf 4.2 Toeslagregeling pensioenen Suriname en Nederlandse Antillen Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956 Uitkeringswet gewezen militairen Uitkeringswet tegemoetkoming twee tot vijfjarige diensttijd veteranen Vreemdelingenwet 2000 artikelen 43 45, vierde lid artikel 21b, eerste en tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie , met uitzondering van deen, en met dien verstande dat de rechtbank Den Haag het beroep kan behandelen in alle zittingsplaatsen van alle rechtbanken, bedoeld in Wet arbeid vreemdelingen artikel 21b, eerste en tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie , met uitzondering van een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete, en met dien verstande dat de rechtbank Den Haag beroepen tegen besluiten als bedoeld in die wet kan behandelen in alle zittingsplaatsen van alle rechtbanken, bedoeld in Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen Wet bescherming oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten artikel 1 , voor zover het betreft een besluit van het bureau, bedoeld in, omtrent de inschrijving van een depot op grond van die wet Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers artikel 5, eerste en tweede lid artikel 21b, eerste en tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie : de in, bedoelde besluiten en handelingen, met dien verstande dat de rechtbank Den Haag de beroepen kan behandelen in alle zittingsplaatsen van alle rechtbanken, bedoeld in Wet financiële voorzieningen privatisering ABP Wet milieubeheer artikelen 18.16a, eerste, tweede of vijfde lid 18.16b, eerste lid 18.16c 18.16s, eerste lid : de,,en Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 hoofdstuk 5 : Wet pensioenvoorzieningen K.N.I.L. Wet rechtspositionele voorzieningen rampbestrijders Wet toezicht geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten Wet van 16 juli 2001 tot het stellen van nadere regels in verband met de introductie van een toeslagregeling ter compensatie van het gemis aan overhevelingstoeslag per 1 januari 2001 ten aanzien van de Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956 en enkele andere overzeese pensioenwetten alsmede het actualiseren van die wetten in verband met de inwerkingtreding van de Algemene nabestaandenwet (Stb. 2001, 377) Wet van 21 december 1951, houdende een onderstandsregeling ingevolge artikel 2 Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië (Stb. 1951, 592)
Artikel 7 — Artikel 7 Beroep bij de rechtbank Rotterdam#
Artikel 7 Beroep bij de rechtbank Rotterdam Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank Rotterdam. Aanbestedingswet 2012 artikel 4.21 , Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied artikel 3.8 , Bankwet 1998 artikel 9c, eerste en tweede lid : Burgerlijk Wetboek: Drinkwaterwet artikel 50, derde lid artikel 70a van de Mededingingswet :, in samenhang met Energiewet artikelen 3.33, tweede lid, onderdeel e 5.19 5.21 : de,, en Handelsregisterwet 2007 artikelen 47a 47b : deen Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies artikelen 22 23 : deen Instellingswet Autoriteit Consument en Markt artikel 12w , met uitzondering van een besluit als bedoeld inwaartegen beroep kan worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet Loodsenwet artikelen 21, derde lid 27b, vierde lid 27d 27f 27h 27l , met uitzondering van de,,,,en Mededingingswet Muntwet 2002 artikel 11, eerste en tweede lid : Pensioenwet Postwet 2009 hoofdstuk 3A artikel 58 , met uitzondering vanen Sanctiewet 1977 artikelen 10ba tot en met 10d : de Spoorwegwet artikelen 19 hoofdstuk 5 paragraaf 2 artikel 71, tweede lid , met uitzondering van deen,, en Tabaks- en rookwarenwet Telecommunicatiewet artikel 18.2a , met inbegrip van de verordeningen genoemd in, met uitzondering van: Uitvoeringswet cyberbeveiligingsverordening Uitvoeringswet datagovernanceverordening artikel 8 : Uitvoeringswet dataverordening artikelen 2 5, eerste lid 8, eerste lid :,, en Uitvoeringswet digitaledienstenverordening paragraaf 2.2 : Uitvoeringswet digitalemarktenverordening Uitvoeringswet EU-zeehavenverordening artikel 9, eerste lid : Verordening (EU) 2022/1925 Richtlijnen (EU) 2019/1937 (EU) 2020/1828 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2022 over betwistbare en eerlijke markten in de digitale sector, en tot wijziging vanen(digitalemarktenverordening) (PbEU 2022, L 265) Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk bankenafwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees parlement en de Raad (PbEU 2014, L 225), met uitzondering van de artikelen 16, 18 en 21 Verordening (EU) 2021/23 Verordeningen (EU) nr. 1095/2010 (EU) nr. 648/2012 (EU) nr. 600/2014 (EU) nr. 806/2014 (EU) 2015/2365 Richtlijnen 2002/47/EG 2004/25/EG 2007/36/EG 2014/59 2017/1132 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de,,,en, en de,,,/EU en (EU)(PbEU 2021, L 22), met uitzondering van de artikelen 21 tot en met 58 Verordening (EU) nr. 2022/868 Verordening (EU) nr. 2018/1724 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 betreffende Europese datagovernance en tot wijziging van(Datagovernanceverordening) (PbEU 2022, L 152): artikel 28 Warenwet Warmtewet artikel 18 : Wet bekostiging financieel toezicht Wet bestrijding maritieme ongevallen Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen , voor zover het een besluit betreft dat betrekking heeft op een aanbieder van een essentiële dienst in de sectoren energie, digitale infrastructuur, bankwezen, infrastructuur voor de financiële markt, gezondheidszorg en spoor of op een digitaledienstverlener Wet dieren artikel 8.7 : Wet financiële betrekkingen buitenland 1994 Wet geneesmiddelenprijzen artikel 11 : Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden artikel 90 : Wet handhaving consumentenbescherming Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntie artikelen 21 22 : deen Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.52a, elfde lid : een boetebesluit als bedoeld in, en een daarmee samenhangende correctie-RDA-beschikking als bedoeld in het tweede lid van dit artikel Wet inzake de geldtransactiekantoren artikel IX van de Wijzigingswet financiële markten 2012 , voor zover die wet nog van toepassing is op grond van Wet lokaal spoor artikel 12 , met uitzondering van Wet luchtvaart artikel 11.24 : Wet marktordening gezondheidszorg paragraaf 4 van hoofdstuk 6 , voor zover het betreft beschikkingen van de Nederlandse Zorgautoriteit als bedoeld in Wet oneerlijke handelspraktijken landbouw- en voedselvoorzieningsketen artikel 9 : Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017: artikel 53, zevende lid Wet op het financieel toezicht , met uitzondering van: Wet personenvervoer 2000 artikelen 56, eerste lid 59, eerste lid 94, eerste lid 96, eerste lid : de,,, en Wet privatisering APB Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 artikel 21, vierde lid , voor zover het de overeenkomstige toepassing van debetreft op grond van Wet publiek toezicht en handhaving verordening bevordering billijkheid en transparantie voor zakelijke gebruikers van onlinetussenhandelsdiensten Wet schadefonds olietankschepen Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme Wet toezicht accountantsorganisaties Wet toezicht financiële verslaggeving Wet toezicht trustkantoren 2018 Wet van 23 november 2006 tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet in verband met nadere regels omtrent een onafhankelijk netbeheer ( Stb. 2006, 614 ) Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen artikel 30, eerste lid artikel 26 : een besluit genomen door een van de in, genoemde bestuursorganen, waarin toepassing of mede toepassing is gegeven aan Wet verplichte beroepspensioenregeling Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 a. Boek 2 artikelen 63d, tweede lid 156 266 : de,en b. Boek 8 titel 6, afdeling 5 : a. artikelen 3.5 3.5a 3.5b 3.22 15.2, derde lid 15.4, vierde lid 18.9, eerste en tweede lid de,,,,,, en b. alsmede, voor zover het betreft een besluit van de Autoriteit Consument en Markt: 1. hoofdstuk 6 Wet implementatie Europees regelgevingskader voor de elektronische communicatiesector 2002 , tenzij beroep kon worden ingesteld voor de inwerkingtreding van de 2. hoofdstukken 5a 5c 6a 6b 12 de,,,en 3. hoofdstuk 15 artikelen 15.2 15.2a 15.4 , met uitzondering van de,en. a. afdelingen 3A.1.3 3A.1.4 3A.1.5 3A.2.3 3A.2.4 de,,,en b. artikelen 5:77, eerste lid 5:81, derde lid de, en c. artikel 5:76, tweede lid 5:80b, vijfde lid artikel 1:80 een besluit ter zake van het ingevolge, of, bepaalde, met uitzondering van een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in d. artikelen 6:1 6:2 deen
Artikel 8 — Artikel 8 Overige#
Artikel 8 Overige 1 Overgangswet elektriciteitsproductiesector Tegen een besluit, genomen op grond van de, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank Gelderland. 2 afdelingen 5.1.1 5.1.2 5.3 5.4 5.5 van de Mijnbouwwet artikel 26 van de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2012 Tegen een besluit op grond van de,,,enalsmede een besluit als bedoeld inkan beroep worden ingesteld bij de rechtbanken Noord-Nederland, Gelderland, Noord-Holland, Den Haag en Zeeland-West-Brabant in het ressort waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats heeft. Indien de indiener van het beroepschrift geen woonplaats in Nederland heeft, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel heeft. 3 hoofdstuk II van de Wet op de rechtsbijstand Tegen een besluit van de Raad voor rechtsbijstand, bedoeld in, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank in het arrondissement waar de raad is gevestigd. 4 artikel 8:2, tweede lid, van de Algemene douanewet Tegen een beschikking als bedoeld in, met uitzondering van een beschikking ter zake van landbouwrestituties, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank Noord-Holland. 5 artikel 18, derde lid, van de Wet strategische diensten Tegen een beschikking als bedoeld inkan beroep worden ingesteld bij de rechtbank te Haarlem. 6 artikel 1 van de Kadasterwet Tegen een besluit van de Dienst, genoemd in, omtrent wijziging van een authentiek gegeven of omtrent wijziging van een ander gegeven dan een authentiek gegeven, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan: a. de onroerende zaak waarmee het betreffende gegeven verband houdt, geheel of grotendeels is gelegen, of b. artikel 1 van de Kadasterwet de Dienst, genoemd in, is gevestigd indien het betreffende gegeven verband houdt met een te boek staand schip of luchtvaartuig. 7 artikel 2.3 van de Jeugdwet Tegen een besluit op grond vankan beroep worden ingesteld bij de kinderrechter binnen wiens rechtsgebied de betrokken gemeente is gelegen. 8 Uitvoeringswet EFRO artikel 3 van die wet Tegen een besluit inzake subsidieverstrekking voor een project op grond van de, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan een autoriteit als bedoeld indie bevoegd is besluiten te nemen inzake de verstrekking van EFRO-middelen voor het project, haar zetel heeft, tenzij die autoriteit in het buitenland gevestigd is. 9 hoofdstuk V, afdeling 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 8:7, tweede lid Tegen een besluit als bedoeld invan een bestuursorgaan als bedoeld in, kan beroep worden ingesteld bij: a. de rechtbanken Noord-Holland, Den Haag en Zeeland-West-Brabant in het ressort waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats heeft dan wel, indien de indiener van het beroepschrift geen woonplaats in Nederland heeft, bij de rechtbanken Noord-Holland, Den Haag en Zeeland-West-Brabant in het ressort waarvan het bestuursorgaan zijn zetel heeft; b. de rechtbank Gelderland, indien de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats heeft in het arrondissement Gelderland, het arrondissement Overijssel of het arrondissement Midden-Nederland, met uitzondering van de provincie Flevoland dan wel, indien de indiener van het beroepschrift geen woonplaats in Nederland heeft, wanneer het bestuursorgaan zijn zetel heeft in het arrondissement Gelderland, het arrondissement Overijssel of het arrondissement Midden-Nederland, met uitzondering van de provincie Flevoland; c. de rechtbank Noord-Nederland, indien de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats heeft in het arrondissement Noord-Nederland of de provincie Flevoland dan wel, indien de indiener van het beroepschrift geen woonplaats in Nederland heeft, wanneer het bestuursorgaan zijn zetel heeft in het arrondissement Noord-Nederland of de provincie Flevoland. 10 artikel 2, derde lid artikel 15, eerste lid, van de Tijdelijke wet Groningen Tegen een besluit als bedoeld in, enkan beroep worden ingesteld bij de rechtbank Noord-Nederland.
Artikel 8:105#
artikelen 8:105
Artikel 8:106#
8:106, eerste lid, onder a
Artikel 9 — Artikel 9 Hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, met schorsende werking#
Artikel 9 Hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, met schorsende werking Tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter omtrent een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. De volgende besluiten: Algemene Kinderbijslagwet Algemene nabestaandenwet Algemene Ouderdomswet Burgerlijk Wetboek: Boek 7, artikel 673e Kaderwet SZW-subsidies artikel 9 , voor zover het betreft een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling op grond van Liquidatiewet Ongevallenwetten artikel 24, eerste lid ,met uitzondering van Participatiewet artikelen 52 76, eerste en tweede lid 81 paragraaf 6.5 , met uitzondering van de,, enen Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria Tijdelijke wet pilot loondispensatie Toeslagenwet Werkloosheidswet Wet arbeid en zorg hoofdstuk 3, afdeling 2 artikelen 4:2b 6:3 :, en deen Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen Wet financiering sociale verzekeringen , voor zover het betreft een besluit van de Sociale verzekeringsbank of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen Wet hersteloperatie toeslagen Artikelen 3.6 3.7 3.8 3.10 artikel 2.1.4b van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 artikel 3.11 :,,,met uitzondering van kwijtschelding die ziet op vorderingen die verband houden met de inning van de eigen bijdrage als bedoeld inen Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers Wet inkomensvoorziening oudere werklozen Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen artikel 2.3 : een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van Wet langdurige zorg , met uitzondering van: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 artikel 3a.1.1 : Wet milieubeheer artikel 15.50 : Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen Wet overige OCW-subsidies artikel 19a : Wet sociale werkvoorziening Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen artikel 9, vijfde lid , met uitzondering van Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen Ziektewet Zorgverzekeringswet artikelen 9b 9c 18f 18g 68b 69 70 artikel 18d 18e : de,,,,,en, behalve voor zover op grond van artikel 18f, eerste lid, in samenhang metof, een besluit is genomen over de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie of de hoogte daarvan a. hoofdstuk IV van het Besluit administratieve bepalingen een besluit over een gehandicaptenparkeerkaart als bedoeld ininzake het wegverkeer b. een op grond van een gemeentelijke verordening of gemeenschappelijke regeling genomen besluit over een gehandicaptenparkeerkaart c. een besluit over een gehandicaptenparkeerplaats voor een bepaald voertuig a. besluiten van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport b. besluiten van een met het toezicht belaste ambtenaar, en c. artikel 11.4.1 11.4.2 een beschikking op grond vanof
Artikel 10 — Artikel 10 Hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, zonder schorsende werking#
Artikel 10 Hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, zonder schorsende werking Tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter omtrent een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan eveneens hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. artikel 4:126 Algemene wet bestuursrecht:, voor zover het besluit betrekking heeft op schade, veroorzaakt door een besluit op grond van een ander voorschrift, genoemd in artikel 9 of 10 van deze Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, of door een handeling ter uitvoering van een zodanig besluit artikel 3 van de Ambtenarenwet 2017 Een besluit waarbij een persoon met betrekking tot diens inbedoelde hoedanigheid, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn. Besluit van 20 juni 1984, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur regelende de vergoeding van motorrijtuigenbelasting voor oorlogsgetroffenen (Stb. 1984, 364) Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië , met uitzondering van een besluit op grond van de Algemene oorlogsongevallenregeling Garantiewet militairen K.N.I.L. Garantiewet Surinaamse pensioenen Jeugdwet artikel 2.3 paragraaf 8.1 :en Noodwet Arbeidsvoorziening Noodwet Geneeskundigen de reglementen van de Stichting Maror-gelden Overheid, de Stichting Joods Humanitair Fonds, de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma en de Stichting Het Gebaar Samenloopregeling Indonesische pensioenen 1960 Toeslagregeling pensioenen Suriname en Nederlandse Antillen Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956 Uitkeringswet gewezen militairen Uitkeringswet tegemoetkoming twee tot vijfjarige diensttijd veteranen Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs artikel 15b hoofdstuk 5 , met uitzondering vanen Wet financiële voorzieningen privatisering ABP Wet hersteloperatie toeslagen Artikel 3.10 artikel 2.1.4b van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 artikel 3.12 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 :voor zover kwijtschelding ziet op vorderingen die verband houden met de inning van de eigen bijdrage als bedoeld inenvoor zover kwijtschelding betrekking heeft op vorderingen die verband houden met de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 artikelen 2.6.8 3a.1.1 , met uitzondering van deen Wet pensioenvoorzieningen K.N.I.L. Wet privatisering ABP Wet rechtspositionele voorzieningen rampbestrijders Wet studiefinanciering 2000 Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten Wet van 21 december 1951, houdende een onderstandsregeling ingevolge artikel 2 Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië (Stb. 1951, 592) Wet van 25 mei 1962, houdende instelling van een Bijstandkorps van burgerlijke rijksambtenaren, dat bestemd is voor dienst in Nederlands-Nieuw-Guinea (Stb. 1962, 196) Wet van 16 juli 2001 tot het stellen van nadere regels in verband met de introductie van een toeslagregeling ter compensatie van het gemis aan overhevelingstoeslag per 1 januari 2001 ten aanzien van de Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956 en enkele andere overzeese pensioenwetten alsmede het actualiseren van die wetten in verband met de inwerkingtreding van de Algemene nabestaandenwet (Stb. 2001, 377) Wet verevening pensioenrechten bij scheiding
Artikel 11 — Artikel 11 Hoger beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven#
Artikel 11 Hoger beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven Tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter omtrent een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Aanbestedingswet 2012 artikel 4.21 , Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied artikel 3.8 , artikel 4:126 Algemene wet bestuursrecht:, voor zover het besluit betrekking heeft op schade, veroorzaakt door een besluit op grond van een ander voorschrift, genoemd in artikel 11 van deze Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, of door een handeling ter uitvoering van een zodanig besluit Bankwet 1998 artikel 9c, eerste en tweede lid : Burgerlijk Wetboek artikelen 63d, tweede lid 156 266 van Boek 2 : de,en Drinkwaterwet artikel 50, derde lid artikel 70a van de Mededingingswet :, in samenhang met Energiewet artikelen 3.33, tweede lid, onderdeel e 5.19 5.21 : de,, en Handelsregisterwet 2007 artikelen 47a 47b : deen Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies artikelen 22 23 : deen Instellingswet Autoriteit Consument en Markt artikel 12w , met uitzondering van een besluit als bedoeld inwaartegen beroep kan worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet Loodsenwet artikelen 21, derde lid 27b, vierde lid 27d 27f 27h 27l , met uitzondering van de,,,,en Mededingingswet Meststoffenwet artikel 51 : Muntwet 2002 artikel 11, eerste en tweede lid : Overgangswet elektriciteitsproductiesector Pensioenwet Plantgezondheidswet artikel 26 : Postwet 2009 hoofdstuk 3A artikel 58 , met uitzondering vanen Sanctiewet 1977 artikelen 10ba tot en met 10d : de Spoorwegwet artikelen 19 21 hoofdstuk 5 paragraaf 2 artikel 71, tweede lid , met uitzondering van de,en,, en Tabaks- en rookwarenwet Telecommunicatiewet artikel 18.2a , met inbegrip van de verordeningen genoemd in, met uitzondering van: Uitvoeringswet cyberbeveiligingsverordening Uitvoeringswet datagovernanceverordening artikel 8 : Uitvoeringswet dataverordening artikelen 2 5, eerste lid 8, eerste lid :,, en Uitvoeringswet digitaledienstenverordening paragraaf 2.2 : Uitvoeringswet digitalemarktenverordening Uitvoeringswet EU-zeehavenverordening artikel 9, eerste lid : Verordening (EU) 2022/1925 Richtlijnen (EU) 2019/1937 (EU) 2020/1828 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2022 over betwistbare en eerlijke markten in de digitale sector, en tot wijziging vanen(digitalemarktenverordening) (PbEU 2022, L 265) Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk bankenafwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees parlement en de Raad (PbEU 2014, L 225), met uitzondering van de artikelen 16, 18 en 21 Verordening (EU) 2021/23 Verordeningen (EU) nr. 1095/2010 (EU) nr. 648/2012 (EU) nr. 600/2014 (EU) nr. 806/2014 (EU) 2015/2365 Richtlijnen 2002/47/EG 2004/25/EG 2007/36/EG 2014/59 2017/1132 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de,,,en, en de,,,/EU en (EU)(PbEU 2021, L 22), met uitzondering van de artikelen de artikelen 21 tot en met 58 Verordening (EU) nr. 2022/868 Verordening (EU) nr. 2018/1724 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 betreffende Europese datagovernance en tot wijziging van(Datagovernanceverordening) (PbEU 2022, L 152): artikel 28 Waarborgwet 2019 artikel 38 : Warenwet Warmtewet artikel 18 : Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie hoofdstuk 3 : Wet bekostiging financieel toezicht Wet bestrijding maritieme ongevallen Wet bestuurlijke boete meldingsplichten door ministers verstrekte subsidies Kaderwet EZK- en LNV-subsidies , voor zover de boete is opgelegd ter zake van het niet voldoen aan een bijzondere meldingsplicht die is verbonden aan een krachtens deverstrekte subsidie Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen , voor zover het een besluit betreft dat betrekking heeft op een aanbieder van een essentiële dienst in de sectoren energie, digitale infrastructuur, bankwezen, infrastructuur voor de financiële markt en spoor of op een digitaledienstverlener Wet dieren artikel 8.7 : Wet financiële betrekkingen buitenland 1994 Wet geneesmiddelenprijzen artikel 11 : Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden artikel 90 : Wet handhaving consumentenbescherming Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntie artikelen 21 22 : deen Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.52a, elfde lid : een boetebesluit als bedoeld in, en een daarmee samenhangende correctie-RDA-beschikking als bedoeld in het tweede lid van dit artikel Wet inzake de geldtransactiekantoren artikel IX van de Wijzigingswet financiële markten 2012 ,voor zover die wet nog van toepassing is op grond van Wet lokaal spoor artikel 12 , met uitzondering van Wet luchtvaart artikel 11.24 : Wet marktordening gezondheidszorg hoofdstuk 6, paragraaf 4 , voor zover het betreft een besluit van de Nederlandse Zorgautoriteit als bedoeld in Wet oneerlijke handelspraktijken landbouw- en voedselvoorzieningsketen artikel 9 : Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017: artikel 53, zevende lid Wet op het financieel toezicht , met uitzondering van: Wet op het notarisambt Wet verplichte beroepspensioenregeling artikel 113c , voor zover het de toepassing of overeenkomstige toepassing van debetreft op grond van Wet personenvervoer 2000 artikelen 56, eerste lid 59, eerste lid 94, eerste lid 96, eerste lid : de,,, en Wet privatisering APB Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 artikel 21, vierde lid , voor zover het de overeenkomstige toepassing van debetreft op grond van Wet publiek toezicht en handhaving verordening bevordering billijkheid en transparantie voor zakelijke gebruikers van onlinetussenhandelsdiensten Wet schadefonds olietankschepen Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme Wet toezicht accountantsorganisaties Wet toezicht financiële verslaggeving Wet toezicht trustkantoren 2018 Wet van 23 november 2006 tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet in verband met nadere regels omtrent een onafhankelijk netbeheer ( Stb. 2006, 614 ) Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen artikel 30, eerste lid artikel 26 : een besluit genomen door een van de in, genoemde bestuursorganen, waarin toepassing of mede toepassing is gegeven aan Wet verplichte beroepspensioenregeling Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 a. artikelen 3.5 3.5a 3.5b 3.22 15.2, derde lid 15.4, vierde lid 18.9, eerste en tweede lid de,,,,,, en b. alsmede, voor zover het betreft een besluit van de Autoriteit Consument en Markt: 1. hoofdstuk 6 Wet implementatie Europees regelgevingskader voor de elektronische communicatiesector 2002 , tenzij beroep kon worden ingesteld voor de inwerkingtreding van de 2. hoofdstukken 5a 5c 6a 6b 12 de,,,en 3. hoofdstuk 15 artikelen 15.2 15.2a 15.4 , met uitzondering van de,en. a. afdelingen 3A.1.3 3A.1.4 3A.1.5 3A.2.3 3A.2.4 de,,,en b. artikelen 5:77, eerste lid 5:81, derde lid de, en c. artikel 5:76, tweede lid 5:80b, vijfde lid artikel 1:80 een besluit ter zake van het ingevolge, of, bepaalde, met uitzondering van een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in d. artikelen 6:1 6:2 deen
Artikel 12 — Artikel 12 Hoger beroep bij een gerechtshof#
Artikel 12 Hoger beroep bij een gerechtshof Tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter omtrent een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan hoger beroep worden ingesteld bij een gerechtshof. Algemene douanewet artikel 8:2, tweede lid : artikel 4:126 Algemene wet bestuursrecht:, voor zover het besluit betrekking heeft op schade, veroorzaakt door een besluit op grond van een ander voorschrift, genoemd in artikel 12 van deze Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, of door een handeling ter uitvoering van een zodanig besluit Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 26 : Mijnbouwwet afdelingen 5.1.1 5.1.2 5.3 5.4 5.5 : de,,,en Wet strategische diensten artikel 18, derde lid :
Artikel 8:41#
artikelen 8:41
Artikel 8:109#
8:109
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 artikel 8:41, tweede lid, onderdeel a artikel 8:109, eerste lid, onderdeel a Het tarief, genoemd in, dan wel genoemd in, geldt indien het beroep, dan wel hoger beroep, betreft: a. artikel 3 van de Ambtenarenwet 2017 een besluit inzake een uitkering bij werkloosheid of ziekte, genomen ten aanzien van een persoon met betrekking tot diens inbedoelde hoedanigheid; b. een besluit inzake een uitkering op grond van blijvende arbeidsongeschiktheid op grond van een wettelijk voorschrift waarbij de natuurlijke persoon ter zake van zijn arbeidsongeschiktheid vanwege het Rijk invaliditeitspensioen is verzekerd, of een besluit, genomen op grond van artikel P9 van de Algemene burgerlijke pensioenwet; c. een bestuurlijke boete van ten hoogste € 340; d. een besluit waarbij de kosten van bestuursdwang op ten hoogste € 340 zijn vastgesteld.
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 artikel 8:41, tweede lid, onderdeel a artikel 8:109, eerste lid, onderdeel a Het tarief, genoemd in, dan wel genoemd in, geldt voorts indien het beroep, dan wel hoger beroep, betreft een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven. De volgende besluiten: Algemene bijstandswet Algemene Kinderbijslagwet Algemene nabestaandenwet Algemene Ouderdomswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Algemene wet inzake rijksbelastingen , tenzij het beroep of hoger beroep door een natuurlijke persoon is ingesteld tegen een uitspraak inzake een besluit met betrekking tot de toepassing van: Besluit van 20 juni 1984, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur regelende de vergoeding van motorrijtuigenbelasting voor oorlogsgetroffenen (Stb. 1984, 364) Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië , met inbegrip van een besluit op grond van de Algemene oorlogsongevallenregeling Garantiewet Militairen K.N.I.L. Garantiewet Surinaamse pensioenen Kaderwet SZW-subsidies artikel 9 , voor zover het betreft een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling op grond van Liquidatiewet Ongevallenwetten Mijnbouwwet afdelingen 5.1.1 5.1.2 5.3 5.4 5.5 : de,,,en Participatiewet artikelen 52 76, eerste en tweede lid 81 paragraaf 6.5 , met uitzondering van de,, enen Reglement eenmalige uitkering silicose-vergoeding oud-mijnwerkers, vastgesteld bij besluit van het bestuur van de Stichting Silicose Oud-Mijnwerkers van 18 april 1994 de reglementen van de Stichting Maror-gelden Overheid, de Stichting Joods Humanitair Fonds, de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma en de Stichting Het Gebaar Samenloopregeling Indonesische pensioenen 1960 Tijdelijke vergoedingsregeling psychotherapie na-oorlogse generatie Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria Tijdelijke wet pilot loondispensatie Toeslagenwet Toeslagregeling pensioenen Suriname en Nederlandse Antillen Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956 Uitkeringswet tegemoetkoming twee tot vijfjarige diensttijd veteranen Werkloosheidswet Wet arbeid en zorg hoofdstuk 3, afdeling 2 artikelen 4:2b 6:3 :, en deen Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers Wet educatie en beroepsonderwijs artikel 7.5.9, eerste lid : Wet financiering sociale verzekeringen , voor zover het betreft een besluit van de Sociale verzekeringsbank of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen Wet gemeentelijke schuldhulpverlening Wet gevolgen brutering uitkeringsregelingen Wet hersteloperatie toeslagen Artikelen 3.6 3.7 3.8 3.10 artikel 3.2.5 van de Wet langdurige zorg artikel 3.12 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 :,,,met uitzondering van kwijtschelding die ziet op vorderingen die verband houden met de inning van de eigen bijdrage als bedoeld inenvoor zover kwijtschelding betrekking heeft op vorderingen die verband houden met de uitvoering van de Wet inburgering 2021 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers Wet inkomensvoorziening oudere werklozen Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen artikel 2.3 : een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van Wet langdurige zorg , met uitzondering van een besluit van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering Wet op de rechtsbijstand artikel 1, eerste lid : een besluit van de Raad voor rechtsbijstand, indien het beroep dan wel hoger beroep wordt ingesteld door een rechtzoekende als bedoeld in Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek artikel 7.64, eerste lid : Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen Wet pensioenvoorzieningen K.N.I.L. Wet sociale werkvoorziening Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen Wet studiefinanciering 2000 Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 Wet van 21 december 1951, houdende een onderstandsregeling ingevolge artikel 2 Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië (Stb. 1951, 592) Wet van 16 juli 2001 tot het stellen van nadere regels in verband met de introductie van een toeslagregeling ter compensatie van het gemis aan overhevelingstoeslag per 1 januari 2001 ten aanzien van de Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956 en enkele andere overzeese pensioenwetten alsmede het actualiseren van die wetten in verband met de inwerkingtreding van de Algemene nabestaandenwet (Stb. 2001, 377) Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen Ziektewet Zorgverzekeringswet artikelen 9b 9c 18f 18g 68b 69 70 118a : de,,,,,,en a. hoofdstuk IV van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer een besluit over een gehandicaptenparkeerkaart als bedoeld in b. een op grond van een gemeentelijke verordening of gemeenschappelijke regeling genomen besluit over een gehandicaptenparkeerkaart c. een besluit over een gehandicaptenparkeerplaats voor een bepaald voertuig a. Wet op de dividendbelasting 1965 de b. Wet op de omzetbelasting 1968 de c. Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 de d. Wet op de accijns de e. Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken de f. Wet belastingen op milieugrondslag de